CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb5033 Bijlage 1 behorende bij 21bb7712 over Ontwerpbestemmingsplan Kralingse Bos

Gemeenteraad 17 juni 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 9. Het (herziene) voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Kralingse Bos’.25.333 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

4.4.1.2

Niet jaarrond beschermde nesten In het plangebied is broedhabitat aangetroffen voor soorten waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Deze zogeheten Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In het bestemmingsplangebied kunnen soorten verwacht worden zoals Grote bonte specht, Groene specht, Bosuil, Spreeuw, Koolmees, Pimpelmees, Boomkruiper, Bonte vliegenvanger, Boomklever, Zwarte kraai, Ekster, Boerenzwaluw en Blauwe reiger. Van Blauwe reiger is een kolonie bekend aan de oostzijde van het Kralingse Bos, tussen de Plaszoom en het Fazantenlaantje.

4.4.1.3

Algemene vogels Naast deze soorten kunnen algemene water-, boom-, struweel- en gebouwbroedende vogelsoorten in het bestemmingsplangebied verwacht worden, zoals Meerkoet, Wilde eend Turkse Tortel, Houtduif, Merel, verschillende soorten meeuwen, Gaai en Winterkoning.

Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode

Versie

Datum

Pagina

Noorden/Agniesebuurt

V1

17-10-2018

13 van 28

NL.IMRO.0599.BP1117

4.4.2

Soorten Habitatrichtlijn

4.4.2.1

Vleermuizen In de natuurdatabase zijn in het bestemmingsplangebied waarnemingen van vleermuizen bekend. Dit betreffen waarnemingen van de soorten Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Watervleermuis, Rosse vleermuis, Gewone grootoorvleermuis en Laatvlieger. Van Rosse vleermuis, Watervleermuis en Gewone grootoorvleermuis zijn in het plangebied zomer-, paar- en kraamverblijfplaatsen bekend2. Verspreid door het Kralingse bos zijn bomen aanwezig met spechtengaten, rottingsholten of scheuren in de stam of uitstekende takken die door vleermuizen gebruikt kunnen worden. Het plangebied is geschikt voor zomer-, paar-, kraamen winterverblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Van Gewone dwergvleermuis zijn waarnemingen van baltsende dieren rondom bebouwing bekend. Op basis van deze waarnemingen is het aannemelijk dat er paarverblijfplaatsen aanwezig zijn. Naar verwachting vormen deze waarnemingen geen compleet beeld van de aanwezige populaties vleermuizen. Grote delen van het plangebied waar geschikt habitat aanwezig is zijn geen waarnemingen bekend. Daarnaast zijn de monitoringsonderzoeken reeds enkele jaren oud en kan de situatie zijn veranderd. Naast bovengenoemde soorten is het plangebied tevens potentieel geschikt voor de gebouwbewonende soorten Laatvlieger, Ruige dwergvleermuis en Kleine dwergvleermuis.

Laatstgenoemde soort is zowel een boom- als gebouwbewoner en is in Nederland relatief zeldzaam en waarnemingen zijn schaars. Geschikt habitat voor vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is aanwezig in de gebouwen verspreid door het plangebied. Verblijfplaatsen kunnen zich (onder andere) bevinden in de luchtspouw die toegankelijk is door open stootvoegen, in ventilatieroosters, in ruimten onder boeiboarden, achter raamluiken, onder het dakvlak, achter gevelplaten of onder metalen dakstrips. Nagenoeg alle in het plangebied aanwezige bebouwing heeft ten minste één van bovenstaande kenmerken waardoor deze potentieel geschikt is voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen. Potenties zijn aanwezig voor de functies zomer-, paar-, kraam-, of winterverblijfplaats, laatstgenoemde functie voor solitaire dieren of kleine groepjes. Functioneel leefgebied voor vleermuizen is in het hele plangebied aanwezig in de vorm van verschillende habitatten. Vleermuizen kunnen gebruik maken van bos, open velden, oeverzones en open water om te foerageren en als vliegroute. De bosgebieden met wandelpaden zijn onverlicht. Verlichting is enkel aanwezig langs de horecagelegenheden, autowegen, fietspaden en hoofdwandelpaden.

4.4.2.2

Grondgebonden zoogdieren Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren uit de Habitatrichtlijn, zoals Bever, Noordse woelmuis en Otter. Geschikt habitat voor deze soorten ontbreekt of het plangebied ligt buiten het natuurlijk verspreidingsgebied van deze soorten.

2

Van Meurs, 2009

Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode

Versie

Datum

Pagina

Noorden/Agniesebuurt

V1

17-10-2018

14 van 28

NL.IMRO.0599.BP1117

4.4.2.3

Reptielen en amfibieën Het bestemmingsplangebied is ongeschikt voor habitatrichtlijnsoorten reptielen en amfibieën, zoals Rugstreeppad, Heikikker, Kamsalamander en Muurhagedis. Geschikt habitat voor deze soorten ontbreekt of het plangebied ligt buiten het natuurlijk verspreidingsgebied van deze soorten.

4.4.2.4

Vissen Open water is verspreid aanwezig binnen het bestemmingsplangebied. Deze watergangen zijn ongeschikt voor vissen uit de Habitatrichtlijn (zoals Houting en Atlantische Steur).

4.4.2.5

Overige soortgroepen Vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van overige habitatrichtlijnsoorten (zoals Rivierrombout, Gevlekte witsnuitlibel en Groene glazenmaker) worden op basis van habitatvereisten en bekende verspreidingsgegevens niet verwacht binnen het bestemmingsplangebied.

4.4.3

Nationaal beschermde soorten

4.4.3.1

Grondgebonden zoogdieren De Steenmarter wordt sinds jaren waargenomen binnen Rotterdam. Verscheidene waarnemingen van steenmarter zijn bekend3. Vaste rust- en verblijfplaatsen zijn in het bestemmingsplangebied niet aangetroffen maar aanwezigheid kan niet worden uitgesloten. Vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in grotere grondholen, houtstapels, holle boomstronken, steenstapels of ruimten onder de fundering van aanwezige bebouwing. Het plangebied kan tevens worden gebruikt als functioneel leefgebied (jachtgebied). In het bestemmingsplangebied kunnen verder Nationaal beschermde grondgebonden zoogdieren worden verwacht waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Dit betreffen soorten als Egel, Konijn, Vos, Bunzing, Wezel en Hermelijn en verschillende soorten (spits)muizen. Geschikt habitat voor deze soorten is aanwezig in de groenstructuren langs de randen van het bestemmingsplangebied en groene achtertuinen.

4.4.3.2

Vissen Open water is verspreid aanwezig binnen het bestemmingsplangebied. Deze watergangen zijn ongeschikt voor Nationaal beschermde soorten vissen. Beschermde vissen betreffen met name beekvissen, zee/brakwater vissen en Grote modderkruiper. Het plangebied ligt niet binnen het verspreidingsgebied van deze soorten.

4.4.3.3

Reptielen en amfibieën In het bestemmingsplangebied kunnen nationaal beschermde amfibieën worden verwacht waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Geschikt habitat is aanwezig voor soorten als Bruine kikker, Gewone pad, Kleine watersalamander, Meerkikker en Bastaardkikker.

3

https://waarneming.nl/

Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode

Versie

Datum

Pagina

Noorden/Agniesebuurt

V1

17-10-2018

15 van 28

NL.IMRO.0599.BP1117

4.4.3.4

Planten In het Kralingse Bos zijn op meerdere plekken stenen in de bodem,steenstapels of oude gebouwen aanwezig. Het plangebied biedt hierdoor geschikt leefgebied voor (beschermde) varens zoals Schubvaren en andere plantensoorten van stenige bodems. Oude (kalkrijke) muren zijn aanwezig in de vorm van gevels en schoorstenen van naoorlogse bebouwing. Geschikt habitat is aanwezig voor muurplanten zoals Blaasvaren, Schubvaren en Muurbloem. Het plangebied is ongeschikt voor andere Nationaal beschermde vaatplanten.

4.4.3.5

Overige soortgroepen Overige nationaal beschermde soorten worden op basis van habitatvereisten en bekende verspreidingsgegevens niet verwacht binnen het bestemmingsplangebied.

4.4.4

Aandachtssoorten

4.4.4.1

Vogels Het plangebied is potentieel geschikt voor een grote verscheidenheid aan aandachtssoorten vogels. Een deel van deze vogels is jaarrond beschermd onder de Wet natuurbescherming (o.a. Sperwer, Huismus, Ransuil, Boomvalk, Ooievaar) of valt binnen categorie 5 vogelsoorten (o.a. Blauwe reiger, Bosuil, Groene specht, IJsvogel en Boerenzwaluw). De overige vogelsoorten betreffen algemene vogelsoorten.

4.4.4.2

Vissen Open water is verspreid aanwezig binnen het bestemmingsplangebied. In deze wateren kunnen aandachtssoorten worden aangetroffen (Kleine modderkruiper, Bittervoorn en Vetje). Aanwezigheid van Kleine modderkruiper binnen het gebied is bekend.

4.4.4.3

Planten Het plangebied is geschikt voor een verscheidenheid aan soorten vaatplanten zoals Blaasvaren, Schubvaren, Stijf hardgras en Dotterbloem.

4.4.4.4

Dagvlinders, libellen en juffers Waarnemingen zijn bekend van de aandachtssoorten Kleine vuurvlinder, Oranjetipje en Watersnuffel. Het plangebied is daarnaast potentieel geschikt voor (onder andere) de aandachtssoorten Groot dikkopje, Argusvlinder en Zwartsprietdikkopje.

4.4.4.5

Overige soortgroepen Overige aandachtssoorten worden op basis van habitatvereisten en bekende verspreidingsgegevens niet verwacht binnen het bestemmingsplangebied.

4.5

Zorgplicht In het bestemmingsplangebied zijn Nationaal beschermde soorten te verwachten waarvoor in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling geldt. Dit betreffen kleine zoogdieren (Konijn, Bunzing, Wezel, Hermelijn, Mol, Egel, Vos, diverse (spits)muizen) en algemene amfibieën (Gewone pad, Kleine watersalamander, Meerkikker, Bastaardkikker en Bruine kikker). Voor deze soorten geldt de Zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Deze zorgplicht houdt in dat men bij

Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode

Versie

Datum

Pagina

Noorden/Agniesebuurt

V1

17-10-2018

16 van 28

NL.IMRO.0599.BP1117

werkzaamheden met mogelijk negatief effect op planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs van men verwacht kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen4.

4

Ministerie van Economische zaken (2016) Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen

Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode

Versie

Datum

Pagina

Noorden/Agniesebuurt

V1

17-10-2018

17 van 28

NL.IMRO.0599.BP1117

5.

Gevolgen voor natuurgebieden en flora en fauna

5.1

Beschermde en waardevolle natuurgebieden Het bestemmingsplangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke weidevogelgebieden. Het bestemmingsplan voorziet niet in ontwikkelingen die impact zullen hebben op het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke weidevogelgebieden, vanwege de afstand tussen het bestemmingsplangebied en deze gebieden. Significant negatieve invloed op Natura 2000-gebied als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan zijn uitgesloten. De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte activiteiten hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze en andere Natura 2000 gebieden. Significant negatieve invloed op het Natuurnetwerk Nederland of Belangrijke weidevogelgebieden als gevolg van het nieuwe bestemmingsplan zijn op basis van de afstand en de aanwezigheid van woonwijken en wegen tussen het bestemmingsplangebied en deze natuurgebieden uitgesloten.

5.2

Ontwikkelingen binnen bestaande bestemmingen in het kader van beschermde soorten De effecten op in het plangebied aanwezige beschermde flora en fauna door toekomstige, nu nog niet voorziene ruimtelijke ingrepen die passen binnen de bestemmingen dienen, voorafgaand aan de uitvoering van die werkzaamheden, getoetst te worden. Hierbij is te denken aan sloopwerkzaamheden, werkzaamheden aan watergangen, werkzaamheden aan bebouwing, herinrichting van het plangebied, kap van bomen of het herinrichten van de groenstructuren. In hoofdstuk 4 wordt inzicht gegeven in (potentieel) aanwezige beschermde Habitatrichtlijnsoorten en Vogelrichtlijnsoorten en de Aandachtssoorten.

5.3

Door het bestemmingsplan mogelijk te maken ontwikkelingen

5.3.1

Locatie 1 – Plaszoom 9 Locatie 1 betreft het terrein van de Plaszoom 9. Dit betreft een perceel met een vrijstaand huis en ten noorden een stuk bos. Aan de oostzijde van de woning is een open tuin aanwezig. De bebouwing is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen en huismus. In de aan de bebouwing grenzend tuin en overig groen is potentieel geschikt functioneel leefgebied voor huismus aanwezig. In het binnen de perceelgrens gelegen bosgebied (ten noorden van de woning) is een kolonie blauwe reigers aanwezig. Tevens is potentie aanwezig voor vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vogels met jaarrond beschermde nesten zoals ransuil, sperwer, buizerd, havik en boomvalk. Aanwezigheid van voor boombewonende vleermuizen geschikte holten en scheuren is niet uitgesloten. Negatieve effecten door werkzaamheden zijn op voorhand niet uitgesloten. De bouw van een vrijstaande woning kan voor verstoring van de aanwezige reigerkolonie zorgen. Indien bomen gekapt dienen te worden kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen en vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen worden weggenomen. Een

Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode

Versie

Datum

Pagina

Noorden/Agniesebuurt

V1

17-10-2018

18 van 28

NL.IMRO.0599.BP1117

nadere ecologisch toetsing aan de op dat moment vigerende natuurwetgeving is nodig alvorens met de (her-) ontwikkeling kan worden aangevangen.

5.3.2

Locatie 2 – Plaszoom 1 Locatie 2 betreft het terrein van de Plaszoom 1. Dit betreft een perceel met een vrijstaand woonhuis omsloten door bos. Aan de zuidzijde van de woning is een open tuin aanwezig. De bebouwing is potentieel geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Aanwezigheid van gebouwbewonende vogels is uitgesloten wegens het ontbreken van een dakpannen daken/of geschikte holten in de bebouwing. Potentie is aanwezig voor vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vogels met jaarrond beschermde nesten zoals ransuil, sperwer, buizerd, havik en boomvalk. Aanwezigheid van voor boombewonende vleermuizen geschikte holten en scheuren is niet uitgesloten. Negatieve effecten door werkzaamheden zijn op voorhand niet uitgesloten. De bouw van een vrijstaande woning kan een verstorend effect hebben op potentieel aanwezige boombewonende vleermuizen en/of vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. Indien bomen gekapt dienen te worden kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen en vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen worden weggenomen. Een nadere ecologisch toetsing aan de op dat moment vigerende natuurwetgeving is nodig alvorens met de (her-) ontwikkeling kan worden aangevangen.

Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode

Versie

Datum

Pagina

Noorden/Agniesebuurt

V1

17-10-2018

19 van 28

NL.IMRO.0599.BP1117

6.

Kansen door de ontwikkelingen

6.1

Duurzaamheid Aan de duurzaamheidsopgaven uit het Programma Duurzaam kan vanuit ecologie op de volgende manier een bijdrage worden geleverd: · Voorbereiden op de gevolgen van klimaatverandering. Groene gebieden zoals het Kralingse Bos spelen een grote rol bij het tegengaan van de effecten van klimaatverandering. Het bos zorgt voor schuduwwerking en daardoor verkoeling van de lucht. Door het bladerdek worden fijnstof en andere atmosferische depositie neergeslagen. Loofbos filtert verschillende stoffen uit de lucht zoals koolstofdioxide en stikstofdioxide. Het Kralingse Bos vervult tevens een functie als wateropslag bij heftige regen. · Bij een grotere stedelijke biodiversiteit neemt de kans op plagen of ziekten door de verandering van het klimaat af omdat het ecologisch systeem beter gebufferd is tegen schommelingen. Goede ecologische verbindingen zijn daarom van belang zodat soorten bij klimaatverandering kunnen migreren naar andere plekken in de stad. Bij het ontbreken van ecologische verbindingen kunnen soorten uit het stedelijke ecosysteem verdwijnen omdat ze geen nieuwe biotoop kunnen bereiken.

6.2

Vergroten biodiversiteit Het Kralingse bos heeft een hoge biodiversiteit aan soorten vanwege de afwisseling tussen verschillende typen bos, open landschap en water. Om de biodiversiteit verder te vergroten kunnen een aantal maatregelen worden getroffen. Het aanbod van nestkasten voor vogels en vleermuizen kan worden verhoogd om bovenop de al bestaande natuurlijke boomholten en aanwezige nestkasten nog meer geschikte plekken aan te bieden. Verspreid over het gebied kunnen insectenhotels worden aangebracht. Ook kan een deel van de velden waar gazonbeheer wordt toegepast extensiever beheerd worden of worden ingezaaid als insecten strook met bloemen ten gunste van fauna en vegetaties. Langs de plas kan de oever verder verflauwd worden wat kansen bied voor uitbreiding van oevervegetatie en een groen lint langs de oever vormt.

Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode

Versie

Datum

Pagina

Noorden/Agniesebuurt

V1

17-10-2018

20 van 28

NL.IMRO.0599.BP1117

7.

Conclusies en aanbevelingen · ·

·

· ·

·

·

· · ·

In het bestemmingsplangebied zijn potenties voor gebouwbewonende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig, te weten Huismus, Gierzwaluw en Ooievaar. In het bestemmingsplangebied zijn potenties voor boombewonende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig, te weten Sperwer, Buizerd, Boomvalk, Havik, Roek en Ransuil. Het gebied is geschikt voor de habitatrichtlijnsoorten Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Kleine dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis, Gewone grootoorvleermuis en Watervleermuis. Het plangebied is geschikt voor nestplaatsen en als functionele leefomgeving voor vogels met niet jaarrond beschermde nesten en algemene broedvogels. Het vaststellen van het bestemmingsplan heeft geen invloed op het Natuurnetwerk Nederland en Beschermde weidevogelgebieden vanwege de grote afstand tussen het bestemmingsplangebied en deze gebieden. Het vaststellen van het bestemmingsplan heeft geen invloed op het Natuurnetwerk Nederland nabij het plangebied en nabijgelegen Natura 2000 gebieden, vanwege de grote afstand tussen het bestemmingsplangebied en deze gebieden. Indien ontwikkelingen worden voorzien die afwijken van het bestemmingsplan dient het effect hiervan op beschermde en waardevolle gebieden en beschermde en aandachtssoorten te worden onderzocht en getoetst.

Ontwikkelingen die binnen bestaande bestemmingen plaats vinden dienen op projectniveau getoetst te worden aan de relevante natuurwetgeving. Kansen voor natuur liggen met name bij het ontwikkelen van natuurvriendelijke oevers, ecologisch beheerde bermen en het extensiever beheren van huidig gazonbeheer. Het bestemmingsplan, met inbegrip van bovenstaande, is ‘aanvaardbaar’ vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.

Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode

Versie

Datum

Pagina

Noorden/Agniesebuurt

V1

17-10-2018

21 van 28

NL.IMRO.0599.BP1117

Literatuurlijst Literatuur: 1) Anon., 2010. Bestemmingsplan Kralingse Bos. dS+V. Ruimtelijke Ordening, Team Bestemmingsplannen. Gemeente Rotterdam, Rotterdam. 2) Anon., 2010. Bestemmingsplan Manege Kralingse Bos. dS+V. Ruimtelijke Ordening, Team Bestemmingsplannen. Gemeente Rotterdam, Rotterdam. 3) Anon., 2014. Uitvoeringsprogramma Natuurkaart Rotterdam, december 2014. 4) Anon., 2018. Startnotitie Bestemmingsplan ‘Kralingse Bos’, 19-06-18. Rotterdam 5) S. Boekhout, 2009. Flora- en faunaonderzoek op en rondom de uit te breiden manege in het Kralingse Bos te Rotterdam. NWC, Dordrecht 6) Van Meurs, F.A. & de Baerdemaeker, a. 2009. Rosse vleermuizen in Rotterdam. Straatgras, Rotterdam

Internetsites: · · · · · · · · · · · · ·

https://calculator.aerius.nl/calculator/# www.gis.rotterdam.nl/gisweb2 http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx http://rotterdam.maps.arcgis.com/apps/Viewer/index.html?appid=a04fcc63c7794 5c7b8d207ecd0b2fa5e http://pzh.b3p.nl/viewer/app/Natura_2000 http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN https://www.rotterdam.nl/wonen-leven/duurzaam/ https://www.verspreidingsatlas.nl/ http://wilde-planten.nl/ http://ravon.nl/ https://www.sovon.nl https://www.vlinderstichting.nl/ http://www.zoogdiervereniging.nl/

Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode

Versie

Datum

Pagina

Noorden/Agniesebuurt

V1

17-10-2018

22 van 28

NL.IMRO.0599.BP1117

Bijlage 1: Foto’s bestemmingsplangebied Gazonbeheer aan de westzijde van het Kralingse Bos. K. van Veen | Ecoresult B.V.

Vleermuiskast aan boom. K. van Veen | Ecoresult B.V.

Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode

Versie

Datum

Pagina

Noorden/Agniesebuurt

V1

17-10-2018

23 van 28

NL.IMRO.0599.BP1117

Liggend dood hout. K. van Veen | Ecoresult B.V.

Ondiepe watergang met submerse begroeiing. K. van Veen | Ecoresult B.V.

Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode

Versie

Datum

Pagina

Noorden/Agniesebuurt

V1

17-10-2018

24 van 28

NL.IMRO.0599.BP1117

Bebouwing met dakpannen daken geschikt voor Huismus en gebouwbewonende vleermuizen. K. van Veen | Ecoresult B.V.

Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode

Versie

Datum

Pagina

Noorden/Agniesebuurt

V1

17-10-2018

25 van 28

NL.IMRO.0599.BP1117

Bijlage 2: Wetgevende kaders Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze nieuwe wet is een vervanging en samenbundeling van drie voorgaande wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet5. Tevens heeft er een decentralisatie van het bevoegd gezag plaatsgevonden: per 1 januari 2017 zijn de provincies verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Wnb is op te delen in grofweg drie delen: Bescherming van gebieden De Wnb richt richt zich met de bescherming van natuurgebieden uitsluitend op Natura 2000gebieden. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000-gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Invloeden (ook van buitenaf) mogen deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Bescherming van soorten

5

www.rvo.nl

Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode

Versie

Datum

Pagina

Noorden/Agniesebuurt

V1

17-10-2018

26 van 28

NL.IMRO.0599.BP1117

Tabel 1: Soortenbescherming en verbodsbepalingen volgens de Wnb De Wnb onderscheidt drie verschillende beschermingsregimes, met elk hun eigen verbodsbepalingen (zie tabel 1). De eerste twee categorieën zijn gebaseerd op de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (uit 1979) en de Habitatrichtlijn (uit 1992). Het derde beschermingsregime betreft soorten die niet op Europees niveau beschermd zijn, maar wel op landelijk niveau: de Nationaal beschermde soorten (in de wet aangeduid als “andere soorten”). Als bevoegd gezag heeft iedere afzonderlijke provincie (een aantal) algemene soorten uit deze derde categorie vrijgesteld van ontheffingsplicht. Wel geldt altijd voor alle soorten de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatief effect op

Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode

Versie

Datum

Pagina

Noorden/Agniesebuurt

V1

17-10-2018

27 van 28

NL.IMRO.0599.BP1117

planten en dieren, maatregelen dient te nemen (binnen wat redelijkerwijs van men verwacht kan worden) om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen6. Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden betreft voornamelijk een voortzetting van de Boswet en richt zich op de instandhouding van het bosareaal. Bij houtopstanden groter dan 10 are of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom geldt een meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod. In deze natuurtoets blijft de bescherming van houtopstanden buiten beschouwing.

Zorgplicht Naast verbodsbepalingen geldt de zorgplicht ten aanzien van alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De Wet natuurbescherming formuleert de algemene zorgplicht als volgt (artikel 1.11): · Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving; · Deze zorg houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; · De zorgplicht is altijd, voor iedereen en in alle gevallen van toepassing.

6

Ministerie van Economische zaken (2016) Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen

Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode

Versie

Datum

Pagina

Noorden/Agniesebuurt

V1

17-10-2018

28 van 28

NL.IMRO.0599.BP1117

Bijlage 1 Toelichting lijst bedrijfsactiviteiten categorie

en 2

Toelichting De Lijst van Bedrijfsactiviteiten geeft aan welke bedrijven binnen het plangebied in beginsel zijn toegestaan. Alle bedrijfsactiviteiten zijn ingedeeld in milieucategorieën, waarbij milieucategorie 1 betekent dat een bedrijfstype weinig potentiële milieuhinder veroorzaakt en milieucategorie 5 of 6 veel milieuhinder veroorzaakt. De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft de lijst van bedrijfstypen ingedeeld aan de hand van de Standaard Bedrijfsindeling uit 1993 (SBI'93) van het CBS. Voor de zonering en de bij de zones behorende bedrijfscategorieën is uitgegaan van de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering - 2009". Per type bedrijf zijn afstanden gegeven met betrekking tot de milieuhinderaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Voor geluid is aangegeven of sprake is van continu geluid en van activiteiten die op een gezoneerd terrein thuishoren. Voor wat betreft verkeersaantrekkende werking en visuele hinder zijn indices gegeven. De lijst van bedrijfsactiviteiten volgt de publicatie van de VNG, maar met een algemeen verschil. De lijst gaat alleen over activiteiten die in een bedrijfsbestemming zijn toegestaan. Zo zijn bijvoorbeeld sport- en recreatieve voorzieningen niet opgenomen, omdat die in Rotterdam een aparte bestemming zijn. Voor een uitsplitsing naar afstanden per categorie wordt verwezen naar de VNG-publicatie.

In de tabel behorend bij het bestemmingsplan bepaalt de grootste indicatieve afstand de milieucategorie. De aanbevolen indicatieve afstand tussen een bedrijf en woningen: categorie 1: categorie 2: categorie 3.1: categorie 3.2: categorie 4.1: categorie 4.2: categorie 5.1: categorie 5.2: categorie 5.3: categorie 6:

afstand tot woningen 0 of 10 meter afstand tot woningen 30 meter afstand tot woningen 50 meter afstand tot woningen 100 meter afstand tot woningen 200 meter afstand tot woningen 300 meter afstand tot woningen 500 meter afstand tot woningen 700 meter afstand tot woningen 1000 meter afstand tot woningen 1500 meter

Bedrijf sactiv iteiten obv VNG-lijst 2009 aangepast 2014 SBI-1993

milieucategorie 1 en 2

Bestemmingsplan xx 1 / 2

OMSCHRIJVING

SBI-2008

1071

0

Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen:

1581

1071

1

- verdampingscapaciteit < 7.500 kg meel/week, bij gebruik van charge-ovens

1584

10821

0

Verwerking cacaobonen en vervaardiging chocolade- en suikerwerk:

1584

10821

3

- cacao- en chocoladefabrieken vervaardigen van chocoladewerken, productieoppervlak <= 200 m²

STOF

LUCHT

1581

BODEM

2

VISUEEL

1052

VERKEER

1552

CATEGORIE

0

INDICES

GROOTSTE AFSTAND

1051

GEVAAR

-

1551

GELUID

-

10, 11

GEUR

nummer

aangepast planmer

10, 11

15

15

AFSTANDEN IN METERS

VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN Zuivelproducten fabrieken: a

- consumptie-ijsfabrieken: productieoppervlak <= 200 m² en productiecapaciteit < 30.000 ton / jaar

10

0

30

0

30

2

1 G

1

30

10

30 C

10

30

2

1 G

1

30

10

30

10

30

2

1 G

1

30

10

30

10

30

2

1 G

1

10

0

30 C

0

30

2

1 G

1

10

10

30

10

30

2

2 G

2

10

10

30

0

30

2

1 G

1

- suikerwerkfabrieken zonder suiker branden: productieoppervlak <= 200 m² en productiecapaciteit < 15.000 a

ton / jaar

1584

10821

6

1586

1083

0

Koffiebranderijen en theepakkerijen:

1589.2

1089

0

Soep- en soeparomafabrieken:

1592

110102

0

Vervaardiging van ethylalcohol door gisting:

1102 t/m 1104 1593 t/m 1595

Vervaardiging van wijn, cider e.d.

18

14

-

18

14

-

182

141

20

VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT Vervaardiging van kleding en kledingtoebehoren (excl. van leer)

-

20

16

-

HOUT INDUST RIE EN VERVAARDIGING ART IKELEN VAN HOUT , RIET , KURK E.D.

2010.2

16102

0

Houtconserveringsbedrijven:

205

162902

22

58

-

22

58

-

2222.6

18129

Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen

10

0

30

0

30

2

1 P

1

2223

1814

A

Grafische afwerking

0

0

10

0

10

1

1 G

1

2223

1814

B

Binderijen

30

0

30

0

30

2

2 G

1

2224

1813

Grafische reproductie en zetten

30

0

10

10

30

2

2 G

1

B

2225

1814

Overige grafische activiteiten

30

0

30

10

30 D

2

2 G

1

B

223

182

Reproductiebedrijven opgenomen media

0

0

10

0

10

1

1 G

1

24

20

24

20

-

VERVAARDIGING VAN CHEMISCHE PRODUCT EN

2442

2120

0

Farmaceutische productenfabrieken:

2442

2120

2

- verbandmiddelenfabrieken

10

10

30

10

30

2

2 G

1

26

23

-

26

23

-

262, 263

232, 234

0

262, 263

232, 234

1

10

10

30

10

30

2

1 G

1

30

26, 28, 33

-

30

26, 28, 33

-

VERVAARDIGING VAN KANT OORMACHINES EN COMPUT ERS

30

26, 28, 33

A

Kantoormachines- en computerfabrieken incl. reparatie

30

10

30

10

30

2

1 G

1

31

26, 27, 33

-

31

26, 27, 33

-

316

293

30

10

30

10

30

2

1 G

1

33

26, 32, 33

33

26, 32, 33

-

VERVAARDIGING VAN MEDISCHE EN OPT ISCHE APPARAT EN EN INST RUMENT EN

33

26, 32, 33

A

Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d. incl. reparatie

30

0

30

0

30

2

1 G

1

36

31

-

36

31

-

VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN niet elders genoemd

361

9524

2

Meubelstoffeerderijen bedrijfsoppervlak < 200 m²

0

10

10

0

10

1

1 P

1

362

321

Fabricage van munten, sieraden e.d.

30

10

10

10

30

2

1 G

1

363

322

Muziekinstrumentenfabrieken

30

10

30

10

30

2

2 G

2

3663.1

32991

Sociale werkvoorziening

0

30

30

0

30

2

1 P

1

40

35

40

35

-

PRODUCT IE EN DIST RIBUT IE VAN ST ROOM, AARDGAS, ST OOM EN WARM WAT ER

40

35

C0

Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen:

40

35

C1

- < 10 MVA

0

0

30 C

10

30

2

1 P

1

40

35

D0

Gasdistributiebedrijven:

40

35

D3

- gas: reduceer-, compressor-, meet- en regelinst. cat. A

0

0

10 C

10

10

1

1 P

1

40

35

D4

- gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C

0

0

30 C

10

30

2

1 P

1

40

35

E0

Warmtevoorzieningsinstallaties, gasgestookt:

40

35

E2

- blokverwarming

10

0

30 C

10

30

2

1 P

1

41

36

-

41

36

-

WINNING EN DIST RIBUT IE VAN WAT ER

41

36

B0

Waterdistributiebedrijven met pompvermogen:

41

36

B1

- < 1 MW

0

0

30 C

10

30

2

1 P

1

45

41, 42, 43

-

45

41, 42, 43

-

BOUWNIJVERHEID

45

41, 42, 43

3

- aannemersbedrijven met werkplaats: bedrijfsoppervlak< 1000 m²

0

10

30

10

30

2

1 G

1

Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken

UIT GEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUCT IE VAN OPGENOMEN MEDIA B

-

VERVAARDIGING VAN GLAS, AARDEWERK, CEMENT -, KALK- EN GIPSPRODUCT EN Aardewerkfabrieken: a

- vermogen elektrische ovens totaal < 40 kW en productiecapaciteit < 100 ton / dag

L

VERVAARDIGING VAN OVER. ELEKT R. MACHINES, APPARAT EN EN BENODIGDH. Elektrotechnische industrie niet elders genoemd

-

B

-

B

B

Bedrijf sactiv iteiten obv VNG-lijst 2009 aangepast 2014 SBI-1993

milieucategorie 1 en 2

Bestemmingsplan xx 2 / 2

OMSCHRIJVING

SBI-2008

AFSTANDEN IN METERS

INDICES

Grth in bloemen en planten

10

10

30

0

30

2

2 G

1

5134

4634

Grth in dranken

0

0

30

0

30

2

2 G

1

5135

4635

Grth in tabaksproducten

10

0

30

0

30

2

2 G

1

5136

4636

Grth in suiker, chocolade en suikerwerk

10

10

30

0

30

2

2 G

1

5137

4637

Grth in koffie, thee, cacao en specerijen

30

10

30

0

30

2

2 G

1

5138, 5139 4638, 4639

Grth in overige voedings- en genotmiddelen

10

10

30

10

30

2

2 G

1

514

464, 46733

Grth in overige consumentenartikelen

10

10

30

10

30

2

2 G

1

5153

4673

0

Grth in hout en bouwmaterialen:

5153

4673

2

- algemeen: bedrijfsoppervlak <= 2000 m²

0

10

30

10

30

2

1 G

1

5153.4

46735

4

zand en grind:

5153.4

46735

6

- algemeen: bedrijfsoppervlak <= 200 m²

0

10

30

0

30

2

1 G

1

5154

4674

0

Grth in ijzer- en metaalwaren en verwarmingsapparatuur:

5154

4674

2

- algemeen: bedrijfsoppervlak < = 2.000 m²

0

0

30

0

30

2

1 G

1

5155.2

46752

Grth in kunstmeststoffen

30

30

30

30 R

30

2

1 G

1

5156

4676

Grth in overige intermediaire goederen

10

10

30

10

30

2

2 G

2

519

466, 469

Overige grth (bedrijfsmeubels, emballage, vakbenodigdheden e.d.

0

0

30

0

30

2

2 G

1

52

47

-

52

47

-

527

952

0

0

10

10

10

1

1 P

1

55

55

-

55

55

-

5551

5629

Kantines

10

0

10 C

10

10 D

1

1 P

1

5552

562

Cateringbedrijven

10

0

30 C

10

30

2

1 G/P 1

60

49

-

60

49

-

6022

493

T axibedrijven

0

0

30 C

0

30

2

2 P

1

603

495

Pomp- en compressorstations van pijpleidingen

0

0

30 C

10

30 D

2

1 P

1

63

52

63

52

-

DIENST VERLENING T .B.V. HET VERVOER

6312

52109

B

Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)

0

0

30 C

10

30

2

2 G

1

10

0

30 C

0

30

2

3 P

1

STOF

LUCHT

4622

BODEM

VISUEEL

VERKEER

CATEGORIE

GROOTSTE AFSTAND

GEVAAR

-

5122

GELUID

-

46

GEUR

nummer

aangepast planmer

45, 47

51

50

GROOT HANDEL EN HANDELSBEMIDDELING

DET AILHANDEL EN REPARAT IE T .B.V. PART ICULIEREN Reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto's en motorfietsen)

LOGIES-, MAALT IJDEN- EN DRANKENVERST REKKING

VERVOER OVER LAND

B

-

Autoparkeerterreinen, parkeergarages, met een oppervlakte van 100 ha of meer of een a

bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m3 of meer

6321

5221

1

64

64

-

64

53

-

641

531, 532

Post- en koeriersdiensten

0

0

30 C

0

30

2

2 P

1

642

61

A

T elecommunicatiebedrijven

0

0

10 C

0

10

1

1 P

1

642

61

B0

zendinstallaties:

642

61

B2

- FM en T V

0

0

0 C

10

10

1

1 P

2

642

61

B3

- GSM en UMT S-steunzenders (indien bouwvergunningplichtig)

0

0

0 C

10

10

1

1 P

2

71

77

-

71

77

-

711

7711

Personenautoverhuurbedrijven

10

0

30

10

30

2

2 P

1

714

772

Verhuurbedrijven voor roerende goederen niet elders genoemd

10

10

30

10

30 D

2

2 G

2

72

62

72

62

-

COMPUT ERSERVICE- EN INFORMAT IET ECHNOLOGIE

72

62

A

Computerservice- en informatietechnologie-bureaus e.d.

0

0

10

0

10

1

1 P

1

72

58, 63

B

Datacentra

0

0

30 C

0

30

2

1 P

1

L

POST EN T ELECOMMUNICAT IE

VERHUUR VAN T RANSPORT MIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE GOEDEREN

-

73, 74, 77, 78, 74

80tm82

-

73, 74, 77, 78, 74

80tm82

7481.3

74203

OVERIGE ZAKELIJKE DIENST VERLENING Foto- en filmontwikkelcentrales

10

0

30 C

10

30

2

2 G

1

7484.4

82992

Veilingen voor huisraad, kunst e.d.

0

0

10

0

10

1

2 P

1

90

37, 38, 39

90

37, 38, 39

-

MILIEUDIENST VERLENING

9001

3700

A0

RWZI's en gierverwerkingsinrichting, met afdekking voorbezinktanks:

9001

3700

B

rioolgemalen

30

0

10 C

0

30

2

1 P

1

9002.2

382

A0

Afvalverwerkingsbedrijven:

9002.2

382

A7

10

10

30

30 R

30

2

1 G

1

B

L

93

93

-

93

96

-

9301.2

96012

Chemische wasserijen en ververijen

30

0

30

30 R

30

2

2 G

1

B

L

9301.3

96013

A

Wasverzendinrichtingen

0

0

30

0

30

2

1 G

1

9301.3

96013

B

Wasserettes, wassalons

0

0

10

0

10

1

1 P

1

9302

9602

Kappersbedrijven en schoonheidsinstituten

0

0

10

0

10

1

1 P

1

9305

9609

Persoonlijke dienstverlening niet elders genoemd

0

0

10 C

0

10 D

1

1 P

1

-

B

-

B

a

- verwerking fotochemisch en galvano-afval

OVERIGE DIENST VERLENING

MEMO Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond GHOR

Aan: Van: Betreft: Kopie voor: AanmaakDatum:

Algemeen en Dagelijks Bestuur R&C (GHOR) en PGZ (Infectieziektebestrijding) Beleids- en toetsingskader hoog-risico biologische laboratoria 26 oktober 2015

Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond Aanleiding en doel De regio Rotterdam-Rijnmond wil een aantrekkelijke regio blijven voor bedrijven en instellingen om zich te vestigen. En zich daarmee ook internationaal op de kaart te kunnen zetten. Samen met ondernemers en deze andere partijen, wil zij de omstandigheden creëren waarin ondernemend zijn en de uitvoering van internationaal hoogwaardig onderzoek ruimte heeft, terwijl eventuele risico’s daaruit voortkomend in beeld zijn en zowel preventief als repressief beheersbaar zijn gemaakt. De in Nationale wet- en regelgeving geconstateerde hiaten wat betreft het vooraf toetsen van de wenselijkheid van de vestiging van laboratoria zijn geconstateerd. Alsmede daar waar dit het toezicht op de uitvoering van activiteiten in laboratoria en de daarbij behorende risico’s betreft. Daarom is het de lokale wens om tijdelijke maatregelen voor risicobeheersing te kunnen inrichten. Vooruitlopend op landelijke aanvullende wet- en regelgeving, wordt een aantal tijdelijke maatregelen voorgesteld die bestaan uit het vaststellen van beleidsuitgangspunten. Aan de hand daarvan wordt een werkbaar toetsingskader gehanteerd bij een volgende aanvraag van een uitbreiding of nieuwe vestiging van een hoog-risico biologisch laboratorium in de regio Rotterdam-Rijnmond.

Het doel van het beleids- en toetsingskader is daarom om bewust en pro-actief risico’s in kaart te brengen, vooruitlopend op landelijke aanvullingen op wet- en regelgeving. Aan de hand daarvan kunnen maatregelen worden vastgesteld als deze risico’s vanuit het perspectief van de hulpdiensten onvoldoende door de instelling zijn beperkt, mede in relatie tot de beoogde locatie door locatiespecifieke kenmerken. Daarna kan worden vastgesteld welke restrisico’s er zijn en in hoeverre deze operationeel en bestuurlijk aanvaardbaar zijn. Binnen de huidige (wettelijke) context, ontbreekt met name de toevoeging van de zienswijze van de witte kolom bij de aanvraag van een vergunning voor de vestiging van een laboratorium met klasse 3 of hoger alsmede de rode en blauwe kolom t.a.v. aspecten van beheersbaarheid van een situatie bij of voortkomend uit een dergelijk laboratorium. Ten behoeve van de vergunningverlening wordt momenteel toestemming verkregen van de gemeente, namelijk Stadsontwikkeling in Rotterdam of de betreffende dienst in de andere gemeenten van de Veiligheidsregio. Getoetst wordt aan het bestemmingsplan en bouwkundige eisen, milieu en de eisen t.a.v. brandveiligheid. I&M toetst ten aanzien van het werken met GGO’s. Deze toestemming richt zich op de fysieke infrastructuur, waarop Printdatum:15 Augustus 2016

1

het toetsingskader dus minder gericht is, omdat deze aspecten in de huidige wet- en regelgeving al zijn belegd. Het is daarom nodig dat de regio, vooruitlopend op landelijke maatregelen, zelf eerst maatregelen treft wanneer het gaat om laboratoria met een risico-classificatie 3 en hoger. Er is een toetsingskader geformuleerd naast enkele andere maatregelen in het managen van risico’s.

Uitwerking van de lokale maatregelen: inhoud en beoogde doelen Toetsingskader Voortkomend uit de beleidsuitgangspunten, is een toetsingskader opgesteld waaraan nieuwe aanvragen voor vestiging of uitbreiding van laboratoria in de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond voortaan worden getoetst. De doelen zijn: - risico’s te expliciteren door aan de hand van een risico-inventarisatie van de voorgenomen activiteiten en daarmee het bewustzijn bij de zich voorgenomen vestigende partij te verhogen en diens betrokkenheid te verruimen tan aanzien van aspecten van publieke gezondheid en veiligheid; - zodat de risico’s van beoogde vestiging –rekening houdend met deze locatie- in kaart zijn en alternatieven voor locatie kunnen worden gewogen en; - er een dossier is opgebouwd rondom een voorgenomen aanvraag, inclusief documentatie. Het toetsingskader richt zich aanvullend op criteria ten aanzien van de aanvrager, welk onderzoek is voorgekomen, hoe het kwaliteitssysteem wordt ingericht inclusief fysieke en procedurele veiligheid. Er wordt gekeken naar de toegankelijkheid en bereikbaarheid van de locatie, de (directe) omgeving en hoe kan worden samengewerkt met hulpdiensten. Het is niet de bedoeling dat het toetsingskader werkt als een inspectie, of om taken van bestaande inspecterende instellingen over te nemen.

Die onderdelen die met een dergelijke inspectie aan de orde komen, worden daarom in het toetsingskader niet opgenomen. Er zijn daarnaast aanvullende maatregelen geïndiceerd, die zijn beschreven in bijlage 1.

Printdatum: 15 Augustus 2016 Beleid- en Toetsingskader Biologische laboratoria ML 3 en ML 4 regio Rotterdam-Rijnmond V0.9

2

Bijlage 1 Context Beleid- en Toetsingskader Biologische laboratoria, nadere achtergrond en toelichting Leeswijzer Op verzoek van de veiligheidsdirectie is een toetsingskader opgesteld, dat –na vaststelling- zal worden gebruikt om de aanvraag voor de vestiging of uitbreiding van hoog-risico laboratoria in de regio te toetsen aan de hand van criteria voor publieke veiligheid en publieke gezondheid en op beheerbaarheid bij een incident, ongeval of ramp. Dit toetsingskader (bijlage) is opgesteld aan de hand van de uitgangspunten die in dit beleidskader zijn aangegeven. De opdracht tot het opstellen van dit toetsingskader is vanuit de veiligheidsdirectie gekomen. Uiteindelijk zal dit kader multidisciplinair zijn aangekleed, maar omdat het accent op de witte kolom ligt, ligt deze eerste versie nu voor. Hierna zullen ook de andere diensten worden betrokken en wordt het kader verder aangevuld met de ontbrekende onderdelen die niet in reguliere activiteiten van toezicht worden meegewogen.

Werking Het toetsingskader is niet normatief maar inventariserend. Wanneer een normatief kader gehanteerd zou worden, is de kans zeer aanwezig dat er met de aanvrager een gesprek voortduurt over de normen, waarover internationaal wetenschappelijk gezien geen overeenstemming bestaat. Ergo: een geobjectiveerd en (internationaal) breed gedragen kader bestaat nog niet. De KNAW faciliteerde een werkgroep en een discussieplatform om hierover gezichtspunten te delen, waaruit de verdeeldheid blijkt in het wetenschappelijke veld. Het toetsingskader stelt vragen, zodat medewerkers van de veiligheidsregio en andere hulpverleningsdiensten zowel: - toetsen of de instelling zich dezelfde vragen heeft gesteld en de instelling wordt uitgenodigd mee te denken over de aspecten van publieke veiligheid en gezondheid; - de hulpverleningsdiensten de aspecten van publieke veiligheid en gezondheid inschatten op risico, beheersbaarheid van risico’s en het in kaart brengen van eventuele niet beheerbare risico s in relatie tot de beoogde vestigingslocatie. Context: economie, wetenschap en veiligheid Rotterdam-Rijnmond huisvest een aantal vooraanstaande ziekenhuizen en onderzoeksgroepen op het gebied van gezondheidszorg. Mogelijk zijn er nog andere hoog-risico laboratoria aanwezig1.

Als in dit document wordt gesproken over hoog-risicolaboratoria, dan wordt alleen gerefereerd naar biologische hoog-risico-laboratoria.

1

Wellicht zijn nog niet alle hoog-risico laboratoria in de regio in beeld. Inmiddels is deze vraag wel gesteld aan RIVM en NCTV en er wordt nagedacht hoe en welke lijst aan de regio beschikbaar wordt gesteld

Printdatum: 15 Augustus 2016 Beleid- en Toetsingskader Biologische laboratoria ML 3 en ML 4 regio Rotterdam-Rijnmond V0.9

3

Hoogwaardige zorg en onderzoek in Rotterdam De stad hecht aan de aanwezigheid van hoogwaardige medische zorg en onderzoek op het gebied van health sciences. Zij onderhoudt goede contacten met de laboratoria. Daarnaast is het Lokaal Publiek bestuur ook verantwoordelijk voor de veiligheid van haar inwoners. Bij de vestiging van bedrijven en instellingen wordt daarom een afweging gemaakt tussen dat wat de economische bedrijvigheid de stad en haar inwoners brengt en welke mogelijke risico’s hiermee ook gepaard gaan. Bij de vestiging van laboratoria in het dicht verstedelijkte gebied Rotterdam, is er de bestuurlijke en operationele wens dat er een expliciete afweging van belangen plaatsvindt. Risicoklasse ML3 In Nederland wordt in vele laboratoria gewerkt met virologisch of bacteriologisch materiaal, naar schatting van VWS ca. 100 op ML3 niveau. Dat is nodig om veilige diagnostiek te kunnen doen en voorwaarde voor hoogwaardig wetenschappelijk onderzoek. Deze beleidsvisie focust op laboratoria die werken met wilde stammen van virussen, bacteriologisch materiaal en genetisch gemodificeerde virussen en bacteriën die voor mens of dier zeer schadelijk kunnen zijn, dus een zogenaamd klasse 3 laboratorium. Bij een classificatie ‘3’ is er wel een behandeling mogelijk na (mogelijke) besmetting met het virus, ondanks de ernst van de aandoening die het virus of de bacterie veroorzaakt.

Bij een klasse hoger (4) is de aandoening ernstig en is geen behandeling mogelijk. In dit document wordt uitsluitend gesproken over de risicoclassificatie 3 en 42. Uitgangspunten bij het opstellen van dit toetsingskader: de wens van de regio Rotterdam-Rijnmond is volgens een en-en-model beleid vast te stellen waarin er is ruimte voor economische ontwikkelingen en plaats voor de uitvoering van hoogwaardig wetenschappelijk onderzoek én risico’s voor de publieke gezondheid en openbare veiligheid worden geminimaliseerd tot een politiek aanvaardbaar niveau dat beleidsmatig en operationeel bij een ongeval, incident of calamiteit tegen een aanvaardbare (potentiele) schade en aanvaarbare kosten kan worden beperkt en gemanaged.

Huidige situatie Laboratoria gevestigd op hoogte in openbaar toegankelijke gebouwen In de huidige situatie zijn er (voor zover dit beeld volledig is), enkele klasse 3 laboratoria. De bijzonderheid bij twee nieuwe labs, waarin er in één met proefdieren wordt gewerkt, is dat twee laboratoria op hoogte zijn gevestigd. Dit gegeven brengt bovenop het specifieke karakter van de voorzieningen met zich mee: - dat zich veel personen niet werkzaam in het laboratorium in de beide openbaar toegankelijke gebouwen bevinden wanneer er in het lab gewerkt wordt; - dat deze personen niet geregistreerd zijn of worden, in het geval er een verspreiding plaatsvindt van virussen/bacteriën, en niet makkelijk te traceren zijn zonder (grote) publieke onrust te veroorzaken; - dat hulpdiensten bij een calamiteit of incident te maken hebben met de mogelijk beperkte toegankelijkheid en ontsluitbaarheid van de voorziening; Wat zijn de risico’s bij een biologisch laboratorium? Twee scenario’s De belangrijkste risico’s zijn van fysieke aard en van andere aard zoals veiligheid en het toebrengen van opzettelijke schade of de bedoeling materiaal te ontvreemden. 1. De fysieke barrière faalt. Technisch gezien kunnen organismen met grote waarschijnlijkheid niet buiten de barrière raken. Menselijk of technische falen zorgt er voor dat een 100% sluitende voorziening niet mogelijk is.

Ook als de procedures tot een theoretisch geheel sluitend systeem leiden, worden er (soms basale) fouten gemaakt. 2

In Nederland bestaat er nog geen laboratorium op ML4-niveau. De wetenschappelijke belangstelling om een dergelijk laboratorium wel te kunnen hebben, is er wel.

Printdatum: 15 Augustus 2016 Beleid- en Toetsingskader Biologische laboratoria ML 3 en ML 4 regio Rotterdam-Rijnmond V0.9

4

Die leiden tot een opgemerkte of pas later opgemerkte (mogelijke) besmetting (de zgn. “silent release”). Dit noemen we biosafety-maatregelen; “Keep the bad bugs away from people”. 2. Opzet. Wanneer er opzet in het spel is, kan een virus moedwillig naar buiten worden gebracht, of kunnen personeelsleden onder druk worden gezet dit te doen of wordt er kennis gestolen die kan worden misbruikt. Dit zijn aspecten van biosecurity; “Keep the bad people away from bugs”. De actualiteit leert ons dat hoog-risico-virussen of bacteriën daarnaast ook buiten hoog-risico laboratoria kunnen voorkomen, bijvoorbeeld wanneer patiënten besmet met een hoog risico virus of bacterie zijn opgenomen in een ziekenhuis. Het hoog-risico-virus Ebola kan bijvoorbeeld in een academisch ziekenhuis voorkomen wegens de verpleging van één of meerdere patiënten die hiermee besmet zijn. Het niveau van risico (in vergelijking met het werk in een strikt gecontroleerde labomgeving) is dan vergelijkbaar of hoger. Er zijn LCI-protocollen voor deze situatie beschikbaar.

Hoe worden risico’s gemitigeerd? Vergunningverlening Bij de vergunningverlening door de gemeente, vindt er toetsing plaats op verschillende aspecten binnen de kaders van de milieuwetgeving en brandveiligheid, passend binnen bestemmingsplannen. Biosecurity Ten aanzien van het beperken van de toegang van gevoelige informatie of feitelijk besmettelijk materiaal, bestaat er een hele serie maatregelen die getroffen kunnen worden. Te denken valt aan: 1. Procedure personeelsscreening, daar is aandacht voor bij de meeste laboratoria, waarin getoetst en vastgesteld wordt tot welk niveau van screening is gekomen. 2. Toegangscontrolesystemen. In hoeverre zijn er lagen van toegang aangebracht en zijn er verschillende systemen van toegang (b.v. dat met een pasje iemand meteen door alle lagen van beveiliging kan doordringen. 3. Logging van wie wanneer toegang had tot de faciliteit. 4. Beveiliging van informatie (tegen hacking, beveiligde sectie op mobiele apparaten die het gebouw verlaten etc). 5. Etc etc. Biosafety Internationaal is er veel belangstelling voor hoog-risico health sciences research omdat dit onderzoek de basis legt voor het vinden van middelen en methoden voor de preventie of behandeling van ernstige aandoeningen.

De belangstelling komt ook vanuit de laboratoria zelf, die hun medewerkers veilig en gezond willen en moeten laten werken, zo bleek tijdens het bezoek aan de laatste internationale conferentie van de European Biosafety Standards Association in het voorjaar van 2014 waar ook een delegatie vanuit Rotterdam-Rijnmond aanwezig was. Er is geen beeld van hoeveel slachtoffers er zijn door incidenten in laboratoria of door het moedwillig vrijkomen van virologisch/bacteriologisch materiaal. Er zijn wel meerdere casussen bekend van beide gevallen met dodelijke afloop.

Printdatum: 15 Augustus 2016 Beleid- en Toetsingskader Biologische laboratoria ML 3 en ML 4 regio Rotterdam-Rijnmond V0.9

5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=f6a9153b-f3cf-4126-9d29-97a383cbc021