CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb2624 Bijlage 6 behorende bij 21bb2566 - Brief over beoordeling BOORrapport 672 Rotterdam Driemanssteeweg Hornbach - Een bureauonderzoe

Gemeenteraad 29 april 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 18. Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Driemanssteeweg 15’.15.538 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De verhoogde bodem van de plas is afgedekt met anti-worteldoek en een laag steengruis om de de archeologica te behoeden voor de schadelijke werking van wortels van waterplanten en voor het vergraven bij opschoning van de plas. Midden-IJzertijd (mogelijk nog eind Vroege IJzertijd) en Romeinse tijd De ondergrond bestaat uit een humeuze, zandige klei. In de top hiervan bevindt zich de vondstlaag met materiaal uit het einde van de Vroege IJzertijd of uit de Midden-IJzertijd en de Romeinse tijd. De laag strekt zich uit over een areaal van maximaal 20 x 30 m. Op de vondstlaag rust een laag van ongeveer 10 cm dikte, bestaand uit dunne klei- en zandlaagjes, waarin ook vondsten uit het einde van de Vroege IJzertijd of de MiddenIJzertijd en Romeinse tijd zijn aangetroffen. Het gaat in dit geval om verspoeld materiaal. In beide vondstniveaus domineert het materiaal uit de IJzertijd. De locatie wordt afgedekt door een pakket zandige sedimenten dat tussen de overstroming van de Riederwaard in 1373 en de vorming van de Zuidpolder in 1650 is gevormd (Afzettingen van Duinkerke III, thans Laagpakket van Walcheren). Vondstmelding Historische Vereniging Barendrecht in 1994, waarneming BOOR in 1996 en booronderzoek en proefsleufonderzoek BOOR in 2000. Moree e.a. 2002 (Bb 5), 97-98 en 139.

Vindplaatsnummer

10

BOOR-vindplaatscode Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats Gemeente RD-coördinaten Complextype en beschrijving

20-58 Zuidpolder Barendrecht Barendrecht 94.300/428.900 Binnen oeverwalsedimenten zijn op vier niveaus archeologische resten aangetroffen. Het gaat van onder naar boven om een vondstlaag met materiaal dat kan worden toegewezen aan de Vlaardingen-cultuur, een niveau dat op grond van de aanwezigheid van enig aardewerk in een verder schijnbaar schone matrix van klei aan de late Klokbeker-cultuur kan worden toegeschreven, een vondstlaag die gelet op de vondsten in het Laat Neolithicum en Vroege Bronstijd kan worden gedateerd en een vondstlaag die op grond van het aardewerk in de Vroege Bronstijd/Midden-Bronstijd kan worden geplaatst.

Datering Stratigrafische positie

Diepteligging Soort en jaar onderzoek

24

Bron(nen)

De bovenste twee cultuurlagen bevatten naast aardewerk veel vondstmateriaal als bewerkt en onbewerkt bot en gewei, botanische resten, vuurstenen werktuigen, alsmede afval van vuursteenbewerking en andersoortig natuursteen; tevens is onder de vondstlagen constructiehout gedocumenteerd. Het betreft in deze gevallen nederzettingsresten. Bij de twee onderste niveaus vormen de aangetroffen archeologica de neerslag van een kort verblijf op de oeverwal. Laat Neolithicum en Vroege/Midden-Bronstijd De archeologica zijn alle afkomstig uit lichtzandige, soms lichtvenige kleien. De kleien maken deel uit van een sequentie kleien die tezamen een oeverwal vormen aan de oostzijde van een geul. Gelet op de datering van de in/op de oeverwal aangetroffen archeologische sporen, was de geul in ieder geval actief van het Laat Neolithicum tot in de Midden-Bronstijd. Blijkbaar was in deze periode de ligging van de geul met oeverwal(len) stabiel. Een belangrijke factor bij het verklaren van de langdurige vaste ligging, is de samenstelling van de ondergrond in het onderzoeksgebied, die voornamelijk uit cohesieve kleien en - in de komgebieden - ook venige afzettingen bestaat. De genoemde sedimenten worden gerekend tot de Afzettingen van Gorkum IV en de Afzettingen van Tiel 0 (Laagpakket van Echteld).

Het onderscheid tussen deze stratigrafische eenheden is echter kunstmatig, want binnen de opeenvolging van sedimenten zijn noch (grote) lithologische en genetische verschillen, noch (grote) tijdhiaten geregistreerd. De kleien die de oeverwal vormen, worden afgedekt door een pakket zand met kleilaagjes (Afzettingen van Duinkerke III), gevormd na de overstroming van de Riederwaard (een grote middeleeuwse waard op IJsselmonde) in 1373. De overstroming heeft de toenmalige ondergrond geërodeerd. Eventuele afzettingen jonger dan MiddenBronstijd en ouder dan 1373 zijn hierdoor verdwenen. 208 cm - NAP (top vondstlaag Vroege/Midden-Bronstijd) tot 254 cm - NAP (top vondstlaag Laat Neolithicum/Vroege Bronstijd) tot 311 cm - NAP (top vondstlaag Vlaardingen-cultuur). Vondstmelding Historische Vereniging Barendrecht en booronderzoek en opgraving BOOR in 1997. Moree e.a. 2002 (Bb 5), 90-93; Moree e.a. 2011 (Bb 7).

Vindplaatsnummer

11

BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten Complextype en beschrijving

19-09 420679 Portland Rhoon 92.415/430.486 Huisterpen en percelering/verkaveling. Het gaat om de resten van een veenontginningsnederzetting bestaande uit vijf noordzuid gerichte - gebouwen op vier licht verhoogde erven; de huisplaatsen 4 en 5 liggen zo dicht bij elkaar dat ze niet van elkaar kunnen worden gescheiden. De nederzetting bestond uit twee boerderijen die in vergelijking met boerderijen elders aan de kleine kant waren, een gebouw dat mogelijk een schuur was, een gebouw waarvan de functie niet kon worden vastgesteld en een gebouw dat juist veel groter was dan de gebouwen elders. Deze verschillen duiden erop dat er verschillen waren in de functie van de gebouwen en - in verband daarmee - in de sociale status van de bewoners. Het landschap vóór stichting van de nederzetting kan worden gekarakteriseerd als een hoogveengebied waarin verdroogde delen voorkwamen, met op de natte gronden elzenbroekbossen. Ten tijde van de bewoning is er flink hout gekapt om het gebied rond de nederzetting te ontginnen. Het gebied werd omgevormd tot akkers en weiden; plaatselijk bevonden zich daarin nog resten van het elzenbroekbos. Er zijn geen sporen aangetroffen van greppelsystemen die voorafgaand aan en tijdens het bestaan van de nederzetting in het gebied functioneerden. Wel zijn even ten noordwesten van de nederzetting de resten van een natuurlijk veenstroompje gedocumenteerd.

De interpretaties van de functies van de gebouwen en het zoölogisch en botanisch onderzoek maken duidelijk dat het om een agrarische nederzetting ging. De verschillen in grootte en constructie van de gebouwen wijzen op sociale verschillen tussen de bewoners. De stratigrafische ontwikkeling en het aardewerk geven aan dat huisplaats 4/5 in aanleg het oudst was, de huisplaatsen 2 en 3 zijn jonger en min of meer gelijktijdig. Het jongste is huisplaats 1. Waarschijnlijk zijn de huisplaatsen min of meer gelijktijdig verlaten. Bij alle gebouwen is de funderingsconstructie aangepast aan de slappe veenondergrond. Om het verzakken van de gebouwen tegen te gaan werden de dakdragende stijlen op poeren van meerdere stammetjes of delen van balken en ander hout geplaatst. Bij gebouw 5 zijn om dezelfde reden funderingsgreppels toegepast. De gebouwen hadden waarschijnlijk vlechtwerkwanden; alleen bij gebouw 4 is een uit plaggen of turven opgebouwde wand aangetroffen. In gebouwen 1 en 3 ligt het woon- en leefgebied gezien de ligging van de haarden in het noordelijke deel van de constructie; de rest van de binnenruimte was beschikbaar voor andere activiteiten zoals het stallen van vee en de opslag van oogst.

Datering Stratigrafische positie

Diepteligging

Soort en jaar onderzoek

25

Datering

Stratigrafische positie

Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)

De afmetingen van gebouwen 1, 2 en 3 zijn aan de kleine kant in vergelijking met drieschepige gebouwen elders uit deze periode. De gebouwen 1 en 3 zijn waarschijnlijk boerderijen geweest. Dat kan ook voor het veel gefragmenteerder bewaarde gebouw 2 hebben gegolden. De constructie van dit gebouw is echter veel lichter, mogelijk gaat het eerder om een schuur. Gebouw 4 is te fragmentarisch bewaard gebleven om de functie te kunnen vaststellen; alleen bij dit gebouw is - zoals boven al gemeld - een wandconstructie van plaggen aangetroffen. De afmetingen van gebouw 5 - een lengte van minimaal 26,75 m bij een breedte van 13,5 m - geven aan dat dat dit een bijzondere constructie moet zijn geweest; het is aanzienlijk groter dan de andere gebouwen in de nederzetting en in de regio. De forse omvang duidt op een speciale functie en/of een hogere status van de bewoners. Ook op grond van andere gegevens is dit aannemelijk. Zo is het opmerkelijk dat spijkers vooral op huisplaats 4 en 5 zijn aangetroffen. Een andere aanwijzing is het hoge aandeel paard in het botmateriaal en de vondst van twee delen van paardenskeletten ten zuiden van gebouw 5. Dit kan erop wijzen dat de bewoners van gebouw 5 over meer paarden en dus over meer trekkracht beschikten dan de bewoners van de andere gebouwen. De huisplaats waarop het gebouw stond was in aanleg de oudste van de nederzetting.

Dat er op de vindplaats verschillen in sociale status waren blijkt ook uit de vondst van een fragment van een ruiterspoor. De kernactiviteit in de nederzetting was de uitoefening van landbouw en veeteelt. Andere bezigheden waren het spinnen van wol en het bewerken van been en hout. Verder is het heel goed mogelijk dat er vlas tot vezels werden verwerkt. Resten van houtbewerking hebben vooral te maken met het oprichten van gebouwen in de nederzetting. De aangetroffen dierlijke resten zijn vooral van de landbouwhuisdieren rund, varken, schaap/geit en paard afkomstig. Daarnaast zijn kippen, katten, honden en mogelijk ganzen en eenden gehouden. Visvangst nam een geringe plaats in het menu in. Uit de zadenanalyse komt naar voren dat broodtarwe, emmertarwe, gerst, rogge, haver en vlas zijn geteeld. Gerst was de belangrijkste graansoort. De nederzettingssporen bevonden zich in het ambacht Pendrecht, maar het is onzeker of het om het kerkdorp Pendrecht gaat dat bij de overstromingen van 1373-1375 is verloren is gegaan. De oudste vermelding van Pendrecht dateert tussen 1114 en 1127. De nederzetting heeft tot in het begin van de 13e eeuw bestaan. Door het inklinken van de bodem als gevolg van het ontwateren van het veen kwamen het gebied zo laag te liggen dat het op den duur te nat werd voor bewoning en de nederzetting moest worden verlaten.

Mogelijk zochten de bewoners hun heil op een andere plek in het ambacht Pendrecht, wellicht meer naar het zuiden, richting de kleiiger randzones van het veengebied nabij de Waal/Oude Maas. Om een betere ontwatering van het gebied te bewerkstelligen werd na de bewoning een systeem van in ieder geval vijf parallelle noordzuid gerichte - kavelsloten en een verbindingssloot tussen twee van de kavelsloten aangelegd. De sloten zijn door de ophogingslagen van de huisplaatsen heen gegraven. De vulling ervan bevindt zich onder de klei- en zandlagen van het overstromingsdek van 1373-1375 en later. De sloten maakten waarschijnlijk deel uit van een nieuwe inrichting van het land, die mogelijk werd ondernomen door Biggo. Deze uit Zeeland afkomstige edelman had samen met zijn kleinzoons gronden tussen het kerkhof van Pendrecht en het ambacht Catendrecht in 1199 gekocht/in leen gekregen van graaf Dirk VII en zijn vrouw. Late Middeleeuwen A en Late Middeleeuwen B, tussen 1125 en begin 13 e eeuw op grond van het Andenne aardewerk. Ook het Pingsdorf aardewerk vertoont enkele karakteristieken die in die tijdspanne passen. De ondergrond van het gebied bestaat uit een venige tot niet venige klei (Formatie van Echteld), met lokaal ingeschakelde laagjes veen. Naar onderen toe komen op sterk wisselende diepte zandige klei met zandlaagjes voor.

Op de klei rust een dik pakket veen (Formatie van Nieuwkoop). De bovenste trajecten van het veen zijn sterk houtig (bosveen); waarschijnlijk gaat het om elzenhout. Op het bosveen komt over grote oppervlakten een tot ongeveer 50 cm dikke laag veen met proppen wollegras voor. De middeleeuwse woonerven bevonden zich op het Hollandveen; waarschijnlijk was de nederzetting gevestigd op een oorspronkelijk hoger in het landschap gelegen structuur, een veenbult. De woonerven worden gekenmerkt door pakketten opgebracht veen; de ophogingen hadden een beperkte dikte. De vindplaats kan het best worden beschouwd als een vlaknederzetting waar enige ophoging heeft plaatsgevonden. De archeologische resten werden afgedekt door een minimaal 1,5 meter dik pakket zand, afgezet na de overstromingen van de Riederwaard in 1373-1375 (Laagpakket van Walcheren). Met de vorming van de polder Nieuw Pendrecht in 1539 komt een einde aan de natuurlijke sedimentatie in het gebied. 1,5 meter beneden het maaiveld en dieper. Booronderzoek BOOR en RAAP 2002-2003, proefsleuvenonderzoek BOOR 2003 en opgraving BOOR 2004. Hallewas 2009 (Br 390).

26

Vindplaatsnummer

12

BOOR-vindplaatscode Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats Gemeente RD-coördinaten Complextype en beschrijving

13-39 6588 (terrein van hoge archeologische waarde) Carnisseweg Barendrecht Barendrecht 94.670/430890 Waarschijnlijk nederzettingsterrein, het gaat om aardewerk, houtskool, as en greppels in de top van een pakket veen. Late Middeleeuwen, 11e-14e eeuw. Het vondstmateriaal bevond zich in de top van een pakket veen (Hollandveen, thans Formatie van Nieuwkoop). Er is echter geen sprake van een duidelijk herkenbare vondstlaag. Ook is de top van het veen niet veraard. In het gebied is de

Datering Stratigrafische positie

grens

Bron(nen)

van het veen met de erop liggende Afzettingen van Duinkerke III (thans Laagpakket van Walcheren scherp. Mogelijk is een eventuele vondstlaag door erosie verdwenen. De Afzettingen van Duinkerke III bestaat voor het merendeel uit zandige sedimenten, die tussen de overstromingen van de Riederwaard in 1373-1375 en de vorming van de Polder Binnenland in 1483 zijn gevormd. Kartering BOOR in 1991, booronderzoek BOOR in 1999-2000 en proefsleuvenonderzoek BOOR in 2000. Moree e.a. 2002 (Bb 5), 144.

Vindplaatsnummer

13

BOOR-vindplaatscode Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats Gemeente RD-coördinaten Complextype en beschrijving

Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)

13-46 420338 Bijdorp VI Barendrecht Barendrecht 95.462/430.675 Waarschijnlijk nederzettingsterrein, het gaat om aardewerk (Andenne, kogelpot in diverse baksels, Paffrath en Pingsdorf), dierlijk bot, maalsteenfragment en lei. Late Middeleeuwen A, tweede helft 12e eeuw. Het vondstmateriaal bevond zich in de top van een pakket veen (Hollandveen, thans Formatie van Nieuwkoop). Er is echter geen sprake van een duidelijke vondstlaag. Ook was de top van het veen niet veraard. De grens van het veen met het erop liggende zandige Afzettingen van Duinkerke III (thans Laagpakket van Walcheren) is scherp. Mogelijk is de vondstlaag door erosie verdwenen en representeren de vondsten het dieper in de ondergrond terechtgekomen materiaal. Waarneming BOOR in 1997. Moree e.a. 2002 (Bb 5), 159.

Vindplaatsnummer

14

BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats Gemeente RD-coördinaten Complextype en beschrijving

20-49 Zuidpolder Barendrecht Barendrecht 94.070/429.100 Dijk en nederzettingsterrein. Op luchtfoto’s is het tracé van de dijk over een afstand van 2 km in de Zuidpolder te vervolgen. Het dijklichaam is ook gedocumenteerd bij ander vindplaatsen, bijvoorbeeld 20-47, 20-51 en 20-52. De nederzettingssporen maken deel uit van een uitgestrekt complex nederzettingssporen in het westen van de Zuidpolder op en aan de noordzijde van de dijk. Het gaat mogelijk om het bij de overstromingen van de Riederwaard in 1373 verdronken dorp Carnisse. Er is buiten het dijklichaam geen middeleeuwse vondstlaag getraceerd. Mogelijk is deze gedurende de overstromingen van de Riederwaard in 1373 geërodeerd en resteren daar van de nederzetting slechts de dieper gelegen grondsporen. Ter plekke van vindplaats 20-49 bereikt de dijk een maximale dikte van 170 cm. De oorspronkelijke hoogte is echter niet meer te achterhalen. Als gevolg van laat 14 eeeuwse overstromingen zijn de bovenste delen van de dijk door erosie verdwenen. De top reikt nu tot 165 cm - NAP. De ophoging heeft een biconvexe doorsnede. Daar waar de dijk z'n grootste hoogte bereikt, rust ook de grootste last op de ondergrond. Ter plekke van het dikste deel van de dijk heeft dan ook de grootste klink van de zool plaatsgevonden. Over de oorspronkelijke vorm van de bovenste delen zou de vorm van de zool iets kunnen zeggen.

De grootste klink heeft iets ten zuiden van het hart van de dijk plaatsgevonden. Uit de excentrische inzakking zou een steil zuidelijk en een flauwer noordelijk talud kunnen worden afgeleid. De morfologie van huidige rivierdijken in acht genomen, suggereert dit een ingepolderd areaal aan de noordzijde. Dit beeld is in overeenstemming met de verdere onderzoeksresultaten van vindplaats 20-49 (de

Diepteligging Soort en jaar onderzoek

Datering Stratigrafische positie

27

Datering Stratigrafische positie

Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)

nederzettingssporen liggen aan de noordzijde van de dijk) en met de huidige topografie, waarbij de ligging van de hoofdstroom in het gebied, de Oude Maas, in essentie niet veel verschilde met die uit de 14e eeuw. Late Middeleeuwen B, 14e eeuw (tot 1373). De dijk is aangelegd op een organo-klastisch pakket, opgebouwd uit afwisselende lagen (niet venige tot sterk venige) klei en (niet kleiig tot sterk kleiig) veen. Het veen in dit pakket wordt gerekend tot het Hollandveen (Formatie van Nieuwkoop); de kleien behoren tot de Afzettingen van Gorkum en tot de Afzettingen van Tiel 0, I en mogelijk III (Formatie van Echteld). De dijk wordt afgedekt door een ruim 1 m dikke laag zand met kleilaagjes (Afzettingen van Duinkerke III/Tiel III, Laagpakket van Walcheren), gevormd na de overstroming van de Riederwaard (een grote middeleeuwse waard op IJsselmonde) in 1373 en voor de herbedijking in 1650/51. Het dijklichaam zelf is opgebouwd uit pakketten kleikluiten afgewisseld met dunne laagjes rietachtig materiaal. Door het 'inpakken' van de pakketten kluiten met deze laagjes zal de stabiliteit van de dijkconstructie zijn verhoogd. Het rietachtig materiaal heeft mogelijk een waterregulerende functie binnen het opgeworpen kleilichaam. De stratigrafische positie van de nederzettingssporen is gelijk aan die van de dijk. Boor- en proefsleuvenonderzoek BOOR in 1996.

Hallewas en Moree 2011 (Bb7); Vindplaats 20-49: Moree e.a. 2002 (Bb 5), 191-192; vindplaatsen 20-47, 20-50 en 20-52: Moree e.a. 2002 (Bb 5), 189-193.

Vindplaatsnummer

15

BOOR-vindplaatscode Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats Gemeente RD-coördinaten Complextype en beschrijving

Bron(nen)

20-38 16213 (terrein van hoge archeologische waarde) Ziedewijdse kade Barendrecht Barendrecht 97.500/427.735 Nederzettingsterrein. Het gaat om aardewerk, bot, baksteen en mestkuilen die zich over een traject van minimaal 70 meter uitstrekten. Late Middeleeuwen B (13e en 14e eeuw, vóór 1373). De vondsten en de grondsporen bevonden zich in een venige klei op Hollandveen (Hollandveen Laagpakket). Het vondstniveau wordt afgedekt door een dik pakket zand met kleilaagjes waarop een laag vette klei rust. Deze afzettingen zijn gevormd tussen 1373, het jaar waarin de middeleeuwse Riederwaard overstroomde, en het midden van de 17e eeuw, de periode waarin het gebied werd heringedijkt. Binnen het areaal van de waarneming bevond de basis van het overstromingsdek van 1373/top venige klei met vondsten en sporen zich op ongeveer 1,1 m - mv (circa 2,4 m - NAP). De vindplaats is in 1993 ontdekt door de heer T.C. Blinde (Barendrecht) in de sleuf van een persleiding ter plaatse van de Ziedewijdse kade. Aansluitend zijn door het BOOR de archeologische waarden en de geologische stratigrafie gedocumenteerd in de sleuf. Moree e.a. 2002 (Bb 5), 189.

Vindplaatsnummer

16

BOOR-vindplaatscode(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats Gemeente RD-coördinaten Complextype(n)

12-01 Grote schuur - Boudewijn Hartsland Katendrecht Rotterdam 88.445/432.765 Begraven hofstad. Het complex is ten dele opgegraven. Het bestond uit een drieschepige bakstenen schuur, 13,5 bij 29 m groot, en een bakhuis. De grachten waren ruim 10 m breed, maar vielen slechts ten dele binnen het opgravingsgebied. Hierdoor is de grootte van het erf niet bekend, het was minstens 45 m lang en 27 m breed, maar kan aanzienlijk groter zijn geweest. De hofstad was grafelijke eigendom en wordt op 11 maart 1308 samen met 82 morgen land onder leenverband verkocht en dan omschreven als ‘huysinge ende andere zijnen toebehoiren’. Een latere acte van 18 mei 1328 is uitvoeriger en spreekt van ‘die grote scuire ende alle die woninghe die binnen der graven staen’ met als variant op 2 augustus 1332 ‘’s Gravenscure’ (Hoek 1981). Late Middeleeuwen B, eind 13e eeuw. Opgraving Renaud in 1946. Renaud 1955; Hoek 1981, 126.

Datering Stratigrafische positie

Diepteligging

Soort en jaar onderzoek

Stratigrafische positie Diepteligging Datering(en) algemeen 14C-datering Opmerkingen botanie Opmerkingen zoölogie Soort en jaar onderzoek Bron(nen)

28

Bewoningsgeschiedenis Rond het jaar 1000 werden de veengebieden op IJsselmonde ontgonnen. Door het graven van sloten werd het veen ontwaterd waardoor het gebied geschikt werd voor bewoning en landbouw. De oudste middeleeuwse bewoningssporen vinden we in het hart van IJsselmonde op een veenondergrond. Vindplaatsen uit de 11e-13e eeuw zijn in het gebied van de centrale delen van IJsselmonde in Barendrecht en Rhoon onder meer bekend uit Bijdorp (zie hierboven, vindplaatsnummer 13 [in Polder Binnenland]), Vrijenburg (vindplaatsnummer 12 [in Polder Binnenland]) en op zo’n 2100 meter ten zuidoosten van het plangebied Portland (vindplaatsnummer 11 [in Polder het Buitenland van Rhoon]). Bij de laatste vindplaats gaat het om een veenontginningsnederzetting - bestaande uit vijf gebouwen op licht verhoogde erven - uit de periode 1125 - begin 13e eeuw. Door het inklinken van de bodem als gevolg van het ontwateren van het veen kwamen de ontgonnen gebieden zo laag te liggen dat ze op den duur door dijken beschermd moesten worden tegen binnendringend water. Geleidelijk ontstond in het centrale deel van IJsselmonde een grote polder, de Riederwaard. De voortgaande klink van het veengebied zorgde er uiteindelijk voor dat de bewoning daar tot een eind kwam en zich naar het zuiden, in de richting van de Maas, verplaatste.

Het areaal van de polder Nieuw Pendrecht - waarin het plangebied is gelegen - maakte in de Late Middeleeuwen deel uit van de Riederwaard. De oudst bekende vermelding van de Riederwaard dateert uit 1214. In de periode 1373-1375 gaat de Riederwaard als gevolg van overstromingen verloren. De schade was enorm: nederzettingen als Pendrecht, Carnisse, West-Barendrecht en Oost-Barendrecht verdronken en de uitgestrekte ontginningen van de Riederwaard gingen verloren. In de eeuwen die volgden op de rampjaren werd het overstroomde land in fasen weer ingedijkt. De polder Nieuw Pendrecht is na 1539 ontstaan, maar dan 164 jaar na de ondergang van de Riederwaard. In het zuiden van Barendrecht bevindt zich de Zuidpolder die flink later - rond 1650 - is ingedijkt. Op luchtfoto’s is in de westelijke delen van de Zuidpolder een 2,5 km lang deel van het dijkenstelsel om de Riederwaard als een lichte verkleuring in de akkers zichtbaar. De dijkresten bevinden zich in de ondergrond en worden afgedekt door het overstromingsdek dat daar is gevormd tussen 1373 en 1650. In de wijken Waterkant en Havenkwartier in Carnisselande is de dijk onderzocht. Over een afstand van meer dan 700 meter zijn op en aan de noordzijde van de dijk bewoningssporen - resten van houten huizen, kuilen, sloten en greppels - uit de 13e en 14e eeuw aangetroffen (zie bijvoorbeeld vindplaatsnummer 14, hierboven).

Zeer waarschijnlijk gaat het om resten van het in 1373-1375 verdronken middeleeuwse dorp Carnisse. Naar het oosten toe is de dijk op luchtfoto’s door de aanwezige bebouwing en de ophogingen van de Achterzeedijk de eventuele voortzetting nog niet aangetoond. Opvallend is echter dat in het gebied ten westen van de 3e Barendrechtse weg het nu bekende stuk dijk op luchtfoto’s vanuit het noordwesten naar het zuidoosten toe min of meer raait op de veronderstelde locatie van ‘Den Ouden Dijck’ bij de haven van Barendrecht. Dit is een in historische bronnen vermeld - en ook op kaarten uit de zeventiende eeuw afgebeeld eilandje, waarvan wordt aangenomen dat het om een stuk land gaat - eertijds binnen de bedijking van de Riederwaard gelegen - dat gespaard is gebleven bij de overstromingen in de 14e eeuw. Volgens 16e- en 17e-eeuwse getuigenverklaringen lagen op dit eilandje de resten van de in 1373 verdronken kerk en kerkhof van Barendrecht. Andere getuigen beweren daarentegen dat de kerk tussen het eilandje en Heerjansdam heeft gestaan. ‘Den Ouden Dijck’ is rond 1650 wellicht opgenomen in de Achterzeedijk. In het zuidoosten van de Zuidpolder zijn in 1993 bij grondwerkzaamheden in de Ziedewijdse kade onder het middeleeuwse overstromingsdek over een afstand van minimaal 70 meter kuilen met mest, aardewerk, baksteenfragmenten en botmateriaal uit de 14e eeuw aangetroffen.

De archeologische resten worden geïnterpreteerd als nederzettingssporen en zijn - ook voor wat betreft hun stratigrafische positie - goed vergelijkbaar met de vondsten in Carnisselande (zie hierboven vindplaatsnummer 15 [in Zuidpolder]).

29

Zeer voorzichtig kan worden gesuggereerd dat de vindplaats in verband kan worden gebracht met de aanwezigheid in dit deel van de Zuidpolder van het tijdens de overstromingen van 1373-1375 verdronken dorp (Oost) Barendrecht. In Rotterdam zijn in de jaren veertig van de vorige eeuw bij Katendrecht de resten van een begraven hofstad onderzocht. Het complex bestond uit een drieschepige bakstenen schuur, 13,5x29 m groot, en een bakhuis. De grachten waren ruim 10 m breed. De hofstad was grafelijke eigendom en werd op 11 maart 1308 samen met 82 morgen land onder leenverband verkocht en dan omschreven als ‘huysinge ende andere zijnen toebehoiren’. Een latere acte van 18 mei 1328 is uitvoeriger en spreekt van ‘die grote scuire ende alle die woninghe die binnen der graven staen’ met als variant op 2 augustus 1332 ‘’s Gravenscure’ (vindplaatsnummer 16). Ook over de bewoningsgeschiedenis van centraal IJsselmonde in de prehistorie en de Romeinse tijd (begin jaartelling tot 350 na Chr.) zijn gegevens beschikbaar uit de nabije en wijdere omgeving van het plangebied. Het gaat om vindplaatsen in de gemeente Barendrecht uit het Neolithicum (tot 2000 voor Chr.

- zie hierboven vindplaatsnummers 3 [in Zuidpolder], 4 [tussen de Essendijk en de Rijsdijk], 5 [in Polder Binnenland], 10 [in Zuidpolder], 6 [in Polder Oudeland], 7 [in Polder Oudeland] en 8 [in Polder Nieuw Reijerwaard] ), Bronstijd (2000-800 voor Chr. - vindplaatsnummer 10), IJzertijd (800 voor Chr.-begin jaartelling - vindplaatsnummer 9 - [in Zuidpolder] en de Romeinse tijd (begin jaartelling-rond 400 na Chr. - vindplaatsnummer 9 [in Zuidpolder]). Alle genoemde vindplaatsen zijn gerelateerd aan fossiele stroomgordels (Afzettingen van Gorkum Formatie van Echteld) of aan fossiele geulen (Afzettingen van Duinkerke - Laagpakket van Walcheren). Zo’n 10 km ten zuidoosten het plangebied zijn bij Heerjansdam resten uit het Mesolithicum/Neolithicum aangetroffen in de top van rivierduinafzettingen (Laagpakket van Delwijnen, vindplaatsnummer 1 [in Polder Heerjansdam]). Uit dezelfde tijdsspanne Mesolithicum/Neolithicum, maar dan in de top van stroomgordelafzettingen (Formatie van Echteld) en dichterbij (op zo’n 2,3 km ten oosten van het plangebied), zijn ook in Rotterdam bij De Velden op een diepte van 8,02 - 7,94 m - NAP vondsten bekend (vindplaatsnummer 2).

2.5.5 Bouwhistorische elementen Het (beknopte) bouwhistorisch onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de mogelijke aanwezigheid van ondergrondse bouwhistorische waarden in het plangebied.

2.5.6 Luchtfoto’s Bestudering van luchtfotonummer 88-432 in de luchtfoto atlas van Uitgeverij 12 Provinciën (genomen op 29 mei 2003) leverde geen aanwijzingen op voor de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied.

2.5.7 Actueel Hoogtebestand Nederland Bestudering van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) leverde geen aanwijzingen op voor de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied.

30

2.6

Gespecificeerde archeologische verwachting

Op grond van de verworven informatie over de historische situatie, de bodemopbouw in de omgeving en de bekende archeologische waarden in de nabijheid van het plangebied kan de archeologische verwachting voor de bovenste 16 meter van de bodem in plangebied ‘Driemanssteeweg - Van Mossel’ worden aangegeven (tabel 1). Het gaat om het holocene sedimentpakket tussen de top van de geulafzettingen (grindhoudend grof zand tot matig fijn zand) behorend tot de Formatie van Kreftenheye en het maaiveld. In tegenstelling tot de bovenste meters is van de diepere bodemtrajecten slechts in zeer beperkte mate informatie (uit sonderingen) beschikbaar. Benadrukt wordt dat bij de inrichting van het plangebied de bodemverstorende activiteiten - hierbij moet vooral worden gedacht aan het slaan van heipalen - wel tot deze trajecten reiken en eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen aantasten. Mesolithicum De sonderingen wijzen uit dat er geen rivierduinafzettingen (Formatie van Delwijnen) in het plangebied aanwezig zijn. De kans op de aanwezigheid van archeologisch resten uit het Mesolithicum is daardoor zeer klein. In de regio Rotterdam zijn tot nu toe nimmer sporen uit het Mesolithicum in een andere context dan die van rivierduinafzettingen aangetroffen. Het is echter niet uit te sluiten dat ze bijvoorbeeld op oevers van vroegholocene geulen aanwezig zijn.

Dergelijke locaties zijn - gelet op de diepe ligging en een veronderstelde kleine omvang en vondstdichtheid - zeer lastig op te sporen. Neolithicum en Bronstijd Voor het gehele plangebied geldt dat er een kleine kans is op de aanwezigheid van archeologische sporen uit het Neolithicum en uit de Bronstijd in de top van stroomgordelsedimenten behorend tot de Formatie van Echteld. IJzertijd en Romeinse tijd Vindplaatsen uit de IJzertijd en Romeinse tijd zijn op IJsselmonde tot nu toe uitsluitend bekend in gebieden nabij geulen, zoals bijvoorbeeld de noordelijke oeverzone van de Oude Maas in Barendrecht. In het veengebied van Midden-IJsselmonde zijn geen sites uit de IJzertijd en Romeinse tijd bekend. Door het ontbreken van ontwaterende geulsystemen was het gebied destijds slecht toegankelijk en was de veenondergrond slecht betreedbaar. De kans op de aanwezigheid van archeologische waarden uit de IJzertijd en Romeinse tijd in het plangebied wordt daarom als zeer klein ingeschat. Late Middeleeuwen (tot 1373) Het plangebied bevindt zich nabij de oude loop van de Koedood. Deze geul is ontstaan bij de overstromingen van de Riederwaard in 1373-1375.

Booronderzoek in de zone net ten oosten van het plangebied wees uit dat daar het stratigrafisch niveau met de grootste kans op de aanwezigheid van archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen tot 1373, namelijk de top van het Hollandveen Laagpakket, gedurende die overstromingen door erosie ernstig is aangetast. De Geologische Kaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad Rotterdam Oost 37 Oost geeft aan dat in plangebied ‘Driemanssteeweg - Hornbach’ een zeer vergelijkbare bodemopbouw kan worden verwacht, waarbij ook hier de top van het veen ernstig zal zijn verstoord door erosie in en na 1373. Dit houdt in dat de kans op de aanwezigheid in het plangebied van waardevolle ongestoorde archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen tot 1373 nihil is. Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd (1373-na 1539) Na de overstromingen van 1373-1373 lag het areaal van het plangebied buitendijks. Uit deze periode zijn dan ook geen archeologische waarden te verwachten.

31

Nieuwe tijd (na 1539) Het bureauonderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van archeologica in het plangebied. De archeologische verwachting is dan ook zeer laag voor deze tijdspanne. Datering Mesolithicum Neolithicum

Archeologische verwachting Zeer laag Laag

Complextype

Stratigrafische positie

Omvang

Diepteligging in m - mv Tussen circa 3 en 5

Bronstijd

Laag

IJzertijd Romeinse tijd

Zeer laag Zeer laag

Nederzettingstereinen (Basiskampen, special activity sites), off-site activiteiten Nederzettingstereinen (Basiskampen, special activity sites), off-site activiteiten -

Oeverafzettingen (Formatie van Echteld)

Divers

Oeverafzettingen (Formatie van Echteld)

Divers

Tussen circa 1,9 en 2,9

-

-

-

Middeleeuwen tot 1373 AD Middeleeuwen tussen 1373 en 1539 Nieuwe tijd vanaf 1539

Zeer laag

-

-

-

-

Zeer laag

-

-

-

-

Zeer laag

-

-

-

-

Tabel 1. Gespecificeerde archeologische verwachting plangebied Rotterdam ‘Driemanssteeweg - Hornbach’. Het is lastig een exacte diepte aan te geven waarop de archeologische waarden uit het Neolithicum en Bronstijd kunnen worden verwacht. Afgaand op de resultaten van onderzoeken in de gemeenten Albrandswaard en Barendrecht bevindt de top van stroomgordelsedimenten behorend tot de Formatie van Echteld met archeologische resten zich tussen circa 5 en 1,9 m - NAP. Voor beide genoemde perioden gaat het om nederzettingsterreinen (basiskampen, special activity sites, off-site activiteiten) en mogelijk om sporen van inrichting en agrarische gebruik van het gebied. De nederzettingsterreinen uit het Neolithicum en Bronstijd kenmerken zich door een ‘vuile’ laag met vondsten als aardewerk, verbrand en onverbrand bot, natuursteen, as, houtskool en dergelijke. In en onder zo’n 'vuile laag' kunnen zich resten van constructiehout bevinden.

32

3

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

In opdracht van Hornbach Holding heeft Archeologie Rotterdam (BOOR) in maart-april 2019 een bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘Driemanssteeweg - Hornbach’ in de gemeente Rotterdam. Het bureauonderzoek diende te worden uitgevoerd in verband met de voorgenomen herinrichting van het gebied, waar de nieuwbouw van een vestiging van bouwmarktketen Hornbach is gepland. In het plangebied aanwezige archeologische waarden kunnen bij de beoogde bouw- en inrichtingswerkzaamheden worden aangetast of vernietigd.

3.1

Conclusies

In paragraaf 2.4 is vastgesteld dat de ontwikkeling van plangebied ‘Driemanssteeweg Hornbach’ gepaard gaat met grondroerende activiteiten: sloop van de huidige bebouwing en de bouw van een nieuwe bouwmarkt met bijbehorende bovengrondse en ondergrondse infrastructuur. Over de wijze van slopen van de huidige bebouwing is nog niets bekend. Op basis van het bureauonderzoek, waarbij onder meer is gekeken naar historischgeografische, geologische en archeologische aspecten, is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied opgesteld (zie paragraaf 2.6). Voor het gehele plangebied geldt een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het Neolithicum en de Bronstijd; de kans dat zich archeologische waarden uit andere perioden in het plangebied ophouden wordt als zeer klein ingeschat. Het stratigrafische niveau met de grootste archeologische verwachting - de top van het veen van het Formatie van Nieuwkoop met eventueel archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen tot 1373 - is zeer waarschijnlijk als gevolg van de overstromingen van de Riederwaard door erosie verdwenen. Eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen uit het Neolithicum en de Bronstijd bevinden zich tussen circa 1,9 en 5,0 m - NAP en zullen - bij een maaiveldhoogte van 0,50,8 m - NAP - dan ook enkel door het slaan van de heipalen worden aangetast.

3.2

Aanbevelingen

Op basis van bovenstaande conclusies luidt de aanbeveling voor het plangebied ‘Driemanssteeweg - Hornbach’ te Rotterdam dat er als vervolg op het bureauonderzoek geen inventariserend veldonderzoek hoeft te worden uitgevoerd. Archeologie Rotterdam acht de kans klein dat bij uitvoering van de geplande bouw- en inrichtingswerkzaamheden waardevolle archeologische vindplaatsen zodanig zullen worden aangetast dat deze in de toekomst niet meer interpreteerbaar kunnen worden onderzocht. De voorgenomen werkzaamheden kunnen worden gestart zonder verdere archeologische bemoeienis. Wel dien altijd rekening gehouden te worden met zogenaamde toevalsvondsten in het plangebied. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag, zoals aangegeven staat in artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016. Archeologie Rotterdam is bereid om Hornbach hierin te adviseren. De beslissing om deze aanbeveling (beleidsadvies) om te zetten in een verplichting (beleidsbesluit) berust bij het bevoegd gezag, de gemeente Rotterdam.

33

Bevoegd gezag Het bevoegd gezag in deze is de gemeente Rotterdam, vertegenwoordigd door de afdeling Beheer en Beleid van Archeologie Rotterdam. Ten aanzien van de conclusies en aanbevelingen in dit rapport dient Hornbach Holding contact op te nemen met de heer A.H. Carmiggelt. Gemeente Rotterdam t.a.v. de heer drs. A.H. Carmiggelt Ceintuurbaan 213b 3051 KC Rotterdam Tel. 010-4898501 E-mail: ah.carmiggelt@rotterdam.nl

34

GERAADPLEEGDE BRONNEN

Literatuur

Centraal College van Deskundigen Archeologie, 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Landbodems versie 4.1, Gouda. Esselink, E., 2018: Verkennend bodemonderzoek. Charloisse Lagedijk te Rotterdam. Perceel D, Almere (Antea, projectnummer 433638 of 434638). Hageman, R.J.B., 1991: IJsselmonde: een archeologische kartering, inventarisatie en waardering, Rotterdam (BOORrapporten 8). Hallewas, D.P., 2009: Albrandswaard Rhoon Portland. Vindplaats 19-09: laat-middeleeuwse huizen op het veen, Rotterdam (BOORrapporten 390). Hallewas, D.P. en J.M. Moree, 2011: De middeleeuwse bedijking en bewoning van het zuidelijke deel van de Riederwaard. Archeologisch onderzoek in Barendrecht-Carnisselande op IJsselmonde, in: Carmiggelt, A., M.C. van Trierum en D.A. Wesselingh (red.): BOORbalans 7 Archeologisch onderzoek in de gemeente Barendrecht. Prehistorische bewoning op een oeverwal en middeleeuwse bedijking en bewoning, Rotterdam, 155-206. Hijma, M.P., K.M. Cohen, G. Hoffmann, A.J.F. van der Spek en E. Stouthamer, 2009: From river valley to estuary: the evolution of the Rhine mouth in the early to middle Holocene (western Netherlands, Rhine-Meuse delta), Netherlands Journal of Geosciences - Geologie en Mijnbouw 88-1, 13-53. Hoek, C., 1981: Begraven hofsteden in het Maasmondgebied, in: T.J. Hoekstra, H.L. Janssen en I.W.L.

Moerman (red.), Liber Castellorum 40 variaties op het thema kasteel, Zutphen, 123-143. Kruidhof, C.N., 2004: Rhoon Zuidoost. Een archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen in de gemeente Albrandswaard, Rotterdam (BOORrapporten 172). Meer, A. van de en D.E.A. Schiltmans, 2008: Barendrecht ‘autobedrijf Noteboom’. Een karterend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen, Rotterdam (BOORrapporten 446). Meirsman, E., 2004: Rotterdam Hordijkerveld fase 2. Een archeologische inventarisatie door middel van grondboringen, Rotterdam (BOORrapporten 203). Meirsman, E., 2005: Albrandswaard Rhoon Essendael. Een documenterend en waarderend onderzoek van de archeologische vindplaatsen 19-12 en 19-14 door middel van proefsleuven, Rotterdam (BOORrapporten 209). Meirsman, E., 2006: Albrandswaard Rhoon Essendael vindplaats 19-12. Onderzoek naar de haalbaarheid van een inrichtingsplan ter plekke van een vindplaats uit het Neolithicum, Rotterdam (BOORrapporten 286).

35

Moree, J.M., A. Carmiggelt, T.A. Goossens, A.J. Guiran, F.J.C. Peters en M.C. van Trierum, 2002: Archeologisch onderzoek in het Maasmondgebied: archeologische kroniek 1991-2000, in: A. Carmiggelt, A.J. Guiran en M.C. van Trierum (red.): BOORbalans 5 Bijdragen aan de bewoningsgeschiedenis van het Maasmondgebied, Rotterdam, 87-213. Moree, J.M., A.V. Schoonhoven en M.C. van Trierum, 2010: Archeologisch onderzoek van het BOOR in het Maasmondgebied: archeologische kroniek 2001-2006, in: A. Carmiggelt, M.C. van Trierum en D.A. Wesselingh (red.): BOORbalans 6 Bijdragen aan de bewoningsgeschiedenis van het Maasmondgebied, Rotterdam, 77-240. Provincie Zuid-Holland, 2007: Handreiking betreffende opstelling van en advisering over ruimtelijke plannen op grond van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland. Renaud, J.G.N., 1955: Een middeleeuwse hoeve in de polder Boudewijn Hartsland, ZuidHolland, Berichten ROB VI, 140-150. Schiltmans, D.E.A., 2010b: Rotterdam De Velden. Een bureauonderzoek en verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen, Rotterdam (BOORrapporten 476). Schiltmans, D.E.A. en B. Jansen, 2003: Albrandswaard Vinex-locatie Portland. Een archeologische inventarisatie door middel van grondboringen, Rotterdam (BOORrapporten 122). Schwab, D. - GHJ Ingenieursgesellschaft für Geo- und Umwelttechniek mbH & Co. KG, 2018: GEOTECHNISCHES GUTACHTEN (1.

BERICHT). Thanos, C.S.I., 2000: Aanvullend Archeologisch Onderzoek in het tracé van deHogesnelheidslijn-Zuid, vindplaats 38 "Develweg", Heerjansdam (intern PAH-rapport). Velde, H. van der, 2000: AAO Rapport vindplaats 38 Heerjansdam-Develweg. Westerhoff, W.E., T.E. Wong en E.F.J. de Mulder, 2003: Opbouw van de ondergrond, in: Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong (red.): De ondergrond van Nederland, Groningen/Houten, 247-352. Wouda, B. (red.), 2002: Een schatkistje uit Reijerwaard. Paleografische atlas van de archieven van polder Oud- en Nieuw-Reijerwaard, Barendrecht/Hilversum. Zijl, W., 2012: Rotterdam Charlois Driemanssteeweg Rotterdam. Een bureauonderzoek en een verkennend en karterend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen, Rotterdam (BOORrapporten 535).

Overige bronnen Actueel Hoogtebestand Nederland van Rijkswaterstaat en de Waterschappen, opgenomen in BOORIS (in april 2019). Archieven.nl (https://www.archieven.nl/nl/zoeken?mivast=0&mizig=210&miadt=184&micode=1349&milan g=nl&mizk_alle=Nieuw%20Pendrecht&miview=inv2 op 28 maart 2019). Archis, Archeologisch informatiesysteem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (https://zoeken.cultureelerfgoed.nl in april 2019).

36

BOOR, 2005: Archeologische Waardenkaart Rotterdam, Rotterdam (vastgesteld op 31 januari 2005). BOORIS, Archeologisch informatiesysteem van Archeologie Rotterdam (in april 2019). Cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland, kaart 1b (Archeologische waarden) (http://pzh.b3p.nl/viewer/app/Cultuur_historische_atlas in september 2018). GeoTOP, driedimensionaal model van de Nederlandse ondergrond door TNO, opgenomen in BOORIS (in september 2018). Kadastrale kaart 1811-1832: verzamelplan Pernis, Zuid Holland (MIN08161VK1) (https://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/alle-afbeeldingen/detail/997b55b0-94d7-11e5-ab665727f2490d41/media/6c412abb-e86a-08df-06d0986a6b09ecba?mode=detail&view=horizontal&q=Pernis%20verzamelplan&rows=1&page=1 &sort=order_s_documentvolgorde%20asc op 28 maart 2019). Kadastrale kaart 1811-1832: verzamelplan Rhoon, Zuid Holland (MIN08169VK1) (https://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/alle-afbeeldingen/detail/997b73ce-94d7-11e5-ab6e27247e1a3d69/media/6e425688-bfbd-27ac-8b11cff19fa5a63c?mode=detail&view=horizontal&q=rhoon&rows=1&page=1&sort=order_s_docu mentvolgorde%20asc op 28 maart 2019). Molendatabase, de database van Verdwenen Molens (http://www.molendatabase.org/molendb.php?step=details&tbnummer=02767 op 28 maart 2019). NITG-TNO, 1998: Geologische Kaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad Rotterdam Oost 37 Oost, Haarlem.

SIKB voor kwaliteitsrichtlijnen voor de archeologie (http://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen). Uitgeverij 12 Provinciën, 2005: Luchtfoto-Atlas Zuid-Holland. Loodrechtluchtfoto’s provincie Zuid-Holland, schaal 1:14.000, Landsmeer. Uitgeverij Nieuwland, 2005: Grote Historische topografische Atlas ± 1905 Zuid-Holland, schaal 1:25.000, Tilburg. Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, 1990: Grote Historische Atlas van Nederland, schaal 1:50.000, I West-Nederland 1839-1859, Groningen. Wolters-Noordhoff Atlasprodukties/Topografische Dienst, 1990: Grote Provincie Atlas van Zuid-Holland, schaal 1:25.000, Groningen/Emmen.

37

GEBRUIKTE AFKORTINGEN

AHN AMK AMZ Archis AWK BOOR BOORIS KNA LS mv NAP PvA PvE RD SIKB Stiboka TNO VS

Actueel Hoogtebestand Nederland Archeologische Monumentenkaart Archeologische Monumentenzorg Archeologisch informatiesysteem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed Archeologische Waardenkaart Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam Archeologisch informatiesysteem van Archeologie Rotterdam (BOOR) Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie Afkorting voor specificatie Bureauonderzoek (binnen de KNA) maaiveld Normaal Amsterdams Peil Plan van Aanpak Programma van Eisen Rijksdriehoek Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer Stichting voor Bodemkartering (tegenwoordig Alterra) Nederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek Afkorting voor specificatie Inventariserend Veldonderzoek (binnen de KNA)

38

Archeologie Rotterdam (BOOR) Ceintuurbaan 213b 3051 KC Rotterdam

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=6acc9635-11f5-4ec9-b831-2d6d1975490d