21bb2632 Bijlage 4 behorende bij 21bb2566 - Ontwerp bestemmiingsplan Driemanssteeweg 15
Tekst van het document
ONTWERP
BESTEMMINGSPLAN DRIEMANSSTEEWEG 15
3 juli 2020
ONTWERP
BESTEMMINGSPLAN DRIEMANSSTEEWEG 15
concept ontwerp ontwerp vaststelling
10 april 2019 3 juli 2020
direct
pers
creatief
oonli
jk vlot
betrokken atisch pragm
kundig
held
er
dyna
misc
h
BOdG Ruimtelijk Advies B.V. Postbus 6083 3002 AB Rotterdam www.BOdG.nl
INHOUDSOPGAVE
I.
TOELICHTING
II.
REGELS
III.
BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)
IV.
VERBEELDING
I.
TOELICHTING
INHOUDSOPGAVE TOELICHTING 1.
2.
3.
4.
INLEIDING .............................................................................................................................. 11 1.1
Aanleiding ............................................................................................................................... 11
1.2
Ligging en begrenzing ............................................................................................................. 11
1.3
Vigerend bestemmingsplan .................................................................................................... 11
1.4
Gekozen planopzet ................................................................................................................. 12
BELEIDSKADER ....................................................................................................................... 13 2.1
Nationaal beleid ...................................................................................................................... 13
2.2
Provinciaal beleid .................................................................................................................... 14
2.3
Regionaal en gemeentelijk beleid........................................................................................... 15
2.4
Ladder voor duurzame verstedelijking ................................................................................... 16
BESCHRIJVING VAN HET PLAN ............................................................................................... 19 3.1
Omgeving en huidig gebruik ................................................................................................... 19
3.2
Projectbeschrijving ................................................................................................................. 20
TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN.................................................................................. 25 4.1
Water ...................................................................................................................................... 25
4.2
Milieuzonering ........................................................................................................................ 27
4.3
Geluid ...................................................................................................................................... 27
4.4
Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 27
4.5
Externe veiligheid ................................................................................................................... 28
4.6
Bodem ..................................................................................................................................... 31
4.7
Archeologie ............................................................................................................................. 31
4.8
Ecologie ................................................................................................................................... 32
4.10 Duurzaamheid en energie ...................................................................................................... 34 4.11 Besluit m.e.r. ........................................................................................................................... 35 5.
6.
JURIDISCHE ASPECTEN ........................................................................................................... 37 5.1
Inleiding .................................................................................................................................. 37
5.2
De opzet van de planregels .................................................................................................... 37
UITVOERBAARHEID ............................................................................................................... 41 6.1
Financiële uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 41
6.2
Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro ............................................................................................ 41
Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Toelichting
‐9‐
‐ 10 ‐
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding Het voornemen bestaat om nabij de entree van het bedrijventerrein Charloisse Poort een bouw‐ en tuinmarkt met drive‐in en parkeerplaatsen te realiseren. In het geldende bestemmingsplan “Charloisse Lagedijk” is aan het betreffende perceel Driemanssteeweg 15 echter een bedrijfsbestemming toegekend die een dergelijke perifere detailhandelsfunctie niet toestaat. Omdat de realisatie op deze locatie als passend wordt gezien, is besloten tot een wijziging van de nu geldende bestemming. Dit projectbestemmingsplan voorziet hierin.
1.2
Ligging en begrenzing Bedrijventerrein Charloisse Poort is gelegen aan de zuidrand van het stadsdeel Charlois, daar waar de Groene kruisweg aansluit op Rijksweg A15. Het bedrijventerrein kent één hoofdweg, de Driemanssteeweg, met aan weerszijden een brede variëteit aan bedrijven en enkele zijstraten. De locatie Driemanssteeweg 15 bevindt zich aan de westzijde, nabij de entree van het terrein. De kadastrale eigendomsgrenzen vormen ook de begrenzing van dit bestemmingsplan. De betreffende kavels staan kadastraal bekend als RTD12, sectie AN, nummers 786, 788 en 790.
Afbeelding 1: Ligging van het plangebied in Rotterdam (links) en in de directe omgeving (rechts).
1.3
Vigerend bestemmingsplan Zoals aangegeven vormt het bestemmingsplan “Charloisse Lagedijk” momenteel het vigerend juridisch‐planologisch kader. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 2 februari 2017. Uit afbeelding 2 valt op te maken, dat op grond van het vigerende bestemmingsplan binnen het plangebied één hoofdbestemming van kracht is: ‘Bedrijf ‐ 4’. De gronden zijn daarmee bestemd voor bedrijven t/m categorie 3.2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende tot de planregels van het bestemmingsplan “Charloisse Lagedijk”. Perifere detailhandel in de vorm van een bouwmarkt of tuincentrum behoort niet tot de genoemde bedrijfsactiviteiten. Het bestemmingsplan biedt wel de mogelijkheid om van de genoemde bedrijfsactiviteiten binnenplans af te wijken, mits deze bedrijfsactiviteiten naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn. Daarvan is in dit geval geen sprake, waardoor hiervan geen gebruik gemaakt kan worden.
Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Toelichting
‐ 11 ‐
Wat betreft de bouwmogelijkheden is met aanduidingen op de verbeelding bepaald dat maximaal 60% van het bouwvlak mag worden bebouwd. De bouwhoogte mag daarbij niet meer bedragen dan 12 meter.
Afbeelding 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Charloisse Lagedijk” (plangebied oranje omkaderd).
Het perceel is tevens voorzien van de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 2”. Deze dubbelbestemming beschermt eventuele archeologische waarden. Het uitvoeren van bouw‐ en/of graafwerkzaamheden met een oppervlak van meer dan 200 m2 en die dieper reiken dan 1 meter beneden maaiveld is toegestaan, nadat uit een archeologisch onderzoek blijkt dat eventuele aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. 1.4
Gekozen planopzet Dit bestemmingsplan biedt een juridisch‐planologische regeling die voorziet in voldoende flexibiliteit om de geplande ontwikkeling te realiseren. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 2) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 3). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Wat betreft de planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam, met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).
‐ 12 ‐
2.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de belangrijkste beleidsstukken aangehaald die betrekking hebben op Rotterdam en in het bijzonder die voor dit plan.
2.1
Nationaal beleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SVIR) vastgesteld. Dit document beschrijft een totaalbeeld van het ruimtelijk‐ en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau en is de ‘kapstok’ voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Door vaststelling van de SVIR geldt voor de ruimtelijke ordening in brede zin dat een aanzienlijk deel van de Rijkstaken is gedecentraliseerd. Alleen voor een beperkt aantal onderwerpen wordt de bevoegdheid om algemene regels te stellen ingezet. Het gaat hierbij om nationale belangen. Aangezien een structuurvisie geen bindende werking heeft voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld, zijn deze nationale belangen geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het beleid met betrekking tot verstedelijking heeft het Rijk onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet' overgelaten aan de lagere overheden. Wel is sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de 'SER‐ladder'). Deze is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en bestond oorspronkelijk uit drie treden. Per 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn komen te vervallen.
Daarnaast is het begrip ‘actuele regionale behoefte’ vervangen door ‘behoefte’. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling. Nota Belvedère In 1999 is de Nota Belvedère verschenen. Doel van de nota is de cultuurhistorische identiteit meer richtinggevend te laten zijn voor de inrichting van de ruimte. Deze doelstelling wordt in de nota geconcretiseerd in een breed scala van te ondernemen acties op Rijks‐, regionaal‐ en lokaal niveau. In het kader van de nota is een landsdekkend overzicht gemaakt van de cultuurhistorisch meest waardevol geachte steden en gebieden: de Cultuurhistorische Waardenkaart van Nederland (ook wel Belvedèrekaart genoemd). Rotterdam wordt aangemerkt als een 'in cultuurhistorisch opzicht belangrijke stad'. De huidige juridische basis voor het omgaan met archeologische waarden is de Erfgoedwet. Met de Erfgoedwet wil de overheid het cultureel erfgoed in Nederland beter beschermen. Er waren verschillende wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. Die wetten en regels zijn nu vastgelegd in één wet. De Erfgoedwet geldt sinds 1 juli 2016. De Erfgoedwet heeft zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen: Monumentenwet 1988. Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten. Wet tot behoud van cultuurbezit. Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied.
Uitvoeringswet UNESCO‐verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen. Regeling materieel beheer museale voorwerpen.
Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Toelichting
‐ 13 ‐
In 1998 is het Verdrag van Valletta door de Staten Generaal geratificeerd. De uitgangspunten uit dat verdrag blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De belangrijkste verandering voor archeologen is de vervanging van de opgravingsvergunning door een wettelijk geregelde certificering. Ook beschermt de Erfgoedwet het maritieme archeologische erfgoed beter. In het kader van het project 'modernisering monumentenzorg' (MoMo) hebben per 1 januari 2012 enkele wijzigingen in de wet‐ en regelgeving plaatsgevonden. Voor het bestemmingsplanproces is de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de belangrijkste: gemeenten dienen in hun bestemmingsplannen rekening te houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Conclusie nationaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan is erop gericht om binnen het plangebied een bouw‐ en tuinmarkt met drive‐in en parkeerplaatsen te realiseren. De ontwikkeling heeft geen invloed op de door het Rijk gestelde 'doelen van nationaal belang', zoals vastgelegd in het Barro. Wel dient te worden onderzocht of er in dit geval sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder van duurzame verstedelijking. Dit is nader uitgewerkt in § 2.4. Gesteld kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling geen strijdigheid vertoont met het nationale beleid. 2.2
Provinciaal beleid Visie Ruimte en Mobiliteit, Verordening ruimte 2014 en Programma's Ruimte en Mobiliteit Als gevolg van grote veranderingen, zoals op sommige plaatsen een krimpende bevolking en meer behoefte aan duurzame energievoorzieningen, hebben Provinciale Staten van Zuid‐ Holland op 9 juli 2014 de Structuurvisie "Ruimte en Mobiliteit" vastgesteld. Ook de Verordening ruimte 2014 en de programma's 'Ruimte' en 'Mobiliteit' maken hiervan deel uit. In deze documenten is het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid van de provincie tot aan 2030 vastgelegd, waarbij de programma's een grotere dynamiek kennen dan de visie. Het plangebied is in de Verordening ruimte 2014 aangemerkt als bestaand stads‐ en dorpsgebied. Eén van de speerpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid is om het bestaand stads‐ en dorpsgebied beter te benutten, door herstructurering, intensivering en/of transformatie van het stedelijk gebied. Hierbij speelt de ladder voor duurzame verstedelijking een belangrijke rol. De provincie ziet graag dat deze ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten het bestaand stads‐ en dorpsgebied.
Dit kan bereikt worden door de geplande opgave met behulp van regionale visies voor wonen, kantoren, bedrijventerreinen en detailhandel met de andere gemeenten in de regio af te stemmen. Wanneer de regionale visies voldoen aan de behoefteramingen, locatiekeuzes en kwalitatieve uitgangspunten, worden die door Gedeputeerde Staten formeel aanvaard. Hierdoor beoordeelt de provincie niet langer de individuele bestemmingsplannen. Notitie detailhandel Zuid‐Holland In de notitie detailhandel Zuid‐Holland1 is rekening gehouden met een in 2016 uitgevoerd koopstromenonderzoek en het provinciale Hoofdlijnenakkoord 2015‐2019. Het doel van de 1 Droogh Trommelen en Partners (DTNP), Detailhandel Zuid‐Holland, mei 2017 (zie bijlage).
‐ 14 ‐
provincie is om krachtige, levendige en goed bereikbare stedelijke en dorpscentra te creëren waarbij kantoren, horeca, woningen, cultuur en detailhandel elkaar versterken. Door een goede voorzieningenstructuur op te bouwen moet er een sterk vestigingsklimaat ontstaan in de dorpen en centra. Daarnaast staat de provincie vestiging buiten winkelcentra slechts toe aan een beperkt aantal branches, die niet in centra zijn in te passen. Deze winkels vormen een uitzondering op de regel dat winkels in winkelcentra thuishoren. De ladder voor duurzame verstedelijking is leidend bij de accommodatie van de ruimtevraag. In het beleid is gekozen voor een driedeling in de hoofdwinkelstructuur: ruimtelijk faciliteren van een beperkt aantal te ontwikkelen centra (volume uitbreiding volgens het ‘ja‐mits‐principe’); ruimtelijk restrictief beleid ten aanzien van te optimaliseren centra (volume uitbreiding volgens het ‘nee‐tenzij‐principe’); beleid gericht op herstructurering van overige aankoopplaatsen (buiten de hoofdstructuur). De provincie staat op hoofdlijnen nog steeds achter het gevoerde beleid en vindt dat een duidelijke structuur nog steeds gewenst is. Er moet extra ingezet worden op versterking binnen centra en op afbouw en transitie van gebieden daarbuiten. De provincie Zuid‐Holland legt de prioriteiten van het detailhandelsbeleid bij de centra.
Zij wil de detailhandelsactiviteiten zoveel mogelijk bundelen om de centra zo aantrekkelijk mogelijk te houden voor bezoekers. Daarom zijn in beginsel geen nieuwe ontwikkelingen buiten bestaande gebieden gewenst, tenzij dus sprake is van branches die niet of niet goed inpasbaar zijn in de bestaande winkelcentra, zoals de perifere detailhandel. Het gaat dan om detailhandel in volumineuze goederen, tuincentra en bouwmarkten. De provincie geeft hierbij aan dat er per geval bekeken wordt of er kwantitatieve en kwalitatieve behoefte is en of de nieuwe locatie van toegevoegde waarde is op de voorzieningenstructuur voor de consument. De locaties die door de provincie zijn aangewezen voor perifere detailhandel (PDV‐locaties) bieden ruimte voor complementair, aanvullend aanbod ten opzichte van de centrumgebieden. Op de PDV‐locaties worden branches toegestaan als keukens, badkamers, vloerbedekking, parket, zonwering en jacuzzi’s. Bedrijventerrein Charloisse Poort behoort niet tot een aangewezen PDV‐locatie, maar in het beleid is opgenomen dat tuincentra en bouwmarkten ook daarbuiten worden toegestaan om te zorgen voor spreiding van deze voorzieningen. Conclusie provinciaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan De beoogde bouwmarkt met drive‐in en tuincentrum bevindt zich binnen het bestaande stads‐ en dorpsgebied, waarvoor geldt dat de ruimte beter benut moet worden.
Zoals aangegeven behoort de locatie niet tot een aangewezen PDV‐locatie, maar biedt het provinciaal beleid omwille van een goede spreiding, de ruimte om bouwmarkten en tuincentra ook daarbuiten te realiseren. Voor de toetsing aan de criteria van de ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar § 2.4. Gesteld wordt dat realisatie past binnen het provinciaal beleid. 2.3
Regionaal en gemeentelijk beleid Agenda Detailhandel MRDH 2016‐2021 De beleidsrichtlijnen in de metropoolregio zijn tot stand gekomen door het analyseren en samenvoegen van de beleidsrichtlijnen van de voormalige stadsregio Rotterdam en het stadsgewest Haaglanden. Afspraak is dat bij initiatieven van meer dan 2.000 m² in de stadscentra of meer dan 1.000 m² in de periferie, de gemeenten gezamenlijk afstemmen over
Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Toelichting
‐ 15 ‐
deze initiatieven. De geformuleerde beleidsrichtlijn is onder andere het in stand houden van de bestaande structuur en het streven naar optimale verzorging. Andere richtlijnen zijn het clusteren van de detailhandel, het levendig houden van kleine kernen en buurten (ook op wijkniveau) en het stimuleren van regionaal verzorgende centra. Ook de metropoolregio hanteert de uitgangspunten van de provincie met betrekking tot de PDV‐locaties. Daarbij geldt eenzelfde regeling voor bouwmarkten en tuincentra; de vestiging daarvan buiten de aangewezen gebieden is mogelijk maar daarbij is toetsing noodzakelijk aan de consumentenverzorging in het verzorgingsgebied. Detailhandelsnota gemeente Rotterdam De geformuleerde doelstellingen op het gebied van detailhandel zijn onder andere het streven naar een toekomstbestendige winkelstructuur waarbij de consument centraal staat. Dit wil de gemeente bereiken door aandacht te schenken aan het koopgedrag van de consument en het winkelaanbod. Uit de detailhandelsnota komt naar voren dat de gemeente duidelijke keuzes maakt in de verschillende winkelgebieden waarbij sprake is van gebiedskoersen. Algemeen geldt ten aanzien van perifere winkelconcentraties het gedachtegoed van het PDV‐ locatiebeleid, zoals vastgesteld door de provincie. In stadsregionaal verband is afgesproken dat verbreding van het aanbod niet gewenst is.
In Rotterdam zijn er drie perifere detailhandels‐ concentraties: Alexandrium Woonmall, Bigshops Parkboulevard en Stadionweg/Veranda. Daarnaast is sprake van één grootschalige detailhandelsconcentratie (Alexandrium megastores). Er is op dit moment geen behoefte aan nieuwe perifere locaties, maar tuincentra en bouwmarkten vormen hierop een uitzondering. Zij hebben een bijzondere positie en zijn buiten de geformuleerde gebiedskoersen mogelijk, mits zij efficiënt gebruik maken van de ruimte en zoveel mogelijk aansluiten bij andere voorzieningen. Bij het toestaan van een nieuw tuincentrum of bouwmarkt wordt er gekeken naar de consumentenverzorging in het gebied. Stadsvisie Rotterdam 2030 De Stadsvisie Rotterdam 2030 is door de gemeenteraad vastgesteld op 29 november 2007. De stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de periode tot 2030 en heeft als missie te komen tot een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op het gebied van wonen en economie. In de Stadsvisie zijn op basis van effectmeting dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad'; de zogenoemde VIP‐ gebieden, waaraan prioriteit wordt gegeven bij de uitwerking. Het plangebied maakt hiervan geen deel uit.
Op de kansenkaart is het plangebied wel gelegen binnen de A15‐zone. Dit gebied biedt mogelijkheden voor extra werkgelegenheid voor Zuid en voor wonen, groen en recreatie. Conclusie regionaal en gemeentelijk beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan De beoogde bouwmarkt met drive‐in en tuincentrum past binnen de richtlijnen van het regionaal en gemeentelijk beleid, mits wordt aangetoond dat het past binnen de vraag naar consumentenverzorging van het gebied. Een nadere onderbouwing daarvan is opgenomen in § 3.2. De ontwikkeling draagt voorts bij aan extra werkgelegenheid voor Rotterdam‐Zuid. Gesteld wordt dat realisatie past binnen de gemeentelijke beleidskaders. 2.4
Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking is een motiveringsvereiste voor ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. In de toelichting van het bestem‐ mingsplan dient dan een motivering voor de Ladder te zijn opgenomen. De Ladder is verankerd in artikel 3.1.6. lid 2 Bro en luidt als volgt:
‐ 16 ‐
'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien'. De Ladder is alleen van toepassing op een plan dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Is dit het geval dan is een beschrijving van de behoefte nodig. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet in onderlinge samenhang worden bezien in hoeverre het voornemen voorziet in een functiewijziging en/of extra planologisch beslag legt op de ruimte in vergelijking tot wat reeds mogelijk is op grond van het nu geldende bestemmingsplan. Zoals beschreven in § 1.3 is aan het plangebied op grond van het vigerende bestemmingsplan de bestemming ‘Bedrijf ‐ 4’ toegekend. De gronden zijn daarmee bestemd voor bedrijven t/m categorie 3.2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten, behorende tot de planregels van het bestemmingsplan. Onder deze bedrijfsactiviteiten is tevens de handel in ‐ en reparatie van ‐ auto 's en motorfietsen toegestaan, de functie waarvoor de huidige gronden worden gebruikt.
Met het nieuwe bestemmingsplan is het de bedoeling een andere vorm van detailhandel toe te staan, te weten de exploitatie van een bouw‐ en tuinmarkt met drive‐in. Daarmee is in vergelijking tot het huidige bestemmingsplan weliswaar sprake van een functiewijziging, maar de aard van de functie waarin het nieuwe bestemmingsplan zal voorzien, alsook de ruimtelijke uitstraling, verschillen niet wezenlijk van de reeds toegestane functie. De beoogde functiewijziging is in die zin naar aard dan ook vergelijkbaar met de functie die ter plaatse reeds is toegestaan. Ook qua ruimtebeslag zal in het nieuwe bestemmingsplan het planmatig toegestane bruto vloeroppervlak van de bebouwing substantieel verminderen. Onder het thans geldende plan is een bebouwingspercentage van 60% van de kavel toegestaan met een bouwhoogte van 12 meter. In dit nieuwe bestemmingsplan is het bruto vloeroppervlakte per functie gelimiteerd en per saldo een stuk lager dan onder het oude plan was toegestaan (zie ook § 3.2). Conclusie Uit het voorgaande volgt dat weliswaar sprake is van een functiewijziging, maar dat de nieuwe functie naar aard en ruimtelijke uitstraling vergelijkbaar is met de functie die het bestemmingsplan hier reeds toestaat. Met de afname van het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlak geldt daarnaast dat de nieuwe ontwikkeling niet voorziet in een toename van het planologisch ruimtebeslag.
Om deze redenen is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en kan toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking feitelijk achterwege blijven.
Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Toelichting
‐ 17 ‐
‐ 18 ‐
3.
BESCHRIJVING VAN HET PLAN In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het voornemen. Alvorens in te gaan op de beoogde nieuwe situatie, wordt eerst aandacht besteed aan de ontstaansgeschiedenis van Charlois, alsook de bestaande situatie en het huidig gebruik.
3.1
Omgeving en huidig gebruik Van de 10e tot de 12e eeuw werden grote delen van het gebied van IJsselmonde ontgonnen, in cultuur gebracht en vervolgens bedijkt. Hierdoor ontstond een aaneengesloten ingepolderd gebied op het eiland IJsselmonde: de Riederwaard. Deze waard ging in 1373 door overstromingen verloren. Na de St. Elizabethsvloed van 1421 zijn nieuwe polders herwonnen op de zee en rivieren. De Polder van Charlois werd in de jaren zestig van de 15e eeuw definitief bedijkt. Een deel van het tracé van de zuidelijke dijk van deze polder is de huidige Charloisse Lagedijk. Ten zuiden van deze dijk werden in de 16e eeuw de Polders Oud en Nieuw Pendrecht drooggelegd. Op de historische kaart uit 1850 is te zien dat het plangebied zich op de grens tussen twee voormalige poldergebieden bevindt. Het plangebied bevindt zich op het ten zuiden van de Charloisse Lagedijk gelegen bedrijventerrein Charloisse Poort, daar waar de Groene kruisweg aansluit op Rijksweg A15. Op het bedrijventerrein zijn diverse bedrijven gevestigd die actief zijn in transport en logistiek en kleinschalige bedrijvigheid. Ook is een aantal vestigingen vertegenwoordigd met een detailhandelsfunctie voor keukens, badkamers of bouwmaterialen. De bebouwing bestaat voornamelijk uit eenduidige volumes met een representatieve zijde naar het openbaar gebied, in de vorm een showroom en/of kantoor.
In de directe omgeving van de locatie Driemanssteeweg 15 is vooral sprake van auto‐ en truckdealers. Het terrein zelf heeft momenteel eenzelfde functie en dient hoofdzakelijk voor de stalling van auto’s voor de verkoop.
Afbeelding 3: Huidige situatie binnen het plangebied (bron: Google Maps).
Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Toelichting
‐ 19 ‐
3.2
Projectbeschrijving De locatie voor een bouw‐ en tuinmarkt met drive‐in en parkeerplaatsen betreft een zichtlocatie langs Rijksweg A15, op het bedrijventerrein Charloisse Poort. De beoogde omvang van het totale gebouw bedraagt bijna 15.000 m2 bruto vloeroppervlak. Het daadwerkelijke winkelvloeroppervlak (wvo) betreft 8.324 m2 voor de bouwmarkt, 2.620 m2 voor het tuincentrum en 150 m2 voor een verhuurcentrum. Het wvo betreft het voor consumenten toegankelijke/zichtbare deel van het bruto vloeroppervlak dat verwarmbaar is en vrij van weersinvloeden. De bouwdelen die niet tot het wvo behoren zijn niet‐zelfstandige horeca, met een maximale oppervlakte van 250 m², de expeditie (464 m2), technische ruimten (276 m2), een luifel aan de achterzijde (107 m2), de hoofdingang (152 m2) en de ingang van de drive‐in (91 m2). Aan de zijde van de Rijksweg is ruimte gereserveerd voor de realisatie van een aanduidingsmast van maximaal 40 meter hoog.
Drive‐in
bouwmarkt 8.324 m2 wvo
tuincentrum 2.620 m2 wvo
Afbeelding 4: Overzicht van de begane grond van de nieuwe bouwmarkt met daarin het wvo.
Vrijwel alle benoemde functies bevinden zich op maaiveldniveau. Tevens wordt hier voorzien in een parkeerplaats voor 355 auto’s die net als in de huidige situatie ontsloten wordt via de Driemanssteeweg. Daarnaast wordt ook op het dak van de bouwmarkt voorzien in de mogelijkheid voor het parkeren van auto’s. Hier wordt ruimte geboden aan 350 plaatsen,
‐ 20 ‐
waarmee het totale aantal komt op 705 parkeerplaatsen. Uit een uitgevoerd verkeerskundig onderzoek2 blijkt, dat met dit aantal ruimschoots wordt voldaan aan de parkeervraag conform het gemeentelijk parkeerbeleid. Op grond van dit beleid is de parkeervraag voor de bouw‐ en tuinmarkt met drive‐in in totaal 375 parkeerplaatsen.
Parkeren op +1 350 pp
Parkeren op mv 355 pp
Afbeelding 5: Er kan straks ook worden geparkeerd op het dak van de bouwmarkt.
Uit het uitgevoerde verkeerskundig onderzoek blijkt daarnaast dat de beoogde ontwikkeling leidt tot een verkeersgeneratie van 4.410 motorvoertuigen per etmaal op een gemiddelde werkdag met kcirca 190 aankomsten en 190 vertrekken in het avondspitsuur. De kwaliteit van de verkeersafwikkeling op het kruispunt tussen de Groene Kruisweg en de Driemanssteeweg is goed. In de ochtendspits is van een restcapaciteit echter geen sprake meer; dit is toe te schrijven aan het huidige verkeersaanbod en niet aan de realisatie van de beoogde ontwikkeling. In de avondspits is wel sprake van een restcapaciteit. Op wegvakniveau kan het 2 Goudappel Coffeng, Verkeerskundig onderzoek vestiging Rotterdam Charlois, december 2018, kenmerk
001430.20181015.R1.03.
Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Toelichting
‐ 21 ‐
verkeer goed worden afgewikkeld. De toename op de Groene Kruisweg is ten opzichte van de autonome verkeersstroom zeer beperkt. Op de Driemanssteeweg blijft de verkeersintensiteit onder de maximaal wenselijke intensiteit. Ook de aansluiting van het plangebied op de Driemanssteeweg functioneert na de beoogde ontwikkeling goed. Van verliestijd als gevolg van stilstaand verkeer is op de Driemanssteeweg nagenoeg geen sprake. De verliestijd op de zijrichting is ook beperkt. Cijfermatige onderbouwing van de behoefte Zoals aangegeven in § 2.3 zal op grond van de regionale Agenda Detailhandel MRDH 2016‐ 2021 getoetst moeten worden aan de behoefte. Dit volgt eveneens uit jurisprudentie (zie ook de uitspraak van de Raad van State van 5 december 2012 inzake het bestemmingsplan Emmeloord ‐ De Deel, Stadshart, LJN: BY 5093), waaruit blijkt dat voor de ontwikkeling moet worden uitgegaan van een actuele cijfermatige onderbouwing naar de behoefte. Voor dit bestemmingsplan is een ruimtelijk‐economisch onderzoek uitgevoerd door zowel de gemeente Rotterdam3 als de initiatiefnemer zelf4. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies opgenomen ten aanzien van de aanvaardbaarheid van de beoogde ontwikkeling.
Hierbij worden de volgende twee vragen beantwoord: is er door de beoogde ontwikkeling sprake van een duurzame ontwrichting van de detailhandelsstructuur? heeft de beoogde ontwikkeling onaanvaardbare gevolgen voor de leegstand? Binnen het primaire verzorgingsgebied, bestaande uit de gemeenten Rotterdam (ten zuiden van de Nieuwe Maas), Nissewaard, Albrandswaard, Barendrecht en Ridderkerk is momenteel geen sprake van een grootschalige bouwmarkt. Ten opzichte van vergelijkbare gebieden waar al één of twee grootschalige bouwmarkten zijn gevestigd, is het aanbod ondergemiddeld. Met de toevoeging van voorliggend initiatief beweegt het aanbod zich meer richting het landelijk gemiddelde. Binnen hetzelfde verzorgingsgebied is, naast de aanwezigheid van een tuincentrum van 5.800 m2, het aanbod eveneens kleinschalig van aard. In vergelijking tot landelijke cijfers is óók het aanbod aan tuincentra sterk ondergemiddeld. Geconcludeerd wordt dat sprake is van voldoende economische ruimte voor de beoogde ontwikkeling. Ook na de realisatie blijft voor alle detailhandel in de relevante branches voldoende omzet te behalen, mede door de groei van het aantal inwoners. Ook door versterking van de koopkrachtbinding‐ en toevloeiing worden mogelijke omzeteffecten teniet gedaan.
Dit betekent dat de ontwikkeling binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt geen invloed heeft op de detailhandelsstructuur in de regio. Tevens kunnen inwoners op dezelfde, aanvaardbare afstand producten uit de betreffende branches blijven aanschaffen. Er is daarom geen sprake van duurzame ontwrichting van de detailhandelsstructuur. In de uitspraken van 18 september 2013 (201208105/1/R2) en 11 december 2013 (201210815/1/A1) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de criteria voor duurzame ontwrichting verder aangescherpt door te overwegen dat voor duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau doorslaggevend is of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun
3 BRO, Rotterdam, Afweging behoefte aan ontwikkeling bouwmarkten en tuincentra, rapportnr. 203X01499_3,
december 2017. 4 Stec Groep, Haalbaarheid nieuwbouw Hornbach Rotterdam, rapportnr. 18.199, december 2018.
‐ 22 ‐
eerste levensbehoeften. Een bouwmarkt kan niet als eerste levensbehoefte worden aangemerkt. Evenmin vallen hier tuinartikelen onder. Omdat voor de detailhandelsontwikkeling (binnen de kaders die het bestemmingsplan biedt) voldoende economische ruimte is, is de ontwikkeling niet van invloed op de omvang van het huidige winkelaanbod in de relevante branches in de regio. Daarom is ook geen toename van de leegstand te verwachten. Daarnaast is binnen de regio geen sprake van leegstaande winkelpanden die geschikt zijn voor de opvang van de beoogde ontwikkeling. Gesteld kan dus worden dat de ontwikkeling niet leidt tot duurzame ontwrichting van de detailhandelsstructuur. Ook heeft het geen invloed op de omvang van de leegstand binnen de regio. Dit maakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, ruimtelijk‐economisch aanvaardbaar zijn. Hieraan wordt nog toegevoegd dat de ontwikkeling inspeelt op een trend van schaalvergroting. De beoogde bouwmarkt met drive‐in en tuincentrum voorziet in een winkelformule die binnen het verzorgingsgebied ontbreekt. Het vormt daarmee een kwalitatieve toevoeging voor de regionale winkelstructuur.
Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Toelichting
‐ 23 ‐
‐ 24 ‐
4.
TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten behandeld die binnen de ruimtelijke ordening en daarmee dus ook voor dit bestemmingsplan van belang zijn. Veel aandacht gaat daarbij uit naar de milieuaspecten, aangezien de beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe zijn gegroeid. Het milieubeleid stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen en is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren.
4.1
Water De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Het plangebied is gelegen in het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat deze voldoen aan het waterbeleid. Dit is vastgelegd in diverse beleidsdocumenten van Europees (Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) tot gemeentelijk niveau (Waterplan 2). Ook het waterschap heeft zijn eigen beleid. Dit is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016‐2021. Dit programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling.
Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming. Het plangebied ligt in de nabijheid van de Charloisse Lagedijk, dat een restant is van de zuidelijke dijk van de 15e eeuwse Polder van Charlois. Dit betekent, dat oorspronkelijk het oppervlaktewater aan de beide zijden van dit oude dijklichaam tot verschillende water‐ systemen behoorde. Aan de noordzijde behoorde het oppervlaktewater tot het watersysteem van de polder Charlois, terwijl het oppervlaktewater ten zuiden van de Charloisse Lagedijk behoorde tot de polders van Oost‐ en West‐Barendrecht en Rhoon. Vanaf 1895 werd het watersysteem in de omgeving van het plangebied meermalen veranderd door grootschalige ontwikkelingen (stadsuitbreidingen, havenaanleg). Tegenwoordig maakt nagenoeg de gehele omgeving van de Charloisse Lagedijk deel uit van het watersysteem Korperweg. Ter hoogte van het plangebied was oorspronkelijk sprake van een tamelijk fijnmazig watersysteem met veel kleine, smalle waterlopen.
Door de aanleg van het bedrijventerrein Charloisse Poort is dit systeem grotendeels verdwenen, al zijn in het westelijk deel van het bedrijventerrein nog diverse watergangen aanwezig. In het plangebied is geen oppervlakte‐ water aanwezig, al wordt aan de zuidoostzijde de begrenzing van het plangebied over een lengte van circa 70 meter gevormd door een aanwezige watergang. Deze watergang wordt
Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Toelichting
‐ 25 ‐
door de beoogde herontwikkeling van het plangebied niet gedempt. Vanwege de ligging in peilgebied Y07.011 wordt een vast peil gehanteerd van 2,0 meter beneden NAP. De gronden binnen het plangebied zijn momenteel nagenoeg volledig verhard en in gebruik ten behoeve van een autohandel (zie afbeelding 3 op pagina 19). Door de beoogde herontwikkeling zal het verhard oppervlak niet toenemen, al is wel sprake van uitbreiding van het bebouwd oppervlak. Deze uitbreiding vindt plaats op gronden die momenteel al volledig verhard zijn. Daarnaast maakt ook het geldende bestemmingsplan het mogelijk om de gronden voor 60% te bebouwen. Omdat ook geen oppervlaktewater wordt gedempt, is het treffen van compenserende maatregelen niet aan de orde. Uit onderstaande afbeelding valt op te maken, dat in de omgeving van het plangebied enkele waterkeringen aanwezig zijn. Zo is aan de oostzijde de Charloisse Lagedijk aangewezen als regionale waterkering. Aan de noordzijde bevindt zich op het emplacement Waalhaven een primaire waterkering. De bij deze waterkeringen behorende beschermingszones strekken zich niet uit tot aan het plangebied. De waterkerende functie wordt door de beoogde ontwikkeling dan ook niet aangetast.
Afbeelding 6: Aanwezige waterkeringen + beschermingszones (plangebied oranje omkaderd).
In de omgeving van het plangebied is een gemengd rioolstelsel aanwezig. De bebouwing wordt uitgerust met een aansluiting voor een gescheiden stelsel, maar wordt aangesloten op het huidige gemengde stelsel. Daar waar mogelijk wordt het hemelwater afgekoppeld, zodat het ter plaatse kan infiltreren of kan worden afgevoerd op een in de nabijheid liggende watergang. Om diffuse verontreinigingen van water en bodem te voorkomen, is het voor de nieuwe bebouwing van belang om duurzame, niet‐uitloogbare bouwmaterialen toe te passen. Zink, lood, koper en PAK´s‐houdende materialen mogen uitsluitend worden toegepast als deze worden voorzien van een coating. Overleg met de waterbeheerder(s) De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets. In dit kader worden de waterbeheerders betrokken bij het wettelijk vooroverleg in het kader van dit bestemmingsplan.
‐ 26 ‐
4.2
Milieuzonering De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in haar uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” een handreiking geboden voor het toepassen van milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. De milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (bijv. bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies (bijv. woningen) krijgen en dat milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Dit bestemmingsplan maakt een bouw‐ en tuinmarkt met drive‐in en parkeerplaatsen mogelijk. Op grond van de VNG‐uitgave “Bedrijven en milieuzonering” wordt een dergelijke activiteit aangemerkt als een categorie 2‐inrichting (SBI‐code 4752), waardoor sprake is van een maximale hindercontour van 30 meter ten opzichte van een rustige woonwijk. Gezien het feit dat het plangebied deel uitmaakt van een bedrijventerrein en direct gelegen is naast hoofdinfra‐structuur, wordt gesteld dat sprake is van een ‘gemengd gebied’. Dit betekent dat de hinderafstand met één afstandsstap verkleind mag worden, zodat sprake is van een maximale hindercontour van 10 meter. Omdat de kleinste afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde woonfunctie ruim 190 meter bedraagt, wordt ruimschoots aan de gestelde hindercontour voldaan. Het woon‐ en leefklimaat wordt dan ook niet nadelig beïnvloed.
Tevens is het toepassen van een zonering binnen de bedrijfsbestemming niet noodzakelijk.
4.3
Geluid Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wet onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. De beoogde functiewijziging maakt het mogelijk om een bouw‐ en tuinmarkt met drive‐in en parkeerplaatsen te realiseren. Deze functie wordt in het kader van de Wet geluidhinder niet aangemerkt als een geluidsgevoelig object, waardoor toetsing aan de normen uit deze wet niet aan de orde is. Uit paragraaf 4.2 blijkt tevens dat de geluidsuitstraling van een dergelijke functie geen nadelige invloed heeft op het woon‐ en leefklimaat. Geconcludeerd wordt, dat het aspect ‘geluid’ geen belemmering vormt voor de beoogde functiewijziging.
4.4
Luchtkwaliteit Voor een aantal stoffen in de lucht gelden wettelijke grenswaarden die zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (de zogenaamde Wet luchtkwaliteit). De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. De luchtkwaliteit dient in zijn algemeenheid, met uitzondering van de werkplek, bepaald te worden. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De gemeente toetst daartoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen expliciet aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit. Is de verwachting dat de ontwikkeling zal leiden tot overschrijding van de normen, dan wordt naar een zodanig (technisch en/of planologisch) alternatief gezocht dat wordt voldaan aan de normen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de grens van 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof en stikstofdioxide niet wordt overschreden. In de Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Toelichting
‐ 27 ‐
algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Ten aanzien van een woningbouwlocatie is in de regeling gesteld, dat de volgende situaties niet in betekenende mate bijdragen: Netto niet meer dan 1.500 woningen in geval van één ontsluitingsweg. Netto niet meer dan 3.000 woningen in geval van twee ontsluitingswegen met gelijkmatige verkeersverdeling. Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van een bouw‐ en tuinmarkt met drive‐in en parkeerplaatsen mogelijk. Uit het uitgevoerde verkeerskundig onderzoek (zie voetnoot 1) blijkt, dat de beoogde ontwikkeling leidt tot een verkeersaantrekkende werking van 4.410 motorvoertuigen per etmaal. De verkeersaantrekkende werking van een woningbouwontwikkeling van 1.500 woningen bedraagt circa 12.000 motorvoertuigbewegingen per dag. Wel geldt voor de beoogde ontwikkeling dat het percentage ‘zwaar verkeer’ hoger is dan bij een woningbouwontwikkeling. Omdat het aantal verkeersbewegingen van de beoogde ontwikkeling echter ruim 7.500 motorvoertuigen per etmaal lager is, vormt dit verhoogde percentage ‘zwaar verkeer’ geen belemmering.
Daarnaast is bij de verkeersaantrekkende werking van het bouwplan geen rekening gehouden met de huidige verkeersgeneratie (en het percentage ‘zwaar verkeer’) die het aanwezige autobedrijf genereert. Gesteld wordt, dat de beoogde herontwikkeling als ‘niet in betekenende mate’ beschouwd kan worden. Daarmee wordt voldaan aan de Wet luchtkwaliteit en is het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek niet aan de orde. 4.5
Externe veiligheid Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10‐6/jaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo’n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 1% letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen geen grenswaarde maar een oriënterende waarde. Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Een afwijking moet in een openbare en goed inzichtelijke belangenafweging door het bevoegd gezag worden gemotiveerd. Uit een uitgevoerd onderzoek ‘externe veiligheid’5 blijkt, dat in de omgeving van het plangebied diverse risicobronnen aanwezig zijn.
Het betreffen hier zowel stationaire bronnen als transportroutes, die hieronder nader worden beschouwd. Stationaire bronnen De dichtstbijzijnde stationaire risicobron bevindt zich op een afstand van circa 53 meter ten noorden van het plangebied. Het betreft hier een brandstofservicestation met LPG‐doorzet op 5 Anteagroup, Rapportage externe veiligheid bestemmingsplan Driemanssteeweg 15, april 2019, projectnummer
0437683.100.
‐ 28 ‐
het perceel Groene Kruisweg 380. De LPG‐doorzet bedraagt meer dan 1.000 m3 per jaar, waardoor sprake is van een 10‐6 plaatsgebonden risicocontour van 40 meter rondom het vulpunt. Ook rondom het reservoir en de afleverinstallaties is sprake van een dergelijke contour. Deze bedragen 25 respectievelijk 15 meter. Gezien de afstand tussen deze risicovolle inrichting en het plangebied reiken de 10‐6 plaatsgebonden risicocontouren niet tot over de beoogde herontwikkeling. Het invloedsgebied strekt zich uit tot op 150 meter rondom het vulpunt en overlapt daarmee een deel van het plangebied. Vandaar dat een groepsrisicoberekening is uitgevoerd. Hieruit blijkt, dat het groepsrisico zowel in de huidige als in de toekomstige situatie lager is dan de oriëntatiewaarde. Wel neemt door de beoogde ontwikkeling het groepsrisico beperkt toe. Een andere relevante risicovolle inrichting betreft het spoorwegemplacement Rotterdam Waalhaven‐Zuid. De 10‐6 plaatsgebonden risicocontour bedraagt hierbij 150 meter. Aangezien de afstand tot het plangebied zo’n 245 meter bedraagt, vormt deze contour geen belemmering. Het invloedsgebied van dit emplacement bedraagt 6.070 meter en strekt zich uit over het plangebied. Vandaar dat ook voor deze risicobron een groepsrisicoberekening is uitgevoerd. Hieruit blijkt, dat reeds in de huidige situatie de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
De beoogde ontwikkeling heeft echter geen invloed op de hoogte van het groepsrisico; het groepsrisico blijft ongewijzigd. Wel is een verantwoording van het groepsrisico benodigd. De overige stationaire inrichtingen in de omgeving van het plangebied zijn op een dusdanige afstand gelegen, dat de bij deze inrichtingen behorende plaatsgebonden risicocontouren en invloedsgebieden niet over het plangebied uitstrekken. Vandaar dat deze risicobronnen niet nader beschouwd worden. Transportroutes De dichtstbijzijnde transportroute ligt volgens de risicokaart ten zuiden van het plangebied. Het betreft hier een transportroute over spoor, te weten de Kortsluitroute. Deze spoorlijn beschikt over een 10‐6 plaatsgebonden risicocontour van 30 meter vanuit het hart van de spoorbundels. Aangezien de afstand vanaf het hart van de spoorbundel tot aan het plangebied 39 meter bedraagt, reikt deze contour niet tot aan het plangebied. Daarnaast is sprake van een plasbrandaandachtsgebied met een omvang van 30 meter. Deze afstand wordt gemeten vanaf het buitenste spoor en bedraagt tot aan het plangebied 35 meter. Beide contouren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ook ten noorden van het plangebied bevindt zich nog een transportroute over spoor, namelijk de Pendrechtboog.
De 10‐6 plaatsgebonden risicocontour bedraagt in dit geval 73 meter en ook langs deze spoorlijn is sprake van een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter. Aangezien de afstand van het plangebied tot aan deze spoorlijn minimaal 400 meter bedraagt, vormen deze contouren geen belemmering. Direct ten zuiden van de Kortsluitroute ligt de rijksweg A15, waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Uit het Basisnet Weg blijkt, dat ter hoogte van het plangebied langs deze weg sprake is van een 10‐6 plaatsgebonden risicocontour van 80 meter, gemeten vanuit het hart van de weg. Ook langs de rijksweg A15 is sprake van een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter gemeten vanaf de zijkant van de weg. Voor beide contouren geldt, dat deze niet over het plangebied liggen.
Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Toelichting
‐ 29 ‐
Voor deze transportroutes geldt, dat op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt, artikel 8, lid 1) een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is, als het plangebied is gelegen binnen een afstand van 200 meter van de transportroute. Dit is aan de orde voor zowel het transport van gevaarlijke stoffen over de Kortsluitroute als voor het transport over de rijksweg A15. Vandaar dat voor deze bronnen een groepsrisicoberekening is uitgevoerd. Hieruit blijkt, dat het groepsrisico van zowel de Kortsluitroute als de rijksweg A15 in de huidige én in de toekomstige situatie onder de oriëntatiewaarde blijft. Wel neemt door de beoogde ontwikkeling het groepsrisico beperkt toe. In de omgeving van het plangebied zijn daarnaast diverse buisleidingen aanwezig. Uit het eerder aangehaalde onderzoek ‘externe veiligheid’ blijkt, dat geen van de bij deze leidingen behorende 10‐6 plaatsgebonden risicocontour tot het plangebied reikt. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van twee hogedruk aardgasleidingen. Deze leidingen bevinden zich namelijk op zo’n 350 ten zuiden van het plangebied, terwijl het invloedsgebied 380 c.q. 430 meter bedraagt. Op basis van een kwalitatieve inschatting wordt in het onderzoek gesteld, dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden.
Omdat de beoogde ontwikkeling zich ook buiten de 100%‐letaliteitscontour bevindt, is de toename als gevolg van de beoogde ontwikkeling beperkt. Desondanks is een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Ter bevoorrading van de in de (ruimere) omgeving aanwezige stationaire risicobronnen, zoals de aanwezige LPG‐doorzetpunten, kunnen ook over de binnenstedelijke wegen Groene Kruisweg, Driemanssteeweg en Charloisse Lagedijk transporten van gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Deze aantallen zijn echter dusdanig laag, dat de bijbehorende 10‐6 plaatsgebonden risicocontouren op de weg ligt. Een toetsing van het groepsrisico is niet noodzakelijk omdat de drempelwaarden uit het HART niet worden overschreden. Deze transportroutes vormen dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Op grond van bovenstaande beschouwing wordt geconcludeerd, dat geen van de risicobronnen leidt tot belemmeringen op de voorgenomen ontwikkeling. Desalniettemin ligt het plangebied bij een eventuele rampsituatie binnen de invloedsfeer van de rijksweg A15, de Kortsluitroute, het brandstofservicestation aan de Groene Kruisweg 380 en het emplacement "Waalhaven Zuid. Voor deze bronnen is dan ook een verantwoording van het groepsrisico benodigd. Deze verantwoording is terug te vinden in hoofdstuk 4 van het eerder aangehaalde onderzoek ‘externe veiligheid’.
Uit deze verantwoording blijkt, dat diverse ongevalscenario’s op zouden kunnen treden. Zo kan een BLEVE plaatsvinden bij een opslagtank met LPG of met LPG‐tankwagen/‐container. Dit scenario kan optreden bij het LPG‐tankstation, het emplacement, op de weg en het spoor. Daarnaast kan langs de laatste drie risicobronnen kan ook sprake zijn van een toxisch ongevalscenario of een (plas)brand. Rondom de hogedruk aardgasleidingen kan het scenario van een fakkelbrand ontstaan. Om de zelfredzaamheid van aanwezigen te vergroten en daarmee de kans op het aantal (dodelijke) slachtoffers te verkleinen, geldt voor de scenario’s BLEVE, fakkelbrand en calamiteit met toxische stoffen dat schuilen in het gebouw de beste manier is om de calamiteit te overleven. Hierbij is het van belang dat de mechanische ventilatie van de te realiseren gebouwen centraal afgesloten kan worden (via een noodschakelaar). Daarnaast dienen ramen ‐ 30 ‐
en deuren afsluitbaar te zijn. Bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen is het wenselijk om aan de risicoluwe zijde het gebouw te kunnen ontvluchten. Hiervoor dienen voldoende (interne) vluchtwegen aanwezig te zijn en dienen personen (bijvoorbeeld BHV’ers) zodanig geïnstrueerd te worden dat zij de calamiteit herkennen en het juiste handelingsperspectief kennen. Deze maatregelen zijn ook door de Veiligheidsregio Rotterdam‐Rijnmond aangedragen. Tevens wordt in het onderzoek ‘externe veiligheid’ geadviseerd om het ontruimingsplan van het te realiseren gebouw uit te breiden met een paragraaf ‘externe veiligheid’, waarin de omgang met externe veiligheidsrisico’s staat beschreven. 4.6
Bodem De Wet bodembescherming (Wbb) vormt het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en de ernst van een bodemverontreiniging. Conform de Wbb wordt op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater bepaald of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico’s voor mens en ecosysteem onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Bij eerstgenoemde dient binnen vier jaar aangevangen te worden met de sanering; bij laatstgenoemde kan gewacht worden totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Uit de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart blijkt, dat de bovengrond (0 tot 1 meter beneden maaiveld) aangemerkt kan worden als klasse ‘Industrie’. Dat betekent, dat de aanwezige bodem naar verwachting ten hoogste matig verontreinigd is. De ondergrond (1 tot 2 meter beneden maaiveld) is op deze kaart aangemerkt als klasse ‘Landbouw’, waardoor in de ondergrond ten hoogste zeer lichte verontreinigingen te verwachten zijn. Het bedrijventerrein Charloisse Poort is vanaf medio jaren ’90 van de vorige eeuw ontwikkeld. Daarvoor heeft het gebied voornamelijk een agrarische functie gehad.
Uit het bodemloket van de DCMR milieudienst Rijnmond blijkt, dat destijds diverse bodemonderzoeken hebben plaatsgevonden. Op basis van deze onderzoeken en het feit dat de gronden gebruikt zouden gaan worden voor minder gevoelige functies (bedrijven) is destijds een bodemgeschiktheidsverklaring afgegeven. Ook de beoogde bouwmarkt met drive‐in en tuincentrum kan aangemerkt worden als een minder gevoelige functie. Immers zal, net zoals in de huidige situatie, na de beoogde herontwikkeling het plangebied nagenoeg volledig bebouwd en/of verhard zijn. De toekomstige werknemers en bezoekers van de bouwmarkt zullen dan ook niet in contact komen met de bodem en/of eventuele aanwezige verontreinigingen. Verondersteld wordt dat de bodemkwaliteit de voorgenomen herontwikkeling niet in de weg hoeft te staan. Ten behoeve van de bouw van de bouwmarkt zullen bodemverstorende activiteiten plaatsvinden. Voorafgaand aan deze werkzaamheden wordt een bodemkundig onderzoek uitgevoerd, mede om te bepalen of de grond hergebruikt kan worden. Mocht uit dit onderzoek blijken dat sprake is van een saneringsopgave, dan wordt hieraan gehoor gegeven.
4.7
Archeologie Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. Ontwerpbestemmingsplan Driemanssteeweg 15 – Toelichting
‐ 31 ‐
De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het "Verdrag van Malta" is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Archeologische verwachting In de diepere ondergrond, onder het veen, kunnen bewoningssporen uit de prehistorie tot en met de Bronstijd voorkomen. In het gehele plangebied kunnen in de top van het veen bewoningssporen uit de periode vóór 1373 voorkomen (vanaf de Late IJzertijd).
Daarnaast kunnen langs de Charloisse Lagedijk bewoningssporen uit de 15e eeuw en later voorkomen. Bescherming van de archeologische waarden Op grond van de archeologische verwachting en om mogelijk aanwezige archeologische waarden te beschermen, is in het bestemmingsplan “Charloisse Lagedijk” aan de gronden van het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie 2' toegekend. Dit betekent, dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is, voor bouw‐ en graafwerkzaam‐ heden die dieper reiken dan één meter beneden maaiveld en die tevens een oppervlak van meer dan 200 m² beslaan. Dit is door middel van een vergunningstelsel in de dubbelbestem‐ ming 'Waarde ‐ Archeologie 2' vastgelegd en eveneens opgenomen in dit bestemmingsplan. Omdat sprake is van een groter oppervlak en werkzaamheden die dieper reiken dan één meter beneden maaiveld, is door Archeologie Rotterdam (BOOR) een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt, dat het uitvoeren van verder archeologisch onderzoek niet aan de orde is. Het plangebied kan dan ook zonder archeologische bemoeienis vrijgegeven worden. Wel dient ten alle tijden rekening gehouden te worden met zogenaamde toevalsvondsten. Deze dienen bij het bevoegd gezag of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gemeld te worden. 4.8