21bb4291 Bijlage 3 behorende bij 21bb4288 over Monitor lage inkomens Rotterdam 2021
Tekst van het document
verschil tussen in- en uitstroom toenemen tot 1.400 huis-
een laag inkomen met jaarlijks rond de 2.000 huishoudens.
houdens. De langjarige ontwikkeling op huishoudensni-
Vanaf 2014 neemt de dynamiek duidelijk af, en blijft het
veau is nog eens te zien in de onderstaande figuur.
saldo beneden de 1.000 huishoudens. In 2019 zien we het
Figuur 3.4
In- en uitstroom uit de groep Rotterdamse huishoudens met een laag inkomen (2011-2019)
18.000 16.000 14.000
13.400
12.000 10.000
12.000
8.000 6.000 4.000 2.000 0 -1.400
-2.000 -4.000 2012
2013
2014
2015
Instroom
Achtergronden van instroom Om de oorzaken van instroom in beeld te brengen, zoomen we in op de personen die in de periode 2018-2019 instroomden in de groep Rotterdammers met een laag inkomen. De instroom (dat zijn dus de personen die in 2018 niet, en in 2019 wel een laag inkomen hebben) kan verschillende oorzaken hebben. Die zijn in de onderstaande tabel te zien. Veruit de belangrijkste oorzaak is inkomensdaling: in ruim 60% van de gevallen gaat het om een inwoner van Rotterdam die een inkomensdaling doormaakte. In iets meer dan een vijfde van de gevallen gaat het om Rot-
Tabel 3.1
2016 Uitstroom
2017
2018
2019
Saldo
terdammers die in 2018 niet tot de doelpopulatie behoorden. Dat kan zijn omdat ze niet heel 2018 een inkomen hadden, of behoorden tot een studentenhuishouden of waren geïnstitutionaliseerd. Van 13% werden over 2018 geen gegevens aangetroffen, wat betekent dat ze ‘nieuw’ zijn in de registratie, waarschijnlijk omdat ze in 2018 naar Nederland immigreerden. Tenslotte is te zien dat 5% van de instroom werd veroorzaakt door verhuizing naar Rotterdam. De helft van deze groep had bij die verhuizing al een laag inkomen, terwijl de helft gelijktijdig met de verhuizing instroomde in lage-inkomensgroep. De opbouw van de oorzaken van instroom is in de periode 2018-2019 nauwelijks veranderd.
Oorzaken van instroom in de groep Rotterdammers met een laag inkomen (2018-2019) Aantal
%
Inkomensdaling (woonde al in Rotterdam)
13.200
62%
Voorafgaand jaar geen doelpopulatie*
4.400
20%
Immigratie/gegevens niet eerder bekend/geboren
2.700
13%
Verhuisd naar Rotterdam binnen NL (minima geworden)
500
3%
Verhuisd naar Rotterdam binnen NL (al minima)
500
2%
21.300
100%
Totaal *)
De doelpopulatie wordt gevormd door personen met het hele jaar inkomen, niet behorend tot een studenten-huishouden of geïnstitutionaliseerd
43
Rond een derde van de instromers had in het jaar vóór de
te maken met een relatief forse inkomensachteruitgang.
instroom een inkomen tussen de 110 en 120% van het so-
Een belangrijk deel van deze groep valt dan ook terug van
ciaal minimum; zij bevonden zich al ‘aan de rand’ van een
betaald werk naar een uitkering. Ook hier zien we in verge-
laag inkomen. Rond 40% de instromers had vóór instroom
lijking met de vorige meting weinig verandering in de op-
een inkomen van 150% WSM of meer; deze groep had dus
bouw van deze groep.
Figuur 3.5
Inkomensklasse van de instromers in het voorafgaande jaar (in % WSM)
200% of meer
18%
150%-199%
20%
140%-149%
7%
130%-139%
11%
120%-129%
15%
110%-119%
30% 0%
5%
10%
15%
Achtergronden van uitstroom
20%
25%
30%
35%
oorzaakt doordat de persoon niet meer behoort tot de doelpopulatie, bijvoorbeeld omdat er geen sprake meer is van
Kijken we naar de achtergrond van de uitstroom (dus de
een heel jaar inkomen. Rond een tiende bevond zich door
personen die in 2017 wel, maar in 2018 niet meer tot de
overlijden, emigratie of een andere reden niet meer in de
groep lage inkomens behoorden), dan zien we dat twee
registratie. Tenslotte wordt 6% van de uitstroom veroor-
derde van de uitstroom wordt veroorzaakt door een inko-
zaakt door verhuizing: de helft verhuisde daarmee ook uit
mensstijging. Rond een vijfde van de uitstroom wordt ver-
de lage-inkomensgroep, terwijl de andere helft van deze groep deel bleef uitmaken.
Tabel 3.2
Aantal
%
Inkomensstijging (woonde al in Rotterdam)
16.100
67%
Geen doelpopulatie meer
4.800
20%
Geëmigreerd/overleden/gegevens niet langer bekend/geboren
1.900
8%
Verhuisd binnen Nederland (geen minima meer)
700
3%
Verhuisd binnen Nederland (minima gebleven)
600
3%
24.100
100%
Totaal
44
Oorzaken van uitstroom uit de groep Rotterdammers met een laag inkomen (2018-2019)
Van de personen die de groep lage inkomens verlaten door een hoger inkomen, heeft een derde in het jaar na uitstroom een inkomen tussen 110 en 120% van het sociaal minimum; nog eens 17% heeft dan een inkomen tussen
Figuur 3.6
120 en 130%. Een derde slaagt erin een inkomenssprong te maken naar een inkomen van 150% van het sociaal minimum of meer. Een volledig overzicht staat in de onderstaande figuur.
Inkomensklasse van de uitstromers in het jaar na uitstroom (in % WSM)
200% of meer
16%
150%-199%
17%
140%-149%
7%
130%-139%
10%
120%-129%
17%
110%-119%
33% 0%
5%
10%
15%
20%
25%
30%
35%
Uitstroom uit de doelgroep van het armoedebeleid gebeurt dus in de meeste gevallen door een stijging van het inkomen. Inkomensstijging wordt niet alleen veroorzaakt door werkaanvaarding: de belangrijkste voorspeller voor uitstroom is, met verandering van bron van inkomen, verandering in positie binnen het huishouden, in de meeste gevallen van alleenstaand naar samenwonend.
45
46
Gebruik van inkomensondersteuning Inleiding In dit hoofdstuk komt het gebruik van inkomensondersteunende voorzieningen in het kader van het armoedebeleid aan de orde. De hier gepresenteerde cijfers zijn gebaseerd op registraties van de gemeente Rotterdam en andere in-
Ook kwijtschelding van afvalstoffenheffing vindt middels een dergelijke geautomatiseerde procedure plaats, waardoor het gebruik per definitie hoger ligt. Rotterdammers met een inkomen tot 100% WSM hebben recht op een ge-
stanties die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de diverse regelingen. De cijfers betreffen het jaar 2020.
deeltelijke kwijtschelding van afvalstoffenheffing. In 2020 bedraagt de maximale kwijtschelding 76,5% van het tarief; in 2019 was dit nog maximaal 75%.
Het gaat hier om gemeentelijke voorzieningen, of door de gemeente gesubsidieerde voorzieningen, te weten: -
AOW- en Jeugdtegoed Kwijtschelding afvalstoffenheffing Bijzondere bijstand Individuele Inkomenstoeslag
-
Stichting Meedoen in Rotterdam Jeugdfonds Sport & Cultuur Premiebijdrage collectieve zorgverzekering Maatwerkbudget voor de wijkteams
Hoewel we deze regelingen in deze rapportage hebben samengebracht onder de noemer ‘inkomensondersteunende voorzieningen’, zijn er belangrijke verschillen in doelstelling en inzet, wat gevolgen heeft voor de wijze van verstrekking
Bijzondere bijstand wordt alleen op aanvraag verstrekt, en is een individuele voorziening om noodzakelijke kosten van bestaan, voor zover die niet kunnen worden bekostigd door het reguliere inkomen en andere voorliggende voorzieningen, te vergoeden. Voor de verstrekking van bijzondere bijstand vindt altijd een individuele toets plaats. Rotterdammers met een inkomen tot 130% van het wettelijk minimumloon die in het jaar voorafgaand aan de aanvraag geen hoger inkomen hebben gehad, en geen perspectief hebben op inkomensverbetering, komen in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag (IIT) van 120 euro op jaarbasis.
en mate van gebruik.
Stichting Meedoen in Rotterdam (voorheen stichting Leergeld) en het Jeugdfonds Sport & Cultuur zijn fondsen
Met de invoering van de Participatiewet per 1 januari 2015 is de gemeentelijke ruimte voor inkomensondersteuning door het Rijk ingeperkt. Categoriale voorzieningen, zoals de AOW-toeslag, de Toelage voor kinderen van 4 tot en met 17 jaar en de Langdurigheidstoeslag, zijn daardoor niet meer toegestaan. De eerste twee voorzieningen zijn vervangen door het AOW- en Jeugdtegoed, die jaarlijks op de Rotterdampas worden bijgeschreven, en die uitsluitend
waarop huishoudens met kinderen met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum een beroep kunnen doen om kosten van deelname aan sport- of culturele activiteiten, al dan niet in clubverband, voor zover die niet door een andere voorziening wordt vergoed, te bekostigen. Stichting Meedoen vergoedt ook andere kosten die de participatie van kinderen aan de samenleving ondersteunen, waaronder de kosten van een computer of fiets. Beide fondsen keren een toegekende verstrekking direct uit aan
mogen worden ingezet voor de aanschaf van producten die bijdragen aan sociale participatie. Deze bijschrijving vindt voor een belangrijk deel van de doelgroep wel nog volgens een geautomatiseerd systeem plaats: huishoudens waarvan bekend is dat zij tot de doelgroep behoren, krijgen het tegoed automatisch op de Rotterdampas bijgeschreven.
vereniging of leverancier; de bedragen worden dus niet direct uitgekeerd aan de aanvrager. Inwoners van Rotterdam met een inkomen tot 130% van het wettelijk minimumloon die deelnemen aan het Rotterdampakket van zorgverzekeraar VGZ komen in aanmerking voor een bijdrage aan de premie van 120 euro op jaarbasis.
47
Tenslotte is het Maatwerkbudget een budget dat door de professionals in de Wijkteams naar eigen inzicht kan worden ingezet in geval van acute financiële nood bij een huishouden. Het Maatwerkbudget wordt dus niet op aanvraag van een huishouden ingezet, maar uitsluitend als er naar het oordeel van de professional sprake is van acute finan-
ducten die deelname aan de samenleving kunnen vergroten. Het Jeugdtegoed is inmiddels gedifferentieerd in een ‘kindtegoed’ voor kinderen in de leeftijd van 4 tot 12 jaar en een ‘jeugdtegoed’ voor kinderen in de leeftijd van 12 tot 18 jaar. Het kindtegoed bedraagt 275 euro per kind per jaar, het jeugdtegoed is per december 2019 met 100 euro opge-
ciële nood, die niet kan worden gelenigd door een andere voorliggende voorziening. De mate van gebruik is dus sterk afhankelijk van de beoordeling van de professional, en niet van aanvraag door de gebruiker.
hoogd naar 500 euro per kind per jaar. Per 2020 is de inkomensgrens voor het Jeugdtegoed (kinderen van 12 tot 18 jaar) opgetrokken naar 130% van het sociaal minimum. AOW’ers met een minimuminkomen ontvangen een tegoed van 450 euro per huishouden.
In de navolgende paragrafen gaan we in op het gebruik en bereik van de verschillende voorzieningen.
AOW- en Jeugdtegoed AOW’ers en kinderen (van 4 tot 18 jaar) van ouders met een laag inkomen krijgen jaarlijks een tegoed bijgeschreven op de Rotterdampas. Het tegoed is te besteden bij geselecteerde winkels of bedrijven in Rotterdam, aan pro-
4.2.1
Afgegeven beschikkingen
Volgens opgave van Rotterdampas werden in de meest recente jaarcyclus (maart 2020-maart 2021) rond 11.000 beschikkingen Kindtegoed, 9.000 beschikkingen Jeugdtegoed en rond 11.000 beschikkingen AOW-tegoed afgegeven. Het aantal actieve passen (passen die minimaal één keer zijn ingezet) ligt bij kind- en jeugdtegoed op rond 99%, bij het AOW-tegoed op 94%. In de onderstaande tabel staan de exacte cijfers.
Tabel 4.1
Kind-, jeugd- en AOW-tegoed: gebruik in de periode maart 2020 tot maart 2021 Aantal passen
Actieve passen5
Beginsaldo
Verzilverd
Restsaldo
(x mln euro)
(x mln euro)
(x 1.000 euro)
Nog beschikbaar
Kindtegoed
10.997
10.497
3.0
2.6
0.4
13,3%
Jeugdtegoed
9.069
8.752
4.5
3.9
0.6
13,9%
AOW-tegoed
11.081
10.431
5.0
3.7
1.3
13,5%
Totaal
31.147
29.680
12.5
10.2
2.3
18,7%
Bron: Rotterdampas
Door de sluiting van de meeste aangesloten winkels in het
is daarom met een jaar verlengd; pashouders die hun pas
kader van de lockdown ligt de verzilvering van de tegoeden
verlengen kunnen dus ook de komende periode over het
lager dan in de voorgaande jaren. In maart 2020 was nog
resterende saldo beschikken.
maar rond 3% het saldo van alle tegoeden beschikbaar, terwijl dit nu op 19% ligt. De geldigheidsduur van het saldo
5 Het aantal passen waarmee minimaal één transactie is uitgevoerd
48
4.2.2
Bereik en benutting
Wat zeggen bovenstaande cijfers over het bereik en benutting van de tegoeden door de respectievelijke doelgroepen? Als het gaat om het Jeugdtegoed waren er op 1 januari 2020 in totaal 93.500 kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 17 jaar in de stad. Volgens gegevens van CBS woonden op 1 januari 2019 19,1% van de kinderen 4 tot 12 jaar en 25,2% van de kinderen 12 tot 17 jaar in een huishouden met een inkomen tot 130% WSM. Leggen we deze percentages over het totaal aantal kinderen in deze leeftijdsklas-
het Jeugdtegoed. Uitgaande van deze cijfers was het bereik van het Kindtegoed 100%, en van het Jeugdtegoed 90%. Door de extrapolatie op basis van de percentages van CBS zijn de doelgroepaantallen niet geheel accuraat, maar ze geven wel aan dat het bereik en gebruik van het Jeugdtegoed hoog is. Als het gaat om het AOW-tegoed, waren er volgens cijfers van het CBS op 1 januari 2018 17.100 huishoudens met minimaal één 65-plusser in de stad. Het aantal actieve passen met een AOW-tegoed be-
sen, dan bevonden zich 10.500 kinderen in de doelgroep van het Kindtegoed en 9.700 kinderen in de doelgroep van
droeg 10.400; dat brengt het bereik op 61%. In de onderstaande tabel staan de cijfers bij elkaar.
Tabel 4.2
AOW- en Jeugdtegoed : bereik en gebruik in de periode maart 2019 tot maart 2020 Aantal kinderen in doelgroep
Aantal actieve passen
Bereik
Kinderen 4-11 jaar (tot 110% WSM)
10.500
10.500
100%
Kinderen 12 -17 jaar (tot 130% WSM)
9.700
8.700
90%
Totaal kinderen 4 tot en met 17 jaar
20.200
19.200
95%
Huishoudens 65+ (tot 110% WSM)
17.100
10.400
61%
Bron: BRP Rotterdam/CBS/bewerking OBI
Kwijtschelding afvalstoffenheffing Rotterdammers met een inkomen tot 100% WSM hebben recht op een gedeeltelijke kwijtschelding van afvalstoffen-
het tarief voor alle huishoudenstypen gestegen. Eenpersoonshuishoudens betalen 4% meer dan in 2019, twee- en
heffing. Het tarief van de afvalstoffenheffing daalde vanaf 2016 met 14% voor eenpersoonshuishoudens en met 7% voor meerpersoonshuishoudens. Door een verdere differentiatie van het tarief in 2019 gaan huishoudens met drie personen of meer vanaf dat jaar meer betalen. In 2020 is
driepersoonshuishoudens 6%. Hierdoor is het tarief voor huishoudens met drie personen of meer vanaf 2019 weer hoger dan in 2016. In de navolgende figuur staat een overzicht van de ontwikkeling van de tarieven vanaf 2016.
49
Figuur 4.2
Tarieven afvalstoffenheffing 2016-2020
€ 371 € 377 € 347 € 321 € 293
€ 284
€ 275
€ 333 € 328
€ 343 € 348
€ 347
€ 324
€ 333 € 328
€ 349
€ 286 € 291
Eenpersoonshuishouden
Meerpersoonshuishouden (vanaf 2019: tweepersoonshuishouden) 2016
2017
2018
2019
2020
Vanaf 2019: driepersoonshuishouden of meer
2021
Bron: Gemeentebelastingen Rotterdam
In 2020 kon het tarief voor 76,5% worden kwijtgescholden.
naast worden vanaf 2018 alle kwijtscheldingsverzoeken in-
Het aantal kwijtscheldingen bedroeg in 2020 rond 39.000, inclusief kwijtscheldingen van voorgaande belastingjaren. Ten opzichte van het voorgaande jaar betekent dit een daling van het aantal kwijtscheldingen met 2,5%. Dit kan verschillende oorzaken hebben. Op de eerste plaats is de omvang van de doelgroep kleiner dan het jaar daarvoor. Daar-
tegraal gecontroleerd met behulp van het inlichtingenbureau. Bovendien werd in 2019 is de kostendelersnorm geimplementeerd. In het geval van kostendelers wordt het normbedrag van de kosten van bestaan en de extra woonlasten aangepast in de berekening van het vermogen en de betalingscapaciteit. Deze aanpassing is gebaseerd op de Participatiewet.
Tabel 4.3
Aantal kwijtscheldingen afvalstoffenheffing in de periode 2016-2020 2016
2017
2018
2019
2020
Kwijtschelding lopend belastingjaar
43.029
44.422
41.721
37.280
35.711
Kwijtschelding voorgaande belastingjaren
2.312
3.244
1.277
2.673
3.251
Totaal aantal kwijtscheldingen
45.341
47.666
42.998
39.953
38.962
Bron: Gemeentebelastingen Rotterdam
50
Een eenpersoonshuishouden dat de maximale kwijtschelding ontvangt, betaalde in 2019 69 euro; in 2018 was dit nog 128 euro. Een tweepersoonshuishouden betaalde 81 euro, tegen 148 euro in 2018. Tenslotte: een huishouden
overzicht van de cijfers, inclusief de kwijtgescholden en niet kwijtgescholden bedragen over 2020. Daarin is te zien dat de huishoudens met maximale kwijtschelding in dit jaar door de stijging van de kwijtscheldingsgrondslag volledig
van drie personen of meer betaalde in 2019 87 euro, tegen 148 euro in 2018. In de navolgende tabel staat een volledig
worden gecompenseerd voor de tariefstijging.
Tabel 4.4
Kwijtgescholden en niet-kwijtgescholden bedragen afvalstoffenheffing in 2016-2020 2016
2017
2018
2019
2020
Kwijtgescholden
€ 193
€ 161
€ 156
€ 206
€ 219
Niet kwijtgescholden
€ 128
€ 132
€ 128
€ 69
€ 67
Meerpersoonshuishouden (vanaf 2019: tweepersoonshuishouden)
Kwijtgescholden
€ 208
€ 183
€ 181
€ 243
€ 262
Niet kwijtgescholden
€ 139
€ 150
€ 148
€ 81
€ 80
Vanaf 2019: driepersoonshuishouden of meer
Kwijtgescholden
€ 208
€ 183
€ 181
€ 262
€ 284
Niet kwijtgescholden
€ 139
€ 150
€ 148
€ 87
€ 87
Eenpersoonshuishouden
Bron: Gemeentebelastingen
Bijzondere bijstand Het gebruik van de bijzondere bijstand werd in 2020 sterk beïnvloed door het gebruik van het voorschot van de TOZO-regeling voor zelfstandigen die werden getroffen door de coronacrisis. In het kader van de regeling werden ruim 33.000 verstrekkingen gedaan. Bij de hier gepresenteerde cijfers laten we de TOZO-regeling buiten beschouwing.
Meer dan 80% van de verstrekkingen was voor de vergoeding van mentorschaps- en bewindvoeringskosten (66%) en de Individuele Inkomenstoeslag (17%).
In 2020 bijna 160.000 verstrekkingen bijzondere bijstand gedaan aan rond 38.000 Rotterdammers. In vergelijking met het voorgaande jaar steeg het aantal verstrekkingen met 7% en het aantal en individuele gebruikers met 3%.
voorzieningen voor opvang en maatschappelijke zorg laten juist een daling zien. In de onderstaande tabel staat de ontwikkeling van het gebruik van de Bijzondere Bijstand vanaf 2017.
Tabel 4.5
Het aantal verstrekkingen in het kader van mentorschap en bewind, medische dienstverlening en de individuele studietoeslag lieten in 2020 een bovengemiddelde stijging zien. Andere categorieën, waaronder directe levensbehoeften,
Verstrekkingen bijzondere bijstand in aantallen en procenten (2017-2020) 2017
2018
2019
2020
73.954
77.405
96.585
106.051
Individuele inkomenstoeslag
3.036
21.576
27.588
27.182
-406
-1%
Directe levensbehoeften
13.687
11.788
11.021
9.396
-1.625
-15%
Financiële transacties
9.216
16.598
7.433
6.690
-743
-10%
Voorzieningen voor wonen
5.631
4.461
4.146
4.390
244
6%
Voorzieningen voor opvang
1.315
1.166
1.099
905
-194
-18%
Individuele studietoeslag
2.468
2.134
770
3.303
2.533
329%
Medische dienstverlening
724
594
556
1.249
693
125%
Overige kostensoorten
398
429
422
365
-57
-14%
Maatschappelijke zorg
635
236
299
258
-41
-14%
Uitstroombevordering
54
32
23
-23
-100%
Voorzieningen voor het huishouden
107
13
Totaal aantal verstrekkingen
111.225
136.432
149.942
159.789
9.847
+7%
Aantal individuele gebruikers
20.067
33.466
36.678
37.718
1.040
+3%
Mentorschap/bewind
2019-2020 Aantal
%
9.466
10%
Bron: W&I
51
4.4.1 Individuele inkomenstoeslag (IIT) Met de invoering van de Participatiewet in 2015 werd de
worden ingezet als bij een cliënt sprake is van een noodsi-
Individuele Inkomenstoeslag (IIT) ingevoerd als vervanging van de Langdurigheidtoeslag. Met het Zomerakkoord werd de doelgroep van de voorziening per 1 januari 2018 uitgebreid naar alle Rotterdammers die onafgebroken de twaalf maanden vóór de aanvraag een inkomen hadden tot 130% van het wettelijk minimumloon (WML), en die geen uitzicht hebben op inkomensverbetering. De toeslag bedraagt 120 euro op jaarbasis. In 2020 werd de individuele inkomenstoeslag 27.182 maal verstrekt aan 26.904 individuele klan-
tuatie. Het gaat dan om situaties die zich onverwacht voordoen en die een groot effect (kunnen) hebben op het huishouden. In de opzet van de nieuwe werkinstructie werd hieraan toegevoegd: “waarbij niet ingrijpen op termijn meer kosten met zich meebrengt”. Het maatwerkbudget is bedoeld om een cliënt financieel te ondersteunen, maar er wordt nooit direct geld uitgekeerd. De wijkteammedewerker doet betalingen ter plekke met de speciaal hiervoor bedoelde betaalpas of laat het geld door de backoffice over-
ten. Dat betekent een daling van 1% in vergelijking met het voorgaande jaar.
maken op een rekening. Een verstrekking uit het maatwerkbudget is eenmalig en maakt onderdeel uit van de ondersteuning van het wijkteam. Wijkteamleden hebben een grote mate van handelingsvrijheid waar en wanneer zij het maatwerkbudget inzetten. Zij moeten zelf inschatten wanneer het noodzakelijk is. Wel is het uitgangspunt dat het maatwerkbudget pas wordt ingezet als er geen andere oplossing is; het is een laatste redmiddel. Wanneer inzet van het maatwerkbudget wordt overwogen, moet daarom eerst
4.4.2 Premiebijdrage collectieve zorgverzekering Rotterdammers met een inkomen tot 130% van het wettelijk minimumloon krijgen een premiebijdrage van 10 euro per maand als ze deelnemen aan de collectieve zorgverzekering (het Rotterdampakket) van zorgverzekeraar VGZ. Op 1 januari 2021 kregen 40.521 Rotterdammers deze premiebijdrage. Dat is ruim 100 gebruikers meer dan op de eerste dag van het voorgaande jaar.
Maatwerkbudget Sinds februari 2015 bestaat voor wijkteams de mogelijkheid om gebruik te maken van het zogenoemde maatwerkbudget. Het maatwerkbudget (zijnde 2.000 euro per team op jaarbasis) kan door de professionals in het wijkteam
52
gekeken worden of er andere oplossingsmogelijkheden zijn, zoals eigen kracht of inzet van het eigen netwerk, een voorschot van de werkgever of op (eerste) uitkering, de voedselbank, fondsen in de wijk of het fonds Bijzondere Noden en ten slotte versnelde procedures voor de aanvraag van Bijzondere Bijstand. In 2020 werd 1.419 keer gebruik gemaakt van het maatwerkbudget; in totaal werd rond 239.000 euro besteed. Ten opzichte van 2019 is het aantal verstrekkingen met een derde gedaald, terwijl het totaal uitgegeven bedrag terugliep met 15%. In de tabel op de volgende pagina staat een overzicht.
Tabel 4.6
Verstrekkingen maatwerkbudget in 2018 en 2019 in aantallen en procenten 2019
2020
2019-2020
Aantal
Bedrag
% budget
Aantal
Bedrag
% budget
Aantal +/-
% +/-
Bedrag +/- (%)
Levensmiddelen
718
38.099
14%
493
31.229
13%
-225
-31%
-18%
Reiskosten
325
17.967
6%
204
16.688
7%
-121
-37%
-7%
Woninginrichting
250
72.549
26%
183
57.138
24%
-67
-27%
-21%
Document
177
10.621
4%
72
4.045
2%
-105
-59%
-62%
Gezondheid
92
13.542
5%
69
14.717
6%
-23
-25%
+9%
Huur
83
45.984
16%
55
33.624
14%
-28
-34%
-27%
Energie
32
5.839
2%
18
5.564
2%
-14
-44%
-5%
Overig
440
77.206
27%
325
76.090
32%
-115
-26%
-1%
Totaal
2.117
281.806
100%
1.419
239.095
100%
-698
-33%
-15%
Bron: MOW/ABV
In de tabel is te zien dat het maatwerkbudget in bijna een kwart van de gevallen wordt ingezet voor de betaling van woninginrichting. Daarnaast wordt het budget relatief vaak ingezet voor de vergoeding van huur en levensmiddelen. In vergelijking met 2019 zijn de verstrekkingen voor documenten en energie bovengemiddeld gedaald; ook de ove-
De inkomensgrens voor toekenning ligt voor een eenoudergezin op 1.600 euro en 1.800 euro voor een tweeoudergezin, netto per maand. De vergoeding voor sportlessen is maximaal 280 euro per jaar, voor culturele lessen maximaal 500 euro per jaar per kind, attributen worden niet vergoed. De contributie gaat direct naar de cursusaanbieder.
rige verstrekkingen laten een flinke daling zien. Het verbruikte budget daalt minder sterk dan het aantal verstrekkingen. Dat betekent dat het gemiddelde bedrag per verstrekking is gestegen. Dit is met name het geval bij verstrekkingen voor gezondheid, huur, energie en in de categorie ‘overig’.
Een aanvraag voor vergoeding van het lesgeld wordt altijd gedaan door een intermediair. Dit zijn professionals uit bijvoorbeeld het onderwijs of maatschappelijk werk die het gezin goed kennen. Ouders kunnen zelf geen aanvraag indienen, maar wel een intermediair zoeken.
4.6.1 Aantal aanvragen en toekenningen Jeugdfonds Sport & Cultuur Het Jeugdcultuurfonds en het Jeugdsportfonds zijn inmiddels ondergebracht in het Jeugdfonds Sport en Cultuur. Het Jeugdfonds Sport & Cultuur is er voor kinderen en jongeren van 0 tot 18 jaar die om financiële redenen niet sporten of geen lessen kunnen volgen bij een theaterclub, dansschool of muziekschool. Daarnaast kan ook het zwemdiploma A bij kinderen vanaf 5 jaar worden vergoed.
In 2020 werden er 2.451 verstrekkingen gedaan in het kader van het Jeugdcultuurfonds en 5.722 verstrekkingen in het kader van het Jeugdsportfonds. Ten opzichte van 2019 daalde het aantal verstrekkingen Jeugdcultuurfonds met 3%, die van het Jeugdsportfonds met 5%. In Tabel 4.7 zijn de realisatiecijfers vanaf 2014 samengebracht.
53
Tabel 4.7
Jeugdfonds Sport & Cultuur: verstrekkingen 2014-2020 2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
Jeugdcultuurfonds
1.283
1.315
1.640
1.850
1.820
2.521
2.451
Jeugdsportfonds
3,542
3.440
3.573
5.000
5.200
6.053
5.722
2016
2017
2018
Bron: Jeugdfonds Sport & Cultuur
7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 2014
2015
Jeugdcultuurfonds
2019
2020
Jeugdsportfonds
Bron: Jeugdfonds Sport & Cultuur
De meeste verstrekkingen in het kader van de jeugdfondsen gaan naar kinderen in de leeftijdsgroep van 4 tot en
Figuur 4.3
met 11 jaar. De verdeling over de leeftijdsklassen is te zien in de onderstaande figuur.
Verstrekkingen Jeugdfonds Sport & Cultuur naar leeftijdsklasse (2019)
80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 0-3 jr
4-11 jr Jeugdcultuurfonds
Bron: Jeugdfonds sport & Cultuur
54
Jeugdsportfonds
12-17 jr
Inkomen, Rotterdampas, de kleding- of voedselbank, stichting Jarige Job en de Kringloopwinkel. In 2020 steeg het aantal aanvragen van rond 9.500 naar rond 9.900. Dat is een stijging van 4%. Rond 70% van de aanvragen werd gehonoreerd, terwijl nog eens 15% werd doorverwezen naar één van de fondsen. Het aantal volledig gehono-
Meedoen in Rotterdam De Stichting Meedoen in Rotterdam heeft als doel het voorkomen c.q. bestrijden van sociaal isolement onder Rotterdamse kinderen van 4 tot 18 jaar, waarvan de ouders een inkomen hebben tot 120% van het sociaal minimum. Dit gebeurt bijvoorbeeld door het vergoeden van kosten voor het volgen van zwemlessen, de verstrekking in
reerde aanvragen bleef gelijk. Doordat het aantal afgewezen aanvragen relatief sterk steeg, daalde het aantal toekenningen met 5%. De stijging van het aantal afwijzingen heeft volgens Meedoen onder andere te maken met schoolreizen die geen doorgang konden vinden in verband met het coronavirus. Daarnaast stuurde een groot aantal gezinnen geen nadere informatie op na eerdere aanvragen voor schoolreizen en werkweken die niet doorgingen. De exacte cijfers staan in de onderstaande tabel.
natura van een fiets (voor vervoer van en naar school) of tweedehands pc of laptop (voor huiswerk). Dit voor zover geen vergoeding plaatsvond door een voorliggende voorziening, zoals het Jeugdfonds Sport en Cultuur of het Jeugdtegoed. Daarnaast heeft stichting Meedoen als taak aanvragers eventueel attent te maken op andere voorliggende voorzieningen of hen door te verwijzen naar Werk &
Tabel 4.8
Meedoen in Rotterdam: aantal contacten en aanvragen 2016-2020 2016
2017
2018
2019
2020
2019-2020
Aantal kinderen
3.573
3.627
5.195
6.979
6.648
-331
-5%
Aantal gezinnen
2.740
2.709
3.468
4.379
4.403
24
1%
Totaal aantal ingediende aanvragen
4.326
4.439
6.417
9.516
9.881
365
4%
Volledig gehonoreerde aanvragen
2.788
3.003
4.627
6.814
6.792
-22
0%
Doorverwezen naar Jeugdcultuurfonds
113
150
214
286
252
-34
-12%
Doorverwezen naar Jeugdsportfonds
785
777
896
1161
1.158
-3
0%
Afgewezen aanvragen
634
507
593
820
1.292
472
58%
6
2
87
435
387
-48
-11%
Contacten
Status aanvragen
Aanvragen die nog in behandeling zijn Bron: Meedoen in Rotterdam
De ontwikkeling van aantal aanvragen en het aantal betrokken gezinnen en kinderen is nogmaals uitgezet in de onderstaande grafiek.
55
Figuur 4.4
Meedoen in Rotterdam: aantal aanvragen en aantal toekenningen (gezinnen en kinderen)
12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0 2016
2017
Aantal kinderen
2018 Aantal gezinnen
2019
2020
Aantal ingediende aanvragen
Bron: Meedoen in Rotterdam
Samenvatting: gebruik en bereik van inkomensondersteunende voorzieningen In de onderstaande tabel staan de gegevens over het gebruik van de diverse voorzieningen op een rij, en wordt het vergeleken met de voorgaande jaren.
Tabel 4.9
Gebruik van inkomensondersteunende voorzieningen (2018-2020)
Kindtegoed
2018
2019
2020
2019-2020 +/-
2019-2020 +/- %
11.200
11.000
10.500
-500
-5%
Jeugdtegoed
9.200
8.700
8.700
0
0%
AOW-tegoed
10.000
10.700
10.400
-300
-3%
Kwijtschelding afvalstoffenheffing
42.998
39.953
38.962
-991
-2%
Bijzondere bijstand (excl. voorschot TOZO)
33.500
36.700
37.718
1.040
+3%
Individuele Inkomenstoeslag
21.600
27.600
26.900
-700
-3%
Meedoen in Rotterdam
5.200
7.000
6.600
-400
-6%
Jeugdcultuurfonds
1.820
2.521
2.451
-70
-3%
Jeugdsportfonds
5.200
6.053
5.722
-331
-5%
Premiebijdrage VGZ
40.300
40.400
40.521
121
0%
Maatwerkbudget wijkteams
1.900
2.100
1.400
-700
-33%
Het gebruik van de regelingen, behalve dat van de bijzondere bijstand, is in vergelijking met vorig jaar gedaald.
56
De daling wordt op de eerste plaats beïnvloed door de afname van het aantal huishoudens in de doelgroepen van
de regelingen. Daarnaast is het gebruik van regelingen gericht op de participatie van kinderen, zoals Meedoen in Rotterdam en Jeugdfonds Sport & Cultuur, hoogstwaarschijnlijk beïnvloed door de lockdown. Om een indicatie te geven van het bereik van de regelingen, zijn de gebruikscijfers afgezet tegen de omvang van de respectievelijke doelgroepen. In de onderstaande tabel staat de omvang van de potentiële doelgroep weergegeven en het daarop gebaseerde percentuele gebruik. Bij dit percentage hoort een aantal kanttekeningen: de omvang van de doelgroep voor 2018 is gebaseerd op inkomensgegevens van het CBS peildatum 1 januari 2017 die voor 2019 is gebaseerd op inkomensgegevens van het CBS op
Tabel 4.10
peildatum 1 januari 2018. De cijfers betreffen particuliere huishoudens, personen of kinderen in een huishouden met een heel jaar inkomen in het betreffende jaar. Dat betekent dat de omvang van de werkelijke doelgroep groter zal zijn dan de hier gehanteerde cijfers. Precieze inschatting van de doelgroep op basis van het inkomen is daarnaast moeilijk omdat vaststelling van recht op basis van inkomen voor de verschillende voorzieningen op verschillende momenten in het jaar van aanvraag kan gebeuren. Daarnaast kan bij de kwijtscheldingsregeling onder bepaalde voorwaarden worden afgeweken van het inkomenscriterium. De gebruikspercentages kunnen daardoor niet meer dan een ruwe indicatie geven van het daadwerkelijke bereik.
Bereik van inkomensondersteunende voorzieningen 2018-2020
Soort voorziening
Doelgroep (peildatum 1-1-2019)
Bereik 2018
2019
2020
20192020
Kindtegoed
10.500 kinderen 4-11 jaar (110% WSM)
89%
100%
100%
0
Jeugdtegoed *)
9.700 kinderen 12-17 jaar (130% WSM)
122%
130%
95%
-35
AOW-tegoed
17.100 huishoudens 65+ (110% WSM)
60%
63%
61%
-2
Kwijtschelding afvalstoffenheffing **)
40.300 huishoudens (100% WSM)
99%
91%
93%
+2
Individuele Inkomenstoeslag ***)
58.800 huishoudens 21-65 jaar tot 130% WML
36%
45%
46%
+1
Meedoen in Rotterdam
20.000 kinderen 4-18 jaar (120% WSM)
24%
35%
33%
-2
Jeugdcultuurfonds
20.000 kinderen 4-18 jaar (120% WSM)
8%
13%
12%
-1
Jeugdsportfonds
20.000 kinderen 4-18 jaar (120% WSM)
24%
30%
29%
-1
Premiebijdrage VGZ
105.300 personen >=18 jaar tot 130% WML
38%
37%
38%
+1
*)
Per 1 maart 2020 is de inkomensgrens van het Jeugdtegoed uitgebreid tot 130% van het sociaal minimum. De gebruikspercentages in voorgaande jaren zijn gebaseerd op een beperktere doelgroep, waardoor het gebruikspercentage toen substantieel hoger lag. Het feit dat de bereikpercentages in 2018 en 2019 boven de 100% liggen, komt doordat de omvang van de doelgroep is gebaseerd op cijfers van het CBS betreffende kinderen in een particulier huishouden met een heel jaar inkomen. Dat betekent dat de omvang van de werkelijke doelgroep groter zal zijn dan de hier gehanteerde cijfers.
**)
Het gebruikspercentage van de kwijtscheldingsregeling afvalstoffenheffing is gebaseerd op het gebruik van kwijtschelding voor het lopende belastingjaar. Het gebruik ligt dicht bij de 100%. Dit komt doordat de omvang van de doelgroep ruimer is dan alleen op basis van de inkomensgrens van 100% WSM. Dit heeft verschillende oorzaken. Op de eerste plaats hanteert Gemeentebelastingen voor AOW-gerechtigden hogere normen dan in de Participatiewet worden gehanteerd. Daarnaast kunnen huishoudens met schulden in sommige gevallen voor kwijtschelding in aanmerking komen, ook als er sprake is van een hoger inkomen. Tenslotte kunnen ook (buitenlandse) studenten en huishoudens die maar een deel van het jaar inkomen hebben in aanmerking komen; deze groepen worden niet meegenomen in de huishoudens volgens de CBS-definitie.
***)
Per 2018 is de doelgroep uitgebreid tot Rotterdammers in de leeftijd van 21 tot 65 jaar met een (huishoudens)inkomen tot 130% van het wettelijk minimumloon. In het vaststellen van de omvang van de doelgroep kon geen rekening gehouden met het ‘inkomensverbeteringscriterium’: het gaat dus om alle particuliere huishoudens met een inkomen tot de inkomensgrens waarvan de hoofdkostwinner tussen de 21 en 65 jaar oud is. Bij de vaststelling van de doelgroep voor 2020 is uitgegaan van de netto bijstandsnorm voor gehuwd op peildatum 1 januari 2019, maal 130%. De inkomensgrens bedraagt dan 23.447 euro op jaarbasis. In de vorige metingen werd de doelgroep op een iets andere manier gedefinieerd; het gebruik in voorgaande jaren is hiervoor gecorrigeerd
****)
De bijzondere bijstand en het maatwerkbudget hebben geen duidelijk begrensde doelgroep; een percentage voor het bereik kan daarom niet worden berekend
57
Kennis voor een sterk Rotterdams beleid Onderzoek en Business Intelligence is een afdeling binnen de gemeente Rotterdam. De afdeling verzamelt informatie en doet onderzoek voor het maken en uitvoeren van beleid door de gemeente Rotterdam. Het onderzoek gaat over onderColofon werpen als gezondheid, zorg, onderwijs, re-integraGemeente Rotterdam, afdeling Onderzoek en Business Intelligence (OBI) tie, demografie, ruimtelijke ordening en veiligheid. Soms is de gemeentelijke organisatie het onderDatum: 23 maart 2021 werp, vaker gaat het over de stad en haar bewoners. Auteur(s): [Auteurs] Het doel is steeds om met deze verzamelde kennis het beleid en de bedrijfsvoering van de gemeente te Vragen: onderzoek@rotterdam.nl verbeteren.
58