CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb6851 Bijlage 2 behorende bij 21bb6850 over Gewijzigde Regels bestemmingsplan Piekstraat Punt

Gemeenteraad 8 juli 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 12. Het voorstel tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan ‘Piekstraat Punt’17.047 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BESTEMMINGSPLAN PIEKSTRAAT PUNT

26 mei 2021

BESTEMMINGSPLAN PIEKSTRAAT PUNT

concept ontwerp ontwerp vaststelling

22 augustus 2018 20 maart 2019 2 juli 2020 / …

direct

pers

creatief

oonli

jk vlot

betrokken atisch

pragm

kundig

held

er

dyna

misc

h

BOdG Ruimtelijk Advies B.V. Postbus 6083 3002 AB Rotterdam www.BOdG.nl

INHOUDSOPGAVE I.

TOELICHTING

II.

REGELS

III.

BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)

IV.

VERBEELDING

I.

TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE TOELICHTING 1.

2.

3.

4.

INLEIDING........................................................................................................................... 11 1.1

Aanleiding ............................................................................................................................... 11

1.2

Ligging en begrenzing ............................................................................................................. 11

1.3

Vigerend bestemmingsplan .................................................................................................... 11

1.4

Gekozen planopzet ................................................................................................................. 12

BELEIDSKADER .................................................................................................................... 13 2.1

Nationaal beleid ...................................................................................................................... 13

2.2

Provinciaal beleid .................................................................................................................... 15

2.3

Gemeentelijk beleid ................................................................................................................ 17

BESCHRIJVING VAN HET PLAN ............................................................................................. 21 3.1

Omgeving en huidig gebruik ................................................................................................... 21

3.2

Projectbeschrijving ................................................................................................................. 22

TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN ............................................................................... 25 4.1

Water ...................................................................................................................................... 25

4.2

Milieuzonering ........................................................................................................................ 26

4.3

Geluid ...................................................................................................................................... 27

4.4

Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 29

4.5

Externe veiligheid ................................................................................................................... 30

4.6

Bodem ..................................................................................................................................... 32

4.7

Archeologie ............................................................................................................................. 33

4.8

Flora en fauna ......................................................................................................................... 35

4.9

Duurzaamheid en energie ...................................................................................................... 36

4.10 Besluit m.e.r. ........................................................................................................................... 36 5.

6.

JURIDISCHE ASPECTEN ........................................................................................................ 39 5.1

Inleiding .................................................................................................................................. 39

5.2

De opzet van de planregels..................................................................................................... 39

UITVOERBAARHEID ............................................................................................................. 43 6.1

Financiële uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 43

6.2

Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro ............................................................................................ 43

Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

-9-

- 10 -

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding Het oostelijk deel van de 'Kop van Feijenoord' wordt gevormd door een 'schiereiland' dat is gelegen tussen de Nassauhaven / Persoonshaven en de Nieuwe Maas. De zuidelijkste punt van dit eiland is momenteel in gebruik als parkeerterrein, maar betreft een locatie die zich bij uitstek leent voor een ontwikkeling naar een levendige locatie om te wonen en te werken. Daartoe is Heijmans gestart met een verkenning naar de mogelijkheden in de vorm van een toren, waarin een mix van functies gehuisvest zal worden. Het vigerende bestemmingsplan "Feijenoord" staat de beoogde ontwikkeling niet toe (zie § 1.3), waardoor een herziening daarvan noodzakelijk is. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2

Ligging en begrenzing Het plangebied betreft het zuidelijkste puntje van het ‘schiereiland’ dat is gelegen tussen de Persoonshaven en de Nieuwe Maas. Nabij het plangebied bevindt zich de Piekbrug, die de Persoonshaven aan de zuidzijde begrenst. De oost- en zuidgrens van het plangebied wordt gevormd door de Piekstraat. Aan de noordzijde volgt de begrenzing van het plangebied de aanwezige kadastrale grens. Aan de westzijde is de begrenzing zodanig gelegen, dat ook een klein deel van de Persoonshaven binnen het plangebied gelegen is. De omgeving van het plangebied wordt aan de noord- en oostzijde voornamelijk gekenmerkt door bedrijfsmatige activiteiten. Aan de westzijde (en overzijde van de Persoonshaven) is voornamelijk een woonfunctie aanwezig. Aan de zuidzijde wordt uitgekeken over de Nieuwe Maas.

Afbeelding 1: Ligging van het plangebied in Rotterdam (links) en in de directe omgeving (rechts).

1.3

Vigerend bestemmingsplan Voor de locatie is op dit moment het bestemmingsplan "Feijenoord" het geldende juridischplanologisch kader. Dit plan is door de gemeenteraad van Rotterdam op 20 december 2010 gewijzigd vastgesteld. Na uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 25 september 2013 is het bestemmingsplan onherroepelijk geworden maar zijn wel enkele onderdelen vernietigd; dit is echter niet van toepassing op de gronden binnen het plangebied.

Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

- 11 -

Ter plaatse van het plangebied (zie afbeelding 2) is momenteel sprake van meerdere bestemmingen. Zo is de Persoonshaven voorzien van de bestemming ‘Water I’. Hierbinnen zijn de gronden bestemd voor waterlopen en waterberging, de aan- en afvoer van oppervlaktewater, alsook de bijbehorende voorzieningen. Op deze gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van waterstaatkundige aard. Op de gronden waar het bouwplan is voorzien, zijn twee bestemmingen van kracht. Voor de zuidelijke helft geldt dat sprake is van de bestemming ‘Groen’. Deze gronden zijn onder andere bestemd voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, kleinschalige voorzieningen voor openbaar nut en verkeer en vervoer. De bouwmogelijkheden zijn beperkt; alleen in de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, uitstekende delen aan gebouwen en kleine gebouwen voor openbaar nut / verkeer en vervoer zijn toegestaan. Voor de noordelijke helft geldt een bestemming ‘Gemengd III’, op basis waarvan de gronden bestemd zijn voor kantoren, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen. De betreffende gronden mogen voor 90% bebouwd worden, waarbij de hoogte van gebouwen is gemaximeerd op 10 meter. Daarnaast gelden nog enkele oppervlaktebeperkingen. Zo mogen zelfstandige kantoren niet groter zijn dan 750 m2.

Voor bedrijfskantoren geldt een beperking van 50% van het totale bedrijfsvloeroppervlak van het bedrijf, tot een maximum van 3.000 m2.

Afbeelding 2: Uitsnede plankaart van het nu geldende bestemmingsplan (plangebied oranje omkaderd).

Geen van de nu geldende bestemmingen maakt de bouw van woningen mogelijk. Daarnaast is een deel van het beoogde gebouw ook voorzien op gronden waar geen gebouwen mogen worden opgericht. Ook de maximaal gestelde hoogtemaat wordt overschreden. Voor de realisatie van de beoogde buitenruimte geldt, dat dergelijke voorzieningen niet aangemerkt kunnen worden als bij ‘Water’ behorende voorzieningen. Het bestemmingsplan “Feijenoord” kent verder geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden om het beoogde bouwplan en/of de gewenste buitenruimte te realiseren. 1.4

Gekozen planopzet Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling die voorziet in voldoende flexibiliteit om de geplande ontwikkeling en de beoogde buitenruimte te realiseren. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 2) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 3). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Wat betreft de planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam, met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012). - 12 -

2.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de belangrijkste beleidsstukken aangehaald die betrekking hebben op Rotterdam en in het bijzonder die voor dit plan.

2.1

Nationaal beleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SVIR) vastgesteld. Dit document beschrijft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau en is de ‘kapstok’ voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Door vaststelling van de SVIR geldt voor de ruimtelijke ordening in brede zin dat een aanzienlijk deel van de Rijkstaken is gedecentraliseerd. Alleen voor een beperkt aantal onderwerpen wordt de bevoegdheid om algemene regels te stellen ingezet. Het gaat hierbij om nationale belangen. Aangezien een structuurvisie geen bindende werking heeft voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld, zijn deze nationale belangen geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het beleid met betrekking tot verstedelijking heeft het Rijk onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet' overgelaten aan de lagere overheden. Wel is sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de 'SER-ladder'). Deze is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en bestond oorspronkelijk uit drie treden. Per 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn komen te vervallen.

Daarnaast is het begrip ‘actuele regionale behoefte’ vervangen door ‘behoefte’. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Conform het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) dienen gemeenten in bestemmingsplannen rekening te houden met de nationale belangen die zijn vastgelegd in het Barro. De rivier de Nieuwe Maas is aangemerkt als een Rijksvaarweg, waardoor Titel 2.1 van het Barro van toepassing is. Artikel 2.1.2 gaat hierbij in op de vrijwaringszone: Artikel 2.1.2. (bepaling vrijwaringszone) 1. Een vrijwaringszone wordt gemeten vanaf de begrenzingslijn van de Rijksvaarweg zoals opgenomen in de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet. 2. De breedte van een vrijwaringszone, gemeten vanaf de begrenzingslijn van de Rijksvaarweg, bedraagt: a. 10 meter aan weerszijden van een Rijksvaarweg van CEMT-­‐klasse II; b. 20 meter aan weerszijden van een Rijksvaarweg van CEMT-­‐klasse III; c. 25 meter aan weerszijden van een Rijksvaarweg van CEMT-­‐klasse IV, V of VI; (…). Ter hoogte van het plangebied is de rivier de Nieuwe Maas ingedeeld in CEMT‐klasse VIb. Dit betekent, dat sprake is van een vrijwaringszone van 25 meter die wordt gemeten vanaf de begrenzingslijn van de Rijksvaarweg, zoals opgenomen in de legger (artikel 5.1 van de Waterwet).

Deze “vrije ruimte” is een zone die in beginsel vrij is van bijvoorbeeld bouwwerken en opgaande begroeiing die het functioneren van de vaarweg of de veiligheid van het

Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

- 13 -

scheepvaartverkeer in gevaar brengen. Voor zover de initiatiefnemer binnen de zone toch ontwikkelingen wil laten plaatsvinden, dient deze aan te tonen dat het functioneren van de vaarweg niet in het geding is. Hierbij dient aan de volgende bepaling uit het Barro te worden voldaan: Artikel 2.1.3 (veiligheid scheepvaart op vaarwegen) Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen de begrenzing van een Rijksvaarweg of op een vrijwaringszone en dat een wijziging inhoudt ten opzichte van het ten tijde van inwerkingtreding van deze titel geldende bestemmingsplan, wordt rekening gehouden met het voorkomen van belemmeringen voor: a. de doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte; b. de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart; c. het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; d. de toegankelijkheid van de Rijksvaarweg voor hulpdiensten, en e. het uitvoeren van beheer en onderhoud van de Rijksvaarweg. Naast Titel 2.1 uit het Barro is ook Titel 2.4 (Grote rivieren) mogelijk van toepassing, mits sprake is van activiteiten in het rivierbed waarop artikel 6.12 of 6.15 van het Waterbesluit van toepassing is.

Uit de kaarten in bijlage IV het Waterbesluit blijkt echter, dat het plangebied deel uitmaakt van het zogenaamde vrijstellingsgebied voor de vergunningplicht voor het onderdeel gebruik waterstaatswerk. Dit betekent, dat de genoemde artikelen uit het Waterbesluit en daardoor ook Titel 2.4 niet van toepassing zijn. Conclusie Rijksbeleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan is erop gericht om binnen het plangebied een binnenstedelijke ontwikkeling mogelijk te maken met een mix aan functies. Zo wordt voorzien in een mix aan functies met woningen, maatschappelijke en commerciële functies. Met betrekking tot de ladder van duurzame verstedelijking kan gesteld worden dat een dergelijke investering uiteraard pas doorgang vindt indien voldoende zekerheid bestaat dat hieraan behoefte bestaat. Die behoefte blijkt echter ook de provinciale Woningbehoefteraming. Deze provinciale prognose is bedoeld als kwantitatieve basis voor het woningbouwbeleid en geeft de verwachte huishoudensontwikkeling weer op basis van de eigen behoefte, ofwel een “binnenlands migratiesaldo nul” per gemeente. Op basis van deze raming is binnen de regio Rotterdam in de periode 2015-2019 behoefte aan 28.200 nieuwe woningen.

Uit de meest recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt echter dat het uitgangspunt “binnenlands migratiesaldo nul” in Rotterdam niet opgaat; de groei van Rotterdam wordt immers voor een belangrijk deel veroorzaakt door de vestiging van mensen van buiten de stad. De vraag naar woningen is in werkelijkheid dan ook groter en inmiddels is het beleid dan ook bijgesteld. Het Rotterdamse coalitieakkoord 2018-2022 speelt hierop in door het aantal te realiseren woningen binnen deze periode flink op te schroeven tot 18.000 woningen. Met de toename van het aantal woningen zal ook de behoefte naar voorzieningen groter worden, vandaar dat het bestemmingsplan de mogelijkheid biedt ook aan die behoefte invulling te geven. Daarmee wordt tevens een bijdrage geleverd aan een aangenaam woon- en leefklimaat. Omdat de ontwikkeling tevens plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied, wordt daarmee voldaan aan de ladder voor duurzame ontwikkeling. Langs de Nieuwe Maas geldt op grond van Titel 2.1 van het Barro een vrijwaringszone van 25 meter. Aangezien de kortste afstand tussen het plangebied en de begrenzing van de - 14 -

Rijksvaarweg circa 25 meter bedraagt, ligt deze vrijwaringszone niet over het plangebied. De ontwikkeling is dan ook niet van invloed op Titel 2.1 van het Barro. Omdat geen van de andere in het Barro opgenomen onderwerpen van nationaal belang van toepassing zijn, bestaat geen strijdigheid met het nationale beleidskader. 2.2

Provinciaal beleid Het provinciale omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Naast de kaders maken uitvoeringsprogramma's en plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, deel uit van het provinciale omgevingsbeleid. In de uitvoeringsprogramma's en plannen zijn operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd. Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie Zuid-Holland, die per 1 april 2019 in werking is getreden, omvat geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. In deze Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta. • Naar een nieuwe economie: the next level. • Naar een levendige meerkernige metropool. • Energievernieuwing. • Best bereikbare provincie. • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit wordt gewerkt vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid. Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven.

Omgevingsverordening Zuid-Holland Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Deze is op 20 februari 2019 vastgesteld door Provinciale Staten en per 1 april 2019 in werking getreden. Hierin is onder andere de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening heeft betrekking op bestemmingsplannen. Het plangebied is in de Omgevingsverordening Zuid-Holland aangemerkt als bestaand stadsen dorpsgebied. Eén van de speerpunten van het ruimtelijk beleid is om dit gebied beter te benutten. Het beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Tegelijkertijd is het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Hierbij speelt de ladder voor duurzame verstedelijking een belangrijke rol. De provincie ziet graag dat deze ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten het bestaand stads- en dorpsgebied. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

- 15 -

een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: • De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meerdere of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulissenlandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. • Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied meer bijzonder of kwetsbaar is.

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie.

Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerreinen of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Conclusie provinciaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in het bestaand stads- en dorpsgebied, waarvoor geldt dat de ruimte beter benut moet worden. Naar de beoogde woningen en andere voorziene functies is bovendien vraag (zie § 2.1). Daarnaast passen de voorziene woningen binnen de woningbouwbehoefte van de gemeente Rotterdam, die is aanvaard door het college van Gedeputeerde Staten. Omdat voor deze ontwikkeling geen nieuw ruimtebeslag wordt

- 16 -

geclaimd, past het voornemen binnen de ladder voor duurzame verstedelijking en daarmee ook binnen het provinciaal beleid. 2.3

Gemeentelijk beleid Stadsvisie Rotterdam 2030 De Stadsvisie Rotterdam 2030 is vastgesteld op 27 november 2007 door de gemeenteraad van Rotterdam. De stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de periode tot 2030 en heeft als missie te komen tot een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op het gebied van wonen en economie. In de Stadsvisie zijn op basis van effectmeting dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad'; de zogenoemde VIP-gebieden, waaraan prioriteit wordt gegeven bij de uitwerking. Het plangebied maakt deel uit van het VIP-gebied "Woonmilieu Kop van Zuid". Speerpunt hierbij is de realisatie van rustig en centrum-stedelijk wonen aan het water en in gemengde wijken. De beoogde kwaliteitsslag van het woon- en werkmilieu straalt uit op de bestaande stedelijke omgeving, waardoor (ook) het sociaaleconomisch klimaat van de stad verbetert, selectieve migratie wordt tegengegaan en de bevolkingssamenstelling evenwichtiger wordt. Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020 De in december 2016 vastgestelde Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam.

Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld: • Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: o de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen, o te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat, en o woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. • Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: o een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad, o ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden, en o energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.

• De basis op orde houden door: o het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen, o betaalbaarheidsproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk, o goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken, o toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt, en o woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning.

Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

- 17 -

De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. Het betreft tevens een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren. Visie en masterplan "Kop van Feijenoord" Voor een deel van de wijk Feijenoord is in 2009 de visie 'Kop van Feijenoord' vastgesteld. Vaststelling van het gelijknamige masterplan volgde in oktober 2012. De visie en het masterplan verwoorden de toekomstige ontwikkeling van dit gebied. De hoofdopgave is het woon- en leefklimaat voor de huidige bewoners te verbeteren, waardoor de wijk ook voor nieuwkomers aantrekkelijker wordt. Daarbij wordt onder andere ingezet op het aanpakken van de eenzijdige woningvoorraad en het kwalitatief opwaarderen van het woonmilieu met een optimale mix aan huur- en koopwoningen voor doelgroepen met een verschillende leefstijl en sociaal economische positie. Daarnaast is de insteek om de openbare ruimte optimaler te benutten door sterker in te zetten op kwaliteit en bruikbaarheid van parken, buurtgroen en de kwaliteiten van het aanwezige water. De wijk wordt daarmee beter verbonden met de binnenstad en de omringende wijken. De visie benoemt daartoe een samenhangend pakket aan maatregelen.

Hoogbouwvisie 2019 Op 12 december 2019 is door de gemeenteraad de Hoogbouwvisie vastgesteld. Het betreft een actualisatie van het beleid dat werd vastgesteld op 16 maart 2011, waarbij een aantal gebieden is toegevoegd aan de bestaande zone. Uit deze visie volgt dat de noodzaak van verdere verdichting in Rotterdam onomstreden is. Alleen door verdere verdichting en hoogbouw kan aan de vraag naar de combinatie van woningen, openbare ruimte en kantoren tegemoet worden gekomen. Het hoogbouwbeleid 2019 spreekt van hoogbouw als een gebouw hoger is dan 70 meter. De ruggengraat van de Rotterdamse hoogbouw wordt gevormd door de hoogbouwas: grofweg vanaf het centraal station via de Coolsingel naar het Wilhelminaplein. Aan deze stadsas kan de overige hoogbouw zich koppelen; daarmee is de as ook hiërarchisch het meest belangrijk. Dit blijkt ook uit de maximum toegestane hoogte van 250 meter. Vanaf de hoogbouwas tot aan de brandgrens is sprake van een overgangszone, alwaar hoogbouw is toegestaan tot zo’n 150 meter. Dit geldt ook voor de buiten het centrum gelegen gebieden waar hoogbouw is toegestaan, te weten Feyenoord City, Hart van Zuid en Alexanderknoop. De visie geeft niet de exacte projectlocaties aan waar hoogbouw gerealiseerd kan worden, maar vormt een toetsingskader waarbinnen naar hoogbouwlocaties kan worden gezocht.

Daarnaast is in de Hoogbouwvisie 2019 een nieuw hoofdstuk toegevoegd aangaande het te realiseren gebouw zelf. Het tegengaan van ondermijnend gedrag en faciliteren van ontmoeting tussen bewoners staat hierbij centraal. Welstandsnota Rotterdam Het welstandsbeleid is op 11 oktober 2012 door de gemeenteraad vastgelegd in de 'Welstandsnota Rotterdam'. Deze nota is een geactualiseerde versie van de 'Koepelnota Welstand Rotterdam' uit 2004 die hiermee is komen te vervallen. Op de kaart 'Welstandsniveau's' behorende bij deze nota is aangegeven welk welstandsregiem van toepassing is: vrij, regulier of bijzonder.

- 18 -

Het plangebied valt binnen het welstandsregiem 'regulier' en binnen het gebiedstype ‘rivierlocaties’. Vanwege de prominente plek in het stedelijke weefsel zijn rivierlocaties erg belangrijk voor het aanzien van de stad. Zo is de bebouwing van invloed op verschillende schaalniveaus (de directe omgeving, het grotere geheel van de rivieroevers en het beeld van de stad als totaal). De meeste rivierlocaties zijn en worden ontwikkeld met een hoog ambitieniveau voor bebouwing en buitenruimte. Uitgangspunt daarbij is de ruimtelijke continuïteit van de rivier en de havenbekkens en het in stand houden en/of versterken van het eigen (historisch bepaalde) karakter van deze gebieden. De openbare ruimte is zorgvuldig ontworpen, leunt sterk op de aanwezigheid van het ruime water en heeft een stenig karakter. De architectonische eenheid bestaat uit een blok of een ensemble van onderling verschillende gebouwen. De nieuwbouw contrasteert met de bestaande gebouwen in vormgeving. Er is veel aandacht voor de detaillering (van de gevels) en de overgang tussen het gebouw en de openbare ruimte (de plint). Uitgangspunt van het ruimtelijk beleid en van de welstandstoets is het behouden en/of versterken van het eigen (historisch) bepaalde karakter.

Conclusie gemeentelijk beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan is erop gericht om binnen het plangebied een ontwikkeling mogelijk te maken ten behoeve van een mix aan functies, waaronder wonen, maatschappelijke- en commerciële voorzieningen. In de conclusie van § 2.1 is reeds geconcludeerd dat de realisatie van woningen voldoet aan de behoefte. Met de toename van het aantal woningen zal ook de behoefte naar voorzieningen groter worden, vandaar dat het bestemmingsplan de mogelijkheid biedt ook aan die behoefte invulling te geven. Ten aanzien van het gemeentelijk beleid wordt gesteld dat wordt ingespeeld op de vraag naar meer kwalitatief hoogwaardige woningen in dit deel van Rotterdam, waarmee de woningvoorraad in deze buurt meer gevarieerd wordt en een aantrekkelijke woon- en leefomgeving ontstaat. Daarmee past de ontwikkeling binnen de doelstelling van het Rotterdamse beleid. Omdat het bouwplan vanwege de hoogte niet als hoogbouw wordt aangemerkt is toetsing aan de Hoogbouwvisie niet aan de orde. Het bestemmingsplan doet verder geen uitspraak over welstandseisen. Daartoe wordt het concrete bouwplan besproken in de Rotterdamse welstandscommissie en wordt het getoetst aan de eisen van het beleid.

Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

- 19 -

- 20 -

3.

BESCHRIJVING VAN HET PLAN In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het voornemen. Alvorens in te gaan op de beoogde nieuwe situatie, wordt eerst aandacht besteed aan de bestaande situatie en het huidig gebruik.

3.1

Omgeving en huidig gebruik Tot ver in de 18e eeuw was het 'eiland Feijenoord' niets anders dan een zandplaat in de binnenbocht van de Maas. Tijdens de 17e en 18e eeuw werd Feijenoord stukje bij beetje bedijkt. Pas halverwege de 19e eeuw werd door het Rotterdamse gemeentebestuur een uitbreidingsplan vastgesteld, waarmee Feijenoord vooral het karakter kreeg van een haven- en industriegebied met geïsoleerde woonbuurten. In het begin van de 20e eeuw werd een deel van het huidige Feijenoord gebouwd als arbeiderswijk voor de havenindustrie. De ruimtelijke structuur draagt daar nog steeds de kenmerken van in het stratenpatroon, met haar noord-zuid verbindingen. Nadat in 1974 de stadsvernieuwing in gang werd gezet, is de omgeving van het plangebied getransformeerd van een haven- en industriegebied met een ondergeschikte woonfunctie, naar een gemengd stedelijk gebied in de nabijheid van het Rotterdamse stadscentrum. Tijdens de stadsvernieuwing zijn veel woningen, voornamelijk gebouwd tussen 1910 en 1930, gerenoveerd en/of vervangen door nieuwbouw. Mede hierdoor is de stedenbouwkundige structuur verbrokkeld. De wijk is geïsoleerd gelegen tussen de Nieuwe Maas en de spoorlijn van Rotterdam naar Dordrecht. Het vele water in en langs de wijk (de Nieuwe Maas, de Persoonshaven en de Nassauhaven) geeft Feijenoord een eigen karakter.

De mengeling van oude woningen, nieuwbouw en bedrijven maakt de wijk tot een stedelijk gebied.

Afbeelding 3: Ligging van de wijk Feijenoord (oranje omkaderd).

In de wijk Feijenoord zijn nog twee gebieden aanwezig, waar het oorspronkelijke gebruik als havengebied zichtbaar is. Aan de noordzijde bevindt zich de Nassaukade, de fabriek en het hoofdkantoor van Unilever Bestfood Nederland (verder Unilever). Het andere gebied dat ten dienste staat van industriële activiteiten, betreft het bedrijventerrein Feyenoord. Dit is gelegen op het zuidelijk deel van het 'schiereiland' aan de oostzijde van de wijk, dat wordt gevormd door de Nassauhaven / Persoonshaven en de Nieuwe Maas. Dit bedrijventerrein bestaat uit

Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

- 21 -

een menging van grootschalige bedrijvigheid op het complex van HunterDouglas, kantoorfuncties, kleinschalige bedrijvigheid en recreatieve voorzieningen. De gronden waarop het beoogde bouwproject is voorzien, maken deel uit van dit bedrijventerrein en bevinden zich in de zuidelijke punt van het ‘schiereiland’ nabij de Piekbrug. In het verleden heeft hier bedrijfsbebouwing gestaan. Deze bebouwing is enkele jaren geleden gesloopt, waarna het terrein nagenoeg in gebruik is genomen als parkeervoorziening. De randen, alsook het talud naar de Persoonshaven, hebben een groen karakter. Vanaf deze gronden is zowel in oostelijke als in zuidelijke richting sprake van een weids uitzicht over de Nieuwe Maas. Tevens bevindt zich aan de overzijde van de Piekstraat een halte van de waterbus. Ook een deel van de Persoonshaven behoort tot het plangebied. Deze voormalige industriehaven is begin 20e eeuw aangelegd voor fabrieken die aan vaarwater moesten liggen en een spooraansluiting nodig hadden. Tegenwoordig heeft de Persoonshaven haar functie als industriehaven verloren. Anders dan de noordelijk gelegen Nassauhaven heeft de Persoonshaven een stenig karakter. Dit wordt mede veroorzaakt door de hoge kademuur aan de westzijde van de haven; aan de oostzijde is wel sprake van een talud, echter is deze op weinig plekken ‘groen’ ingericht.

Afbeelding 4: Zicht op Persoonshaven en parkeerterrein vanaf Piekbrug.

3.2

Projectbeschrijving Het oostelijk deel van de 'Kop van Feijenoord' wordt gevormd door een 'schiereiland' dat is gelegen tussen de Nassauhaven / Persoonshaven en de Nieuwe Maas. De zuidelijkste punt van dit eiland is momenteel in gebruik als parkeerterrein, maar betreft een locatie die zich bij uitstek leent voor een herontwikkeling naar een levendige locatie om te wonen en te werken. Omdat van een uitgewerkt bouwplan vooralsnog geen sprake is, legt dit bestemmingsplan alleen de kaders vast waarbinnen de ontwikkeling gerealiseerd kan worden. Op de kavel, met een oppervlakte van zo’n 1.500 m2, is een gestapeld bouwvolume voorzien met een maximale hoogte van 75 meter. Ook de positie van het gebouw is vastgelegd, namelijk met een op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Hierdoor worden diverse van toepassing zijnde veiligheidscontouren in verband met het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas in acht genomen (zie § 4.5). Aan de westzijde van het perceel zal het gebouw met een overkraging deels over de Persoonshaven gerealiseerd worden. Het beoogde gebouw bevat een complementair programma van ongeveer 22.000 m2 bruto vloeroppervlak (bvo). Hierbinnen kunnen maximaal 130 woningen worden gerealiseerd en is - 22 -

maximaal 8.000 m2 bvo aan maatschappelijke- en commerciële voorzieningen toegestaan, zoals horeca, dienstverlening, kantoren en lichte bedrijvigheid (tot en met categorie 2, zoals opgenomen in de bij de planregels behorende Lijst van Bedrijfsactiviteiten). Wat betreft de woonfunctie zijn verschillende typen woningen voorzien: waterunits, drive-in lofts, panorama lofts en sky lofts. De verschillende typen zijn geconcentreerd in de toren aanwezig, als het ware zijnde één blok. Deze blokken worden verspringend op elkaar gestapeld, waarbij de overstekende delen van de blokken als buitenruimte kunnen worden ingericht. De beoogde nieuwbouw wordt zodanig vormgegeven dat sprake is van een 360° alzijdig beeld. Onderstaande afbeelding geeft een impressie van de mogelijk te realiseren nieuwbouw.

Afbeelding 5: Impressie van de te realiseren toren binnen het plangebied.

In de plint van het gebouw zijn, naast technische ruimten, een fietsenstalling en de entrees, ook functies voorzien die bijdragen aan de levendigheid van de directe omgeving. Hierbij kan gedacht worden aan wonen, lichte horeca, kleinschalige bedrijfsmatige functies, maatschappelijke voorzieningen en dienstverlening. Deze plint zal zodanig uitgevoerd worden, dat deze aansluit bij de naastgelegen oude loodsen. In verband met de gedeeltelijke overkraging over de Persoonshaven, maakt ook een klein deel van dit water deel uit van het bestemmingsplan. Deze doodlopende haven wordt niet meer gebruikt voor de beroepsvaart, maar kent nog wel enkele aanlegsteigers voor de pleziervaart. Rotterdam heeft de wens uitgesproken om dit water meer te betrekken bij de omgeving en de beoogde ontwikkeling zal een bijdrage leveren aan de beleving van het water. Ontsluiting van de toren vindt plaats via de Piekstraat. Het parkeren van motorvoertuigen vindt plaats op eigen terrein. Enkele bouwlagen van de beoogde nieuwbouw worden daarvoor als parkeergarage ingericht. Ook zal voorzien worden in voldoende stallingsmogelijkheden voor fietsen. Om dit te waarborgen is in de planregels van dit bestemmingsplan bepaald, dat voldaan moet worden aan de gemeentelijke beleidsregeling parkeernormen (zie ook § 5.2).

Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

- 23 -

- 24 -

4.

TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten behandeld die binnen de ruimtelijke ordening, en daarmee dus ook voor dit bestemmingsplan, van belang zijn. Veel aandacht gaat daarbij uit naar de milieuaspecten, aangezien de beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe zijn gegroeid. Het milieubeleid stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen en is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren.

4.1

Water De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Vanwege de buitendijkse ligging maakt het plangebied deel uit van het beheersgebied van Rijkswaterstaat. De binnendijkse gebieden alsook de aanwezige waterkeringen in de omgeving van het plangebied behoren tot het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat deze voldoen aan het waterbeleid. Dit is vastgelegd in diverse beleidsdocumenten van Europees (Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) tot gemeentelijk niveau (Waterplan 2). Ook het waterschap heeft zijn eigen beleid. Dit is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016-2021. Dit programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen.

Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming. Het plangebied ligt buitendijks, waardoor de Waterwet van toepassing is. Het plangebied maakt echter deel uit van het zogenaamde vrijstellingsgebied voor de vergunningplicht voor het onderdeel gebruik waterstaatswerk, zoals weergegeven in artikel 6.16 van het Waterbesluit. Daarnaast geldt voor buitendijkse gebieden geen compensatieplicht bij toename van het verhard oppervlak. Deze toename is overigens zeer gering, omdat de gronden waar de beoogde bebouwing is voorzien in de huidige situatie al nagenoeg geheeld verhard is. Daarnaast is geen sprake van een gedeeltelijke demping van de Persoonshaven. De dichtstbijzijnde waterkering bevindt zich ongeveer ter hoogte van het Varkenoordse viaduct. Hemelsbreed ligt deze primaire waterkering op circa 445 meter afstand van het plangebied.

De kern- en beschermingszone van deze waterkering reiken niet tot aan het plangebied. Dit betekent, dat op grond van de Keur geen restricties gelden. De wijk Feijenoord maakt deel uit van rioleringsdistrict 28: ‘zuiden’ en meer specifiek van het onderbemalingsdistrict ‘Feijenoordkade-562’. Deze onderbemaling loost het afvalwater op het

Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

- 25 -

binnendijkse hoofdbemalingsgebied. Met het eindgemaal ‘Pretorialaan’ wordt het afvalwater via district 23 ‘Charlois’ naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie Dokhaven verpompt. Het betreft hier een gemengd rioolstelsel, waardoor naast het afvalwater ook het relatief schone hemelwater via het riool naar deze afvalwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd. Nabij het plangebied is op de hoek van de Nassauhaven met de Jalonstraat een overstort aanwezig. Bij hevige regenval wordt ongezuiverd (verdund) afvalwater via de overstort op het oppervlakte water van de Nassauhaven geloosd. Het beoogde bouwplan wordt op dit rioleringsstelsel aangesloten, al wordt het regenwater afgekoppeld en direct geloosd op de Persoonshaven. Om diffuse verontreinigingen van water en bodem te voorkomen, is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen toe te passen. Zink, lood, koper en PAK´s-houdende materialen mogen uitsluitend worden toegepast als deze worden voorzien van een coating. Overleg met de waterbeheerder(s) De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets. In dit kader worden de waterbeheerders betrokken bij het wettelijk vooroverleg in het kader van dit bestemmingsplan. 4.2

Milieuzonering De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in haar uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” een handreiking geboden voor het toepassen van milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. De milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (bijv. bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies (bijv. woningen) krijgen en dat milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. Daarnaast is milieuzonering gericht op nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van bestaande situaties waarbij gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op minder dan de richtafstand van elkaar staan. Met de handreiking kan worden bepaald wat de gewenste richtafstand is tussen de milieugevoelige functie(s) en de bedrijven in de omgeving. Dit kan oplopen tot de maximale richtafstand voor bedrijven met milieucategorie 6 en die bedraagt 1.500 meter tot het omgevingstype rustige woonwijk. Daarnaast kent de VNG-uitgave ook het omgevingstype 'gemengd gebied'. Het betreft hier een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven.

Ook gebieden die in de directe nabijheid van hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging in de omgeving van het plangebied, kan dit als zodanig aangemerkt worden. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. In de directe omgeving van de projectlocatie zijn verschillende inrichtingen aanwezig, die mogelijk van invloed kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling (en andersom). Vandaar dat een beschouwing 1 van de hindercontouren is opgesteld. Hierbij is voor het bedrijf Hunter Douglas alleen ingegaan op de aspecten stof en geur; voor de aspecten ‘gevaar’ en ‘geluid’ wordt verwezen naar de paragrafen ‘externe veiligheid’ (§ 4.5) c.q. ‘geluid’ (§ 4.3). 1 IDDS, Beschouwing bedrijven- en milieuzonering ontwikkeling Piekstraat te Rotterdam, augustus 2016,

projectnummer 1607J468.

- 26 -

Uit deze beschouwing blijkt, dat Hunter Douglas buiten de inrichtingsgrenzen voldoet aan de normen voor luchtkwaliteit, geur en fijnstof. Deze emissies vormen geen belemmering voor de herontwikkeling van de projectlocatie. Daarnaast worden de vergunde rechten van Hunter Douglas niet ingeperkt. Omdat in de tussenuitspraak van 28 april 2021 door de Afdeling is bepaald dat in het plan niet aannemelijk is gemaakt dat ook tot op 75 meter hoogte bij de woningen in het plangebied geen geur kan worden waargenomen, is alsnog inzichtelijk gemaakt 2 dat het plan wat betreft mogelijke geurhinder ook op die hoogte niet zal leiden tot een beperking in de bedrijfsvoering van Hunter Douglas. Op het perceel Piekstraat 63-65 is een grutterfabriek aanwezig. Een dergelijke inrichting (SBIcode 1061) beschikt over een maximale hindercontour van 100 meter (aspect geluid); de contouren voor de andere aspecten bedragen maximaal 50 meter. Omdat de kleinste afstand tussen deze inrichting en het plangebied 85 meter bedraagt, heeft alleen de geluidcontour een mogelijk invloed op een woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. Om deze invloed te bepalen, is een akoestisch onderzoek 3 uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt, dat de nachtperiode de maatgevende etmaalperiode bedraagt.

De berekende geluidniveaus voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voldoet bij een zeer beperkt aantal noordgevels van de beoogde appartementen niet aan de in het Activiteitenbesluit opgenomen grenswaarde van 40 dB(A) in de nachtperiode. De overschrijding bedraagt maximaal 2 dB(A). Omdat ruimschoots wordt voldaan aan de richtwaarden voor een goede ruimtelijke ordening (nachtperiode 45 dB(A)) en tevens wordt voldaan aan de grenswaarden voor het maximaal geluidniveau, wordt deze overschrijding acceptabel geacht en is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Om de inrichting niet in de bedrijfsvoering te belemmeren is het wel noodzakelijk om een maatwerkvoorschrift van 42 dB(A) in de nachtperiode vast te stellen. Dit bestemmingsplan staat ook 8.000 m2 bvo aan commerciële functies toe, waarvoor op grond van de VNG-uitgave een hindercontour geldt. Het gaat hierbij onder meer om kantoren, dienstverlening, bedrijven, horeca en maatschappelijke voorzieningen. In alle gevallen gaat het echter om ten hoogste categorie 2-inrichtingen. Deze worden op grond van de Rotterdamse systematiek als passend in een gemengd gebied ervaren. Daarnaast bedraagt de afstand van deze activiteiten tot aan de dichtstbijzijnde bestaande woningen meer dan 65 meter. De realisatie van deze inrichtingen leidt dan ook niet tot een verslechtering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woningen.

Op grond van zowel de VNG-uitgave als de Rotterdamse systematiek wordt gesteld, dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de vergunde rechten van de aanwezige bedrijven niet ingeperkt. Het thema 'milieuzonering' leidt niet tot belemmeringen voor de herontwikkeling van het plangebied. 4.3

Geluid Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wet

2 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V., Invloed luchtemissies Hunter Douglas op hoogbouw Piekstraat Punt

Rotterdam, mei 2021, projectcode 126649.

3 Het Geluidburo, Akoestisch onderzoek Trouw Boekweit BV Piekstraat 63063 3071 EL Rotterdam, maart 2020,

kenmerk 3071 EL – 63-65 W001 25-03-2020 V1.0,

Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

- 27 -

onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk, namelijk wooneenheden. Deze liggen binnen de toetsingszone van een gezoneerd industrieterrein. Vandaar dat ten aanzien van deze bronnen een akoestisch onderzoek 4 is uitgevoerd. Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt niet binnen de toetsingszone van een zoneplichtige weg. Toetsing aan de grenswaarde uit de Wet geluidhinder voor wat betreft ‘wegverkeerslawaai’ is daardoor niet aan de orde. Uit jurisprudentie blijkt echter wel, dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening de geluidsbelasting van 30 km/h-wege beschouwd moet worden. Vandaar dat in het eerder genoemde akoestisch onderzoek de geluidsbelasting is berekend van de volgende wegen: Piekstraat, Piekbrug, Schietloodlaan en Persoonshaven. Uit de rekenresultaten blijkt, dat op geen van de wegen de geluidsbelasting hoger is dan 48 dB (voorkeursgrenswaarde uit Wet geluidhinder). De maximaal berekende geluidsbelasting bedraagt namelijk 47 dB vanwege het wegverkeer op de Piekstraat. Industrielawaai Het plangebied ligt binnen de 50 dB(A)-contour van het gezoneerde industrieterrein "Feijenoord", waarvan ook het bedrijfsterrein van Hunter Douglas deel uitmaakt.

Dit geldt niet voor de grutterfabriek op het perceel Piekstraat 63-63. Voor deze inrichting is een apart akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie § 4.2). Om te bepalen wat de geluidsbelasting van dit industriegebied op de nieuw te realiseren woningen is, is in het aangehaalde onderzoek (zie voetnoot 3) aandacht besteed aan het aspect ‘industrielawaai’. Hierbij is uitgegaan van een worst-case scenario: voor de diverse schoorsteenpijpen op het terrein van Hunter Douglas is een toeslag van +3 dB op het geluidbronvermogen toegepast. Uit de rekenresultaten blijkt, dat de geluidsbelasting maximaal 55 dB(A) bedraagt. Dit betekent, dat de voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai van 50 dB(A) wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde voor gezoneerde industrieterreinen bedraagt 55 dB(A) en wordt dus gerespecteerd. Scheepvaartlawaai Over de Nieuwe Maas vinden veel scheepvaarttransportbewegingen plaats. Omdat de langsvarende schepen een zekere geluidemmissie genereren, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening in het akoestisch onderzoek aandacht besteed aan deze geluidbron. Hierbij moet opgemerkt worden, dat voor het geluid van passerende schepen geen wettelijke normen gelden en hiervoor ook geen standaard rekenmethodiek beschikbaar is.

Het onderzoek heeft dan ook plaatsgevonden met behulp van de industrielawaaimodule en een door het Havenbedrijf Rotterdam aangeleverd scheepvaartmodel. Uit de rekenresultaten blijkt, dat zowel ter plaatse van de noord- als van de oostgevel de geluidbelasting hoger is dan de ‘voorkeursgrenswaarde’ van 55 dB(A). De maximaal berekende geluidbelasting bedraagt op deze gevels 61 dB(A). Omdat voor het scheepvaartlawaai geen wettelijke normen zijn vastgelegd leidt dit niet tot het vaststellen van hogere waarden.

4 Het Geluidburo, Akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting op de gevels van de nieuw te realiseren toren aan

de Piekstraat 3071 EL Rotterdam, april 2020, kenmerk 3071 El – xx WO 003 16-04-2020 V3.2.

- 28 -

Conclusie Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt, dat voor ‘industrielawaai’ de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt hierbij niet overschreden. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt, dat het treffen van geluidsreducerende maatregelen vanuit financieel, stedenbouwkundig en/of akoestisch oogpunt niet redelijk, wenselijk dan wel onvoldoende effectief is. Vandaar dat een ontheffing van de Wet geluidhinder noodzakelijk is. Hierbij dient voldaan te worden aan de eisen uit het Rotterdamse ontheffingenbeleid, zoals de aanwezigheid van een geluidluwe gevel en/of buitenruimte per woning. De zuidwestzijde van het plangebied is geluidluw. Omdat mogelijk ook één- of tweezijdige wooneenheden worden gerealiseerd, kan het zijn dat niet elke wooneenheid aan deze geluidluwe zijde is georiënteerd. Daarnaast kan het om stedenbouwkundige redenen wenselijk zijn om buitenruimten aan de geluidsbelaste zijde te situeren, bijvoorbeeld vanwege de aanwezigheid van zon. Indien dit aan de orde is, is het mogelijk om op een andere wijze te voorzien in een geluidluwe gevel / buitenruimte (bijvoorbeeld met toepassing van een loggia). Daarnaast kent het Rotterdamse ontheffingenbeleid de mogelijkheid om van deze voorwaarde af te wijken, indien wordt ingezet op een zo optimaal mogelijke leefomgeving.

De woningen bevinden zich op een unieke locatie met prachtige vergezichten en tal van voorzieningen in de directe omgeving, waaronder het Nassauhavenpark. Vandaar dat een ontheffing van de Wet geluidhinder kan worden verleend. Het aspect ‘geluid’ staat realisatie van de beoogde woningen niet in de weg. 4.4

Luchtkwaliteit Voor een aantal stoffen in de lucht gelden wettelijke grenswaarden die zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (de zogenaamde Wet luchtkwaliteit). De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. De luchtkwaliteit dient in zijn algemeenheid, met uitzondering van de werkplek, bepaald te worden. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De gemeente toetst daartoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen expliciet aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit. Is de verwachting dat de ontwikkeling zal leiden tot overschrijding van de normen, dan wordt naar een zodanig (technisch en/of planologisch) alternatief gezocht dat wordt voldaan aan de normen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de grens van 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof en stikstofdioxide niet wordt overschreden. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.

Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk dat maximaal 130 woningen en 8.000 m2 bvo aan commerciële activiteiten binnen het plangebied gerealiseerd kunnen worden. In een worstcase scenario genereert één woning in een zeer stedelijke omgeving zo’n 8 ritten per dag; voor commerciële functies is dat 10 ritten per 100 m2 bvo. De maximale mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt, leiden daarmee tot zo’n 2.000 ritten per dag. Een woningbouwproject wordt in de Regeling NIBM als niet in betekenende mate aangemerkt, indien het maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg betreft. Een dergelijke ontwikkeling leidt tot zo’n 12.000 ritten. Dit is dus zes keer zoveel als de verkeersgeneratie die dit bestemmingsplan mogelijk maakt. Gesteld wordt, dat het plan als niet in betekenende mate beschouwd kan worden. Bestemmingsplan Piekstraat punt – Toelichting

- 29 -

4.5

Externe veiligheid Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo’n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 1% letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen geen grenswaarde maar een oriënterende waarde. Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Een afwijking moet in een openbare en goed inzichtelijke belangenafweging door het bevoegd gezag worden gemotiveerd. Uit een uitgevoerd onderzoek 5 blijkt, dat in de directe omgeving van het plangebied zich diverse risicobronnen bevinden.

Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen stationaire bronnen en transportroutes. Uit het onderzoek blijkt, dat alleen het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas en over de spoorlijn Rotterdam - Dordrecht relevant is. Deze worden hieronder nader toegelicht. Voor de overige aanwezige risicobronnen, zoals Hunter Douglas, wordt verwezen naar het onderzoeksrapport. Transport gevaarlijke stoffen over Nieuwe Maas Over de Nieuwe Maas worden met behulp van zee- en binnenvaartschepen gevaarlijke stoffen over het water getransporteerd. Zeeschepen varen echter tot aan de Waalhaven. Omdat het plangebied ten oosten van de Waalhaven is gelegen, is hier alleen sprake van transport door middel van binnenvaartschepen. Dit transport leidt niet tot een 10-6 plaatsgebonden risicocontour; dit wordt onderschreven door de Basisnet-studie. Het groepsrisico is in de huidige situatie kleiner dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Ook na ontwikkeling van het bouwplan is dit het geval. Op grond van artikel 8 lid 2 van het Besluit externe veiligheid transportroutes is een nadere verantwoording van het groepsrisico niet benodigd. Vanaf de oever/waterlijn van de Nieuwe Maas is tevens sprake van een wettelijk plasbrandaandachtsgebied van 25 meter. Realisatie van kwetsbare objecten binnen dit aandachtsgebied is, mits gemotiveerd, toegestaan.

Hierbij dient in ieder geval aandacht te worden besteed aan de bestrijdbaarheid van een plasbrand (hulpverlening & zelfredzaamheid mede in relatie tot effectreducerende maatregelen of brandvertragende maatregelen aan het gebouw). Naast de hinderafstanden die volgen uit het Basisnet Water heeft ook de provincie Zuid-Holland in de Verordening Ruimte een veiligheidszonering opgenomen (artikel 2.1.10). In dit artikel is bepaald, dat binnen 25 meter vanaf de kade geen nieuwe bebouwing is toegestaan. In het gebied tussen de 25 en 40 meter vanaf de kade is nieuwe bebouwing slechts toegelaten als de veiligheid voldoende wordt gegarandeerd en advies is uitgebracht door de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond. Uit afbeelding 6 blijkt, dat het plangebied zich deels binnen zowel het plasbrandaandachtsgebied als binnen de provinciale veiligheidszones bevindt. Het op de 5 AVIV, Externe veiligheid bouwplan Piekstraat Rotterdam, juni 2018, projectnummer 163162.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=c8c95fae-e418-4556-80e1-3c51a4a3a972