21bb616 Bijlage 1 behorende bij 21bb619 - ontwerpbestemmingsplan Vaststellen bestemmingsplan Tarwewijk
Tekst van het document
Tarwewijk Ontwerpbestemmingsplan
Opgesteld door:
datum:
22 september 2020
Stadsontwikkeling Ruimte & Wonen, Bureau Bestemmingsplannen
Vastgesteld d.d.:
........
Postbus 6575 3002 AN, Rotterdam
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 Inleiding
5
1.1
Samenvatting bestemmingsplan 'Tarwewijk'
5
1.2
Aanleiding
5
1.3
Gekozen planopzet
5
1.4
Ligging en begrenzing
6
1.5
Vigerende bestemmingsplannen
6
Beleid
7
2.1
Rijksbeleid
7
2.2
Provinciaal en regionaal beleid
9
2.3
Gemeentelijk beleid
10
Beschrijving van het plangebied
20
3.1
Archeologie
20
3.2
Historie
21
3.3
Ruimtelijke structuur
22
3.4
Huidig gebruik
23
3.5
Stadsgezichten en Monumenten
25
Hoofdstuk 4
Planbeschrijving
29
4.1
Opzet van het plan
29
4.2
De verschillen tussen het oude en het nieuwe plan
29
4.3
Ontwikkelingen
29
4.4
Juridische planbeschrijving
33
Water
42
5.1
Beleidskader
42
5.2
Samenwerking met de waterbeheerder
43
5.3
Huidige watersysteem
43
5.4
De wateropgave
44
Hoofdstuk 6
Milieu
47
6.1
Inleiding
47
6.2
Milieu effectrapportage
47
6.3
Milieuzonering
49
6.4
Geluid
50
6.5
Luchtkwaliteit
57
6.6
Bodem
59
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 5
2
6.7
Externe veiligheid
60
6.8
Natuur
61
Hoofdstuk 7
Handhaving
64
Hoofdstuk 8
Financiële uitvoerbaarheid
65
Hoofdstuk 9
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
66
9.1
GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM
66
9.2
WSHD, Waterschap Hollandse Delta
66
9.3
VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond
67
9.4
DCMR, Milieudienst Rijnmond
67
9.5
TenneT, beheerder hoogspanningsnet
67
9.6
RWS, Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid
68
9.7
Participatie en informatie
68
Bijlagen
69
Bijlage 1
Afbeelding Archeologie
70
Bijlage 2
Watertoets Tarwewijk
72
Bijlage 3
M.e.r.-beoordelingsbesluit
117
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek Tarwewijk
121
Bijlage 5
Hogere Waarden
274
Bijlage 6
Onderzoek Luchtkwaliteit
275
Bijlage 7
Onderzoek Externe Veiligheid
280
Bijlage 8
Onderzoek Flora en fauna cpt
292
Regels
317
Hoofdstuk 1
INLEIDENDE REGELS
318
Artikel 1
Begrippen
318
Artikel 2
wijze van meten
325
BESTEMMINGSREGELS
326
Hoofdstuk 2
Artikel 3
Bedrijf - 2
326
Artikel 4
Bedrijf - 3
327
Artikel 5
Bedrijf - 4
328
Artikel 6
Bedrijf - Nutsvoorziening
329
Artikel 7
Gemengd - 1
330
Artikel 8
Gemengd - 2
331
Artikel 9
Gemengd - 3
333
Artikel 10
Groen
334
Artikel 11
Horeca - Hotel
335
Artikel 12
Maatschappelijk - 1
336
Artikel 13
Maatschappelijk - 2
337
Artikel 14
Tuin
338
3
Artikel 15
Verkeer - Erf
339
Artikel 16
Verkeer - Garagebox
340
Artikel 17
Verkeer - Verblijfsgebied
341
Artikel 18
Verkeer - Wegverkeer
342
Artikel 19
Water - 2
343
Artikel 20
Wonen
344
Artikel 21
Wonen - Bijzonder woongebouw
345
Artikel 22
Leiding - Water
346
Artikel 23
Waarde - Archeologie 1
348
Artikel 24
Waarde - Archeologie 2
350
Artikel 25
Waarde - Archeologie 3
352
Artikel 26
Waarde - Archeologie 4
354
Artikel 27
Waarde - Archeologie 5
356
Artikel 28
Waarde - Archeologie 6
358
Artikel 29
Waarde - Cultuurhistorie 2
360
Artikel 30
Waterstaat - Waterkering
361
Artikel 31
Waterstaat - Waterstaatkundige functie
362
Hoofdstuk 3
ALGEMENE REGELS
363
Artikel 32
Anti-dubbeltelregel
363
Artikel 33
Algemene bouwregels
364
Artikel 34
Algemene aanduidingsregels
365
Artikel 35
Algemene gebruiksregels
366
Artikel 36
Algemene afwijkingsregels
367
Artikel 37
Algemene wijzigingsregels
368
Artikel 38
Algemene procedureregels
370
Artikel 39
Overige regels
371
Hoofdstuk 4
OVERGANGS- EN SLOTREGELS
372
Artikel 40
Overgangsrecht
372
Artikel 41
Slotregel
373
Bijlagen
375
Bijlage 1
Toelichting lijst bedrijfsactiviteiten
376
Bijlage 2
Lijst van bedrijfsactiviteiten 4.2 (a)
378
Bijlage 3
Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria
388
4
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Samenvatting bestemmingsplan 'Tarwewijk'
De gemeente maakt een nieuw bestemmingsplan voor dit gebied, omdat het bestemmingsplan uit 2010 voor dit gebied verouderd is. Het bestemmingsplan gaat over een groot deel van de Tarwewijk en de zuidzijde van de Maashaven. Het gebied van het plan ligt tussen de Maashaven, Dordtselaan, Wevershoekstraat, Pleinweg en het Maastunnelplein. Drie bouwblokken in de Mijnkintbuurt vallen buiten het plan. Ook het gedeelte tussen de Doklaan en de Maashaven, met onder andere Attractiepark Rotterdam maakt geen onderdeel (meer) uit van het bestemmingsplan Tarwewijk. Het plangebied heeft aan de zijde van de Maashaven enkele grote industriële bedrijven en bestaat verder uit woonbuurten met lokale voorzieningen. In grote lijn kent het bestemmingsplan de volgende ontwikkelingen: Concentratie van detailhandel is nodig om te zorgen voor aantrekkelijke winkelgebieden en winkelstraten. Dat betekent dat de verspreid gelegen winkelpanden andere mogelijkheden krijgen. Geen uitbreiding van horeca, op een enkele uitzondering na (maatwerk is van toepassing). Geen nieuwe garagebedrijven in woonbuurten, ter bescherming van het woon- en leefklimaat. In de Tarwewijk staan enkele beeldbepalende panden. Deze panden krijgen een dubbelbestemming, waardoor deze alleen bij zwaarwegende redenen gesloopt kunnen worden. Aan het Rijsoordpad zijn de bouwmogelijkheden uit het vorige bestemmingsplan overgenomen.
Enkele panden kunnen vervangen worden bij de herinrichting van het binnenterrein. Voor de realisatie is een procedure met een wijzigingsplan nodig. Geen grote lawaaimakers meer aan Maashaven zuidzijde. De aanwezige industriële bedrijven zijn geen grote lawaaimakers en blijven toegestaan. Hiermee wordt een stap gezet tot het dezoneren van het gezoneerde industrieterrein Maas- en Rijnhaven.
1.2
Aanleiding
Het bestemmingsplan Tarwewijk, vastgesteld in 2010, is niet meer actueel. Het opstellen van het nieuwe bestemmingsplan gebeurt in het kader van het Meerjarenprogramma voor actualisering van bestemmingsplannen.
1.3
Gekozen planopzet
Dit bestemmingsplan vervangt het in 2010 vastgestelde bestemmingsplan Tarwewijk. Het gebied van het nieuwe bestemmingsplan is in grote lijnen gelijk aan het oude plan, maar dan zonder het deel tussen Doklaan en Maashaven en zonder drie bouwblokken in de Mijnkintbuurt. Dit nieuwe plan is geen exacte kopie van het vorige plan. Nieuw beleid, nieuwe inzichten en ook de parapluherzieningen zorgen ervoor dat bepaalde zaken op een andere manier geregeld worden. Op bepaalde locaties worden de mogelijkheden verruimd of juist beperkt aan de hand van koerswijzingen op uiteenlopende beleidsvelden. Voor meer details hierover zie paragraaf 4.2 De verschillen tussen het oude en het nieuwe plan, paragraaf 4.3 Ontwikkelingen en paragraaf 4.4 Juridische planbeschrijving.
5
1.4
Ligging en begrenzing
Het plangebied ligt in Charlois. Het plan gaat over een groot deel van de Tarwewijk en het zuidelijk deel van de Maashaven. Het gebied wordt begrensd door de Dordtselaan, Wevershoekstraat, Pleinweg en het Maastunnelplein.
Het gedeelte tussen de Doklaan en de Maashaven, met onder andere Attractiepark Rotterdam maakte in 2010 nog wel onderdeel uit van het bestemmingsplan Tarwewijk, maar blijft er nu buiten. Voor de eerste twee blokken van de Mijnkintbuurt is recent een projectbestemmingsplan vastgesteld. Dit deel blijft eveneens buiten het nieuwe bestemmingsplan. Voor het derde blok in de Mijnkintbuurt wordt een apart projectbestemmingsplan gestart. Dat plan volgt daarmee een zelfstandige procedure. Het te ontwikkelen park in de Maashaven (oostzijde) nabij de Maassilo ligt volledig in het nieuwe bestemmingsplan voor Katendrecht.
1.5
Vigerende bestemmingsplannen
In het gebied van het nieuwe bestemmingsplan geldt het bestemmingsplan: 0631
Tarwewijk
vastgesteld 09-09-2010
onherroepelijk 10-12-2010.
Alsmede de Parapluherzieningen: 1077
Terrassen
vastgesteld 11-11-2014
onherroepelijk 25-04-2015;
1097
Parkeernorming Rotterdam
vastgesteld 14-12-2017
onherroepelijk 31-03-2018;
1104
Biologische Veiligheid
vastgesteld 14-06-2018
onherroepelijk 18-08-2018.
6
Hoofdstuk 2
Beleid
2.1
Rijksbeleid
2.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Vastgesteld op 13 maart 2012 Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Voor de middellange termijn (2028) kiest het Rijk drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden: 1) Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur; 2) Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; 3) Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Daarnaast benoemt het Rijk 13 nationale belangen, waar het rijk verantwoordelijk voor is.
Het betreft: 1) Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; 2) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; 3) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; 4) Efficiënt gebruik van de ondergrond; 5) Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen; 6) Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem; 7) Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen; 8) Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's; 9) Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening, en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; 10) Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; 11) Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; 12) Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; 13) Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming
bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De nationale ruimtelijke hoofdstructuur geeft de nationale belangen, waarvoor het Rijk verantwoordelijk is, geografisch weer. Op deze kaart in de structuurvisie is op hoofdlijnen aangegeven welke gebieden en structuren van nationaal belang zijn bij de geformuleerde rijksdoelen rond concurrentiekracht, bereikbaarheid en leefbaarheid en veiligheid, zodat een samenhangende ruimtelijke hoofdstructuur zichtbaar wordt. De structuurvisie infrastructuur en ruimte vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. 2.1.2
Beleidsvisie Erfgoed en Ruimte
Vastgesteld op 15 juni 2011
7
In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst in vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte, Kiezen voor Karakter. In de beleidsnota schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. De beleidsvisie is complementair aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het ministerie van I&M. Het programma Erfgoed en Ruimte wordt met een paar jaar verlengd, tot aan de invoering van de Omgevingswet in (naar verwachting) 2019. De komende jaren werkt de Rijksdienst aan drie programmalijnen: Water en erfgoed Landschap: transformatie van het landelijk gebied Transformatie in de stad en in krimpgebieden 2.1.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Vastgesteld op 22 augustus 2011, geconsolideerde versie 5 juni 2014 Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling van nationaal ruimtelijk beleid. Het besluit bevat regels die doorwerken op gemeentelijk niveau, en dus relevant zijn voor bestemmingsplannen. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk en buisleidingen van nationaal belang. Relevant beleid voor het plangebied Net als de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte kenmerkt het Barro zich tot een hoog abstractieniveau en is het beleid alleen aan de orde op specifieke locaties (bijvoorbeeld in de mainports of nabij de kust) of bij specifieke projecten (zoals het project 'Randstad 380 kV'). Het plangebied ligt niet in een dergelijk gebied en bevat ook geen grootschalige ontwikkelingen die opgenomen zijn in het Barro. Om die reden bevat het Barro geen concreet beleid voor het plangebied. 2.1.4
Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking)
In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017 Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de Ladder. Concreet betekent dit dat het bestemmingsplan een beschrijving bevat van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Wanneer deze ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt, moet gemotiveerd worden waarom er niet binnen het stedelijk gebied voorzien kan worden in de behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Woningbouw De regiogemeenten hebben de woonvisie "Dat spreken we af! - Woningmarktstrategie Regio Rotterdam 2014-2020" (vastgesteld op 12 februari 2014 door de stadsregio Rotterdam) opgesteld ter uitwerking van het provinciale beleid.
Deze Woonvisie is als regionale woonvisie te beschouwen en in april 2014 aanvaard door de provincie. Een actualisering van de regionale woonvisies is op 26 september 2017 aanvaard door Provinciale Staten. Uit de (acualisering van) de woonvisies blijkt dat er de komende jaren in de provincie vooral vraag is naar stedelijke woonmilieus: een relatief hoge dichtheid, goede bereikbaarheid, een hoog voorzieningenniveau en functiemenging. Conclusie De woningen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt voorzien in een actuele behoefte, liggen binnen bestaand stedelijk gebied en het gaat om transformatie van bestaande bebouwing of om nieuwbouw die past binnen het geldende bestemmingsplan. Gezien het bovenstaande voldoet het bestemmingsplan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
8
2.2
Provinciaal en regionaal beleid
2.2.1
Visie Ruimte en Mobiliteit en Verordening Ruimte
Vastgesteld door Provinciale Staten op 30 mei 2018, geconsolideerd in werking op 29 juni 2018 De hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid zijn weergegeven in de Visie ruimte en mobiliteit die geldt als structuurvisie. Vier rode draden geven richting aan de gewenste ontwikkeling en het handelen van de provincie: 1. beter benutten en opwaarderen van wat er is; 2. vergroten van de agglomeratiekracht; 3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; 4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Parallel aan de Visie ruimte en mobiliteit zijn het Programma ruimte en de Verordening ruimte opgesteld. Het Programma ruimte bevat het ruimtelijk-relevante, operationele beleid. Het Programma heeft, net als de Visie ruimte en mobiliteit, de status van structuurvisie. In de Verordening ruimte zijn de provinciale belangen, zoals opgenomen in de Visie ruimte en mobiliteit, verankerd. In het kader van dit bestemmingsplan zijn de volgende onderwerpen relevant. 2.2.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De provinciale ladder voor duurzame verstedelijking is per 29 juni 2018 gelijk aan de ladder uit het Bro, voor zover het gaat om ontwikkelingen binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Voor een toetsing aan de ladder wordt dan ook verwezen naar paragraaf 2.1.3. De ontwikkeling van nieuwe woningbouw die in dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt is een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Toetsing van de beoogde herontwikkeling aan de Ladder leidt tot de hierna beschreven conclusies. Woningbouw De regiogemeenten hebben de woonvisie "Dat spreken we af! - Woningmarktstrategie Regio Rotterdam 2014-2020" (vastgesteld op 12 februari 2014 door de stadsregio Rotterdam) opgesteld ter uitwerking van het provinciale beleid. Deze Woonvisie is als regionale woonvisie te beschouwen en in april 2014 aanvaard door de provincie. Plannen die overeenstemmen met de nota "Dat spreken we af!" voldoen op basis van de Verordening Ruimte 2012 aan het onderdeel verantwoording van de behoefte en regionale afstemming daarvan voor wonen uit de Ladder voor Duurzame Verstedelijking.
Antwoord op overige vragen vanuit het provinciale beleid: Er wordt geen gebruikt gemaakt van een ontheffing van de provincie. Er is een wijzigingsbevoegdheid in het plan opgenomen, overeenkomstig de bestaande bevoegdheid. Het plan bevat de volgende ruimtelijke ontwikkelingen: Extra woningen binnen bestaand stads- en dorpsgebied door nieuwbouw en/of transformatie. Het voldoet aan artikel 2.2.1 "ruimtelijke kwaliteit" van de Verordening Ruimte. Er vinden geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats binnen beschermingscategorie 1 (zie artikel 2.2.1 van de Verordening ruimte). Er is sprake van Inpassen en de ruimtelijke kwaliteit blijft per saldo gelijk, zonder aanvullende ruimtelijke maatregelen of beeldkwaliteitsparagraaf in het plan. Er is geen significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad of karakteristieke landschapselementen. Het groepsrisico (rond inrichtingen, buisleidingen, transportassen en luchthavenactiviteiten) neemt niet toe als gevolg van een stedelijke ontwikkeling. De berekende waarde voor het groepsrisico ligt niet
9
boven de orientatiewaarde.
2.3
Gemeentelijk beleid
Algemeen Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 kunnen ook gemeenten hun gemeentelijk beleid vastleggen in structuurvisies. Ter verwezenlijking van de doelen in het ruimtelijk beleid stelt de gemeente bestemmingsplannen op. In Rotterdam zijn er twee typen bestemmingsplannen te onderscheiden het zogenoemde gebiedsbestemmingsplannen en projectbestemmingsplannen. Gebiedsbestemmingsplannen worden opgesteld door het cluster Stadsontwikkeling naar aanleiding van een meerjarenplanning. Wanneer een bepaalde ontwikkeling buiten het opstellen van een gebiedbestemmingsplan valt, kan daar een projectbestemmingsplan voor opgesteld worden of een omgevingsvergunningprocedure voor doorlopen worden, door een initiatiefnemer. 2.3.1
Stadsvisie Rotterdam: Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030
Vastgesteld op 29 november 2007 door de Rotterdamse gemeenteraad De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op de onderwerpen wonen en economie en deze bepalen wat er de komende jaren op deze gebieden gebeurt in de stad. Veel van de kernbeslissingen zullen de komende vijftien jaar worden omgezet in de uitvoering van een aantal (bouw) projecten in de stad, waardoor Rotterdam over pakweg vijftien jaar inderdaad een sterke economie heeft en aantrekkelijke woongebieden kent, ook voor haar hoogopgeleide bewoners. Op basis van effectmeting zijn dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad', zogenoemde VIP-gebieden. Deze dertien grote gebiedsontwikkelingen krijgen prioriteit in de nabije toekomst (de komende 10 jaar). 2.3.2
Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020
Vastgesteld op 15 december 2016 door de Rotterdamse gemeenteraad De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld. Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen; te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad; ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; en energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.
De basis op orde houden door: het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken; toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; en
10
woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning. De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. De Woonvisie is een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren. 2.3.3
Nota Detailhandel 2017
Vastgesteld op 22 en 29 juni 2017 door de Rotterdamse gemeenteraad De Nota Detailhandel uit 2013 is in 2017 geactualiseerd. De nota bestaat uit een algemeen deel dat de stedelijke ambities ten aanzien van dit onderwerp bevat en 13 separate gebiedsgerichte uitwerkingen, die het detailhandelsbeleid per gebied beschrijven. De nota en de gebiedskoersen doen geen uitspraken over het centrum, hiervoor blijft de nota 'WNKLN N RTTRDM' het relevant beleidskader. Stedelijke ambities en spelregels ten aanzien van detailhandel Het detailhandelsbeleid bestaat in de basis uit een beleidskader, waarin op grond van de trends en ontwikkelingen de visie en ambitie van Rotterdam op de detailhandelsstructuur wordt uitgesproken. Met dit kader zet Rotterdam in op een krachtige, toekomstbestendige winkelstructuur, waarbij de consument centraal staat en sprake is van complete, compacte comfortabele en levensvatbare centra.
Om deze ambities te realiseren, is een aantal spelregels onontbeerlijk en zijn vier stedelijke ambities geformuleerd: Een evenwichtige detailhandelsstructuur (aantrekkelijk, levensvatbaar, complementair) Meer flexibiliteit en dynamiek ter versterking van de detailhandelsstructuur Detailhandelsbeleid als kader voor ruimtelijke ontwikkelingen Een bruisende Binnenstad! De spelregels die nodig zijn om de ambities te behalen zijn: Nieuwe ontwikkelingen zijn alleen mogelijk in de winkelconcentratiegebieden zoals in de Gebiedskoersen Detailhandel zijn vastgesteld. Creëren van nieuwe winkelgebieden is enkel onder strikte voorwaarden mogelijk. Geen nieuwe solitaire vestiging van winkels buiten de detailhandelsstructuur van winkelgebieden. In kleine kernen kan maatwerk vereist zijn, om de kwaliteit van de leefomgeving te behouden. Vestiging van grootschalige detailhandel bekijken we kritisch. Geen nieuwe perifere concentratiegebieden. Tuincentra en bouwmarkten buiten de aangewezen winkelgebieden zijn onder voorwaarden bespreekbaar. Geen detailhandel op bedrijventerreinen. Winkels in tweedehandsgoederen vestigen we in winkelgebieden; uitzondering voor kringloopwinkels. Internetwinkels en -afhaalpunten met een (beperkte) bezoekersfunctie worden enkel toegestaan in de winkelgebieden en op trafficlocaties. Voor winkels geldt in de horecanota Rotterdam 2017-2021 de basisvrijstelling.
Gebiedskoersen De stedelijke ambities zijn het uitgangspunt voor de gebiedsgerichte uitwerking voor detailhandel. In de gebiedskoersen detailhandel zijn de winkelgebieden ruimtelijk begrensd, zodat voor iedereen duidelijk is wat de winkelgebieden in de stad zijn en wat de gemeentelijke koers daarbij is. De keuzes op gebiedsniveau vormen de basis voor het gemeentelijk handelen ten aanzien van enerzijds het versterken van winkelontwikkelingen (door bijvoorbeeld mee te werken aan nieuwe winkelvestiging) en anderzijds de transformatieopgave.
11
2.3.4
Gebiedskoers Detailhandel 2017-2020 Charlois
Vastgesteld op 22 en 29 juni 2017 door de Rottedamse gemeenteraad Het Rotterdams detailhandelsbeleid is bedoeld als een compact en eenvoudig te hanteren beleidskader, waarin voor zowel de markt als de stad het de richting duidelijk is. Stedelijk zijn in het detailhandelsbeleid de ambities en algemene spelregels bondig en helder verwoord. Als uitwerking van het stedelijk beleid zijn de ambities en spelregels op gebiedsniveau verder uitgewerkt in gebiedskoersen Detailhandel. In de gebiedskoersen zijn per gebied op basis van lokale kennis en functioneren, keuzes gemaakt ten aanzien van de gewenste detailhandelsstructuur enerzijds en gebieden waar de detailhandelsfunctie een transformatieopgave heeft anderzijds. De winkelstructuur van Charlois is bijzonder door de aanwezigheid van zeer verschillende gebieden. In de eerste plaats wordt het winkellandschap in Charlois in oppervlak en functie voor een belangrijk deel bepaald door de aanwezigheid van het regionale aankoopcentrum Zuidplein. Naast de functie van deze winkelconcentratie voor Charlois, trekt dit winkelgebied consumenten uit heel Rotterdam-Zuid en de randgemeenten. Voor de Tarwewijk is de Dordtselaan van belang. De Dordtselaan vormt de grens tussen Charlois en Feijenoord en is een doorgaande verkeersroute richting het centrum.
Van oudsher zijn er winkels gevestigd, maar een duidelijke rol als winkelconcentratie in detailhandelsstructuur heeft dit gebied niet. Delen van de straat zijn reeds van kleur verschoten en hebben een functie als dienstverlening of wonen. Ten zuiden van de Tarwewijk is het Zuidplein als regionaal recreatief winkelcentrum het voornaamste winkelgebied in de nabijheid van de Tarwewijk. Versterking van het aanbod en optimalisering van uitstraling en toegankelijkheid zijn belangrijke uitgangspunten binnen het programma Hart van Zuid. Een uitdaging voor het Zuidplein blijft een heldere positionering en profilering, zodat de winkelconcentratie naast de Binnenstad optimaal kan functioneren. Inzet op versterking van het Zuidplein heeft direct als consequentie dat verspreide bewinkeling en ontwikkeling van winkelmeters in de directe omgeving waar mogelijk wordt tegengegaan. Er wordt ingezet op concentratie van de detailhandel. Nabij de Tarwewijk is de Wolphaertsbocht tussen de Pleinweg en de Dorpsweg een milieu dat stedelijk gezien het best getypeerd kan worden als een functionele mixzone. In dit gebied is er naast een rol voor bijvoorbeeld wonen, dienstverlening, ambachten óók een rol is voor winkels. Uitbreiding van het winkelbestand is in deze gebieden niet gewenst en als winkelpanden transformeren naar een andere functie behoort dat ook tot de opties.
Heel nadrukkelijk is het in deze gebieden geen harde opgave om de zittende winkels te transformeren naar een andere functie. Daarnaast en ook buiten de Tarwewijk is de Carnisse Winkeldriehoek een sterk geconcentreerd boodschappencentrum, waar de combinatie van bereikbaarheid en compleet aanbod goed tot uiting komt. Het is belangrijk dat deze functie wordt vastgehouden en door de jaren heen wordt versterk, zodat de concentratie ook in de toekomst in de boodschappenbehoefte van bewoners kan voorzien. Inzet op faciliteren van vernieuwing is belangrijk, zodat optimaal op de geldende trends kan worden ingespeeld. Hierbij gaat het om kwalitatieve ontwikkelingen en niet per definitie om meer winkeloppervlak. De opgave Een belangrijke opgave in het stedelijk beleid is te komen tot verdere concentratie in compacte en aantrekkelijke winkelbieden. Verspreide bewinkeling wordt beleidsmatig zo veel mogelijk tegengegaan. Voor bewinkeling die in het verleden in de stad is geland, betekent dat niet dat dit aanbod actief wordt gesaneerd. Wel zijn het plekken waar aan plannen voor transformatie en functieverandering actief door de gemeente wordt meegewerkt.
12
Uitsnede kaart winkelconcentratiegebieden met plangebied en omgeving 2.3.5
Werklocaties: nota kantoren en nota bedrijfsruimten
Vastgesteld op 12 maart 2020 door de gemeenteraad. Kantoren Doel van het beleid is om richting te geven aan de ontwikkeling van de Rotterdamse kantorenmarkt door: Het versterken van de nieuwe economie door concentratie van kantoren op zes locaties met de beste bereikbaarheid en verblijfskwaliteit, en ontwikkeling van specifieke clusters op vijf andere locaties; Een goede balans tussen vraag en aanbod door introductie van een Rotterdamse ladder (zodat snel duidelijk is of er een markttechnische onderbouwing is voor nieuwbouw); Het stimuleren van verduurzaming van de kantorenvoorraad en -omgeving. Bedrijfsruimte Doel van het beleid is om voldoende bedrijfsruimte in Rotterdam te waarborgen - en richting te geven aan de ontwikkeling van bestaande en nieuwe bedrijfslocaties: Behouden en zo goed mogelijk benutten van bedrijfsruimte: - De totale omvang van de voorraad bedrijfsruimte wordt behouden en zo efficiënt mogelijk benut. - Bedrijfsruimte in de wijken wordt zo veel mogelijk behouden. - Nieuwe bedrijventerreinen krijgen een plek in de regio.
Functiemenging waar het kan, functiescheiding waar het moet: - Ruimte-extensieve en zware bedrijvigheid wordt ingepast aan de rand van de stad of in de regio, arbeidsintensieve en lichte bedrijvigheid behoudt een plek in de stad; - Op bedrijventerreinen met een transformatieopgave wordt ingezet op woon-werkgebieden met behoud van (vervangende) werkgelegenheid. Stadsgebonden bedrijvigheid: - Focus op vestiging van bedrijven die vanwege hun klanten- en werknemerskring een directe relatie hebben met de stad, en op: - Kleinschalige datacenters (digitalisering), city hubs en XS-warehouses (e-commerce), incubators en bedrijfsverzamelgebouwen (‘de nieuwe economie’). Verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van bedrijventerreinen: - Focus op verduurzaming (energietransitie, circulariteit en klimaatadaptatie), en op - Verbetering van de gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde en van de multimodale bereikbaarheid.
13
Relatie met regionaal beleid Het nieuwe Rotterdamse beleid sluit aan op de Strategie Werklocaties van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH), waarin de regiogemeenten afspraken hebben gemaakt over de programmering van bedrijventerreinen. De nota’s voor kantoren en bedrijfsruimte vormen samen met de Nota Detailhandel 2017 totaalbeleid voor werklocaties. Dit samenhangende beleid dient onder meer als basis voor gemeentelijke investeringen in de lokale economie. Kantoren- en bedrijfskoersen per gebied De lange termijn ambities voor kantoren- en bedrijfsruimte zijn vertaald naar koersen per gebied voor de korte termijn. Zo ook voor Charlois. 2.3.6
Horecanota Rotterdam 2017-2021
Vastgesteld door B&W op 1 november 2016 In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen. Belang voor de stad Rotterdam is een levendige stad met een aantrekkelijke binnenstad, een groot cultureel aanbod en een gevarieerde samenstelling van bewoners, ondernemers en bezoekers. Horeca speelt een cruciale rol: een goede mix van kwaliteit en kwantiteit, een balans met andere stedelijke functies en openbare orde en veiligheid, bevordert de populariteit van Rotterdam. Bovendien levert de horecasector werkgelegenheid op en stimuleert het de lokale economie. De aantrekkingskracht van de stad is de afgelopen jaren toegenomen. Er wordt weer geld uitgegeven door bezoekers, Rotterdam voert de goede lijstjes aan en is in 2015 uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijkertijd verdicht de bewoning en is ruimte schaars. Het is dus van belang alles in goede banen te leiden en deze schaarse ruimte optimaal te benutten.
De positieve ontwikkelingen van Rotterdam weten sommige delen van de stad onvoldoende te bereiken vanwege de aanwezigheid van malafide ondernemingen, georganiseerde criminaliteit en overlast. Dit vraagt om extra aandacht en stevig optreden. Visie en ambities Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende jaren. De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven. Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium.
Rotterdam bruist!; de wijk is het uitgangspunt bij het bepalen van de mogelijkheden en onmogelijkheden; bewoners en ondernemers hebben inspraak en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid; ruimte voor innovatie en experimenten ter bevordering van het ondernemerschap en woon- en leefgenot; minder regels, minder lasten en een vereenvoudigd vergunningenstelsel; uitgaan van vertrouwen en sturen op naleving (high trust); wanneer regels en afspraken worden geschonden, dan wordt stevig opgetreden (high penalty). Uiteenzetting horecastelsel (vergunningen) In deze paragraaf is aangegeven wat in Rotterdam verstaan wordt onder horeca en voor welke vormen
14
een exploitatievergunning noodzakelijk. Ook wordt een toelichting gegeven op bijzondere vormen van (tijdelijke) horeca en de andere zaken die bij het starten en/of overnemen van een horeca-inrichting komen kijken. Wat is horeca? Horeca kent enorm veel verschijningsvormen en dankzij creatieve ondernemers komen er naast hotels, restaurants en cafés nog steeds meer vormen bij. In Rotterdam verstaan we onder horeca elk openbaar pand of openbare ruimte waar je structureel en tegen betaling kan eten en drinken (of afhalen) en/of waar amusement of ontspanning wordt aangeboden. De exacte definitie is in de Algemene Plaatselijke Verordening opgenomen onder het begrip: openbare inrichting. De Horecanota ziet niet toe op alle vormen van openbare inrichtingen. Prostitutiebedrijven en coffeeshops kennen vanwege hun bijzondere karakter eigen beleidsregels en aparte vergunningen. Vestigingsvoorwaarden voor hotels zijn eveneens geen onderdeel van dit beleid. Een restaurant in een hotel natuurlijk wel. Exploitatievergunning of niet? In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning.
Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak. Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht. Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswetgeving en de Drank- en Horecawet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de exploitatievergunningplicht mogen exploiteren; exploitatiecategorie 0.
Indien een horeca-inrichting een horecabestemming heeft, dan worden de basisvoorwaarden verruimd en deels vervangen met onderstaande voorwaarden. De overige voorwaarden blijven gelijk.
15
Ook als er geen sprake is van een horecabestemming kan het zijn dat er ruimere voorwaarden gelden. Sommige instellingen en voorzieningen hebben traditiegetrouw een aanzienlijk horecadeel, maar waarbij de openbare orde niet in het geding komt. Dit is een verzamelcategorie van instellingen en bijzondere objecten (limitatief): muziek- en sportverenigingen, musea, theaters, filmhuizen, hotels/hostels, rouwcentra, ziekenhuizen, bejaarden- en verzorgingshuizen, gebedshuizen, bedrijfskantines en instelling voor hoger onderwijs. De overige voorwaarden blijven gelijk aan de basisvoorwaarden. (Voor muziek- en sportverenigingen geldt dat uit de bestemming dient te volgen dat sport en/of muziek de primaire functie van het object is.)
Indien het woon- en leefklimaat in een straat of buurt onder grote druk staat, kan de burgemeester verbieden dat horeca zich daar zonder vergunning vestigt. Dit gebeurt door middel van een aanwijzingsbesluit dat voor bepaalde of onbepaalde tijd van kracht is. De aanwijzing wordt genomen op basis van het Horecagebiedsplan (zie ook paragraaf 2.3.7) dat ter plaatse van kracht is, waarin ook gemotiveerd is waarom het gebied wordt aangewezen. In die gevallen is altijd een exploitatievergunning vereist om horeca-activiteiten te exploiteren, ook al is er sprake van één van de hierboven beschreven situaties. Exploitatievergunning Wanneer een ondernemer meer of zwaardere activiteiten wil dan hierboven beschreven is een exploitatievergunning noodzakelijk. Rotterdam hanteert hiervoor een duidelijk vergunningstelstel dat aan de hand van losse activiteiten is opgebouwd. Dit wil zeggen dat de activiteiten worden vergund die in een horeca-inrichting kunnen plaatsvinden. Het vergunningstelsel biedt ondernemers op deze manier ruimte voor verschillende horecaconcepten. Exploitatiecategorieën De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf.
Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+ (licht, regulier, middelzwaar, zwaar, buiten categorie). Gebiedsgericht werken Een belangrijk, zo niet het belangrijkste onderdeel van de Horecanota is gebiedsgericht werken; kennis uit de wijk is bepalend voor wat kan en wat niet. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z’n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca.
16
Door per wijk of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen, kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd. Het horecagebiedsplan biedt het kader hiervoor. 2.3.7
Horecagebiedsplannen Charlois 2017-2022
Vastgesteld door B&W op 20 juni 2017 In de beschrijvingen per gebied wordt nader ingegaan op de ontwikkelruimte die wordt geboden voor nieuwe ondernemers. Op basis van de ontwikkelingen die we zien of beogen is opgenomen wat we toestaan aan horeca-activiteiten. De gebiedsbeschrijving is verder noodzakelijk om te bepalen welke exploitatiecategorie wenselijk is in een gebied, wijk of buurt. Daarnaast kan zo vastgelegd worden welke mix van horeca-activiteiten gewenst is. Om de gewenste ontwikkeling richting te kunnen geven (door bijvoorbeeld de mogelijkheid tot het verlenen van de exploitatievergunning of de bestaande situatie ter plaatse zo te behouden) wordt in het horecagebiedsplan gewerkt met een aantal begrippen. De gekozen ontwikkelrichting wordt ondersteund door redenen van fysieke en ruimtelijke aard en openbare orde en veiligheid. Hoe meer activiteiten horeca-inrichtingen aanbieden, hoe zwaarder de belasting voor de wijk en/of buurt. De balans tussen levendigheid en een prettig woon- en leefklimaat staat dan ook in alle plannen centraal. Het doel is een goede en duurzame match tussen wijk, buurt of straat en horecaontwikkeling te bewerkstelligen. Het horecagebiedsplan is niet het enige waaraan een aanvraag voor een exploitatievergunning getoetst wordt. Daarnaast wordt een aanvraag ook nog getoetst aan onder meer de bestemming van het pand.
De bestemming moet de horeca-activiteiten toestaan. Er dient dus wel een duidelijk onderscheid gemaakt te worden tussen een bestemmingsplan (waar kan horeca zich vestigen) en een horecagebiedsplan (wat voor horeca kan zich daar vestigen). Beschrijving horeca de Tarwewijk De Tarwewijk is gelegen ten zuiden van de Maashaven. Een gedeelte hiervan, de eigenlijke woonwijk, is gesitueerd binnen de driehoek Pleinweg, Brielselaan en Dordtselaan. Dit deel van de Tarwewijk laat zich het beste kwalificeren als een woongebied. Langs de Maashaven (Brielselaan, Maashaven Zuidzijde en Doklaan) is een strook van deels haven gerelateerde en andere bedrijven, deels nog in ontwikkeling zijnde voorzieningen gesitueerd, zoals Attractiepark Rotterdam. Tussen 1900 en 1930 is de wijk gebouwd om de arbeiders, werkzaam in de snel groeiende haven, te kunnen huisvesten. De naam dankt de wijk aan de ligging naast de Maashaven, waar vroeger de graanschepen werden verladen. De wijk bestaat qua woonvoorzieningen hoofdzakelijk uit portiekwoningen en een klein aantal eengezinswoningen. De Tarwewijk is een levendige oude stadswijk met ruim 12.000 inwoners en circa 6.000 woningen. Winkels zijn vooral te vinden aan de randen van de wijk: Dordtselaan, Pleinweg en Hellevoetstraat. Er zijn de nodige voorzieningen, zoals basisscholen, een gezondheidscentrum, religieuze instellingen en een tweetal speeltuinen.
Tussen en/of in de verschillende buurten liggen pleinen en kleine groenvoorzieningen. De monumentale en beeldbepalende Maassilo is zeer bekend als evenementenlocatie. Aan dit gedeelte van de Maashaven Zuidzijde zijn ook RAAF (Rotterdam Art Adventure en Food) en Creative Factory (verzamelpand voor creatieve ondernemers) gevestigd. Algemene ontwikkelrichting De Tarwewijk is een woongebied. Het gebied langs de Maashaven, ten noorden van de Brielselaan en Doklaan is een combinatie van een bedrijven- en haventerrein met elementen van een (toekomstig) publieksintensief recreatiegebied in de vorm van de Maassilo, RAAF, Balkon aan de Maas en het in ontwikkeling zijnde Attractiepark Rotterdam. De horeca in de Tarwewijk ligt voornamelijk aan de buitenranden van de wijk, waaronder het Siloplein en de Bas Jungeriusstraat. De aanwezige horeca in dit gebied voldoet aan de vraag. Vanwege de kwetsbaarheid van het gebied, zoals ook blijkt uit het bijgewerkte gebiedsplan van Charlois, geldt voor de gehele wijk de ontwikkelrichting consolideren. Daarnaast wordt horeca die is vrijgesteld van de vergunningplicht in de gehele wijk niet toegestaan. De uitzonderingen zijn hieronder nader omschreven. Ontwikkelrichting gedeelte Bas Jungeriusstraat tussen Mijnsherenlaan en Wolphaertsbocht
17
Het woon- en leefklimaat in de Bas Jungeriusstraat staat al geruime tijd onder druk door aanwezigheid van o.a. overlast gevende personen. Daarnaast wordt de druk op het woon- en leefklimaat groter door de bestaande horeca. De afgelopen periode heeft er een vermindering van horeca inrichtingen plaatsgevonden. Het blijft een aandachtspunt om niet meer horeca-inrichtingen toe te staan, aangezien deze een negatief effect hebben op de problematiek die hier speelt, namelijk overlast door personen op straat, geluidsoverlast, etc. Het blijft daarom wenselijk om het aantal horeca-inrichtingen in de straat of grenzend aan de zijstraten van de Bas Jungeriusstraat terug te brengen. Ontwikkelrichting Dordtselaan De Dordtselaan vormt de grens tussen Charlois en Feijenoord en is een doorgaande verkeersroute richting het centrum. In de stedelijke detailhandelsnota wordt aangegeven dat aan de Dordtselaan van oudsher winkels zijn gevestigd, maar een duidelijke rol als winkelconcentratie in de detailhandelsstructuur heeft dit gebied niet. De meeste panden hebben een functie als dienstverlening of wonen. De Dordtselaan heeft dientengevolge een zogenaamde transformatieopgave met als doelstelling de omzetting van detailhandel naar een woonfunctie. Het is daarom wenselijk het aantal horecainrichtingen aan de Dordtselaan te verminderen.
Ervaringen uit het verleden, waarbij veel druk stond op de Dordtselaan, hebben aangetoond dat het verminderen van horeca- inrichtingen in deze straat een bijdrage heeft geleverd ter verbetering van het woon- en leefklimaat. Om het huidige woon- en leefklimaat nog meer te verbeteren en gezien de transformatieopgave is het gewenst om de ontwikkelrichting voor te zetten. Ontwikkelrichting Maashaven Zuidzijde/noordzijde Brielselaan en Doklaan Dit gebied heeft veel potentie om zich te ontwikkelen tot aantrekkelijk verblijfsgebied aan het water, waarbij gebruik wordt gemaakt van de meerwaarde van het water en de haven. Voorbeelden hiervan zijn de ontwikkeling van Attractiepark Rotterdam, Charlois aan het water, een sportschool en de bouwmarkt Karwei. Hierbij wordt de mogelijkheid geboden om horeca met een exploitatievergunning te ontwikkelen. De ontwikkeling van Balkon aan de Maashaven (een ontspanningsplek en een plek om kennis te maken met het gemaal Gansoyen, de Bovenlandse Sluis en het oude stoomgemaal) is reeds voltooid, maar seizoensgebonden en/of tijdelijke horeca zou een goede aanvulling op het huidige aanbod zijn. In dit gebied is ook de Maassilo gesitueerd (categorie 4+). Deze voorziening is een stedelijk focusgebied en heeft een bovenwijkse en zelfs stedelijke aantrekkingskracht. In de Maassilo zijn tevens RAAF, Factory 010 en de Creative Factory gevestigd.
Gelet op het karakter van Attractiepark Rotterdam wordt hier ontwikkeling toegestaan met uitzondering van bepaalde activiteiten die geen meerwaarde hebben en tevens niet passen bij een pretpark dat gezinnen aantrekt. In dit gebied is het laveren tussen het toevoegen van verlevendiging door bijvoorbeeld horeca en het behouden van de rustige woonfunctie en het voorkomen van overlast. Desgewenst wordt horeca die vrijgesteld is van de vergunningplicht niet toegestaan om zo een vinger aan de pols te houden met betrekking tot welke inrichting zich in het gebied vestigt. 2.3.8 Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), Archeologieverordening Rotterdam Vastgesteld op 17 juli 2008 door de Rotterdamse Gemeenteraad, vastgesteld op 31 januari 2006 en vastgesteld op 29 september 2009 door de Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, vastgesteld op 5 november 2009 door de Rotterdamse Gemeenteraad In 1992 hebben de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen te Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed ondertekend.
Met het Verdrag van Malta is het streven vastgelegd naar onder meer: het behoud van het archeologisch bodemarchief ter plaatse (in situ); het documenteren van het archeologisch bodemarchief, indien behoud niet mogelijk blijkt; het vroegtijdig en volwaardig betrekken van de archeologie bij ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening; het verbreden van het draagvlak voor de archeologie; het toepassen van het beginsel 'de verstoorder betaalt'. De afspraken van Malta zijn verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg, die op 1 september 2007 in werking is getreden. Het zwaartepunt van het archeologiebeleid is bij gemeenten
18
komen te liggen. In een bestemmingsplan moet een gemeente aangeven welke archeologische waarden mogelijkerwijs aan de orde zijn. Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een vastgestelde Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), een vastgestelde Beleidsnota Archeologie 2008-2011 en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de eveneens vastgestelde Archeologieverordening Rotterdam. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. 2.3.9 Beleidsnota "Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020" en de Monumentenverordening Rotterdam 2010 Vastgesteld op 22 december 2016 en vastgesteld op 30 oktober 2010 door de Rotterdamse gemeenteraad Rotterdam heeft een inmiddels volwassen monumententraditie. Er is sprake van een toenemend historisch bewustzijn in de stad.
De karakteristieke vermenging van tijdlagen en de daarbij horende afwisseling van oud en nieuw zorgt voor een belangrijke en onderscheidende identiteit van het stadsbeeld. In de beleidsnota Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020 wordt de visie op het Rotterdams gebouwde erfgoed en de hieruit voortvloeiende ambities beschreven. Rotterdam verbindt de zorg voor behoud van het gebouwd erfgoed met de hedendaagse opgaven van de stad. Ingezet wordt op bescherming, behoud en hergebruik, en instandhouding van erfgoed. Steeds vaker wordt cultuurhistorie gekozen als uitgangspunt voor (gebieds-)ontwikkelingen, waardoor de historische gelaagdheid van de stad behouden blijft voor toekomstige generaties. Het wettelijke instrumentarium hiervoor is de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het planologisch instrumentarium.
19
Hoofdstuk 3 3.1
Archeologie
3.1.1
Beleidskader
Beschrijving van het plangebied
Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek.
De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. 3.1.2
Bewoningsgeschiedenis
In het plangebied zijn in de diepe ondergrond donken te verwachten. Donken zijn rivierduinen die vanaf het Mesolithicum (8000-5500 voor Chr.) regelmatig als woonplaats zijn benut. Recentelijk is een rivierduin met bewoningssporen en vondsten uit het Mesolithicum ter plaatse van de gymzaal van OBS de Globe aan de Blankenburgstraat in de ondergrond ontdekt (boringen-onderzoek). Rivierduinen zijn in latere fasen van de prehistorie in de meeste gevallen bedekt geraakt onder klei-afzettingen en veen. Op de klei-afzettingen en het veen werd gewoond in latere fasen van de prehistorie, de Romeinse tijd (begin jaartelling-350 na Chr.) en de Middeleeuwen (350-1500 na Chr.). Het oostelijk deel van het plangebied Tarwewijk maakte in de Late Middeleeuwen deel uit van de Riederwaard, een rondom bedijkt groot gebied, dat centraal gelegen was op het eiland IJsselmonde. Een deel van de noordelijke dijk van de Riederwaard, de Katendrechtse Lagedijk, doorsnijdt het plangebied. Op en langs deze dijk kunnen bewoningssporen vanaf de 12e eeuw worden aangetroffen. In 1373 gaat de Riederwaard door overstromingen ten onder, waarna het gebied in fasen wordt herbedijkt. Eén van de eerste polders die wordt aangelegd is de Katendrechtse polder, die dateert van vóór 1425. Als zuidoostelijke dijk van deze polder functioneert de hierboven genoemde Katendrechtse Lagedijk van de voormalige Riederwaard.
Het gebied ten zuiden van de Katendrechtse Lagedijk maakte deel uit van de Polder Charlois, die werd aangelegd tussen 1425 en 1475. Twee dijken fungeerden toen als dijken van deze Polder Charlois. Het betreft aan de westkant de dijk in Oud-Charlois op het tracé van de Zuidhoek en een dijk in de Tarwewijk aan de oostkant, die via de huidige Weverhoekstraat en de Zwartewaalstraat liep. 3.1.3
Archeologische verwachting
In het hele plangebied zijn bewoningssporen vanaf de Steentijd tot en met de Middeleeuwen te verwachten. Het rivierduin bij de Blankenburgstraat is zeer kansrijk voor bewoningssporen en vondsten uit het Mesolithicum.Het tracé van de Katendrechtse Lagedijk en het verlengde ervan in noordoostelijke richting is met name kansrijk voor het aantreffen van bewoningssporen vanaf de Late Middeleeuwen. De bebouwde locaties van de oudste kadastrale minuut uit de periode 1811-1832 kunnen ook archeologisch van belang zijn. Deze plekken kunnen een lange bewoningsgeschiedenis hebben.
20
3.1.4
Aanbevelingen
Waarde - Archeologie 1 Voor de in 1811-1832 bebouwde percelen in het oude bewoningslint (Waarde - Archeologie 1) geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld, ongeacht het oppervlak van de ingreep. Waarde - Archeologie 2 Voor het deel van het rivierduin dat gelegen is in het zuidelijk, lagergelegen, deel van het plangebied (Waarde - Archeologie 2) geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,0 meter beneden maaiveld, ongeacht het oppervlak van de ingreep. Waarde - Archeologie 3 Voor het deel van het rivierduin dat gelegen is in het noordelijk, opgehoogd deel van het plangebied (Waarde - Archeologie 3) geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 2,0 meter beneden maaiveld, ongeacht het oppervlak van de ingreep. Waarde - Archeologie 4 Voor het zuidelijk deel van het plangebied (Waarde - Archeologie 4) geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,0 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak beslaan groter dan 200 vierkante meter.
Waarde - Archeologie 5 Voor het noordelijke deel van het plangebied, dat (sub)recent is opgehoogd (Waarde - Archeologie 5) geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 2,0 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak beslaan groter dan 200 vierkante meter. Waarde - Archeologie 6 Voor het in het plangebied gelegen water (Waarde - Archeologie 6) geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan de huidige onderwaterbodem en die tevens een terreinoppervlak beslaan groter dan 200 vierkante meter.
3.2
Historie
Sinds 1462 is in Holland ten zuiden van de Maas sprake van een gebied dat Charlois wordt genoemd. De stichtingsakte dateert van 14 april 1462. Vóór 1460 stond het gebied bekend onder de naam "Rijerwaert". In dat jaar gaf Karel de Stoute, als heer van Putten, opdracht om het gebied te bedijken zodat er korenland van gemaakt kon worden. Voorwaarde was wel dat de naam in Charlois zou worden veranderd en dat er een aan Sint Clemens gewijde kerk gebouwd zou worden. Deze kerk werd in 1466 in gebruik genomen. Rond de kerk ontwikkelde zich al snel het dorp Charlois. Het boerendorp bleef gespaard bij de grote uitbouw van de havens tijdens de laatste decennia van de 19de eeuw. De Maashaven, in 1903 aangelegd, werd zodanig geprojecteerd dat onteigening en sloop van Charlois en de lintbebouwing langs de Katendrechtse Lagedijk werd voorkomen. Door geheimhouding van de havenplannen kon de gemeente tijdig grote stukken grond in handen krijgen, zodat zij bij de stadsuitbreiding als grootexploitant kon optreden. In 1895 werd de gemeente Charlois door Rotterdam geannexeerd. Achter de grote graansilo's van de Maashaven ligt het ten behoeve van de havenarbeiders dichtbebouwde woongebied de Tarwewijk, een gemeentelijk woningwetcomplex uit de vroege jaren twintig van de 20ste eeuw.
De eerste bebouwing wordt complexgewijs aan de Katendrechtse Lagedijk gerealiseerd rond 1920 (tuindorp, deel Mijnkintbuurt). In deze tijd worden In het noordelijk deel van Charlois ook de eerste singels aangelegd. Tot de jaren vijftig groeit de wijk langzaam dicht. Met de
21
realisatie van de Maastunnel in 1940 krijgt de Pleinweg een belangrijke verkeersfunctie. De opening van de Maastunnel, tussen Park en Charloisse hoofd in 1942, maakte Charlois eensklaps van een uithoek tot een strategische plek in de stad. De Dordtselaan en de Mijnsherenlaan worden aangelegd naar concept van Granpré Molière, als onderdeel van de twee groene wiggen die tot diep in de stadskern doordringen. De groene stadsrand waar de twee wiggen hun oorsprong vinden, wordt in de jaren zestig omgevormd tot het Zuiderpark, centraal gelegen tussen de nieuwe uitbreidingswijken en de bestaande wijken op Zuid. Oud Carnisse, de buurt ten zuiden van de Tarwewijk, omvatte een tiental blokken arbeiderswoningen. Het stratenplan dateert uit 1899. In dat jaar ging de gemeente akkoord met de voorstellen van de grondexploitant om een strook weiland langs de Katendrechtse Lagedijk om te zetten in een arbeidersbuurtje. De exploitant speculeerde op de gunstige ligging vlakbij de bedrijvigheid aan de nieuwe Maashaven. Hoewel de afzet van het bouwterrein aanvankelijk niet erg vlotte, was rond 1914 de bouw van arbeiderswoningen zo ver gevorderd dat het oude dorp Charlois ook fysiek bij de stad was ingelijfd. Het centrum van Zuid blijft lang een lege plek. In de jaren zestig wordt een deel ten oosten van de Vaanweg bebouwd met voorzieningen en bedrijven.
Het deel ten westen van de Vaanweg blijft voorlopig leeg, pas in de jaren zeventig worden het huidige Zuidplein en Ahoy toegevoegd. Een metroverbinding door een van de groene wiggen, de Mijnsherenlaan, zorgt voor een goede verbinding tussen het stadscentrum en het Zuidplein. In 1973 werd de deelgemeente Charlois ingesteld. In 1975 werd Oud Charlois op verzoek van de deelgemeente tot stadsvernieuwingsgebied aangewezen. In 1982 werden daar Tarwewijk en Oud Carnisse aan toegevoegd. Bij de 'vernieuwing' van de stadsvernieuwing in 1988 worden gebieden van Oud Charlois en Carnisse die tussen de eerste en tweede wereldoorlog gebouwd werden, tot een zgn. derde ringsstadsvernieuwingsgebied aangewezen. Na deze stadsvernieuwingsperiode, die vooral een verbetering van de woningvoorraad teweeg bracht voor de zittende bewoners, werd met het Grote Stedenbeleid (GSB) ook een economische structuurverbetering nagestreefd. Met de wijkaanpak die in 1999 van start ging, wordt de oude stadsvernieuwing definitief omgezet in een stedelijke vernieuwing die naast de fysieke ook een economische en sociale component kent.