CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb5675 Bijlage 1 behorende bij 21bb5624 over Ontwerpbestemmingsplan Dukdalf-locatie, Feijenoord

Gemeenteraad 17 juni 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 10. Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Dukdalf-locatie Feijenoord’.15.869 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ONTWERP

BESTEMMINGSPLAN DUKDALF‐LOCATIE, FEIJENOORD

22 december 2020

ONTWERP

BESTEMMINGSPLAN DUKDALF LOCATIE, FEIJENOORD

concept ontwerp ontwerp vaststelling

4 november 2020 22 december 2020

direct

pers

creatief

oonli

jk vlot

betrokken atisch pragm

kundig

held

er

dyna

misc

h

BOdG Ruimtelijk Advies B.V. Postbus 6083 3002 AB Rotterdam www.BOdG.nl

INHOUDSOPGAVE

I.

TOELICHTING

II.

REGELS

III.

BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)

IV.

VERBEELDING

I.

TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE TOELICHTING 1.

2.

3.

4.

INLEIDING .............................................................................................................................. 11 1.1

Aanleiding ............................................................................................................................... 11

1.2

Ligging en begrenzing ............................................................................................................. 11

1.3

Vigerend bestemmingsplan .................................................................................................... 11

1.4

Gekozen planopzet ................................................................................................................. 12

BELEIDSKADER ....................................................................................................................... 13 2.1

Nationaal beleid ...................................................................................................................... 13

2.2

Provinciaal beleid .................................................................................................................... 14

2.3

Gemeentelijk beleid ................................................................................................................ 16

2.4

Ladder voor duurzame verstedelijking ................................................................................... 18

BESCHRIJVING VAN HET PLAN ............................................................................................... 21 3.1

Omgeving en huidig gebruik ................................................................................................... 21

3.2

Projectbeschrijving ................................................................................................................. 24

TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN.................................................................................. 27 4.1

Water ...................................................................................................................................... 27

4.2

Milieuzonering ........................................................................................................................ 28

4.3

Geluid ...................................................................................................................................... 29

4.4

Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 31

4.5

Externe veiligheid ................................................................................................................... 31

4.6

Bodem ..................................................................................................................................... 33

4.7

Archeologie ............................................................................................................................. 33

4.8

Flora en fauna ......................................................................................................................... 34

4.9

Trillingshinder ......................................................................................................................... 35

4.10 Duurzaamheid en energie ...................................................................................................... 36 4.11 Besluit m.e.r. ........................................................................................................................... 37 5.

6.

JURIDISCHE ASPECTEN ........................................................................................................... 39 5.1

Inleiding .................................................................................................................................. 39

5.2

De opzet van de planregels .................................................................................................... 39

UITVOERBAARHEID ............................................................................................................... 43 6.1

Financiële uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 43

6.2

Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro ............................................................................................ 43

Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting

‐9‐

‐ 10 ‐

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding Op het perceel Persoonsstraat 1 te Rotterdam staat het schoolgebouw De Dukdalf. Het gebouw wordt al geruime tijd niet meer voor onderwijsactiviteiten gebruikt en deze functie is hier ook niet meer voorzien. Omdat het huidige pand weinig toevoegt aan de omgeving en de ruimtelijke kwaliteit ondermaats is, is het wenselijk de locatie naar een woonfunctie te herontwikkelen. Daarmee kan de locatie bijdragen aan de verdere ontwikkeling van de wijk Feijenoord. Het geldende bestemmingsplan “Feijenoord” staat de realisatie van de beoogde woningbouwontwikkeling niet toe (zie § 1.3). Dit bestemmingsplan voorziet daarom in een herziening van het geldende plan om de ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2

Ligging en begrenzing Aan de zuidoever van de Nieuwe Maas bevindt zich de zogenaamde ‘Kop van Feijenoord’, als onderdeel van de wijk Feijenoord. Het plangebied bevindt zich op het snijvlak van de Oranjeboomstraat en de doodlopende Persoonsstraat. Het betreft overwegend het terrein van de voormalige basisschool “De Dukdalf”. De begrenzing van het plangebied is afgestemd op de uit te geven gronden voor de beoogde woningbouwontwikkeling.

Afbeelding 1: Ligging van het plangebied in Rotterdam (links) en in de directe omgeving (rechts).

1.3

Vigerend bestemmingsplan Voor de locatie is op dit moment het bestemmingsplan "Feijenoord" het geldende juridisch‐ planologisch kader. Dit plan is door de gemeenteraad van Rotterdam op 20 december 2010 gewijzigd vastgesteld. Na uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 25 september 2013 is het bestemmingsplan onherroepelijk geworden maar zijn wel enkele onderdelen vernietigd; dit is echter niet van toepassing op de gronden binnen het plangebied. Ter plaatse van het plangebied (zie afbeelding 2) is momenteel sprake van meerdere bestemmingen. Zo is het voormalige terrein van basisschool “De Dukdalf” voorzien van de bestemming ‘Maatschappelijke voorzieningen I’, waardoor deze gronden bestemd zijn voor

Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting

‐ 11 ‐

voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, cultuur, gezondheidszorg, maatschappelijke en publieke dienstverlening. Op deze gronden mag uitsluitend gebouwd worden ten behoeve van deze functies. Hierbij geldt, dat niet meer dan 80% van de gronden daadwerkelijk bebouwd mag worden. De bouwhoogte van gebouwen is gemaximeerd op 8 meter. De overige gronden binnen het plangebied zijn voorzien van de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ en daarmee bestemd voor voorzieningen ten behoeve van wandelen, verblijven en spelen en voor rijdende en stilstaande voertuigen. Ook groenvoorzieningen en waterpartijen worden als passend aangemerkt. De bouwmogelijkheden op deze gronden zijn zeer beperkt. Alleen in de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en kleine gebouwen voor openbaar nut en verkeer en vervoer zijn toegestaan.

Afbeelding 2: Uitsnede plankaart bestemmingsplan “Feijenoord” (plangebied oranje omkaderd).

Geen van de nu geldende bestemmingen maakt de bouw van woningen mogelijk. Daarnaast is een deel van het beoogde gebouw voorzien op gronden waar geen gebouwen mogen worden opgericht. Ook de maximaal gestelde hoogtemaat wordt overschreden. Het bestemmingsplan “Feijenoord” kent verder geen afwijkings‐ of wijzigingsbevoegdheden om het beoogde bouwplan en de gewenste buitenruimte te realiseren. 1.4

Gekozen planopzet Dit bestemmingsplan biedt een juridisch‐planologische regeling die voorziet in voldoende flexibiliteit om de geplande ontwikkeling te realiseren. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 2) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 3). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Wat betreft de planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam, met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).

‐ 12 ‐

2.

BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de belangrijkste beleidsstukken aangehaald die betrekking hebben op Rotterdam en in het bijzonder die voor dit plan.

2.1

Nationaal beleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SVIR) vastgesteld. Deze visie vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt de visie de ruimtelijke doelen en uitspraken in diverse documenten, zoals de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. De SVIR geeft daarmee een totaalbeeld van het ruimtelijk‐ en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau en is de ‘kapstok’ voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Door vaststelling van de SVIR geldt voor de ruimtelijke ordening in brede zin dat een aanzienlijk deel van de Rijkstaken is gedecentraliseerd. Alleen voor een beperkt aantal onderwerpen wordt de bevoegdheid om algemene regels te stellen ingezet. Het gaat hierbij om nationale belangen, zoals kustfundament, grote rivieren en primaire waterkeringen, waarvoor kaderstellende uitspraken zijn opgenomen. Deze zijn zodanig geformuleerd, dat ze beperkingen stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau.

Aangezien een structuurvisie geen bindende werking heeft voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld, zijn de nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen opgenomen in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en richt zich op doorwerking van nationale belangen in bestemmingsplannen. Daarnaast zorgt de AMvB voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Naast de in het Barro opgenomen nationale belangen is sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de 'SER‐ladder'). Deze ladder is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en bestond oorspronkelijk uit drie treden. Per 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn komen te vervallen. Daarnaast is het begrip ‘actuele regionale behoefte’ vervangen door ‘behoefte’. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling. Nationaal Programma Rotterdam‐Zuid (NPRZ) In september 2011 heeft de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tezamen met de gemeente Rotterdam en andere partners (corporaties, kennis‐/zorginstellingen en ondernemers) een handtekening gezet onder het Nationaal Programma Rotterdam‐Zuid.

Met deze ondertekening geven deze partijen uitwerking aan het advies, dat de commissie Deetman/Mans eerder dat jaar in opdracht van het Rijk opstelde. Deze commissie stelde dat Rotterdam‐Zuid een omvangrijke stapeling van sociaal‐ economische problemen in het zwakste deel van de woningmarkt in Nederland kent. Om een structurele verbetering te realiseren is een krachtige coalitie van deze partijen nodig. In het NPRZ staat de ambitie beschreven hoe Rotterdam‐Zuid er in 2030 uit moet zien. De doelstelling hierbij is dat het gemiddelde van de wijken op Rotterdam‐Zuid in 2030 vergelijkbaar wordt met het gemiddelde van de vier grote steden. Dit houdt voor de fysieke

Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting

‐ 13 ‐

pijler onder meer in, dat het de ambitie is om de wijken meer divers te maken: qua woningaanbod, bevolkingssamenstelling, voorzieningen en inkomensniveau. Door het creëren van aantrekkelijke woonmilieus worden de mensen die het sociaal en economisch beter krijgen (en nu vaak verhuizen) voor Zuid behouden. Hiervoor zijn investeringen nodig in de woningvoorraad en in de randvoorwaarden die de aantrekkelijkheid van het wonen bepalen. Uitgangspunt voor deze aantrekkelijke woonmilieus voor heel Zuid zijn de drie typen woonmilieus die in potentie aanwezig zijn: centrumstedelijk, rustig stedelijk en groenstedelijk wonen. Voor Feijenoord is het de ambitie om een rustig stedelijk woonmilieu te ontwikkelen. Conclusie nationaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan heeft geen invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Op basis van het Rijksbeleid kunnen de decentrale overheden maatwerk leveren en inspelen op specifieke wensen. Daarnaast blijkt uit paragraaf § 2.4, dat het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking en daarmee aan de SER‐ladder. Daarnaast draagt de beoogde ontwikkeling bij aan de doelstelling uit het NPRZ om het woonmilieu in Feijenoord te verbeteren. Geconcludeerd wordt, dat het plan in overeenstemming is met het nationaal beleid. 2.2

Provinciaal beleid Het provinciale omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid‐Holland. Naast de kaders maken uitvoeringsprogramma's en plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, deel uit van het provinciale omgevingsbeleid. In de uitvoeringsprogramma's en plannen zijn operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd. Omgevingsvisie Zuid‐Holland De Omgevingsvisie Zuid‐Holland, die per 1 april 2019 in werking is getreden, omvat geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. In deze Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd:  Naar een klimaatbestendige delta.  Naar een nieuwe economie: the next level.  Naar een levendige meerkernige metropool.  Energievernieuwing.  Best bereikbare provincie.  Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit wordt gewerkt vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid, Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven.

Omgevingsverordening Zuid‐Holland Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Deze is op 1 juli 2020 vastgesteld door Provinciale Staten en per 1 augustus 2020 in werking getreden. Hierin is onder andere de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening heeft betrekking op bestemmingsplannen.

‐ 14 ‐

Het plangebied is in de Omgevingsverordening Zuid‐Holland aangemerkt als bestaand stads‐ en dorpsgebied. Eén van de speerpunten van het ruimtelijk beleid is om dit gebied beter te benutten. Het beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Tegelijkertijd is het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Hierbij speelt de ladder voor duurzame verstedelijking een belangrijke rol. De provincie ziet graag dat deze ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten het bestaand stads‐ en dorpsgebied. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang.

Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten:  De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meerdere of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulissenlandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder.  Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied meer bijzonder of kwetsbaar is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap.

Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of

Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting

‐ 15 ‐

aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerreinen of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Conclusie provinciaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling vindt plaats in het bestaand stads‐ en dorpsgebied, waarvoor geldt dat de ruimte beter benut moet worden. De beoogde herontwikkeling van het plangebied draagt hieraan bij. De woningen passen binnen de woningbouwbehoefte van de gemeente Rotterdam, die is aanvaard door het college van Gedeputeerde Staten. Daarnaast maakt de herontwikkeling deel uit van het Nationaal Programma Rotterdam‐Zuid. Gezien dit programma en de urgentie om de sociaaleconomische problemen op te lossen, staat de vraag naar deze ontwikkeling niet ter discussie. Omdat voor de herontwikkeling geen nieuw ruimtebeslag wordt geclaimd, past de herontwikkeling van het plangebied binnen de ladder voor duurzame verstedelijking en daarmee ook binnen het provinciaal beleid (zie ook § 2.4). 2.3

Gemeentelijk beleid Stadsvisie Rotterdam 2030 De Stadsvisie Rotterdam 2030 is vastgesteld op 27 november 2007 door de gemeenteraad van Rotterdam. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de periode tot 2030 en heeft als missie te komen tot een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op het gebied van wonen en economie. Werkgelegenheid ontwikkelt zich namelijk alleen wanneer de stad een aantrekkelijk vestigingsklimaat vormt voor werknemers, met goede woningen inclusief de bijbehorende voorzieningen en buitenruimten: complete woonmilieus die aansluiten bij de wensen van de woonconsumenten. Vandaar dat extra wordt geïnvesteerd in aantrekkelijke groenstedelijke, rustig stedelijke en centrumstedelijke woonmilieus. Bijzondere architectuur en herontwikkeling van erfgoed worden daarbij ingezet als katalysator. In de Stadsvisie zijn op basis van effectmeting dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad'; de zogenoemde VIP‐gebieden, waaraan prioriteit wordt gegeven bij de uitwerking. Het plangebied maakt deel uit van het VIP‐gebied "Woonmilieu Kop van Zuid". Speerpunt hierbij is de realisatie van rustig en centrum‐stedelijk wonen aan het water en in gemengde wijken.

De beoogde kwaliteitsslag van het woon‐ en werkmilieu straalt uit op de bestaande stedelijke omgeving, waardoor (ook) het sociaaleconomisch klimaat van de stad verbetert, selectieve migratie wordt tegengegaan en de bevolkingssamenstelling evenwichtiger wordt. Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020 De in december 2016 vastgestelde Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld: ‐ 16 ‐

Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: o de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen, o te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat, en o woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: o een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad, o ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden, en o energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen. De basis op orde houden door: o het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen, o betaalbaarheidsproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk, o goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken, o toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt, en o woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning.

De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. Het betreft tevens een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren. Nationaal programma Rotterdam‐Zuid (NPRZ) Hoewel het NPRZ reeds is behandeld onder het Rijksbeleid in §2.1, wordt ook hier aandacht besteed aan dit beleid. Het NPRZ is namelijk uitgewerkt in een aantal gemeentelijke beleidsnota’s die van belang zijn. Zo is in 2013 het “Handelingsperspectief wijk Feijenoord” opgesteld. In de wijk is sprake van een eenzijdige woningvoorraad, grotendeels in eigendom van een woningcorporatie. Hierdoor is sprake van een eenzijdige bevolkingsopbouw, met weinig ruimte voor doorstroming binnen de wijk en instroom in de wijk. Ook de matige verbindingen tussen de verschillende buurten in de wijk en de matige verbindingen met omliggende wijken worden als een zwakte aangemerkt. De opgave is dan ook om meer differentiatie aan te brengen in het woningaanbod en om de verbindingen te verbeteren. Ten aanzien van de Oranjeboomstraat is het in dit handelingsperspectief geschetste wensbeeld om te komen tot een levendige straat met ruimte voor ontmoeting.

In het noordelijk deel van de straat zal sprake zijn van een mix aan functies, terwijl in het zuidelijk deel de woonfunctie centraal staat. In de straten rondom de Oranjeboomstraat is een rustig woonmilieu gewenst. Ook het ambitiedocument “Ruimtelijk perspectief Rotterdam Zuid” (2014) en opgesteld door de partners van het NPRZ, betreft een uitwerking van het programma. Dit document bestaat uit een ruimtelijke visie en een ontwikkelingsstrategie op hoofdlijnen. Het legt de relatie tussen de lange en de korte termijn, waarbij de ambitie is om van Rotterdam‐Zuid een stabiele woonomgeving te maken, vergelijkbaar met de rest van de vier grote steden in Nederland. Het document is bedoeld om de gezamenlijke uitvoering kracht bij te zetten.

Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting

‐ 17 ‐

Cultuurhistorische verkenning Feijenoord Voor de Feijenoord is in juli 2010 een cultuurhistorische verkenning vastgesteld, waarin de kenmerkende cultuurhistorische waarden voor het gehele stadsdeel zijn beschreven. Deze verkenning vormt een belangrijke basis voor de Nota’s van Uitgangspunten die worden gemaakt voor de nieuwbouw in dit deel van de stad. Zodoende kan een goede en complete afweging worden gemaakt over de incorporatie van de verkenning op blokniveau. Aanbevelingen die betrekking hebben op de omgeving van de Oranjeboomstraat betreffen het koesteren en versterken van het karakteristieke stratenpatroon met evenwijdige lange lijnen en haaks daarop staande dwarslijnen. Van groot belang daarbij is de rustige en samenhangende continuïteit in profiel, groen en gevelarchitectuur binnen het structuur‐ en ruimtebeeld van de lange lijnen. Elke ingreep/nieuwe invulling in de straatwand moet de specifieke stedenbouwkundige situering respecteren en de bestaande architectonische karakteristiek versterken. Van groot belang voor het structuur‐ en ruimtebeeld van de dwarslijnen zijn de flauwe knikken, de markante hoeken en de gelaagde afwisseling in de diepte. Ook dient aandacht te zijn voor de compositie van de koppen van het bouwblok, ze vormen de straatwand van de zijstraat en zijn meer dan de dichtgezette dwarsdoorsnede van een woningtype.

Hier is vaak aanleiding voor een bijzonder woon of bedrijfsprogramma. Visie en masterplan "Kop van Feijenoord" Voor een deel van de wijk Feijenoord is in 2009 de visie 'Kop van Feijenoord' vastgesteld. Vaststelling van het gelijknamige masterplan volgde in oktober 2012. De visie en het masterplan verwoorden de toekomstige ontwikkeling van dit gebied. De hoofdopgave is het woon‐ en leefklimaat voor de huidige bewoners te verbeteren, waardoor de wijk ook voor nieuwkomers aantrekkelijker wordt. Daarbij wordt onder andere ingezet op het aanpakken van de eenzijdige woningvoorraad en het kwalitatief opwaarderen van het woonmilieu met een optimale mix aan huur‐ en koopwoningen voor doelgroepen met een verschillende leefstijl en sociaal economische positie. Daarnaast is de insteek om de openbare ruimte optimaler te benutten door sterker in te zetten op kwaliteit en bruikbaarheid van parken, buurtgroen en de kwaliteiten van het aanwezige water. De wijk wordt daarmee beter verbonden met de binnenstad en de omringende wijken. De visie benoemt daartoe een samenhangend pakket aan maatregelen. Conclusie gemeentelijk beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan is erop gericht om een binnenstedelijke transformatie van een maatschappelijke voorziening naar woningbouw mogelijk te maken.

Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de doelstellingen uit het Nationaal Programma Rotterdam‐Zuid, om in de wijk Feijenoord te komen tot een meer gevarieerde woningvoorraad in de wijk Feijenoord. Tevens kunnen bewoners van Feijenoord hierdoor een volgende stap in hun wooncarrière maken. Dit is ook één van de belangrijkste doelstellingen van de gemeentelijke beleidskaders ten aanzien van Feijenoord. Gesteld wordt dat het plan aansluit op de doelstellingen zoals die omschreven zijn in het gemeentelijk beleid. De uitwerking van het bouwplan is vindt separaat plaats aan de wijziging van het bestemmingsplan. Toetsing aan welstandscriteria en cultuurhistoriasche waarden vindt in dat kader plaats. 2.4

Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 juli 2017 is het besluit tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening, in verband met de aanpassing van de ladder voor duurzame verstedelijking, in werking getreden. Met deze aanpassing zijn drie leden van artikel 3.1.6 van het Bro gewijzigd. In deze leden worden eisen gesteld aan de toelichting op een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Het nieuwe derde lid maakt het mogelijk dat bij bestemmingsplan kan worden ‐ 18 ‐

bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt opgenomen in de toelichting van het wijzigings‐ of het uitwerkingsplan. Daarnaast is het begrip ‘actuele regionale behoefte’ vervangen door ‘behoefte’. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling. In de huidige situatie zijn binnen het plangebied géén woningen aanwezig, waarmee het bestemmingsplan dus volledig toeziet op de toevoeging van nieuwe woningen. Het gaat hierbij om maximaal 100 wooneenheden. Dat er behoefte is aan de beoogde woningen blijkt uit de meest actuele provinciale Woning‐ behoefteraming (WBR2019). Deze provinciale prognose is bedoeld als “neutrale” kwantitatieve basis voor het provinciale woningbouwbeleid. Voor elke regio is berekend hoeveel extra woningen er nodig zijn, voor het huisvesten van nieuwe huishoudens. WBR2019 is een scenarioberekening van een demografisch model, waarbij (o.a.) wordt gerekend met ‘binnenlands migratiesaldo nul’ per gemeente. Op basis van deze raming blijkt dat de woningbouwproductie ten opzichte van de afgelopen jaren flink naar boven is bijgesteld.

Uit de meest recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt evenwel dat het uitgangspunt “binnenlands migratiesaldo nul” in Rotterdam niet opgaat; de groei van Rotterdam wordt immers voor een belangrijk deel óók veroorzaakt door de vestiging van mensen van buiten de stad. De vraag naar woningen is in werkelijkheid dan ook groter, vandaar dat in het Rotterdamse coalitieakkoord het opschroeven van de woningbouwproductie een belangrijk beleidsvoornemen is. Gezien het bovenstaande wordt gesteld dat geen sprake is van strijdigheid met het Rijks‐ en provinciaal beleid op het gebied van de ‘ladder voor duurzame verstelijking’. De realisatie van maximaal 100 woningen voorziet in de behoefte en de ontwikkeling past daarmee geheel binnen het nationaal en provinciaal beleid.

Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting

‐ 19 ‐

‐ 20 ‐

3.

BESCHRIJVING VAN HET PLAN In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het voornemen. Alvorens in te gaan op de beoogde nieuwe situatie, wordt aandacht besteed aan de bestaande situatie en het huidig gebruik.

3.1

Omgeving en huidig gebruik Tot ver in de 18e eeuw was het 'eiland Feijenoord' niets anders dan een zandplaat in de binnenbocht van de Maas. Tijdens de 17e en 18e eeuw werd Feijenoord stukje bij beetje bedijkt. Pas halverwege de 19e eeuw werd door het Rotterdamse gemeentebestuur een uitbreidingsplan vastgesteld, waarmee Feijenoord vooral het karakter kreeg van een haven‐ en industriegebied met geïsoleerde woonbuurten. In het begin van de 20e eeuw werd een deel van het huidige Feijenoord gebouwd als arbeiderswijk voor de havenindustrie. De ruimtelijke structuur draagt daar nog steeds de kenmerken van in het stratenpatroon, met haar noord‐zuid verbindingen. Nadat in 1974 de stadsvernieuwing in gang werd gezet, is de omgeving van het plangebied getransformeerd van een haven‐ en industriegebied met een ondergeschikte woonfunctie, naar een gemengd stedelijk gebied in de nabijheid van het Rotterdamse stadscentrum. Tijdens de stadsvernieuwing zijn veel woningen, voornamelijk gebouwd tussen 1910 en 1930, gerenoveerd en/of vervangen door nieuwbouw. Mede hierdoor is de stedenbouwkundige structuur verbrokkeld. De transformatie naar een gemengd stedelijk gebied gaat de komende jaren door met onder andere projecten rondom de Nassauhaven, Nassaukade, het Entrepotgebouw, de Willemsas, Piekstraat en kleine projecten binnen bestaand stedelijk weefsel.

De wijk is geïsoleerd gelegen tussen de Nieuwe Maas en de spoorlijn van Rotterdam naar Dordrecht. Het vele water in en langs de wijk (de Nieuwe Maas, de Persoonshaven en de Nassauhaven) geeft Feijenoord een eigen karakter. De mengeling van oude woningen, nieuwbouw en bedrijven maakt de wijk tot een stedelijk gebied.

Afbeelding 3: Ligging van de wijk Feijenoord (oranje omkaderd).

Het plangebied ligt tussen twee hoofdontwikkelingsgebieden in, te weten het Hefgebied en Rosestraat/Oranjeboomstraat aan de westzijde en Nassauhaven/Persoonsdam en Piekstraat/Nijverheidstraat als gebied aan de oostzijde. Door de diagonale oriëntatie van de

Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting

‐ 21 ‐

Persoonsstraat vormt deze ontwikkellocatie de verbindende schakel tussen de twee ontwikkelgebieden in de wijk Feijenoord. Ook is het een belangrijk oriëntatiepunt in de oost‐ westverbindingen voor langzaam verkeer tussen de wijk Feijenoord en de rest van de Kop van Zuid. In de wijk is dit een strategische en zichtbare locatie waar altijd een gebouw heeft gestaan met een maatschappelijke functie; eerst de Wilhelminakerk die in de jaren ’70 van de vorige eeuw is gesloopt en waarna het huidige schoolgebouw is gerealiseerd. De wegenstructuur en de openbare ruimte zijn hierop ingericht. Cultuurhistorie Het plangebied bevindt zich op de kruising van de Oranjeboomstraat met de Persoonsstraat. De zuidwestelijke grens van het plangebied wordt gevormd door de Oranjeboomstraat. Deze in 1884 aangelegde straat was opgevat als een brede boulevard met tramrails en brede trottoirs met bomen. De aaneengesloten straatwanden met woonhuizen en winkels voor de dagelijkse levensbehoeften werden ter hoogte van de Persoonsstraat onderbroken door de Nederlands Hervormde Wilhelminakerk.

Afbeelding 4: De Oranjeboomstraat in de eerste helft van de vorige eeuw.

De Oranjeboomstraat is nog steeds herkenbaar als een 19e ‐eeuwse belangrijke doorgaande laan op Zuid, hoewel de ten westen hiervan gelegen Rosestraat de echte doorgaande functie grotendeels heeft overgenomen. De kwaliteit van de 19e ‐eeuwse gebieden ligt in de opbouw van de straten en bebouwing; belangrijkste ingrediënten zijn het gesloten bouwblok met strakke rooilijnen en bijzondere hoekoplossingen. Het straatbeeld van de 19e ‐eeuwse wijken wordt in hoge mate bepaald door de klassieke verticale gevelopbouw per pand in plint, middendeel en bekroning in de vorm van een afwijkend vormgegeven bovenste laag. De ontsluiting van de woning ligt altijd aan de straat. De panden en ensembles hebben een

‐ 22 ‐

beperkte architectonische variatie. Dit draagt bij aan de eenheid in het straatbeeld, zorgt voor de herkenbaarheid van de 19e ‐eeuwse wijken en is bepalend voor de identiteit en aantrekkelijkheid ervan. In het recente verleden is de nodige sloop/nieuwbouw toegepast, waarmee de herkenbaarheid en daarmee de identiteit en aantrekkelijkheid van de Oranjeboomstraat flink onder druk is komen te staan.

Afbeelding 5: Nederlands hervormde Wilhelminakerk op de hoek van de Oranjeboomstraat en de Persoonsstraat (architect B. Hooykaas jr., 1897‐1898, gesloopt in 1973).

Huidige situatie Binnen het plangebied is op dit moment sprake van bestaande bebouwing. Het betreft hier een schoolgebouw dat in de jaren ‘80 van de vorige eeuw is gebouwd en het pand vertegenwoordigt geen architectonische waarde. Het schoolgebouw bestaat uit twee bouwlagen en is plat afgedekt. Vanwege de hoge verdiepingsvloeren bedraagt de totale bouwhoogte van het pand zo’n 8 meter. Daarmee is het pand circa 3 tot 5 meter lager dan de omliggende woonbebouwing. De buitenruimte is nagenoeg volledig verhard en ingericht als schoolplein.

Afbeelding 6: Huidige inrichting van het plangebied; het schoolgebouw staat rechts op de foto.

Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting

‐ 23 ‐

3.2

Projectbeschrijving Voor de ontwikkeling is door de gemeente een Nota van Uitgangspunten opgesteld, die als basis dient voor dit bestemmingsplan. Onderstaand worden deze beknopt toegelicht, maar de nota zelf vormt tevens een bijlage van dit bestemmingsplan. Voor een meer uitgebreide beschrijving, wordt dan ook verwezen naar dat document. Door de sloop van het schoolgebouw De Dukdalf ontstaat de mogelijkheid om een bijdrage te leveren aan de doelstelling uit het Nationaal Programma Rotterdam Zuid om het woon‐ en leefklimaat voor huidige én nieuwe bewoners te verbeteren. Het beoogde bouwplan behelst namelijk een duurzaam appartementencomplex dat in eigendom komt bij de Rotterdamse woningcorporatie Woonstad Rotterdam. Omdat in de wijk Feijenoord veelal meergezinswoningen zonder lift aanwezig zijn, draagt het bouwplan bij aan een betere woningdifferentiatie in de wijk. Daarnaast wordt door de beoogde nieuwbouw het bouwblok afgerond tot een gesloten bouwblok, in lijn met de bestaande bebouwing. Doordat het bouwplot een scherpe hoek betreft, heeft dit de potentie een bijzondere hoekoplossing te krijgen.

Afbeelding 7: Inpassing van het gebouw in de bestaande omgeving.

Het definitieve bouwplan is nog niet bekend. Dit bestemmingsplan legt daarom enkel de kaders vast. Het wordt aan de markt overgelaten hoeveel woningen exact gerealiseerd gaan worden, maar het maximaal aantal woningen is in de planregels vastgelegd op 100. Qua vormgeving van het gebouw wordt onderscheid gemaakt in drie verschillende bouwhoogtes, waardoor sprake is van een getrapt gebouw:  aan de zijde van het plein is sprake van een maximale bouwhoogte van 46 meter (14 bouwlagen). Hierdoor kan een hoogteaccent gerealiseerd worden, als verwijzing naar de Wilhelminakerk die tot begin jaren 70 van de vorige eeuw op deze locatie heeft gestaan. Tevens markeert een dergelijk accent duidelijk de noord‐zuid‐as en levert het

‐ 24 ‐

project een bijdrage aan de herkenbaarheid van de doorloop vanaf het Entrepot over de Oranjeboomstraat, door de Persoonsstraat richting de Persoonsdam; het middenvolume vormt een overgang tussen het hoogteaccent en de laagbouw. De bouwhoogte is hier gemaximeerd op 28 meter, waardoor hier zo’n 5 tot 8 bouwlagen gerealiseerd kunnen worden; de laagbouw sluit aan op de bestaande bebouwing langs de Oranjeboomstraat en de Persoonsstraat. Vandaar dat de bouwhoogte hier gemaximeerd is op respectievelijk 14 en 17 meter. Aan de zijde van de Oranjeboomstraat wordt, met in achtneming van de bestaande gevelopeningen, de nieuwbouw tegen de huidige bebouwing gebouwd. Aan de Persoonsstraat wordt een ruimte van 6 meter vrijgehouden van de bestaande gevels. Deze opening vormt de doorgang naar het binnenterrein en is de scheiding tussen oude en moderne architectuur.

De plint van het beoogde gebouw is een ideale locatie om de ruimte van het plein te betrekken bij de activiteiten en voorzieningen in de plint. Daarmee kan deze plint samen met het plein levendigheid brengen, een aanloopplek worden voor bewoners en bezoekers van de wijk. Het gebouw en het plein vormen een geheel. Vandaar dat op straatniveau (de plint) enkele afwijkende functies wordt toegestaan, zoals een lichte vorm van horeca en/of maatschappelijke voorzieningen. De combinatie van deze functies en woningbouw omarmt de gedachte van de inclusieve stad. Parkeren Vanaf 1 februari 2018 is de nieuwe parkeernorm in Rotterdam van kracht gegaan onder de naam ‘Beleidsregeling parkeernormen (Gemeente Rotterdam 2018)’. Het plangebied ligt binnen “Zone A ‐ Hoogstedelijk gebied”. Voor het ontwerp van het gebouw moet de nieuwe norm worden gehanteerd; binnen deze norm kan worden gekeken naar vrijstellingen die verder worden beschreven in het beleidsdocument. In de planregels is daartoe een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De verdere uitwerking is in overleg met de gemeente.

Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting

‐ 25 ‐

‐ 26 ‐

4.

TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten behandeld die binnen de ruimtelijke ordening, en daarmee dus ook voor dit bestemmingsplan, van belang zijn. Veel aandacht gaat daarbij uit naar de milieuaspecten, aangezien de beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe zijn gegroeid. Het milieubeleid stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen en is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren.

4.1

Water De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Vanwege de buitendijkse ligging maakt het plangebied deel uit van het beheersgebied van Rijkswaterstaat. De binnendijkse gebieden alsook de aanwezige waterkeringen in de omgeving van het plangebied behoren tot het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat deze voldoen aan het waterbeleid. Dit is vastgelegd in diverse beleidsdocumenten van Europees (Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) tot gemeentelijk niveau (Waterplan 2). Ook het waterschap heeft zijn eigen beleid. Dit is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016‐2021. Dit programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen.

Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming. Het plangebied ligt buitendijks, waardoor de Waterwet van toepassing is. Het plangebied maakt echter deel uit van het zogenaamde vrijstellingsgebied voor de vergunningplicht voor het onderdeel gebruik waterstaatswerk, zoals weergegeven in artikel 6.16 van het Waterbesluit. Daarnaast geldt voor buitendijkse gebieden geen compensatieplicht bij toename van het verhard oppervlak. Deze toename is overigens zeer gering, omdat de gronden waar de beoogde bebouwing is voorzien in de huidige situatie al nagenoeg geheeld verhard zijn. De dichtstbijzijnde waterkering bevindt zich ongeveer ter hoogte van het kruispunt Laan op Zuid – Brede Hilledijk. Hemelsbreed ligt deze primaire waterkering op circa 667 meter afstand van het plangebied. De kern‐ en beschermingszone van deze waterkering reiken niet tot aan het plangebied.

Dit betekent, dat op grond van de Keur geen restricties gelden. De wijk Feijenoord maakt deel uit van rioleringsdistrict 28: ‘zuiden’ en meer specifiek van het onderbemalingsdistrict ‘Feijenoordkade‐562’. Deze onderbemaling loost het afvalwater op het binnendijkse hoofdbemalingsgebied. Met het eindgemaal ‘Pretorialaan’ wordt het afvalwater

Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting

‐ 27 ‐

via district 23 ‘Charlois’ naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie Dokhaven verpompt. Het betreft hier een gemengd rioolstelsel, waardoor naast het afvalwater ook het relatief schone hemelwater via het riool naar deze afvalwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd. In de ruimere omgeving van het plangebied is nabij het Lodewijk Princoffsplein en aan de Jalonstraat een overstort aanwezig. Bij hevige regenval wordt ongezuiverd (verdund) afvalwater via de overstort op het oppervlaktewater van de Binnenhaven c.q. Nassauhaven geloosd. Het beoogde bouwplan wordt op dit rioleringsstelsel aangesloten. Om diffuse verontreinigingen van water en bodem te voorkomen, is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen toe te passen. Zink, lood, koper en PAK´s‐houdende materialen mogen uitsluitend worden toegepast als deze worden voorzien van een coating. Overleg met de waterbeheerder(s) De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets. In dit kader worden de waterbeheerders betrokken bij het wettelijk vooroverleg in het kader van dit bestemmingsplan. 4.2

Milieuzonering De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in haar uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” een handreiking geboden voor het toepassen van milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. De milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (bijv. bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies (bijv. woningen) krijgen en dat milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. Daarnaast is milieuzonering gericht op nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van bestaande situaties waarbij gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op minder dan de richtafstand van elkaar staan. Met de handreiking kan worden bepaald wat de gewenste richtafstand is tussen de milieugevoelige functie(s) en de bedrijven in de omgeving. Dit kan oplopen tot de maximale richtafstand voor bedrijven met milieucategorie 6 en die bedraagt 1.500 meter tot het omgevingstype rustige woonwijk. Daarnaast kent de VNG‐uitgave ook het omgevingstype 'gemengd gebied'. Het betreft hier een gebied met een variatie aan functies; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven.

Ook gebieden die in de directe nabijheid van hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging in de omgeving van het plangebied, kan dit als zodanig aangemerkt worden. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. Op circa 480 meter ten oosten van het plangebied bevindt zich het bedrijf Hunter Douglas. Dit is een bedrijf, dat aluminium schroot verwerkt tot bandmateriaal voor raam‐, gevel en plafondbekledingsproducten. Het bedrijf is volgens de VNG‐publicatie ingedeeld in categorie 2754 (klasse 5), waarvoor geldt dat de grootste afstand 500 meter (geluid) bedraagt. Omdat dit bedrijf onderdeel uitmaakt van het gezoneerde industrieterrein “Feijenoord / Schaardijk” wordt voor dit aspect verwezen naar § 4.3. Voor de aspecten geur, stof en gevaar gelden respectievelijk 200, 100 en 50 meter als te hanteren afstanden tot een rustige woonwijk. Aan deze richtafstanden wordt ruimschoots voldaan. Daarnaast bevinden zich tussen het bedrijf en het plangebied reeds diverse woningen; deze woningen bepalen de milieuruimte van Hunter ‐ 28 ‐

Douglas. Ter plaatse van de beoogde woningen geldt dan ook een acceptabel woon‐ en leefklimaat. Daarnaast wordt Hunter Douglas door de beoogde ontwikkeling niet in de bedrijfsvoering belemmerd. Voorts mogen op grond van de geldende bestemmingsplannen in de directe omgeving van het plangebied, ook enkele hinder veroorzakende functies aanwezig zijn. Het betreffen hier de activiteiten binnen de bestemmingen ‘Maatschappelijk(e voorzieningen)’ en ‘Gemengd I en II’. Het gaat hierbij om maatschappelijke voorzieningen, kantoren, detailhandel en bedrijven die in alle gevallen op grond van de VNG‐uitgave worden aangemerkt als ten hoogste milieucategorie 2. Dergelijke inrichtingen worden op grond van de geldende bestemmingsplannen toelaatbaar geacht in een woonomgeving. Zo zijn deze functies op grond van de geldende bestemmingen direct naast en/of onder woningen toegestaan. Voor de toekomstige woningen geldt dan ook, dat ter plaatse sprake is van een acceptabel woon‐ en leefklimaat. Daarnaast worden de vergunde rechten van deze activiteiten door de beoogde ontwikkeling niet belemmerd. Dit bestemmingsplan staat ook 400 m2 aan commerciële functies toe, waarvoor op grond van de VNG‐uitgave een hindercontour geldt.

Het gaat hierbij onder meer om kantoren, dienstverlening, bedrijven, horeca (behorend tot maximaal categorie 1 als bedoeld in de Horecanota Rotterdam 2017‐2021) en maatschappelijke voorzieningen. In alle gevallen gaat het echter om ten hoogste categorie 2‐inrichtingen op grond van de VNG‐uitgave. Deze worden binnen de Rotterdamse systematiek als passend ervaren. De realisatie van deze inrichtingen leidt dan ook niet tot een verslechtering van het woon‐ en leefklimaat van de huidige woningen in de omgeving. Op grond van zowel de VNG‐uitgave als de Rotterdamse systematiek wordt gesteld, dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon‐ en leefklimaat. Daarnaast worden de vergunde rechten van de aanwezige bedrijven niet ingeperkt. Het thema 'milieuzonering' leidt niet tot belemmeringen voor de herontwikkeling van het plangebied. 4.3

Geluid Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wet onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk, namelijk woningen. Deze liggen binnen de toetsingszone van een gezoneerde weg en een gezoneerd industrieterrein. Vandaar dat ten aanzien van deze bronnen een akoestisch onderzoek1 is uitgevoerd. Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de toetsingszone van de Rosestraat. Vandaar dat een toetsing aan de grenswaarde uit de Wet geluidhinder noodzakelijk is. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt, dat de voorkeurswaarde van 48 dB ter hoogte van het plangebied wordt 1 Kraaij Akoestisch Adviesbureau, Akoestisch onderzoek herontwikkeling terrein De Dukdalf Persoonsstraat 1 in

Rotterdam, oktober 2020, projectnummer VL.2074.R01.

Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting

‐ 29 ‐

overschreden. De hoogst berekende geluidbelasting als gevolg van deze weg bedraagt respectievelijk 50 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt daarbij niet overschreden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is in het akoestisch onderzoek ook aandacht geschonken aan de omliggende 30 km/h‐wegen, te weten Persoonsstraat, Oranjeboomstraat, Nassauhaven en de Steven Hoogendijkstraat. Uit de rekenresultaten blijkt, dat de gezamenlijke geluidsbelasting van deze wegen ten hoogste 51 dB bedraagt. Daarmee voldoet de geluidbelasting niet aan de richtwaarde van 48 dB in navolging van de Wet geluidhinder. Deze overschrijding treedt echter alleen op ter plaatse de gevels aan de Oranjeboomstraat en dan alleen ter plaatse van de eerste zes bouwlagen. Dit betekent, dat voor het overgrote deel van de beoogde nieuwbouw wel wordt voldaan aan de richtwaarde, zodat gesteld wordt dat sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Industrielawaai Het plangebied ligt in z’n geheel binnen de geluidszone behorende bij het gezoneerde industrieterrein “Feyenoord / Schaardijk”. Uit het bestemmingsplan ‘Kop van Feijenoord’ blijkt, dat ter plaatse van de woningen aan de Oranjeboomstraat, direct ten westen van het plangebied, voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A).

Dit komt ook overeen met de resultaten van een akoestisch onderzoek dat destijds voor deze ontwikkeling is uitgevoerd. Gesteld wordt, dat ook ter plaatse van het plangebied voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. Daarom is het uitgevoerde akoestisch onderzoek verder geen aandacht besteed aan het aspect ‘industrielawaai’. Overige geluidsbronnen Het plangebied ligt niet binnen de geluidscontouren van Rotterdam ‐ The Hague Airport of binnen de toetsingszone van een gezoneerde spoorweg. Vandaar dat een nadere beschouwing van deze geluidsbron niet aan de orde is. Conclusie Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt, dat zowel voor het aspect ‘wegverkeerslawaai’ als voor ‘industrielawaai’ de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt hierbij niet overschreden. Omdat niet overal voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde is nader onderzoek naar geluidreducerende maatregelen noodzakelijk. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt, dat door toepassing van een dunne deklaag (type A of B) op het wegvak van de Rosestraat tussen de rotonde met Vuurplaat en de kruising met Steven Hoogendijkstraat een reductie van zo’n 2 dB gehaald kan worden. Hierdoor zou de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet meer overschreden worden. Het is echter onduidelijk of deze bronmaatregel vanuit financieel oogpunt haalbaar is.

Het treffen van andere geluidwerende maatregelen zijn vanuit stedenbouwkundig en/of financieel oogpunt niet doelmatig. Mocht het aanbrengen van een dunne deklaag niet haalbaar zijn, dient voor de realisatie van de voorziene woningen een ontheffing van de Wet geluidhinder verkregen te worden. Hierbij dient voldaan te worden aan de eisen uit het Rotterdamse ontheffingenbeleid, zoals de aanwezigheid van een geluidluwe gevel en/of buitenruimte per woning. Aan deze voorwaarde kan bij alle woningen voldaan worden. Gesteld wordt, dat voldaan kan worden aan het Rotterdamse ontheffingenbeleid, waardoor een ontheffing van de Wet geluidhinder kan worden verleend. Daarmee wordt voldaan aan de Wet geluidhinder. ‐ 30 ‐

Het aspect ‘geluid’ staat realisatie van de beoogde woningen niet in de weg. 4.4

Luchtkwaliteit Voor een aantal stoffen in de lucht gelden wettelijke grenswaarden die zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (de zogenaamde Wet luchtkwaliteit). De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. De luchtkwaliteit dient in zijn algemeenheid, met uitzondering van de werkplek, bepaald te worden. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De gemeente toetst daartoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen expliciet aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit. Is de verwachting dat de ontwikkeling zal leiden tot overschrijding van de normen, dan wordt naar een zodanig (technisch en/of planologisch) alternatief gezocht dat wordt voldaan aan de normen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de grens van 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof en stikstofdioxide niet wordt overschreden. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.

Een woningbouwproject wordt in de Regeling NIBM als niet in betekenende mate aangemerkt, indien het maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg betreft. In het plangebied zijn 100 woningen voorzien; dit aantal valt ruimschoots onder de in de Regeling NIBM vastgestelde aantallen. Vandaar dat de beoogde ontwikkeling als niet in betekenende mate kan worden aangemerkt. Omdat de geplande woningen op gepaste afstand liggen van wegen met hoge verkeersintensiteiten, liggen de PM10 en NO2‐contouren van deze wegen niet over het plangebied. Hiermee voldoet het plan aan de Wet luchtkwaliteit en het Rotterdamse luchtkwaliteitsbeleid. Uit de monitoringstool van het NSL blijkt, dat de huidige NO2‐concentratie (jaar 2020) ter hoogte van het plangebied lager is dan 35 μg/m3. Dit geldt ook voor de PM10‐concentratie. Gesteld wordt, dat ter plaatse van het beoogde bouwplan sprake is van een acceptabel woon‐ en leefklimaat.

4.5

Externe veiligheid Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10‐6/jaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo’n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 1% letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen geen grenswaarde maar een oriënterende waarde. Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om

Ontwerpbestemmingsplan “Dukdalf locatie, Feijenoord” – Toelichting

‐ 31 ‐

gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Een afwijking moet in een openbare en goed inzichtelijke belangenafweging door het bevoegd gezag worden gemotiveerd. In de omgeving van het plangebied zijn enkele risicobronnen aanwezig. Het betreffen hier zowel transportroutes als stationaire risicobronnen Hieronder wordt nader op deze bronnen ingegaan. Transport gevaarlijke stoffen over rail Op ongeveer 75 meter ten westen van het plangebied is de spoorverbinding tussen Rotterdam en Dordrecht gelegen. Deze spoorlijn bevindt zich in een tunnelbuis: de Willems‐spoortunnel met een totale lengte van circa drie kilometer. Door de tunnel lopen vier sporen, elk in een aparte buis. Alleen bij station Blaak is sprake van twee buizen met in elke buis een middenperron. Dit station moet in het kader van het aspect 'externe veiligheid' gezien worden als een opening in de tunnel, waar de effecten van een eventueel ongeval zich manifesteren. In de tunnel is nooit meer dan één goederentrein aanwezig. Daarnaast mag een dergelijke trein zich nooit tegelijkertijd met een passagierstrein in dezelfde tunnelbuis bevinden. Door het transport van gevaarlijke stoffen kunnen zich bij een ongeval calamiteiten voordoen met brandbare gassen en vloeistoffen en met toxische stoffen. De 10‐6 plaatsgebonden risicocontour wordt bepaald door de stofcategorie 'brandbare vloeistoffen'.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=9f747acf-5145-418e-928b-844c45eb13d9