CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb6411 Bijlage 1 behorende bij 21bb11873 - Ontwerpbestemmingsplan Oranjebonnen

Gemeenteraad 30 september 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 18.1 Het (herziene) voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Oranjebonnen’35.124 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Rotterdam

Y////////Y

Oranjebonnen bestemmingsplan

ADVISEURS VOOR LEEFRUIMTE mem*

J ■■y '

j-ŵ/' - į

:ļ

vA/ 1

? jV

Rotterdam Oranjebonnen

bestemmingsplan

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

NL.IMR0.0599.BP21040ranjebonnen-on01

25-05-2020

status:

ontwerp vastgesteld

projectnummer:

059900.20190128 projectleider:

mw. drs. G.M. Boiten-van Eek

aangesloten bij:ļ

'ŗ__įhIGEKI

1 BNSP

Delftseplein 27b postbus 150 3000 AD Rotterdam T: 010-20 18 555 E-mail: info@rho.nl

Rho ADVISEURS VŪÜR LEEFRUIMTE

© Rho Adviseurs bv Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1

Inleiding

7 7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Gekozen planopzet

8

1.3

Ligging en begrenzing

8

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

9

Beleid

11

2.1

Rijksbeleid

11

2.2

Provinciaal beleid

14

2.3

Regionaal beleid

19

2.4

Gemeentelijk beleid

19

Beschrijving van het plangebied

29

Huidig gebruik en landschap

29

3.2

Cultuurhistorie

32

3.3

Archeologie

35

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3 3.1

Hoofdstuk 4

Planbeschrijving

39

4.1

Inleiding

39

4.2

Opzet van het plan

39

4.3

Vergunde ontwikkelingen

39

4.4

Nieuwe ontwikkelingen

41

4.5

Juridische planbeschrijving

51

Water Verkeer

57 69

Plangebied Conclusie

69 71

Milieu

72

7.1

Inleiding

72

7.2

Milieueffectrapportage

72

7.3 7.4

Milieuzonering

72

Geur

75

7.5

Geluid

75

7.6 7.7

Luchtkwaliteit Bodem

78

7.8

Niet gesprongen explosieven

82

Hoofdstuk 5 Hoofdstuk 6 6.1 6.2

Hoofdstuk 7

79

7.9

Externe veiligheid

82

7.10

Boven- en ondergrondse infrastructuur

87

7.11

Natuur

88

Hoofdstuk 8 Handhaving Hoofdstuk 9 Financiële uitvoerbaarheid Hoofdstuk 10 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

91 93 95

10.1

Participatie

95

10.2

Vooroverleg

96

3

Bijlagen

97

Bijlage 1

Landschapsvisie Oranjebonnen

99

Bijlage 2

Inrichtings- en beheerplan Natuur in de Bonnen

101

Bijlage 3

Wateradvies

103

Bijlage 4

Waterhuishoudkundig plan Natuurinrichting Bonnenpolder

105

Bijlage 5

M .e. r.-beoo rdel ingsbesl u it

107

Bijlage 6

Geuronderzoek

109

Bijlage 7

Akoestisch onderzoek

111

Bijlage 8

Onderzoek luchtkwaliteit

113

Bijlage 9

Onderzoek externe veiligheid

115

Bijlage 10

Brief NAM Strikte Begeleiding

117

Bijlage 11

QRA's Strikte Begeleiding

119

Bijlage 12

Flora- en faunatoets

121

Bijlage 13

Natuurtoets natuurontwikkeling Bonnenpolder

123

Bijlage 14

Natuurtoets bestemmingsplan Oranjebonnen

125

Bijlage 15

Nota overleg

127

INLEIDENDE REGELS

129 131

Artikel 1

Begrippen

131

Artikel 2

Wijze van meten

136

BESTEMMINGSREGELS

137

Artikel 3

Agrarisch

137

Artikel 4

Agrarisch - Sierteelt

140

Artikel 5

Bedrijf

143

Artikel 6

Bedrijf - Windturbine

145

Artikel 7

Gemengd

146

Artikel 8

Groen

148

Artikel 9

Maatschappelijk

149

Artikel 10

Natuur

150

Artikel 11

Recreatie

152

Artikel 12

Tuin

155

Artikel 13

Verkeer

156

Artikel 14

Verkeer - Metro/sneltram

157

Artikel 15

Water

158

Artikel 16

Wonen -1

159

Artikel 17

Wonen - 2

161

Artikel 18

Wonen - 3

163

Artikel 19

Leiding - Gas

165

Artikel 20

Leiding - Hoogspanningsverbinding

167

Artikel 21

Leiding - Reservering

169

Artikel 22

Leiding - Riool

Artikel 23

Leiding - Water

170 172

Artikel 24

Waarde - Archeologie 1

174

Artikel 25

Waarde - Archeologie 2

176

Artikel 26

Waarde - Archeologie 3

178

Artikel 27

Waarde - Cultuurhistorie 1

180

Artikel 28

Waarde - Cultuurhistorie 2

182

Regels Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 2

4

Artikel 29

Hoofdstuk 3

Waterstaat - Waterkering

ALGEMENE REGELS

183

185

Artikel 30

Anti-dubbeltelregel

185

Artikel 31

Algemene bouwregels

186

Artikel 32

Algemene gebruiksregels

187

Artikel 33

Algemene aanduidingsregels

188

Artikel 34

Algemene afwijkingsregels

189

OVERGANGS-EN SLOTREGELS

191

Hoofdstuk 4

Artikel 35

Overgangsrecht

191

Artikel 36

Slotregel

192

Bijlagen

193

Bijlage 1

Parkeernormen

195

Bijlage 2

Lijst van bedrijfsactiviteiten

197

Bijlage 3

Landschapsvisie Oranjebonnen

199

Bijlage 4

Inrichtings- en beheerplan

201

Bijlage 5

Landschappelijke inpassing Bonnenweg 2

203

Bijlage 6

Landschappelijke inpassing Haakweg 40

205

Bijlage 7

Landschappelijke inpassing woningbouwlocatie Polderhaakweg

207

Bijlage 8

Landschappelijke inpassing woningbouwlocatie Bonnenweg

209

Bijlage 9

Landschappelijke inpassing zonnepark

211

Bijlage 10

Landschappelijke inpassing Outdoor - Voedselbos

213

Bijlagen

Ontwerpbesluit hogere grenswaarden

215

5

YYYYYY/Y/Y.

Rho ADVISEURS VOOR LEEFRUIMTE

Toelichting

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Voor u ligt het bestemmingsplan voor de Bonnenpolder en de Oranjebuitenpolder, samen de Oranjebonnen genoemd. Dit gebied vormt een bijzonder stuk open landschap tussen de verstedelijking en het kassengebied. Samen met het aangrenzende Staelduinse Bos vormt dit gebied een belangrijke schakel tussen Midden-Delfland en de kust. Voor dit gebied heeft de gemeente Rotterdam in 2013 het Ambitiedocument Oranjebonnen 2013-2020 vastgesteld in samenspraak met de stadsregio Rotterdam en de provincie Zuid-Holland. Daarin is de beleidskeuze gemaakt om in dit agrarische gebied ruimte te bieden voor natuurontwikkeling en recreatieve voorzieningen, waarbij ook wordt ingezet op het versterken van de beleving van het gebied door behoud en ontwikkeling van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Na dit Ambitiedocument is in 2016 het Ontwikkelplan Oranjebonnen vastgesteld. Dit document, dat onder andere met bewoners en gebruikers van het gebied en de Provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap van Delfland en de DCMR tot stand is gekomen, gaat nader in op de ontwikkel kansen van het gebied, milieuaspecten waar rekening mee gehouden dient te worden en een omschrijving van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Overigens is er naast het bieden van ruimte voor nieuwe ontwikkelingen nog een tweede aanleiding om dit nieuwe bestemmingsplan op te stellen.

Die bestaat uit het feit dat het vigerende bestemmingsplan, dat voor het overgrote deel van dit gebied geldt, inmiddels zo'n 30jaar oud is. Met dit nieuwe bestemmingsplan kan, nog los van het bieden van ruimte voor nieuwe ontwikkelingen, weer worden aangesloten bij de actuele situatie, actueel beleid en actuele wet- en regelgeving. Gelet op het bovenstaande is dit bestemmingsplan enerzijds de afronding van het gemeentelijke voorbereidingstraject, door naast uiteenlopende bestaande functies ook nieuwe ontwikkelingen op het gebied van natuur, recreatie, cultuur en landschap juridisch-planologisch mogelijk te maken. Tegelijkertijd is het bestemmingsplan juist het vertrekpunt voor de afzonderlijke ontwikkelende partijen om de verschillende ontwikkelingen daadwerkelijk ten uitvoer te kunnen brengen.

TT-**--

gżyĵ.

ľfSm

urn* sēä

Figuur 1.1

Impressie Oranjebonnen

7

1.2

Gekozen planopzet

De opzet van dit plan is gebaseerd op drie pijlers, te weten de vigerende bestemmingsplannen voor het gebied, het Ontwikkelplan Oranjebonnen uit 2016 en de Landschapsvisie Oranjebonnen. De Landschapsvisie Oranjebonnen is in de vorige paragraaf nog niet genoemd en is een document dat parallel aan dit bestemmingsplan is opgesteld. Het overstijgt het niveau van de afzonderlijke ontwikkelingen in het gebied en legt de aandacht juist bij de kenmerkende kwaliteiten en structuren van het gebied. Kort gezegd kunnen nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan als ze én aansluiten bij het Ontwikkelplan voor de Oranjebonnen én de kwaliteiten en structuren uit de Landschapsvisie niet schaden. Het Ontwikkelplan Oranjebonnen is vooral bepalend voor de nieuwe ontwikkelingen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. In de praktijk is het zo dat, mede naar aanleiding van dat Ontwikkelplan, zich diverse initiatieven hebben aangediend die aansluiten bij het streven van het Ontwikkelplan naar een gemengd gebied met ruimte voor natuur en recreatie. Dat wil overigens nog niet zeggen dat deze initiatieven ook allemaal rijp genoeg zijn om in dit bestemmingsplan mogelijk te maken. Zo moet het initiatief voldoende concreet zijn en bovendien moet de haalbaarheid aangetoond zijn door middel van (milieu)onderzoeken.

De ontwikkelingen die op basis van die criteria rijp genoeg zijn, zijn in dit bestemmingsplan opgenomen. Daar waar geen ontwikkelingen beoogd worden, of waar ze in dit stadium in ieder geval nog onvoldoende concreet zijn, worden de bestaande functies vastgelegd. Hiervoor dienen de vigerende bestemmingsplannen als basis.

1.3

Ligging en begrenzing

Het plangebied beslaat, zoals gezegd, de Bonnenpolder en de Oranjebuitenpolder. De begrenzing van het plangebied is weergegeven in figuur 1.2. Ook een gebied aan de zuidzijde van de Hoekse Lijn, direct langs de Nieuwe Waterweg, maakt onderdeel uit van het plangebied. Het plangebied dat daarmee ontstaat, ligt ingesloten tussen de kassen van het Westland rondom Maasdijk, de woonbebouwing van Maassluis, het kassengebied langs de Haakweg en de Dwarshaak en tot slot het Staelduinse Bos.

ľ

'Í4- - S-•1U

Ěn.Ķ.Jĩ..-":

s^

' - st

ėft

û Z

:

Figuur 1.2 Ligging plangebied

8

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

Dit bestemmingsplan vervangt de verschillende bestemmingsplannen uit het plangebied. Dit betreft: » » » » * »

bestemmingsplan Hoek van Holland buitengebied-oost 1979 (vastgesteld 03-05-1979); bestemmingsplan Hoek van Holland Buitengebied Noord en Oost II (vastgesteld 03-04-1986); bestemmingsplan Oranjebonnen (fase 1) (vastgesteld 27-06-2013); bestemmingsplan Tweede ontsluitingsweg Hoek van Holland (vastgesteld 13-03-2008); parapluherziening biologische veiligheid (vastgesteld 14-06-2018); Parapluherziening parkeernormering Rotterdam (vastgesteld 14-12-2017).

g

10

Hoofdstuk 2

Beleid

2.1

Rijksbeleid

2.1.1

Nationale Omgevingsvisie

Ontwerp gepubliceerd t/m september 2019, verwachte vaststelling voor de zomer van 2020 De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op Rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen we in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving,bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijk de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur. In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Het Rijk zet zich in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2.

Duurzaam economisch groeipotentieel

Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Dit vraagt goede verbindingen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met onze internationale partners, zowel met onze directe buren als met andere landen in Europa en over de wereld, ook op defensieterrein. We zetten in op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. We zetten in op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen, zodat we niet langer afhankelijk zijn van eindige, fossiele bronnen. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk willen we de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren.

Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen. Daarbij hoort een uitstekende bereikbaarheid en toegankelijkheid, ook voor mensen met een handicap. We zorgen dat de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid verder toeneemt. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. Niet alleen groei heeft onze aandacht. Ook in gebieden met bevolkingsdaling versterken we de vitaliteit en leefbaarheid. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Dit levert ook een noodzakelijke positieve bijdrage aan het verbeteren van de biodiversiteit. Bodemdaling moet worden aangepakt. Verhoging van het waterpeil is in bepaalde veenweidegebieden op termijn noodzakelijk. Met de

11

betrokken regio’s en gebruikers wordt afgesproken waar en hoe dit zorgvuldig zal gebeuren. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-winsituaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.

2.

3.

combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Toetsing Dit bestemmingsplan zet in op een functionele verbreding van de Oranjebonnen door in het gebied meer ruimte te bieden aan natuur en recreatieve functies. Hiermee wordt ingezet op een duurzame toekomst voor dit gebied, waarbij geldt dat de richting daarvan tot stand is gekomen door middel van overleg met de stakeholders in het gebied. Deze ontwikkeling sluit aan bij de NOVI doordat sprake is van een combinatie van functies wat het draagvlak voor het geheel groter maakt en tegelijkertijd leidt een rigide scheiding en daarmee extra ruimtebeslag voorkomt. Tegelijkertijd draagt de ontwikkeling bij aan een duurzame toekomst voor dit stuk buitengebied, waarmee ook het risico van verrommeling of verstedelijking beperkt wordt. Ook streeft het bestemmingsplan de bescherming en het herstel van kenmerkende waarden en kwaliteiten van het gebied na. Tot slot voorziet het plan eveneens in een ontwikkeling op het gebied van duurzame energie, wat eveneens tot uiting komt in de NOVI. Conclusie Gelet op het bovenstaande is dit bestemmingsplan in lijn met de NOVI.

2.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In werking getreden op 30 november 2011, laatste gewijzigd per 1 januari 2018 Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridisch bindende vertaling van de Omgevingsvisie naar lagere overheden. Onder de vlag van de Omgevingswet wordt dit Besluit vervangen door zogenoemde instructieregels, maar vooralsnog geldt het Barro. Hiermee wordt de visie, waarmee op Rijksniveau een toekomstperspectief wordt geschetst, vertaald in bindende regels waar lagere overheden zich bij het opstellen en vergunnen van plannen aan te houden hebben. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn Rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk en buisleidingen van nationaal belang. Toetsing Uit het Barro zijn de volgende bepalingen relevant voor dit bestemmingsplan. Artikel 2.1.2 Vrìjwaringszone Rijksvaarweg Dit artikel bepaalt dat bij nieuwe planologische ruimte in een bestemmingsplan, voor zover gelegen binnen de vrìjwaringszone van Rijksvaarwegen, rekening wordt gehouden met het voorkomen van belemmeringen voor (in algemene zin) de scheepvaart en de Rijksvaarweg. De Nieuwe Waterweg, die onderdeel uitmaakt van het plangebied, is een Rijksvaarweg en kent een vrìjwaringszone van 25 m aan weerszijden van het waterlichaam.

12

Binnen deze zone maakt het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Artikel 2.8.6 en 2.8.7 Hoogspanningsverbinding Artikel 2.8.7 van het Barro bepaalt dat hoogspanningsverbindingen, die in artikel 2.8.6 van het Barro zijn genoemd, in het bestemmingsplan worden opgenomen en dat het plan ter plaatse deze verbinding toestaat. Door het plangebied van dit bestemmingsplan loopt de hoogspanningsverbinding Maasvlakte-Westerlee. De verbinding is in de regels en op de verbeelding van dit plan vastgelegd en daarmee toegestaan. Tevens zijn met de daarvoor bedoelde dubbelbestemming andere functies en bouwwerken aan de voorwaarde gebonden dat daarmee het belang van de hoogspanningsverbinding niet belemmerd wordt. Artikel 2.10 Natuumetwerk Nederland Dit artikel bepaalt dat de provincies verantwoordelijk zijn voor de aanwijzing en bescherming van het Natuumetwerk Nederland. In het plangebied zijn onderdelen van het NNN aanwezig. Gelet op de rolverdeling en provinciale bevoegdheid, komt dit onderwerp nader aan bod bij de behandeling van het provinciale beleidskader in paragraaf 2.2. Conclusie Gelet op het bovenstaande is dit bestemmingsplan in lijn met het Barro.

2.1.3

Besluit ruimtelijke ordening

In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017 Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt regels aan het opstellen van bestemmingsplannen en mogelijkheden en onmogelijkheden die daarbij van toepassing zijn. Een specifiek bepaling die doorwerking heeft op de fysieke ontwikkeling zelf, voor zover dit aan de orde is, betreft de bepaling in het kader van de Ladder van duurzame verstedelijking. Deze is opgenomen in artikel 3.1.6 sub 2 van het Bro en luidt als volgt. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Met deze bepaling wordt gestuurd op zorgvuldig ruimtegebruik. In het Bro is tevens gedefinieerd wat verstaan wordt onder een stedelijke ontwikkeling, dit betreft een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Toetsing De Ladder van duurzame verstedelijking, zoals hierboven aangehaald, is uitsluitend van toepassing op stedelijke ontwikkelingen.

De vraag die daarom centraal staat is de vraag of dit bestemmingsplan één of meer stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt. Op gebiedsniveau geldt dat het om een samenhangende gebiedsontwikkeling gaat van een agrarisch buitengebied naar een gemengd gebied waar naast agrarische activiteiten ook ruimte is voor natuur en recreatie, gecombineerd met behoud en herstel van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Tot zover is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Onder de vlag van deze overkoepelende gebiedsontwikkeling, maakt dit bestemmingsplan ook diverse, concrete ontwikkelingen mogelijk die bijdragen aan die gebiedsontwikkeling. Een specifiek overzicht daarvan is opgenomen in paragraaf 4.4. Voor de meeste van deze ontwikkelingen is duidelijk dat het geen stedelijke ontwikkeling betreft. Voor de natuurbegraafplaats, de verschillende compensatiewoningen en het zonnepark wordt op deze plaats onderbouwd dat ook in die gevallen geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

13

Natuurbegraafplaats Ook voor een natuurbegraafplaats geldt dat dit niet als stedelijke ontwikkeling valt aan te merken. Met name het kenmerkende aspect dat deze functie afhankelijk is van de aanwezigheid ofwel de realisatie van natuur, maakt dat dergelijke begraafplaatsen overwegend buiten het bestaand stedelijk gebied gesitueerd zullen worden. Over de vraag of een natuurbegraafplaats al dan niet een stedelijke ontwikkeling is, is ook een uitspraak van de Raad van State beschikbaar, te weten ECLI:NL:RVS:2018:2544. Uit deze uitspraak, waarbij een reclamant had betoogd dat de gemeente ten onrechte de Ladder voor duurzame verstedelijking niet had getoetst bij de ontwikkeling van een natuurbegraafplaats, oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak dat een natuurbegraafplaats niet als stedelijke ontwikkeling aangemerkt dient te worden. Een nadere toets van de Ladder is om die reden niet nodig. Zonnepark Ook de realisatie van het zonnepark zou in zekere zin als een bedrijfsmatige activiteit en daarmee als stedelijke ontwikkeling gezien kunnen worden. Om die reden is ook hiervan nagegaan of in dit geval sprake is van een stedelijke ontwikkeling die vraagt om een nadere toetsing van de Ladder. Voor een dergelijke ontwikkeling wordt eveneens verwezen naar een uitspraak van de Raad van State, te weten ECU:NL:RVS:2018:2544 2017:1724.

Daarin oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat een zonnepark niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Daartoe verwijst zij naar een eerdere uitspraak over een voorziening op het gebied van energieopwekking en -distributie, zoals een hoogspanningsverbinding, een windturbinepark en een transformatorstation. Die heeft de Afdeling niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Er is volgens de Afdeling geen aanleiding voor een andere benadering met betrekking tot een zonnepark, dat naar zijn aard niet wezenlijk verschilt van een windturbinepark. Een tweede reden is volgens de Afdeling dat een zonnepark, net als een windturbinepark, zich bij uitstek niet goed leent om binnen bestaand stedelijk gebied te worden gerealiseerd. De toepasselijkheid van de ladder zou dan juist tot gevolg hebben dat het bevoegde bestuursorgaan telkens zou moeten motiveren waarom deze voorziening niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Dit vindt de Afdeling in het licht van het doel en de strekking van de ladder voor duurzame verstedelijking een onlogische consequentie. Compensatiewoningen Op een aantal locaties binnen het plangebied worden in combinatie met het wegbestemmen en saneren van (voormalige) agrarische bedrijfsbebouwing, compensatiewoningen mogelijk gemaakt.

Los van het feit dat de ene ontwikkeling een compensatie voor de andere vormt en er per saldo minder ruimtelijke impact ontstaat, kunnen ook compensatiewoningen een stedelijke ontwikkeling vormen. Daarbij geldt dezelfde drempelwaarde als voor 'reguliere' woningen, namelijk dat vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals blijkt uit de Handreiking bij de Ladder. In dit bestemmingsplan worden, verdeeld over de verschillende locaties, 7 compensatiewoningen mogelijk gemaakt. De achterblijvende bedrijfswoningen die na sanering als burgerwoningen behouden blijven, dit zijn er twee, blijven daarbij buiten beschouwing. Deze ontwikkelruimte uit het bestemmingsplan wordt daarom niet als stedelijke ontwikkeling aangemerkt. Conclusie Gelet op het bovenstaande vragen de ontwikkelingen uit dit bestemmingsplan niet om een nadere toets van de Ladder van duurzame verstedelijking en staat het Bro de vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg.

2.2

Provinciaal beleid

2.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland (2019)

Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. De provincie heeft zes richtinggevende ambities geformuleerd in de fysieke leefomgeving. Door in te zetten op de zes ambities wordt bijgedragen aan het sterker maken van Zuid-Holland. Deze ambities zijn:

14

« » » » » *

naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendige meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Deze ambities zijn vertaald in beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.

Toetsing De beoogde ontwikkeling valt buiten het bestaand stedelijk gebied van Rotterdam waarbij een aantal onderdelen van de Omgevingsvisie relevant zijn. Zo zet de provincie in op: »

het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit-ruimtelijke ontwikkelingen moet inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving en specifieke kwaliteiten toevoegen die te maken hebben de samenleving van vandaag; * een betere, gebiedsgerichte verweving van de verschillende ‘klassieke’ functies in de groene ruimte (landbouw, natuur, recreatie, water, cultuurhistorie) en een betere relatie tussen stad en land; * het streven naar een substantiële verhoging van het aandeel duurzame energie in 2020 in Zuid-Holland. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan de beschreven onderdelen van de Omgevingsvisie. Zo worden natuurontwikkeling, recreatie en duurzame energieopwekking mogelijk gemaakt. Deze ontwikkelingen worden op een integrale wijze ingepast in de bestaande omgeving en leveren daarmee een actieve bijdrage aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in het gebied. Een uitgebreide beschrijving hiervan is opgenomen paragraaf 4.4. Het plan is in lijn met de beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie, omdat het plan positief bijdraagt aan zorgvuldig ruimtegebruik, recreatie en duurzaamheid.

2.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Geconsolideerde versie april 2019 In samenhang met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening opgesteld. Afdeling 6.2 van deze verordening voorziet in regels die van toepassing zijn bij het opstellen van bestemmingsplannen door lagere overheden. Met deze regel wordt geborgd dat bestemmingsplannen aansluiten bij de provinciale belangen. Dit bestemmingsplan is getoetst aan de bepalingen uit Afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening. Toetsing Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Op grond van de provinciale Omgevingsverordening kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits wordt voldaan aan voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Op basis van de impact die een ruimtelijke ontwikkeling heeft op de gebiedskenmerken en kwaliteiten, hanteert de provincie drie typen ontwikkelingen: inpassing, aanpassing en transformatie. * *

«

Bij inpassing gaat het om ontwikkelingen die aansluiten op bestaande gebiedsidentiteit en -structuur en passen bij de schaal en aard van het landschap. Bij aanpassing gaat het om een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen doet. Aanpassing richt zich sterk op het vergroten van de gebruikswaarde van een gebied. Bij transformatie gaat het om de verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De gebiedsidentiteit wordt gewijzigd.

Het bestemmingsplan Oranjebonnen richt zich in hoofdzaak op de ontwikkeling van nieuwe natuur en recreatie binnen de Oranjebuiten- en Bonnenpolder in Hoek van Holland. Het bestemmingsplan staat diverse afzonderlijke ontwikkelingen toe die bijdragen aan de meer algemene ontwikkeling van natuur en recreatie. Zo voorziet het bestemmingsplan onder meer in de realisatie van een nieuw natuurgebied met ruimte voor natuurbegraven, het opwekken van duurzame energie (zonneveld), sanering van glaslocaties en recreatiemogelijkheden. Het ligt dan ook voor de hand om het plan als geheel te toetsen

15

aan het provinciaal beleid in plaats van ieder (deel)project apart. Het bestemmingsplan als geheel beschouwend laat zien dat er sprake is van ontwikkelingen die de structuur in bepaalde delen van het landschap aanpassen. Op basis daarvan is er geen sprake van inpassing zoals bedoeld in het provinciaal beleid. Aan de ander kant is de ontwikkeling niet zo ingrijpend dat er (na realisatie) sprake is van een compleet nieuw landschap. De huidige functie van het gebied (agrarisch) blijft bestaan. Deze functie wordt aangevuld met recreatiemogelijkheden en de ontwikkeling van nieuwe natuur. Ook voorziet het plan in de versterking en het herstel van de bestaande (cultuurhistorische en landschappelijke) structuren en elementen. De insteek is dan ook dat met het bestemmingsplan Oranjebonnen sprake is van aanpassing zoals bedoeld in het provinciaal beleid. Artikel 6.9 van de Omgevingsverordening bepaalt dat ontwikkelingen die aangemerkt moeten worden als 'aanpassen' uitsluitend zijn toegestaan wanneer daarmee de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en door het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. In figuur 2.1 is een uitsnede van de kwaliteitskaart opgenomen, specifiek van de laag van de beleving.

Uit deze uitsnede blijkt dat het plangebied al voor een groot deel wordt gezien als recreatiegebied, met daarlangs en daar doorheen indicatieve fiets- en wandelroutes, natuurgebieden en structuren met natuurwaarde en tot slot ook met objecten die onderdeel uitmaken van de Atlantikwall.

Fiets- en 'wandelroute indicatief Atlantikwall Deltawerken Natuurgebied Recreatiegebied

Figuur 2.1

Uitsnede kwaliteitskaart, laag van de beleving

De ontwikkeling van een agrarisch gebied naar een gemengd buitengebied waarin ook ruimte wordt geboden aan natuur en recreatie met versterking van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden, sluit in die zin goed aan bij de provinciale kwaliteitskaart. Aan deze voorwaarde die gesteld wordt aan een ontwikkeling die als aanpassen moet worden aangemerkt, wordt zodoende voldaan. Daarnaast worden er in het gebied en bij de afzonderlijke ontwikkelingen ook nadere ruimtelijke maatregelen getroffen ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn de sanering van kassen, het herstellen van kenmerkende landschapselementen zoals waterstructuren en dijklichamen en daarnaast het treffen van adequate landschappelijke inpassing op perceelsniveau. Daarmee geldt dat de aanvullende ruimtelijke maatregelen in hetzelfde plangebied plaatsvinden als waarbinnen de ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, die bovendien bijdragen aan het streefbeeld dat ook de provincie in haar beleid heeft vastgelegd en dat is gericht op de ontwikkeling van natuur en recreatie.

16

Het bestemmingsplan voldoet hiermee aan de Omgevingsverordening op het punt van ruimtelijke kwaliteit. Het artikel kent daarnaast nog de bepaling dat een bestemmingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, zal voorzien in een beeldkwaliteitsparagraaf waarin het effect van deze ontwikkeling op de bestaande kenmerken en waarden wordt beschreven en waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft. Deze bepaling geldt in essentie alleen indien gevallen waar de richtpunten van de kwaliteitskaart in het geding zijn of wanneer de gronden zijn gelegen zijn aangemerkt met een beschermingscategorie in de Omgevingsverordening. Aangezien dit laatste hier aan de orde is, het gebied is aangemerkt als beschermingscategorie 2 recreatiegebied, is de impact van de verschillende ontwikkelingen nader beschreven. Hieruit blijkt dat deze ontwikkelingen bijdragen aan de kenmerken en kwaliteiten van het gebied. Voor deze beschrijving wordt verwezen naar paragraaf 4.4. Tot slot bepaalt artikel 6.9 nog dat bij niet-agrarische bedrijven buiten het bestaande stads- en dorpsgebied ten hoogste 1 bedrijfswoning is toegestaan, tenzij er reeds meer zijn toegestaan. Met dit punt is in dit bestemmingsplan rekening gehouden.

Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen Artikel 6.10 kent een vergelijkbare strekking als de Ladder van duurzame verstedelijking, namelijk dat stedelijke ontwikkelingen in essentie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied plaats moeten vinden en dat de behoefte daarvan aangetoond moet zijn. Voor een verantwoording op dit punt wordt verwezen naar paragraaf 2.1.3. Artikel 6.18 Agrarische bedrijven Met artikel 6.18 worden voorwaarden gesteld aan de mogelijkheden voor agrarisch bedrijven. Zo is het uitgangspunt een bouwvlak van 2 ha waar de bedrijfsbebouwing binnen geconcentreerd moet worden, is nieuwe bebouwing bovendien uitsluitend toegestaan indien deze noodzakelijk en doelmatig is voor de agrarische bedrijfsvoering en is er per agrarisch bedrijf ten hoogste 1 bedrijfswoning toegestaan. Daarnaast worden er regels gesteld aan diverse typen agrarische bedrijven. Nieuwe glastuinbouwbedrijven zijn uitsluitend toegestaan in glastuinbouwconcentratiegebieden, nieuwe kassen zijn uitsluitend toegestaan bij deze glastuinbouwbedrijven en bij boom- en sierteeltbedrijven en daarnaast geldt dat nieuwe boom- en sierteeltbedrijven, geitenhouderijen en intensieve veehouderijbedrijven in het geheel niet zijn toegestaan. Voor dit bestemmingsplan geldt dat er geen nieuwe agrarische bedrijven mogelijk gemaakt worden.

Voor de bestaande agrarische bedrijven worden de bovenstaande zaken via regels geborgd. Artikel 6.21 Veiligheidszonering oevers Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas Met dit artikel worden regels gesteld aan nieuwe ontwikkelingen langs de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas. Hiermee wordt het belang van de vaarweg en de scheepvaart van deze belangrijke waterverbinding geborgd. In de eerste 25 m vanuit de kade is geen nieuwe bebouwing of functiewijziging toegestaan. In de zone tussen 25 m en 40 m uit de kade zijn nieuwe bebouwing en/of functiewijzigingen uitsluitend toegestaan indien er een groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang mee gemoeid is en de veiligheid voldoende gewaarborgd is. Overigens kent de Omgevingsverordening een uitzonderingsbepaling om onder voorwaarden kleine ontwikkelingen mogelijk te maken ter ondersteuning van het dagrecreatieve karakter of voor ontwikkelingen die gericht zijn op de vaarweg zelf of de haven. In dit bestemmingsplan worden binnen de eerste 40 m uit de vaarweg geen functiewijzigingen of nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt. Artikel 6.24 Natuur Dit artikel bepaalt dat binnen het Natuurnetwerk Nederland geen nieuwe ontwikkelingen toegestaan zijn die de instandhouding en de ontwikkeling van dit netwerk significant beperken.

17

Ml ľl^!l

Westsrlee

l atanümnaã

-H'eg

Maasdijk

Ëuropmrţ ~ “ţeeridijkpoltl'iîľ

Figuur 2.2 Uitsnede kaart Natuurnetwerk Nederland (Omgevingsverordening Zuid-Holland) De uitsnede van de bij de verordening behorende kaart die het Natuurwerk Nederland toont, blijkt dat binnen het plangebied diverse delen van het NNN aanwezig zijn, Dit betreft de Oranjeplassen en enkele ecologische verbindingen langs dijklichamen. Op deze gronden voorziet dit bestemmingsplan niet in nieuwe ontwikkelingen die het NNN aantasten of belemmeren.

2.2.3

Handreiking ruimtelijke kwaliteit zonne-energie

In de Omgevingsvisie spreekt de provincie zich uit voor het opwekken van duurzame energie, waaronder zonne-energie, en het beschermen van (de kwaliteit) van het landschap en de onbebouwde ruimte. Gelet op deze drie ambities richt de provincie zich met de Omgevingsvisie en -verordening in de eerste plaats op zonnepanelen binnen het bestaande stads- en dorpsgebied (BSD). Tegelijkertijd signaleert zij dat er steeds meer initiatieven zijn voor ontwikkeling van zonneparken buiten het BSD. Om te kunnen beoordelen of er in die gevallen voldoende sprake is van ruimtelijke inpassing en kwaliteit, is de Handreiking ruimtelijke kwaliteit zonne-energie opgesteld. Hierin zijn uitgangspunten vastgelegd en worden handvatten gegeven om kwaliteit bij dergelijke ontwikkelingen te waarborgen. De vier voornaamste inrichtingsprincipes zijn: 1. 2. 3. 4.

sluit aan bij de karakteristiek van het gebied; meervoudig ruimtegebruik; maak randen met kwaliteit; een logische opstelling.

Als algemeen uitgangspunt geldt dat deze vier principes samen in één integraal ontwerp tot uiting moeten komen. De Handreiking zoomt ook in op type locaties die geschikt kunnen zijn voor de ontwikkeling van zonne-energie. Enkele van die typen zijn voormalige stortplaatsen, slibdepots en spaarbekkens. Hiervan geldt dat deze niet altijd meer als zodanig herkenbaar zijn in het landschap. In dat geval ziet de provincie ze ook niet als geschikte locatie voor zonnepanelen.

18

In andere gevallen zijn ze nog wel als zodanig herkenbaar, bijvoorbeeld door een verhoogde ligging, en daarmee een afgebakend element in hun omgeving. Op dergelijke locaties behoren zonnevelden tot de mogelijkheden, mits rekening wordt gehouden met de inrichtingsprincipes uit deze handreiking. Bij het zonneveld, dat in de Oranjebuitenpolder wordt beoogd, wordt met deze inrichtingsprincipes rekening gehouden. In paragraaf 4.4 wordt hier nader op ingegaan.

2.3

Regionaal beleid

De gemeente Rotterdam heeft samen met andere gemeenten in de regio, Havenbedrijf Rotterdam, provincie Zuid-Holland, Deltalinqs en DCMR het Regionaal afsprakenkader geluid en ruimtelijke ontwikkeling (RAK) ondertekend. In dit convenant zijn afspraken vastgelegd over ruimtelijke plannen in de omgeving van de gezoneerde industrieterreinen. Het doel van het RAK is een brede afstemming op regionaal niveau in een vroeg stadium van woningbouw- en havenontwikkeling om problemen in vergunningprocedures te voorkomen, elkaar niet te verrassen en geen onnodige kosten te maken. In het RAK wordt afgesproken met welke werkwijze de partners rondom haven en omgeving, binnen de geldende geluidskaders, samenwerken om zowel haven als omgeving te blijven ontwikkelen.

2.4

Gemeentelijk beleid

2.4.1

Omgevingsvisie Rotterdam

De gemeente Rotterdam is bezig om in aanloop naar de Omgevingswet een gemeentelijke Omgevingsvisie op te stellen. Onder de Omgevingswet wordt dit het integrale visiedocument waarin de gemeente haar visie op ontwikkelingen voor de langere termijn vastlegt. Het is daarmee te vergelijken met de structuurvisie zoals we die momenteel nog kennen. Bij het opstellen van de Omgevingsvisie is inmiddels gekozen voor 5 scenario's die gezamenlijk invulling moeten geven aan de invulling en ontwikkeling van het gemeentelijk grondgebied. Dit betreft: « * * » »

circulaire stad: Rotterdam biedt ruimte voor duurzame energie en recycling; compacte stad: Rotterdam als compacte, aantrekkelijke stad aan de rivier; gezonde stad: Rotterdam maakt gezond leven in de stad mogelijk; inclusieve stad: Rotterdam biedt ruimte voor ontmoeten en meedoen; productieve stad: Rotterdam biedt ruimte voor de nieuwe economie.

Bij ieder van deze scenario's is een kaartbeeld geschetst waarop gebieden en opgaven zijn weergegeven die relevant zijn voor het betreffende scenario. Het plangebied van dit bestemmingsplan komt op geen van die kaartbeelden specifiek voor. Wel komen in het document Verkenning Omgevingsvisie, dat een eerste aanzet vormt voor de Omgevingsvisie, algemene uitspraken over de waarde van het landelijk gebied in een stedelijke omgeving en de behoefte aan recreatiemogelijkheden voor. Daarnaast wordt aangegeven dat er binnen de gemeente Rotterdam vijf kernen zijn met een sterke eigen identiteit doordat zij vrij liggen van de stad Rotterdam. Dit zijn Hoogvliet, Rozenburg, Heijplaat, Pernis en Hoek van Holland. Binnen deze kleinere kernen spelen vaak andere opgaven dan in de stad Rotterdam en ook op het gebied van voorzieningen zijn ze vaak op zichzelf gericht of op andere woonkernen in de directe omgeving.

2.4.2

Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2017-2030+

Vastgesteld op 11 mei 2017 door de Rotterdamse gemeenteraad Het Stedelijk Verkeersplan is een plan waarbij bereikbaarheid in dienst van een economisch sterk en gezond Rotterdam staat. Het Stedelijk Verkeersplan zet de langetermijnvisie neer, waarbij het uitgangspunt is dat mobiliteit geen doel op zich is, maar een belangrijke randvoorwaarde voor een economisch sterk, gezond en aantrekkelijk Rotterdam. De Rotterdamse Mobiliteitsagenda kent een drietal vertrekpunten: 1. 2. 3.

de groei en stedelijke verdichting van Rotterdam naar 690.000 inwoners in 2035; de economische vernieuwing (Next Economy) en de daarbij horende energietransitie; de stedelijke mobiliteitstransitie naar meer fiets- en ov-gebruik.

De bovengenoemde ontwikkelingen zijn vertaald in een verschillend aantal kansen en bereikbaarheidsmaatregelen die bijdragen aan Rotterdam als levendige en sterke economische stad. Een goede balans in modaliteiten, oftewel een nieuw evenwicht tussen fietsers, voetgangers, auto's en het openbaar vervoer is daarbij vertrekpunt. Dit betekent dat de verdichting met woningen binnen het

19

stedelijk gebied prioriteit krijgt en de transitie naar de Next Economy het regionaal en stedelijk vervoersnetwerk vorm geeft. Hierbij staat de gezondheid van de Rotterdammer voorop en wordt geïnvesteerd in slimme mobiliteit, waarbij de stad functioneert als proeftuin. De structuuringrepen binnen het Stedelijk Verkeersplan bieden de meeste kansen om een stedelijk en regionaal infrastructuurnetwerk te vormen dat voldoende flexibel en genoeg adaptief is om de stad van de toekomst (Next City) vorm te geven. De mobiliteitsstrategie ontstaat vanuit de gewenste ruimtelijke en economische ontwikkeling van stad en regio en wordt - wanneer de bereikbaarheidsopgave in de toekomst verandert ~ steeds opnieuw aan de tijdgeest aangepast, omdat het geen volgordelijkheid kent. Dit leidt tot de volgende beleidskeuzen: 1. 2.

3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

City Lounge versterkt: stimuleren van fiets en ov; een samenhangend regionaal en stedelijk netwerk: wegen en ov in evenwicht; regionale en stedelijke oeververbindingen: nieuwe en transformatie van bestaande; aantrekkelijke en levendige (binnen)stad: de City Lounge versterkt; versterken nieuwe vervoerswijzen: vervoer over water en Last Mile; geen vervoersarmoede: sociale en maatschappelijke participatie versterkt; gezonde leefomgeving: versterken ruimtelijke kwaliteit, luchtkwaliteit en Zero Emissie; slimme mobiliteit: technologische innovatie en iet; gebieden Buiten de Ring: duurzaam verbinden.

De beoogde ontwikkeling van de Oranjebonnen heeft weinig raakvlakken met de speerpunten uit het Stedelijk Verkeersplan Rotterdam. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkelingen binnen het plangebied de uitvoering van het beleid niet in de weg staan.

2.4.3

Welstandsnota Rotterdam

Het huidige welstandsbeleid van de gemeente Rotterdam is vastgelegd in de Welstandsnota Rotterdam en in werking getreden op 11 oktober 2012. Het plangebied van de Oranjebonnen is daarin aangemerkt als overige groengebieden. Naast de algemene criteria gelden hier aanvullend de reguliere criteria voor overige groengebieden. Deze zijn uitgebreid toegelicht in de Welstandsnota. |

historische linten en kernen planmatige sterfelijke uitbreidinge

NAALDWJJK |

| tuindorpen

■I

woningbouw 1970-1985

I

l stedelījke villagebieden

I-

I stede) ijke groengebieden

|

Į overige groengebieden

.LAND

haven- en bedrijventerreinen

Figuur 2.3 Uitsnede gebiedstypenkaart Welstandsnota Rotterdam

20

De Welstandsnota benoemt voor het plangebied Oranjebonnen het gebiedstype 'overige groengebieden' dat eigen aanvullende criteria kent. Deze zijn echter heel summier. De veranderingen waarvoor de poldergebied Oranjebonnen komt te staan, zijn dermate ingrijpend dat de criteria geldend voor dit gebiedstype geen uitgangspunt kunnen zijn voor toetsing op de relatie met de bestaande omgeving. Daarom wordt een aanvullend kader opgesteld in de vorm van de Welstandsparagraaf Oranjebonnen. De bouwopgave in de Oranjebonnen blijft beperkt. Desalniettemin zijn specifieke welstandscriteria voor de bebouwing belangrijk om aan te sluiten bij het unieke karakter van de polder. De Welstandsparagraaf Oranjebonnen wordt te zijner tijd via de reguliere procedure ter inzage gelegd, waarna deze voor vaststelling aan de raad wordt voorgelegd.

2.4.4

Programma Duurzaam

Het Rotterdamse college wil de stijgende uitstoot van CO2 in deze collegeperiode ombuigen in een dalende trend. Met als langetermijndoel om in Rotterdam 490Zo minder CO2 uit te stoten in 2030 (ten opzichte van 1990) en klimaatneutraal te zijn in 2050 (nul C02-uitstoot). Dit is vastgelegd in: * » *

het landelijk klimaatakkoord; het coalitieakkoord Rotterdam 2018-2022; het raadsakkoord Energietransitie, maart 2019.

Om dit doel te kunnen halen, is er een ambitie uitgesproken ten aanzien van zonne-energie. Met deze ambitie moet het aandeel zonne-energie met 600 MW stijgen tot een totaal van 750 MW in 2030. Vanuit het programma Duurzaam Plus is grootschalige opwekking van zonne-energie voorzien in Hoek van Holland. De locatie die daarvoor is aangewezen, is de saneringslocatie Oranjeheuvel. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan deze ambitie door de realisatie van een zonnepark van circa 25 MW mogelijk te maken.

2.4.5 Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), Archeologieverordening Rotterdam Vastgesteld op 17 juli 2008 door de Rotterdamse gemeenteraad, vastgesteld op 31 januari 2006 en vastgesteld op 29 september 2009 door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, vastgesteld op 5 november 2009 door de Rotterdamse gemeenteraad. In 1992 hebben de ministers van cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen te Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed ondertekend. Met het Verdrag van Malta is het streven vastgelegd naar onder meer: * * * * *

het behoud van het archeologisch bodemarchief ter plaatse (in situ); het documenteren van het archeologisch bodemarchief, indien behoud niet mogelijk blijkt; het vroegtijdig en volwaardig betrekken van de archeologie bij ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening; het verbreden van het draagvlak voor de archeologie; het toepassen van het beginsel 'de verstoorder betaalt'.

De afspraken van Malta zijn verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg, die op 1 september 2007 in werking is getreden. Het zwaartepunt van het archeologiebeleid is bij gemeenten komen te liggen. In een bestemmingsplan moet een gemeente aangeven welke archeologische waarden mogelijkerwijs aan de orde zijn. Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het Rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een vastgestelde Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), een vastgestelde Beleidsnota Archeologie 2008-2011 en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de eveneens vastgestelde Archeologieverordening Rotterdam. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen.

21

2.4.6 Beleidsnota 'Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020' en de Monumentenverordening Rotterdam 2010 Vastgesteld op 22 december 2016 en vastgesteld op 30 oktober 2010 door de Rotterdamse gemeenteraad Rotterdam heeft een inmiddels volwassen monumententraditie. Er is sprake van een toenemend historisch bewustzijn in de stad. De karakteristieke vermenging van tijdlagen en de daarbij horende afwisseling van oud en nieuw zorgt voor een belangrijke en onderscheidende identiteit van het stadsbeeld. In de beleidsnota Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020 wordt de visie op het Rotterdams gebouwde erfgoed en de hieruit voortvloeiende ambities beschreven. Rotterdam verbindt de zorg voor behoud van het gebouwd erfgoed met de hedendaagse opgaven van de stad. Ingezet wordt op bescherming, behoud en hergebruik en instandhouding van erfgoed. Steeds vaker wordt cultuurhistorie gekozen als uitgangspunt voor (gebieds)ontwikkelingen, waardoor de historische gelaagdheid van de stad behouden blijft voor toekomstige generaties. Het wettelijke instrumentarium hiervoor is de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast wordt gebruikgemaakt van het planologisch instrumentarium.

2.4.7

Cultuurhistorische verkenning 2017

De gemeente Rotterdam, de provincie Zuid-Holland en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hebben samen de cultuurhistorische verkenning geïnitieerd. Deze verkenning geeft inzicht in de ontwikkelingsgeschiedenis, de karakteristieken en de bijzondere waarden van en in het gebied Hoek van Holland. De gebiedskarakteristiek is ontrafeld aan de hand van vijf thema's: 1. 2. 3. 4. 5.

het landschap; de Nieuwe Waterweg; de bunkers en de stellingen; de kust en het toerisme; het dorp.

Uit de analyse van deze thema's volgt dat in Hoek van Holland totaal verschillende werelden en sferen op een bijna onwerkelijke manier samenkomen. Er is geen plek in Nederland die een vergelijkbare confrontatie in zich heeft. De integrale waardenkaart toont de vijf thema's in één kaartbeeld. Het integrale kaartbeeld laat zien hoe de polders als landschappelijk verbonden zijn met de rest van Hoek van Holland. De polders zijn bedijkte kwelders en strandvlaktes en liggen tegen de hogere en groene haakwal van het Staelduinse Bos aan. De polders hebben alle een specifieke structuur en systeem. De rechte noordrand langs de haakwal en de meanderende zuidrand die de loop van een oude kreek - de Rel - volgt, geeft de open ruimte een bijzondere eigen vorm en ruimte. De verkaveling, het reliëf, het afwateringssysteem, de loop van dijken en kreekruggen, de aanwezigheid van molens, gemalen en sluizen zijn gewaardeerd en bepalen de unieke gebiedsidentiteit van de Oranjebonnen. De beschreven en in kaart gebrachte cultuurhistorische waarden vormen belangrijke randvoorwaarden voor actuele en toekomstige opgaven en beleidskaders in Hoek van Holland, zoals structuurvisies, inrichtingsplannen, bouwplannen en te actualiseren bestemmings- c.q. omgevingsplannen.

In de paragrafen 3.2 en 4.4 worden de cultuurhistorische waarden van het gebied en de manier waarmee daar bij de beoogde ontwikkelingen mee wordt omgegaan nader beschreven.

2.4.8

Wijkagenda 2019-2022

Hoek van Holland zet op basis van de ervaring van de afgelopen bestuursperiode, de participatie die daarin heeft plaatsgevonden én de analyses uit het Wijkprofiel in op vijf doelen, te weten: 1. 2. 3. 4. 5.

levendiger Hoek van Holland; toekomstbestendiger en duurzamer wonen; aantrekkelijkere leefomgeving; betere bereikbaarheid; aantrekkelijkere vierseizoenenbadplaats.

De Wijkagenda heeft aandacht voor de unieke ligging aan de kust die kansen biedt, maar ook aan de geïsoleerde ligging die belemmeringen oplevert. De lang gekoesterde wens om van Hoek van Holland

22

een vierseizoenenbadplaats te maken blijkt niet makkelijk te realiseren. De opgave om meer verblijfstoerisme te faciliteren blijft ook in deze bestuursperiode actueel. Het dorpscentrum, het strand, de strandroutes en de Koningin Emmaboulevard verdienen een uitstraling die bij een toeristisch dorp hoort. Van belang is ook de programmering om de toerist vast te houden. Behoud van historisch erfgoed moet hoger op de agenda en niet alleen door het dorp zelf worden gedragen. Hoek van Holland moet tegelijkertijd in balans blijven. Om draagvlak voor voorzieningen te behouden moeten er voldoende kansen zijn voor vestiging en doorstroming. De Hoekse woningvoorraad is momenteel en in de nabije toekomst niet goed in staat om de demografische veranderingen op te vangen. Daarom moet de Hoekse woningmarkt kunnen groeien met levensloopbestendige woningen én gezinswoningen. De sterk vergrijzende bevolking (al dan niet met gezondheidsproblemen) heeft speciale aandacht nodig voor goede woon-zorgvoorzieningen, die duurzaam kunnen voorzien in de behoefte van mensen meteen zwakkere gezondheid. Bereikbaarheid is hiervoor essentieel. Hierin is al veel geïnvesteerd (Hoekse Lijn en tweede ontsluitingsweg). Bij de voltooiing van deze infrastructuur moet ook oog zijn voor de toeristische uitstraling van het dorp.

Dat vereist een kwalitatief goede inpassing in de buitenruimte en mogelijkheden voor vervoer over water. Hoek van Holland is een plek waar ruimte is voor duurzame energiewinning. Niet alleen de lasten maar ook de lusten moeten het dorp toekomen. Duurzaamheid is ook een belangrijke drager voor kwaliteitskeurmerken van het strand. Daarin kan Hoek van Holland nog meer dan nu koploper zijn. De Oranjebonnen worden in de Wijkagenda twee maal concreet benoemd. Daarbij wordt ingezet op versterking van de recreatieve routes en netwerken en om herinrichting van de polders op basis van het daarvoor opgestelde Ontwikkelplan (zie paragraaf 2.4.13). Een in de Wijkagenda opgenomen overzichtskaart, afkomstig uit de gemeentelijke publicatie 'Investeren in duurzame buitenkansen' over zelfbewuste dorpen in de Rotterdamse haven, geeft een helder overzicht van de uiteenlopende doelstellingen voor Hoek van Holland. Opgaves voor Hoek van Holland

Kaart Hoek van Holland

Groen* oevers. Crodversiten bevorderen 0 VekenOeparken/aecomodeUM 0 Kenngsbu* 0 Mumb rrrttare geschieden» 0 Bunkert, tntter erfgoed © —— 0 Nsbubeievina O NatujrcfWvMrehng

ozrm” O*"***— ©»— Zonneperk \ 0 OprtrMng BIZ ^ SMtVe endememera Warmtene» 0 Wontngbcu* S. verordend* recreate* route* bestendigen Oranjebonnenpolder Q Wkeersingreep autoverkeer 0 Watertors aeneMíng

0 WorkngCoue 0 verdkftimo

Europoort

©*— 0 SMuMl uaduviuui Versterken en verbinden tangraam i Waterweg

éki Bestaande langzaam verkearrrate Ener^eeunt tíŕ Locate met energie Onnnkkettngen

Figuur 2.5 Gebiedsstrategie Hoek van Holland

2.4.9

Toeristisch Recreatie Ontwikkel perspectief

Hoek van Holland is al heel lang een geliefde toeristische en recreatieve bestemming. Door te blijven investeren in de kwaliteiten die het dorp rijk is, werken we aan de toekomst van het dorp. De ontwikkeling van toerisme en recreatie bieden hiervoor veel mogelijkheden. Het TROP is een verkenning van kansen voor Hoek van Holland als aantrekkelijke vierseizoenenbadplaats.

23

Dit toeristisch-recreatief ontwikkelperspectief biedt een kader voor de komende tien jaar. Met de keuze voor een vierseizoenenbadplaats ontstaan een sterke lokale economie en een toekomstbestendig voorzieningenniveau. In dat proces moet de balans tussen toe te voegen bebouwing en de toegankelijkheid en het behoud van natuur en landschap goed worden bewaakt. Verder is een kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte nodig om een aantrekkelijk verblijfsgebied te creëren. De gemeente Rotterdam schetst met dit perspectief mogelijke ontwikkelingen, vervult graag een faciliterende rol en nodigt inwoners, maatschappelijke organisaties, ondernemers en investeerders uit om met concrete voorstellen te komen en dit toekomstperspectief in te kleuren. Langs vijf pijlers worden reeds geúite ideeën of ontwikkelingen die al in gang zijn gezet samengebracht. Hier zien we als het ware de menukaart voor Hoek van Holland in wording. Elk onderdeel draagt bij aan de aantrekkelijkheid van het geheel. Een volgende stap is te kijken hoe er een verbinding tot stand kan komen tussen de verschillende locaties. Letterlijk kan er een verbinding komen door wandel- of fietsroutes uit te zetten. Een belangrijke stap in de ontwikkeling van het TROP is al gemaakt, met de metroverbinding Hoekse Lijn. Maar er ontstaat ook een verbinding tussen de verschillende cultuurhistorische objecten in het gebied.

Dit gebeurt door het verhaal achter het erfgoed verder te onderzoeken en daarbij te kijken welke raakvlakken er onderling zijn.

2.4.10 Horecanota Rotterdam 2017-2021 Vastgesteld doorB&Wop 1 november 2016 In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen. Visie en ambities Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende járen. De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven. Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium: « * » » * » *

Rotterdam bruist!; de wijk is het uitgangspunt bij het bepalen van de mogelijkheden en onmogelijkheden; bewoners en ondernemers hebben inspraak en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid; ruimte voor innovatie en experimenten ter bevordering van het ondernemerschap en woon- en leefgenot; minder regels, minder lasten en een vereenvoudigd vergunningenstelsel; uitgaan van vertrouwen en sturen op naleving (high trust); wanneer regels en afspraken worden geschonden, dan wordt stevig opgetreden (high penalty).

Uiteenzetting horecastelsel (vergunningen) Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam verstaan we onder horeca elk openbaar pand of openbare ruimte waar je structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting. De Horecanota is overigens niet van toepassing op hotels en ook niet op prostitutiebedrijven en coffeeshops vanwege hun bijzondere karakter en eigen beleid.

24

Exploitatievergunning of niet? In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen járen een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak. Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruikmaken van de vrijstelling van de vergunningplicht. Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Drank- en Horecawet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht mogen exploiteren; exploitatiecategorie 0. Bas isvrijstelling

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=f4171196-413d-4306-85fa-983636081736