CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb6851 Bijlage 2 behorende bij 21bb6850 over Gewijzigde Regels bestemmingsplan Piekstraat Punt

Gemeenteraad 8 juli 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 12. Het voorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan ‘Piekstraat Punt’17.047 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

- 30 -

verbeelding opgenomen bouwvlak is echter zodanig gepositioneerd, dat deze buiten het plasbrandaandachtsgebied en buiten de provinciale 25 meterzone ligt. Hierdoor is het niet mogelijk om binnen deze zones nieuwe bebouwing op te richten. De beoogde nieuwbouw bevindt zich wel in het gebied tussen de 25 en 40 meter vanaf de kade. Om de veiligheid van de gebruikers van het pand te waarborgen worden bepaalde maatregelen genomen. Daarmee wordt de veiligheid voldoende gegarandeerd. Ook uit oriënterende gesprekken met de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond blijkt, dat realisatie van het beoogde bouwplan mogelijk is.

Afbeelding 6: Plasbrandaandachtsgebied (links) en provinciale veiligheidsafstanden (rechts).

Transport van gevaarlijke stoffen over spoorlijn Rotterdam-Dordrecht Op ongeveer 270 meter ten westen van het plangebied is de spoorverbinding tussen Rotterdam en Dordrecht gelegen. Deze spoorlijn bevindt zich in een tunnelbuis: de Willemsspoortunnel met een totale lengte van circa drie kilometer. Door de tunnel lopen vier sporen, elk in een aparte buis. Alleen bij station Blaak is sprake van twee buizen met in elke buis een middenperron. Dit station moet in het kader van het aspect 'externe veiligheid' gezien worden als een opening in de tunnel, waar de effecten van een eventueel ongeval zich manifesteren. In de tunnel is nooit meer dan één goederentrein aanwezig. Daarnaast mag een dergelijke trein zich nooit tegelijkertijd met een passagierstrein in dezelfde tunnelbuis bevinden. Door het transport van gevaarlijke stoffen kunnen zich bij een ongeval calamiteiten voordoen met brandbare gassen en vloeistoffen en met toxische stoffen. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour wordt bepaald door de stofcategorie 'brandbare vloeistoffen'. Het effect van branden blijft echter beperkt tot de binnenkant van de tunnel, zodat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour. Ook ongevallen met toxische vloeistoffen of gassen leiden niet tot effecten. Na verdamping en ventilatie komen de giftige dampen vrij bij de openingen van de tunnel.

Gelet op de afstand van deze uitstroompunten tot het plangebied – de dichtstbijzijnde tunnelmond is gelegen op 400 meter - is het onwaarschijnlijk dat via atmosferische verdunning slachtoffers vallen. Een explosie in de tunnel leidt tot een drukgolf die zich voortzet tot aan de openingen. Door de overdruk en de hitte kan daarnaast de tunnel beschadigd raken. Het is niet waarschijnlijk dat dit tot directe slachtoffers binnen het plangebied leidt. De kans dat zich overigens een explosie in de tunnel voordoet is zeer klein, vanwege de geringe hoeveelheid aanwezige zuurstof en het veiligheidsregime in de tunnel.

Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

- 31 -

De voor het groepsrisico ter plaatse van het projectgebied maatgevende kilometer ligt voor een groot deel over water. Bovendien is de persoonsdichtheid in de directe omgeving voor een stedelijk gebied niet hoog. De kansen op ongevallen in de tunnel zijn in vergelijking met een maaiveldsituatie zeer klein. Omdat voor het risico van het transport door tunnels geen gevalideerde en erkende rekenmethodes beschikbaar zijn, is het niet mogelijk om het groepsrisico te berekenen. Daarnaast geldt op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes dat een verantwoording van het groepsrisico niet aan de orde is, indien het beoogde bouwplan op meer dan 200 meter afstand van de transportroute ligt. Een nadere verantwoording is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Op grond van bovenstaande beschouwing wordt geconcludeerd, dat geen van de risicobronnen leidt tot belemmeringen op de voorgenomen ontwikkeling. Desalniettemin ligt het plangebied bij een eventuele rampsituatie binnen de invloedsfeer van de transportroutes over de Nieuwe Maas en over de spoorlijn Rotterdam - Dordrecht. Hoewel vanuit planologisch perspectief geen beperkingen aanwezig zijn, zullen maatregelen genomen worden met het oog op vluchtroutes (van de rivier af). Bovendien wordt ingezet op goede voorlichting en instructie om toekomstige bewoners voor te bereiden op eventuele calamiteiten. 4.6

Bodem De Wet bodembescherming (Wbb) vormt het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en de ernst van een bodemverontreiniging. Conform de Wbb wordt op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater bepaald of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico’s voor mens en ecosysteem onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Bij eerst genoemde dient binnen vier jaar aangevangen te worden met de sanering; bij laatstgenoemde kan gewacht worden totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Ten behoeve van de herinrichting van het plangebied als parkeerplaats heeft een bodemonderzoek 6 plaatsgevonden. Uit dit onderzoek blijkt, dat in de grond slechts lichte verontreinigingen met zink en PAK zijn aangetroffen. Het freatisch grondwater is niet verontreinigd. Dit onderzoek dateert echter uit 2006 en een dergelijk onderzoek heeft normaliter een houdbaarheidsdatum van 3 tot 5 jaar. Vandaar dat een nieuw bodemonderzoek 7 heeft plaatsgevonden. Uit dit onderzoek blijkt dat in het plangebied sprake is van een sterke bodemverontreiniging (boven interventiewaarde) met koper en zink. De omvang van deze verontreiniging bedraagt zo’n 36 m3 en het grondwater is niet verontreinigd.

Het betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging, waarvoor geen saneringsplicht geldt. Alleen als hier grondwerk voorzien is, dient dit gemeld te worden bij het bevoegd gezag en vindt sanering door middel van een BUS-melding plaats. Tijdens het veldwerk is ter plaatse van één boring op een diepte van 0,7 meter beneden maaiveld een betonnen obstakel aangetroffen. Het betreft hier hoogstwaarschijnlijk een oude 6 Ingenieursbureau Gemeentewerken Rotterdam, Verkennend bodemonderzoek Piekstraat ten zuiden van 77 te

Rotterdam, april 2006, projectcode 2006-0107.

7 Heijmans INFRA, Nader-, aanvullend-, asbest- en waterbodemonderzoek Piekstraat te Rotterdam (fase 2), 25

september 2019, kenmerk 19.0132.

- 32 -

funderingslaag. Bij de uitoefening van de werkzaamheden dient hiermee rekening te worden gehouden. Uit het onderzoek blijkt tevens, dat het plangebied niet verdacht is voor asbest. Zowel visueel als analytisch is namelijk geen asbest aangetroffen. De waterbodem is beoordeeld als klasse B. Daarmee is het niet geschikt voor toepassing op land. Omdat de waterbodem moet worden verwijderd voor het realiseren van de bouwkuip, dient rekening te worden gehouden met verhoogde kosten voor de afzet van het vrijkomende slib. Initiatiefnemer is hiervan op de hoogte. Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek wordt gesteld, dat de aanwezige bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het beoogde bouwplan. Immers kan de aanwezige verontreiniging worden gesaneerd en kan het slib worden afgevoerd. Hiervoor zijn financiële middelen beschikbaar. Het aspect ‘bodem’ vormt verder geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling van het plangebied. 4.7

Archeologie Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het "Verdrag van Malta" is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek.

De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Bewoningsgeschiedenis Het eiland Feijenoord, dat omgeven werd door de Nieuwe Maas en het Zwanegat, wordt reeds in 1441 vermeld. In 1591 werd het voor tweederde en in 1658 voor het resterende deel door de stad Rotterdam gekocht. Oorspronkelijk was het als opwas slechts 13 morgen groot. Door aanpoldering en aanplemping was het in 1814 167 morgen groot. Door het graven van de Noorderhaven ontstond in 1874 het Noordereiland. Het Zwanegat werd vergraven tot Spoorweghaven. De ondergrond van het grootste deel van het plangebied bestaat uit kom- en oeverafzettingen op een afwisseling van (in de oude lithostratigrafische indeling) Hollandveen en Afzettingen van Gorkum (kom- en oeverafzettingen). In de nieuwe lithostratigrafische indeling gaat het om het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop, respectievelijk de fluviatiele afzettingen van de Formatie van Echteld. Aan de noordzijde heeft Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

- 33 -

diepe erosie door de Maas plaatsgevonden. Tijdens de aanleg van de Willemsspoortunnel zijn door het BOOR in deze erosieafzettingen vondsten van verspoeld aardewerk uit het Neolithicum, de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen (8e - 12e eeuw) gedaan. Het geeft aan dat de oevers van de Maas vanouds aantrekkelijk waren voor bewoning. Het Maasmondgebied heeft zwaar te lijden gehad van overstromingen aan het einde van de 12e eeuw. Mogelijk is het gebied van Feyenoord bij het (her)bedijken van het verloren gegane gebied buiten de toen ontstane Riederwaard komen te liggen. De Riederwaard zelf ging in 1373 ten onder. Vanaf de 15e eeuw (Hillepolder) vonden er herbedijkingen plaats. Het Zwaansgat zou in 1373 gevormd kunnen zijn. In de 17e eeuw wist men nog te vertellen dat bij het uitgraven van sloten bij de Hille en Varkensoord boomstronken werden opgedolven "alsmede sware moppen, daer men wil seggen eertijdts een clooster gestaen zoude hebben". Dat dit niet denkbeeldig hoeft te zijn, bewijzen de diverse opgegraven funderingen van gebouwen uit de periode vóór 1373 op het eiland IJsselmonde, zoals bijvoorbeeld de kasteelfunderingen in Oud-Charlois en bij Ridderkerk.

Archeologische verwachtingswaarde Vindplaatsen uit het Mesolithicum en het Neolithicum kunnen aanwezig zijn op oeverafzettingen van de Formatie van Echteld onder de Formatie van Nieuwkoop of op eventueel aanwezige pleistocene rivierduinafzettingen die behoren tot de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Delwijnen). De steentijdvindplaatsen kenmerken zich door de aanwezigheid van onder meer haardkuilen, vuursteen, aardewerk (vanaf het Neolithicum), houtskool en verbrand bot. De complexen zijn waarschijnlijk relatief klein. In de Bronstijd waren de rivierduinen reeds afgedekt door de Formatie van Echteld. Vindplaatsen uit de Bronstijd kunnen in theorie aangetroffen worden op de oeverafzettingen van toenmalige geulen, eveneens behorende tot de Formatie van Echteld, maar zijn vooralsnog niet aangetroffen in de directe omgeving. De verwachting voor vindplaatsen uit de perioden IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen is redelijk hoog tot hoog. Deze vindplaatsen worden, evenals vindplaatsen uit latere perioden, herkend aan het voorkomen van onder meer aardewerk, houtskool, fosfaat, (verbrand) bot en een zogenaamde ‘vuile’ laag. Wanneer vindplaatsen uit de IJzertijd aanwezig zijn bevinden deze zich vermoedelijk in de top van de Formatie van Nieuwkoop.

De vindplaatsen uit de Romeinse tijd en de vroege en late Middeleeuwen tot 1373 worden verwacht in de op het veen afgezette klei, behorende tot verschillende fases in de afzettingen van de Formatie van Echteld (oeverafzettingen van de Nieuwe Maas). Erosie van de oudere afzettingen, mogelijk inclusief bewoningssporen en vondsten, is bekend uit de 12e eeuw en rond 1373 (ondergang van de Riederwaard). Het is mogelijk dat de erosie ook later heeft plaatsgevonden, gezien de situatie van het plangebied dicht bij de rivier. Vanaf de 17e - 18e eeuw is er sprake van dikke afval-en ophogingspakketten, waardoor het plangebied ten minste 5 meter hoger is komen te liggen dan voorheen (het maaiveld ligt nu op circa 3,5 m + NAP). Ter bescherming van eventuele archeologische relicten is het gehele plangebied voorzien van een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’. Hier geldt een vergunningvereiste voor graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,5 meter beneden N.A.P. en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m² beslaan. Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) heeft inmiddels een verkennend onderzoek uitgevoerd met twee diepe mechanische boringen. Uit de resultaten blijkt dat nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is voor het huidige voorliggende bouwplan.

Indien de bouwplannen zouden wijzigen, bijvoorbeeld het alsnog realiseren van een onderkeldering, dan dient het bouwplan opnieuw aan het BOOR te worden voorgelegd. Aangegeven is dat nog wordt gewerkt aan de eindrapportage, maar dat - 34 -

de bouwaanvraag daar niet op hoeft te wachten. Immers is reeds voldaan aan de voorwaardelijke (archeologische) verplichtingen. 4.8

Flora en fauna De Nederlandse natuurbescherming kent twee aspecten, te weten gebieds- en soortbescherming. Gebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); die gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Uit een uitgevoerde quickscan 8 blijkt, dat het plangebied op ruime afstand (meer dan vier kilometer) van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ligt. Door deze afstand zijn de meeste effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten. Emissie van stikstof kan echter ook op grotere afstand een aandachtspunt zijn. Uit een uitgevoerde stikstofberekening 9 blijkt echter, dat het beoogde bouwplan zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase geen significante gevolgen heeft op kwalificerende natuurwaarden. Effecten op Natura 2000-gebieden kunnen dan ook worden uitgesloten. Het Natuurnetwerk Nederland ligt op korte afstand.

Zo maakt de Nieuwe Maas hier onderdeel vanuit. Het betreft hier echter een drukke vaarroute met onbebouwde kades. Doordat geen ingrepen aan de Nieuwe Maas zijn voorzien, zijn geen effecten te verwachten. Nader onderzoek is daarom niet aan de orde. Soortbescherming Ook het aspect ’soortbescherming’ vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: • strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; • alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Uit de eerder aangehaalde quickscan blijkt, dat binnen het plangebied of binnen de invloedssfeer van de voorziene werkzaamheden beschermde natuurwaarden ontbreken. De ingrepen hebben op voorhand geen effect op eventueel aanwezige beschermde soorten in de ruimere omgeving. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor de plannen niet noodzakelijk / relevant.

8 Buro Maerlant, Rotterdam Piekstraat; Ecologische quickscan, februari 2018. 9 Heijmans, Stikstofberekening Piekstraat Rotterdam, februari 2020.

Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

- 35 -

4.9

Duurzaamheid en energie Duurzaamheid is onder andere zodanig bouwen, renoveren en beheren dat, gedurende de hele kringloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het begrip duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw. Rotterdam heeft een ambitieus klimaatprogramma vastgesteld. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam moet bij het ontwerp van gebouwen rekening worden gehouden met duurzaam bouwen-principes en de energieprestatie eisen. Rotterdam streeft daarnaast naar een goede balans tussen sociale (people), ecologische (planet) en economische (profit) belangen bij het nemen van beslissingen en het uitvoeren van activiteiten. De stad streeft hierbij om als Rotterdam het inspirerende voorbeeld te zijn voor andere deltasteden in de wereld die de duurzaamheidstransitie doormaken. Daarbij is het zogenaamde Programma Duurzaam 2015-2018 opgesteld, waarin drie overlappende ambities zijn opgenomen: • ambitie 1: groene, gezonde en toekomstbestendige stad; • ambitie 2: schonere energie tegen lagere kosten; • ambitie 3: sterke en innovatieve economie.

Met dit Programma Duurzaam wordt voor de periode 2015 - 2018 verder gegaan op de ingeslagen weg en wordt verder ingezet op innovatie en het experiment. Algemeen kan worden opgemerkt dat de beoogde woning wordt gebouwd conform het Bouwbesluit 2012 en daarmee energiezuinig zal zijn. Dit leidt er tevens toe dat minder CO2 wordt uitgestoten, waarmee wordt voldaan aan de ambities 1 (verminderen CO2-uitstoot) en 2 (verbeteren energie-efficiënte) uit het Programma Duurzaam. Voorts zal zoveel als mogelijk voorzien worden in het gebruik van duurzame energiebronnen, zoals stadsverwarming, warmte-koudeopslag, zonnepanelen of een combinatie daarvan. Ook wordt gekeken naar energiemaatregelen zoals het gebruik van led-verlichting in de algemene ruimtes en het stimuleren van fietsgebruik met voldoende aansluitpunten voor het opladen van elektrische fietsen. Ook vindt onderzoek plaats naar het gebruik van deelauto’s, waarbij tevens gekeken wordt naar toepassing daarvan op wijkniveau. De parkeergarage zal worden voorbereid op het gebruik van elektrische auto’s. Omdat nog geen sprake is van een concreet bouwplan is het op dit moment niet mogelijk om aan te geven welke duurzaamheidsmaatregelen daadwerkelijk worden toegepast.

Het is ook aan de eindgebruikers van hun woning om deze naar eigen wens zo energiezuinig mogelijk in te richten, bijvoorbeeld door het toepassen van waterbesparende kranen, het aanleggen en gebruiken van zonne-energie en het toepassen van led-verlichting. De herontwikkeling van het projectgebied zelf kan eveneens gezien worden als een duurzame ontwikkeling. Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt tevens ingespeeld op een bredere differentiatie van woningen. Dit draagt tevens bij aan een opwaardering van het wooncomfort en daarmee ook de leefbaarheid in de buurt.

4.10

Besluit m.e.r. De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r . De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

- 36 -

De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage. Laatstgenoemde is per 1 april 2011 gewijzigd, waarbij de drempelwaarden in kolom 2 van de D-lijst indicatief gemaakt zijn. Dit betekent, dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is. Onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet op basis van dezelfde criteria als de m.e.r.-beoordeling. De diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. De consequentie van de nieuwe regeling is, dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan de m.e.r. Dit kan zijn in de vorm van een motivering of in de vorm van een beschrijving van de resultaten van de m.e.r. (-beoordeling) . Voor dit bestemmingsplan is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kennen.

Hierbij is één activiteit gevonden die mogelijk m.e.r-(beoordelings)plichtig is, te weten: • D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, bij een oppervlakte van 100 hectare of meer aaneengesloten gebied en dat 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van een stedelijk ontwikkelingsproject, bestaande uit maximaal 130 wooneenheden en 8.000 m2 bvo aan commerciële ruimten. Daarmee blijft de omvang ruim onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.2. Het bestemmingsplan is daarom niet plan m.e.r.-plichtig. Op grond van artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. is echter wel een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Als blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een uitgebreide m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten: • Kenmerken project / activiteit: de omvang van het project betreft het realiseren een stedelijk ontwikkelingsproject, bestaande uit maximaal 130 wooneenheden en 8.000 m2 bvo aan commerciële ruimten.

Daarmee zit de beoogde ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen / bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2. Tevens is deze herontwikkeling voorzien op een locatie waar in het verleden al eens bebouwing aanwezig is geweest. Het betreft hier reeds bestaand stedelijk gebied, waarbij in de omgeving diverse woningen aanwezig zijn. De realisatie van de woningen, met name met betrekking tot verkeer, heeft slechts een minimaal effect. De omliggende wegen worden namelijk gebruikt voor de omliggende functies, alsook voor de eerder in het plangebied aanwezige functie. Het plan voldoet ruimschoots aan de wettelijke bepalingen voor de luchtkwaliteit en kan zonder verdere maatregelen worden uitgevoerd. • Plaats van het project / activiteit: het plangebied ligt in het bestaand stedelijk gebied van Rotterdam. Voor de beoogde herontwikkeling zijn meerdere omgevingsaspecten nader beoordeeld en/of onderzocht (zie hiervoor de voorgaande paragrafen). • Samenhang met andere activiteiten: er is geen samenhang met andere plannen/ontwikkelingen buiten het plangebied. Binnen het plangebied wordt de Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

- 37 -

realisatie van een woningbouwproject mogelijk gemaakt. De onderzoeken naar de verscheidene milieueffecten zijn in het eerdere deel van dit hoofdstuk toegelicht. Daarnaast belemmert de planontwikkeling de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet. • Kenmerken van de (mogelijk belangrijke) nadelige milieugevolgen: uit de voorgaande paragrafen in dit hoofdstuk blijkt, dat de beoogde herontwikkeling niet leidt tot belangrijke milieugevolgen. Op grond van bovenstaande beschouwing wordt geconcludeerd, dat dit bestemmingsplan niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig is. Het bestemmingsplan is evenmin kaderstellend voor mogelijke toekomstige m.e.r.(beoordelings)-plichtige activiteiten, zodat het bestemmingsplan niet plan m.e.r.-plichtig is.

- 38 -

5.

JURIDISCHE ASPECTEN

5.1

Inleiding Het bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een plankaart (verbeelding) met daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of aanwezige bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. Samen met de regels is dit het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de planregels.

5.2

De opzet van de planregels De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • Inleidende regels; • Bestemmingsregels; • Algemene regels; • Overgangs- en slotregels. Inleidende regels In de inleidende regels staan de algemene bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. De begripsbepalingen (art. 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (art. 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes etc. Bestemmingsregels De bestemmingen beginnen telkens met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de desbetreffende bestemming is toegekend, mogen worden gebruikt. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door een bepaling waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan (bouwregels). Alle regels die op een bepaalde bestemming van toepassing zijn, worden zoveel mogelijk in de bestemmingsregels zelf geregeld. Op deze wijze wordt bij de digitale versie van het plan bij het aanklikken op adres of bestemmingsvlak zo veel mogelijk informatie gegeven zonder dat er verder doorgeklikt behoeft te worden. Dit bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen: Enkelbestemmingen Artikel 3 Gemengd Artikel 4 Water - 1

Dubbelbestemmingen Artikel 5 Waarde – Archeologie

In het vervolg van deze paragraaf wordt per bestemming een nadere toelichting gegeven. Artikel 3 – Gemengd De te bebouwen gronden binnen het plangebied zijn voorzien van de bestemming Gemengd. Deze bestemming is gekozen om de hier gewenste flexibiliteit ten aanzien van het gebruik mogelijk te maken. Binnen deze bestemming zijn woningen, kantoren, bedrijven (tot en met categorie 2 uit de Lijst van bedrijfsactiviteiten), al dan niet geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen, cultuur- en ontspanning en horeca toegestaan. De functies zijn veelal uitwisselbaar met elkaar, maar er zijn wel beperkingen van kracht. Zo mag het maximaal aantal Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

- 39 -

woningen niet meer bedragen dan 130. Voorts zijn binnen deze bestemming voorzieningen toegestaan als wegen, paden, groen en water. De commerciële ruimtes zullen een bruto oppervlak van maximaal 8.000 m2 mogen beslaan. Een deel daarvan (maximaal 1.000 m²) mag worden gebruikt voor zogenaamde lichte horeca, bestaande uit horecabedrijven die, gelet op hun activiteiten en de aard van de omgeving, overwegend overdag en 's avonds zijn geopend. Hierbij kan gedacht worden aan onder andere een restaurant, broodjeszaak, lunchroom of koffiebar. Voor de andere benoemde functies geldt geen maximum oppervlak, met uitzondering van de bepaling dat per kantoorfunctie de maximale grootte is gelimiteerd tot 1.000 m2. Naast de flexibiliteit die de bestemming ‘Gemengd’ reeds biedt in de uitwisselbaarheid van diverse functies, geldt voor de woningen tevens de standaard regeling voor aan-huisverbonden beroepen/bedrijven, waaronder ook bed&breakfast. Via een afwijkingsbevoegdheid kunnen burgemeester en wethouders tevens voorzieningen toestaan die niet in de regels zijn benoemd, maar wel naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn. Daarbij dient tevens voldaan te worden aan de beleidsregeling parkeernormen. Het oprichten van gebouwen is alleen mogelijk binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak, waarbij op de verbeelding de toegestane maximum bouwhoogte is opgenomen.

Een deel daarvan dient als overkraging te worden uitgevoerd, zodat de onderliggende functie (in dit geval water) gehandhaafd blijft. Buiten het bouwvlak is een (eventuele) ondergrondse parkeergarage toegestaan. Tevens zijn hier bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan en uitstekende delen zoals balkons. In de bouwregels is een bepaling opgenomen dat de bovenste verdiepingsvloer niet hoger gelegen mag zijn dan 70 meter, zodat op grond van het Bouwbesluit geen sprake is van hoogbouw. Artikel 4 – Water - 1 De bestemming Water-1 is van toepassing op de in het plangebied aanwezige water van de Persoonshaven. Deze bestemming is bedoeld voor waterlopen en waterberging, de aan- en afvoer van oppervlaktewater, alsmede voor verkeer te water en bijbehorende voorzieningen. Binnen de bestemming mag verder niet worden gebouwd, behoudens bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van waterbouwkundige aard, zoals keerwanden, beschoeiingen, duikers, bruggen, gemalen en dergelijke. Ook zijn drijvende objecten in de vorm van (aanleg)steigers, groen, vlonders of daarmee gelijk te stellen elementen toegestaan. Artikel 5 – Waarde – Archeologie Het gehele plangebied is voorzien van een dubbelbestemming “Waarde - Archeologie”. Uitgangspunt voor deze bestemming is, dat potentiële aanwezige archeologische waarden beschermd dienen te worden.

Bij verstoringen van de bodem dient een archeologisch rapport te worden opgesteld alvorens met de verstorende activiteit begonnen kan worden. Concreet komt dit neer op een inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen. Dit geldt zowel voor bouwwerkzaamheden als voor overige werkzaamheden. Aan een te verlenen vergunning kunnen voorwaarden verbonden worden. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemverstorende activiteiten die een terreinoppervlak van meer dan 200 m² beslaan en dieper reiken dan een diepte van 1,5 meter beneden NAP.

- 40 -

Algemene regels Dit hoofdstuk bevat vier algemene regels. Artikel 6 Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 7 Algemene afwijkingsregels Door middel van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders afwijken van de regels ten aanzien van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw ten behoeve van een architectonisch verantwoorde afronding van de bovenste bouwlaag. De bouwhoogte kan in dat geval met 1,5 meter verhoogd worden. Artikel 8 Geluidsgevoelige functies Bij nieuwe situaties in de zin van de Wet geluidhinder is de realisatie van geluidsgevoelige objecten (in de zin van de Wet geluidhinder), alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden van de Wet geluidhinder, dan wel aan het besluit hogere grenswaarden dat aan dit bestemmingsplan is toegevoegd.

Artikel 9 Voorwaardelijke verplichting over parkeren Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto’s én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel 13 een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”.

Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto’s conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto’s en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning. Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

- 41 -

Beleidsregeling De op dit moment geldende “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is. Overgangs- en slotregels In artikel 10 is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste artikel is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.

- 42 -

6.

UITVOERBAARHEID

6.1

Financiële uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. In de aan de orde zijnde situatie is daarvan sprake. In het kader van de herontwikkeling van het plangebied is met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst getekend. Daarmee zijn alle gemeentelijke kosten gedekt. De ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente Rotterdam vervult hierin enkel een kaderstellende en toetsende rol. Gelet op het vorenstaande is het plan financieel uitvoerbaar.

6.2

Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro Op grond van artikel 3.1.1. Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het concept ontwerpbestemmingsplan is dan ook toegezonden aan de volgende partijen: • Provincie Zuid-Holland; • Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; • Ministerie van Defensie; • Rijkswaterstaat; • Metropoolregio Rotterdam Den Haag; • Waterschap Hollandse Delta; • DCMR Milieudienst Rijnmond; • Bureau voor Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR); • Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR); • ProRail; • Luchtverkeersleiding Nederland; • VWS Pipeline Control; • KPN Telecom; • Tennet; • Stedin; • GasUnie. Van Waterschap Hollandse Delta en Gasunie zijn formele reacties ontvangen, waarin is aangegeven dat het plan hun belangen niet schaadt. Ook Rijkswaterstaat en BOOR hebben aangegeven geen bedenkingen te hebben, echter is wel gevraagd om enkele kleinschalige tekstuele aanpassingen door te voeren. Hieraan is gehoor gegeven. De VRR geeft aan dat het wenselijk is om de toekomstige bewoners van de woningen te informeren hoe te handelen tijdens een calamiteit.

Dit betreft echter geen aspect dat met een bestemmingsplan geregeld kan worden. Van de overige overlegpartners is binnen de gevraagde termijn geen reactie ontvangen, op basis waarvan wordt gesteld dat deze partners zich kunnen vinden in dit bestemmingsplan.

Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

- 43 -

- 44 -

II.

REGELS

- 46 -

INHOUDSOPGAVE PLANREGELS HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS ........................................................................................... 49 Artikel 1 – Begrippen......................................................................................................................... 49 Artikel 2 – Wijze van meten .............................................................................................................. 53 HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS ....................................................................................... 55 Artikel 3 – Gemengd ......................................................................................................................... 55 Artikel 4 – Water - 1 .......................................................................................................................... 58 Artikel 5 – Waarde - Archeologie ...................................................................................................... 59 HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS ............................................................................................ 61 Artikel 6 – Antidubbeltelregel ........................................................................................................... 61 Artikel 7 – Algemene afwijkingsregels ..............................................................................................

61 Artikel 8 – Geluidsgevoelige functies ................................................................................................ 61 Artikel 9 – Voorwaardelijke verplichting over parkeren ................................................................... 61 HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS ............................................................................ 63 Artikel 10 – Overgangsrecht.............................................................................................................. 63 Artikel 11 – Slotregel ......................................................................................................................... 63

Bestemmingsplan Piekstraat Punt – Regels

- 47 -

- 48 -

HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 – Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: Plan het bestemmingsplan "Piekstraat Punt" met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP2139PiekstrPunt-va02 van de gemeente Rotterdam. Bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. Verbeelding de digitale plankaart. Verdere begrippen in alfabetische volgorde: Aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. Aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. Archeologisch deskundige het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige. Bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bedrijven de bedrijven genoemd in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten. Bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. Bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met een zelfde bestemming. Bouwaanduidingen alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken.

Bestemmingsplan Piekstraat Punt – Regels

- 49 -

Bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. Bouwgrens de grens van een bouwvlak. Bouwlaag Het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en een plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, zolder, souterrain, parkeerplint, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als aparte bouwlaag geteld. Bouwverordening de Bouwverordening Rotterdam, zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. Bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. Bruto vloeroppervlak het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). Gebouwde parkeer- en fietsvoorzieningen worden hiertoe niet gerekend. Daktuin en/of dakterras een bouwkundige voorziening op het platte dak van een gebouw, dat bestaat uit een te betreden vlak, geheel of gedeeltelijk omgeven door een hekwerk zoals voorgeschreven in het Bouwbesluit.

Detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen. Een belwinkel wordt hier niet onder begrepen. Gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

- 50 -

Gebruiksgebied Het gebruiksgebied, zoals bedoeld in het Bouwbesluit 2012, bestaande uit een vrij indeelbaar gedeelte van het gebouw dat bestaat uit een of meer op dezelfde bouwlaag gelegen ruimten. Geluidsgevoelige objecten (in de zin van de Wet geluidhinder) Hieronder worden verstaan de in de Wet geluidhinder aangewezen objecten: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. NB: Delen van deze gebouwen kunnen worden uitgezonderd wanneer deze een bestemming krijgen voor een functie die niet als geluidsgevoelig kan worden beschouwd. Hotel het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf en bijbehorende voorzieningen zoals ter plaatse nuttigen van voedsel en dranken en het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie. Kantoren het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. (Kleinschalige) voorzieningen voor openbaar nut op het openbaar leidingennet aangesloten voorzieningen op het vlak van gas-, water-, elektriciteitsdistributie, (stads)verwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt hier niet onder begrepen). Lichte horeca horecabedrijven die, gelet op hun activiteiten en de aard van de omgeving, overwegend overdag en 's avonds zijn geopend.

Dit hoofdzakelijk voor de verstrekking van etenswaren, maaltijden en dranken. Hierbij kan gedacht worden aan: restaurant, broodjeszaak, crêperie, croissanterie, cafetaria, koffiebar, theehuis, lunchroom, ijssalon en snackbar. Maaiveld de bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden. Maatschappelijk voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening. Milieudeskundige de DCMR Milieudienst Rijnmond of de daarvoor in de plaats tredende instantie. NAP het Normaal Amsterdams Peil is de referentiehoogte waaraan hoogtemetingen in Nederland worden gerelateerd.

Bestemmingsplan Piekstraat Punt – Regels

- 51 -

Ongebouwd (gevel)terras een buiten de besloten ruimte liggend deel van een horecabedrijf, waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt. Overkraging een bouwwerk, of een deel van een bouwwerk dat in overwegende mate geen of nagenoeg geen steun vindt op het maaiveld, met als doel de functie van het maaiveld / de onderliggende bestemming door te zetten. Pand de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. Peil a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de kruin van de weg; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw. Plint het onderste gedeelte van een gebouw dat gezien vanaf maaiveldniveau, als bepalend kan worden aangemerkt voor de beleving in stedenbouwkundige, architectonische en functionele zin. Rijbaan elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte, met uitzondering van (brom)fietspaden. Short stay het structureel aanbieden van zelfstandige woonruimte voor tijdelijke bewoning aan één huishouden voor een periode van tenminste één dag en maximaal zes maanden.

Straatmeubilair voorzieningen ten behoeve van de weggebruiker, zoals verkeersborden, straatverlichting, zitbanken en plantenbakken. Uitstekende delen aan gebouwen erkers, luifels, balkons, galerijen en dergelijke. Water waterlopen (sloten, singels, vijvers e.d.) ten behoeve van de waterberging, alsmede de aan- en afvoer van oppervlaktewater. Wet geluidhinder de Wet geluidhinder zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan.

- 52 -

Artikel 2 – Wijze van meten 2.1

Meten Bij de toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten: a. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels ( en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. b. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.2

Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, dakgoten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 0,5 meter bedraagt.

Bestemmingsplan Piekstraat Punt – Regels

- 53 -

- 54 -

HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 – Gemengd 3.1

Bestemmingsomschrijving De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen; b. dienstverlening; c. bedrijven tot en met categorie 2, zoals opgenomen in de bij deze regels behorende Lijst van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1); d. maatschappelijke voorzieningen; e. kantoren; f. lichte horeca, inclusief ongebouwde (gevel)terrassen; g. groenvoorzieningen en water; h. al dan niet ondergrondse (gebouwde) parkeervoorzieningen; met daaraan ondergeschikt: i. berg- en stallingsruimten; j. paden en ontsluitingswegen; k. fiets- en/of voetgangersbruggen; l. dakterrassen/daktuinen; m. kleinschalige voorzieningen voor openbaar nut en verkeer en vervoer; n. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.2

Bouwregels

3.2.1 Algemeen Op de in 3.1 bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functies. 3.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd; b. het totaal aantal woningen mag niet meer dan 130 bedragen; c. in afwijking van het bepaalde in 3.2.2 onder a mogen ondergrondse parkeervoorzieningen en kleine gebouwen voor openbaar nut, ook buiten het bouwvlak gerealiseerd worden; d. ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan de aangegeven hoogte, met dien verstande dat de hoogstgelegen vloer van een gebruiksgebied niet hoger mag worden gerealiseerd dan 70 meter; e. de inhoud van vrijstaande kleine gebouwen voor openbaar nut en verkeer en vervoer, zoals gemaalgebouwtjes, gasdrukregel- en meetstations, wachthuisjes en dergelijke, mag niet meer dan 80 m3 bedragen.

Bestemmingsplan Piekstraat Punt – Regels

- 55 -

3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan; b. uitstekende delen aan gebouwen, mogen niet meer dan 4 meter uit de gevel steken en niet minder dan 2,2 meter boven maaiveld hangen, met dien verstande dat uitstekende delen aan de noordwestzijde van het gebouw binnen de bouwgrens dienen te blijven; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen. Afwijken van de bouwregels

3.3

3.3.1 Aantal woningen Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder b en toestaan dat het aantal woningen met maximaal 10% mag worden verhoogd, met dien verstande dat uit een akoestisch onderzoek blijkt, dat voldaan kan worden aan de geldende grenswaarden of een verleend hogere waarden-besluit. Specifieke gebruiksregels

3.4

3.4.1 Algemeen Ten aanzien van het gebruik, geldt dat horeca uitsluitend in de plint is toegestaan. 3.4.2 Aan huis gebonden beroep/bedrijf Woningen mogen mede worden gebruikt voor aan huis gebonden beroep/bedrijf, mits: a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft, waarbij het bruto vloeroppervlak van de woning voor ten hoogste 30% mag worden gebruikt voor een aan huis gebonden beroep of bedrijf; b. ten aanzien van een aan huis gebonden bedrijf sprake is van een bedrijf tot en met categorie 1 als bedoeld in de bij deze regels horende lijst van bedrijfsactiviteiten; c. de gevels van de woning niet worden gebruikt ten behoeve van reclame-uitingen; d. er geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op het onderhouden en repareren van motorvoertuigen; e. er geen detailhandel plaatsvindt, tenzij als ondergeschikt onderdeel van het aan huis gebonden beroep of bedrijf. 3.4.3 Oppervlaktematen Het bruto vloeroppervlak voorzieningen als bedoeld in 3.1 onder b tot en met e mag niet meer bedragen dan 8.000 m2, met dien verstande dat: a. het totale bruto oppervlak aan horeca niet meer dan 1.000 m2 mag bedragen, waarbij een ongebouwd (gevel)terras niet wordt meegerekend; b. het bruto oppervlak aan kantoren niet meer dan 1.000 m2 per vestiging mag bedragen.

- 56 -

3.4.4 Verkoop van goederen De verkoop van goederen als nevenactiviteit van de in 3.1 onder b tot en met e genoemde functies is toegestaan, met dien verstande dat de verkoopvloeroppervlakte per vestiging niet meer mag bedragen dan 30% van het bedrijfsvloeroppervlak van de functie waartoe het behoort. 3.5

Afwijken van de gebruiksregels Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 ten behoeve van andere (bedrijfs)activiteiten dan die primair zijn toegelaten, welke - gehoord de Milieudeskundige - daarmee naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn en tevens wordt voldaan aan het bepaalde onder artikel 8.

Bestemmingsplan Piekstraat Punt – Regels

- 57 -

Artikel 4 – Water - 1 4.1

Bestemmingsomschrijving De voor ‘Water - 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. waterlopen en waterberging, de aan- en afvoer van oppervlaktewater, alsmede voor verkeer te water en bijbehorende voorzieningen.

4.2

Bouwregels

4.2.1 Algemeen Op de voor 'Water - 1' bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens; a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals keerwanden, beschoeiingen, duikers, bruggen, gemalen en dergelijke; b. drijvende objecten in de vorm van (aanleg)steigers, groen, vlonders of daarmee gelijk te stellen elementen.

- 58 -

Artikel 5 – Waarde - Archeologie 5.1

Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.

5.2

Bouwregels

5.2.1 Rapport archeologisch deskundige In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om omgevingsvergunning voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) welke voldoen aan de oppervlakte- en/of dieptematen welke genoemd zijn in 5.3.1. 5.2.2 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning de volgende regels verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. 5.3

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

5.3.1 Verbod In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de in 5.3.2 onder a t/m f genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken 1,5 meter beneden N.A.P. en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m² beslaan. 5.3.2 Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het indrijven van voorwerpen in de bodem; c. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;

Bestemmingsplan Piekstraat Punt – Regels

- 59 -

5.3.3 Uitgezonderde werkzaamheden Het vergunningvereiste geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten. 5.3.4 Vergunning Vergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan burgemeester en wethouders heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 5.3.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

- 60 -

HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS Artikel 6 – Antidubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 – Algemene afwijkingsregels 7.1

Afwijking toegestane bouwhoogte architectuur Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels ten aanzien van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 meter, uitsluitend toe te passen ingeval extra bouwhoogte nodig is voor een architectonisch verantwoorde afronding van de bovenste bouwlaag.

Artikel 8 – Geluidsgevoelige functies Bij nieuwe situaties in de zin van de Wet geluidhinder is de realisatie van geluidsgevoelige objecten (in de zin van de Wet geluidhinder), alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden van de Wet geluidhinder, dan wel aan het besluit hogere grenswaarden dat aan dit bestemmingsplan is toegevoegd.

Artikel 9 – Voorwaardelijke verplichting over parkeren Bij de realisatie van geluidsgevoelige functies zoals bedoeld in de Wet geluidhinder moet, voor zover de voorkeursgrenswaarden uit de Wet geluidhinder worden overschreden, worden voldaan aan het besluit hogere grenswaarden dat aan dit bestemmingsplan is toegevoegd, met inbegrip van de in dat besluit opgenomen voorwaarden en maatregelen.

Bestemmingsplan Piekstraat Punt – Regels

- 61 -

- 62 -

HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 10 – Overgangsrecht 10.1 Overgangsrecht bouwwerken 10.1.1 Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 10.1.2 Burgemeester en wethouders kunnen éénmalig afwijken van het bepaalde in 10.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 10.1.3 Het bepaalde in 10.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 10.2 Overgangsrecht gebruik 10.2.1 Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

10.2.2 Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 10.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 10.2.3 Indien het gebruik, bedoeld in 10.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 10.2.4 Het bepaalde in 10.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=c8c95fae-e418-4556-80e1-3c51a4a3a972