CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb2632 Bijlage 4 behorende bij 21bb2566 - Ontwerp bestemmiingsplan Driemanssteeweg 15

Gemeenteraad 29 april 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 18. Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Driemanssteeweg 15’.14.012 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ecologie De Nederlandse natuurbescherming kent twee aspecten, te weten gebieds‐ en soortbescherming. Gebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000‐gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); die ‐ 32 ‐

gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied bevindt zich op circa 2,8 kilometer van het plangebied. Het betreft hier de Oude Maas, dat zich richt op de habitattypen ‘slikkige rivieroevers’, ‘ruigten en zomen’ en ‘vochtige alluviale bossen’ en op de doelsoorten ‘bever’ en ‘noordse woelmuis’. Deze habitattypen zijn gevoelig voor veranderingen in waterhuishouding en –kwaliteit, waarbij de doelsoorten ook gevoelig zijn voor verkleining, verstoring en/of versnippering van het leefgebied. De binnen het plangebied beoogde ontwikkeling heeft op al deze aspecten geen effect. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland betreft het bosgebied rondom het kasteel van Rhoon, dat zich op ruim 1,8 kilometer ten westen van het plangebied bevindt. Tussen dit onderdeel van het Natuurnetwerk en het plangebied zijn reeds andere verstorende functies aanwezig, zoals rijksweg A15, de Havenspoorlijn en een deel van de kern Rhoon. Negatieve effecten op het Natuurnetwerk vanwege de beoogde herontwikkeling is daardoor redelijkerwijs uit te sluiten. Het uitvoeren van een nader onderzoek is daarom niet aan de orde.

Soortbescherming Ook het aspect ’soortbescherming’ vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen:  strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel‐ en Habitatrichtlijn;  alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Uit een uitgevoerde quickscan6 blijkt, dat de te slopen bedrijfsbebouwing ongeschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. Immers bestaat uit pand voor een groot deel uit glas en nauw aansluitende betonelementen. Tevens staat het gebouw in een open omgeving met veel lichtmasten, wat de omgeving voor vleermuizen oninteressant maakt. Verblijfplaatsen kunnen dan ook redelijkerwijs worden uitgesloten. Daarnaast heeft het plangebied als foerageergebied weinig te bieden. Nabij de randen kunnen dieren jagend worden verwacht; het betreffen hier echter geen essentiële foerageergebieden. Ook de mogelijk aanwezige vliegroutes worden door de beoogde ontwikkeling niet nadelig beïnvloed.

De in het plangebied aanwezige vogels betreffen allen uiterst algemene soorten van categorie 5, zoals stadsduif, ekster en merel. Daarnaast bestaat de theoretische kans dat de scholekster op het aanwezige platte dak broedt. Omdat in de directe omgeving ruimschoots alternatieve nestmogelijkheden zijn, is geen sprake van bijzondere ecologische reden op basis waarvan sprake is van jaarronde bescherming. Nesten van jaarrond beschermde vogelsoorten kunnen ook redelijkerwijs worden uitgesloten. Door de sloop‐, kap‐ en/of bouwwerkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren, wordt voorkomen dat eventuele aanwezige nesten worden verstoord.

6 Buro Maerlant, Rotterdam Hornbach Driemanssteeweg; Ecologische quickscan, juli 2019.

Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Toelichting

‐ 33 ‐

In de omgeving van het plangebied is de steenmarter waargenomen. Dit betreft vrij zeker een losse waarneming, daar de steenmarter een meer oostelijke verspreiding heeft. In het plangebied zijn dan ook geen sporen aangetroffen. Ook is de bebouwing beoordeeld als ongeschikt en ontoegankelijk, waardoor de aanwezigheid van deze soort redelijkerwijs wordt uitgesloten. Dit geldt ook voor andere strikter beschermde grondgebonden zoogdieren. Voor de overige soortgroepen geldt, dat in het plangebied een geschikte habitat ontbreekt. Effecten op deze soorten kunnen door de aard van de locatie en de ingrepen op voorhand worden uitgesloten. Conclusie Doordat de werkzaamheden op het land plaatsvinden, beperkt van aard zijn en preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen, zijn over het algemeen géén negatieve effecten op strikter beschermde soorten te verwachten. Doordat de kans bestaat dat broedende vogels in de nabijheid van de werkzaamheden aanwezig zijn, dient wel rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Indien een ter zake deskundige heeft vastgesteld dat geen nesten aanwezig zijn óf soorten de werkzaamheden tolereren, is het ook mogelijk binnen de broedperiode werkzaamheden uit te voeren. Gesteld wordt, dat de Wet natuurbescherming realisatie van de beoogde ontwikkeling niet in de weg hoeft te staan. 4.10

Duurzaamheid en energie Duurzaamheid is onder andere zodanig bouwen, renoveren en beheren dat, gedurende de hele kringloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het begrip duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw. Rotterdam heeft een ambitieus klimaatprogramma vastgesteld. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam moet bij het ontwerp van gebouwen rekening worden gehouden met duurzaam bouwen‐principes en de energieprestatie eisen. Rotterdam streeft daarnaast naar een goede balans tussen sociale (people), ecologische (planet) en economische (profit) belangen bij het nemen van beslissingen en het uitvoeren van activiteiten. De stad streeft hierbij om als Rotterdam het inspirerende voorbeeld te zijn voor andere deltasteden in de wereld die de duurzaamheidstransitie doormaken. Daarbij is het zogenaamde Programma Duurzaam 2015‐2018 opgesteld, waarin drie overlappende ambities zijn opgenomen:  ambitie 1: groene, gezonde en toekomstbestendige stad;  ambitie 2: schonere energie tegen lagere kosten;  ambitie 3: sterke en innovatieve economie.

Met dit Programma Duurzaam wordt voor de periode 2015 ‐ 2018 verder gegaan op de ingeslagen weg en wordt verder ingezet op innovatie en het experiment. Algemeen kan worden opgemerkt dat de beoogde bouwmarkt met drive‐in en tuincentrum wordt gebouwd conform het Bouwbesluit 2012 en daarmee energiezuinig zal zijn. Dit leidt er tevens toe dat minder CO2 wordt uitgestoten, waarmee wordt voldaan aan de ambities 1 (verminderen CO2‐uitstoot) en 2 (verbeteren energie‐efficiënte) uit het Programma Duurzaam. Voorts zal zoveel als mogelijk voorzien worden in het gebruik van duurzame (bouw)materialen. Het is voorts aan de eindgebruiker om het gebouw naar eigen wens zo energiezuinig mogelijk in te richten, bijvoorbeeld door het toepassen van led‐verlichting en/of het gebruik van zonne‐ energie. ‐ 34 ‐

De herontwikkeling van het plangebied zelf kan eveneens gezien worden als een duurzame ontwikkeling. Met deze ontwikkeling wordt immers ingespeeld op een bredere differentiatie van het aanbod. Dit draagt tevens bij aan een opwaardering van het wooncomfort in de omgeving. 4.11

Besluit m.e.r. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.‐procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het Besluit m.e.r. bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.‐beoordeling benodigd is, staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen wordt per activiteit de drempelwaarden beschreven. Voor deze ruimtelijke onderbouwing is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.‐ (beoordelings)plicht kennen. Hierbij is één activiteit gevonden die mogelijk m.e.r‐ (beoordelings)plichtig is, te weten: 1. D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, bij een oppervlakte van 100 hectare of meer aaneengesloten gebied en dat 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. Het beoogde bouwplan behelst de bouw van een bouw‐ en tuinmarkt met drive‐in en parkeerplaatsen.

De beoogde omvang van het totale gebouw bedraagt bijna 15.000 m2 bruto vloeroppervlak. Daarmee blijft de omvang ruim onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.2. De drempelwaarden in onderdeel D van het Besluit m.e.r. zijn echter indicatieve waarden. Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Op grond van artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. is daarom wel een zogenaamde vormvrije m.e.r.‐beoordeling nodig. Als blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een milieueffectrapport noodzakelijk. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten:  Kenmerken project / activiteit: de omvang van het project betreft het realiseren van een bouw‐ en tuinmarkt met drive‐in en parkeerplaatsen met een bebouwd oppervlak van circa 15.000 m2. Daarmee zit de beoogde ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Het betreft een reeds bestaand stedelijk gebied dat voor bedrijfsactiviteiten gebruikt wordt. Ook de gronden in de directe omgeving zijn voor diverse stedelijke functies in gebruikt.

De beoogde herontwikkeling heeft met betrekking tot verkeer geen significant effect; de omliggende wegen worden nu ook reeds door andere aanwezige functies gebruikt. Het plan voldoet ruimschoots aan de wettelijke bepalingen voor de luchtkwaliteit en kan zonder verdere maatregelen worden uitgevoerd.  Plaats van het project / activiteit: de gronden waarop de beoogde ontwikkeling is voorzien liggen op grond van de provinciale verordening in het bestaand stadsgebied van Rotterdam. Voor de beoogde herontwikkeling zijn meerdere omgevingsaspecten nader beoordeeld en/of onderzocht (zie hiervoor de voorgaande paragrafen). Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Toelichting

‐ 35 ‐

Samenhang met andere activiteiten: er is geen samenhang met andere plannen/ontwikkelingen buiten het plangebied. De onderzoeken naar de verscheidene milieueffecten zijn in het eerdere deel van dit hoofdstuk toegelicht. Daarnaast belemmert de planontwikkeling de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet. Kenmerken van de (mogelijk belangrijke) nadelige milieugevolgen: uit de voorgaande paragrafen in dit hoofdstuk blijkt, dat de beoogde herontwikkeling niet leidt tot belangrijke milieugevolgen. De effecten die als gevolg van het project optreden zijn lokaal van aard en hebben geen grensoverschrijdend karakter. Er is daarom geen sprake van onomkeerbare effecten.

De toetsing aan de selectiecriteria uit de bijlage III EU‐richtlijnen 85/337/EEG maakt duidelijk dat geen sprake is van belangrijke nadelige effecten op het milieu die het opstellen van een MER noodzakelijk maken.

‐ 36 ‐

5.

JURIDISCHE ASPECTEN

5.1

Inleiding Het bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een plankaart (verbeelding) met daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of aanwezige bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. Samen met de regels is dit het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de planregels.

5.2

De opzet van de planregels De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:  Inleidende regels;  Bestemmingsregels;  Algemene regels;  Overgangs‐ en slotregels. Inleidende regels In de inleidende regels staan de algemene bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. De begripsbepalingen (art. 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (art. 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes etc. Bestemmingsregels De bestemmingen beginnen telkens met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de desbetreffende bestemming is toegekend, mogen worden gebruikt. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door een bepaling waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan (bouwregels). Alle regels die op een bepaalde bestemming van toepassing zijn, worden zoveel mogelijk in de bestemmingsregels zelf geregeld. Op deze wijze wordt bij de digitale versie van het plan bij het aanklikken op adres of bestemmingsvlak zo veel mogelijk informatie gegeven zonder dat er verder doorgeklikt behoeft te worden.

Dit bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen: Enkelbestemmingen Artikel 3 Detailhandel In het vervolg van deze paragraaf wordt per bestemming een nadere toelichting gegeven. Artikel 3 – Detailhandel Deze bestemming is toegekend aan het gehele plangebied. De bestemmingsomschrijving is specifiek gericht op de realisatie van de bouwmarkt met drive‐in en tuincentrum. Ook is bepaald dat niet‐zelfstandige horeca is toegestaan. Voor alle functies zijn maximale oppervlaktes bepaald. Ook is aangegeven welke bij de hoofdfunctie behorende voorzieningen zijn toegestaan, zoals infrastructurele voorzieningen, parkeervoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen.

Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Toelichting

‐ 37 ‐

In de bouwregels zijn hoogtematen vastgelegd en is voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bepaald tot welk oppervlak en/of welke hoogte deze gebouwd mogen worden. Tot slot is een regeling opgenomen ten aanzien van het ongewenste (strijdig) gebruik. Algemene regels Dit hoofdstuk bevat drie algemene regels. Artikel 5 Anti‐dubbeltelregel De anti‐dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 6 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een bepaling opgenomen waarmee burgemeester en wethouders onder voorwaarden met maximaal 10% kunnen afwijken van de in de regels gestelde afmetingen, maten en percentages. Tevens is een afwijking opgenomen inzake een verhoging van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw ten behoeve van een architectonisch verantwoorde afronding van de bovenste bouwlaag c.q. kap/schuin dakvlak. De bouwhoogte kan in dat geval met 1 meter verhoogd worden.

Artikel 7 Voorwaardelijke verplichting over parkeren Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto’s én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”.

Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto’s conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn

‐ 38 ‐

voor auto’s en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning. Beleidsregeling Op dit moment geldt “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018”. Deze beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden vrijstelling kan worden verleend. Overgangs‐ en slotregels In artikel 8 is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste artikel is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.

Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Toelichting

‐ 39 ‐

‐ 40 ‐

6.

UITVOERBAARHEID

6.1

Financiële uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. In de aan de orde zijnde situatie is daarvan sprake. In het kader van de ontwikkeling van de bouwmarkt met drive‐in en tuincentrum is met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst getekend. Daarmee zijn alle gemeentelijke kosten gedekt. De ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De kosten in verband met de realisatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeente Rotterdam vervult hierin enkel een kaderstellende en toetsende rol. Gelet op het vorenstaande is het plan financieel uitvoerbaar.

6.2

Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro Op grond van artikel 3.1.1. Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het concept ontwerpbestemmingsplan is dan ook toegezonden aan de volgende partijen:  Provincie Zuid‐Holland;  Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;  Ministerie van Defensie;  Rijkswaterstaat;  Metropoolregio Rotterdam Den Haag;  Waterschap Hollandse Delta;  DCMR Milieudienst Rijnmond;  Bureau voor Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR);  Veiligheidsregio Rotterdam‐Rijnmond (VRR);  ProRail;  Luchtverkeersleiding Nederland;  VWS Pipeline Control;  KPN Telecom;  Tennet;  Stedin;  GasUnie. Van TenneT en het Waterschap Hollandse Delta zijn formele reacties ontvangen, waarin is aangegeven dat het plan hun belangen niet schaadt. Door het BOOR zijn enkele tekstuele opmerkingen gemaakt; deze zijn in de paragraaf ‘archeologie’ verwerkt. Zowel Rijkswaterstaat als de VRR hebben een inhoudelijke reactie gegeven, die hieronder is samengevat en is voorzien van een gemeentelijk standpunt.

Van de overige overlegpartners is binnen de gevraagde termijn geen reactie ontvangen, op basis waarvan wordt gesteld dat deze partners zich kunnen vinden in dit bestemmingsplan.

Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Toelichting

‐ 41 ‐

1. Rijkswaterstaat a. Het plangebied wordt ontsloten via de Driemanssteeweg. Deze weg takt door middel van een kruispunt aan op de Groene Kruisweg. In de ochtendperiode is hier sprake van een overbelast kruispunt. Rijkswaterstaat onderschrijft dat de beoogde ontwikkeling niet de veroorzaker van dit knelpunt is, maar dat dit in de huidige situatie al een probleem vormt. Desondanks voegt de beoogde ontwikkeling wel extra spitsverkeer toe, waardoor de terugslag naar de aansluiting en daarmee ook op de A15 zal toenemen. Mogelijk vinden er in de directe omgeving nog andere ontwikkelingen plaats, die ook op hun beurt het knelpunt verder onder druk zetten. Rijkswaterstaat verneemt dan ook graag of dergelijke ontwikkelingen bekend zijn. Daarnaast wordt verzocht om aan te geven welke maatregelen de gemeente gaat treffen om het huidige knelpunt op te lossen. Beantwoording a. Zoals aangegeven is de beoogde ontwikkeling niet de oorzaak van de overbelasting die optreed tijdens de ochtendspits. In het kader van dit bestemmingsplan zijn dan ook geen maatregelen noodzakelijk. De situatie heeft echter wel de aandacht met het oog op mogelijke toekomstige ontwikkelingen in de (directe) omgeving. Hieraan wordt separaat aandacht besteed en Rijkswaterstaat betrokken als adviespartner. 2. Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond a.

Geadviseerd wordt om gebouwen binnen de 1% letaliteitscontour toxisch scenario (120 meter vanuit het hart van de Kortsluitroute of rijksweg A15) zodanig te construeren dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid worden vergroot. Hierbij kan gedacht worden aan afsluitbare deuren en ramen en een uit te schakelen luchtverversingssysteem. b. Geadviseerd wordt om binnen de 1% letaliteitscontour (70 meter van de rijksweg A15 en 85 meter vanuit de Kortsluitroute) minimaal één nooduitgang van de bron af te richten en in voldoende mate aan te laten sluiten op de infrastructuur in de omgeving. c. Geadviseerd wordt om de aanwezige personen in het plangebied goed voor te lichten hoe te handelen in geval van een incident. Beantwoording De door de VRR geadviseerde maatregelen betreffen aspecten die van belang zijn in het kader van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Het betreft geen aspect die met dit bestemmingsplan vastgelegd kan worden. Wel maken de door de VRR geadviseerde maatregelen onderdeel uit van de verantwoording van het groepsrisico en daarmee indirect ook van de toelichting van dit bestemmingsplan.

‐ 42 ‐

II.

REGELS

‐ 44 ‐

INHOUDSOPGAVE PLANREGELS HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS.............................................................................................. 47 Artikel 1 – Begrippen......................................................................................................................... 47 Artikel 2 – Wijze van meten .............................................................................................................. 51 HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS.......................................................................................... 53 Artikel 3 – Detailhandel..................................................................................................................... 53 HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS ............................................................................................... 55 Artikel 4 – Antidubbeltelregel ........................................................................................................... 55 Artikel 5 – Algemene afwijkingsregels .............................................................................................. 55 Artikel 6 – Voorwaardelijke verplichting over parkeren ................................................................... 55 HOOFDSTUK 4 OVERGANGS‐ EN SLOTREGELS ..............................................................................

57 Artikel 7 – Overgangsrecht................................................................................................................ 57 Artikel 8 – Slotregel ........................................................................................................................... 57

Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Regels

‐ 45 ‐

‐ 46 ‐

HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 – Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: Plan het bestemmingsplan “Driemanssteeweg 15” met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP2146Driemansst15‐on01 van de gemeente Rotterdam. Bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. Verbeelding de digitale plankaart. Verdere begrippen in alfabetische volgorde: Aanbouw (uitbouw): een uitbreiding van het hoofdgebouw in één bouwlaag (hieronder wordt tevens een uitbouw begrepen). Aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. Aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. Bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak. Bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met een zelfde bestemming. Bouwaanduidingen: alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken. Bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Regels

‐ 47 ‐

Bouwgrens: de grens van een bouwvlak. Bouwlaag: het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en een plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, zolder, souterrain, parkeerplint, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als aparte bouwlaag geteld. Bouwmarkt: detailhandelsbedrijf, al dan niet geheel overdekt, waar het volledige assortiment aan (grove) bouw‐ en doe‐het‐zelfproducten aan zowel vakman als particulier wordt aangeboden, met advisering over producten, toepassing en uitvoering, en aanvullende services waaronder verhuur van materieel en gereedschap, inclusief bijbehorende voorzieningen, zoals, maar niet uitsluitend, technische ruimten, onzelfstandige kantoren en kantine. Bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. Bruto vloeroppervlak: het bruto vloeroppervlakte zoals bedoeld in NEN 2580.

Bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. Detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps‐ of bedrijfsactiviteit. Drive‐in: al dan niet gebouwde detailhandelsvoorziening inclusief kassa‐ en serviceruimte, bedoeld voor de verkoop, het ophalen en het retourneren van (grove) bouw‐ en doe‐het‐zelfproducten en tuinmaterialen alsmede de verhuur van materieel en gereedschap, geschikt en ingericht om met een voertuig in te rijden en te verblijven, waar bezoekers producten kunnen inladen respectievelijk lossen.

‐ 48 ‐

Gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Hoofdgebouw: een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. Maaiveld: de bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden. Luifel: een bouwkundig element aan de gevel van een gebouw, bestaande uit een overdekking (dakconstructie) dat met de ene horizontale kant aan de buitenzijde van het gebouw is bevestigd, terwijl de daar tegenoverliggende zijde vrij dragend is. Milieudeskundige: de DCMR Milieudienst Rijnmond of de daarvoor in de plaats tredende instantie. NAP: het Normaal Amsterdams Peil; dit is de referentiehoogte waaraan hoogtemetingen in Nederland worden gerelateerd. Niet‐zelfstandige horeca horeca die een functionele relatie heeft met de in de bestemmingsomschrijving genoemde hoofdfunctie en uitsluitend ondergeschikt en ondersteunend is aan die hoofdfunctie. Overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand. Peil: a.

voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. indien in of op het water wordt gebouwd; de bovenzijde van het ponton waarop het bouwwerk zich bevindt.

Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Regels

‐ 49 ‐

Tuincentrum een detailhandelsbedrijf, al dan niet geheel overdekt, waar het volledige assortiment aan levende en niet levende huis‐ en tuingerelateerde artikelen alsmede daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen wordt aangeboden, waaronder snijbloemen, droogbloemen, (kunststof)planten, plantenbakken, potten en vazen, alsmede detailhandel in artikelen voor de inrichting en het onderhoud van tuinen, waaronder tuinmeststoffen, tuingereedschappen, bouwmaterialen voor de tuin, tuinhuisjes, serres, hobbyschuurtjes, tuinmeubelen en tuinverlichting, alsmede detailhandel in dieren en dierenbenodigdheden. Uitstekende delen aan gebouwen erkers, luifels, balkons, galerijen en dergelijke.

‐ 50 ‐

Artikel 2 – Wijze van meten 2.1

Meten Bij de toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten: a. de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. b. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels ( en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. c. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. d. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een bouwwerk. Dakoverstekken, luifels, balkons en dergelijke worden hierbij niet meegeteld. e. de breedte van een gebouw: van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingsmuur, met dien verstande, dat wanneer de zijgevels verspringen of niet evenwijdig lopen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte.

2.2

Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als gevel‐ en kroonlijsten, luifels, balkons, dakgoten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 meter bedraagt.

Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Regels

‐ 51 ‐

‐ 52 ‐

HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 – Detailhandel 3.1

Bestemmingsomschrijving De voor “Detailhandel” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een bouwmarkt, met een maximale oppervlakte van 10.000 m² bvo; b. een tuincentrum, met een maximale oppervlakte van 5.600 m² bvo, bestaande uit een gebouw van maximaal 2.600 m2 bvo, een overkapping van maximaal 1.000 m2 bvo en een onoverdekte buitenruimte van maximaal 2.000 m2 bvo; c. een met de bouwmarkt/tuincentrum functioneel verbonden drive‐in met een maximum oppervlakte van 5.300 m2 bvo; d. niet‐zelfstandige horeca, met een maximale oppervlakte van 250 m² bvo; met de daarbij behorende e. gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde (waaronder een reclamemast, uitsluitend ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding ‘reclamemast’), wegen en paden, erven, terreinen, infrastructurele voorzieningen, parkeervoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen.

3.2

Bouwregels

3.2.1 Algemeen Op de voor “detailhandel” bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in artikel 3.1 genoemde doeleinden worden gebouwd. 3.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd; b. de maximum bouwhoogte mag niet meer bedragen dan op de verbeelding met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ is aangegeven, met dien verstande dat voor maximaal 5% van het oppervlak van het bouwvlak een extra hoogte van 2 meter is toegestaan. 3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf‐ of perceelafscheidingen mag niet meer bedragen dan 3 meter; b. de bouwhoogte van luifels en overkappingen (geen gebouwen zijnde) mag niet meer bedragen dan 12 meter; c. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 15 meter; d. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 12 meter; e. de bouwhoogte van de in artikel 3.1 onder e benoemde reclamemast mag niet meer bedragen dan 40 meter; f. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 12 meter.

Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Regels

‐ 53 ‐

3.3

Specifieke gebruiksregels

3.3.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo wordt in ieder geval verstaan: a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan bedoeld in artikel 3.1; b. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van zelfstandige kantoren; c. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van zelfstandige horeca.

‐ 54 ‐

HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS Artikel 4 – Antidubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen b uiten beschouwing.

Artikel 5 – Algemene afwijkingsregels 5.1

Afwijking toegestane afmetingen, maten en percentages Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels van dit bestemmingsplan voor afwijkingen van toegestane afmetingen, maten (waaronder minimale en maximale afstanden) en percentages tot niet meer dan 10% van die afmetingen, maten en percentages, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat‐ en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de milieusituatie.

5.2

Afwijking toegestane bouwhoogte architectuur Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels ten aanzien van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 meter, uitsluitend toe te passen ingeval extra bouwhoogte nodig is voor een architectonische verantwoorde afronding van de bovenste bouwlaag c.q. kap/schuin dakvlak.

Artikel 6 – Voorwaardelijke verplichting over parkeren Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en het gebruik van gronden of bouwwerken op grond van de regels in hoofdstuk 2 kan uitsluitend worden verleend als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen, overeenkomstig het in de gemeente Rotterdam geldende beleid ten aanzien van parkeren.

Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Regels

‐ 55 ‐

‐ 56 ‐

HOOFDSTUK 4 OVERGANGS‐ EN SLOTREGELS Artikel 7 – Overgangsrecht 7.1

Overgangsrecht bouwwerken

7.1.1 Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 7.1.2 Burgemeester en wethouders kunnen éénmalig afwijken van het bepaalde in 7.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 7.1.3 Het bepaalde in 7.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 7.2

Overgangsrecht gebruik

7.2.1 Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 7.2.2 Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 7.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 7.2.3 Indien het gebruik, bedoeld in 7.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 7.2.4 Het bepaalde in 7.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 8 – Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan “Driemanssteeweg 15”, gemeente Rotterdam.

Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Regels

‐ 57 ‐

‐ 58 ‐

III.

BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)

IV

VERBEELDING

VERKLARING Plangebied Driemanssteeweg 15

Enkelbestemmingen DH

Detailhandel

Bouwvlakken bouwvlak

Bouwaanduidingen [sba-rcm]

specifieke bouwaanduiding reclamemast

Maatvoeringen 12

maximum bouwhoogte (m)

DH 12

project: [sba-rcm]

Driemanssteeweg 15 gemeente:

Rotterdam fase:

Ontwerpbestemmingsplan opdrachtgever:

HORNBACH Bouwmarkt (Nederland) BV datum : 2 juli 2020 schaal : 1 : 2.000 NL.IMRO.0599.BP2146Driemansst15-on01 identificatienummer: : ondergrond: o_NL.IMRO.0599.BP2146Driemansst15-on01

Postbus 6083 3002 AB Rotterdam email: info@bodg.nl tel: 06-48384580

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=916bc7c5-e3c5-4f4d-a0fa-4b0a7f571a8c