21bb6411 Bijlage 1 behorende bij 21bb11873 - Ontwerpbestemmingsplan Oranjebonnen
Tekst van het document
7.4.1
Plangebied
Binnen het plangebied komen nieuwe woningen, zijnde geurgevoelige bestemmingen, voor. Dit zijn 5 woningen aan de Polderhaakweg 15 en 2 woningen aan de Bonnenweg 20-30. Deze nieuwe woningen komen op respectievelijk 950 m en 1.300 m te liggen van het composteringsbedrijf van Renewi en het bedrijf P.J.A. van den Berg CV. De nieuwe woningen komen nabij de 98 percentiel contour (1 ge/m3) van Renewi te liggen. Hetzelfde geldt voor de locatie van het voedselbos en outdooractiviteiten waar recreatieve overnachtingsmogelijkheden worden geboden. Tegenwoordig wordt gewerkt met Europese odour units per kubieke m (OIIe/iti3). Dit komt overeen met 0,5 OU/m3 98 percentiel. Gezien deze lage geurconcentratie is ter plaatse van de nieuwe woningen en de recreatieve nachtverblijven geen of zeer beperkt geurhinder te verwachten. De nieuwe woningen en de recreatieve nachtverblijven zijn niet gelegen in geurcontouren van overige bedrijven. Er kan in het plangebied mogelijk geur worden waargenomen van de industrie aan de overkant van de Nieuwe Waterweg, maar in de afgelopen járen is de overlast daarvan beperkt gebleken. Omdat er geen sprake is van een sterke verdichting van de woningbouw in het gebied, is er ook wat deze bedrijven betreft geen onaanvaardbare geuroverlast te verwachten.
7.4.2
Conclusie
Het aspect geur staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
7.5
Geluid
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg- en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, 30 km/uur-wegen en parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden, maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidhinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn, zoals kinderdagverblijven.
75
Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeursgrenswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde, biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zo veel mogelijk terug te dringen. Nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen In het plan worden 2 nieuwe geluidsgevoelige ontwikkelingen mogelijk gemaakt: 1. 2.
2 woningen in de vorm van lintbebouwing langs de Bonnenweg naast het perceel Bonnenweg 20-30; 5 woningen op het perceel aan de Polderhaakweg 15 ter plaatse van de huidige glastuinbouw.
Bij deze ontwikkelingen is op grond van de Wet geluidhinder akoestisch onderzoek verricht. Daarnaast wordteen natuurbegraafplaats mogelijk gemaakt. Een natuurbegraafplaats is niet geluidsgevoelig in de zin van de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is deze wel in het akoestisch onderzoek beschouwd. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd door het Ingenieursbureau van de gemeente Rotterdam. Het rapport met nummer IB-2019-0002 (19 maart 2020) is bijgevoegd als bijlage 7. De resultaten van het onderzoek zijn hieronder samengevat. Voor een uiteenzetting van de invoergegevens en het toetsingskader wordt verwezen naar het akoestisch rapport.
7.5.1
Wegverkeerslawaai
De 5 woningen aan de Polderhaakweg 15 liggen in de zone van de Polderhaakweg. Hier bedraagt de berekende geluidsbelasting ten gevolge van de Polderhaakweg 53 dB na aftrek artikel 110g Wet geluidhinder. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Bij de berekeningen is als uitgangspunt gekozen dat de woningen niet dichter dan 5 m van de as van de weg worden gerealiseerd. De verbeelding bij dit bestemmingsplan is met dit uitgangspunt in overeenstemming, omdat het bouwvlak op grotere afstand van de as van de weg ligt. Uit het rapport blijkt dat wordt voldaan aan het ontheffingsbeleid van de gemeente Rotterdam. Het is daarom mogelijk om hogere waarden te verlenen. De te verlenen hogere waarden zijn vermeld in tabel 7.1.
Tabel 7.1
Overzicht aan te vragen hogere waarden
locatie 5
Polderhaakweg 15
aan te vragen hogere waarde per wegvak wegverkeerslaawaai
(dB)
Polderhaakweg
53
Lden
Natuurbegraafplaats Op de rand van de natuurbegraafplaats is de geluidsbelasting in de dagperiode lager dan de richtwaarde (45 dB(A)) uit de Inspectierichtlijn, namelijk 40 dB.
7.5.2
Railverkeer
De nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen Railverkeerslawaai is daarom niet relevant.
7.5.3
liggen
niet
in
de
zone
van
een
spoorweg.
Luchtvaart
Luchtvaartlawaai is voor deze locatie niet van belang.
76
7.5.4
Industrielawaai
Beide woningontwikkelingen liggen in de geluidszone van industrieterrein Maasvlakte-Europoort. Bij beide locaties wordt de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) overschreden. Aan de maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) wordt wel voldaan. De geluidsbelasting bij de Bonnenweg bedraagt 52 dB(A). De maximale geluidsbelasting bij de Polderhaakweg bedraagt 55 dB(A). Uit het rapport blijkt dat wordt voldaan aan het ontheffingsbeleid van de gemeente Rotterdam. Het is daarom mogelijk om hogere waarden te verlenen. De te verlenen hogere waarden zijn vermeld in tabel 7.2.
Tabel 7.2
Overzicht aan te vragen hogere waarden
locatie
aan te vragen hogere waarde per industrieterrein
Letmaal
(dB)
2
Bonnenweg 20-30
Maasvlakte-Europoort
52
5
Polderhaakweg 15
Maasvlakte-Europoort
55
Natuurbegraafplaats Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidsbelasting in de dagperiode maximaal 39 dB(A) bedraagt. De geluidsbelasting ter hoogte van de begraafplaats zal daarmee lager zijn dan de richtwaarde (45 dB(A)) uit de Inspectierichtlijn.
7.5.5
Windturbinelawaai
Voor de locatie Bonnenweg is windturbinelawaai niet relevant. De locatie Polderhaakweg ligt in de omgeving van Windpark Nieuwe Waterweg. Uit eerder onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van de windturbines 47 dB Lden en 41 dB Lnight bedraagt. Hiermee wordt exact voldaan aan de grenswaarden van het Activiteiten besluit.
7.5.6
Scheepvaartlawaai
Vanwege de scheepvaart op de Nieuwe Maas en het Calandkanaal is de gecumuleerde geluidsbelasting berekend. Uit de berekening blijkt dat de gecumuleerde geluidsbelasting vanwege de scheepvaart op de genoemde vaarroutes op de ontwikkellocatie aan de Bonnenweg maximaal 43 dB bedraagt en op de ontwikkellocatie aan de Polderhaakweg maximaal 50 dB. De geluidsbelasting vanwege het scheepvaartlawaai voldoet op beide locaties aan de voorkeurswaarde van 55 dB.
7.5.7
Cumulatie van geluid
Binnen het plangebied is er sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarden voor wegverkeerslawaai en industrielawaai op de ontwikkellocatie aan de Polderhaakweg. Derhalve is een cumulatie van meerdere bronsoorten aan de orde. De maximale cumulatieve geluidsbelasting is 60,1 dB op de locatie Polderhaakweg 15. Voor deze locatie levert de geluidsbelasting vanwege wegverkeer de grootste bijdrage.
7.5.8
Conclusie
Het aspect geluid staat de beoogde ontwikkelingen niet in de weg. Ten aanzien van wegverkeerslawaai en industrielawaai worden hogere waarden aangevraagd. De ontwikkellocaties beschikken aan alle zijden over een geluidsluwe gevel vanwege wegverkeerslawaai. Daarnaast beschikken de locaties aan de noordzijde over een geluidsluwe gevel vanwege industrielawaai. Deze voldoen daarmee aan het ontheffingsbeleid van de gemeente Rotterdam. Hiermee is sprake van een aanvaardbaar akoestisch klimaat ter plaatse van de op te richten geluidsgevoelige bestemmingen. In de planregels is een koppeling gelegd met de in het (ontwerp)besluit hogere grenswaarden opgenomen voorwaarden.
77
7.6
Luchtkwaliteit
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient te worden nagegaan wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit, zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.
Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 30Zo van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: « « » * «
er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.
Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan.
7.6.1
Plangebied
Door het Ingenieursbureau van de gemeente Rotterdam is een kwalitatief onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd. Het onderzoek luchtkwaliteit (10 december 2019) is bijgevoegd in bijlage 8. In de plansituatie neemt het wegverkeer plaatselijk af door: » «
het verdwijnen van twee glastuinbouwbedrijven (ook verdwijnt de fijnstof en NOx uitstoot als gevolg van het aardgasverbruik); minder agrarisch verkeer.
In de plansituatie neemt het wegverkeer toe door: * « *
de natuurbegraafplaats; 7 nieuwe woningen; recreatie en outdooractiviteiten.
Per saldo zal het plan zeker niet meer verkeer genereren dan het aantal verkeersbewegingen dat hoort bij maximaal 3.000 woningen, dit is het aantal dat bij een tweezijdige ontsluiting als in dit gebied mag
78
mogen worden gebouwd onder de nibm-regelgeving (Besluit nibm, Regeling nibm). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2018. In en rond het plangebied wordt aan de grenswaarde voor NO2 voldaan. Ook wordt aan de grenswaarden (daggemiddelde en jaargemiddelde) voor fijnstof (PM10 en PlVk.s) voldaan. Ook in de toekomst (peiljaar 2030) wordt aan de grenswaarden voldaan. De concentraties van de overige stoffen die ingevolge de Wet luchtkwaliteit moeten worden getoetst zijn zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen, lood en de uurgemiddelde grenswaarde van stikstofdioxide (NO2). De waarden van deze stoffen liggen in en rondom Hoek van Holland ruim onder de grenswaarden en worden daarom buiten beschouwing gelaten.
7.6.2
Conclusie
Het plan Oranjebonnen draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de Wet luchtkwaliteit en tevens aan het Rotterdamse beleid. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.
7.7
Bodem
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische of aardkundige waarde, energieopslag, waterberging of drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. Voor het verkrijgen van een bouwvergunning moet worden aangetoond dat de bodemkwaliteit goed genoeg is om te bebouwen ten behoeve van de toegekende bestemming (bodemgeschiktheidsverklaring): er mag pas worden gebouwd als de bodem schoon genoeg is bevonden. In het kader van de bouwplannen zal de bodem ter plaatse nader worden onderzocht.
Indien nodig zal de bodem voorafgaand of tijdens de bouw geschikt gemaakt worden op basis van de nota 'Gezamenlijk Bodemsaneringsbeleid' van de provincie Zuid-Holland en de gemeenten Den Haag, Dordrecht, Leiden, Rotterdam en Schiedam.
7.7.1
Plangebied
Ten behoeve van de ontwikkelingen is de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Rotterdam geraadpleegd (figuur 7.1). Hieruit blijkt dat het grootste deel van de grond geschikt is voor de functie landbouw en deels voor de functie wonen. De algemene bodemkwaliteit (0-2 m onder maaiveld) in het gebied wordt gekenmerkt als zeer licht verontreinigd.
79
ŰTÍR-JC
.SĨLAMD
Ah Chenū'ĵ
BMMp4«vig BättvnfcwMfiifl 1nwŵr m Zŕtañï fioŵrnfunclíe
r.ÎBÌuüľ ;ScíìCCP
ĻflfťļţnHr.v ;Z«f HW YH WflMfl ;L»ŴÌ itiíŕTjíinļ irŵjrti* iM-íŵg iWOMrt! Sporen.'Ŝniefcwţien ì Mab
ĻintbŭfrtULiing i, !,1 abg v«i
Figuur 7.1
Uitsnede bodemkwaliteitskaart (bron: gemeente Rotterdam)
Natuurbed raven In een deel van het plangebied wordt een natuurbegraafplaats mogelijk gemaakt. De bodem is geschikt voor de functie landbouw. Aangezien er geen milieugevoelige functies worden opgericht, volstaat deze bodemkwaliteit voor de beoogde functie. Mogelijk is in het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. Bonnenweq 50 Dit perceel is nu bestemd als agrarisch bouwperceel. De bestaande boerderij blijft behouden inclusief een schuur. Op het terrein komen 20 parkeerplaatsen ten behoeve van horeca en plattelandswinkel. De bodem is geschikt voor de functie landbouw. Aangezien er geen milieugevoelige functies worden opgericht, volstaat deze bodemkwaliteit voor de beoogde functie. Mogelijk is in het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. Bonnenweq 20-30 De glastuinbouw die ten zuiden van deze locatie ligt wordt herbestemd tot natuur (in het vigerende plan heeft het de bestemming glastuinbouw). De bestaande bedrijfswoning wordt omgezet in een gewone woning. Daarnaast komt er ruimte voor twee nieuwe woningen. De bodemkwaliteit is geschikt voor landbouw. Zonnepark Dit gebied wordt bestemd als recreatie conform de vigerende bestemming. Binnen dit gebied komt een gedeelte van 25 ha waar het toegestaan is een zonnepark te realiseren.
De overige 5 ha zullen recreatief blijven voor wandel-, fiets- en ruiterpaden, groenvoorzieningen en parkeerplaatsen (maximaal 20, halfverhard). Ter plaatse van het beoogde zonnepark is een slibdepot gevestigd geweest. Aan de zuidoostzįjde van het Nieuw Oranjekanaal bevindt zich een voormalige zandwinput, welke daarna is gebruikt voor stort van verontreinigde bagger. In de periode 2005-2014 is een leeflaag met een dikte van 1,5 tot 4,3 m aangebracht. Uit bodemonderzoeken na 2014 is gebleken dat de bovenste meter (leeflaag) van de bodem een zekere mate van verontreiniging heeft met lokaal stukken puin, plastic en gebonden asbestdeelţjes. Deze asbestdeeltjes bevinden zich binnen de geldende norm van de Circulaire bodemsanering (2013).
80
WA
voormalige zandwinput, baggerstort situatie 2009
baggerstort met leeflaag situatie 2014
Figuur 7.2 Baggerstort zonder (2009) en met leeflaag (2014) Op de voormalige stortlocatie wordt een zonnepark gerealiseerd. Een ideale plaats omdat deze voor veel andere functies minder geschikt is. Uitgangspunt is om eneizijds een maximum aan oppervlak van de voormalige slibstortplaats te benutten voor zonnepanelen en anderzijds een goede inpassing in de omgeving te realiseren. Om het park worden recreatievoorzieningen aangebracht. Het daadwerkelijk realiseren en exploiteren van het zonnepark zal worden overgelaten aan een marktpartij. Hierbij dient de marktpartij rekening te houden met de randvoorwaarden die gelden voor werken ter plaatse van de voormalige stortlocatie. Randvoorwaarden hebben onder meer betrekking op maatregelen om de leeflaag zoveel mogelijk in stand te houden en het regelmatig schouwen van het maaiveld op nog mogelijke aanwezigheid van stukjes asbest. Voor het recreatieve terreindeel dient de grond zoveel mogelijk gebonden, maar ook waterdoorlatend te blijven. Een goed herstellende grasmat kan hierin voorzien. Ook hiervoor geldt dat ter plaatse van de baggerspedeleeflaag het regelmatig schouwen van het maaiveld op nog mogelijke aanwezigheid van stukjes asbest wenselijk is. Voedselbos en outdooractiviteiten Hier komen verschillende functies, waaronder een voedselbos en verblijfsrecreatieve voorzieningen.
Hier wordt mogelijk een ontvangstgebouw gerealiseerd en sanitaire voorzieningen. De huidige bestemming van deze locatie is recreatie, waarbinnen bebouwing beperkt mogelijk is. Op basis van historisch bodemonderzoek is de locatie deels onverdacht. Mogelijk is in het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. Polderhaakweq 15 De op deze locatie staande kassen worden gesaneerd. De bedrijfswoning blijft behouden en wordt in het nieuwe bestemmingsplan als woning bestemd. Tevens maakt het nieuwe bestemmingsplan het mogelijk om vijf nieuwe woningen te realiseren. Volgens het vigerende bestemmingsplan heeft dit gebied de bestemming agrarisch, waarbij de bouw van kassen is toegestaan. Op basis van historisch bodemonderzoek is de locatie deels onverdacht. Mogelijk is in het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. Haakwea 40
Op deze locatie is in het verleden verharding gerealiseerd die niet mogelijk was in het vigerende bestemmingsplan. In het nieuwe bestemmingsplan wordt deze verharding gelegaliseerd met de verplichting aan de eigenaar om watercompensatie op eigen terrein te realiseren. De huidige bodemkwaliteit 'landbouw' volstaat voor de beoogde situatie. 7.7.2
Conclusie
De bodemkwaliteit volstaat voor de realisering van de beoogde ontwikkelingen.
81
7.8
Niet gesprongen explosieven
Op basis van de gemeentelijke bommenkaart zijn delen van het plangebied gelegen in verdacht gebied (figuur 7.3).
Figuur 7.3 Uitsnede bommenkaart met globale ligging plangebied Oranjebonnen (bron: Bommenkaart gemeente Rotterdam) Bij bijvoorbeeld graafwerkzaamheden in verdacht gebied moet een initiatiefnemer dat vooraf aan de gemeente laten weten door een controle verzoek explosieven in te dienen. De gemeente is verantwoordelijk voor het opsporen en ruimen van niet gesprongen explosieven.
7.9
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie in artikel 6.21 van haar Omgevingsverordening Ruimte een veiligheidszone vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. De zone is 40 m bij zeeschepen en 25 m voor binnenvaartschepen. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
82
In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Door het Ingenieursbureau van de gemeente Rotterdam is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Het onderzoek met projectcode 2017-0003 (30 april 2020) is bijgevoegd in bijlage 9. Voor het uitgebreide toetsingskader en de beoordeling van het aspect externe veiligheid verwijzen wij naar dit onderzoek. De resultaten van dit onderzoek externe veiligheid zijn hieronder samengevat.
7.9.1
Transport gevaarlijke stoffen
Bestemmingen waar gevaarlijke stoffen naar kunnen worden vervoerd, zijn: » »
Stena Line; Synres.
De routes die relevant zijn voor dit bestemmingsplan en waar mogelijk gevaarlijke stoffen over kunnen worden vervoerd, zijn: » *
de rijksweg A20; de N223 ook wel Hoeksebaan genoemd, na de realisatie van het laatste stuk H6-weg tot het station Hoek van Holland Haven (2019 en later)
De rijksweg A20 ligt op een afstand van minimaal 1.500 m van het bestemmingsplangebied. Het transport van gevaarlijke stoffen is daarom niet relevant voor het bestemmingsplan. De hoeveelheden gevaarlijke stoffen die worden vervoerd over binnenstedelijke weg (H6-weg) zijn in de worst case gelijk aan het transport via wegvak z122 van de A20 (afrit N220/N223). Lpg (categorie GF3) voor het tankstation aan de Dirk van den Burgweg mag echter niet over de Haakweg of HoeksebaanZH6-weg worden vervoerd, maar wordt bevoorraad via de N220 (Heenweg). De hoeveelheid gevaarlijke stoffen die naar Synres en Stena Line worden vervoerd, is niet bekend en de Hoeksebaan/Hö-weg is niet opgenomen in het Basisnet, zodat daar geen risicoberekeningen voor kunnen worden gemaakt. Aangezien de ontwikkelingen die in de directe nabijheid van de Hoeksebaan worden mogelijk gemaakt beperkt zijn, aan de westzijde (Bonnenweg) op minimaal 800 m afstand liggen van de Hoeksebaan, en aan de oostzijde aan de andere kant van het Nieuw Oranjekanaal op minimaal 200 m afstand liggen, zijn de risico's van transport verwaarloosbaar. Het doorgaande transport over de Nieuwe Waterweg is van belang. Vanuit de monding van de Nieuwe Waterweg tot aan de Waalhaven (Raai 1004) vindt transport met zowel zeeschepen als binnenvaartschepen plaats. Het plangebied ligt buiten de veiligheidszone van 40 m afstand tot de kade.
Nieuwe ontwikkelingen zijn gelegen buiten de zone van 200 m afstand tot de kade, er hoeft daarom geen verantwoording van het GR plaats te vinden in relatie tot deze risicobron.
7.9.2
Leidingen
Er lopen vier aardgasleidingen van de NAM door het plangebied. De status van deze leidingen (wel/niet in gebruik) was bij aanvang van het onderzoek onzeker. Om deze reden is contact opgenomen met de NAM. De NAM heeft desgevraagd het volgende aangegeven: » PGL 411008 en 411042: status reserveleidingen, niet in gebruik geweest; « PGL 411017: voormalige condensaat leiding, nu geconserveerd (dat wil zeggen niet meer in gebruik); * PGL 411043: aardgasleiding van de NAM, nog in gebruik. De leidingen 411008, 411017 en 411042 hebben geen risicocontour en geen GR. De leiding 411043 heeft een PR lO^-contour die deels buiten de leiding ligt. Op alle vier leidingen zijn de voorschriften volgens het Bevb van toepassing: er geldt een belemmeringenstrook van 5 m aan weerszijden van het
83
hart van de leiding. De aardgasleiding 411043 van de NAM ligt noordelijk langs de Bonnenweg en aan de noordzijde van de Oranjebuitenpolder op de gemeentegrens. De PRIQ^-contour ligt op variërende afstand van het hart van de buisleiding, tot maximaal 130 m, op een aantal locaties binnen het bestemmingsplangebied. De buisleiding heeft een invloedsgebied (1%-letaliteit) van 180 m aan weerszijden van het tracé. Het invloedsgebied valt binnen het bestemmingsplangebied. Binnen het invloedsgebied worden voor externe veiligheid relevante ontwikkelingen mogelijk gemaakt, waarbij getoetst wordt aan de PR lO^-contouren en het GR, dit zijn: * Bonnenweg 50; * Bonnenweg 30; * outdooractiviteiten en voedselbos/minicamping met horecagelegenheid. Plaatsgebonden risico In figuur 7.4 is de gasleiding 411043 van de NAM, die dwars door het bestemmingsplangebied loopt, met een rode stippellijn weergegeven. In de figuur zijn de plaatselijke PR 10^-contouren van deze leiding met een zwarte stippellijn weergegeven. " Risicokaart.nl Basss Registratie roocarañe
v.
VV\, Aardgasleiding 411043
V' X XXX
Vx XX-X
x Skxrdiŕ.rdifcr
Figuur 7.4 Ligging gasleiding 411043 Huidige situatie
In de Bonnenpolder liggen bestaande woningen binnen de PR lO^-contour, dit zijn Bonnenweg 30 (één bedrijfswoning) en Bonnenweg 50 (hoeve Rijckevorsel met één bedrijfswoning). Omdat het solitair liggende woningen betreffen, zijn dit in de huidige situatie geen kwetsbare bestemmingen maar beperkt kwetsbare bestemmingen, waarvan het toegestaan is dat deze woningen binnen de PR lO^-contour liggen. Het zijn dus geen saneringssituaties. Toekomstige situatie In de plansituatie komen 2 nieuwe woningen naast de bestaande woning (die planologisch getransformeerd wordt tot een burgerwoning) aan de Bonnenweg 30. Er zouden dus 3 woningen op een rijtje komen te liggen, wat betekent dat dit leidt tot meer dan 2 woningen per hectare en dus tot kwetsbare bestemmingen wat in strijd zou zijn met de wet- en regelgeving (Bevb). Om de nieuwe woningen toch mogelijk te maken, is met de NAM algesproken dat hier de maatregel Strikte
84
Begeleiding aan het graafregime (Klic-melding) zal worden toegevoegd. De afspraken met de NAM zijn bevestigd in een brief die is toegevoegd in bijlage 10. Deze maatregel houdt in dat alleen onder permanent toezicht van de NAM werkzaamheden mogen worden verricht in de omgeving van de leiding. Dit bijzondere toezicht zorgt ervoor dat het graafrisico kleiner wordt en (volgens berekeningen van de NAM) daardoor de PR 10-6-contour ter plekke waar de maatregel geldt, op de leiding komt te liggen en daarmee de belemmering voor het bouwen van de woningen wordt weggenomen. Aan de Bonnenweg 50 (hoeve Rijckevorsel) worden binnen de PR 10"6-contour functies (landwinkel, horeca) toegevoegd, waardoor een beperkt kwetsbare bestemming ontstaat (minder dan 50 personen aanwezig). In de Oranjebuitenpolder belemmert de PR 10"6-contour de ontwikkeling nr. 5 (outdooractiviteiten/voedselbos/minicamping met bijhorende horeca). Dit is een kwetsbare bestemming doordat de mogelijkheid wordt gecreëerd voor aanwezigheid van meer dan 50 personen. Deze kan alleen worden gerealiseerd door ook hier de maatregel Strikte Begeleiding toe te passen. Groepsrisico Huidige situatie Voor de aardgasleiding 41103 zijn met het rekenprogramma CAROLA GR-berekeningen (QRA's) uitgevoerd die zijn opgenomen in bijlage 11. Hiervoor is eerst gerekend met het normale, bestaande leidingregime.
De gegevens van de aanwezigen zijn ontleend aan de BAG- populatieservice. Uit de GR-berekening blijkt dat de oriëntatiewaarde in de huidige ruimtelijke situatie niet wordt overschreden. Het hoogste GR per kilometer leiding in het plangebied is berekend op kleiner dan van de oriëntatiewaarde. Vervolgens is door de NAM een leidingbestand afgegeven waarbij rekening is gehouden met de maatregel Stricte Begeleiding. Uit de nieuwe GR-berekening voor de huidige ruimtelijke situatie blijkt dat de oriëntatiewaarde in de huidige situatie niet wordt overschreden. Het hoogste GR per kilometer leiding in het plangebied is nu ook weer berekend op kleiner dan d Vo van de oriëntatiewaarde (ns33, f=4,24x10-8). Toekomstige situatie Om het effect van de ontwikkelingen, die zich binnen het invloedsgebied van de leiding 411043 bevinden, in beeld te brengen is voor de situatie Stricte Begeleiding een nieuwe GR-berekening gemaakt (zie ook bijlage 11). Uit de berekening blijkt dat het GR in de plansituatie minimaal is toegenomen ten opzichte van de huidige ruimtelijke omgeving plan. Het hoogste GR per kilometer leiding in het plangebied is nu ook weer kleiner dan cľ/o van de oriëntatiewaarde ^25, f=9,11 x 10-8).
Belemmerìngenstrook De ontwikkelingen die binnen het invloedsgebied van de leiding 411017 vallen, maar niet relevant zijn voor toetsing aan de PR lO^-contour en het GR, zijn de ontwikkelingen die vallen onder nr. 7 (Maatregelen waterkwaliteit en watercompensatie). De reden hiervoor is dat het geen verblijfsfuncties zijn. Wel is van belang dat bij het ontwerp en de aanleg rekening wordt gehouden met de belemmeringsstrook van 5 m aan weerszijden van deze leiding. Dit geldt zowel voor het verbod om nieuw oppervlaktewater te maken binnen deze strook, als voor het verbod om binnen deze strook werkzaamheden te verrichten. Andere leidingen van de NAM (411008, 411042 en 411017) liggen voor een deel van hun tracé binnen de ontwikkeling nr. 4b. (Oranjeheuvel, recreatie), de leidingen volgen in de Oranjebuitenpolder voor een groot deel het tracé van de leiding 411043. Ook hiervoor geldt een belemmerìngenstrook van 5 m aan weerszijden van het hart van de leiding. De voorschriften waaraan werkzaamheden binnen de belemmerìngenstrook van leidingen moeten voldoen, zijn opgenomen in de 'Algemene VELIN-voorwaarden voor grondroer- en overige activiteiten' (versie september 2019). Het ontwerp en de uitvoering van de in- en uitrit van het voedselbos dient te worden afgestemd met de NAM aangezien deze over de ondergrondse leiding 411043 is geprojecteerd.
Vanwege de diepe ligging ter plaatse van de beoogde in- en uitrit zijn vooralsnog geen beschermende maatregelen (overkluizing) nodig. Het regime Strikte Begeleiding zal wel gaan gelden. Aanbevolen wordt om als het ontwerp van ontwikkeling nr. 7 (Maatregelen waterkwaliteit en watercompensatie) wordt gemaakt, met de NAM af te stemmen dat de verbreding van De Rel en de
85
aanleg van de natuurvriendelijke oevers niet plaatsvindt binnen de belemmeringenstrook.
7.9.3
Inrichtingen
Er zijn geen inrichtingen met een PR 10 6-contour over het plangebied. Van de onderstaande inrichtingen reikt het invloedsgebied over het plangebied: 1.
2. 3. 4. 5.
Synres en Stena Line Resins: enkele ontwikkellocaties zijn gelegen binnen het invloedsgebied van deze bedrijven. Het groepsrisico is kleiner dan 0,3 maal de oriënterende waarde en neemt door dit plan niet significant toe; Gunvor Petroleum Rotterdam (v/h KPE); Broekman logistics; OCI Terminal Europoort; Team Terminal.
De bijdrage van het bestemmingsplan aan de groepsrisco's van de inrichtingen genoemd onder 2 t/m 5 is gering, omdat de afstanden groot zijn en de ontwikkelingen te weinig aanwezigen kennen om een rekenkundige bijdrage te geven aan de groepsrisico's. Windturbines windpark Nieuwe Waterweg Volgens het Handboek Risicozonering Windturbines (versie 3.1) gelden voor een windturbine voor de vermogensklasse IEC 2 met een vermogen van 3 MW en een ashoogte van 120 m, veiligheidscontouren voor PR lO^/jaar en PR 10'5Zjaar met een afstand van 216 m voor PR lO^/jaar en een afstand van 60 m voor PR 10'5Zjaar. Binnen deze afstanden bevindt zich één verblijfsobject, een nutsgebouwtje, op 60 m afstand. De kleinste afstand van een windturbine tot het bestemmingsplangebied is 100 m. Dit betekent dat binnen een afstand van 216 m in het plangebied ten noorden van de spoorlijn alleen beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan. De beoogde ontwikkelingen vinden niet plaats binnen 216 m van het plangebied. In het overlappingsgebied van PR 10'6Zjaar van de windturbines met het plangebied vinden geen kwetsbare ontwikkelingen plaats. Derhalve geldt dat de windturbines geen beperking vormen voor het bestemmingsplan. Er vindt conform het Beleidskader externe veiligheid windenergie geen toetsing plaats op GR.
7.9.4
Verantwoording groepsrisico
De groepsrisico's als gevolg van risicobronnen in en buiten het plangebied nemen, gezien de zeer geringe hoeveelheid extra aanwezigen door de ontwikkelingen in dit plangebied niet toe. De groepsrisico's van de bedrijven in Hoek van Holland blijven onder 30oZo van de oriënterende waarde. De ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt liggen te ver van bedrijven in de Europoort om van invloed te zijn op de groepsrisico's van deze bedrijven. Het GR van de aardgasleiding is kleiner dan 10A van de oriëntatiewaarde en neemt door de ontwikkelingen niet toe. Hiermee is een categorie 'lichte' verantwoording aan de orde. De zelfredzaamheid van de aanwezigen in het gebied is, gelet op de aard van de verblijfsfuncties en de bestaande verkeersinfrastructuur, groot. Het GR geeft geen beperkingen voor de ruimtelijke ontwikkelingen in dit bestemmingplan. Hiermee is het GR volgens het bestuur van Rotterdam verantwoord. De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond heeft voor dit bestemmingsplan het volgende advies gegeven. Dit advies is toegevoegd aan het onderzoek externe veiligheid (bijlage 9). De VRR kan zich vinden in de beschreven bepalingen zoals gesteld op pagina 10 en artikel 6.21 op pagina 15 van het document'Oranjebonnen Toelichting OBP 20191015'. De VRR kan zich vinden in de maatregel 'Strikte Begeleiding' zoals vermeld in het externe veiligheidsrapport.
Deze maatregel beschrijft dat wanneer er graafwerkzaamheden in de buurt van de hogedruk aardgastransportleiding (NM-411043) plaatsvinden er permanent toezicht wordt gehouden door de NAM. Nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten (zoals bedoeld in artikel 1 van het Bevi) binnen de 10Zo letaliteitscontour van de hogedruk aardgastransportleiding W-521 (15 m vanuit het hart van de leiding) zodanig te construeren dat aanwezigen bij een (dreigende) fakkelbrand goede ontvluchtingsmogelijkheden hebben. Voor het ontvluchten van de voorziene objecten is het wenselijk
86
minimaal één (nood)uitgang van de risicobron af te richten en in voldoende mate aan te laten sluiten op de infrastructuur van de omgeving. Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne 'Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand'. Doorgaans is schuilen in een gebouw de beste optie; sluit ramen en deuren, schakel het ventilatiesysteem af, blijf weg bij ramen en schuil bij voorkeur in dat deel van het gebouw dat zo ver mogelijk van het incident af is gelegen. Op de website www.rijnmondveilig.nl vindt u meer informatie over wat te doen ingeval van een incident. Met het oog op de ontvluchtingsmogelijkheden ter plaatse van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten is een regeling opgenomen in de betreffende bestemmingen. Het advies ten aanzien van voorlichting en constructie wordt ter harte genomen.
7.9.5
Conclusie
Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de gevaarlijke inrichtingen Synres en Stena Line, Gunvor Petroleum Rotterdam (v/h KPE), Broekman logistics , OCI Terminal Europoort en Team Terminal. De bijdrage van het bestemmingsplan aan de groepsrisco's van de genoemde inrichtingen is gering, omdat de afstanden groot zijn en de ontwikkelingen te gering in aantal aanwezigen zijn om een rekenkundige bijdrage te geven aan de groepsrisico's. Ten aanzien van de windturbines van windpark Nieuwe Waterweg vormt het PR geen belemmering voor het plan, omdat geen ontwikkelingen plaatsvinden binnen de PR lO^-contouren. Het GR is geen beoordelingskader voor windturbines. Vanwege de ligging binnen de invloedsgebieden van vijf inrichtingen is een beknopte verantwoording van het GR noodzakelijk, waarin aandacht besteed dient te worden aan de zelfredzaamheid, bestrijd baarheid en bereikbaarheid. Binnen het invloedsgebied van de hoge druk aardgasleiding 411043 van de NAM worden voor externe veiligheid relevante ontwikkelingen mogelijk gemaakt, waarbij getoetst wordt aan de PR lO^-contouren en het GR. Deze ontwikkelingen zijn: » » *
Bonnenweg 50 Bonnenweg 30; outdooractiviteiten met voedselbos.
Deze ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt doordat de NAM de maatregel Strikte Begeleiding heeft genomen, waardoor de PR lO^-contour afwezig is of buiten de ontwikkellocatie blijft. Deze maatregel is geborgd in een brief van 17 maart 2020 van de NAM aan de gemeente Rotterdam. Geadviseerd wordt om nieuwe (beperkt) kwetsbare functies indien mogelijk buiten de ľ/o letaliteitscontour te projecteren. Het GR van de gaslei ding neemt door de ontwikkelingen minimaal toe en ligt meer dan een factor 100 beneden de oriënterende waarde. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.
7.10 Boven- en ondergrondse infrastructuur Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones).
7.10.1 Kabels en leidingen Binnen het plangebied ligt de hoogspanningsverbinding Westerlee-Maasvlakte. De hoogspanningsverbinding heeft een indicatieve zone van 105 m aan weerszijden van de leiding. Binnen deze zone worden geen functies opgericht die specifiek zien op langdurig verblijf van kinderen. Tevens worden binnen deze zones geen nieuwe milieugevoelige functies opgericht. Voor de aardgasleidingen wordt verwezen naar paragraaf 7.9.2. Daarnaast zijn in het plangebied waterleidingen van Evides aanwezig en een rioolpersleiding van het Hoogheemraadschap van Delfland. Deze leidingen zijn op de verbeelding van het bestemmingsplan weergegeven met een dubbelbestemming (Leiding - Water respectievelijk Leiding - Riool) en in de regels is een bijbehorend artikel opgenomen ter bescherming van het leidingbelang.
87
Voor het overige zijn er geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig.
7.10.2 Luchtvaartvoorzieningen De Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) beheert technische installaties en systemen ten behoeve van de luchtverkeersbeveiliging. Een belangrijk deel hiervan betreft de apparatuur voor communicatie, navigatie en surveillance (cns). Cns-apparatuur wordt gebruikt om het radiocontact tussen de verkeersleiding en de piloten te onderhouden, navigatie in het naderingsgebied en en-route mogelijk te maken en de plaatsbepaling van vliegtuigen zeker te stellen. Deze technische installaties en systemen staan met name op en in de omgeving van luchthavens maar ook elders in het land. Alle cns-apparatuur maakt gebruik van radiogolven die uitgezonden en/of ontvangen worden door antennesystemen. Objecten, zowel vast (gebouwen, windmolens etc.) als mobiel (bouwkranen, heistellingen etc.) vormen potentieel een bedreiging voor de goede werking van de apparatuur omdat ze de uitgezonden radiosignalen kunnen verstoren. Verstoring van de apparatuur maakt de cns minder betrouwbaar of zelfs geheel onbruikbaar waardoor direct de veiligheid van het luchtverkeer wordt beïnvloed. Het is daarom in het belang van de veiligheid van de luchtvaart om de diverse systemen tegen verstorende objecten te beschermen. De cns-systemen kennen elk een eigen driedimensionaal toetsingsvlak ter bescherming.
De afmetingen van deze toetsingsvlakken zijn berekend op basis van internationale burgerluchtvaartcriteria. Onderdeel van het cns-systeem is VDF Maasland (VHF Directional Finder). Dit ligt buiten het plangebied, maar het bijbehorende toetsingsvlak reikt tot binnen het plangebied. De toetshoogte daarvan bedraagt 50,66 m. In het bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt of bouwmogelijkheden geboden die deze hoogtemaat overschrijden. De werking van het systeem wordt om die reden niet belemmerd. In het plan zijn om die reden ook geen nadere regels opgenomen met betrekking tot dit toetsingsgebied.
7.10.3 Conclusie Het aspect boven- en ondergrondse infrastructuur staat de beoogde ontwikkelingen niet in de weg.
7.11
Natuur
De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogel richtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen: « * » *
het behouden en ontwikkelen van natuur; het behouden en herstellen van de biodiversiteit; het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten; het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies.
De Wet natuurbescherming verwezenlijkt de bovenstaande doelen via actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming. Het begrip 'aanvaardbaar1 betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp)bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets).
Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna.
88
7.11.1 Plangebied Soortenbescherming Voor het onderhavige bestemmingsplan zijn verschillende natuurtoetsen uitgevoerd in de periode 2017-2020. De recente (in 2020 uitgevoerde) onderzoeken door de gemeente Rotterdam, Bureau Waardenburg en Koolstra Advies zijn bijgevoegd in bijlage 12, 13 en 14. Voor het uitgebreide toetsingskader en de beoordeling van soortenbescherming wordt verwezen naar deze onderzoeken. Op basis van de verschillende natuurtoetsen kunnen effecten niet uitgesloten worden voor: » * * « «
vogels met jaarrond beschermde nesten in gebouwen en bomen; vogels zonder jaarrond beschermde nesten; vleermuizen met verblijfsplaatsen in gebouwen en bomen; platte schijfhoren; steen marter.
Bij ingrepen die leiden tot het slopen van gebouwen, het kappen van bomen en struiken en het dempen van watergangen dient voorafgaand aan de ingreep onderzocht te worden of hier beschermde soorten aanwezig zijn. Als dit het geval is, dan dient overtreding van de Wet natuurbescherming te worden voorkomen, door bijvoorbeeld buiten het broedseizoen de werkzaamheden te verrichten. Bij zwaarbeschermde soorten dient in zo'n geval altijd een ontheffing te worden verkregen. Met inachtneming van de juiste mitigerende en compenserende maatregelen en het onderbouwen van het belang van de ingreep en het ontbreken van alternatieven mag in alle redelijkheid worden aangenomen dat de benodigde ontheffing dan zal worden verleend. Naast de wettelijke verbodsbepalingen kent de Wet natuurbescherming ook een algemene zorgplicht. Bij uitvoering van de ontwikkelingen die in het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, moet invulling worden gegeven aan deze zorgplicht, die ook ziet op soorten waarvoor een algemene vrijstelling geldt en voor niet-beschermde soorten. Met inachtneming van de bovenstaande voorwaarden staat de Wet natuurbescherming ten aanzien van het onderdeel soortenbescherming de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
Gebiedsbescherming Uit de door Koolstra Advies uitgevoerde natuurtoets (rapportnummer 2019-020-05, 3 april 2020, zie bijlage 14) blijkt het volgende. Natuumetwerk Nederland De natuurontwikkeling heeft geen nadelige invloed op het Natuumetwerk Nederland, binnen en nabij het plangebied gelegen. Natura 2000 In de voortoets (onderdeel van de door Koolstra Advies opgestelde natuurtoets) is geconcludeerd dat alle effecten op Natura 2000 inclusief stikstofdepositie en verstoring door geluid en optische verstoring op voorhand met zekerheid zijn uit te sluiten. De Wet natuurbescherming staat ten aanzien van het onderdeel gebiedsbescherming de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
7.11.2 Conclusie De Wet natuurbescherming en het provinciaal beleid ten aanzien van het Natuumetwerk staan de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
89
90
Hoofdstuk 8
Handhaving
In het geval van illegale bebouwing of gebruik, is dat in de meeste gevallen niet direct kenbaar voor de gemeente. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert vervolgens of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentelijk beleid wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik of bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.
91
92
Hoofdstuk 9
Financiële uitvoerbaarheid
Kostenverhaal Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de financiële haalbaarheid van het plan aangetoond te worden. Dit om te voorkomen dat recht gaat gelden dat niet realistisch blijkt te zijn. Op grond van artikel 6.12, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet vooreen bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld indien sprake is van een 'bouwplan'. Artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschrijft wat een 'bouwplan' is. De raad kan bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, wanneer: * »
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is (artikel 6.12 Wro); er geen kosten te verhalen zijn (artikel 6.2.1a Bro).
De 'grex-weť is erop gericht dat de overheid kosten kan verhalen die gemaakt worden naar aanleiding van een bouwplan. Indien er geen kosten gemaakt worden, hoeven deze ook niet verhaald te worden. In dit geval biedt het bestemmingsplan mogelijkheid aan een aantal nieuwe ontwikkelingen die als 'bouwplan' moeten worden aangemerkt. Voorde natuurontwikkeling in combinatie met natuurbegraven, de twee glassaneringslocaties met vervangende woningbouw en de ontwikkeling van het voedselbos met outdooractiviteiten worden de gemeentelijke kosten gedekt via het sluiten van een anterieure overeenkomst tussen de gemeente Rotterdam en de afzonderlijke initiatiefnemers. De gronden van het zonnepark zijn in eigendom bij de gemeente Rotterdam. Voor de ontwikkeling van het zonnepark wordt een grondexploitatie opgesteld. Hiermee is in het kader van de Wro het kostenverhaal verzekerd.
Gemeentelijke sturing In 2019 is door het Cluster Stadsontwikkeling van de Gemeente Rotterdam de ruimtelijke en programmatische invulling en financiële haalbaarheid van de plannen beoordeeld. Op basis van programmastudies, ruimtelijke schetsplannen en ramingen is de financiële haalbaarheid van de plannen getoetst. Bij deze toets is gekeken naar: « » *
beschikbaarheid van gronden en terreinen; programmatische mogelijkheden en wensen; civieltechnische aspecten van de ontwikkeling.
Uit deze toets is de conclusie getrokken dat de voorgestelde wijzigingen in het bestemmingsplan financieel ten minste neutraal te realiseren zijn. Om risico's tijdens de uitvoering te verminderen, en eventueel te kunnen bijsturen, kan gekozen worden voor een gefaseerde ontwikkeling van de locatie. Voorafgaand aan iedere fase zal gekeken worden in welke mate de oorspronkelijke (financiële en programmatische) uitgangspunten nog gelden en of planaanpassing noodzakelijk is. De gemeente zal bij deze fase-overgangen door de ontwikkelende partij geraadpleegd worden.
Conclusie Het kostenverhaal is verzekerd en het bestemmingsplan is financieel uitvoerbaar.
93
94
Hoofdstuk 10 10.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie
De gemeente Rotterdam heeft in 2013 met het ambitiedocument Oranjebonnen Hoek van Holland; transformatie naar een gemengd agrarisch en recreatief gebied 2013-2020 (maart 2013) haar ambities voor Oranjebonnen vastgelegd. Vervolgens heeft de gemeente deze ambities en doelen in samenwerking met reeks betrokken partijen, ondernemers en bewoners verder uitgewerkt in het Ontwikkelplan Transformatie naar een gemengd agrarisch en recreatief gebied 2015-2020 (10 mei 2016). In de aanloop naar een nieuw bestemmingsplan voor Oranjebonnen heeft de gemeente Rotterdam in 2016 in het gebied gevraagd met voorstellen te komen voor initiatieven. Dit heeft verschillende ideeën opgeleverd die kansrijk lijken. Op 13 februari 2017 is in het gebied een gebiedsmarkt georganiseerd. Voor die bijeenkomst zijn inwoners, grondeigenaren, pachters, ondernemers en overheden die in en naast Oranjebonnen wonen en werken uitgenodigd. Tijdens de gebiedsmarkt zijn de ideeën door de initiatiefnemers gepresenteerd. De stakeholders kregen de ruimte daarop te reflecteren en te zoeken naar versterkende verbindingen tussen de initiatieven. De initiatiefnemers hebben in vervolg op de gebiedsmarkt elk op hun eigen wijze verdere uitwerking gegeven aan hun plannen.
Natuurontwikkeling Initiatiefnemers Natuurbegraven Nederland B.V., Natuurmonumenten en Stichting Zuid-Hollands Landschap hebben voor het initiatief voor natuurontwikkeling met natuurbegraven in de periode september tot en met november 2017 (30 augustus 2017, 27 september 2017, 7 november 2017) verschillende avonden georganiseerd waarin ondernemers en bewoners wensen en ideeën hebben ingébracht. Ook de gemeenten Rotterdam, Maassluis en Westland, provincie Zuid-Holland en Hoogheemraadschap van Delfland zijn daarbij aanwezig geweest. Samen met West 8 hebben de initiatiefnemers alle belangen, wensen en ideeën samengevoegd tot het voorstel 'Plan Natuurontwikkeling in de Bonnenpolder' van 1 december 2017 dat zij aan de gemeente hebben aangeboden. Dit voorstel is in verschillende thema-avonden georganiseerd door de gebiedscommissie Hoek van Holland besproken. De gebiedscommissie en initiatiefnemers hebben bezoeken gebracht aan andere natuurbegraafplaatsen. Hiervoor zijn ook bewoners uitgenodigd en verscheidene bewoners hebben hiervan gebruikgemaakt. Ambtelijk en bestuurlijk zijn verschillende gesprekken gevoerd met bewoners die kritisch zijn over het initiatief. De gebiedscommissie heeft een meningspeiling in de vorm van een enquête uitgevoerd en heeft op grond daarvan geconstateerd dat een meerderheid van de bevolking tegen het deel natuurbegraven in het voorstel is.
Op 20 november 2018 heeft het college van B&W op basis van het plan en het gevolgde participatieproces, een principebesluit genomen: onder voorwaarden stemt zij in met de verdere uitwerking plan voor natuurontwikkeling met natuurbegraven en stemt zij in om het verder uitgewerkte plan op te nemen in het ontwerpbestemmingsplan Oranjebonnen. Het college heeft bij dit besluit de initiatiefnemers de opdracht gegeven om hun voorlopige voorkeurslocatie nogmaals tegen het licht te houden, waarbij vertrekpunt is dat het natuurbegraven zo min mogelijk 'zichtbaar' is, en zo min mogelijk overlast geeft voor omwonenden. Op 23 januari 2019 is er in de commissievergadering Bouwen, Wonen en Buitenruimte gesproken over de plannen van natuurontwikkeling met natuurbegraven in de Bonnenpolder. Diverse bewoners hebben tijdens deze commissievergadering gebruikgemaakt van het spreekrecht. In de daaropvolgende raadsvergadering zijn verschillende moties over het voorgenomen plan in stemming gebracht. Eén motie is aangenomen (geen nieuwe bebouwing in de Bonnenpolder) en wordt tegelijkertijd met het besluit ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan, naar de raad afgedaan.
Ontwerpbestemmingsplan en ontwerpateliers initiatieven Vanaf het voorjaar van 2019 is het ontwerpproces door de verschillende initiatieven voortgezet en is er tegelijkertijd gestart met de onderzoeken voor het op te stellen bestemmingsplan. Het ontwerpproces van de verschillende initiatieven heeft plaatsgevonden in twee rondes werkateliers waaraan bewoners en andere stakeholders hebben deelgenomen.
95
De initiatiefnemers van het plan natuurontwikkeling en natuurbegraven hebben op 4 april 2019 een ontwerpatelier georganiseerd voor geïnteresseerde bewoners, de gemeente en Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin is gekeken naarde mogelijkheden om natuurbegraven zo min mogelijk 'zichtbaar' te laten zijn. De gemeente Rotterdam heeft op 8 april 2019 een ontwerpatelier georganiseerd over de initiatieven zonnepark en recreatie, voedselbos en outdooractiviteiten voor geïnteresseerde bewoners en Hoogheemraadschap van Delfland. Samen met geïnteresseerde bewoners en andere overheden is in het ontwerpatelier inhoudelijk gewerkt aan uitwerking en verbetering van de plannen. De resultaten van de bovenstaande ontwerpateliers zijn op 17 april 2019 in een openbare inloopavond gepresenteerd aan eenieder die belangstelling had. Daaropvolgend heeft de gemeente Rotterdam op 21 mei 2019 een tweede ontwerpatelier georganiseerd voor de initiatieven zonnepark en recreatie, voedselbos en outdooractiviteiten voor geïnteresseerde bewoners en Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin is verder gewerkt aan de uitwerking van de ruimtelijk ontwerpen van de initiatieven in relatie tot de eerste versie van de op te stellen plankaart van het bestemmingsplan.
De initiatiefnemers van natuurontwikkeling en natuurbegraven hebben ook een vervolg ontwerpatelier georganiseerd op 27 mei 2019 voor geïnteresseerde bewoners, de gemeente en het Hoogheemraadschap. Hierin zijn de wijzigingen in het plan van natuurontwikkeling en natuurbegraven besproken. De resultaten van beide ontwerpateliers zijn door de gemeente Rotterdam in een openbare inloopavond op 18 juni 2019 gepresenteerd voor iedereen die belangstelling had voor de ruimtelijk ontwerpen van alle initiatieven en de concept bestemmingsplankaart. Tijdens bovenstaand participatieproces is de gebiedscommissie Hoek van Holland regelmatig op de hoogte gebracht van de stand van zaken. Leden van de raadscommissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte zijn op 26 juni 2019 op werkbezoek in Oranjebonnen geweest. Zo konden zij in het gebied zelf kennisnemen van de toelichting op de plannen natuurontwikkeling en natuurbegraven in de Bonnenpolder. Daarnaast hebben zij op locatie in de Oranjebuitenpolder een toelichting gekregen op de plannen voor een zonnepark, een voedselbos en outdooractiviteiten. Ook zijn de leden van de raadscommissie in gesprek gegaan met voor- en tegenstanders van het plan voor natuurontwikkeling met natuurbegraven.
Op 12 december 2019 is in de openbare vergadering van de gebiedscommissie Hoek van Holland een toelichting gegeven over de laatste stand van het opstellen van het ontwerpbestemmingsplan Oranjebonnen. De initiatiefnemers van de plannen voor natuurontwikkeling en natuurbegraven, zonnepark, voedselbos/outdooractiviteiten, maar ook de initiatieven voor watermaatregelen Hoogheemraadschap, slopen van twee kassen en bouwen van 2 woningen en slopen van een kas en bouwen van 7 woningen hebben hun plannen toegelicht. Ook was op panelen te zien hoe de initiatieven worden opgenomen op de concept plankaart van het ontwerpbestemmingsplan Oranjebonnen.
10.2 Vooroverleg In het kader van het vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is overleg gevoerd met diverse instanties. De ontvangen overlegreacties zijn samengevat en beantwoord in de Nota overlegreacties (zie bijlage Bijlage 15).
96
YYYYYY/Y/Y.
Rho ADVISEURS VOOR LEEFRUIMTE
bijlagen bij de Toelichting
98