21bb5675 Bijlage 1 behorende bij 21bb5624 over Ontwerpbestemmingsplan Dukdalf-locatie, Feijenoord
Tekst van het document
Het effect van branden blijft echter beperkt tot de binnenkant van de tunnel, zodat ter plaatse van het plangebied geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour. Ook ongevallen met toxische vloeistoffen of gassen leiden niet tot effecten. Na verdamping en ventilatie komen de giftige dampen vrij bij de openingen van de tunnel. Gelet op de afstand van deze uitstroompunten tot het plangebied – de dichtstbijzijnde tunnelmond is gelegen op 338 meter ‐ is het onwaarschijn‐ lijk dat via atmosferische verdunning slachtoffers vallen. Een explosie in de tunnel leidt tot een drukgolf die zich voortzet tot aan de openingen. Door de overdruk en de hitte kan daarnaast de tunnel beschadigd raken. Het is niet waarschijnlijk dat dit tot directe slachtoffers binnen het plangebied leidt. De kans dat zich overigens een explosie in de tunnel voordoet is zeer klein, vanwege de geringe hoeveelheid aanwezige zuurstof en het veiligheidsregime in de tunnel. De 10‐6 plaatsgebonden risicocontour bedraagt ter plaatse van de tunnelmond 7 meter en wordt gemeten vanuit het hart van het middelste doorgaande spoor. Deze risicocontour ligt daardoor niet buiten de spoorbanen en vormt geen belemmering. Dit geldt ook voor het plasbrandaandachtsgebied, aangezien deze 30 meter‐contour niet tot aan het plangebied reikt.
Op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes is een verantwoording van het groepsrisico niet aan de orde, als het beoogde bouwplan op meer dan 200 meter afstand van de transportroute ligt. Aangezien de afstand van het plangebied tot aan de tunnelmond circa 338 meter bedraagt, is een groepsrisicoberekening en/of een nadere verantwoording niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen over water Ten noorden en oosten van het plangebied stroomt de Nieuwe Maas, waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. In het Basisnet Water is deze transportroute gecategoriseerd als 'binnenvaartverbinding chemische clusters & achterlandverbindingen met toetsafstand' (de zogenaamde zwarte vaarwegen). De 10‐6 plaatsgebonden risicocontour komt niet buiten de waterlijn. Wel is sprake van een plasbrandaandachtsgebied. Deze strekt zich uit tot op 25 meter vanaf de waterlijn. Aangezien de kleinste afstand tussen het plangebied en de Nieuwe Maas circa 500 meter bedraagt, vormt deze contour geen belemmering. Het groepsrisico is in de huidige situatie kleiner dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Ook na ontwikkeling van het ‐ 32 ‐
bouwplan is dit het geval. Op grond van artikel 8 lid 2 van het Besluit externe veiligheid transportroutes is een nadere verantwoording van het groepsrisico niet benodigd. Stationaire risicobronnen Op ongeveer 310 meter ten noorden van het plangebied bevindt zich Unilever Bestfoods Nederland. Hier wordt namelijk gebruik gemaakt van ammoniak. De 10‐6 plaatsgebonden risicocontour bedraagt 30 meter en is niet buiten de terreingrens gelegen. In de vergunning van deze risicobron wordt geconcludeerd, dat de grens van het invloedsgebied groepsrisico niet relevant is en dat daarom geen sprake is van een groepsrisico. Op zo’n 315 meter ten oosten van het plangebied is het bedrijf Hunter Douglas gevestigd. Op het bedrijfsperceel is een opslagloods voor verpakte gevaarlijke stoffen aanwezig. Rondom deze loods is sprake van een 10‐6 plaatsgebonden risicocontour van 20 meter en het invloedsgebied bedraagt 90 meter. Aangezien deze contouren niet tot aan het plangebied reiken, vormen deze geen belemmering. Een nadere groepsrisicoberekening en/of verantwoording is niet noodzakelijk. Conclusie Op grond van bovenstaande wordt geconcludeerd, dat het thema externe veiligheid niet tot belemmeringen leidt. 4.6
Bodem De Wet bodembescherming (Wbb) vormt het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en de ernst van een bodemverontreiniging. Conform de Wbb wordt op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater bepaald of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico’s voor mens en ecosysteem onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Bij eerst genoemde dient binnen vier jaar aangevangen te worden met de sanering; bij laatstgenoemde kan gewacht worden totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Uit de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart blijkt, dat de bovengrond (0 tot 1 meter beneden maaiveld) aangemerkt kan worden als klasse ‘Wonen’. Dat betekent, dat de aanwezige bodem naar verwachting ten hoogste licht verontreinigd is. De ondergrond (1 tot 2 meter beneden maaiveld) is op deze kaart aangemerkt als klasse ‘Industrie’, waardoor naar verwachting ten hoogste matige verontreinigingen in deze bodemlaag voorkomen. Ten behoeve van de realisatie van het beoogde bouwplan zullen bodemverstorende activiteiten plaatsvinden. Voorafgaand aan deze werkzaamheden wordt een bodemkundig onderzoek uitgevoerd, mede om te bepalen of de grond hergebruikt kan worden.
Mocht uit dit onderzoek blijken dat sprake is van een saneringsopgave, dan wordt hieraan gehoor gegeven. De Wet bodembescherming hoeft de beoogde ontwikkeling niet in de weg te staan.
4.7
Archeologie Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting
‐ 33 ‐
De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het "Verdrag van Malta" is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Archeologische verwachting Het plangebied wordt op de gemeentelijke Archeologische Waarden‐ en Beleidskaart (AWK) aangemerkt als een gebied met een redelijk tot hoge archeologische verwachting beneden 0 meter NAP. Hierdoor is het noodzakelijk dat bouw‐ en graafwerkzaamheden worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek.
Bescherming van de archeologische waarden Op grond van de archeologische verwachting en om mogelijk aanwezige archeologische waarden te beschermen, is in het bestemmingsplan “Feijenoord” aan de gronden van het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie A' toegekend. Dit betekent, dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is, voor bouw‐ en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,5 meter beneden NAP en die tevens een oppervlak van meer dan 200 m² beslaan. Dit is door middel van een vergunningstelsel in de dubbelbestemming vastgelegd en eveneens opgenomen in dit bestemmingsplan. 4.8
Flora en fauna De Nederlandse natuurbescherming kent twee aspecten, te weten gebieds‐ en soortbescherming. Gebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000‐gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); die gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Uit de provinciale atlas ‘Natuurnetwerk Nederland’ blijkt, dat het plantgebied op ruime afstand (meer dan zes kilometer) van het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied ligt (Oude Maas). Door deze afstand zijn de meeste effecten op Natura 2000‐gebieden op voorhand uit te sluiten. Emissie van stikstof kan echter ook op grotere afstand een aandachtspunt zijn. De dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebieden met stikstofgevoelige habitattypen zijn op ruim 19 kilometer afstand gelegen. Daarnaast richt dit bestemmingsplan zich op een herstructurering ‐ 34 ‐
van het plangebied, waarbij de nieuwe woningen gebouwd worden volgens het geldende Bouwbesluit. Deze zullen beter geïsoleerd zijn dan het huidige schoolgebouw. Tevens worden de nieuwe woningen als gasloos uitgevoerd. Daardoor leiden de woningen niet tot een extra stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie. Dit blijkt tevens uit een uitgevoerde AERIUS‐berekening2. Ook de sloop‐/aanlegfase leidt niet tot een extra bijdrage aan de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar. Effecten op Natura 2000‐gebieden kunnen dan ook worden uitgesloten. Het dichtstbijzijnde gebied dat toebehoort aan het Natuurnetwerk Nederland is de Nieuwe Maas, dat op ruim 500 meter afstand van het plangebied is gelegen. Het betreft hier een zéér drukke vaarweg. Door de aard van de ingrepen (een gelijkaardig gebruik in de nieuwe situatie), de relatief grote afstand en de ligging in de bebouwde kom, zijn effecten op het Natuurnet‐ werk Nederland op voorhand uit te sluiten. Ook belangrijke weidevogelgebieden liggen op grote afstand (ruim 8,5 kilometer), waardoor deze gebieden niet nadelig worden beïnvloed. Soortbescherming Ook het aspect ’soortbescherming’ vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden.
Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel‐ en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Uit uitgevoerd ecologisch onderzoek3 blijkt, dat in het plangebied naast algemeen voorkomende dier‐ en plantensoorten mogelijk ook de strikt beschermde soortgroep ‘vleermuizen’ te verwachten zijn. Immers is de aanwezige bebouwing beoordeeld als ‘geschikt’ als verblijfplaats/nest voor vleermuizen. Daadwerkelijke verblijfplaatsen zijn echter niet aangetroffen. Wel zijn in de omgeving van het plangebied kortstondig foeragerende vleermuissoorten waargenomen. Geconcludeerd wordt, dat geen sprake is van essentieel foerageergebied. Negatieve effecten zijn dan ook uitgesloten, waardoor het aanvragen van een ontheffing op de Wet natuurbescherming niet nodig is. Deze wet vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde herontwikkeling van het plangebied. 4.9
Trillingshinder Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan kan het noodzakelijk zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening rekening te houden met trillingsbronnen en de mogelijke overlast (hinder of verstoring) daarvan. Conform artikel 3.1.6 onder d van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) moet een motivering worden opgenomen omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Het bestemmingsplan maakt trillingsgevoelige functies mogelijk, waaronder woningen. Het plangebied ligt op circa 70 meter van de ondergrondse spoorlijn tussen Rotterdam Blaak en Rotterdam Zuid. Railverkeer geldt als mogelijke trillingsbron. De SBR‐richtlijn onderscheidt drie 2
NOX Advies, Stikstofdepositie‐onderzoek Dukdalf Persoonsstraat 1 te Rotterdam, december 2020, rapportnummer 20200712. 3 Ecoresult; Aanvullend onderzoek vleermuizen in het kader van de Wet natuurbescherming, maart 2019, rapportkenmerk ER20190307v01. Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting
‐ 35 ‐
typen effecten door trillingen en daarbij corresponderende functies: schade aan gebouwen, hinder voor personen in gebouwen en storing aan apparatuur. De mate van trillinghinder is afhankelijk van de aard en de constructiewijze van het bouwwerk en de aard, de sterkte en de frequentie van de trillingen. Naast de specifieke gebouweigenschappen zijn de precieze opbouw en kenmerken van de bodem (soort (onder‐)grond, lagenstructuur, grondwaterstand en dergelijke) sterk van invloed op de overdracht van de trillingen door de bodem. Bij de aanvraag voor omgevingsvergunning dient te worden vastgesteld of wordt voldaan aan de beoordelingskaders. Indien uit onderzoek blijkt dat niet wordt voldaan aan de richtlijnen van de SBR moet worden vastgesteld of het realiseren van het bouwplan door toepassen van maatregelen technisch haalbaar is. Hiervoor zijn diverse maatregelen denkbaar, waaronder het over‐dimensioneren van palen en het gebruik maken van draagassen haaks op het spoor in combinatie met het gebruik van stijve wanden, waardoor de trillingsgolf wordt onderbroken. Conclusie Bij de aanvraag voor omgevingsvergunning dient te worden vastgesteld of maatregelen noodzakelijk zijn om de beoogde trillingsgevoelige functies mogelijk te maken, zodat (conform de SBR‐richtlijn) sprake is van een acceptabel niveau van trillinghinder.
Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen. 4.10
Duurzaamheid en energie Duurzaamheid is onder andere zodanig bouwen, renoveren en beheren dat, gedurende de hele kringloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het begrip duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw. Rotterdam heeft een ambitieus klimaatprogramma vastgesteld. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam moet bij het ontwerp van gebouwen rekening worden gehouden met duurzaam bouwen‐principes en de energieprestatie‐eisen. Rotterdam streeft daarnaast naar een goede balans tussen sociale (people), ecologische (planet) en economische (profit) belangen bij het nemen van beslissingen en het uitvoeren van activiteiten. De gemeente heeft daartoe in september 2019 het Duurzaamheidskompas vastgesteld. Deze geeft richting, zet alle ambities op het gebied van duurzaamheid in Rotterdam op een rij en geeft een overzicht van alle relevante beleidsstukken. Het Duurzaamheidskompas is nadrukkelijk een ‘levend’ document dat regelmatig wordt geactualiseerd met nieuwe speerpunten.
De doelstellingen van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn onder te verdelen in vier ambities; de energietransitie, de transitie naar een circulaire economie en een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving. De gemeente Rotterdam beschikt naast het benoemde Programma Duurzaam, ook over het document ‘De Rotterdamse Woningkwaliteit’ (RWK). Het RWK is een eenvoudig systeem van aanvullende kwaliteiten op het Bouwbesluit 2012 en bestaat uit de zes thema’s oppervlakte, veiligheid, toegankelijkheid, duurzaamheid, flexibiliteit en comfort. Het RWK is vrijblijvend te gebruiken. Bij het informatiepunt Duurzaam Rotterdam van gemeentewerken Rotterdam kunnen medewerkers, partners en bewoners van de gemeente Rotterdam informatie aanvragen over duurzaam bouwen en duurzame voorbeeldprojecten in Rotterdam. Daarnaast dient aandacht te worden besteed aan compact en tevens flexibel bouwen, en het toepassen van gerecyclede en tevens emissieloze bouwmaterialen. Daarnaast hecht de gemeente aan een ontwikkeling van het gebied op basis van de ‘Rotterdam Resilence Strategie’. Binnen deze ‐ 36 ‐
Strategie zijn drie trends voor de gemeente extra belangrijk: Circulariteit, Klimaatadaptatie en Energietransitie. Binnen deze trends komen steeds vier centrale thema’s aan de orde: Water, Groen, Energie en Materialen. Van belang is de mate waarin en de manier waarop de woningen, de buitenruimten en de gebiedsontwikkeling als geheel worden ontworpen in het kader van deze Strategie, Trends en Thema’s. Zoals aangegeven is nog géén sprake van een concreet bouwplan. Algemeen kan worden opgemerkt dat de beoogde ontwikkeling gebouwd zal worden conform het geldende Bouwbesluit. Ten opzichte van de huidige situatie leidt dit tot beter geïsoleerde en meer energiezuinige bebouwing. Dit heeft tot gevolg dat sprake zal zijn van een verminderde CO2‐ uitstoot en een verbetering van de energie‐efficiënte. Voorts zijn door de gemeente uitgangspunten geformuleerd met betrekking tot duurzaamheid die aan de basis staan van de verkoopvoorwaarden van de grond. Het is daarnaast ook aan de eindgebruikers van hun woning om deze naar eigen wens zo energiezuinig mogelijk in te richten, bijvoorbeeld door het toepassen van waterbesparende kranen, het aanleggen en gebruiken van zonne‐energie en het toepassen van led‐verlichting. De herontwikkeling van het plangebied zelf kan eveneens gezien worden als een duurzame ontwikkeling.
Met dit bestemmingsplan wordt ingespeeld op een bredere differentiatie van woningen binnen het bestaand stedelijk gebied. Dit draagt bij aan een opwaardering van het wooncomfort en daarmee ook de leefbaarheid in de buurt. 4.11
Besluit m.e.r. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.‐procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het Besluit m.e.r. bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.‐beoordeling benodigd is, staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen wordt per activiteit de drempelwaarden beschreven. Voor deze ruimtelijke onderbouwing is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.‐ (beoordelings)plicht kennen. Hierbij is één activiteit gevonden die mogelijk m.e.r‐ (beoordelings)plichtig is, te weten: 1. D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, bij een oppervlakte van 100 hectare of meer aaneengesloten gebied en dat 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft.
De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van een stedelijk ontwikkelingsproject, bestaande uit maximaal 100 wooneenheden en 400 m2 bvo aan commerciële ruimten. Daarmee blijft de omvang ruim onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.2. Het bestemmingsplan is daarom niet plan m.e.r.‐plichtig. Op grond van artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. is echter wel een zogenaamde vormvrije m.e.r.‐beoordeling nodig. Als blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een uitgebreide m.e.r.‐beoordeling noodzakelijk. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten: Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting
‐ 37 ‐
Kenmerken project / activiteit: de omvang van het project betreft het realiseren een stedelijk ontwikkelingsproject, bestaande uit maximaal 100 wooneenheden en 400 m2 bvo aan commerciële ruimten. Daarmee zit de beoogde ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen / bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2. Tevens is deze herontwikkeling voorzien op een locatie al bebouwing aanwezig is. Het betreft hier reeds bestaand stedelijk gebied, waarbij in de omgeving diverse woningen aanwezig zijn. De realisatie van de woningen, met name met betrekking tot verkeer, heeft slechts een minimaal effect. De omliggende wegen worden namelijk gebruikt voor de omliggende functies, alsook voor de eerder in het plangebied aanwezige functie. Het plan voldoet ruimschoots aan de wettelijke bepalingen voor de luchtkwaliteit en kan zonder verdere maatregelen worden uitgevoerd. Plaats van het project / activiteit: het plangebied ligt in het bestaand stedelijk gebied van Rotterdam. Voor de beoogde herontwikkeling zijn meerdere omgevingsaspecten nader beoordeeld en/of onderzocht (zie hiervoor de voorgaande paragrafen). Samenhang met andere activiteiten: er is geen samenhang met andere plannen/ontwikkelingen buiten het plangebied. Binnen het plangebied wordt de realisatie van een woningbouwproject mogelijk gemaakt.
De onderzoeken naar de verscheidene milieueffecten zijn in het eerdere deel van dit hoofdstuk toegelicht. Daarnaast belemmert de planontwikkeling de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet. Kenmerken van de (mogelijk belangrijke) nadelige milieugevolgen: uit de voorgaande paragrafen in dit hoofdstuk blijkt, dat de beoogde herontwikkeling niet leidt tot belangrijke milieugevolgen. Op grond van bovenstaande beschouwing wordt geconcludeerd, dat dit bestemmingsplan niet m.e.r.(beoordelings)‐plichtig is. Het bestemmingsplan is evenmin kaderstellend voor mogelijke toekomstige m.e.r.(beoordelings)‐plichtige activiteiten, zodat het bestemmingsplan niet plan m.e.r.‐plichtig is.
‐ 38 ‐
5.
JURIDISCHE ASPECTEN
5.1
Inleiding Het bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een plankaart (verbeelding) met daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of aanwezige bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. Samen met de regels is dit het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de planregels.
5.2
De opzet van de planregels De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs‐ en slotregels. Inleidende regels In de inleidende regels staan de algemene bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. De begripsbepalingen (art. 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (art. 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes etc. Bestemmingsregels De bestemmingen beginnen telkens met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de desbetreffende bestemming is toegekend, mogen worden gebruikt. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door een bepaling waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan (bouwregels). Alle regels die op een bepaalde bestemming van toepassing zijn, worden zoveel mogelijk in de bestemmingsregels zelf geregeld. Op deze wijze wordt bij de digitale versie van het plan bij het aanklikken op een adres of bestemmingsvlak zo veel mogelijk informatie gegeven zonder dat er verder doorgeklikt behoeft te worden. Dit bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen: Enkelbestemmingen Artikel 3 Wonen
Dubbelbestemmingen Artikel 4 Waarde – Archeologie ‐ 1
In het vervolg van deze paragraaf wordt per bestemming een nadere toelichting gegeven. Artikel 3 – Wonen Deze bestemming is gelegd op de gronden waar de woningen zijn voorzien. Daarbij geldt dat binnen het gehele plangebied niet meer dan 100 woningen aanwezig mogen zijn. Op de begane grond zijn ook commerciële voorzieningen toegestaan, zoals maatschappelijke voorzieningen, horeca en bedrijvigheid tot en met milieucategorie 2. Deze functies zijn uitwisselbaar met elkaar, maar er zijn wel beperkingen van kracht. Zo mag het totale bruto vloeroppervlak niet meer bedragen dan 400 m2. De woningen mogen onder voorwaarden mede gebruikt worden voor een aan‐huis‐verbonden beroep/bedrijf. Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting
‐ 39 ‐
Voor het bouwen van gebouwen geldt, dat deze uitsluitend zijn toegestaan binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Daarbij geldt, dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de hoogte zoals met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ op de verbeelding is aangegeven. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – hoogteaccent’ is bovenop de aangegeven hoogte een architectonische afwerking met een hoogte van maximaal 4 meter toegestaan. Artikel 4 – Waarde – Archeologie ‐ 1 Het gehele plangebied is voorzien van een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie ‐ 1”. Uitgangspunt voor deze bestemming is, dat potentiële aanwezige archeologische waarden beschermd dienen te worden. Bij verstoringen van de bodem dient een archeologisch rapport te worden opgesteld alvorens met de verstorende activiteit begonnen kan worden. In het concreet komt dit neer op een inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen. Dit geldt zowel voor bouwwerkzaamheden als voor overige werkzaamheden. Aan een te verlenen vergunning kunnen voorwaarden verbonden worden. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemverstorende activiteiten die een terreinoppervlak van meer dan 200 m² beslaan en dieper reiken dan een diepte van 1,5 meter beneden NAP. Algemene regels Dit hoofdstuk bevat vier algemene regels.
Artikel 5 Anti‐dubbeltelregel De anti‐dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 6 Algemene afwijkingsregels Door middel van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders afwijken van de regels ten aanzien van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw ten behoeve van een architectonisch verantwoorde afronding van de bovenste bouwlaag. De bouwhoogte kan in dat geval met 1,5 meter verhoogd worden. Artikel 7 Geluidsgevoelige functies Bij nieuwe situaties in de zin van de Wet geluidhinder is de realisatie van geluidsgevoelige functies (in de zin van de Wet geluidhinder), alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden van de Wet geluidhinder, dan wel aan het besluit hogere grenswaarden dat aan dit bestemmingsplan is toegevoegd. Artikel 8 Voorwaardelijke verplichting over parkeren Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen.
Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto’s én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. ‐ 40 ‐
Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel 13 een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”. Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto’s conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd.
Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto’s en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning. Beleidsregeling De op dit moment geldende “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” is via de volgende link te raadplegen: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Rotterdam/486392/486 392_1.html. De desbetreffende beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is.
Overgangs‐ en slotregels In artikel 9 is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste artikel is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.
Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting
‐ 41 ‐
‐ 42 ‐
6.
UITVOERBAARHEID
6.1
Financiële uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. Omdat de voorgenomen ontwikkeling betrekking heeft op een aangewezen bouwplan en de gemeente graag anderszins in de grondexploitatiekosten voorziet, is tussen de gemeente en initiatiefnemer een overeenkomst gesloten. De gemeente vervult daarmee enkel een kaderstellende en toetsende rol. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het project vanuit gemeentelijk oogpunt financieel uitvoerbaar is.
6.2
Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro Op grond van artikel 3.1.1. Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het concept ontwerpbestemmingsplan is dan ook toegezonden aan de volgende partijen: • Ministerie van Infrastructuur en Milieu; • Ministerie van Defensie; • Ministerie van Economische Zaken, landbouw en Innovatie; • Inspectie Leefomgeving en Transport; • Metropoolregio Rotterdam‐Den Haag; • Rijkswaterstaat; • Waterschap Hollandse Delta; • DCMR Milieudienst Rijnmond; • Bureau voor Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR); • Evides; • Veiligheidsregio Rotterdam‐Rijnmond (VRR); • ProRail; • Warmtebedrijf Rotterdam; • KPN Telecom; • VWS Pipeline Control; • Tennet; • Stedin; • Gasunie. Van de Gasunie, het waterschap zijn formele reacties ontvangen, waarin is aangegeven dat het plan hun belangen niet schaadt. Zowel Prorail als de VRR hebben een inhoudelijke reactie gegeven. De VRR merkt op dat gezorgd dient te worden voor een toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat de hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden.
Tevens vragen zij om adequate voorlichting voor de eindgebruikers, zodat zij weten hoe te handelen tijdens een calamiteit. Dit door middel van de campagne “Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand”. Deze reactie wordt ter kennisname aangenomen en meegenomen in het kader van de nadere uitwerking van het bouwplan en de exploitatie daarvan.
Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting
‐ 43 ‐
Van Prorail geeft aan het aspect trillingshinder nader te laten onderzoeken, aangezien het bouwplan op relatief korte afstand van het spoor gerealiseerd wordt. Naar aanleiding hiervan is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen, alsook een passage in de milieuparagraaf. Van de overige overlegpartners is binnen de gevraagde termijn geen reactie ontvangen, op basis waarvan wordt gesteld dat deze partners zich kunnen vinden in dit bestemmingsplan.
‐ 44 ‐
II.
REGELS
‐ 46 ‐
INHOUDSOPGAVE PLANREGELS HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS.............................................................................................. 49 Artikel 1 – Begrippen......................................................................................................................... 49 Artikel 2 – Wijze van meten .............................................................................................................. 52 HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS.......................................................................................... 53 Artikel 3 – Wonen ............................................................................................................................. 53 Artikel 4 – Waarde – Archeologie ‐ 1 ................................................................................................ 55 HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS ............................................................................................... 57 Artikel 5 – Antidubbeltelregel ........................................................................................................... 57 Artikel 6 – Algemene afwijkingsregels .............................................................................................. 57 Artikel 7 – Geluidsgevoelige functies ................................................................................................
57 Artikel 8 – Voorwaardelijke verplichting over parkeren ................................................................... 57 HOOFDSTUK 4 OVERGANGS‐ EN SLOTREGELS .............................................................................. 59 Artikel 9 – Overgangsrecht................................................................................................................ 59 Artikel 10 – Slotregel ......................................................................................................................... 59
Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Regels
‐ 47 ‐
‐ 48 ‐
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 – Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: Plan het bestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP2172Dukdalf‐on01 van de gemeente Rotterdam. Bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. Verbeelding de digitale plankaart. Verdere begrippen in alfabetische volgorde: Aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. Aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. Archeologisch deskundige het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige. Bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bedrijven de bedrijven genoemd in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten. Bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. Bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met een zelfde bestemming.
Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Regels
‐ 49 ‐
Bouwaanduidingen alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken. Bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. Bouwgrens de grens van een bouwvlak. Bouwlaag Het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en een plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, zolder, souterrain, parkeerplint, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als aparte bouwlaag geteld. Bouwverordening de Bouwverordening Rotterdam, zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. Bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. Bruto vloeroppervlak het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn‐, expeditie‐, kantoorruimten). Gebouwde parkeer‐ en fietsvoorzieningen worden hiertoe niet gerekend.
Daktuin en/of dakterras een bouwkundige voorziening op het platte dak van een gebouw, dat bestaat uit een te betreden vlak, geheel of gedeeltelijk omgeven door een hekwerk zoals voorgeschreven in het Bouwbesluit. Gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Geluidsgevoelige objecten (in de zin van de Wet geluidhinder) Hieronder worden verstaan de in de Wet geluidhinder aangewezen objecten: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. NB: Delen van deze gebouwen kunnen worden uitgezonderd wanneer deze een bestemming krijgen voor een functie die niet als geluidsgevoelig kan worden beschouwd.
‐ 50 ‐
Horeca horecabedrijven behorend tot maximaal categorie 1 als bedoeld in de Horecanota Rotterdam 2017‐2021. (Kleinschalige) voorzieningen voor openbaar nut op het openbaar leidingennet aangesloten voorzieningen op het vlak van gas‐, water‐, elektriciteitsdistributie, (stads)verwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt hier niet onder begrepen). Maaiveld de bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden. Maatschappelijke voorzieningen voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening. Milieudeskundige de DCMR Milieudienst Rijnmond of de daarvoor in de plaats tredende instantie. NAP het Normaal Amsterdams Peil is de referentiehoogte waaraan hoogtemetingen in Nederland worden gerelateerd. Ongebouwd (gevel)terras een buiten de besloten ruimte liggend deel van een horecabedrijf, waar tegen vergoeding dranken worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt. Pand de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig‐constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. Peil de hoogte van het terrein ter hoogte van (hoofd)toegang bij voltooiing van de bouw.
Plint het onderste gedeelte van een gebouw dat gezien vanaf maaiveldniveau, als bepalend kan worden aangemerkt voor de beleving in stedenbouwkundige, architectonische en functionele zin. Wet geluidhinder de Wet geluidhinder zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan.
Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Regels
‐ 51 ‐
Artikel 2 – Wijze van meten 2.1
Meten Bij de toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten: a. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels ( en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. b. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, liftopbouwen, technische ruimten, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
2.2
Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als gevel‐ en kroonlijsten, luifels, balkons, dakgoten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 0,5 meter bedraagt.
‐ 52 ‐
HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 – Wonen 3.1
Bestemmingsomschrijving De op de verbeelding voor “Wonen” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen; b. maatschappelijke voorzieningen; c. horeca tot en met categorie 1b uit de Staat van Horeca‐activiteiten behorende bij deze regels; d. bedrijven tot en met categorie 2, zoals opgenomen in de bij deze regels behorende Lijst van Bedrijfsactiviteiten; met de daarbij behorende: e. tuinen en erven; f. (inpandige) bergings‐, stallings‐ en afvalcontainerruimte(n); g. ontsluitingswegen en ‐paden; h. bijbehorende bouwwerken; i. kleinschalige voorzieningen voor openbaar nut en verkeer en vervoer; j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.2
Bouwregels
3.2.1 Algemeen Op de voor “Wonen” bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functies. 3.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. het totaal aantal woningen mag niet meer dan 100 bedragen; b. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd; c. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan de hoogte zoals met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte’ op de verbeelding is aangegeven, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding ‐ hoogteaccent’ een architectonische afwerking tot 50 meter is toegestaan. 3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 3 meter mag bedragen. 3.3
Voorwaardelijke verplichting onderzoek trillingshinder een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen kan alleen worden verleend wanneer er is aangetoond dat een goed woon‐ en leefklimaat conform SBR richtlijn B gegarandeerd kan worden met betrekking tot het aspect trillingshinder.
Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Regels
‐ 53 ‐
3.4 Specifieke gebruiksregels 3.4.1 Aan‐huis‐gebonden beroep/bedrijf Woningen mogen mede worden gebruikt voor de uitoefening van een aan‐huis‐gebonden beroep/bedrijf, mits: a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft, waarbij het bruto vloeroppervlak van de woning voor ten hoogste 30% mag worden voor een aan huis gebonden beroep of bedrijf; b. de gevel en dakrand van de woning niet worden gebruikt ten behoeve van reclame‐ uitingen; c. er geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op het onderhouden en repareren van motorvoertuigen; d. er geen detailhandel plaatsvindt, tenzij als ondergeschikt onderdeel van het aan huis gebonden beroep of bedrijf. 3.4.2 Oppervlaktematen Voor de voorzieningen als bedoeld in 3.1 onder b tot en met e gelden de volgende regels; a. de voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan in de plint; b. het bruto vloeroppervlak aan voorzieningen in totaal niet meer dan 400 m2 mag bedragen; c. bij het bruto vloeroppervlak aan horeca wordt een ongebouwd (gevel)terras niet meegerekend. 3.4.4 Dakterras/daktuin Het dak van hoofdgebouwen mag gebruikt worden als dakterras/daktuin, waarbij geldt dat: a. bijbehorende bouwwerken, zoals bergingsruimten, tuinhuizen, kassen en dergelijke zijn toegestaan, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer dan 3 meter mag bedragen; b.
de hoogte van een afscheiding rondom een daktuin en/of dakterras niet meer dan 1,50 meter mag bedragen.
‐ 54 ‐
Artikel 4 – Waarde – Archeologie ‐ 1 4.1
Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde – Archeologie ‐ 1’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.
4.2
Bouwregels
4.2.1 Rapport archeologisch deskundige In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om omgevingsvergunning voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) welke voldoen aan de oppervlakte‐ en/of dieptematen welke genoemd zijn in 4.3.1. 4.2.2 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning de volgende regels verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. 4.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.3.1 Verbod In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de in 4.3.2 onder a t/m f genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken 1,5 meter beneden N.A.P. en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m² beslaan. 4.3.2 Vergunningvereiste Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het indrijven van voorwerpen in de bodem; c. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;
Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Regels
‐ 55 ‐
4.3.3 Uitgezonderde werkzaamheden Het vergunningvereiste geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg‐ en leidingcunetten. 4.3.4 Vergunning Vergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan burgemeester en wethouders heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 4.3.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
‐ 56 ‐
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS Artikel 5 – Antidubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 6 – Algemene afwijkingsregels 6.1
Afwijking toegestane bouwhoogte architectuur Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels ten aanzien van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 meter, uitsluitend toe te passen ingeval extra bouwhoogte nodig is voor een architectonisch verantwoorde afronding van de bovenste bouwlaag.
Artikel 7 – Geluidsgevoelige functies Bij nieuwe situaties in de zin van de Wet geluidhinder is de realisatie van geluidsgevoelige functies (in de zin van de Wet geluidhinder), alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden van de Wet geluidhinder, dan wel aan het besluit hogere grenswaarden dat aan dit bestemmingsplan is toegevoegd.
Artikel 8 – Voorwaardelijke verplichting over parkeren Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en het gebruik van gronden of bouwwerken op grond van de regels in hoofdstuk 2 kan uitsluitend worden verleend als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen, overeenkomstig het in de gemeente Rotterdam geldende beleid ten aanzien van parkeren.
Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Regels
‐ 57 ‐
‐ 58 ‐
HOOFDSTUK 4 OVERGANGS‐ EN SLOTREGELS Artikel 9 – Overgangsrecht 9.1
Overgangsrecht bouwwerken
9.1.1 Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 9.1.2 Burgemeester en wethouders kunnen éénmalig afwijken van het bepaalde in 9.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 9.1.3 Het bepaalde in 9.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 9.2
Overgangsrecht gebruik
9.2.1 Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 9.2.2 Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 9.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 9.2.3 Indien het gebruik, bedoeld in 9.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 9.2.4 Het bepaalde in 9.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 10 – Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord”, gemeente Rotterdam.
Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Regels
‐ 59 ‐
‐ 60 ‐
Bijlage bij de regels: Staat van Horeca‐activiteiten Categorie I 'lichte horeca' Horecabedrijven die, gelet op hun activiteiten en de aard van de omgeving, overwegend overdag en 's avonds zijn geopend. Dit hoofdzakelijk voor de verstrekking van etenswaren, maaltijden en dranken. Hierdoor veroorzaken zij slechts beperkte hinder voor omwonenden. Binnen deze categorie worden de volgende subcategorieën onderscheiden: 1a. Aan de detailhandelsfunctie verwante horeca Horecabedrijven zoals: ‐ broodjeszaak, crêperie, croissanterie; ‐ cafetaria, koffiebar, theehuis; ‐ lunchroom; ‐ ijssalon; ‐ snackbar. 1b. Overige lichte horeca Horecabedrijven zoals: ‐ bistro, eetcafé; ‐ kookstudio; ‐ poffertjeszaak/pannenkoekenhuis; ‐ restaurant (zonder bezorg‐ en/of afhaalservice); ‐ shoarmazaak/grillroom; ‐ wijn‐ of whiskyproeverij. 1c. Bedrijven met een relatief grote verkeersaantrekkende werking Horeca bedrijven zoals: ‐ bedrijven genoemd onder 1a en 1b met een vloeroppervlak van meer dan 400 m²; ‐ restaurant met bezorg‐ en/of afhaalservice.
Categorie 2 'middelzware horeca' Bedrijven die, gelet op hun activiteiten en de aard van de omgeving, overwegend ook delen van de nacht zijn geopend. Dit hoofdzakelijk voor de verstrekking van dranken al dan niet in combinatie met het verstrekken van etenswaren en maaltijden. Hierdoor kunnen zij aanzienlijke hinder voor omwonenden veroorzaken: Horecabedrijven zoals: ‐ bedrijven uit categorie 1 die gelet op de aard van hun omgeving ook delen van de nacht geopend zijn; ‐ bar, bierhuis, café, pub; ‐ biljartcentrum; ‐ café‐restaurant.
Categorie 3 'zware horeca' Bedrijven die voor een goed functioneren ook 's nachts geopend zijn. Dit hoofdzakelijk voor de verstrekking van dranken al dan niet in combinatie met etenswaren en maaltijden en die tevens een groot aantal bezoekers aantrekken en daardoor grote hinder voor de omgeving met zich mee kunnen brengen: Horecabedrijven zoals:
Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Regels
‐ 61 ‐
‐ bar‐dancing; ‐ dancing; ‐ discotheek; ‐ nachtclub; ‐ zalenverhuur/partycentrum (regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek‐ /dansevenementen).
‐ 62 ‐
III.
BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)
IV
VERBEELDING
VERKLARING
nss
t
Plangebied Dukdalf / Persoonsstraat 1 94108
traa
7892
soo
6476
Per
Enkelbestemmingen W
Wonen
Dubbelbestemmingen WR-A1
Waarde - Archeologie - 1
Bouwvlakken
[sba-ha]
bouwvlak 46
W WR-A1
Bouwaanduidingen
1
[sba-ha]
17 70
specifieke bouwaanduiding hoogteaccent
Maatvoeringen
28
maximum bouwhoogte (m)
19-
31
11-
17
17
127
14 project:
Dukdalf / Persoonsstraat 1 gemeente:
Rotterdam fase:
Ontwerpbestemmingsplan opdrachtgever:
gemeente Rotterdam
09
1
datum : 22 december 2020 2 -8
schaal : 1 : 500
72
identificatienummer: : NL.IMRO.0599.BP2172Dukdalf-on01 o_NL.IMRO.0599.BP2172Dukdalf-on01 ondergrond: :
1 11
124
6 -8
84
88
-9
0
Postbus 6083 3002 AB Rotterdam email: info@bodg.nl tel: 06-48384580