21bb5033 Bijlage 1 behorende bij 21bb7712 over Ontwerpbestemmingsplan Kralingse Bos
Tekst van het document
•
het beleid voor waterkwaliteit staat in de Voortgangsnota Europese
•
Voor een klein aantal onderdelen blijft het provinciale waterplan 2010-
en Mobiliteit Kaderrichtlijn Water 2016-2021. 2015 ongewijzigd van kracht. Het gaat daarbij om het waarborgen van de veiligheid tegen overstromingen, het realiseren van mooi en schoon water, ontwikkelen van een duurzame zoetwatervoorziening het realiseren van een robuust en veerkrachtig watersysteem Provinciale verordening
Beleid omtrent buitendijks bouwen is opgenomen in de Provinciale
"Ruimte"
verordening "Ruimte" (artikel 12: bouwen in buitendijks gebied). Dit artikel verplicht gemeenten om in bestemmingsplannen voor buitendijks gebied waarin nieuwe bebouwing mogelijk wordt gemaakt een inschatting te maken van het slachtofferrisico van een eventuele overstroming, en om duidelijk te maken hoe met dat risico wordt omgegaan.
Wateradvies
Dossiernummer
Versie
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
2
December 2018
32 van 33
Gemeentelijk Rioleringsplan
Voor de planperiode 2016-2020 heeft Rotterdam vier doelen geformuleerd:
2016-2020
1.
Beschermen van de volksgezondheid door doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater.
2.
Voorkomen van wateroverlast door doelmatig inzamelen, transporteren
3.
Voorkomen of beperken van structureel nadelige gevolgen van een hoge
en verwerken van hemelwater. of lage grondwaterstand door doelmatige maatregelen in openbaar gebied. 4.
Rotterdammers van dienst zijn en bewustwording tot stand brengen over hun rol in het stedelijk watersysteem door actief communiceren en de Rotterdammers en Rotterdamse bedrijven handelingsperspectieven te laten zien.
Wateradvies
Dossiernummer
Versie
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
2
December 2018
33 van 33
Bestemmingsplan Kralingse Bos Onderzoek externe veiligheid en verantwoording groepsrisico
Opdrachtgever Stadsontwikkeling Rotterdam
Projectcode 2018-0023
Datum: 28 september 2018
Versie: 0.1
Opsteller: Ing. P.J.G. Bruijkers
Tweede lezer: Ir. T. van Hille
Inhoud 1
Inleiding
3
2
Ruimtelijke situatie
4
2.1
Beschrijving plangebied
4
2.2
Risicobronnen
5
3
Wettelijke bepalingen en beleid
6
3.1
Algemeen
6
3.2
Transport van gevaarlijke stoffen: wet- en regelgeving Basisnet
7
3.3
Inrichtingen
9
3.3.1
Effectbenadering besluitvorming rondom LPG-tankstations
9
3.4
Gemeentelijk beleid
10
3.5
VRR beleid
11
4
Onderzoek en resultaten
13
4.1
Risico’s transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A20
13
4.2
Transport over de A16
14
4.3
Risico’s transport van gevaarlijke stoffen over het spoor
16
4.4
LPG-tankstation aan de Prinsenlaan 987
19
4.5
Risico LPG tankstations Bosdreef nrs. 12 en 13
21
5
Conclusies, advies en verantwoording groepsrisico
23
5.1
Conclusies
23
5.2
Advies en verantwoording groepsrisico
23
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
2 van 23
1
Inleiding Voor het plangebied Kralingse Bos in Rotterdam stelt de gemeente Rotterdam een nieuw bestemmingsplan op. De doelstelling is om in 2020 een vastgesteld bestemmingsplan voor het gebied te hebben, waarin de kaders voor de gewenste ruimtelijke situatie en de mogelijke ontwikkelingen wettelijk zijn verankerd. Bij de ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met de normen voor externe veiligheid. In en in de directe nabijheid van dit bestemmingsplangebied zijn risicobronnen. In dit rapport worden de onderzoeksresultaten gebruikt voor; - de toets aan wet- en regelgeving en beleid; - de uitwerking van de bestuurlijke verantwoording groepsrisico externe veiligheid. De verantwoordelijke ambtelijke dienst voor de voorbereiding van de bestuurlijke verantwoording is de afdeling Stedelijke Inrichting van het Cluster Stadsontwikkeling. Deze rapportage is opgesteld door het Ingenieursbureau van het Cluster Stadsontwikkeling. Deze rapportage vormt het vereiste document voor de bestuurlijke verantwoording van het groepsrisico.
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
3 van 23
2
Ruimtelijke situatie
2.1
Beschrijving plangebied Het plangebied is gelegen in Kralingen-Crooswijk te Rotterdam en heeft een oppervlakte van 4,06 km2. Het gebied omvat de Kralingse plas (ca. 1 km2), het omliggende bosgebied en aan de oostkant, naast de A16, een woonwijk ‘Boszoom’. Het plangebied wordt voornamelijk gebruikt voor recreatieve doeleinden. Aan de randen van de Kralingse plas zijn enkele restaurants gelegen. Ten westen en oosten van de Kralingse plas zijn sportverenigingen en een golfclub gelegen. Ten noorden van de Kralingse plan is een klimpark gelegen. Het deel van het Kralingse Bos ten noorden van de Bosdreef (planvorming Nieuw Kralingen) blijft net als in het vigerende bestemmingsplan buiten het plangebied. Het perceel van de Rotterdamse Manège ‘de Jockey Club’ maakt wel onderdeel uit van het plangebied. Het plangebied (zie figuur 2.1) grenst aan de oostkant aan de Rijksweg A16. De noord- en westzijde van het plangebied wordt begrenst door de contour van de Bosdreef. De zuidzijde van het gebied wordt begrensd door de Boezemlaan, de Kralingse Plaslaan en tenslotte de Kralingseweg tot aan de Rijksweg A16.
Figuur 2.1: plangebied Kralingse Bos
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
4 van 23
Ontwikkelingen Het nieuwe bestemmingsplan is nagenoeg geheel conserverend van karakter. De ongebruikte ontwikkelingsmogelijkheden uit het huidig bestemmingsplan worden overgenomen Het gaat hier om twee locaties met bebouwingsmogelijkheden met voor elk één vrijstaande woning aan de Plaszoom.
2.2
Risicobronnen De volgende, voor dit plangebied, relevante risicobronnen komen in dit onderzoek aan bod: Het risico van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg: · de rijksweg A20; · de rijksweg A16; · het spoor. Het risico van de inrichtingen; · LPG tankstation aan de Prinsenlaan nr. 987; · LPG tankstation aan de Bosdreef nr.12 en nr. 13.
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
5 van 23
3
Wettelijke bepalingen en beleid
3.1
Algemeen Bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen dient rekening te worden gehouden met de wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid. De regelgeving en het beleid voor externe veiligheid is gebaseerd op de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico, en maakt onderscheid in kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Plaatsgebonden Risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat er in een jaar op een bepaalde plaats een persoon ten gevolge van een verondersteld ongeval van een activiteit komt te overlijden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het transport van tot vloeistof verdicht autogas (Liquified Petroleum Gas, LPG) over de weg. De norm in Nederland is dat het plaatsgebonden risico ten gevolge van een installatie of transportroute in woongebieden niet groter mag zijn dan 1*10-6 per jaar. Dat betekent dat personen die op een plaats met een dergelijke kans permanent aanwezig zijn, niet vaker dan eens in het miljoen jaar zullen overlijden als gevolg van de betreffende risicobron.
In artikel 1 lid 1, sub p van het Bevi1 is de norm van het plaatsgebonden risico als volgt gedefinieerd: 'risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is.’ De contour voor het plaatsgebonden risico levert een bebouwingsvrije afstand op die aangehouden moet worden bij bestaande en bij (het ontwerpen van) nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten. Groepsrisico Het groepsrisico is afhankelijk van de specifieke omstandigheden. Het gebied rondom een risicobron wordt ingedeeld in ‘vakjes’ van gelijke grootte. Voor elk vakje wordt bepaald hoeveel mensen er aanwezig zijn. In woongebieden komen veel mensen per vakje voor, in industriegebieden over het algemeen weinig. Nadat is bepaald welke ongevallen voor de betreffende risicobron maatgevend zijn, wordt gebruikmakend van de bevolkingsgegevens uitgerekend hoe groot het aantal dodelijke slachtoffers als gevolg van deze ongevallen zal zijn. Door deze gegevens te combineren met de kans dat deze ongevallen zich in een jaar voordoen, wordt het groepsrisico verkregen. In Figuur 3.1 is ter illustratie een voorbeeld van een groepsrisicocurve weergegeven.
Het betreft een transportroute. In de figuur is de oriëntatiewaarde aangegeven als een rode stippellijn. Het roze gebied is het overschrijdingsgebied, in het groene en gele gebied wordt de oriëntatiewaarde niet overschreden. In het groene gebied wordt de oriëntatiewaarde met een factor 10 of meer onderschreden. In het gele gebied heeft het groepsrisico een waarde die tussen 10% (factor 0,1) van de oriëntatiewaarde ligt en 100% (factor 1) maal de oriëntatiewaarde. In dit voorbeeld is het risico kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Figuur 3.1 groepsrisicocurve
1
Het BEVI is gepubliceerd in de Staatscourant op 27 mei 2004 (2004-250).
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
6 van 23
Verantwoording groepsrisico Bij de ontwikkeling van dit plan speelt externe veiligheid een rol. Het groepsrisico externe veiligheid kan door het programma toenemen en dit betekent dat het bevoegde gezag op basis van de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (c-RNVGS), het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) en het CHAMP-besluit van de provincie Zuid-Holland een gemotiveerd besluit moet nemen in het kader van de bestemmingsplanprocedure. Het bevoegd gezag moet aan de burger verantwoording afleggen over de afwegingen die geleid hebben tot het besluit. De gemeente Rotterdam heeft een beleid opgesteld hoe de verantwoording van het groepsrisico dient plaats te vinden. In 3.5 is dit beleid verwoord. Door Gedeputeerde Staten (G.S.) van Zuid-Holland is deze motivatieplicht vertaald naar de zogenoemde CHAMP-plichten (Communicatie, Horizon, Anticipatie, Motivatie en Preparatie). Bij de advisering over het bestemmingsplan wordt gekeken of de uitwerking van het CHAMP-besluit als procesinstrument in voldoende mate is toegepast. Het beleid van G.S. betekent dat uit een document moet blijken hoe invulling is gegeven aan de CHAMP-plichten. De bestuurlijke verantwoording is dus pas bij de vaststelling van het bestemmingsplan.
3.2
Transport van gevaarlijke stoffen: wet- en regelgeving Basisnet Ingaande 1 april 2015 is de Wet Basisnet (Stb. 2013,307) in werking. Met het Besluit tot inwerkingtreding van 20 februari 2015 (Stb. 2015,92) is de volgende regelgeving van kracht:
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
7 van 23
1. de Wet van 10 juli 2013 tot wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en enkele andere wetten in verband in verband met de totstandkoming van een basisnet van vervoer van gevaarlijks stoffen over water, weg en spoor. 2. De afdeling 2.16 van het Bouwbesluit, in twee bepalingen worden regels gesteld aan nieuwbouw in veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden en worden beperkingen gesteld aan het gebruik van de ruimte boven een basisnetroute. 3. routering van basisnetroutes (hoofdstuk 3 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen) 4. het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), dit besluit bevat regels die gericht zijn op de ruimtelijke ordening, deze regels hebben onder meer betrekking op het toepassen van vaste afstanden vanaf de betreffende basisnet transportroute tot nieuw toe te laten (beperkt) kwetsbare objecten. De toe te passen afstanden zijn opgenomen in bijlagen bij de Regeling basisnet (Stcrt 2014, 82420) In de Regeling Basisnet is over de handhaving van de regeling het volgende bepaald: - dat voor wat betreft de vervoerzijde van het basisnet er alleen taken zijn opgelegd aan de beheerders van de infrastructuur (Toelichting Rb, par.
4: Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid); - dat deze infrastructuurbeheerders moeten monitoren en rapporteren aan de Minister IenM (art 10 en 11 van de Rb); - dat minister kan ingrijpen en maatregelen nemen om een (dreigende) overschrijding tegen te gaan (art 12, toelichting op art.12). Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) geeft aan dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan langs transportroutes die deel uitmaken van de Regeling basisnet (Rb) de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege kan blijven. Het begrip risicoplafond is ingevoerd, zowel voor het plaatsgebonden risico (PR-plafond, uitgedrukt in de maximale PR 10-6 contour) als voor het vervoersaandeel in het groepsrisico (GR-plafond, uitgedrukt in maximale vervoershoeveelheden per stofcategorie). Deze plafonds zijn per basisnetroute en per wegvak/tracé/vaarroute in de Rb vastgelegd. Voor het berekenen van groepsrisico’s dient uit te worden gegaan van de vervoercijfers uit de Rb. Die vervoercijfers zijn gebaseerd op een maximale benutting van de groeiruimte voor het toekomstig vervoer. Gemeenten moeten langs bepaalde wegen en spoorwegen rekening houden met de effecten van een ongeluk met zeer brandbare vloeistoffen. Bij een ongeval met een tankwagen of tankwagon met zeer brandbare vloeistoffen kan die uitstromen en in brand raken wat kan leiden tot een brandende plas.
Dat kan in een zone van 30 meter langs de weg of spoorweg tot slachtoffers leiden. De zone van 30 meter langs wegen waar veel zeer brandbare vloeistoffen vervoerd worden is daarom in de Rb aangeduid als plasbrandaandachtsgebied (PAG). De gemeente moet bij ruimtelijke ontwikkelingen in die gebieden verantwoorden waarom op deze locatie wordt gebouwd. Bouwen binnen een PAG wordt dus een afweging die door de gemeente wordt gemaakt op basis van de lokale situatie en op basis van de regels van de artikelen 2.132 en 2.133 van het Bouwbesluit. Het gaat dan om nieuwe gebouwen waarin personen verblijven. Voor bestaande gebouwen geldt deze regelgeving niet. Naast de risicobenadering (PR-plafond en GR-plafond ) wordt met dit nieuwe effectbeleid extra veiligheid gecreëerd. Bij transportroutes Water gaat het niet om maximale gebruiksruimten, maar om referentiewaarden. Ook hier geldt dat indien referentiewaarden worden overschreden een nadere risicoanalyse moet uitwijzen of aan risiconormering wordt voldaan. In het geval dat de berekende transportintensiteiten
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
8 van 23
lager zijn dan de referentiewaarden, mag er zonder meer vanuit worden gegaan dat aan de risiconormering wordt voldaan.
3.3
Inrichtingen Het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) legt veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij in dit plan om bijvoorbeeld lpg-tankstations. Het besluit heeft gevolgen voor ruimtelijke plannen. Gemeenten en provincies moeten in hun bestemmingsplannen rekening houden met de veiligheidsnormen uit het besluit. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het BEVI van 27 mei 2004 is gepubliceerd in het Staatsblad 2004 onder nummer 250. Bij dit besluit behoort de Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen (REVI), die in de Staatscourant van 23 september 2004 (nr. 183) is gepubliceerd.
3.3.1
Effectbenadering besluitvorming rondom LPG-tankstations Op 28 juni 2016 is de “Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid" in de Staatscourant gepubliceerd. Deze circulaire vraagt actie van gemeenten bij het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan rondom LPG-tankstations en bij het verlenen van een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van een LPGtankstation. De circulaire beoogt dat gemeenten, naast een risicobenadering in het kader van het Bevi (plaatsgebonden risico en groepsrisico), uitdrukkelijk ook een effectbenadering toepassen bij besluiten rondom LPG-tankstations. De effectbenadering is van toepassing als er een nieuw bestemmingsplan wordt vastgesteld op grond waarvan kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten nabij een LPG-tankstation gerealiseerd kunnen worden of op een omgevingsvergunning milieu voor het oprichten van een LPG-tankstation. Het bevoegd gezag wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan door het treffen van veiligheidsmaatregelen. Daarnaast wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 160 meter tot zeer kwetsbare objecten.
De circulaire hangt samen met de wijziging “verkleining afstanden voor LPG-tankstations” waarmee de vaste veiligheidsafstanden voor het plaatsgebonden risico in het Revi worden verkleind en met een Safety Deal. In deze Safety Deal zijn tussen het ministerie van Infrastructuur en Milieu en de LPG-sector afspraken vastgelegd over het toepassen van hittewerende bekleding op de LPGtankwagens die de autogastankstations bevoorraden. Dit betekent dat voor die gevallen waarbij een QRA vereist is (bijvoorbeeld als er zowel LPG als propaan wordt geleverd), de circulaire weer niet van toepassing is. In het Bevi/Revi zijn veiligheidsafstanden voor het plaatsgebonden risico vastgelegd. Deze afstanden gelden als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Daarnaast is er een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico van toepassing binnen het invloedsgebied van 150 meter. Met het doorvoeren van hittewerende bekleding is het risico op het optreden van een BLEVE aanzienlijk verlaagd. Hierdoor zal het plaatsgebonden risico ten gevolge van een LPG-tankstation aanzienlijk afnemen. De maatgevende veiligheidsafstanden voor het plaatsgebonden risico kunnen hiermee worden verkleind. Voor de verantwoording van het groepsrisico zijn geen wijzigingen
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
9 van 23
doorgevoerd. De nieuwe veiligheidsafstanden voor het plaatsgebonden risico zijn in tabel 1 van bijlage 1 van de Revi opgenomen. Tabel 3.1 veiligheidsafstanden voor het plaatsgebonden risico LPG-stations (tabel 1 van bijlage 1 van de Revi) Doorzet (m3 per Afstand (m) vanaf Afstand (m) vanaf Afstand (m) vanaf jaar) vulpunt ondergronds of afleverzuil ingeterpt reservoir ≥ 1000 40 (was 110) 25 (onveranderd) 15 (onveranderd) 500 – 1000 35 (was 45) 25 (onveranderd) 15 (onveranderd) < 500 25 (was 45) 25 (onveranderd) 15 (onveranderd) Voor LPG-tankstations met een bovengronds reservoir wijzigt het risico op een BLEVE door opwarming van dit opslagreservoir niet en blijft dit maatgevend voor het plaatsgebonden risico. De veiligheidsafstand voor tankstations met een bovengronds LPG-reservoir blijft hierdoor onveranderd (120 meter).
3.4
Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid staat in het Beleidskader Groepsrisico Rotterdam. Dat is op 9 juni 2011 door de gemeenteraad vastgesteld. Het beleid wordt vormgegeven door een uitgesproken ambitie over het groepsrisico, heldere procesafspraken tussen partijen, een afwegingskader in relatie tot de hoogte van het groepsrisico inclusief een Externe Veiligheidskaart voor Rotterdam. De algemene ambitie van Rotterdam met betrekking tot het groepsrisico is als volgt. Rotterdam streeft voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreidingen van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is, en waarbij tevens geldt dat, bij voorkeur, de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Uitgangspunt van het beleid is dat er voldoende ruimte is voor de ruimtelijke- en economische ambities van de stad en de haven, maar dat initiatiefnemers het noodzakelijke doen om de risico’s als gevolg van die ontwikkelingen zo laag mogelijk te houden. Het is niet de bedoeling om ruimtelijke ontwikkelingen of activiteiten van bedrijven op voorhand tegen te houden of te beperken. Rotterdam probeert deze ambitie in drie stappen te bereiken. · Door te streven naar een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. · Als dat niet haalbaar is wordt er naar gestreefd het GR niet toe te laten nemen.
· Indien dit niet realistisch is wordt bezien of het mogelijk is om door middel van maatwerk tot en zo verantwoord mogelijk GR te komen. Inhoudelijke afweging groepsrisico De kerngedachte bij de verantwoording is: hoe hoger het groepsrisico hoe zwaarder de verantwoording en daarmee ook de inhoudelijke betrokkenheid van het bestuur en de omvang van de te nemen maatregelen. Bij de verantwoording groepsrisico worden drie categorieën onderscheiden: licht, middel en zwaar. De zwaarte uit zich in de omvang van de onderbouwing, de inzet van betrokken partijen, de mate van betrokkenheid van het bestuur en de voorgeschreven maatregelen ten behoeve van
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
10 van 23
hulpverlening en rampvoorbereiding. De hoogte van het groepsrisico bepaalt in welke categorie een besluit wordt geplaatst. Het vernieuwende in deze aanpak is een directe koppeling tussen de ernst en de omvang van risico’s en de zwaarte en uitgebreidheid van het verantwoordingsproces en de bestuurlijke afweging. Ten behoeve van een goede beoordeling moet ook gekeken worden naar de omvang van de stijging van het groepsrisico, het maatgevende ongevalscenario, kenmerken van de populatie en de capaciteit van hulpverlening. Een zware en middelzware verantwoording worden uitgewerkt in een verantwoordingsdocument waarvan het bestuur in het kader van de besluitvorming expliciet op de hoogte wordt gebracht. Voor de onderverdeling in licht, middel en zware verantwoording worden de volgende grenzen gehanteerd voor de waarde van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico (Tabel 3.2). Tabel 3.2: Categorie-indeling verantwoording Licht Het groepsrisico is kleiner dan of gelijk aan 0,3 maal de oriëntatiewaarde Middel Het groepsrisico is groter dan 0,3 maal de oriëntatiewaarde maar kleiner dan of gelijk aan 1,0 maal de oriëntatiewaarde Zwaar Het groepsrisico is groter dan 1,0 maal de oriëntatiewaarde Bij de categorie ‘lichte’ verantwoording gelden uitsluitend enkele generieke maatregelen ten aanzien van de veiligheidsaspecten hulpverlening en zelfredzaamheid.
De verantwoording wordt verwoord met een standaard passage in de toelichting bij het bestemmingsplan of in de omgevingsvergunning. De betrokkenheid van het bestuur is, vanwege het zeer beperkte risico, minimaal. Bij de categorie ‘middel’ verantwoording gelden, naast de voorwaarden van de categorie ‘licht’, een maatwerkadvies van de VRR, inzicht in mogelijke ongevalscenario’s en afweging van alternatieve locaties. De verantwoording vraagt een uitgebreider onderzoek en belangenafweging. De uitkomst van het verantwoordingsproces wordt in de toelichting van de agendapost opgenomen. Het bestuur wordt, in het kader van de besluitvorming, expliciet op de hoogte gebracht van het groepsrisico. Bij de categorie ‘zware’ verantwoordingen gelden naast de voorwaarden van de voornoemde categorieën specifiek omschreven voorwaarden. Het betreft hier een uitgebreide belangenafweging onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, waarin onder andere aandacht besteed moet worden aan de kosteneffectiviteit van maatregelen in relatie tot de rampvoorbereiding. Het gaat hier om een zeer uitgebreide verantwoordingsprocedure die in alle gevallen leidt tot expliciete besluitvorming (beslispunt in de agendapost) door het bevoegd gezag over de te aanvaarde risico’s.
3.5
VRR beleid Voor een eenduidige externe veiligheidsadvisering is binnen de regio Rotterdam-Rijnmond door het Algemeen Bestuur van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) op 26 april 2010 de Rapportage Uitgangspunten Scenarioanalyse Externe Veiligheid ten behoeve van advisering bij ruimtelijke ordening vastgesteld. ‘Zeer’ kwetsbare personen In de vastgestelde scenarioanalyse is onder andere opgenomen dat de VRR bij ontwikkelingen binnen de 100% letaliteitcontour2 van het worstcase scenario adviseert geen ‘zeer’ kwetsbare 2
Binnen dit gebied komt 100% van de aanwezige personen te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
11 van 23
bestemmingen te realiseren. Dit geldt alleen bij hittestraling- en/of overdrukscenario’s. Bij deze scenario’s is de zelfredzaamheid van personen namelijk de enige redding. Personen die verblijven in een ziekenhuis, verpleegtehuis, penitentiaire- en psychiatrische instelling, basisschool (< 8 jaar), speciaal (basis)onderwijs, peuterspeelzaal, kinderdagverblijf en een Buitenschoolse Opvang (< 8 jaar) zijn niet zelfredzaam en worden daarom als ‘zeer’ kwetsbaar aangeduid. Gebouwen waarin zich dergelijke ‘zeer’ kwetsbare personen bevinden zijn dan ook aangemerkt als ‘zeer’ kwetsbare bestemmingen. Op basis van dit beleid zal de VRR bij nieuwe ‘zeer’ kwetsbare bestemmingen binnen de 100% letaliteitcontour van een BLEVE (100 meter vanaf de rand van de rijksweg) negatief adviseren. Grote groepen mensen In de vastgestelde scenarioanalyse is onder andere opgenomen dat de VRR bij ontwikkelingen binnen de 100% letaliteitcontour6 van het worstcase scenario toxisch adviseert geen bestemmingen te realiseren met grote groepen mensen die buiten verblijven zoals sportvelden en evenemententerreinen. Door de ontwikkelsnelheid van het scenario is er voor de aanwezige personen een beperkte vluchtmogelijkheid. Op basis van dit beleid zal de VRR bij nieuwe bestemmingen binnen de 100% letaliteitcontour van een incident waarbij toxische stoffen vrijkomen, negatief adviseren.
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
12 van 23
4
Onderzoek en resultaten
4.1
Risico’s transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A20 Plaatsgebonden risico Het PR plafond (de maximale PR 10-6 contour) wordt gemeten uit het hart van de weg en begrenst de gebruiksruimte van het vervoer. Het PR plafond van wegvak Z125, tussen afrit 14 RotterdamCentrum en het knooppunt Terbregseplein bedraagt volgens de Regeling basisnet 11 m uit het hart van de weg en valt binnen het tracé van deze rijksweg. Het PR-plafond heeft daardoor geen praktische betekenis voor dit plangebied. Plasbrandaandachtsgebied Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van dit wegdeel van de A20 bedraagt 30 meter. Het PAG gaat niet over de ontwikkellocaties heen en heeft dus geen praktische betekenis voor dit plan. Groepsrisico Het groepsrisico’s van de toekomstige (Nieuw Kralingen) situatie, inclusief de nieuwe woonwijk Nieuw Kralingen, wordt bepaald door het transport van brandbaar gas van de categorie GF3. De waarde is vastgelegd in de Regeling basisnet. Het aantal tankauto’s bedraagt voor dit wegvak maximaal 3.656 per jaar. Aanwezigheidsgegevens Het groepsrisico wordt modelmatig bepaald door de combinatie van de transportintensiteit van gevaarlijke stoffen over de weg en het aantal aanwezige personen aan weerszijden van de transportroute. Berekeningen Voor het onderzoek naar dodelijke slachtoffers met RBM-II (versie 2.3) is een specifiek rekenmodel gemaakt.
De volgende veronderstellingen zijn voor de berekeningen gemaakt: · de verdeling van het transport is 100% op maandag t/m vrijdag; · de verdeling van het transport voor dag/nacht 70%/30%; · de dagperiode is van 6.30-18.30 uur en de nachtperiode is van 18.30-6.30 uur; · de uitstromingsfrequentie is 8,3x10-8/jaar (standaard voor een autosnelweg). De aanwezigheidsgegevens in het gebied komen uit de BAG populatieservice en zijn aangevuld met de programmagegevens van Nieuw Kralingen (800 woningen). Resultaat In figuur 4.1 is de grafiek van het groepsrisico weergegeven. In tabel 4.1. staan de rekenresultaten. De ontwikkelingen die het nieuwe bestemmingsplan Kralingse Bos mogelijk maken zijn zodanig gering van omvang en op een zodanige grote afstand van de A20 gelegen dat daar geen invloed van uitgaat op de berekening van het groepsrisico.
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
13 van 23
Tabel 4.1: Groepsrisico A20 Ruimtelijke Hoogste over- of situatie onderschrijdingsfactor van het groepsrisico3
Plansituatie
0,1
Aantal slachtoffers bij de hoogste overschrijding van het groepsrisico met bijhorende frequentie
450
(6,1x10-9/jr)
Maximum aantal slachtoffers met bijhorende frequentie 659 (1,9x109jr)
Figuur 4.1: Groepsrisico’s A20 10
10
-5
-6
frequentie (1/jaar)
10
-4
10
10
10
-7
-8
-9
1
2
10
4.2
3
10
b c d e f g
Oriëntatiew aarde
c d e f g
4
10
Groepsrisico van de totale route.
b c d e f g
Aantal slachtoffers Hoogste groepsrisico per km. Deelroute 1, 0-999 g b c d e f
10
Hoogste groepsrisico per km. Dee
Transport over de A16 Transportgegevens De stofcategorie GF3 (brandbaar gas) is bepalend voor het groepsrisico. Het betreft wegdeel Z54 (Knooppunt Terbregseplein - afrit 25 Rotterdam centrum). Gerekend wordt met 16.623 GF3 transporten per jaar conform de Regeling Basisnet. Plaatsgebonden risico De maximale PR 10-6 contour van het wegdeel Z54 bedraagt volgens de Regeling basisnet 38 meter. Binnen deze contour vinden geen ontwikkelingen plaats. Plasbrand Aandacht Gebied
3
Bij een factor groter dan 1 wordt de oriënterende waarde overschreden, bij een factor kleiner dan 1 is er geen overschrijding maar een onderschrijding.
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
14 van 23
Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van wegvak Z54 bedraagt volgens de Regeling basisnet 30 meter. Binnen dit PAG vinden geen ontwikkelingen plaats. Berekeningswijze groepsrisico Voor het onderzoek naar dodelijke slachtoffers met RBM-II (versie 2.3) is een specifiek rekenmodel gemaakt. De volgende standaard uitgangspunten zijn voor de berekeningen gehanteerd: · de verdeling van het transport is 100% op maandag t/m vrijdag; · de verdeling van het transport voor dag/nacht 70%/30%; · de dagperiode is van 6.30-18.30 uur en de nachtperiode is van 18.30-6.30 uur; · de uitstromingsfrequentie is 8,3x10-8/jaar (standaard voor een autosnelweg). De aanwezigen in het plangebied zijn ingevoerd in het model m.b.v. de populatieservice van de BAG. Resultaat groepsrisicoberekening Uit de berekening (figuur 4.2 en tabel 4.2) blijkt dat in de huidige situatie de hoogste waarde van het groepsrisico gelijk is aan 0,3 maal de oriëntatiewaarde. De ontwikkelingen van dit plan hebben geen invloed op dit groepsrisico. Daarvoor is de omvang van de ontwikkelingen te klein en de afstand tot de A16 (1 km) te groot. Tabel 4.2: Groepsrisico A16 Ruimtelijke Hoogste over- of situatie onderschrijdingsfactor van het groepsrisico4
Plansituatie
4
0,3
Aantal slachtoffers bij de hoogste overschrijding van het groepsrisico met bijhorende frequentie
Maximum aantal slachtoffers met bijhorende frequentie
(9,2x10-8/jr)
624 (1,2x10-9jr)
189
Bij een factor groter dan 1 wordt de oriënterende waarde overschreden, bij een factor kleiner dan 1 is er geen overschrijding maar een onderschrijding.
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
15 van 23
Figuur 4.2: Groepsrisico A16 10
10
-5
-6
frequentie (1/jaar)
10
-4
10
10
10
-7
-8
-9
1
2
10
3
10
4
10
10
Aantal slachtoffers
b c d e f g
4.3
Oriëntatiew aarde
c d e f g
Groepsrisico van de totale route.
b c d e f g
Hoogste groepsrisico per km. Deelroute 1, 322-1312
Risico’s transport van gevaarlijke stoffen over het spoor Plaatsgebonden risico Het PR plafond (de maximale PR 10-6 contour) wordt gemeten vanaf het midden van het spoor en begrenst de gebruiksruimte van het vervoer. Het PR plafond van het spoorvak 30, traject RotterdamBlijdorp naar Gouda, bedraagt volgens de Regeling basisnet ten hoogste 7 m, gemeten uit het hart van het spoor. Aangezien de huidige dichtstbijzijnde bebouwing zich op een afstand van 10 meter uit het hart van het spoor bevindt, is er in de bestaande situatie geen knelpunt ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten. Plasbrandaandachtsgebied Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) voor nieuwe bouwwerken bedraagt 30m. Het PAG van het spoor gaat niet over nieuwe ontwikkelingen heen en heeft dus geen praktische betekenis voor dit plan. Groepsrisico Het groepsrisico van de autonome situatie wordt bepaald door het transport van gevaalijke stoffen en de bebouwde omgeving. In de autonome situatie is rekening gehouden met de nieuwe woonwijk Nieuw Kralingen (800 woningen). Transport Het maximale aantal transporten van gevaarlijke stoffen per categorie en per traject is vastgelegd in
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
16 van 23
de Regeling basisnet. Het betreft het spoorvak 30, traject Rotterdam-Blijdorp naar Gouda (wegvak Z). In tabel 4.3 zijn de Basinet transportintensiteiten per stofcategorie weergegeven. Tabel 4.3: Transporten spoor Stofcategorie
Omschrijving
Transportintensiteit [wagons/jr]
A
Brandbaar gas
1440
B2
Giftige gassen
910
B3
Zeer giftige gassen
0
C3
Zeer brandbare vloeistof
6020
D3
Acrylonitril
1110
D4
Zeer toxische vloeistof
180
Aanwezigheidsgegevens Het groepsrisico wordt bepaald door de combinatie van de transportintensiteit van gevaarlijke stoffen over het spoor en het aantal aanwezige personen aan weerszijden van de transportroute. De aanwezigheidsgegevens in het gebied komen uit de BAG populatieservice en zijn aangevuld met de programmagegevens van Nieuw Kralingen. Berekening Voor het berekenen van het groepsrisico is een rekenmodel gemaakt met RBM-II (versie 2.3). De uitgangspunten voor de risicoberekening zijn: · de verdeling van het overige transport over dag/nacht is 33%/67% (default); · de dagperiode is van 6.30-18.30 uur en de nachtperiode is van 18.30-6.30 uur; · vervoer 7 dagen per week (default); · de baanvaksnelheid is groter dan 40 km/uur; · de uitstromingsfrequentie is afhankelijk van het deeltrjact (wel/geen wissels), er zijn geen overgangen; · het transport van brandbaar gas vindt warme-bleve-vrij plaats voor de stofcategorie A (factor 0) en nagenoeg warme-bleve-vrij voor de stofcategoerie B2 (factor 0,84). Groepsrisico De berekende groepsrisico’s zijn weergegeven in tabel 4.4 en in figuur 4.3
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
17 van 23
Tabel 4.4: Groepsrisico spoor Ruimtelijke Hoogste over- of situatie onderschrijdingsfactor van het groepsrisico5
Plansituatie
< 0,1
Aantal slachtoffers bij de hoogste overschrijding van het groepsrisico met bijhorende frequentie
Aantal slachtoffers bij de hoogste overschrijding van het groepsrisico met bijhorende frequentie
160 (5,8x10-9jr)
362 (1,0x10-9jr)
Figuur 4.3: Groepsrisico spoor 10
10
-5
-6
frequentie (1/jaar)
10
-4
10
10
10
-7
-8
-9
1
2
10
3
10
b c d e f g
Oriëntatiew aarde
c d e f g
4
10
Groepsrisico van de totale route.
b c d e f g
Aantal slachtoffers Hoogste groepsrisico per km. Deelroute 1, 0-989 g b c d e f
10
Hoogste groepsrisico per km. Dee
Ontwikkelingen De ontwikkelingen die binnen het plangebied mogelijk worden gemaakt zijn zodanig gering van omvang en op een zodanige afstand van het spoor gelegen dat daar geen invloed van uitgaat op het groepsrisico.
5
Bij een factor groter dan 1 wordt de oriënterende waarde overschreden, bij een factor kleiner dan 1 is er geen overschrijding maar een onderschrijding.
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
18 van 23
4.4
LPG-tankstation aan de Prinsenlaan 987 Aan de Prinsenlaan 987 is een LPG tankstation gelegen binnen het plangebied. Het station heeft een LPG doorzet per jaar van meer dan 1000 m3, de inhoud van de ondergrondse voorraadtank bedraagt 20 m3. Plaatsgebonden risico’s De contouren van de plaatsgebonden risico’s 10-6/jr van het afleverpunt, de tank en het vulpunt zijn weergegeven in figuur 4.4. Binnen deze contouren liggen geen kwetsbare bestemmingen, dit betekent dat er geen knelpunten (saneringssituatie) zijn. Figuur 4.4: plaatsgebonden risicocontouren 10-6/jr
Groepsrisico De invloedsgebieden van het vulpunt en de ondergrondse tank zijn weergegeven in figuur 4.5, deze invloedsgebieden gaan voor een klein deel over het plangebied. Binnen de invloedsgebieden liggen 2 sportkantines en een klimhal. Met behulp van de LPG-groepsrisicomodule van het Ministerie van I&M is de berekening van het groepsrisico uitgevoerd. Het berekende groepsrisico bedraagt minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde en is weergegeven in figuur 4.6. Er doen zich geen ontwikkelingen voor binnen deze invloedsgebieden, het groepsrisico verandert dus niet met dit plan.
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
19 van 23
Figuur 4.5: ligging invloedsgebieden van vulpunt en ondergrondse tank
Figuur 4.6: groepsrisico LPG tankstation Prinsenlaan
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
20 van 23
4.5
Risico LPG tankstations Bosdreef nrs. 12 en 13 Plaatsgebonden risico In het plangebied is op Bosdreef 13 een verkooppunt voor motorbrandstoffen, inclusief LPG, gelegen. Ook op Bosdreef 12 is een dergelijk verkooppunt. Voor de Wet Milieubeheer is het één inrichting, met één vergunning. Het gezamenlijke vulpunt voor LPG voor beide inrichtingen is aan de Boszoom gelegen. In de milieuvergunning is bepaald dat de doorzet van LPG niet meer bedraagt dan 1.000 m3 per jaar. De plaatsgebonden 10-6 risicocontour van het LPG-vulpunt bedraagt daarmee 45 meter. De plaatsgebonden 10-6 risicocontour van de ondergrondse tank bedraagt 25 meter en van de afleverzuil 15 meter. Binnen deze contouren maakt het bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Groepsrisico Binnen het invloedsgebied van 150 meter rondom het LPG-vulpunt en de ondergrondse LPG tank liggen enkele woningen en kantoorgebouwen. Het groepsrisico van de LPG inrichting aan de Bosdreef is berekend met de LPG-Rekentool van VROM/Infomil. Uit de berekening blijkt dat het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriënterende waarde.
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
21 van 23
Figuur 4.x: Groepsrisico LPG tankstation Bosdreef
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
22 van 23
5
Conclusies, advies en verantwoording groepsrisico
5.1
Conclusies Risico transport gevaarlijke stoffen over de rijksweg A16 Het plaatsgebonden risico en het plasbrand aandachtsgebied vormen geen beperking voor de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Het groepsrisico bedraagt 30% van de oriëntatiewaarde en verandert niet door dit plan. De A16 vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan Kralingse Bos. Risico transport gevaarlijke stoffen over de rijksweg A20 Het plaatsgebonden risico en het plasbrand aandachtsgebied vormen geen beperking voor de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Het groepsrisico bedraagt 10% van de oriëntatiewaarde en verandert niet door dit plan. De A20 vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan Kralingse Bos. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor Het plaatsgebonden risico en het plasbrand aandachtsgebied vormen geen beperking voor de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Het groepsrisico bedraagt minder dan 10% van de oriëntatiewaarde en verandert niet door dit plan. Het spoor vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan Kralingse Bos. Inrichting LPG tankstation Prinsenlaan 987 De plaatsgebonden risico’s van het vulpunt, de ondergrondse tank en de tankpistolen vormen geen beperking voor de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Het groepsrisico bedraagt minder dan 10% van de oriëntatiewaarde en verandert niet door dit plan.
Dit LPG tankstation vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan Kralingse Bos. Inrichting LPG tankstations Bosdreef nrs. 12 en 13 De plaatsgebonden risico’s van het vulpunt, de ondergrondse tank en de tankpistolen vormen geen beperking voor de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Het groepsrisico bedraagt minder dan 10% van de oriëntatiewaarde en verandert niet door dit plan. Dit LPG tankstation vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan Kralingse Bos.
5.2
Advies en verantwoording groepsrisico Voor de groepsrisico’s van alle onderzochte risicobronnen geldt volgens het Rotterdamse beleid een lichte verantwoordingsplicht. De verantwoording kan als volgt luiden. In de toelichting van het bestemmingplan wordt aandacht besteed aan het aspect zelfredzaamheid en hulpverlening. Hetgeen betekent dat vermeld wordt dat de zelfredzaamheid in het plangebied groot is en dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpverleningsdiensten.
Externe veiligheid
Projectcode
Datum
Pagina
Kralingse Bos
2018-0023
28-9-2018
23 van 23
Flora- en faunatoets t.b.v. het Bestemmingsplan Kralingse Bos te Rotterdam
Projectcode NL.IMRO.0599.BP1117 Datum 18-10-2018
Versie V1- CONCEPT
Opdrachtgever
Paraaf Opdrachtgever:
J. Ekkelenkamp (Bureau bestemmingsplannen)
Opsteller
Paraaf Opsteller:
K. van Veen
Collegiale toetser O. van Velthuijsen
Paraaf Toetser:
Samenvatting Voor het Kralingse Bos wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld welke dient te worden getoetst aan vigerende natuur wet- en regelgeving. Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk conserverend van aard. Binnen het bestemmingsplangebied vinden geen wijzigingen plaats waarbij fysieke veranderingen aan de orde zijn. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt op dit moment niet noodzakelijk geacht. Bij ruimtelijke activiteiten die binnen een bestaande bestemming vallen (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw, kap van beplanting) dient voorafgaand aan de uitvoering ervan nog wel flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd. Indien er in het bestemmingsplan in de toekomst alsnog ontwikkelingen gepland worden, waarbij een bestemmingsplanwijzing of projectbestemmingsplan noodzakelijk is, dan dient opnieuw getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming. Eventuele benodigde ontheffingen dienen verkregen én aan voldaan te zijn voordat met de realisatie van de ontwikkelingen begonnen kan worden. Voor het bestemmingsplan zijn de Verordening ruimte, voor wat betreft het Natuurnetwerk Nederland en de soortenbescherming en gebiedsbescherming onder de Wet natuurbescherming relevant: De meest dichtbij gelegen Natura 2000-gebieden (Oude Maas en Boezems Kinderdijk) liggen buiten de invloedssfeer van mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen in het bestemmingsplangebied.
Het bestemmingsplan voorziet ook niet in ontwikkelingen die enige impact zullen hebben op deze gebieden. Negatieve invloeden op de Natuurnetwerk Nederland gebieden en Belangrijke weidevogelgebieden als gevolg van het vaststellen van het consoliderend bestemmingsplan zijn uitgesloten. De onder de Wet natuurbescherming geregelde bescherming van houtopstanden valt buiten deze toetsing. In het bestemmingsplangebied zijn potenties voor gebouwbewonende en boombewonende vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten aanwezig, te weten Huismus, Ooievaar, Sperwer, Buizerd, Havik, Ransuil, Roek en Boomvalk. Van Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis,Gewone grootoorvleermuis, Rosse vleermuis en Watervleermuis is in het plangebied aanwezigheid vastgesteld. Voor de Kleine dwergvleermuis is het plangebied potentieel geschikt. Het plangebied is potentieel geschikt voor Nationaal beschermde soorten waarvoor in de provincie Zuid- Holland geen vrijstelling geldt. Dit betreffen Blaasvaren, Schubvaren, Muurbloem en Steenmarter. Naast onder de Wet natuurbescherming streng beschermde soorten is het plangebied geschikt voor categorie 5- vogels, algemene broedvogels en in de provincie vrijgestelde soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën.
Kansen voor natuur binnen het bestemmingsplangebied liggen met name bij het aanleggen van natuurvriendelijke oevers langs de Kralingse Plas, het realiseren van ecologisch beheerde kruidenvelden en het aanbrengen van vleermuis- en vogelkasten. Bij ruimtelijke ingrepen die plaats vinden binnen bestaande bestemmingen (zoals het slopen van gebouwen, ingrijpende renovatie, herinrichting van terreinen, kapwerkzaamheden of werkzaamheden in of aan waterlopen of de oevers daarvan) is voorafgaand aan de werkzaamheden een onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming verplicht. De verwachting is dat bij het toepassen van de juiste mitigatie een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming verkregen kan worden. Met inbegrip van bovenstaande is de conclusie dat het bestemmingsplan ‘aanvaardbaar’ is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming en andere kaders m.b.t. natuur.
Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode
Versie
Datum
Pagina
Noorden/Agniesebuurt
V1
17-10-2018
2 van 28
NL.IMRO.0599.BP1117
Inhoudsopgave
1. Inleiding
5
2. Planbeschrijving
6
2.1 Bestemmingsplangebied
6
3. Wetgeving en beleid
7
3.1 Het bestemmingsplan en natuurwetgeving
7
3.2 Aanbevelingen vanuit wetgevend kader
8
3.3 Natuurnetwerk Nederland (voormalige EHS en PEHS)
8
3.4 Rotterdamse Natuurkaart
9
3.5 Rotterdams duurzaamheidsbeleid en ecologie
11
4. Beschrijving natuurwaarden in het bestemmingsplangebied
12
4.1 Algemene beschrijving
12
4.2 Eerder onderzoek
12
4.3 Verkennend veldonderzoek
12
4.4 Natuurdatabase Rotterdam, overige bronnen en verkennend veldonderzoek 4.4.1 Soorten Vogelrichtlijn 4.4.1.1 Jaarrond beschermde nesten 4.4.1.2 Niet jaarrond beschermde nesten 4.4.1.3 Algemene vogels 4.4.2 Soorten Habitatrichtlijn 4.4.2.1 Vleermuizen 4.4.2.2 Grondgebonden zoogdieren 4.4.2.3 Reptielen en amfibieën 4.4.2.4 Vissen 4.4.2.5 Overige soortgroepen 4.4.3 Nationaal beschermde soorten 4.4.3.1 Grondgebonden zoogdieren 4.4.3.2 Vissen 4.4.3.3 Reptielen en amfibieën 4.4.3.4 Planten 4.4.3.5 Overige soortgroepen 4.4.4 Aandachtssoorten 4.4.4.1 Vogels
12 13 13 13 13 14 14 14 15 15 15 15 15 15 15 16 16 16 16
Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode
Versie
Datum
Pagina
Noorden/Agniesebuurt
V1
17-10-2018
3 van 28
NL.IMRO.0599.BP1117
4.4.4.2 Vissen 4.4.4.3 Planten 4.4.4.4 Dagvlinders, libellen en juffers 4.4.4.5 Overige soortgroepen
16 16 16 16
4.5 Zorgplicht
16
5. Gevolgen voor natuurgebieden en flora en fauna
18
5.1 Beschermde en waardevolle natuurgebieden
18
5.2 Ontwikkelingen binnen bestaande bestemmingen in het kader van beschermde soorten
18
6. Kansen door de ontwikkelingen
19
6.1 Duurzaamheid
19
6.2 Vergroten biodiversiteit
19
7. Conclusies en aanbevelingen
20
Literatuurlijst
21
Bijlage 1: Foto’s bestemmingsplangebied
22
Bijlage 2: Wetgevende kaders
24
Wet natuurbescherming Bescherming van gebieden Bescherming van soorten Bescherming van houtopstanden
24 24 25 26
Zorgplicht
26
Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode
Versie
Datum
Pagina
Noorden/Agniesebuurt
V1
17-10-2018
4 van 28
NL.IMRO.0599.BP1117
1.
Inleiding Het nieuwe bestemmingsplan ‘Kralingse Bos” welke in 2018/2020 wordt opgesteld, vervangt het huidige bestemmingsplan van het “Kralingse Bos” en “Manege Kralingse Bos”, vastgesteld op 14 februari 2008 en 17 mei 2010. De aanleiding is dat het nu geldende bestemmingsplan aan vernieuwing toe is. Het opstellen van het nieuwe bestemmingsplan gebeurt in het kader van het meerjarenprogramma voor de actualisering van bestemmingsplannen. Daarnaast zijn er in het bestemmingsplangebied recente ontwikkelingen die aanleiding geven tot herziening. Een nieuw opgesteld bestemmingsplan of een wijziging of actualisatie van een bestaand bestemmingsplan dient getoetst te worden aan vigerende natuurwet- en regelgeving en mag hier geen tegenstrijdigheden mee opleveren. Het onderzoek heeft tot doel in beeld te brengen welke natuurwaarden in de huidige situatie binnen het beoogde bestemmingsplan aanwezig zijn en potentiële conflicten die kunnen optreden bij toekomstige ontwikkelingen. Het betreft hier de: · Juridische kaders: Wet natuurbescherming; · Beleidskaders: Natuurnetwerk Nederland (voormalige PEHS), Rotterdams duurzaamheidsbeleid, Rotterdams ecologiebeleid.
Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode
Versie
Datum
Pagina
Noorden/Agniesebuurt
V1
17-10-2018
5 van 28
NL.IMRO.0599.BP1117
2.
Planbeschrijving
2.1
Bestemmingsplangebied Het plangebied is grofweg omsloten tussen de Bosdreef (S109) aan de noordzijde en noordwestzijde, de Kralingse Plaslaan aan de zuidzijde en de A16 aan de oostzijde.
Afbeelding 1 : Het bestemmingsplangebied Kralingse Bos (rood omkaderd). Kaartbron: Google maps
2.2
Mogelijk gemaakte ontwikkelingen Voor de in het plangebied aanwezige natuurwaarden zijn vooral fysieke ingrepen aan gebouwen en buitenruimte relevant. Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk conserverend van aard. Alleen zullen de ongebruikte ontwikkelingsmogelijkheden uit het huidig bestemmingsplan overgenomen worden en waar nodig onderzocht op de milieuaspecten. Het gaat hier om twee locaties met bebouwingsmogelijkheden met een vrijstaande woning aan de Plaszoom. Het betreft een consoliderend bestemmingsplan. Het plan kent geen ontwikkelingen in de ruimtelijke zin. In Afbeelding 2 is de locatie van de kavels met bebouwingsmogelijkheden weergegeven.
Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode
Versie
Datum
Pagina
Noorden/Agniesebuurt
V1
17-10-2018
6 van 28
NL.IMRO.0599.BP1117
Afbeelding 2 : Het bestemmingsplangebied Kralingse Bos (rood omkaderd) met daarin de mogelijk gemaakte bebouwing. Kaartbron: Google maps
Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode
Versie
Datum
Pagina
Noorden/Agniesebuurt
V1
17-10-2018
7 van 28
NL.IMRO.0599.BP1117
3.
Wetgeving en beleid
3.1
Het bestemmingsplan en natuurwetgeving Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming onder meer de Flora- en faunawet vervangen. Deze toets is geschreven op basis van de geldende wetgeving conform de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming. Het begrip ‘aanvaardbaar’ betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming en Natuurbeschermingswet dus afgerond te zijn. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium voor het bestemmingsplangebied niet noodzakelijk geacht. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop/nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna. Afbeelding 3 : Natura- 2000 gebieden rondom het bestemmingsplangebied (rood omcirkeld). Weergegeven zijn de Natura- 2000 gebieden Oude Maas en Boezems Kinderdijk.
Bron: AERIUS calculator Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied zijn de Boezems Kinderdijk, op ca. 8,3 km afstand tot het bestemmingsplangebied. Zie ook Afbeelding 2. Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats liggen op een afstand van tenminste 20 kilometer tot het bestemmingsplangebied (dit betreft het Krammer- Volkerak)1. De wijzigingen in het bestemmingsplan hebben op voorhand geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000 gebied.
3.2
Aanbevelingen vanuit wetgevend kader Het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om na te gaan in hoeverre nader onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk is bij nieuwe ontwikkelingen, zoals sloop en ingrijpende renovaties, maar ook bij wijzigingen in watergangen/partijen en het rooien van bomen en struiken. Dit dient voorafgaand aan de uitvoering te gebeuren en geldt bij alle ruimtelijke ontwikkelingen, ongeacht of deze binnen het bestemmingsplan mogelijk zijn. Mogelijk worden n.a.v. de voorgenomen ontwikkeling eisen gesteld aan de uitvoering en geldt een compensatieplicht. Het is aan te bevelen hier in een vroeg stadium rekening mee te houden.
1
https://calculator.aerius.nl/calculator/#
Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode
Versie
Datum
Pagina
Noorden/Agniesebuurt
V1
17-10-2018
8 van 28
NL.IMRO.0599.BP1117
Daarnaast geldt bij werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling altijd de zorgplicht conform de Wet natuurbescherming.
3.3
Natuurnetwerk Nederland (voormalige EHS en PEHS) Het meest nabij gelegen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de Nieuwe Maas, op ca. 1,4 kilometer ten zuiden van het bestemmingsplangebied (blauw op Afbeelding 3). De Nieuwe Maas heeft als beheertype N02.01 Rivier. Het meest nabij gelegen Belangrijk Weidevogelgebied is de Polder Esse, op ca. 5,7 km ten oosten van het bestemmingsplangebied (lichtgroen op Afbeelding 4). Het bestemmingsplan voorziet in de huidige vorm geen ontwikkelingen binnen NNN-gebieden en Belangrijke Weidevogelgebieden. Derhalve treedt op voorhand geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden.
Afbeelding 4 : NNN gebieden (donkergroen) in de omgeving van het bestemmingsplangebied Kralingse Bos (globaal rood omcirckeld).Bron: http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN
Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode
Versie
Datum
Pagina
Noorden/Agniesebuurt
V1
17-10-2018
9 van 28
NL.IMRO.0599.BP1117
Afbeelding 5 : Belangrijk weidevogelgebied (groen) in de omgeving van het bestemmingsplangebied Kralingse Bos (rood omcirkeld).Bron: http://pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN
3.4
Rotterdamse Natuurkaart Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. In dit beleidsinstrument zijn de ambities van de gemeente Rotterdam op het gebied van de ecologie en natuur vastgelegd. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is. In het kaartgedeelte van de Rotterdamse Natuurkaart (Afbeelding 5) is de ecologische structuur van de gemeente Rotterdam op hoofdlijnen weergegeven. De Natuurkaart is een instrument om ruimtelijke ontwikkelingen te ondersteunen. De kaart geeft kerngebieden waar hoge ecologische waarden aanwezig zijn of verwacht kunnen worden en de reeds aanwezige verbindingszones tussen deze kerngebieden en de verbindingszones met het Natuurnetwerk. De Rotterdamse Natuurkaart signaleert ook de knelpunten in de ecologische structuur. In de Rotterdamse Natuurkaart is geen verbinding gemaakt met het Rotterdamse duurzaamheidsbeleid. Op deze natuurkaart is te zien dat Het Kralingse Bos in zijn geheel is verdeeld over verschillende typen kerngebieden. De Kralingse Plas is aangemerkt als “Plas”. Het bos rondom de plas is aangemerkt als Parkbos met daar tussen kleine velden die zijn aangemerkt als “Groen Wijkdooradering”.De watergang aan de zuidwest zijde van het geibed, parallel aan de Boezemlaan is aangemerkt als Waternetwerk. Overige elementen worden binnen het bestemmingsplangebied niet weergegeven.
Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode
Versie
Datum
Pagina
Noorden/Agniesebuurt
V1
17-10-2018
10 van 28
NL.IMRO.0599.BP1117
Afbeelding 6 : Het bestemmingsplangebied Kralingse Bos (begrenzing met rode lijn gemarkeerd) met omliggende groene gebieden zoals opgenomen in de Natuurkaart Rotterdam. Bron: Natuurkaart Rotterdam Kansen voor vergroting van de biodiversiteit zijn hier te vinden in: · Aanleg ecologische graslanden. De velden die in het huidig gebruik worden beheerd als gazonbeheer kunnen extensiever worden beheerd. Deze extensief beheerde kruidenvelden kunnen bijdragen aan de verspreiding van soorten en dienen als foerageergebied. · Ecologische oeververbindingen. Gedacht kan worden aan het realiseren van natuurvriendelijke oevers langs de Kralingse Plas. Hier zijn kansen aanwezig als groen verbindingszone langs de oevers.
3.5
Rotterdams duurzaamheidsbeleid en ecologie In het Programma Duurzaam 2015 – 2018 zijn 10 duurzaamheidsopgaven geformuleerd. Inzetten op vergroten van de biodiversiteit en ecologische robuustheid kan een positieve bijdrage leveren aan de volgende van deze duurzaamheidsopgaven: · Bevorderen van duurzame gebiedsontwikkeling. · Voorbereiden op de gevolgen van klimaatverandering. · Groener maken van de stad. Ecologische robuustheid kan een positieve bijdrage leveren aan deze thema’s.
Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode
Versie
Datum
Pagina
Noorden/Agniesebuurt
V1
17-10-2018
11 van 28
NL.IMRO.0599.BP1117
4.
Beschrijving natuurwaarden in het bestemmingsplangebied
4.1
Algemene beschrijving Het bestemmingsplangebied Kralingse Bos is aangelegd als recreatiebos rondom de toen al aanwezige Kralingse plas vanaf de jaren 20 van de 20e eeuw. Het bestemmingsplangebied bestaat uit gevarieerd bos van verschillende leeftijden, de Kralingse plas, sportvelden en een stadstuin. Bebouwing is binnen het bestemmingsplangebied in lage mate aanwezig in de vorm van bijgebouwen bij de sportvelden, twee molens, horecagelegenheden een sociëteit, gebouwen langs het hertenkamp en enkele kleinere gebouwen. De bebouwing is gevarieerd in bouwstijl en afkomstig uit verschillende perioden. De gebouwen bestaan uit steen of plaatmateriaal en hebben een dak met dakbedekking of dakpannen. Het Kralingse Bos heeft een gevarieerd soortenbestand met uiteenlopende leeftijden. Grote delen loofbos met soorten als beuk, zomereik, esdoorn, gewone es, populier, haagbeuk en wilg worden afgewisseld met naaldbos en kleine open vlakken.
4.2
Eerder onderzoek Binnen en grenzend aan het bestemmingsplangebied zijn de volgende onderzoeken bekend: · BureauLWM. Quickscan flora en fauna Klimpark Kralingse Bos. 4 oktober 2012. De conclusies van deze quickscan zijn dat in het klimbos potenties aanwezig zijn voor vogels. · Meurs, F.A. van & A. de Baerdemaeker, 2009 , Rosse vleermuizen in Rotterdam. · S. Boekhout, 2009. Flora- en faunaonderzoek op en rondom de uit te breiden manege in het Kralingse Bos te Rotterdam. NWC, Dordrecht. Geen andere (recente) onderzoeken zijn bekend.
4.3
Verkennend veldonderzoek In opdracht van de Gemeente Rotterdam is door een deskundig ecoloog van Ecoresult B.V. op 26 september 2018 het bestemmingsplangebied globaal bekeken op aanwezigheid en potenties voor beschermde soorten en de algehele natuur kwaliteit en kwantiteit (zie bijlage 1 voor foto’s). Het plangebied is, vanwege het niet kunnen betreden van particuliere terreinen en andere afgesloten terreinen, enkel vanaf de openbare weg bekeken. De bevindingen van dit veldbezoek komen terug in de algemene beschrijving in hoofdstuk 4.1. Daar waar het soort specifieke bevindingen betreft zijn deze additioneel opgenomen in de paragrafen van de natuurdatabase Rotterdam, 4.4.1 t/m 4.4.5.
4.4
Natuurdatabase Rotterdam, overige bronnen en verkennend veldonderzoek Voor een verdere indicatie van natuurwaarden is gebruik gemaakt van de database Natuur op GISWEB en diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd in het bestemmingsplangebied. Hierin zijn alle waarnemingen flora en fauna opgenomen binnen gemeente Rotterdam van de afgelopen
Flora en fauna BP Kralingse Bos Projectcode
Versie
Datum
Pagina
Noorden/Agniesebuurt
V1
17-10-2018
12 van 28
NL.IMRO.0599.BP1117
jaren (2008-2013). Uit de database blijkt dat binnen het bestemmingsplangebied onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten zijn aangetroffen (zie komende paragrafen). Ook zijn grenzend aan het bestemmingsplan enkele beschermde soorten aangetroffen. Behalve waarnemingen van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten planten en dieren zijn in de natuurdatabase ook waarnemingen van rode lijst soorten opgenomen. Rode lijst soorten zijn niet strikt beschermd middels de Wet natuurbescherming. Het zijn soorten die in Nederland bedreigd zijn. Aanwezigheid van Rode lijst soorten zijn indicatief voor hogere natuurwaarden. 4.4.1
Soorten Vogelrichtlijn
4.4.1.1
Jaarrond beschermde nesten In de natuurdatabase zijn in het bestemmingsplangebied waarnemingen van vogels met jaarrond beschermde nesten aanwezig. Dit betreft waarnemingen van Huismus, Sperwer, Havik, Buizerd, Ooievaar en Boomvalk. Van Huismus, Sperwer, Buizerd en Havik zijn waarnemingen van bezette voortplantingsplaatsen. Het plangebied is geschikt voor vaste rust- en verblijfplaatsen van de gebouwbewonende Huismus. Met name rondom de manege en het hertenkamp is bebouwing en functioneel leefgebied aanwezig waar de soort gebruik van kan maken. Geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen voor Ooievaar zijn aanwezig in de vorm van geplaatste nestpalen. Voor overige vogels met jaarrond beschermde jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen in gebouwen is het plangebied ongeschikt. De bebouwing in het plangebied ligt te geïsoleerd en/of buiten het bekende verspreidingsgebied. Het bestemmingsplangebied is geschikt voor vogels met jaarrond beschermde nesten in bomen. Geschikt habitat voor soorten als Sperwer, Buizerd, Havik, Ransuil, Roek en Boomvalk is aanwezig in de vorm van de aaneengesloten bosgebieden rondom de Kralingse Plas.