CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb4290 Bijlage 2 behorende bij 21bb4288 over Minima-effectrapportage gemeente Rotterdam 2021

Gemeenteraad 29 april 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 20. De voortgang armoede- en schuldenaanpak.17.318 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Minima-effectrapportage gemeente Rotterdam 2021 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens Corinne van Gaalen, Marcel Warnaar

25 maart 2021

Minima-effectrapportage gemeente Rotterdam 2021

De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens

Auteurs Corinne van Gaalen Marcel Warnaar

Nibud, Rotterdam, 25 maart 2021 In opdracht van de gemeente Rotterdam

Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld. Daarbij spelen gedragsaspecten een belangrijke rol. Daarmee kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van de verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor consumenten (via onze websites, (sociale) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen, hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden. Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud stelt de keuzevrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de huishoudens voorop.

Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid. Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente Rotterdam. Met dit onderzoek wil de gemeente Rotterdam inzicht krijgen in de effecten van haar minimabeleid. Rotterdam, maart 2021

Samenvatting Doel en opzet onderzoek Deze minima-effectrapportage geeft weer wat het effect is van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Rotterdam. In dit onderzoek is voor acht verschillende huishoudtypen op vier verschillende inkomensniveaus (100, 110, 120 en 130 procent van het wettelijk sociaal minimum) doorgerekend hoe hun maandbegrotingen eruitzien. Daarnaast is voor zelfstandig wonende 18-jarigen de begroting in beeld gebracht waarbij is uitgegaan van een bijstandsuitkering, het minimumjeugdloon en studiefinanciering. In de begrotingen hebben we rekening gehouden met de volgende lokale regelingen: de kwijtschelding van lokale lasten; de collectieve zorgverzekering; Stichting Meedoen in Rotterdam; Jeugdtegoed; AOW-tegoed; de Individuele Inkomenstoeslag. Hierbij gaan we ervan uit dat de betreffende huishoudens van alle beschikbare regelingen gebruik maken.

Resultaten na bekostiging basispakket In de gemeente Rotterdam zijn bijna alle onderzochte huishoudens met een laag inkomen in staat om de noodzakelijke uitgaven uit het basispakket te bekostigen. Uitzondering zijn zelfstandig wonende 18-jarigen, of ze nu de toepasselijke bijstandsuitkering ontvangen, studeren, of werken en daarmee het minimumloon verdienen.

Resultaten na bekostiging basispakket én bekostiging sociale participatie De volgende huishoudtypen hebben met tekorten te maken, als zij naast het basispakket ook de uitgaven voor sociale participatie willen doen: de alleenstaande met een inkomen op bijstandsniveau; het paar zonder kinderen met een inkomen op bijstandsniveau; het paar met twee oudere kinderen op bijstandsniveau; de zelfstandig wonende 18-jarige met een bijstandsuitkering, het minimumloon of studiefinanciering. Bij alleenstaanden is er op bijstandsniveau geen tekort meer als zij aanspraak kunnen maken op de Individuele Inkomenstoeslag.

Alleenstaande ouders met twee (jonge of oudere) kinderen, paren met jonge kinderen en AOW-gerechtigden hebben voldoende bestedingsruimte AOW-gerechtigden hebben een ruime bestedingsruimte. Zij houden op alle onderzochte inkomensniveau 250 euro per maand of meer over. Dit is voornamelijk het gevolg van de hogere AOW-uitkering; een AOW-uitkering is ruim 200 euro per maand hoger dan een bijstandsuitkering. Ook alleenstaande ouders met twee (jonge of oudere) kinderen hebben in de gemeente Rotterdam niet met tekorten te maken; alle noodzakelijke uitgaven en uitgaven aan sociale- , sportieve of culturele activiteiten kunnen zij betalen. Dit kan voor een groot deel worden toegeschreven aan de gemeentelijke ondersteuning van gezinnen met kinderen. Ook het landelijke beleid draagt hieraan bij; met name het hogere kindgebonden budget voor alleenstaande ouders heeft een positief effect op de financiële positie van deze huishoudens. Hoewel de kindgebonden toeslagen voor oudere kinderen hoger zijn dan voor jonge kinderen, heeft het eenoudergezin met oudere kinderen minder bestedingsruimte vanwege de hogere kosten voor onder meer onderwijs, voeding en vervoer. Dit zien we ook terug bij paren: paren met jonge kinderen kunnen de maandbegroting wel rond krijgen, bij paren met oudere kinderen lukt dit (op bijstandsniveau) niet.

Aandachtspunten De diverse vormen van inkomensondersteuning in de gemeente Rotterdam hebben een positief effect op de bestedingsruimte van de inwoners. Zonder de collectieve zorgverzekering (waarbij het wettelijk eigen risico tot 335 euro is meeverzekerd), de diverse vergoedingen voor kinderen (Stichting Meedoen en het Jeugdtegoed), de kwijtschelding van de lokale lasten en de Individuele Inkomenstoeslag zouden er meer en grotere tekorten zijn. De gemeente Rotterdam zet sterk in op de ondersteuning van kinderen: zowel vanuit de Stichting Meedoen als vanuit het Jeugdtegoed zijn diverse vergoedingen mogelijk, onder andere voor (sport)kleding en het lidmaatschap van een vereniging. Dit is een extra stimulans om kinderen deel te laten nemen aan sportieve en culturele activiteiten. Ook is een vergoeding mogelijk voor schoolgerelateerde kosten. Het Nibud beoordeelt dit als zeer positief. Voor volwassenen kent de gemeente Rotterdam geen tegemoetkoming voor sportieve of culturele activiteiten. Echter, ook voor volwassenen is sociale participatie belangrijk. Sociale uitsluiting kan zo worden tegengegaan, wat de kansen op de arbeidsmarkt zou kunnen vergroten. Financiële ondersteuning voor volwassenen kan hier een positieve rol spelen.

Ook voor jongvolwassenen, die met grote tekorten op de begroting te maken hebben, zal een tegemoetkoming voor sociale participatie een grote steun in de rug zijn. Daarom adviseert het Nibud om ook aan volwassenen een vergoeding voor sociale participatie te verstrekken. Alleenstaanden, paren zonder kinderen en paren met oudere kinderen kunnen op bijstandsniveau de kosten voor sociale participatie niet bekostigen (het basispakket lukt wel). Wanneer de gemeente voor volwassenen met een inkomen op bijstandsniveau bijvoorbeeld het lidmaatschap van een (sport)vereniging zou vergoeden, dan zouden alle in dit onderzoek gevonden tekorten zich niet (meer) voordoen. Uitgaande

van een contributie van 18,50 euro per maand, zou dit ook niet leiden tot een armoedeval op 110 procent. Een andere mogelijkheid om de gevonden tekorten te compenseren is door de individuele inkomenstoeslag (IIT) niet per huishouden, maar per persoon toe te kennen. Echter, met deze maatregel bereikt de gemeente niet alle huishoudens met tekorten: de IIT is alleen bedoeld voor huishoudens die minimaal één jaar moeten rondkomen van een inkomen van maximaal 130 procent van het wettelijk minimumloon en die geen zich hebben op inkomensverbetering.

Inhoud 1 Inleiding 1.1 Centrale vraag 1.2 Kern minima-effectrapportage 1.2.1 Huishoudtypen 1.2.2 Inkomensniveaus 1.2.3 Armoedeval 1.2.4 Voorbeeldhuur 1.3 Leeswijzer 2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding 2.2 Inkomsten 2.3 Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie 2.4 Uitgavensoorten 2.5 Voorwaarden aan de begrotingen 2.6 De begrotingen 3 Minimabeleid 3.1 Landelijk beleid 3.2 Lokaal minimabeleid 3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering 3.2.3 Individuele Inkomenstoeslag 3.2.4 Stichting Meedoen in Rotterdam 3.2.5 Rotterdampas 3.2.6 Jeugdtegoed 3.2.7 AOW-tegoed 3.2.7 Bijzondere bijstand 3.2.8 Kinderopvang en peuterspeelzaal 4 Resultaten 4.1 Saldo inkomsten min uitgaven 4.2 Bestedingsruimte 4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket 4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie 4.3 Armoedeval 4.4 Huishoudens met langdurig een laag inkomen 5 Vergelijking 2019 - 2021 5.1 Aanpassingen van de begrotingen 5.2 Vergelijking van de resultaten 6 Conclusies en aanbevelingen 6.1 Conclusies 6.2 Aanbevelingen Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Bijlage 2 | Begrotingen Bijlage 3 | Overzicht saldo inkomsten minus uitgaven

1 Inleiding 1.1

Centrale vraag

Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Rotterdam? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeente goed profiteren van de verschillende inkomensondersteunende maatregelen en welke groepen minder goed. Ook maakt deze rapportage een eventuele armoedeval inzichtelijk.

1.2

Kern minima-effectrapportage

Om tot een antwoord te komen op de centrale vraag, worden voor een aantal voorbeeldsituaties alle inkomsten geïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen zal in een begroting worden afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen.

1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de gemeente Rotterdam is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: a. Een alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd; b. Een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd); c. Een eenoudergezin met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); d. Een eenoudergezin met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); e. Een paar zonder kinderen; f. Een ouder paar (AOW-gerechtigd); g. Een paar met twee jonge kinderen (3 en 5 jaar); h. Een paar met twee oudere kinderen (14 en 16 jaar); i. Een zelfstandig wonende 18-jarige.

1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus. In overleg met de gemeente Rotterdam is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstand- of AOW- niveau, 110 procent, 120 procent en 130 procent van de geldende bijstandsnorm.

Voor de zelfstandig wonende 18-jarige kijken we naar andere inkomensniveaus, te weten bijstand, studiefinanciering en het minimumjeugdloon.

1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen, minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Bij huishoudens boven de AOW-gerechtigde leeftijd wordt officieel niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen.

1.2.4 Voorbeeldhuur Uit het woononderzoek 2018 van het CBS komt naar voren dat 96 procent van de huishoudens die de bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage van uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. De huurprijzen in dit onderzoek zijn vastgesteld in overleg met de gemeente. Hierbij gaan we uit van de grenzen voor het passend toewijzen: aan de toewijzingsregels voor woningcorporaties is per 1 januari 2016 het passend toewijzen van sociale huurwoningen toegevoegd. De passendheidsnorm stelt dat elke corporatie aan minimaal 95 procent van de huishoudens die recht hebben op huurtoeslag een woning onder de aftoppingsgrens toe moet wijzen. Zo wordt voorkomen dat huishoudens met de laagste inkomens in een te dure woning terechtkomen. De aftoppingsgrens ligt voor 2021 op 633 euro voor huishoudens met één of twee personen en op 678 euro voor huishoudens van drie of meer personen.

1.3

Leeswijzer

Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van de onderzochte huishoudtypen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van deze huishoudens? In hoofdstuk 5 wordt een vergelijking gemaakt met de resultaten uit de MER van 2019. Ten slotte staan in hoofdstuk 6 de conclusies en aanbevelingen van het rapport. In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en de inkomensopbouw.

2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1

Inleiding

Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen in deze rapportage zijn gemaakt voor verschillende huishoudtypen op verschillende inkomensniveaus. Hierbij gaan we ervan uit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens. Maandbegrotingen Alle begrotingen zijn maandbegrotingen, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. In de praktijk kunnen er flinke verschillen zijn tussen de maanden van het jaar. Vakantiegeld wordt bijvoorbeeld vaak jaarlijks uitgekeerd, maar wordt in deze rapportage uitgedrukt in een maandelijks bedrag. Het inkomen is in iedere begroting een vast gegeven.

2.2

Inkomsten

In deze rapportage worden op drie inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstand/AOW-uitkering), 110 procent en 120 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 lid 1 sub c. Uitgangspunt in deze rapportage is het totaal besteedbaar maandinkomen. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, zorgtoeslag, huurtoeslag, vakantiegeld, kinderbijslag, kinderopvangtoeslag en kindgebonden budget. Bepaalde heffingskortingen worden apart getoond als voorlopige aanslag, bijvoorbeeld de inkomensafhankelijke combinatiekorting voor werkende alleenstaande ouders met jonge kinderen. Het loon plus de voorlopige aanslag is gelijk aan 110 procent van de bijstandsnorm. De kinderbijslag en het kindgebonden budget (inclusief de alleenstaande ouderkop) komen hier nog bovenop. In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Ook is er geen rekening gehouden met inkomsten of betalingen vanwege alimentatie. Hoe de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens is te zien in bijlage 2.

In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn, zowel de landelijke als de gemeentelijke. Inkomensgrens alleenstaande ouders Vanaf 1 januari 2015 is de toeslag voor alleenstaande ouders in de bijstand van 20 procent komen te vervallen. Hiervoor in de plaats is een alleenstaande-ouderkop aan het kindgebonden budget toegevoegd van maximaal 3.240 per jaar (2021). Dit heeft gevolgen voor de inkomensgrens van 110 procent. Als wordt uitgegaan van de bijstandsnorm vermenigvuldigd met 1,1, wordt de doelgroep van het minimabeleid veel kleiner dan in periode vóór 2015. De gemeente Rotterdam kijkt daarom bij het bepalen van de inkomensgrens naar de bijstandsnorm voor alleenstaande ouders en telt daar de maximale alleenstaande-ouderkop bij op. In de begrotingen is daarom de uitkomst van deze berekening opgenomen bij het netto inkomen. Het kindgebonden budget is voor deze huishoudens verlaagd met de alleenstaande-ouderkop, omdat het anders tot een dubbeltelling zou leiden. Inkomsten zelfstandig wonende 18-jarige In deze rapportage wordt ook naar de bestedingsruimte van een zelfstandig wonende 18-jarige gekeken.

We doen dat in drie verschillende situaties: Situatie waarin hij/zij niet werkt of studeert en bijstand ontvangt; Situatie waarin hij/zij werkt tegen het minimumloon dat geldt voor een 18-jarige; Situatie waarin hij/zij een mbo-opleiding (BOL) volgt en studiefinanciering ontvangt. De inkomsten van de onderzochte 18-jarigen wijken dus af van de andere onderzochte huishoudtypen, omdat niet wordt doorgerekend met een percentage van de bijstandsnorm. Voor de 18-jarige met studiefinanciering wordt uitgegaan van een mbo-opleiding via de Beroeps Opleidende Leerweg (BOL), waarbij er recht op studiefinanciering is. Daarnaast zijn studiekosten in de begroting opgenomen. Dit is het lesgeld dat studenten betalen als zij 18 jaar of ouder zijn en een voltijdsopleiding volgen binnen het mbo. In 2021 bedraagt dit lesgeld 1.202 euro per jaar. Daarnaast zijn er de schoolkosten voor boeken, ICT, leermiddelen, extra activiteiten, etc. Gemiddeld bedragen deze kosten 773 euro per jaar. De huur van de 18-jarige is in deze rapportage lager dan voor de overige een- en tweepersoonshuishoudens. Voor deze laatste groep hanteren we de grens van het passend toewijzen, te weten 633 euro (zie paragraaf 1.2.4). Voor een 18-jarige is dit waarschijnlijk geen reëel bedrag, zeker gezien het feit dat voor jongeren tot 23 jaar geen huurtoeslag mogelijk is bij een huur boven 442,46 euro per maand.

Daarom wordt in deze rapportage gerekend met een huur van 550 euro, zoals dit ook in 2019 is gedaan. Ten slotte is bij de 18-jarige gekozen voor een minder uitgebreide zorgverzekering, namelijk het Rotterdampakket Compact, met een premie van 141,73 euro per maand. Ook gaan we ervan uit dat niet voor het volledige eigen risico gereserveerd hoeft te worden (385 euro op jaarbasis), maar rekenen we met het gemiddelde eigen risico (in 2021: 246,42 euro per jaar).

2.3

Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie

De noodzakelijke uitgaven vullen we in via een basispakket met een apart pakket voor sociale participatie. Het basispakket bestaat uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. De begroting bestaat uit een pakket aan vrij goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. In bijlage 1 staan de uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket en het pakket voor sociale participatie zijn op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. Sociale participatie Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat bijvoorbeeld om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Sociale participatie wordt door velen als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. De uitgaven voor sociale participatie staan beschreven in bijlage 1. Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven.

Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen. In de begrotingen is ook geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als onvermijdbaar. Indien een huishouden hiervoor toch kosten heeft, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven. Mensen die werken maken extra kosten ten opzichte van niet werkenden. Deze kosten zijn meegenomen in het basispakket als aparte post bij een inkomen vanaf 110 procent van het toepasselijk minimum.

2.4

Uitgavensoorten

In alle begrotingen onderscheidt het Nibud drie soorten uitgaven: Vaste lasten: Komen regelmatig terug. Meestal vaste bedragen waar een contract aan ten grondslag ligt. Voorbeelden zijn de huur, energiekosten en verzekeringen. Reserveringsuitgaven: Komen niet regelmatig voor. De hoogte is niet precies bekend. Voorbeelden hiervan zijn de kosten voor inventaris (meubels, apparatuur/witgoed) en kleding. Huishoudelijke uitgaven: Steeds terugkerende uitgaven die maandelijks kunnen variëren. Voorbeelden zijn voeding, was- en schoonmaakartikelen en persoonlijke verzorging.

Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.

2.5

Voorwaarden aan de begrotingen

Bij het gebruik van de begrotingen zijn er drie belangrijke voorwaarden: . 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd. Het tijdig doorgeven van gegevens is hierbij belangrijk. En daarmee dus ook een actieve houding. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan om te bezuinigen op overige uitgaven. In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven.

Dit kan er toe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan. Deze voorwaarden zijn voor een deel te vangen in competenties voor goed financieel beheer. Het gaat hierbij niet alleen om vaardigheden, maar ook om gedragsaspecten. Daarom is inkomensondersteuning alleen niet voldoende. Het is ook belangrijk om ondersteuning op het gebied van het aanleren van vaardigheden te bieden, aangevuld met ondersteuning die rekening houdt met min of meer individuele gedragsaspecten.

2.6

De begrotingen

Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.

3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.

3.1

Landelijk beleid

Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke heffingskortingen, de landelijke toeslagen en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting. De volgende heffingskortingen (2021) zijn voor de voorbeeldhuishoudens van belang: Algemene heffingskorting Voor iedereen boven de 18 die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. De algemene heffingskorting bedraagt maximaal 2.837 euro per jaar voor mensen onder de AOW-gerechtigde leeftijd en 1.469 euro vanaf de AOW gerechtigde leeftijd. Arbeidskorting Voor iedereen die betaald werk heeft, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. De arbeidskorting bedraagt maximaal 4.205 euro per jaar. Inkomensafhankelijke combinatiekorting Voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouder of aan de minst verdienende fiscale partner. Deze heffingskorting bedraagt maximaal 2.815 euro per jaar. Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting Heffingskortingen voor AOW-gerechtigden. De ouderenkorting bedraagt maximaal 1.703euro per jaar; de alleenstaande-ouderenkorting is 443 euro per jaar.

Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren (bijvoorbeeld inkomen). De volgende toeslagen (2021) zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens: Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Het inkomen moet wel onder de inkomensgrens vallen. Een alleenstaande heeft recht op zorgtoeslag bij een toetsinkomen van 31.138 euro of minder. Voor samenwonenden is deze grens 39.979 euro.

Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. In 2021 bedraagt deze voor alleenstaanden 118.479 euro en voor paren 149.819 euro. De zorgtoeslag voor een alleenstaande is maximaal 107 euro per maand. Voor een stel is de zorgtoeslag maximaal 207 euro. Hoe lager het inkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het inkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Vanaf 1 januari 2020 kent de huurtoeslag geen inkomensgrenzen meer, maar wordt de huurtoeslag inkomensafhankelijk afgebouwd. De vermogensgrens voor de huurtoeslag van 31.340 euro per persoon is strenger dan voor de zorgtoeslag. Huishoudens krijgen boven de minimale basishuur1 volledige huurtoeslag tot een huur van 442,46 euro. Voor een huur boven dit bedrag wordt voor een- en tweepersoonshuishoudens 65 procent van de huur tot 633,25 euro vergoed. Voor huishoudens vanaf drie personen is dit tot een huur van 678,66 euro. Alleenstaanden of ouderen/hulpbehoevenden krijgen boven deze huur tot een huur van maximaal 752,33 euro vervolgens nog 40 procent vergoed. Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang.

De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier dus niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. De vergoeding wordt berekend over een maximaal uurtarief van 8,46 euro voor kinderen tot vier jaar (dagopvang) en van 7,27 euro voor kinderen in de basisschoolleeftijd (buitenschoolse opvang). Wanneer iemand per uur meer dan dit bedrag betaalt, ontvangt hij of zij over dit extra deel geen toeslag. Er gelden grenzen voor het totaal aantal uren waarvoor kinderopvangtoeslag aangevraagd kan worden. Dit is afhankelijk van het aantal uur dat men werkt. Kindgebonden budget Iedereen met kinderen jonger dan 18 jaar kan in aanmerking komen voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen. Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’.

____________________

Alleenstaande ouders met een verzamelinkomen tot 21.835 euro ontvangen het maximale kindgebonden budget. Voor paren met kinderen is de inkomensgrens in 2020 flink verhoogd, deze inkomensgrens ligt nu op 38.853 euro. Na dit inkomen wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het bedrag aan kindgebonden budget is afhankelijk van het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen. Alleenstaande ouders ontvangen meer dan paren, omdat zij recht hebben op een extra vast bedrag van 270 euro per maand. Het kindgebonden budget voor het tweede kind is lager dan voor het eerste kind en vanaf het derde kind eveneens lager dan voor het tweede kind. Vanaf 12 jaar is het kindgebonden budget hoger. Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor eigen kinderen en stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind en onafhankelijk van het inkomen. De kinderbijslag voor een kind van 12 tot 18 jaar bedraagt 319,10 euro. Voor 6 tot 12 jaar en voor 0 tot 6 jaar is het respectievelijk 271,24 euro en 223,37 euro.

3.2

Lokaal minimabeleid

Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Rotterdam voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. De regelingen die worden opgenomen in de begrotingen komen in de volgende paragrafen aan bod.

3.2.1 Lokaal kwijtscheldingsbeleid In de gemeente Rotterdam kan kwijtschelding worden aangevraagd voor enkele lokale heffingen, te weten de gebruikersbelasting van de onroerendezaakbelastingen, de gebruikersbelasting van de belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten en de afvalstoffenheffing. Omdat we in deze rapportage uitgaan van een huurwoning is alleen (de kwijtschelding van) de afvalstoffenheffing in de berekeningen meegenomen. In 2021 is kwijtschelding mogelijk voor maximaal 76,5 procent van het te betalen bedrag. Bij het vaststellen van de kwijtschelding wordt getoetst aan 100 procent van de norm op grond van de Participatiewet. Bij een inkomen boven bijstandsniveau wordt de betalingscapaciteit berekend door het inkomen te verminderen met het norminkomen. Voor AOW-gerechtigden worden verhoogde normen gehanteerd, zodat deze groep ook in aanmerking kan komen voor kwijtschelding. Er vindt een correctie plaats voor eigen uitgaven aan huur en voor nominale ziektekostenpremies exclusief eigen risico. De gemeente houdt bij de berekening van de kwijtschelding geen rekening met de kosten van kinderopvang. Wanneer een aanvrager te veel ontvangen kinderopvangtoeslag terugbetaalt aan de Rijksbelastingdienst, wordt hier wel rekening mee gehouden. In Rotterdam zijn drie waterschappen actief.

In deze rapportage wordt uitgegaan van de tarieven van het Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard. Bij dit waterschap is kwijtschelding mogelijk voor de watersysteemheffing ingezetenen. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap de norm van 100 procent van de toepasselijke bijstandsnorm.

De kwijtschelding van de gemeentelijke heffingen en het waterschap wordt apart berekend.

3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Om de financiële risico’s die samenhangen met een slechte gezondheid te beperken, biedt de gemeente Rotterdam inwoners met hoge zorgkosten en een laag inkomen een collectieve zorgverzekering aan: het VGZ Rotterdampakket. Bij een inkomen tot 130 procent van het wettelijk minimumloon (2.359 euro, inclusief acht procent vakantiegeld bruto per maand) verstrekt de gemeente een bijdrage in de premie van 11 euro per maand. Het eigen risico bedraagt 50 euro; de overige 335 euro is meeverzekerd. De maandpremie is 176,68 per persoon. Hierin is het meeverzekeren van het eigen risico en de gemeentelijke bijdrage al meegenomen. Bij een hoger inkomen is de maandpremie 164,53 euro per maand. Er is in dit geval geen recht op een gemeentelijke bijdrage en het eigen risico van 385 euro per jaar is niet meeverzekerd. Voor inwoners die geen hoge zorgkosten verwachten is er het Rotterdampakket Compact. Het VGZ Rotterdampakket Compact is voor alle Rotterdammers toegankelijk, er wordt geen onderscheid gemaakt op basis van inkomen. Het pakket kent ruime vergoedingen maar deze zijn lager dan bij het VGZ Rotterdampakket. VGZ biedt vijf procent korting op de basisverzekering. De premie van het VGZ Rotterdampakket Compact komt daarmee uit op 141,73 euro per maand. Het eigen risico is niet meeverzekerd.

In de begrotingen rekenen we met de premie van het reguliere Rotterdampakket (alleen voor de zelfstandig wonende 18-jarige wordt met het Compacte pakket gerekend). De premie is opgenomen onder de post “zorgverzekering”. De post “eigen risico” is verlaagd naar 50 euro per jaar. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.

3.2.3 Individuele Inkomenstoeslag De individuele Inkomenstoeslag (IIT) is bedoeld voor mensen die ouder zijn dan 21 jaar maar jonger dan de AOW leeftijd, die geen zicht hebben op inkomensverbetering. Het gaat om huishoudens die minimaal één jaar moeten rondkomen van een inkomen van maximaal 130 procent van het wettelijk minimumloon, waarbij minimumloon gelijkgesteld is aan de echtparennorm van art. 21, aanhef en onder b PW. De hoogte van de IIT is 120 euro per jaar per huishouden. Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag apart gepresenteerd.

3.2.4 Stichting Meedoen in Rotterdam Meedoen in Rotterdam helpt kinderen van 4 tot 18 jaar van ouders met een laag inkomen. De inkomensgrens bedraagt 1.600 euro voor alleenstaande ouders en 1.800 euro voor tweeoudergezinnen. Voor deze rapportage betekent dit dat de bijdragen vanuit de Stichting Meedoen worden meegerekend tot een met een inkomensniveau van 120 procent. Huishoudens met een hoger inkomen die zijn toegelaten tot een schuldsaneringstraject van de Kredietbank kunnen ook een aanvraag indienen.

Bij de stichting kunnen de volgende zaken worden aangevraagd: Chromebook (één per kind voor kinderen vanaf groep 5). De gemeente heeft een eigen leverancier. ➢ Lidmaatschap Squla voor kinderen op basis onderwijs ➢ Standaard omafiets (éénmalig per kind, voor kinderen op het voortgezet onderwijs en MBO). De gemeente heeft een eigen leverancier voor de fietsen. ➢ Vergoeding schoolreis/werkweek. Voorwaarden: - slechts éénmaal per schooljaar per kind een aanvraag indienen - de bijdrage die Stichting Meedoen in Rotterdam betaalt is maximaal 225 euro per kind - gespecificeerde rekening van school op naam van het kind waarop duidelijk staat welk deel van de ouderbijdrage bestemd is voor de schoolreis en/of werkweek ➢ Contributie sportclub en scouting maximaal 280 euro per jaar (alleen contributie die door Jeugdfonds Sport wordt vergoed) ➢ Clubkleding die bij de desbetreffende vereniging verkrijgbaar is en verplicht is bij wedstrijden komt voor maximale vergoeding van 60 euro per kind in aanmerking. Het bedrag voor de kleding en de contributie samen mag niet meer dan 280 euro bedragen. ➢ Kunstzinnige vorming zoals bijvoorbeeld muziek, dans en toneel maximaal 500 euro per jaar (alleen organisaties die door Jeugdfonds Cultuur worden vergoed) ➢ Instrumenthuur voor maximaal 100 euro per jaar ➢ Zwemlessen vanaf 5 jaar.

De maximale vergoeding bedraagt 500 euro (zwemmen op rekening bij zwembad óf zwemvereniging). Er wordt niet rechtstreeks aan het gezin betaald. LET OP: Er moet een keuze gemaakt worden tussen sport óf cultuur. Wel kan er naast sport of cultuur, zwemlesvergoeding worden aangevraagd. ➢

De vergoedingen zijn als volgt in de begrotingen verrekend: Voor kinderen van 4 tot 18 jaar is het bedrag voor lidmaatschap van een (sport)vereniging uit de post “sociale participatie” gehaald. Bij de huishoudens met twee oudere kinderen zijn de kosten van twee fietsen en twee chromebooks uit de begroting gehaald (de aanschafprijs gedeeld door de levensduur in jaren). Dit is verrekend met de posten “vervoer” en “onderwijs”. De vergoeding van schoolreizen/ werkwerken/ kamp is verrekend met de post “onderwijs”. Voor het basisonderwijs wordt uitgegaan van een vergoeding van 120 euro per jaar (dit is het bedrag dat in de begroting voor het basisonderwijs is opgenomen), voor het voortgezet onderwijs rekenen we met de maximale vergoeding van 225 euro per kind per jaar. Lidmaatschap Squla, instrumentenhuur, scouting en zwemlessen zijn niet in de berekeningen meegenomen, omdat hiervoor in de begrotingen ook geen kosten zijn opgenomen. Het is wel goed om de mogelijkheid van vergoeding in deze rapportage te benoemen.

3.2.5 Rotterdampas Houders van de Rotterdampas kunnen gratis of met korting uitstapjes maken naar bijvoorbeeld de film, het zwembad, de Euromast en musea in Rotterdam, Den Haag en Delft. Ook kunnen met korting workshops, cursussen of proeflessen worden gevolgd en zijn er acties die korting bieden op een maaltijd of koffie met gebak. Iedereen kan een Rotterdampas bestellen. Deze kost 60 euro per jaar. Er is een reductietarief voor inwoners met een laag inkomen (5 euro) , AOW-gerechtigden (20

euro) en studenten (12,50). Kinderen tot en met 17 jaar met ouders met een laag inkomen krijgen de pas gratis. De Rotterdampas brengt ook kosten met zicht mee, bijvoorbeeld voor reiskosten naar het betreffende uitje of kosten voor consumpties op de bestemming. Dit maakt het lastig om een gemiddeld bedrag te geven dat een huishouden bespaart door de aanschaf van een Rotterdampas. Daarom zijn in de begrotingen de voordelen van de Rotterdampas niet doorgerekend.

3.2.6 Jeugdtegoed Het Jeugdtegoed is een bedrag voor kinderen van 4 tot en met 17 jaar waarvan de ouders een inkomen hebben dat niet hoger is dan: o 110% van het sociaal minimum (bij kinderen tot en met 11 jaar) óf o 130% van het sociaal minimum (bij kinderen vanaf 12 jaar) De hoogte van het Jeugdtegoed is: o 275 euro voor kinderen van 4 tot en met 11 jaar o 500 euro voor kinderen van 12 tot en met 17 jaar Het tegoed staat op de Rotterdampas en kan worden uitgegeven in specifieke winkels. Bij deze winkels kan men terecht voor school- en sportspullen, tablets en laptops, fietsen, kleding, boeken en tijdschriften, fiets- en vervoersartikelen, gezelschapsspellen en speelgoed, hobby-artikelen, thuiszorgproducten, dierenarts en dierenbenodigdheden. Het is ook mogelijk (een deel van) het tegoed te besteden aan Openbaar Vervoer door een abonnement of reissaldo op de OV-chipkaart te laden. In de begrotingen gaan we ervan uit dat het totale tegoed wordt uitgegeven. Voor kinderen van 4 tot en met 11 jaar is het bedrag verdeeld over de posten “kleding en schoenen” (115 euro) , “vervoer” (60 euro) en “sociale participatie” (100 euro). Voor kinderen van 12 tot en met 17 wordt ook een bedrag met de post “onderwijs” verrekend.

De bijkomende onderwijskosten voor kinderen op het voortgezet onderwijs liggen veel hoger dan op het basisonderwijs: 43 euro per maand voor de onderbouw en 56 euro per maand voor de bovenbouw. Op het basisonderwijs is dit 10 euro per maand en in deze rapportage wordt er van uitgegaan dat dit bedrag volledig wordt vergoed vanuit de Stichting Meedoen in Rotterdam (zie paragraaf 3.2.4). De 500 euro voor kinderen van 12 tot en met 17 jaar wordt als volgt verdeeld: “kleding en schoenen” (200 euro) , “vervoer” (75 euro), “sociale participatie” (100 euro) en “onderwijs” (125 euro).

3.2.7 AOW-tegoed De gemeente Rotterdam stelt een AOW-tegoed beschikbaar voor Rotterdammers die recht hebben op AOW en een kleine beurs hebben (maximaal 110 procent van het wettelijk sociaal minimum). Dit tegoed van 450 euro per huishouden, wordt gestort op de Rotterdampas. Het AOW-tegoed is te besteden bij de aangesloten winkels en in het openbaar vervoer. In de begrotingen wordt het AOW-tegoed verrekend met de posten “kleding en schoenen” (300 euro), “vervoer” (100 euro) en “sociale participatie” (50 euro).

Vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd hebben inwoners van de gemeente Rotterdam recht op vrij reizen met het openbaar vervoer. Deze kosten zijn daarom uit de begroting gehaald. In de post “vervoer” zijn ook de kosten voor (onderhoud en aanschaf van) een fiets opgenomen. Het gaat om een bedrag van 9,20 euro per maand. We gaan ervan uit dat deze kosten grotendeels (tot een bedrag van 100 euro per jaar) vanuit het AOW-tegoed bekostigd kunnen worden. (Het AOW-tegoed kan worden onder meer besteed worden bij diverse fietsenwinkels in Rotterdam.)

3.2.7 Bijzondere bijstand De gemeente Rotterdam verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Uitgangspunt hierbij is dat er geen draagkracht is bij een inkomen tot 110 procent van de geldende bijstandsnorm. Van het meerinkomen tussen 110 procent en 150 procent van de geldende bijstandsnorm, wordt 50 procent als draagkracht beschouwd. Het inkomen boven 150 procent van de geldende bijstandsnorm wordt volledig als draagkracht aangemerkt. Voor bepaalde kostensoorten, zoals woonkostentoeslag en bijstand voor bewindvoering, wordt al het inkomen boven 100 procent van de geldende bijstandsnorm als draagkracht aangemerkt. De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie.

3.2.8 Kinderopvang en peuterspeelzaal Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot 12 jaar een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang, de kinderopvangtoeslag. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. De gemeente kan bijzondere bijstand verlenen voor de eigen bijdrage op basis van een door de GGD vastgestelde sociaal-medische indicatie. Hiervan wordt in deze rapportage niet uitgegaan. De eigen bijdrage wordt dus volledig meegenomen. Alleenstaande ouders met een inkomen boven bijstandsniveau zullen enkele dagen per week werken en gebruik maken van de kinderopvang. Bij 110 procent van het minimuminkomen wordt gerekend met 20 uur kinderopvang per week, bij een inkomen op 120 en 130 procent wordt uitgegaan van 30 uur kinderopvang. Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken; daarom zijn in de begrotingen op 100 procent geen kosten voor kinderopvang opgenomen. Wel wordt ervan uitgegaan dat acht uur per week gebruik wordt gemaakt van de peuteropvang. Rotterdam heeft een peutergroep (voorschool) waar iedere Rotterdamse peuter van twee jaar tot vier jaar een aantal uren per week naar toe kan.

Ook paren zonder werk (met een bijstandsuitkering) of paren waarvan één van beide partners werkt (met een inkomen van 110 tot en met 130 procent van de norm), zullen geen gebruik maken van de kinderopvang, maar van de peuteropvang. Per 1 januari 2018 zijn peuterspeelzalen omgevormd tot kinderdagverblijven. Dit is geregeld in de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Hierdoor krijgen sommige ouders die gebruik maken van de peuteropvang recht op kinderopvangtoeslag.

Eenverdieners (kostwinnergezin) of werkloze alleenstaande ouders komen niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. Voor deze huishoudens geldt een inkomensafhankelijke ouderbijdrage. Voor ouders in de laagste inkomenscategorie is deze bijdrage 0,34 euro per uur. Zowel de alleenstaande ouders als de paren uit dit onderzoek vallen in deze categorie. Alleen het paar met een inkomen op 130 procent valt in een hogere inkomenscategorie en betaalt 0,47 euro per uur. De kosten voor kinderopvang en de peuterspeelzaal zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. De kinderopvangtoeslag die de betreffende huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.

4 Resultaten 4.1

Saldo inkomsten min uitgaven

Dit hoofdstuk bevat de resultaten van het onderzoek. Een en ander wordt schematisch weergegeven in tabel 1 op de volgende pagina. De tabel bevat per voorbeeldhuishouden een overzicht van het saldo van inkomsten min uitgaven bij verschillende inkomensniveaus. Achtereenvolgens is het saldo weergegeven nadat: • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan; • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan; • alleen de uitgaven uit het basispakket zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT); • zowel de uitgaven uit het basispakket als voor sociale participatie zijn gedaan, rekening houdend met de Individuele Inkomenstoeslag (IIT). Verder is de volgende codering weergegeven: • Een negatief saldo op de maandbegroting is in rood weergegeven. • Als een hoger inkomen leidt tot minder bestedingsruimte dan is dit bij het betreffende inkomensniveau aangegeven met een pijltje: o Een rood pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van de situatie met een bijstandsuitkering (uitstroomval/werkloosheidsval). o Een grijs pijltje betekent een armoedeval ten opzichte van het voorliggende inkomensniveau (doorstroomval). Het kan voorkomen dat een huishouden op een bepaald inkomensniveau te maken heeft met zowel een doorstroom- als een uitstroomval. In dat geval kleurt het pijltje rood.

Uit de tabel valt af te lezen dat er voor een alleenstaande met een bijstandsuitkering 98 euro per maand resteert nadat alle uitgaven uit het basispakket zijn gedaan. Als naast de uitgaven uit het basispakket ook alle uitgaven aan sociale participatie zijn gedaan, dan is er een tekort van twee euro. Hierbij is rekening gehouden met alle landelijke en lokale inkomensondersteunende maatregelen.

Tabel 1. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand a. Alleenstaande

100% € 110% € 120% € 130% €

saldo na basispakket 98 140 220 305

saldo na basispakket en participatie € -2 € 40 € 120 € 206

saldo na basispakket 348 379 437 522

saldo na basispakket en participatie € 253 € 283 € 338 € 422

€ € € €

saldo na basispakket 108 150 230 315

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 8 € 50 € 130 € 216

saldo na basispakket

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie

b. Alleenstaande oudere

100% € 110% € 120% € 130% €

Tabel 1. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand (vervolg) c. Eenoudergezin met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 436 € 266 110% € 455 € 285 120% € 560 € 382 130% € 684 € 494 d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 324 € 157 110% € 360 € 193 120% € 494 € 327 130% € 567 € 364

€ € € €

saldo na basispakket 446 465 570 694

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 276 € 295 € 392 € 504

€ € € €

saldo na basispakket 334 370 504 577

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 167 € 203 € 337 € 374

€ € € €

saldo na basispakket 150 238 294 349

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € -10 € 78 € 134 € 189

e. Paar zonder kinderen

100% € 110% € 120% € 130% €

saldo na basispakket 140 228 284 339

saldo na basispakket en participatie € -20 € 68 € 124 € 179

saldo na basispakket en participatie € 300 € 320 € 358 € 472

saldo na basispakket

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie

100% € 110% € 120% € 130% €

saldo na basispakket 451 472 518 632

g. Paar met 2 jonge kinderen (3 &5 jaar) saldo na basispakket 100% € 308 110% € 396 120% € 436 130% € 476

saldo na basispakket en participatie € 78 € 166 € 198 € 225

€ € € €

saldo na basispakket 318 406 446 486

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 88 € 176 € 208 € 235

€ € € €

saldo na basispakket 226 313 368 361

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € -2 € 86 € 141 € 97

saldo na basispakket

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie

f. Ouder paar

h. Paar met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 216 € -12 110% € 303 € 76 120% € 358 € 131 130% € 351 € 87 i. Zelfstandig wonende 18-jarige saldo na basispakket bijstand € -938 minimumloon € -403 studiefinanciering € -512

saldo na basispakket en participatie € -1.038 € -502 € -612

4.2

Bestedingsruimte

4.2.1 Na invulling van alleen het basispakket Uit de tweede kolom (‘saldo na basispakket’) blijkt dat op één na alle onderzochte huishoudens voldoende inkomsten hebben om de uitgaven uit het basispakket te betalen. Dit geldt alleen niet voor de 18-jarige die op zichzelf woont. Uit tabel 1 en de begrotingen (zie bijlage 2) wordt duidelijk dat het feitelijk onmogelijk is voor een jongere om met een bijstandsuitkering, of zelfs met het minimumjeugdloon, zelfstandig te wonen. Zelfs het basispakket is op geen van de onderzochte inkomensniveaus te bekostigen. Met alleen de bijstandsuitkering voor een 18-jarige komt de 18-jarige 938 euro per maand tekort. Daarbij gaan we er in de begroting van uit dat ook 18-jarigen -net als andere huishoudens- reserveren voor het vervangen van apparaten en meubels (de post “inventaris” in de begroting) en voor het onderhoud van de woning. Het is niet onaannemelijk dat dit bij de 18-jarige in een (kleine) woonruimte minder gebeurt dan bij de andere huishoudens. Maar ook als hier niets voor opzij zou worden gezet -waarmee de uitgaven 92 euro per maand lager zouden uitvallen- ontstaat er in alle drie de situaties (bijstandsuitkering, minimumloon en studiefinanciering) een maandelijks tekort.

4.2.2 Na invulling van het basispakket inclusief sociale participatie a. Alleenstaande Een alleenstaande met een bijstandsuitkering heeft nadat alle uitgaven uit zowel het basispakket als het pakket voor sociale participatie zijn gedaan een tekort van twee euro. Vanaf een inkomensniveau van 110 procent wordt het saldo positief. b. Alleenstaande oudere Bij een alleenstaande oudere is het saldo hoger dan bij een alleenstaande onder de AOWleeftijd. Dat komt omdat de AOW-uitkering hoger is dan de bijstandsuitkering en doordat de bijstandsuitkering vanaf de AOW-leeftijd hoger is dan onder de AOW-leeftijd. We gaan voor ouderen weliswaar uit van iets hogere uitgaven voor energie en niet-vergoede ziektekosten (zelfzorgmiddelen), maar die worden enigszins gedempt door iets lagere uitgaven aan verzekeringen en vervoer. c. Eenoudergezin met 2 jongere kinderen (3 en 5 jaar) Het eenoudergezin met 2 jongere kinderen heeft ruim voldoende bestedingsruimte om naast alle uitgaven uit het basispakket alle uitgaven uit het pakket voor sociale participatie te kunnen doen. d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar) Ook het eenoudergezin met kinderen van 14 en 16 jaar kan zowel het basispakket als de kosten voor sociale participatie bekostigen. De bestedingsruimte per maand is lager dan bij het eenoudergezin met jongere kinderen.

Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de hogere kosten voor onderwijs, voeding en vervoer. De hogere uitgaven van oudere kinderen worden enigszins gecompenseerd door iets hogere landelijke toeslagen (kinderbijslag en kindgebonden budget).

e. Paar zonder kinderen Het paar zonder kinderen heeft op bijstandsniveau een tekort van 20 euro. Op 110 procent wordt het saldo positief met 68 euro. Een belangrijke oorzaak van de lage bestedingsruimte ligt in het feit dat een paar de kosten van twee volwassenen moet dragen, zoals de kosten van de zorgverzekering, kleding en voeding. Deze kosten worden niet gecompenseerd door de hogere bijstandsnorm voor een paar, ten opzichte van de norm voor een alleenstaande. f. Ouder paar Het oudere paar heeft niet met tekorten op de begroting te maken. Met alleen een AOWuitkering is er een bestedingsruimte van 300 euro per maand, dit loopt op naar 472 euro op 130 procent. Anders dan bij de alleenstaande en het paar onder de AOW-gerechtigde leeftijd, ligt de bestedingsruimte van het oudere paar nog iets hoger dan die van de alleenstaande oudere. Dit komt doordat de gemeente Rotterdam enkele vergoedingen kent voor ouderen (gratis openbaar vervoer en het AOW-tegoed), die individueel, en dus niet per huishouden, worden toegekend. De kosten per volwassene nemen dus af, terwijl het paar wel kan profiteren van schaalvoordelen, ten opzichte van een alleenstaande. Bovendien is het verschil tussen AOW en bijstand in euro’s groter bij het paar dan bij de alleenstaande. g.

Paar met 2 jonge kinderen (3 en 5 jaar) Het paar met twee jonge kinderen heeft bij geen van de onderzochte inkomensniveaus te maken met een tekort. Met alleen een bijstandsuitkering is er een bestedingsruimte van 78 euro per maand, dit loopt op naar 225 euro op 130 procent. Dat het paar met jonge kinderen niet te maken heeft met een tekort en het paar zonder kinderen wel, komt doordat de landelijke toeslagen (kinderbijslag en het kindgebonden budget) plus de gemeentelijke ondersteuning (Stichting Meedoen en het Jeugdtegoed) de extra kosten van de 2 jonge kinderen meer dan compenseren. h. Paar met 2 oudere kinderen (14 en 16 jaar) Het paar met twee oudere kinderen kan op bijstandsniveau de maandbegroting niet rondkrijgen. Er is sprake van een maandelijks tekort van 12 euro. Vanaf 110 procent wordt het saldo positief. De bestedingsruimte is op alle onderzochte inkomensniveaus lager dan voor het paar maar jonge kinderen. De hogere kinderbijslag en het hogere kindgebonden budget wegen niet op tegen de hogere uitgaven die oudere kinderen met zich meebrengen, aan onder meer onderwijs, voeding en kleiding. Ook de vergoedingen voor kinderen uit het minimabeleid (die in zijn totaliteit voor oudere kinderen hoger liggen dan voor jonge kinderen) kunnen dit niet compenseren. i.

Zelfstandig wonende 18-jarige Zoals in paragraaf 4.2.1 is opgemerkt, heeft een zelfstandig wonende 18-jarige te weinig financiële middelen om het basispakket te bekostigen. Als daar de kosten voor sociale participatie nog bijkomen, worden deze tekorten alleen maar groter. Met alleen een bijstandsuitkering is er een tekort van ruim 1.000 euro. Maar ook wanneer deze jongeren een fulltime baan heeft en daarmee het minimumjeugdloon verdient of wanneer hij studeert en studiefinanciering ontvangt is er een ruim tekort.

Voor jongeren tot 23 jaar is geen huurtoeslag mogelijk bij een huur boven 442,46 euro per maand. Omdat in deze rapportage wordt gerekend met een huur van 550 euro, is er dus geen recht op huurtoeslag, wat een groot deel van de tekorten verklaart. Er is daarom ook gekeken hoe de begroting eruit zou zien wanneer gekozen zou zijn voor een huur van 400 euro, waarbij wel huurtoeslag mogelijk is. De resultaten hiervan zijn terug te vinden in begroting j. in bijlage 2. Uit deze begroting valt af te lezen dat ook bij een huur van 400 euro de 18-jarige de maandbegroting niet rond krijgt. Met alleen een bijstandsuitkering is het tekort 726 euro per maand, bij een inkomen uit studiefinanciering is het tekort 300 euro en als de 18jarige het minimumjeugdloon verdient is er een tekort van 190 euro.

4.3

Armoedeval

Uitstroomval Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. In de gemeente Rotterdam doet dit zich bij geen van de onderzochte huishoudtypen voor. Doorstroomval Van een doorstroomval is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. De enige doorstroomval die in dit onderzoek zichtbaar wordt is bij het paar met oudere kinderen: op 130 procent is de bestedingsruimte lager dan op 120 procent. Deze doorstroomval is al zichtbaar na invulling van alleen het basispakket. Oorzaken hiervan zijn de lagere huur- en zorgtoeslag en het wegvallen van het recht op de vergoedingen vanuit de Stichting Meedoen Rotterdam, te weten de vergoeding voor een chromebook, voor een voor een fiets en voor een schoolreis/ werkweek. Als ook naar de kosten voor sociale participatie wordt gekeken wordt de doorstroomval groter. De kosten voor sociale participatie nemen toe op 130 procent, omdat bij dat inkomen ook geen recht meer is op de vergoeding van een sportvereniging vanuit de Stichting Meedoen. Naast de Stichting Meedoen, kent de gemeente Rotterdam voor huishoudens met kinderen ook het Jeugdtegoed. Het tegoed staat op de Rotterdampas en kan worden uitgegeven in specifieke winkels.

Voor kinderen van 4 tot en met 11 jaar bedraagt het Jeugdtegoed 275 euro per jaar, voor kinderen vanaf 12 tot 18 jaar is dit 500 euro. Bovendien geldt voor oudere kinderen een hogere inkomensgrens, namelijk 130 procent van de geldende bijstandsnorm. Het is daarom interessant om te bekijken of huishoudens met oudere kinderen te maken krijgen met een doorstroomval op 140 procent. Naast het wegvallen van het Jeugdtegoed, is er geen recht meer op een gemeentelijke bijdrage in de premie van de collectieve zorgverzekering en het eigen risico is niet langer meeverzekerd. Bij een inkomen boven 130 procent bedraagt de maandpremie 164,53 euro per maand.

Tabel 2. Overzicht saldo inkomsten min uitgaven per maand, inclusief 140 procent, bij huishoudens met oudere kinderen d. eenoudergezin met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 324 € 157 110% € 360 € 193 120% € 494 € 327 130% € 567 € 364 140% € 898 € 678

h. paar met 2 oudere kinderen (14 & 16 jaar) saldo na saldo na basispakket basispakket en participatie 100% € 216 € -12 110% € 303 € 76 120% € 358 € 131 130% € 351 € 87 140% € 319 € 38

€ € € € €

saldo na basispakket 334 370 504 577 898

inclusief inkomenstoeslag saldo na basispakket en participatie € 167 € 203 € 337 € 374 € 678

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=e1f91e91-f67a-40be-8c19-0d6b996aa12e