21bb4291 Bijlage 3 behorende bij 21bb4288 over Monitor lage inkomens Rotterdam 2021
Tekst van het document
Monitor lage inkomens Rotterdam 2021 Onderzoek en Business Intelligence
1
Colofon Gemeente Rotterdam, afdeling Onderzoek en Business Intelligence (OBI)
2
Datum: Auteur(s):
23 maart 2021 Frans Moors Ludo van Dun
Vragen:
onderzoek@rotterdam.nl
Inhoud Samenvatting
5
1.
De doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid
5
2.
In- en uitstroom uit de armoede
7
3.
Gebruik van inkomensondersteuning
8
Inleiding
9
De doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid
11
Inkomensverdeling
11
Omvang en ontwikkeling van de doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid
14
Bron van inkomsten
16
Werkende armen
20
Huishoudenstype
21
Minderjarige kinderen
23
Sekse
26
Leeftijd
28
Migratieachtergrond
30
Opleidingsniveau
32
Gebied en buurt
33
Problematische schulden
37
In- en uitstroom uit de armoede
41
Inleiding
41
In- en uitstroom 2011-2019
41
Achtergronden van instroom
43
Achtergronden van uitstroom
44
3
4
Gebruik van inkomensondersteuning
47
Inleiding
47
AOW- en Jeugdtegoed
48
4.2.1
Afgegeven beschikkingen
48
4.2.2
Bereik en benutting
49
Kwijtschelding afvalstoffenheffing
49
Bijzondere bijstand
51
4.4.1
Individuele inkomenstoeslag (IIT)
52
4.4.2
Premiebijdrage collectieve zorgverzekering
52
Maatwerkbudget
52
Jeugdfonds Sport & Cultuur
53
4.6.1
53
Aantal aanvragen en toekenningen
Meedoen in Rotterdam
55
Samenvatting: gebruik en bereik van inkomensondersteunening
56
Samenvatting De Monitor lage inkomens Rotterdam biedt inzicht in de ‘staat van de armoede’ in de stad, en bestaat uit drie delen •
Een beschrijving van de doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid (huishoudens met een inkomen tot 110% van het wettelijk sociaal minimum). In deze rapportage noemen we deze doelgroep ook wel huishoudens met een laag inkomen. Naast deze beschrijving worden ook de ontwikkelingen in de doelgroep op de korte termijn (2018-2019) en de lange termijn (2011-2019).
•
Een analyse van de in- en uitstroom uit de doelgroep in de periode 2018-2019;
Het aantal personen met een laag inkomen daalde met 2.700; dat is een daling van 3%. Het percentage Rotterdammers dat moet rondkomen van een laag inkomen daalde daarmee van 15,7 naar 13,8%. Over de langere termijn bezien is dit percentage gedaald van 17,6% in 2014 naar 13,8% in 2019. Van de huishoudens met een laag inkomen hebben 32.600 huishoudens dit al vier jaar of langer. In vergelijking met 2018 steeg het aantal met 400 huishoudens; een stijging van 1%. Het aandeel langdurig lage inkomens steeg daarmee met 0,1% naar 12,6% van alle huishoudens in Rotterdam. In deze huishoudens wonen 50.000 personen.
•
Een beschrijving van het gebruik van gemeentelijke inkomensondersteunende voorzieningen in het kader van het armoedebeleid over 2019 en de ontwikkelingen hierin voor de periode 2018-2019.
Over de lange termijn bezien steeg het percentage huishoudens met een langdurig laag inkomen van 11,6% in 2014 naar 12,6% in 2019. De langdurige armoede nam enigszins toe
De eerste twee delen zijn gebaseerd op de meest recente gegevens uit het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV) van CBS, peildatum 1 januari 2019. Het derde deel is gebaseerd op registratiegegevens van de gemeente Rotterdam en andere instanties die de diverse regelingen uitvoeren, en betreffen het jaar 2020. In deze samenvatting worden de belangrijkste bevindingen van deze deelonderzoeken beschreven.
1.
De doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid
In de periode 2018-2019 is het aantal huishoudens met een inkomen tot 110% van het sociaal minimum gedaald met 1.400; een daling van 2%. Het betekent dat het aandeel huishoudens met een laag inkomen op het
Het aandeel huishoudens met een langdurig laag inkomen binnen de doelgroep van het armoedebeleid steeg van 57% naar 59%. Dat betekent dat de trend doorzet dat het aandeel langdurig lage inkomens binnen de totale groep lage inkomens stijgt. Het aantal personen in langdurige armoede bleef in de periode 2018-2019 stabiel. De doelgroep van het armoedebeleid bestaat vooral uit bijstandsgerechtigden en pensioengerechtigden; 14% is ‘werkende arme’ Van de huishoudens in de doelgroep heeft rond de helft een bijstandsuitkering of andere sociale voorziening, en rond 30% een inkomen uit AOW en/of pensioen. Van de huishoudens in de doelgroep heeft 15% een inkomen uit werk in loondienst of als zelfstandige.
totaal aantal Rotterdamse huishoudens daalde van 19,4% naar 18,8%.
5
Het percentage bijstandsgerechtigden en ouderen met een laag inkomen steeg in de afgelopen jaren, terwijl het percentage werkenden met een laag inkomen daalde. In de periode 2018-2019 zien we een stabilisatie in deze trend. Wel zien we een toename van het aandeel langdurig lage inkomens bij de bijstands- en
Kinderen in een eenoudergezin hebben de grootste kans armoede: 39% van hen woont in een eenoudergezin met een laag inkomen, tegen 10% van de minderjarige kinderen in een tweeoudergezin. In de periode 2011-2019 daalde het percentage kinderen in een eenoudergezin met een laag
pensioengerechtigden.
inkomen van 40% naar 39%. Het percentage kinderen in een tweeoudergezin met een laag inkomen bleef stabiel op 10%.
Op de lange termijn daalde de armoede onder de actieven, terwijl de armoede onder de inactieven steeg. Het aantal werknemers met een laag inkomen bleef in de periode 2018-2019 stabiel, terwijl het aantal zelfstandigen met een laag inkomen met ruim 1.000 steeg. Daarmee bleef het percentage werknemers met een laag inkomen op 2,5%, terwijl het percentage bij de zelfstandigen steeg van 9,6 naar 11,0%. Op de lange termijn bezien is het aandeel werknemers met een laag inkomen gedaald van 4% in 2011 naar 3% in 2019. Het percentage zelfstandigen met een laag inkomen daalde van 15% in 2011 naar 11% in 2019. Het totaalpercentage ‘werkende armen’ daalde daarmee van 5% in 2011 naar 4% in 2019. Alleenstaande ouders met uitsluitend minderjarige kinderen hebben de grootste kans op armoede…. Van de eenoudergezinnen met alleen minderjarige kinderen heeft 39% een laag inkomen, bij een gemiddelde van 19%. …maar laten ook de grootste daling in het armoedepercentage sinds 2011 zien. In de periode 2018-2019 zette deze daling door. In de periode 2018-2019 daalde het armoedepercentage onder dit gezinstype van 40% naar 39%. Het percentage lage inkomens onder de tweeoudergezinnen met alleen minderjarige kinderen daalde van 9% in 2018 naar 8% nu. Het percentage lage inkomens onder tweeoudergezinnen met alleen minderjarige kinderen is veel lager dan onder de alleenstaande ouders.
Het aantal minderjarige kinderen in een huishouden met een laag inkomen daalde in de periode 2018-2019 met 3,4% naar 20.100. Daarmee daalde het percentage kinderen in een huishouden met een laag inkomen van 18,4% naar 17,7%.
6
Kinderen met een vluchtelingenachtergrond hebben de grootste kans op armoede Meer dan de helft van de kinderen uit Syrië, Somalië, Sierra Leone, Guinee en Congo leeft in een gezin met een laag inkomen. Maar ook kinderen met een Marokkaanse achtergrond hebben een bovengemiddelde kans op armoede: van hen leeft ruim 31% in een gezin met een laag inkomen. Kinderen met een Marokkaanse of Antilliaanse achtergrond hebben rond vier keer zo veel kans om tot een langdurig arm gezin te behoren dan kinderen met een Nederlandse achtergrond. In vergelijking met 2018 zien we bij de Rotterdammers met een overig niet-westerse achtergrond een relatief sterke daling van het aandeel lage inkomens. Bij de Rotterdammers met een andere of migratie-achtergrond of met een Nederlandse achtergrond is er een vergelijkbare, lichte daling. Ook over de langere termijn gezien is het aandeel lage inkomens relatief sterk gedaald onder Rotterdammers met een overig niet-westerse achtergrond, maar ook onder EUMOE-landers.
Het aandeel lage inkomens onder huishoudens met een kostwinner van 18 tot 45 jaar daalt scherp, terwijl dit onder huishoudens met een kostwinner vanaf 45 jaar licht afneemt. Bij de 65-plussers blijft het percentage lage inkomens stabiel.
Bijna 40% van de huishoudens met een laag inkomen heeft een hoofdkostwinner met niet meer dan basisonderwijs. Nog eens 40% heeft geen hoger onderwijs dan Mbo 3 afgerond.
- een niet-westerse migratieachtergrond hebben; - tussen de 25 en 45 jaar zijn; - lager of middelbaar opgeleid zijn; - een bijstandsuitkering hebben; - alleenstaand ouder zijn.
Wie alleen basisonderwijs heeft afgesloten, loopt veruit de grootste kans op en laag inkomen: 45%. Bekijken we de langjarige trend, dan zien we dat in de periode 2011-2019 het aandeel lage inkomens onder hoofdkostwinners met alleen basisonderwijs relatief sterk steeg. Het aandeel hoofdkostwinners met alleen Vmbo of Mbo 1 blijft relatief hoog, terwijl het aandeel bij de gediplomeerden Vmbo-g/t daalde. Bij gediplomeerden Mbo 2 tot en met 4 bleef het aandeel redelijk stabiel, terwijl het voor gediplomeerden HAVO/VWO, HBO en academisch onderwijs juist daalde
2. In- en uitstroom uit de armoede Het percentage personen en huishoudens met een laag inkomen in Rotterdam schommelt al jaren rond de 20%. Toch is er sprake van dynamiek: ieder jaar is sprake van in- en uitstroom in deze groep. Aan de hand van gegevens van het CBS is een analyse gemaakt van de omvang van de in- en uitstroom in de periode 2011-2019, en de achtergronden hiervan. De belangrijkste bevindingen zijn puntsgewijs:
Het hoogste percentage lage inkomens vinden we in Feijenoord, Delfshaven, Kralingen-Crooswijk en Charlois. In deze gebieden woont bijna de helft van alle Rotterdamse huishoudens met een laag inkomen. In vergelijking met 2018 is er in alle gebieden, behalve Overschie, Hillegersberg-Schiebroek, Pernis, Hoogvliet, Hoek van Holland en Rozenburg een afname van het percentage huishoudens met een laag inkomen. De verschillen zijn echter klein. Kijken we naar de langjarige ontwikkeling, dan is het percentage lage inkomens licht toegenomen in Prins Alexander, Hoogvliet en HillegersbergSchiebroek. In Pernis, Delfshaven, Noord, Kralingen-Crooswijk, Stadscentrum, Feijenoord en Charlois zien we een meer dan gemiddelde afname van het percentage
In 2019 stroomden 21.300 personen in de groep lage inkomens, terwijl 24.600 personen de groep lage inkomens verlieten. In de periode 2018-2019 daalde de instroom en steeg de uitstroom. Veruit de belangrijkste oorzaak van instroom is inkomensdaling… Van de instromers in 2019 maakte 62% een inkomensdaling door. Rond een derde hiervan had in het voorgaande jaar een inkomen tussen 110 en 120% van het wettelijk sociaal minimum, en bevond zich dus al ‘aan de rand’ van een laag inkomen. Bijna 40% verdiende meer dan 150% van het sociaal minimum in 2018, dus maakte een forse inkomensachteruitgang door. … en veruit de belangrijkste oorzaak van uitstroom is inkomensstijging. Van de uitstromers maakte 67% een inkomensstijging
In 2018 hadden 50.800 Rotterdamse huishoudens een geregistreerde problematische schuld. Dat is 16% van alle huishoudens in Rotterdam. Onlangs publiceerde het CBS voor het eerst gegevens over het aantal huishoudens met geregistreerde problematische schulden per gemeente. De meest recente cijfers betreffen het jaar 2018. Uit de gegevens blijkt dat kostwinners van huishoudens met een problematische schuld vaker:
door. Een derde van hen heeft in het jaar na uitstroom een inkomen tussen 110% en 120% van het sociaal minimum, nog eens 17% tussen de 120 en 130%. Rond een derde klimt naar een inkomen van 150% WSM of meer. Uitstroom uit de doelgroep van het armoedebeleid gebeurt dus in de meeste gevallen door een stijging van het inkomen. Inkomensstijging wordt niet alleen veroorzaakt door werkaanvaarding: de belangrijkste voorspeller voor uitstroom is, met transitie van uitkering naar werk, verandering in positie binnen het huishouden. In de meeste gevallen gaan alleenstaanden samenwonen.
7
3. Gebruik van inkomensondersteuning In het derde deel van de monitor wordt inzicht gegeven in het gebruik van inkomensondersteunende voorzieningen, gericht op de doelgroep van het armoedebeleid. In de onderstaande tabel staan de gegevens over bereik van de di-
De daling wordt op de eerste plaats beïnvloed door de afname van het aantal huishoudens in de doelgroepen van de regelingen. Daarnaast zal het gebruik van regelingen gericht op de participatie van kinderen, zoals Meedoen in
verse voorzieningen op een rij, en wordt het gebruik vergeleken met de voorgaande jaren. Het gebruik van de regelingen, behalve dat van de bijzondere bijstand, is in vergelijking met vorig jaar gedaald.
Rotterdam en Jeugdfonds Sport & Cultuur, zijn beïnvloed door de lockdown als gevolg van de coronapandemie. Ook de daling van de inzet van het maatwerkbudget door de wijkteams lijkt hierdoor beïnvloed.
Kindtegoed
2019
2020
2019-2020 +/-
2019-2020 +/- %
11.200
11.000
10.500
-500
-5%
Jeugdtegoed
9.200
8.700
8.700
0
0%
AOW-tegoed
10.000
10.700
10.400
-300
-3%
Kwijtschelding afvalstoffenheffing
42.998
39.953
38.962
-991
-2%
Bijzondere bijstand (excl. voorschot TOZO)
33.500
36.700
37.718
1.040
+3%
Individuele Inkomenstoeslag
21.600
27.600
26.900
-700
-3%
Meedoen in Rotterdam
5.200
7.000
6.600
-400
-6%
Jeugdcultuurfonds
1.820
2.521
2.451
-70
-3%
Jeugdsportfonds
5.200
6.053
5.722
-331
-5%
Premiebijdrage VGZ
40.300
40.400
40.521
121
0%
Maatwerkbudget wijkteams
1.900
2.100
1.400
-700
-33%
Om een indicatie te geven van het bereik van de regelingen, is het gebruik afgezet tegen de omvang van de respectievelijke doelgroepen. In de onderstaande tabel staat
van het daadwerkelijke gebruik. Deze kanttekeningen zijn uitgebreid beschreven in hoofdstuk 3. Bijzondere bijstand en het maatwerkbudget zijn in deze tabel buiten beschou-
de omvang van de potentiële doelgroep weergegeven en het daarop gebaseerde percentuele gebruik. Bij dit percentage hoort een aantal kanttekeningen, waardoor de gebruikspercentages niet meer dan een ruwe indicatie geven
wing gelaten, omdat ze geen duidelijk afgegrensde doelgroep hebben.
Soort voorziening
Doelgroep (peildatum 1-1-2019)
Bereik 2018
2019
2020
2019-2020
Kindtegoed
10.500 kinderen 4-11 jaar (110% WSM)
89%
100%
100%
0
Jeugdtegoed *)
9.700 kinderen 12-17 jaar (130% WSM)
122%
130%
95%
-35
AOW-tegoed
17.100 huishoudens 65+ (110% WSM)
60%
63%
61%
-2
Kwijtschelding afvalstoffenheffing
40.300 huishoudens (100% WSM)
99%
91%
93%
+2
Individuele Inkomenstoeslag
58.800 huishoudens 21-65 jaar tot 130% WML
36%
45%
46%
+1
Meedoen in Rotterdam
20.000 kinderen 4-18 jaar (120% WSM)
24%
35%
33%
-2
Jeugdcultuurfonds
20.000 kinderen 4-18 jaar (120% WSM)
8%
13%
12%
-1
Jeugdsportfonds
20.000 kinderen 4-18 jaar (120% WSM)
24%
30%
29%
-1
Premiebijdrage VGZ
105.300 personen >=18 jaar tot 130% WML
38%
37%
38%
+1
*)
8
2018
De sterke daling van het gebruik van het Jeugdtegoed wordt veroorzaakt door de uitbreiding van doelgroep tot huishoudens met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum
Inleiding De Monitor Lage Inkomens Rotterdam wil inzicht bieden in ‘de staat van de armoede’ in de stad, en bestaat uit drie delen: -
Een beschrijving van de doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid (huishoudens met een inkomen tot 110% van het wettelijk sociaal minimum, en de ontwikkelingen in de doelgroep in de periode 2011-2019;
-
-
Een analyse van de in- en uitstroom uit de armoede in de periode 2011-2019. Een analyse van het gebruik van inkomensondersteunende voorzieningen in het kader van het armoedebeleid in 2019;
Het gebruik en bereik van inkomensondersteunende voorzieningen Het derde hoofdstuk biedt inzicht in het gebruik van de diverse inkomensondersteunende maatregelen voor huishoudens met een laag inkomen in Rotterdam. Het gaat dan om: •
Kind- en Jeugdtegoed
•
AOW-tegoed
•
Individuele Inkomenstoeslag
•
Kwijtschelding afvalstoffenheffing
•
Bijzondere bijstand
•
Meedoen in Rotterdam
•
Jeugdfonds Sport & Cultuur
•
Maatwerkbudget wijkteams
•
Collectieve zorgverzekering
Doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid In het eerste hoofdstuk wordt de doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid beschreven. Onder de doelgroep verstaan we de particuliere huishoudens in Rotterdam met een inkomen dat niet hoger is dan 110% van het wettelijk sociaal minimum. Naast een overzicht van de meest recente cijfers, wordt inzicht geboden in de langjarige ontwikkeling van de doelgroep voor de periode 2011-2019. Daarnaast worden voor de eerste keer gegevens gepresenteerd over het aantal huishoudens met problematische schulden in Rotterdam in de periode 2015-2018; het CBS heeft hierover recentelijk gegevens beschikbaar gemaakt. In- en uitstroomanalyse In het tweede hoofdstuk van deze rapportage wordt een analyse gepresenteerd van de in- en uitstroom uit de doelgroep op basis van microdata van CBS: wat is de omvang en wat zijn de kenmerken van de groep huishoudens die jaarlijks in groep lage inkomens stroomt of er juist aan ontsnapt?
9
10
De doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid In dit hoofdstuk wordt de doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid beschreven. Onder de doelgroep verstaan we de particuliere huishoudens in Rotterdam met een inkomen dat niet hoger is dan 110% van het wettelijk sociaal minimum. Deze groep huishoudens wordt beschreven op basis van de meest recente inkomensgegevens uit het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (IIV) van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS)1. Deze worden vergeleken met de jaarlijkse cijfers vanaf 2011, en met die over 2018, zodat de lange- en korte-termijntrends binnen de doelgroep over in beeld worden gebracht. In de navolgende paragrafen komen de volgende onderwerpen aan de orde: -
de inkomensverdeling in de stad;
-
de omvang van de doelgroep van het armoedebeleid en de ontwikkeling daarin; kenmerken van de doelgroep van het armoedebeleid naar: bron van inkomsten; gezinsvorm; sekse van het gezinshoofd; aantal minderjarige kinderen; leeftijd van het gezinshoofd;
-
-
1
migratieachtergrond van de hoofdkostwinner;
De meest recente CBS-cijfers zijn van peildatum 1 januari 2019. Ze betreffen het aantal particuliere huishoudens met het hele jaar inkomen, exclusief studentenhuishoudens. Inwoners van tehuizen en inrichtingen, huishoudens met een onvolledig jaarinkomen en huishoudens van studenten met uitsluitend studiefinanciering als inkomen zijn dus buiten beschouwing gebleven. De inkomens die in de monitor worden beschreven betreffen de inkomens over het gehele jaar. Dat betekent dat
-
opleidingsniveau; buurt en deelgemeente.
In de verschillende paragrafen worden deze kenmerken, voor zover mogelijk, met elkaar in verband gebracht en verder uitgediept. In het hele rapport worden de huishoudens met een inkomen tot 110% WSM ook wel aangeduid als ‘huishoudens met een laag inkomen’. Voordat wordt ingegaan op de doelgroep van het armoedebeleid, wordt in de navolgende paragraaf eerst aandacht besteed aan de inkomensverdeling van alle Rotterdamse huishoudens.
Inkomensverdeling Hoewel de inkomensgrens voor voorzieningen in het kader van het lokale armoedebeleid formeel ligt op 110% WSM, zijn er voorzieningen die ook voor een bredere populatie beschikbaar zijn. In de navolgende figuur staat het huishoudensinkomen van alle Rotterdamse huishoudens, ingedeeld in groepen van percentages ten opzichte van het sociaal minimum. Leesvoorbeeld: in de laatste staaf is te zien dat in 2019 40.300 huishoudens een inkomen hadden tot 100% WSM en 54.800 huishoudens een inkomen hadden tot 110% WSM. De aantallen in de figuur zijn cumulatief.
als op enig peilmoment het aantal huishoudens met een minimuminkomen zou worden gemeten, dit aantal hoger zou zijn door de toevoeging van huishoudens die gedurende het jaar op het minimum terechtkwamen, juist een hoger inkomen zijn gaan verdienen of die om andere redenen maar tijdelijk op het minimum waren geraakt.
11
Figuur 2.1
Inkomen van Rotterdamse huishoudens in relatie tot het wettelijk sociaal minimum 2011-2019 (aantallen x 1.000)
500 450 400 350
201,4
201,6
199,4
198,7
201,8
204,8
208,9
213,1
217,3
76,6
78,4
80,6
79,5
78,3
79,1
78,6
76,8
74,8
66,1
68
70,3
69,6
68,5
69,5
68,8
67,4
65,5
53,8
55,9
58
57,8
57
57,9
57,4
56,2
54,8
36,2
39,8
41,8
41,9
41
41,7
41,4
41,1
40,3
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
Tot 101%
Tot 110%
Tot 120%
Tot 130%
300 250 200 150 100 50 0
Boven 130%
Bron: CBS/bewerking OBI
In de figuur is te zien dat in vergelijking met 2018 het aantal huishoudens met een inkomen tot 130% WSM daalde, terwijl het aantal huishoudens met een inkomen daarboven
aantallen geïndexeerd. Daardoor is te zien dat de groep huishoudens tot 100% op de lange termijn de sterkste stijging laat zien. In de periode 2018-2019 zien we over alle
steeg. In de onderstaande figuur is de ontwikkeling van de
inkomensgroepen een vergelijkbare daling.
Figuur 2.2
Ontwikkeling van het aantal huishoudens met een inkomen tot 130% WSM 2011-2019 (geïndexeerd: 2011=100)
120 115 110 105 100 95 90 85 2011
2012
2013 Tot 100%
12
2014 Tot 110%
2015
2016 Tot 120%
2017 Tot 130%
2018
2019
In de navolgende figuur staan de inkomstenbronnen van alle Rotterdamse huishoudens in zes categorieën. De verdeling wordt vergeleken met de andere G4-gemeenten en heel Nederland. In vergelijking met de G4 heeft Rotterdam het laagste aandeel huishoudens dat een inkomen heeft uit
werk uit loondienst of als zelfstandige. Het aandeel pensioengerechtigden, maar vooral het aandeel bijstandsgerechtigden is in Rotterdam relatief groter dan in de andere steden.
Huishoudens naar bron van inkomen in Rotterdam, de andere G4-steden en in Nederland (%) – 1-1-2019
Figuur 2.3
Rotterdam
53%
9%
Den Haag
52%
12%
Amsterdam
56%
Utrecht
4%
10%
20%
13%
30%
40%
50%
22%
9%
22%
4%
4%
64%
0%
11%
60%
8%
18%
10%
4% 6%
16%
70%
80%
Werknemer
Zelfstandige
Werkloosheidsuitkering
Arbeidsongeschiktheidsuitkering
Sociale voorziening (wo. Bijstand)
Pensioenuitkering
90%
100%
Bron: CBS, bewerking OBI
Het aandeel actieven steeg in de periode 2011-2019 van 60% naar 62%; dit komt uitsluitend door de stijging van het
aandeel zelfstandigen. De daling van het aandeel inactieven zien we vooral bij de bijstandsgerechtigden. In de onderstaande figuur staat dit verbeeld.
Figuur 2.4 Huishoudens naar bron van inkomen in Rotterdam (2011 en 2019)
2019
53%
2011
53%
9%
7%
4%
4%
22%
11%
24%
11%
Werknemer
Zelfstandige
Werkloosheidsuitkering
Arbeidsongeschiktheidsuitkering
Sociale voorziening (wo. Bijstand)
Pensioenuitkering
13
Omvang en ontwikkeling van de doelgroep van het Rotterdamse armoedebeleid In de periode 2018-2019 daalde het aantal huishoudens met een laag inkomen met 1.400; het percentage huishoudens met een laag inkomen daalde daarmee van 19,4% naar 18,8%. Het aantal personen in deze huishoudens
een daling van een twee procentpunt. In de onderstaande tabel staat een overzicht van aantal en percentage lage inkomens vanaf 2014. Tegelijkertijd is de ontwikkeling in de periode 2018-2019 weergegeven.
daalde met 2.700 Daarmee daalde het percentage Rotterdammers met een laag inkomen van 15,7% naar 13,8%;
Tabel 2.1
Particuliere huishoudens en personen met een inkomen tot 110% WSM in Rotterdam 2011-2019 2014
2015
2016
2017
2018
2019
2018-2019
Aantal huishoudens
57.800
57.000
57.900
57.400
56.200
54.800
-1.400
Procent
20,8%
20,4%
20,4%
19,9%
19,4%
18,8%
-0,6
Aantal personen
99.100
95.900
96.800
94.200
91.600
88.900
-2.700
Procent
17,6%
16,9%
16,9%
16,2%
15,7%
13,8%
-1,9
Bron: CBS, bewerking OBI
Het aantal huishoudens dat langdurig (vier jaar of langer) op een laag inkomen is aangewezen, laat in de periode 2018-2019 een lichte stijging zien. Het percentage
aantal personen in deze huishoudens, steeg in de periode 2018-2019 met 200. Het percentage Rotterdammers met een langdurig laag inkomen ligt nu op 9,4%. In
langdurig lage inkomens steeg daarmee van 12,5 naar 12,6%. Het is een trend die zich al sinds 2014 manifesteert: het percentage huishoudens met een laag inkomen steeg van 11,6% in 2014 naar 12,6% in 2019. Het
de groep huishoudens met een langdurig laag inkomen zijn vrouwen, 65-plussers, bijstandsgerechtigden en laagopgeleiden oververtegenwoordigd.
Tabel 2.2
Particuliere huishoudens en personen met vier jaar of langer een inkomen tot 110% WSM in Rotterdam in 2019 (aantallen x 1.000) 2014
2015
2016
2017
2018
2019
20182019
Aantal huishoudens
29.200
29.800
31.100
31.600
32.100
32.600
+ 500
Procent alle huishoudens
11,6%
11,8%
12,2%
12,4%
12,5%
12,6%
+ 0,1
51%
52%
54%
55%
57%
59%
+ 2,0
47.800
48.100
49.500
49.900
49.800
50.000
+ 200
Procent alle personen
9,2%
9,2%
9,5%
8,6%
8,5%
9,4%
+ 0,9
% alle personen met een inkomen tot 110% WSM
48%
50%
51%
53%
54%
56%
+ 2,0
% alle huishoudens met een inkomen tot 110% WSM
Aantal personen
Bron: CBS, bewerking OBI
14
Vergelijken we de ontwikkeling van het aandeel huishoudens met een laag inkomen met de andere G4-steden en Nederland, dan zien we dat Rotterdam van de vier grote steden het hoogste aandeel lage inkomens heeft. Rotterdam en Den Haag aan de ene kant, en Amsterdam en
Figuur 2.5
Utrecht aan de andere kant laten een vergelijkbare ontwikkeling zien, zij het op een ander niveau. In Rotterdam en Den Haag zien we een stijging van het percentage in de periode 2011-2013, waarna het percentage relatief stabiel blijft. In Amsterdam en Utrecht is er in de periode 20112013 stabiliteit, waarna er een lichte daling inzet.
Percentage huishoudens met een inkomen tot 110% WSM in de G4 en Nederland (2011-2019)
25
20
18,8
15
16,9 16,4
10
10,4
11,6
5
0 2011
2012 Nederland
2013
2014 Amsterdam
2015 Den Haag
2016
2017 Utrecht
2018
2019
Rotterdam
Bron: CBS, bewerking OBI
15
Bron van inkomsten In de navolgende tabel staan gegevens over de bron van inkomsten van de Rotterdamse huishoudens met een inkomen tot 110% WSM.2 De groep huishoudens bestaat voor bijna de helft uit bijstandsgerechtigden of ontvangers van een andere sociale voorziening. Nog eens 31% heeft een AOW en/of een pensioen. Het overige deel heeft hoofdza-
Tabel 2.3
kelijk inkomen uit werk (15%) of een werkloosheids-of arbeidsongeschiktheidsuitkering (7%). Onder de langdurig lage inkomens zijn de bijstandsgerechtigden en gepensioneerden nog wat sterker vertegenwoordigd: 82% van de langdurig lage inkomens bestaat uit deze twee categorieën.
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM naar bron van inkomen (Rotterdam, 1-1-2019) Ten minste 1 jaar
4 jaar en langer
Aantal
Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
% doelgroep
Loon
4.400
8%
3%
1.000
3%
1%
Zelfstandige (incl. DGA*)
3.600
7%
14%
700
2%
3%
Werkloosheidsuitkering
500
1%
23%
50
0%
3%
Bijstandsuitkering
22.100
40%
87%
14.000
43%
68%
Uitkering sociale voorziening overig **)
4.100
8%
71%
2.300
7%
45%
Uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid
3.000
6%
27%
1.600
5%
15%
Pensioenuitkering
16.800
31%
26%
12.800
39%
20%
300
1%
28%
100
0%
9%
54.800
100%
19%
32.600
100%
13%
Overig (studiefinanciering/vermogen) ROTTERDAM
*) Een DGA is een directeur-grootaandeelhouder van een BV; deze worden gerekend onder de zelfstandigen
**) Het betreft hier onder meer de uitkering voor oudere werklozen, voor jonggehandicapten en uitkeringen in het kader van het Bijstandsbesluit Zelfstandigen en de Toeslagenwet.
In de navolgende grafiek staat het aandeel lage inkomens op korte en lange duur weergegeven per inkomensbron.
wel voor de hele groep lage inkomens als voor de langdurig lage inkomens. Bij werkenden is het percentage lage in-
Daarin wordt duidelijk dat het percentage lage inkomens onder bijstandsgerechtigden en ontvangers van een andere sociale voorziening veruit het grootst is; dat geldt zo-
komens relatief klein; bij de zelfstandigen zien we wel een relatief groot aandeel kortdurende armoede. Ook bij de AOW- en pensioengerechtigden is het percentage lage inkomens bovengemiddeld.
2
16
De bron van inkomen is gebaseerd op het hoogste inkomen bezien over het hele jaar. (Een huishouden dat bijvoorbeeld
drie maanden werk had, maar de rest van het jaar een bijstandsuitkering, wordt als ‘bijstandsuitkering’ aangemerkt..
Figuur 2.6
Percentage huishoudens met een (langdurig) laag inkomen per inkomensbron (Rotterdam, 1-1-2019)
Loon
3% 1%
Zelfstandige
3%
Werkloosheidsuitkering
3%
14%
23%
Bijstandsuitkering
68%
Uitkering sociale voorziening overig
45%
Uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid
Overig (studiefinanciering/vermogen)
Alle huishoudens
20%
26%
28%
9%
13%
71%
27%
15%
Pensioenuitkering
87%
19%
Tenminste 1 jaar
4 jaar en langer
Bron: CBS, bewerking OBI
Ontwikkeling 2018-2019 In de grafiek op de volgende pagina staat de ontwikkeling van het aandeel lage inkomens naar bron van inkomen in de periode 2018-2019. Meest opvallend is de stijging van
het aandeel zelfstandigen dat op een laag inkomen is aangewezen. Ook het aandeel met een werkloosheids- of bijstandsuitkering steeg.
17
Figuur 2.7
Ontwikkeling van het aandeel huishoudens met een laag inkomen naar bron van inkomen in procentpunt (2018-2019)
100% 90% 87%
80% 70%
71%
60% 50% 40% 30% 20% 10%
27%
23% 3%
26%
28% 19%
14%
0%
2018
2019
Ontwikkeling op de lange termijn (2011-2019) Het aandeel lage inkomens onder werknemers nam in de afgelopen jaren relatief sterk af: in 2011 had nog 4,3% van de werkenden in loondienst een laag inkomen, tegen 2,8% in 2019. In vergelijking met 2018 bleef dit aandeel onveranderd. Dat van de zelfstandigen daalde vanaf 2011 eveneens, maar stijgt van 12,3% in 2018 naar 13,9% in 2019. Het aandeel lage inkomens onder de ouderen steeg op de lange termijn nog het meest: van 23,4% in 2011 naar 26% in 2019. Op de lange termijn daalde het aandeel lage inkomens onder de actieven en de inactieven met een uitkering
18
op basis van een werknemersverzekering, en steeg het bij de bijstandsgerechtigden en ouderen. Op de kortere termijn is er wel weer een stijging van het aandeel lage inkomens onder ontvangers van een werkloosheidsuitkering en zelfstandigen te zien. Dit is weergegeven in de navolgende figuur. Omdat het hoge percentage bijstandsgerechtigden het zicht op de ontwikkeling bij de andere inkomensbronnen ontneemt, staan in de rechter figuur de gegevens van de overige inkomensbronnen nogmaals, maar nu zonder die van de bijstandsuitkeringen.
Figuur 2.8
Ontwikkeling van het percentage huishoudens met een laag inkomen naar bron van inkomen, Rotterdam 2011-2019 (linker figuur met bijstandsuitkering, rechter figuur zonder bijstandsuitkering)
100%
35%
80%
30% 25%
60%
20% 40%
15%
20%
10%
0%
5% 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
0% 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
Werknemer Zelfstandige
Werknemer
Werkloosheidsuitkering
Zelfstandige
Arbeidsongeschiktheidsuitkering
Werkloosheidsuitkering
Pensioenuitkering
Arbeidsongeschiktheidsuitkering
Sociale voorziening (bijstand)
Pensioenuitkering
In vergelijking met de andere grote steden en Nederland is
kleinst, terwijl het aandeel bijstandsgerechtigden het
het aandeel werkenden in de populatie lage inkomens het
hoogst ligt. Dat is te zien in de onderstaande figuur.
Figuur 2.9
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM naar bron van inkomen in de G4 en Nederland, in procenten, 2019
Rotterdam
8%
Amsterdam
9%
13%
Den Haag
9%
10%
Utrecht
13%
Nederland
9%
7%
6%
31%
7%
8%
10%
8%
48%
30%
28%
9%
8%
25%
33%
40%
45%
43%
41%
Werknemer
Zelfstandige
Werkloosheidsuitkering
Arbeidsongeschiktheidsuitkering
Pensioenuitkering
Sociale voorziening (bijstand)
19
Het aandeel lage inkomens onder de verschillende inkomensbronnen is in de grote steden ook verschillend verdeeld. Het aandeel in Rotterdam is het hoogst, maar de werkenden in Amsterdam, en dan met name de zelfstandigen, behoren relatief vaker tot de lage inkomens. Ditzelfde geldt voor de gepensioneerden. Kort gezegd is in Rotter-
‘werkende armen’ presenteren we hier ook gegevens over werkende personen met een inkomen tot 110% WSM. In de navolgende tabel is in de laatste kolom te zien dat in 2019 8.700 werknemers en 6.900 zelfstandigen een inkomen hadden tot 110% WSM. Dat is afgerond 4% van alle personen in een particulier huishouden. Het aandeel lage
dam de ‘werkende armoede’ relatief kleiner, terwijl de ‘uitkeringsarmoede’ groter is.
inkomens onder werknemers bleef in vergelijking met 2018 gelijk, terwijl dat van de zelfstandigen licht steeg. Het aandeel lage inkomens is onder zelfstandigen ruim vier keer zo groot als onder werkenden in loondienst. De langjarige trend laat zien dat het aantal werknemers met een laag inkomen sinds 2013 relatief sterk daalde, terwijl het aantal zelfstandigen met een laag inkomen na een daling vanaf 2013 in 2019 weer licht steeg.
Werkende armen In de voorgaande paragraaf werden de inkomens op huishoudensniveau bekeken. Om wat dieper in te gaan op de
Tabel 2.4
Werkende personen met een inkomen tot 110% WSM in Rotterdam, 2011-2019 2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
Inkomen als werknemer
Aantal x 1 000
12,5
12,9
11,8
11,3
9,5
9,1
8,5
8,5
8,7
Inkomen als zelfstandige
Aantal x 1 000
6,9
7,7
7,8
7,2
6,9
6,3
6,3
5,7
6,9
Totaal: inkomen als werkende
Aantal x 1 000
19,3
20,6
19,6
18,5
16,4
15,4
14,8
14,1
15,6
Inkomen als werknemer
% alle personen
3,8
3,9
3,7
3,6
2,9
2,8
2,5
2,5
2,5
Inkomen als zelfstandige
% alle personen
15,2
16,6
16,7
14,9
13,7
12
11,4
9,6
11,0
Totaal: inkomen als werkende
% alle personen
5,2
5,5
5,3
5
4,4
4,1
3,8
3,5
3,8
Bron: CBS, bewerking OBI
In de onderstaande figuur is de langjarige trend te zien van het percentage werknemers en zelfstandigen met een laag inkomen. Daaruit wordt duidelijk dat het percentage lage inkomens onder zelfstandigen, na een piek in 2012, in de periode 2012-2018 sterk daalde. In de periode 2018-2019 is voor het eerst een stijging te zien. Het percentage onder
Figuur 2.10
werknemers was in de periode 2011-2014 redelijk stabiel, om na 2014 te gaan dalen. Ook in de periode 2018-2019 bleef het aandeel stabiel.
Percentage werkenden met een inkomen tot 110% WSM in Rotterdam, 2011-2019
18% 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% 2011
2012
2013
2014
% werknemers met laag inkomen % werkenden met laag inkomen
20
2015
2016
2017
2018
% zelfstandigen met laag inkomen
2019
Huishoudenstype Bij ruim tweederde van de huishoudens met een laag inkomen gaat het om alleenstaanden zonder kinderen. Nog eens 15% is alleenstaand met kinderen. Onder alleenstaanden en eenoudergezinnen zien we de hoogste perTabel 2.5
centages lage inkomens. Alleenstaanden en eenoudergezinnen hebben ook veruit het vaakst een langdurig laag inkomen. In de onderstaande tabel staat een volledig overzicht per huishoudenstype.
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM: huishoudenstype (Rotterdam, 1-1-2019) Ten minste 1 jaar
4 jaar en langer
Aantal
Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
% doelgroep
Alleenstaand < 65 jr
24.400
45%
26%
13.200
41%
18%
Alleenstaand 65+
12.200
22%
33%
9.800
30%
27%
Paar zonder kinderen < 65 jr
2.300
4%
5%
1.000
3%
3%
Paar zonder kinderen 65+
3.400
6%
16%
2.400
7%
11%
Eenoudergezin alleen minderjarige kinderen
6.400
12%
39%
3.600
11%
26%
Eenoudergezin overig
1.700
3%
12%
700
2%
5%
Paar alleen minderjarige kinderen
3.100
6%
8%
1.300
4%
4%
Paar overig
1.100
2%
5%
400
1%
2%
300
1%
8%
100
0%
3%
54.800
100%
19%
32.600
100%
13%
Overige meerpersoonshuishoudens ROTTERDAM Bron: CBS, bewerking OBI
Het percentage lage inkomens onder eenoudergezinnen met alleen minderjarige kinderen is veruit het hoogst: 39%
uitsluitend minderjarige kinderen en alleenstaande 65-plussers zien we het hoogste percentage langdurig lage inko-
van hen heeft een laag inkomen, ruim een kwart een langdurig laag inkomen. Deze percentages liggen bij de paren met uitsluitend minderjarige kinderen aanmerkelijk lager, op respectievelijk 8% en 4%. Bij eenoudergezinnen met
mens. In de onderstaande figuur staat het aandeel huishoudens met een (langdurig) laag inkomen weergegeven per huishoudenstype.
Figuur 2.11
Percentage huishoudens met een laag inkomen en een langdurig laag inkomen per huishoudenstype (Rotterdam, 1-1-2019)
50% 40% 39%
30% 20% 10%
33% 26%
27%
26%
18% 5%
0%
16% 11% 3%
Minstens 1 jaar
19% 12% 5%
8%
5% 4%
2%
13%
8% 3%
4 jaar of langer
21
Ontwikkeling 2018-2019 Bij de meeste huishoudenstypen bleef het aandeel lage inkomens gelijk, of daalde het licht. Bij de huishoudens met uitsluitend minderjarige kinderen is een daling te zien. Bij
Figuur 2.12
de 65-paren zien we juist een lichte stijging van het percentage langdurig lage inkomens.
Ontwikkeling van het aandeel huishoudens met een laag inkomen per huishoudenstype (2018-2019)
45% 40% 39%
35% 30% 25%
33% 26%
20% 19%
15%
16%
10% 5%
12% 8%
5%
5%
8%
0%
2018
2019
Bron: CBS, bewerking OBI
Ontwikkelingen op de lange termijn (2011-2019)
22
Als we het percentage lage inkomens van de verschillende gezinstypen over de langere termijn bekijken, zien we dat dit voor de eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen nog steeds op het hoogste niveau ligt, maar dat dit wel relatief sterk is gedaald: van 48% in 2011 naar 39% in 2019. Ook bij de anders samengestelde eenoudergezin-
de alleenstaanden zonder kinderen was in die periode juist sprake van een stijging. Het relatief lage percentage lage inkomens onder de tweeoudergezinnen zien we sinds 2015 nog eens dalen. Het percentage lage inkomens onder 65-plussers laat juist een stijging zien. In de navolgende grafiek staat de langjarige ontwikkeling weergege-
nen is de daling vanaf 2014 opvallend, en ligt het percentage lage inkomens inmiddels beneden het gemiddelde. Bij
ven.
Figuur 2.13
Ontwikkeling van het percentage huishoudens met een laag inkomen per huishoudenstype Rotterdam 2011-2019
60%
50%
Eenoudergezin alleen minderjarige kinderen
40% Alleenstaand 65+
30% Alleenstaand < 65 jr
Eenoudergezin overig
20% Paar zonder kinderen 65+
10% Paar met uitsluitend minderjarige kinderen Paar zonder kinderen < 65 jr
0% 2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
Bron: CBS, bewerking OBI
Minderjarige kinderen 18% van de kinderen in Rotterdam maakt deel uit van een huishouden met een laag inkomen. Het gaat dan in totaal om 20.100 kinderen. Ruim 60% van deze kinderen maakt deel uit van een eenoudergezin. We zagen al in de voorgaande paragraaf dat het armoederisico voor kinderen in een eenoudergezin veruit het hoogst is: van hen leeft 39%
dat zij langdurig in een huishouden met een dergelijk inkomen leven. Kinderen in een tweeoudergezin wonen veel minder vaak in een huishouden met een laag inkomen: 10% van hen leeft in een gezin met een laag inkomen, en 4% leeft in een dergelijk gezin dat al vier jaar of langer een laag inkomen heeft. In de onderstaande tabel staat een
in een huishouden met een laag inkomen. Voor ruim een vijfde (22%) van de kinderen in dit huishoudenstype geldt
overzicht van de cijfers: hierin is onderscheid gemaakt naar leeftijd van de kinderen.
23
Tabel 2.6
Minderjarige kinderen in een huishouden met een inkomen tot 110% WSM, per huishoudenstype (Rotterdam, 1-1-2019) Een ouder
Twee ouders
Totaal
0 t/m 3 jaar
2.500
2.000
4.500
4 t/m 11 jaar
6.100
3.700
9.800
12 t/m 17 jaar
3.800
2.100
5.800
Totaal minderjarige kinderen
12.300
7.800
20.100
Procent huishoudenstype
61%
39%
100%
Procent alle minderjarige kinderen
39%
10%
18%
Bron: CBS, bewerking OBI
Ontwikkeling 2018-2019 In de periode 2018-2019 daalde het aantal minderjarige kinderen in huishoudens met een laag inkomen van 20.800 naar 20.100; een daling van 3,4%. Het betekent dat het percentage Rotterdamse minderjarige kinderen in een
Figuur 2.14
huishouden met een laag inkomen daalde van 18,4% naar 17,7%. De daling komt uitsluitend op het conto van de kinderen in een eenoudergezin; het aandeel van kinderen in een tweeoudergezin bleef stabiel op 10%.
Ontwikkeling van het percentage minderjarige kinderen in eenouder- en tweeoudergezinnen met een laag inkomen (2018-2019)
45% 40% 35%
39%
30% 25% 20% 15%
18%
10% 10%
5% 0% Minderjarige kinderen in een eenoudergezin
Minderjarige kinderen in een tweeoudergezin 2018
Alle huishoudens met minderjarige kinderen 2019
Bron: CBS, bewerking OBI
Ontwikkeling op de lange termijn
24
Zoals we ook al in de voorgaande paragraaf zagen, is er op de langere termijn een daling van het percentage kinderen in eenoudergezinnen met een laag inkomen: van
tweeoudergezinnen is sprake van een daling percentage, maar minder sterk: van 12% naar 10% in dezelfde periode. In de onderstaande figuur staat de ontwikkeling weergege-
48% in 2011 naar 39% in 2019. Ook bij de kinderen in
ven.
Figuur 2.15
Percentage minderjarige kinderen in een huishouden met een inkomen tot 110% WSM, per huishoudenstype, Rotterdam 2011-2019
60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 2011
2012
2013
2014
Kinderen in een eenoudergezin
2015
2016
2017
2018
2019
Kinderen in een tweeoudegezin
Bron: CBS, bewerking OBI
Tenslotte staat in de onderstaande tabel een overzicht van het aantal en percentage kinderen in een huishouden met een laag inkomen per gebied. De tabel is gesorteerd naar
Tabel 2.7
het percentage kinderen in een huishouden met een laag inkomen in het betreffende gebied.
Aantal en percentage minderjarige kinderen in een huishouden met een inkomen tot 110% WSM, per gebied, Rotterdam, 1-1-2019 Aantal
% minderjarige kinderen in een gezin met een laag inkomen
Feijenoord
3.800
26,1%
Delfshaven
3.100
22,7%
Charlois
2.800
22,1%
IJsselmonde
2.400
20,7%
Kralingen-Crooswijk
1.600
20,1%
Noord
1.400
18,4%
Rotterdam Centrum
600
18,2%
Rozenburg
300
12,9%
Hoogvliet
700
12,0%
Prins Alexander
1.900
10,8%
Overschie
400
10,0%
Hillegersberg-Schiebroek
900
9,6%
Hoek van Holland
200
8,3%
Pernis
100
7,2%
20.100
17,7%
Totaal Rotterdam Bron: CBS, bewerking OBI
25
In de onderstaande tabel staat het aandeel minderjarige kinderen in een huishouden met een laag inkomen naar herkomstland, van de landen waarvan minimaal 2% behoort tot de lage inkomens. Van de minderjarige kinderen in een huishouden met minstens een jaar een laag inkomen is rond een kwart van Nederlandse origine. Rond een
een tiende een Turkse achtergrond. Kinderen met een Marokkaanse of Antilliaanse achtergrond behoren rond vier keer vaak tot een langdurig arm huishouden dan kinderen met een Nederlandse achtergrond. Bij de langdurig arme huishoudens valt het hoge aandeel kinderen met een vluchtelingenachtergrond op.
vijfde heeft een Marokkaanse achtergrond, en nog eens
Tabel 2.8
Minderjarige kinderen in een huishouden met een inkomen tot 110% WSM, naar migratieachtergrond (Rotterdam, 1-1-2019) Ten minste 1 jaar
4 jaar en langer
Aantal
Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
Nederland
5.000
24,6
10,0%
2.500
23,5
5,3%
Marokko
4.200
20,9
31,0%
2.500
23,9
19,8%
ov niet-westers
2.900
14,4
24,6%
1.500
14,5
15,3%
Turkije
1.800
9,1
19,3%
1.000
9
10,8%
Antillen/Aruba
1.700
8,3
30,7%
900
8,5
20,7%
EU-MOE-landers
1.300
6,4
14,9%
500
5
7,3%
Suriname
1.100
5,6
15,3%
600
6
9,4%
Syrië
900
4,3
73,7%
200
1,8
49,3%
Somalië
500
2,6
58,2%
400
3,8
49,8%
Kaapverdië
400
1,8
16,1%
200
1,9
9,9%
Overig westers
400
2,1
11,2%
200
2
6,3%
20.100
100
17,7%
10.600
100
10,2%
Totaal
% doelgroep
Bron: CBS, bewerking OBI
Het percentage lage inkomens is vooral hoog onder kinderen uit vluchtelingenlanden als Syrië, Somalië, Sierra Leone, Guinee en Congo. Rond de helft van de kinderen uit
deze herkomstlanden leeft in een huishouden met een laag inkomen.
Sekse Ruim de helft (55%) van de gezinshoofden van de doelgroep van het armoedebeleid is vrouw. Bij de langdurig armen is het aandeel vrouwen nog hoger: bij 59% van de
Tabel 2.9
huishoudens met vier jaar of langer een laag inkomen staat een vrouw aan het hoofd.
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM: huishoudenstype (Rotterdam, 1-1-2019) Ten minste 1 jaar Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
% doelgroep
Man
25.100
45%
16%
13.000
41%
9%
Vrouw
31.100
55%
27%
19.000
59%
18%
Totaal
56.200
100%
20%
32.100
100%
12%
Bron: CBS, bewerking OBI
26
4 jaar en langer
Aantal
Uit de figuur hierna wordt duidelijk dat huishoudens met een vrouw aan het hoofd bijna twee keer zo vaak tot de lage inkomens behoren dan huishoudens met een man als
Figuur 2.16
gezinshoofd. Van alle Rotterdamse vrouwen met een zelfstandig huishouden heeft 25% een laag inkomen, tegen 15% van de mannen.
Percentage huishoudens met een laag inkomen en een langdurig laag inkomen naar sekse (Rotterdam, 1-12019)
30%
25% 25% 20% 19%
18%
15% 15%
13%
10% 9% 5%
0% Man
Vrouw Minstens 1 jaar
Alle huishoudens 4 jaar en langer
Bron: CBS, bewerking OBI
Op de korte termijn daalde het aandeel lage inkomens bij beide seksen licht. Op de lange termijn laat het aandeel bij vrouwen vanaf 2014 een lichte daling zien, terwijl dit van
Figuur 2.17
de mannen stabiel blijft. Deze ontwikkeling is te zien in de onderstaande figuur.
Ontwikkeling van het percentage huishoudens met een inkomen tot 110% WSM, naar sekse van de hoofdkostwinner, Rotterdam 2011-2019
30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% 2011
2012
2013
2014 Mannen
2015
2016
2017
2018
2019
Vrouwen
Bron: CBS, bewerking OBI
27
Leeftijd Dat leeftijd een belangrijke rol speelt bij het risico op lang-
leeftijdscategorie: meer dan driekwart van de hoofdkost-
durige armoede zien we in de onderstaande tabel: het percentage huishoudens met een laag inkomen loopt op per
winners in de huishoudens met een langdurig laag inkomen is 45 jaar of ouder.
Tabel 2.10
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM naar leeftijd (Rotterdam, 1-1-2019) Ten minste 1 jaar Aantal
4 jaar en langer
Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
% doelgroep 2%
tot 25 jaar
1.500
3%
16%
100
0%
25 tot 45 jaar
16.100
29%
15%
6.900
21%
8%
45 tot 65 jaar
20.200
37%
19%
12.500
38%
13%
65 jaar of ouder
17.100
31%
25%
13.100
40%
20%
Totaal
54.800
100%
19%
32.600
100%
13%
Bron: CBS, bewerking OBI
In de onderstaande figuur staat het aandeel lage inkomens
verschillende leeftijdsklassen verdeeld; alleen de 65-plus-
per leeftijdsklasse. Bij de jongeren tot 25 jaar zien we dat
sers hebben duidelijk vaker een laag inkomen dan de 65-
het percentage langdurig lage inkomens relatief klein is.
minners.
Het aandeel lage inkomens is redelijk gelijkmatig over de
Figuur 2.18
Percentage huishoudens met een laag inkomen en een langdurig laag inkomen naar leeftijdsklasse (Rotterdam 2019)
30%
25% 25% 20% 20%
19% 15%
19%
16% 15% 13%
10%
13%
8%
5% 2% 0% tot 25 jaar
Bron: CBS, bewerking OBI
28
25 tot 45 jaar
45 tot 65 jaar
65 jaar of ouder
Minstens 1 jaar
4 jaar of langer
Alle huishoudens
Het aandeel lage inkomens onder hoofdkostwinners tot 45 jaar laat op de langere termijn een daling zien; tussen 2017 en 2019 verscherpte die daling nog eens. Ook de daling bij de hoofdkostwinners tussen 45 en 65 jaar zet door. Bij de Figuur 2.19
65-plussers bleef het percentage lage inkomens ten opzichte van 2018 gelijk. De trend staat weergegeven in de onderstaande figuur.
Percentage huishoudens met een inkomen tot 110% WSM naar leeftijd van de hoofdkostwinner (Rotterdam 2011-2019)
30
25
20
15
10 2011
2012
2013
2014
tot 25 jaar
2015
25 tot 45 jaar
2016 45 tot 65 jaar
2017
2018
2019
65 jaar of ouder
Bron: CBS, bewerking OBI
Zoomen we in op de 65-plussers, dan zien we dat het percentage lage inkomens onder ouderen met een
op 13% ligt. Ook het risico op langdurige armoede ligt voor de ouderen van buitenlandse origine aanmerkelijk hoger;
migratieachtergrond vele malen hoger is dan dat van de ouderen van Nederlandse origine. Bij Turkse, Marokkaanse en Antilliaanse ouderen ligt het aandeel lage inkomens rond 60%, terwijl dit bij de Nederlandse ouderen
vooral het risico bij Turkse en Marokkaanse ouderen ligt hoog. De gegevens zijn bijeengebracht in de onderstaande tabel en figuur.
Tabel 2.11
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM, hoofdkostwinner 65+ naar migratieachtergrond (Rotterdam, 1-1-2019) Ten minste 1 jaar 4 jaar en langer Aantal
Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
% doelgroep
8.000
46,9
16%
6.000
46,1
13%
700
3,9
65%
500
3,8
52%
Suriname
2.100
12,5
51%
1.700
13,1
42%
Kaapverdië
700
4
55%
500
4,1
43%
Turkije
1.300
7,6
68%
1.000
7,9
55%
Marokko
1.100
6,7
63%
800
6,4
48%
Overig westers
600
3,4
43%
500
3,6
36%
EU-MOE-landers
900
5,3
23%
700
5,4
19%
Overig niet-westers
1.600
9,6
46%
1.300
9,6
37%
Rotterdam
17.100
100
25%
13.100
100
20%
Nederland Antillen/Aruba
Bron: CBS, bewerking OBI
29
Figuur 2.20
Percentage huishoudens met een laag inkomen en een langdurig laag inkomen van 65-plussers naar migratieachtergrond (Rotterdam, 1-1-2019)
80% 70% 68%
65%
60% 50%
52%
63% 55%
55%
51% 48%
40%
46%
43%
42%
43% 36%
30% 20%
25%
23% 19%
16% 13%
10%
37%
20%
0%
Minstens 1 jaar
4 jaar of langer
Bron: CBS, bewerking OBI
Migratieachtergrond In de voorgaande paragrafen kwam al aan de orde dat in
het hoogst bij de Rotterdammers van Marokkaanse en An-
de groep lage inkomens Rotterdammers met een migratieachtergrond zijn oververtegenwoordigd. De groep inkomens tot 110% WSM bestaat voor ruim 60% uit Rotterdammers met een migratieachtergrond. De grootste herkomstgroepen zijn traditioneel de Rotterdammers met een Surinaamse, Marokkaanse, Turkse of overige niet-westerse achtergrond. Het aandeel lage inkomens ligt veruit
tilliaanse origine: van hen heeft respectievelijk 40% en 35% een laag inkomen, terwijl dit bij de Rotterdammers met een Nederlandse achtergrond op 13% ligt. De kans op langdurige armoede ligt bij de Marokkaanse groep ruim drie keer zo hoog als bij de Nederlandse groep. In de navolgende tabel en figuur staan de betreffende cijfers weergegeven.
Tabel 2.12
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM naar migratieachtergrond (Rotterdam, 1-1-2019) Ten minste 1 jaar Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
% doelgroep
Nederland
19.300
35%
12%
12.100
37%
8%
Antillen/Aruba
3.400
6%
31%
1.800
6%
22%
Suriname
6.700
12%
26%
4.200
13%
18%
Kaapverdië
1.700
3%
23%
1.100
3%
16%
Turkije
4.800
9%
28%
2.800
9%
18%
Marokko
5.500
10%
37%
3.300
10%
25%
EU-MOE-landen
3.300
6%
15%
1.600
5%
10%
400
1%
53%
300
1%
42%
Somalië Syrië
800
1%
66%
200
1%
45%
Overig westers
1.800
3%
19%
1.100
3%
15%
Overig niet-westers
7.100
13%
27%
4.100
13%
Totaal
54.800
100%
19%
32.600
100%
Bron: CBS, bewerking OBI
30
4 jaar en langer
Aantal
13%
Figuur 2.21
Percentage huishoudens met een laag inkomen en een langdurig laag inkomen naar herkomst (Rotterdam, 1-1-2019)
70% 66%
60% 50%
53%
40%
45% 42% 37%
30%
31% 26%
20% 10%
22% 18%
28%
16%
27%
25%
23%
19% 15%
18% 15%
12% 8%
19%
19% 13%
10%
0%
Minstens 1 jaar
4 jaar of langer
Bron: CBS, bewerking OBI
In vergelijking met 2018 zien we ongeacht de herkomst een daling van het aandeel lage inkomens. De scherpste
onderstaande figuur. In de periode 2011-2019 zien we de grootste afname van het aandeel lage inkomens bij cate-
daling zien we bij de categorie ‘overig niet-westers’. De ontwikkeling op de lange termijn staat weergegeven in de
gorie ‘overig niet-westers’, overig westers en onder EUMOE-landers.
Figuur 2.22
Percentage huishoudens met een inkomen tot 110% WSM naar migratieachtergrond van de hoofdkostwinner, Rotterdam 2011-2019
45%
40%
Marokko
35%
Antillen/Aruba 30%
Overig niet-westers Turkije
25%
Suriname Kaapverdië
20%
EU-MOE-landers Overig westers
15%
Nederland
10% 2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
Bron: CBS, bewerking OBI
31
Opleidingsniveau3 Rond 40% van de huishoudens met een laag inkomen heeft een hoofdkostwinner die niet meer dan basisonderwijs heeft gehad. Nog eens de 40% heeft niet meer dan Mbo 3. Tabel 2.13
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM naar opleidingsniveau (Rotterdam, 1-1-2019) Tenminste 1 jaar
4 jaar of langer
Aantal
Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
% doelgroep
Basisonderwijs
20.800
39%
45%
14.600
45%
35%
Vmbo-b/k, mbo1
9.700
18%
29%
5.900
18%
19%
Vmbo-g/t, avo onderbouw
3.100
6%
21%
1.900
6%
14%
Mbo 2 en Mbo 3
8.600
16%
17%
4.800
15%
11%
Mbo 4
3.800
7%
11%
1.900
6%
6%
Havo, vwo
2.700
5%
15%
1.300
4%
8%
Hbo-, wo-bachelor
3.400
6%
7%
1.500
5%
3%
Hbo-, wo-master, doctor
1.700
3%
4%
600
2%
2%
ROTTERDAM
53.800
100%
19%
32.500
100%
13%
Wie alleen basisonderwijs heeft afgesloten, loopt veruit de grootste kans op en laag inkomen: 45%. Ruim een derde van de kostwinners met alleen basisonderwijs heeft een
Figuur 2.23
50% 45% 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0%
langdurig laag inkomen. Rond een kwart van de Rotterdammers met een VMBO-diploma heeft een laag inkomen.
Percentage huishoudens met een laag inkomen en een langdurig laag inkomen naar opleidingsniveau (Rotterdam, 1-1-2019)
45%
35% 29%
19%
21%
19%
17%
15%
14% 11%
13%
11% 6%
Tenminste 1 jaar
8%
7% 3%
4% 2%
4 jaar of langer
Bron: CBS, bewerking OBI
3
32
Gegevens over opleidingsniveau zijn niet van alle huishoudens voorhanden. Door weging kan de verdeling over de hele populatie worden benaderd. De randtotalen wijken hierdoor af van de totalen in de andere paragrafen.
Bekijken we de langjarige trend, dan zien we dat het aan-
hoog, terwijl het risico voor Vmbo-g/t vanaf 2017 daalde.
deel lage inkomens onder hoofdkostwinners met alleen ba-
Bij gediplomeerden Mbo 2 tot en met 3 bleef het aandeel
sisonderwijs tot 2016 relatief sterk steeg. In de periode
redelijk stabiel, terwijl het voor gediplomeerden MBO 4,
daarna is er sprake van een lichte daling. Het aandeel
HAVO/VWO, HBO en academisch onderwijs juist daalde.
hoofdkostwinners met alleen Vmbo of Mbo 1 blijft relatief
Figuur 2.24
Percentage huishoudens met een inkomen tot 110% WSM naar het opleidingsniveau van de hoofdkostwinner (Rotterdam 2011-2019)
50% 45% Basisonderwijs 40% 35% 30%
Vmbo-b/k, mbo1
25%
Vmbo-g/t, avo onderbouw
20%
Mbo2 en mbo3
15%
Havo, vwo Mbo4
10%
Hbo-, wo-bachelor 5% Hbo-, wo-master, doctor 0% 2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
Bron: CBS, bewerking OBI
Gebied en buurt Het hoogste percentage lage inkomens vinden we in Feij-
huishoudens met een laag inkomen. Het percentage lage
enoord, Delfshaven, Kralingen-Crooswijk en Charlois. In
inkomens is veruit het grootst in Feijenoord: 27%.
deze gebieden woont bijna de helft van alle Rotterdamse
33
Tabel 2.14
Huishoudens met een inkomen tot 110% WSM per gebied (Rotterdam, 1-1-2019) Minstens 1 jaar
4 jaar of langer
Aantal
Procent
% doelgroep
Aantal
Procent
% doelgroep
Stadscentrum
2.600
5%
15%
1.500
5%
11%
Delfshaven
8.200
15%
24%
4.800
15%
17%
Overschie
1.300
2%
16%
800
2%
10%
Noord
4.700
9%
18%
2.800
9%
13%
Hillegersberg-Schiebroek
2.600
5%
13%
1.500
5%
8%
Kralingen-Crooswijk
4.900
9%
21%
3.100
9%
15%
Feijenoord
8.900
16%
27%
5.600
17%
19%
IJsselmonde
5.000
9%
18%
2.900
9%
12%
100
0%
6%
100
0%
3%
Prins Alexander
6.800
12%
15%
4.200
13%
10%
Charlois
6.700
12%
21%
3.600
11%
14%
Hoogvliet
2.100
4%
13%
1.200
4%
8%
Hoek van Holland
400
1%
9%
300
1%
6%
Rozenburg
500
1%
9%
300
1%
5%
54.800
100%
19%
32.600
100%
13%
Pernis
Total
In de volgende figuur staat het percentage huishoudens met een (langdurig) inkomen tot 110% WSM per gebied.
Figuur 2.25
Percentage huishoudens met een laag inkomen en een langdurig laag inkomen per gebied (Rotterdam, 1-1-2019)
30% 25%
27% 24%
20%
21%
15%
17% 15%
10%
18% 16%
5%
19%
18%
15% 13%
11%
21% 19%
13%
15% 12%
10%
8% 6%
0%
Tenminste 1 jaar
34
13%
10% 8% 3%
Bron: CBS, bewerking OBI
14%
4 jaar of langer
13% 9% 6%
9% 5%
In vergelijking met 2018 is er in alle gebieden, behalve Overschie, Hillegersberg-Schiebroek, Pernis, Hoogvliet, Hoek van Holland en Rozenburg een afname van het per-
Figuur 2.26
centage huishoudens met een laag inkomen. De verschillen zijn echter klein. In de onderstaande figuur staat de ontwikkeling per gebied over de jaren 2015-2019, uitgedrukt in procentpunten.
Ontwikkeling va het percentage huishoudens met een laag inkomen per gebied (Rotterdam 2015-2019)
35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0%
2015
Kijken we naar de langjarige ontwikkeling, dan is het percentage lage inkomens licht toegenomen in Prins Alexander, Hoogvliet en Hillegersberg-Schiebroek. In Pernis, Delfshaven, Noord, Kralingen-Crooswijk, Stadscentrum, Feijenoord en Charlois zien we een meer dan gemiddelde
Figuur 2.27
2017
2019
afname van het percentage. In de navolgende grafieken is de ontwikkeling weergegeven van de percentuele ontwikkeling van de huishoudens met een inkomen tot 110% WSM per gebied en per buurt voor de periode 2015-2019.
Ontwikkeling van het percentage huishoudens met een inkomen tot 110% WSM per gebied in procentpunten (Rotterdam, 2015-2019)
Rotterdam Hillegersberg-Schiebroek Hoogvliet Prins Alexander Pernis Delfshaven Kralingen-Crooswijk Stadscentrum Feijenoord Noord Charlois Overschie IJsselmonde Rozenburg Hoek van Holland -4
-3,5
-3
-2,5
-2
-1,5
-1
-0,5
0
0,5
Bron: CBS, bewerking O
35
Figuur 2.28
36
Ontwikkeling van het percentage huishoudens met een inkomen tot 110% WSM per buurt in procent-punten (Rotterdam, 2015-2019)
Problematische schulden Onlangs publiceerde het CBS voor het eerst gegevens over het aantal huishoudens met problematische schulden per gemeente4. De meest recente cijfers betreffen het jaar
sprake van problematisch schulden. Dat is 16% van alle huishoudens in Rotterdam. In de onderstaande grafiek staat een overzicht van de ontwikkeling vanaf 2015.
2018. In dat jaar was er bij ruim 50.800 huishoudens
Figuur 2.29
Aantal huishoudens met geregistreerde problematische schulden in Rotterdam
60.000 50.000
50.830
51.910
2015
2016
48.380
50.840
40.000 30.000 20.000 10.000 0 2017
2018
Bron: CBS
Kenmerken van de huishoudens met een problematische schuld In de volgende grafieken worden de kenmerken van de huishoudens met problematische schulden afgezet tegen de huishoudens zonder schulden. Uit de grafieken komt naar voren dat kostwinners van huishoudens met een problematische schuld vaker:
4
Volgens CBS is er is sprake van een huishouden met geregistreerde problematische schulden als tenminste één persoon in het huishouden voldoet aan ten minste één van de volgende criteria op 1 januari van het betreffende verslagjaar: • Volgt een WSNP‐traject; • Volgt een bij BKR geregistreerd minnelijk traject; • Heeft een bij BKR geregistreerde betalingsachterstand; • Is in het Centraal Curatele en Bewindregister (CCBR) opgenomen op grond van verkwisting en/of problematische schulden; • Heeft ten minste zes maanden de zorgpremie niet betaald;
- een niet-westerse migratieachtergrond hebben; - tussen de 25 en 45 jaar zijn; - lager of middelbaar opgeleid zijn; - een bijstandsuitkering hebben; - alleenstaand ouder zijn.
•
•
•
•
Heeft een betalingsachterstand van een Wet Mulder‐ boete (boete voor lichte verkeersovertreding) bij het CJIB heeft waarvan de tweede aanmaning ten minste twee maanden openstaat, of zich al in een ernstigere wanbetalersfase bevindt. Daarnaast moet het openstaande bedrag in totaal minimaal 50 euro zijn Heeft langer dan 27 maanden een toeslagschuld van totaal minimaal 50 euro openstaan bij de Belastingdienst; Heeft langer dan 15 maanden een schuld van totaal minimaal 50 euro voor overige belastingaanslagen openstaan bij de Belastingdienst; Heeft een belastingschuld bij de Belastingdienst die in de 12 maanden voor het peilmoment oninbaar is geleden; Heeft een betalingsachterstand bij de DUO van 3 maanden of langer en van minimaal 270 euro.
37
Figuur 2.30
Figuur 2.31
Problematische schulden naar migratieachtergrond
Problematische schulden naar leeftijdsklasse
11%
14%
8%
30%
39%
24%
61%
32%
57% 48%
35%
4%
8%
Met geregistreerde problematische schulden
Zonder geregistreerde problematische schulden
29% Met geregistreerde problematische schulden
Zonder geregistreerde problematische schulden
Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond
16 tot 25 jaar
25 tot 45 jaar
Nederlands
45 tot 65 jaar
65 jaar of ouder
Figuur 2.32
Figuur 2.33
Problematische schulden naar opleidingsniveau
Problematische schulden naar primaire bron van inkomen
11% 31%
4% 6%
7% 3% 8% 7%
24%
44% 4% 9% 2% 9%
27% 37% 3% 9% 45% 31%
45%
37% Met geregistreerde Zonder geregistreerde problematische schulden problematische schulden Laag
Middelbaar
Hoog
Met geregistreerde problematische schulden Werknemer
Zelfstandige
Uitkering WW
Bijstand
Uitkering AO of ziekte
Pensioen
Student/scholier
Zoner inkomen
Onbekend
38
Zonder geregistreerde problematische schulden
Figuur 2.34 Problematische schulden naar huishoudenstype
2% 23%
21%
1% 8% 19%
23%
13%
41%
49%
Met geregistreerde problematische schulden
Zonder geregistreerde problematische schulden
Alleenstaand
Paar zonder kinderen
Paar met kinderen
Eenoudergezin
Overig
39
40
In- en uitstroom uit de armoede Inleiding Het percentage personen en huishoudens met een inkomen tot 110% WSM (verder: met een laag inkomen) schommelt al jaren rond de 20%. Toch is er sprake van dynamiek: ieder jaar is er instroom en uitstroom in de groep lage inkomens. Om een beeld te schetsen van deze dynamiek is op basis van CBS-gegevens nagegaan hoeveel personen en huishoudens jaarlijks in- en uit de doelgroep van het armoedebeleid stromen, en wat de achtergrond van deze stromen zijn. De gegevens zijn geanalyseerd over de periode 2011-2019.
Figuur 3.1
In- en uitstroom 2011-2019 In de onderstaande figuur zijn de in- en uitstroomcijfers over de jaren 2011-2019 uitgezet. Daarin is te zien dat tot 2014 de instroom groter was dan de uitstroom. Vanaf dat jaar zijn in- en uitstroom (nagenoeg) gelijk, of is de uitstroom groter dan de instroom. In 2019 stroomden rond 24.600 personen uit de groep personen met een laag inkomen, terwijl 21.300 personen instroomden. Daarmee ligt de instroom 1% lager dan in 2018, terwijl de uitstroom steeg met 2%.
In- en uitstroom uit de groep Rotterdammers met een laag inkomen (2011-2019) 24.600
2019
21.300 24.100
2018
21.600 24.700 23.700
2017
25.000 25.900
2016
28.700
2015
25.500 27.600 27.600
2014
26.100
2013
29.400 25.000
2012
28.400
Uitstroom
Instroom
41
In de navolgende figuur is de langjarige trend nog wat be-
vanaf 2013 de uitstroom groter is dan de instroom; deze
ter te zien. Vanaf 2013 daalt de instroom, om in de periode
ontwikkeling stokt in de periode 2015-2016, om in de peri-
2015-2016 te stabiliseren; daarna treedt de daling verder
ode 2016-2018 weer door te zetten. In de periode 2018-
in. De uitstroom daalde in de periode 2015-2016 na een
2019 neemt het verschil tussen in- en uitstroom toe met
constante stijging vanaf 2012; in de periode 2018-2019
1.000 personen; het saldo bedraagt in 2018 2.500 perso-
stabiliseerde de uitstroom. Aan het saldo is te zien dat
nen.
Figuur 3.2
In- en uitstroom uit de groep Rotterdammers met een laag inkomen (2011-2019)
35.000 30.000 25.000
24.100
20.000
21.600
15.000 10.000 5.000 0 -2.500 -5.000 2012
2013
2014
2015
2016
Instroom
Uitstroom
2017
2018
Saldo
Als we dezelfde analyse maken op basis van het aantal
deel uitmaken van hetzelfde huishouden), ontstaat het on-
huishoudens (bovenstaande personen kunnen immers
derstaande beeld.
Figuur 3.3
2019 2018
In- en uitstroom uit de groep Rotterdamse huishoudens met een laag inkomen (2011-2019)
-1.400 12.000 -1.000
13.700 13.900
800
2016 2015
13.400 12.400 200
2017
13.400
14.200 15.000
-800
15.900 15.100
2014 2013 2012
16.100 15.900 2.000
14.700
2.100
14.200
Saldo
42
Uitstroom
Instroom
16.700
16.300
In de periode 2012-2014 groeide aantal huishoudens met