21bb2624 Bijlage 6 behorende bij 21bb2566 - Brief over beoordeling BOORrapport 672 Rotterdam Driemanssteeweg Hornbach - Een bureauonderzoe
Tekst van het document
Onderwerp: Beoordeling BOORrapport 672 Rotterdam Driemanssteeweg Hornbach - Een bureauonderzoek Bezoek-/postadres: Archeologie Rotterdam (BOOR) Ceintuurbaan 213b 3051 KC Rotterdam Internet: www.rotterdam.nl/archeologie Retouradres: Ceintuurbaan 213b, 3051 KC Rotterdam
Hornbach Holding t.a.v. de heer G. van Heeren Postbus 1099 3430 BB NIEUWEGEIN
Van: mw. dr. A.V. Schoonhoven Telefoon: 010 - 489 85 15 E-mail: av.schoonhoven@rotterdam.nl Ons kenmerk: AS19/06540-19/0009637 Datum: 8 mei 2019 Kopie aan: de heer J. Bus (BOdG Ruimtelijk Advies)
Geachte heer Van Heeren, Archeologie Rotterdam heeft in uw opdracht een bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘Driemanssteeweg - Hornbach’ in Charlois in de gemeente Rotterdam. Het conceptrapport is ter beoordeling voorgelegd aan de afdeling Beheer en Beleid van Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR) in de hoedanigheid van bevoegd gezag in deze. Het betreft het rapport van J.M. Moree, 2019: Rotterdam Driemanssteeweg Hornbach. Een bureauonderzoek, Rotterdam (BOORrapporten 672). Beoordeling rapport Archeologie Rotterdam keurt het rapport zonder enig voorbehoud goed. Beleidsbesluit Archeologie Rotterdam ziet op grond van de resultaten van het bureauonderzoek geen reden tot verder archeologisch onderzoek in het plangebied. De kans dat bij de bouw- en inrichtingswerkzaamheden in het nu onderzochte areaal waardevolle archeologische resten worden aangetast, wordt als klein ingeschat. De locatie kan voor de voorgenomen ontwikkeling worden vrijgegeven zonder archeologische bemoeienis. Toevalsvondsten Archeologie Rotterdam benadrukt dat er altijd rekening dient te worden gehouden met zogenaamde toevalsvondsten bij de voorziene werkzaamheden in het plangebied. Hiervan dient men op basis van de Erfgoedwet 2016, art. 5.10 Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (vondstmelding Archis), te informeren.
Om praktisch redenen is het wellicht makkelijker om dit bij het bevoegd gezag - in deze de gemeente Rotterdam - te doen. Met een vriendelijke groet, hoogachtend, DIRECTEUR STADSBEHEER OPENBARE WERKEN (voor deze)
drs. A. Carmiggelt Hoofd Archeologie Rotterdam (BOOR)
Archeologie Rotterdam (BOOR) 90.500
Rotterdam Driemanssteeweg Hornbach
Een bureauonderzoek
J.M. Moree
BOORrapporten 672
90.600
ROTTERDAM DRIEMANSSTEEWEG HORNBACH
Een bureauonderzoek
J.M. Moree
Tekeningen: M.F. Valkhoff
BOORrapporten 672 2019
Archeologie Rotterdam Ceintuurbaan 213b 3051 KC Rotterdam
COLOFON
Titel Rotterdam Driemanssteeweg Hornbach. Een bureauonderzoek. Status definitief Auteur(s) drs. J.M. Moree Tekenaar(s) M.F. Valkhoff Opsteller(s) afbeeldingen drs. J.M. Moree Projectcode BOORrapporten 672 Projectleider drs. J.M. Moree Projectmedewerker(s) drs. J.M. Moree Toets Beheer en Beleid dr. A.V. Schoonhoven
Autorisatie Archeologie Rotterdam (BOOR)
Autorisatie bevoegd gezag
drs. M.M. Sier hoofd Onderzoek en Rapportage
drs. A.C. Carmiggelt gemeente Rotterdam
ISSN 1873-8923 Archeologie Rotterdam (BOOR) Ceintuurbaan 213b 3051 KC Rotterdam Telefoon 010-489 8500 E-mail boor@rotterdam.nl Copyright © Archeologie Rotterdam, mei 2019 Alle rechten voorbehouden. Niets van deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Archeologie Rotterdam aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
SAMENVATTING
Algemeen In opdracht van Hornbach Holding heeft Archeologie Rotterdam (BOOR) een bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘Driemanssteeweg - Hornbach’ in de gemeente Rotterdam. Het onderzoek is verricht in verband met de voorgenomen bouw van een bouwmarkt in het plangebied. In het kader hiervan zullen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd; indien archeologische waarden aanwezig zijn, kunnen deze hierbij worden aangetast of vernietigd. Voorliggend bureauonderzoek dient inzicht te verschaffen welke archeologische waarden op deze locatie kunnen worden verwacht. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek kunnen vervolgens aanbevelingen worden gedaan ten aanzien van de nog benodigde archeologische inspanningen in het plangebied. Geologie De diepere delen van de ondergrond van de omgeving van het plangebied bestaan uit klastische sedimenten, behorend tot de Formatie van Kreftenheye. De top van de formatie ligt in de omgeving van het plangebied op ongeveer 16,0 m - NAP (ook ongeveer 16,0 m mv). De formatie bestaat uit geulafzettingen (grindhoudend grof zand tot matig fijn zand) die worden afgedekt door komsedimenten (klei en zandige klei). De komafzettingen worden tot de Laag van Wijchen gerekend. Op de Laag van Wijchen bevindt zich een enkel decimeters dikke laag veen (Basisveen, thans Basisveen Laag).
Hierop rust een dik pakket klastische kom- en oeverafzettingen (Afzettingen van Gorkum, thans Formatie van Echteld). In de top van het pakket komen plaatselijk lagen veen voor (Hollandveen, thans Formatie van Nieuwkoop). De Afzettingen van Gorkum/Formatie van Echteld worden afgedekt door een pakket veen (Hollandveen, thans Formatie van Nieuwkoop). De top van de natuurlijke sequentie bestaat uit een dek van al of niet sterk siltige klei en/of matig kleiig zand, behorend tot de Afzettingen van Duinkerke III (thans Laagpakket van Walcheren, beter: Formatie van Echteld), dat is gevormd na de overstromingen van de Riederwaard in 13731375. Tussen het veen en het overstromingsdek is plaatselijk een laag vette klei aanwezig. Deze is - gelet op de aanwezigheid van baksteengruis - gevormd in de Late Middeleeuwen en wordt geïnterpreteerd als een vroeg overstromingsdekje (vroege fase Afzettingen van Duinkerke III, thans Laagpakket van Walcheren, wellicht beter: Formatie van Echteld). Met de vorming van de polder Nieuw Pendrecht na 1539 kwam een eind aan de natuurlijke sedimentatie in het plangebied. De Geologische Kaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad Rotterdam Oost 37 Oost en onderzoek even ten oosten van het plangebied geven aan dat het zeer aannemelijk is dat de top van het pakket veen in het plangebied ernstig zal zijn verstoord door erosie in de Late Middeleeuwen.
Onderzoek van de beschikbare sonderingen wijzen uit dat in de dieper ondergrond van het plangebied geen rivierduinafzettingen zijn te verwachten. Bekende archeologische waarden in het plangebied In het plangebied zijn geen archeologische waarden bekend; er is niet eerder archeologisch onderzoek verricht. Bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied In de nabije omgeving van het plangebied zijn archeologische vindplaatsen bekend uit de Late Middeleeuwen A en B. Iets verder weg zijn vindplaatsen uit het Neolithicum aangetroffen; een site met resten uit het Mesolithicum/Neolithicum bevindt zich op zo’n 2,3 km ten oosten van het plangebied bij De Velden in Rotterdam. Op grotere afstand van het plangebied bevinden zich tevens sites uit de IJzertijd en Romeinse tijd. Benadrukt wordt dat deze vindplaatsen zich vooral ten zuiden van het plangebied - in de gemeenten Albrandswaard en Barendrecht - bevinden. In de ten noorden van het plangebied gelegen aangrenzend Rotterdamse gronden zijn minder sites bekend, terwijl
3
deze hier op grond van de sterk met die van de Albrandswaardse en Barendrechtse arealen overeenkomstige geologische opbouw van de bodem wel zijn te verwachten. De oorzaak van het 'tekort' aan bekende vindplaatsen in het zuiden van Rotterdam is gelegen in het feit dat de meeste bodemingrepen in Rotterdam-Zuid (aanleg van havens en bedrijventerreinen, woningbouw) hebben plaatsgevonden in een periode dat de archeologische infrastructuur zich onvoldoende had ontwikkeld om hierbij op adequate wijze archeologische vindplaatsen op te sporen en te onderzoeken. Archeologische verwachting Op grond van de verworven informatie over de historische situatie, de bodemopbouw in de omgeving en de bekende archeologische waarden in de nabijheid van het plangebied kan de archeologische verwachting voor de bovenste 16 meter van de bodem in plangebied ‘Driemanssteeweg - Van Mossel’ worden aangegeven (tabel 1). Het gaat om het holocene sedimentpakket tussen de top van de geulafzettingen (grindhoudend grof zand tot matig fijn zand) behorend tot de Formatie van Kreftenheye en het maaiveld. In tegenstelling tot de bovenste meters is van de diepere bodemtrajecten slechts in zeer beperkte mate informatie (uit sonderingen) beschikbaar.
Benadrukt wordt dat bij de inrichting van het plangebied de bodemverstorende activiteiten - hierbij moet vooral worden gedacht aan het slaan van heipalen - wel tot deze trajecten reiken en eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen aantasten. Mesolithicum De sonderingen wijzen uit dat er geen rivierduinafzettingen (Formatie van Delwijnen) in het plangebied aanwezig zijn. De kans op de aanwezigheid van archeologisch resten uit het Mesolithicum is daardoor zeer klein. In de regio Rotterdam zijn tot nu toe nimmer sporen uit het Mesolithicum in een andere context dan die van rivierduinafzettingen aangetroffen. Het is echter niet uit te sluiten dat ze bijvoorbeeld op oevers van vroegholocene geulen aanwezig zijn. Dergelijke locaties zijn - gelet op de diepe ligging en een veronderstelde kleine omvang en vondstdichtheid - zeer lastig op te sporen. Neolithicum en Bronstijd Voor het gehele plangebied geldt dat er een kleine kans is op de aanwezigheid van archeologische sporen uit het Neolithicum en uit de Bronstijd in de top van stroomgordelsedimenten behorend tot de Formatie van Echteld. IJzertijd en Romeinse tijd Vindplaatsen uit de IJzertijd en Romeinse tijd zijn op IJsselmonde tot nu toe uitsluitend bekend in gebieden nabij geulen, zoals bijvoorbeeld de noordelijke oeverzone van de Oude Maas in Barendrecht.
In het veengebied van Midden-IJsselmonde zijn geen sites uit de IJzertijd en Romeinse tijd bekend. Door het ontbreken van ontwaterende geulsystemen was het gebied destijds slecht toegankelijk en was de veenondergrond slecht betreedbaar. De kans op de aanwezigheid van archeologische waarden uit de IJzertijd en Romeinse tijd in het plangebied wordt daarom als zeer klein ingeschat. Late Middeleeuwen (tot 1373) Het plangebied bevindt zich nabij de oude loop van de Koedood. Deze geul is ontstaan bij de overstromingen van de Riederwaard in 1373-1375. Booronderzoek in de zone net ten oosten van het plangebied wees uit dat daar het stratigrafisch niveau met de grootste kans op de aanwezigheid van archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen tot 1373, namelijk de top van het Hollandveen Laagpakket, gedurende die overstromingen door erosie ernstig is aangetast. De Geologische Kaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad Rotterdam Oost 37 Oost geeft aan dat in plangebied ‘Driemanssteeweg - Hornbach’ een zeer vergelijkbare bodemopbouw kan worden verwacht, waarbij ook hier de top van het veen ernstig zal zijn verstoord door erosie in en na 1373. Dit houdt in dat de kans op de aanwezigheid in het plangebied van waardevolle ongestoorde archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen tot 1373 nihil is. 4
Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd (1373-na 1539) Na de overstromingen van 1373-1375 lag het areaal van het plangebied buitendijks. Uit deze periode zijn dan ook geen archeologische waarden te verwachten. Nieuwe tijd (na 1539) Het bureauonderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van archeologica in het plangebied. De archeologische verwachting is dan ook zeer laag voor deze tijdspanne. Conclusies De ontwikkeling van plangebied ‘Driemanssteeweg - Hornbach’ gaat gepaard met grondroerende activiteiten: sloop van de huidige bebouwing en de bouw van een nieuwe bouwmarkt met bijbehorende bovengrondse en ondergrondse infrastructuur. Over de wijze van slopen van de huidige bebouwing is nog niets bekend. Op basis van het bureauonderzoek, waarbij onder meer is gekeken naar historischgeografische, geologische en archeologische aspecten, is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied opgesteld. Voor het gehele plangebied geldt een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het Neolithicum en de Bronstijd; de kans dat zich archeologische waarden uit andere perioden in het plangebied ophouden wordt als zeer klein ingeschat.
Het stratigrafische niveau met de grootste archeologische verwachting - de top van het veen van het Formatie van Nieuwkoop met eventueel archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen tot 1373 - is zeer waarschijnlijk als gevolg van de overstromingen van de Riederwaard door erosie verdwenen. Eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen uit het Neolithicum en de Bronstijd bevinden zich tussen circa 1,9 en 5,0 m - NAP en zullen - bij een maaiveldhoogte van 0,5-0,8 m - NAP dan ook enkel door het slaan van de heipalen worden aangetast. Aanbevelingen Op basis van bovenstaande conclusies luidt de aanbeveling voor het plangebied ‘Driemanssteeweg - Hornbach’ te Rotterdam dat er als vervolg op het bureauonderzoek geen inventariserend veldonderzoek hoeft te worden uitgevoerd. Archeologie Rotterdam acht de kans klein dat bij uitvoering van de geplande bouw- en inrichtingswerkzaamheden waardevolle archeologische vindplaatsen zodanig zullen worden aangetast dat deze in de toekomst niet meer interpreteerbaar kunnen worden onderzocht. De voorgenomen werkzaamheden kunnen worden gestart zonder verdere archeologische bemoeienis. Wel dien altijd rekening gehouden te worden met zogenaamde toevalsvondsten in het plangebied.
Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag, zoals aangegeven staat in artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016. Archeologie Rotterdam is bereid om Hornbach hierin te adviseren. De beslissing om deze aanbeveling (beleidsadvies) om te zetten in een verplichting (beleidsbesluit) berust bij het bevoegd gezag, de gemeente Rotterdam. Bevoegd gezag Het bevoegd gezag in deze is de gemeente Rotterdam, vertegenwoordigd door de afdeling Beheer en Beleid van Archeologie Rotterdam. Ten aanzien van de conclusies en aanbevelingen in dit rapport dient Hornbach Holding contact op te nemen met de heer A.H. Carmiggelt.
5
6
INHOUDSOPGAVE
blz.
SAMENVATTING ....................................................................................................... 3 1 1.1 1.2 1.3 2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.3 2.4 2.5 2.5.1 2.5.2 2.5.4 2.5.5 2.5.6 2.5.7 2.6
INLEIDING ...................................................................................................... 9 Inleiding .......................................................................................................... 9 Plaats onderzoek binnen de Archeologische Monumentenzorg ...................... 9 Administratieve gegevens onderzoek ........................................................... 10 Doel .............................................................................................................. 14 Plangebied en onderzoeksgebied ................................................................. 14 Plangebied .................................................................................................... 14 Onderzoeksgebied bureauonderzoek ........................................................... 14 Huidige situatie plangebied ........................................................................... 14 Geplande werkzaamheden ........................................................................... 14 Aandachtspunten .......................................................................................... 15 Beleidsinstrumenten ..................................................................................... 15 Historische situatie ........................................................................................
16 Archeologische gegevens ............................................................................. 20 Bouwhistorische elementen .......................................................................... 30 Luchtfoto’s .................................................................................................... 30 Actueel Hoogtebestand Nederland ............................................................... 30 Gespecificeerde archeologische verwachting ............................................... 31
3 3.1 3.2
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ......................................................... 33 Conclusies .................................................................................................... 33 Aanbevelingen .............................................................................................. 33
GERAADPLEEGDE BRONNEN .............................................................................. 35 GEBRUIKTE AFKORTINGEN ................................................................................. 38
7
Klimaat Landschap Vegetatie
2000
Archeologische perioden Nieuwe tijd
1500 Late Middeleeuwen B 1000
Late Middeleeuwen A
Subatlanticum koeler vochtiger
Vroege Middeleeuwen
500 Romeinse tijd 0 Late IJzertijd Midden-IJzertijd
500
Vroege IJzertijd 1000
loofbos
Midden-Bronstijd
1500 Subboreaal koeler droger
2000
Vroege Bronstijd
2500
3500
Laat Neolithicum
Holoceen
3000
Late Bronstijd
Midden-Neolithicum
4000
4500 Vroeg Neolithicum Atlanticum warm vochtig
5000
5500 Laat Mesolithicum
6000
6500
Midden-Mesolithicum
7000
7500
Boreaal warmer
den
Preboreaal warmer
berk
Late Dryas kouder
toendra
8000 Vroeg Mesolithicum 8500
9000
9500 9700
Pleistoceen
Laat Paleolithicum
Tijdtabel
8
1
INLEIDING
1.1
Inleiding
In opdracht van Hornbach Holding heeft Archeologie Rotterdam (BOOR) een bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied ‘Driemanssteeweg - Hornbach’ in de gemeente Rotterdam. Voor de ligging en huidige toestand van het plangebied zie afbeeldingen 1 en 2. Het onderzoek is verricht in verband met de voorgenomen bouw van een bouwmarkt in het plangebied. In het kader hiervan zullen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd; indien archeologische waarden aanwezig zijn, kunnen deze hierbij worden aangetast of vernietigd. Voorliggend bureauonderzoek dient inzicht te verschaffen welke archeologische waarden op deze locatie kunnen worden verwacht. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek kunnen vervolgens aanbevelingen worden gedaan ten aanzien van de nog benodigde archeologische inspanningen in het plangebied.
1.2
Plaats onderzoek binnen de Archeologische Monumentenzorg
Het proces van Archeologische Monumentenzorg (AMZ) bestaat uit de volgende stappen: Stap 1. De inventarisatie van archeologische waarden in een plangebied. Een inventarisatie bestaat doorgaans uit het uitvoeren van een bureauonderzoek (met als doel het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting), gevolgd door een inventariserend veldonderzoek. Bij een inventariserend veldonderzoek kan onderscheid gemaakt worden in een verkennende fase (toetsen en aanvullen gespecificeerde archeologische verwachting), een karterende fase (vaststellen en begrenzen archeologische vindplaatsen) en een waarderende fase (bepalen waardestelling aan de hand van fysieke en inhoudelijke kwaliteit van vindplaatsen). De inventarisatie resulteert in het opstellen van een (selectie)advies, aan de hand waarvan een beleidsbeslissing (een selectiebesluit) kan worden genomen (stap 2). Stap 2. Het nemen van een selectiebesluit op grond van de resultaten van de inventarisatie (het beleid ten aanzien van vindplaatsen). Het selectiebesluit houdt in dat een vindplaats wel of niet als behoudenswaardig wordt gekwalificeerd. In het geval van behoudenswaardige vindplaatsen vindt uitvoering van het selectiebesluit plaats; uitgangspunt hierbij is het streven naar behoud in situ van vindplaatsen. In het geval van niet-behoudenswaardige vindplaatsen is het proces van Archeologische Monumentenzorg afgerond.
Stap 3. Het uitvoeren van het selectiebesluit door: het in situ veiligstellen van archeologische informatie van behoudenswaardige vindplaatsen door fysieke bescherming, dan wel het veiligstellen van archeologische informatie van behoudenswaardige - maar niet in situ te handhaven - vindplaatsen door documentatie ervan door opgraving voorafgaand aan de werkzaamheden in het plangebied, dan wel het verifiëren dat geen archeologische informatie ongedocumenteerd verloren gaat door archeologische begeleiding van de werkzaamheden in het plangebied. Het voorliggende rapport is het resultaat van een overweging van de aanwezige bronnen met betrekking tot de te verwachten archeologische waarden in het plangebied en dient als uitgangspunt ten behoeve van het opstellen van een strategie voor eventueel archeologisch veldonderzoek.
9
Het onderzoek komt voort uit het beleidsbesluit dat is genomen na het toetsen van de bouwplannen van Hornbach voor het plangebied aan de Driemanssteeweg door Archeologie Rotterdam. Het beleidsbesluit is in een brief met kenmerk AS10/02295-19/0003368 van 18 februari 2019 meegedeeld aan de heer J. Bus van BOdG ruimtelijk advies B.V. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform de Richtlijnen voor het uitvoeren van archeologisch bureauonderzoek en niet-gravend inventariserend veldonderzoek in de gemeente Albrandswaard, Barendrecht, Bernisse (nu Nissewaard), Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Spijkenisse (nu Nissewaard) en Westvoorne, versie 2.8 (november 2018). Het bureauonderzoek is tevens uitgevoerd conform de specificaties LS01 tot en met LS05, vastgelegd in het protocol bureauonderzoek van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) versie 4.1 van het College van Archeologische Kwaliteit (CvAK). Het bureauonderzoek is gerapporteerd conform de specificatie LS06 van dat protocol.
1.3
Administratieve gegevens onderzoek
Soort onderzoek Plangebied Naam Plaats Gemeente RD-coördinaten hoekpunten
RD-centrumcoördinaten Oppervlakte Kadastrale gegevens Beheerder/eigenaar grond Opdrachtgever Bevoegd gezag Naam organisatie Naam contactpersoon Uitvoering onderzoek Naam instelling/bedrijf Naam Senior KNA-archeoloog Datum onderzoek Archis-onderzoeksmeldingsnummer Plaats en beheer documentatie
bureauonderzoek ‘Driemanssteeweg - Hornbach’ Charlois Rotterdam 90.453/431.489 90.647/431.523 90.631/431.326 90.471/431.309 90.417/431.353. 90.533/431.415. circa 38.000 m2 niet bekend niet bekend Hornbach Holding gemeente Rotterdam drs. A. Carmiggelt Archeologie Rotterdam drs. J.M. Moree maart-april 2019 4695606100 archief Archeologie Rotterdam onder de projectcode BOORrapporten 672
10
90.200
90.700
91.200
432.500
432.500
89.700
430.500
plangebied
´
0
100m
Schaal 1:10.000
Esri Nederland, Community Map Contributors 89.700
90.200
90.700
Afb. 1. Ligging van plangebied Rotterdam ‘Driemanssteeweg - Hornbach’.
11
91.200
430.500
431.000
431.000
431.500
431.500
432.000
432.000
´
431.600 431.400
431.200
431.300
431.300
431.400
431.500
90.600
plangebied
90.400
90.500
0
50m
´
Schaal 1:2.000
431.200
431.600
90.500
431.500
90.400
90.600
Afb. 2. Huidige situatie in het plangebied Rotterdam ‘Driemanssteeweg - Hornbach’ (luchtfoto 2017).
12
91.200
plangebied
´ 90.200
90.700
0
250m Schaal 1:10.000 91.200
Afb. 3. Uitsnede uit de Chromotopografische Kaart des Rijks (Bonnekaarten of Bonnebladen): kaartblad N o 523 Rhoon schaal van 1:25000’ uit 1904 met ligging plangebied.
13
430.500
430.500
431.000
431.000
431.500
431.500
432.000
432.000
432.500
90.700
432.500
90.200
2
BUREAUONDERZOEK
2.1
Doel
Het uitvoeren van een bureauonderzoek is de eerste stap in de inventarisatie van archeologische waarden in het plangebied. Het doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie over bekende en verwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Aan de hand hiervan wordt de archeologische verwachting van het plangebied opgemaakt en wordt een beslissing genomen over het al dan niet uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek en over de wijze waarop dit moet worden uitgevoerd. De archeologische verwachting wordt door middel van het inventariserend veldonderzoek getoetst en eventueel aangevuld.
2.2
Plangebied en onderzoeksgebied
2.2.1 Plangebied Het plangebied ‘Driemanssteeweg - Hornbach’ bevindt zich in het bedrijventerrein Charloisse Poort in het zuiden van Rotterdam, nabij de gemeentegrens met Albrandswaard. Het gebied wordt in het zuiden begrensd door een goederenspoorlijn (Betuwelijn), in het westen door het terrein van Truckland Rotterdam Zuid, in het noorden door de Driemanssteeweg en in het oosten ook door de Driemanssteeweg (Afb. 1 en 2). Het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 38.000 m2 binnen de RD-coördinaten 90.453/431.489, 90.647/431.523, 90.631/431.326, 90.471/431.309 en 90.417/431.353. De RD-centrumcoördinaten zijn 90.533/431.415.
2.2.2 Onderzoeksgebied bureauonderzoek Het onderzoeksgebied voor het bureauonderzoek is het areaal van plangebied ‘Driemanssteeweg - Hornbach’. Daar waar voor het bureauonderzoek gegevens van buiten het plangebied worden gebruikt, wordt dat in de tekst aangegeven.
2.3
Huidige situatie plangebied
Het areaal van het plangebied wordt momenteel gebruikt door autohandel Jet Cars B.V. Het bestaat voor het grootste deel uit verhard terrein voor het stationeren van auto’s. Centraal in het plangebied bevinden zich de bedrijfspanden van Jet Cars. Het maaiveld ligt doorgaans tussen 0,5 en 0,8 m - NAP.
2.4
Geplande werkzaamheden
De bouwmarktketen Hornbach is voornemens om in het plangebied ‘Driemanssteeweg Hornbach’ een nieuwe vestiging met bijhorende boven- en ondergrondse infrastructuur en parkeervoorzieningen te realiseren. Zoals hierboven al gemeld is op dit moment het terrein nog in gebruik bij autohandel Jet Cars B.V. Voorheen was er de drukkerij van het Algemeen Dagblad gevestigd. De bestaande opstallen zullen voor aanvang van de bouwwerkzaamheden worden gesloopt. In de aanvraag voor de plantoets is niet aangegeven waar op het terrein de bouwmarkt zal worden gebouwd. Aan het bouwplan wordt nog gewerkt; aangegeven is dat het vergelijkbaar is met dat van een vestiging van Hornbach in Den Haag. Het totale bebouwde oppervlak zal ongeveer 15.000 m 2 bedragen.
14
De fundering van de bouwmarkt wordt op heipalen uitgevoerd. Het palenplan van de vestiging in Den Haag (en ook in Nieuwerkerk) geeft aan dat daar vibropalen in een grid van ongeveer 5 m x 5 m zijn geplaatst. De lengte van de palen in Rotterdam ligt tussen de 25 en 30 meter. De parkeervoorzieningen zullen op het dak van de bouwmarkt worden gerealiseerd. De plantoets aanvraag bevatte voorts de volgende informatie over de maximale ontgravingsdieptes: - Ter plekke van de dockshelters is die ongeveer 2,50 m - maaiveld. - Ter plaatse van de paalpoeren is die ongeveer 1,25 m - maaiveld. - Ter plaatse van de vloer van de bouw-tuinmarkt en drive-in is die ongeveer 0,7 m - maaiveld. - Onder de fundering van de rijweg/brug richting het dak is die ongeveer 3,0 m - maaiveld.
2.5
Aandachtspunten
Voor het onderzoeksgebied zijn de bestaande relevante gegevens geïnventariseerd, waarbij onder meer is gekeken naar archeologische, geologische en historisch-geografische aspecten. De volgende punten zijn voor het plangebied van belang.
2.5.1 Beleidsinstrumenten Archeologische Waardenkaart Rotterdam De Archeologische Waardenkaart (AWK) Rotterdam - op 31 januari 2006 vastgesteld door het college van Burgemeester en Wethouders van Rotterdam - bestaat uit twee kaarten: de Archeologische Kenmerkenkaart en de hierop gebaseerde Archeologische Waarden- en Beleidskaart (BOOR 2005). Volgens de Archeologische Waarden- en Beleidskaart is het plangebied ‘Driemanssteeweg - Hornbach’ gelegen in een gebied met een redelijk hoge tot hoge archeologische verwachting. De archeologische waarden zijn te verwachten direct onder het maaiveld of op een dieper niveau. Voor alle grondwerkzaamheden (inclusief heien) die een oppervlakte beslaan van meer dan 200 vierkante meter is afhankelijk van de verstoringsdiepte een vergunning verplicht. Bestemmingsplan ‘Charloisse Lagedijk' Conform het vigerende bestemmingsplan ‘Charloisse Lagedijk’ (vastgesteld op 2 februari 2017) geldt voor de planlocatie ‘Driemanssteeweg - Hornbach’ een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,0 meter beneden het maaiveld en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 vierkante meter (dubbelbestemming: waarde - archeologie 2).
Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland Volgens de Archeologische Monumentenkaart (AMK) Zuid-Holland, opgenomen in kaart 1b (Archeologie waarden) van de cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland (ook aangeduid als Cultuurhistorische Hoofdstructuur; http://pzh.b3p.nl/viewer/app/Cultuur_historische_atlas), bevinden zich binnen het plangebied ‘Driemanssteeweg - Hornbach’ geen terreinen van hoge archeologische waarde en geen terreinen van zeer hoge archeologische waarde (tevens wettelijk beschermd).
15
2.5.2 Historische situatie Het plangebied maakte in de Late Middeleeuwen deel uit van de Riederwaard, een rondom bedijkt gebied dat een groot deel besloeg van het huidige IJsselmonde. In 1373-1375 gaat de Riederwaard door overstromingen ten onder, waarna het gebied in fasen wordt herbedijkt. Het plangebied bevindt zich in het hart van de na 1539 gevormde polder Nieuw Pendrecht (https://www.archieven.nl/nl/zoeken?mivast=0&mizig=210&miadt=184&micode=1349&milan g=nl&mizk_alle=Nieuw%20Pendrecht&miview=inv2). De structuur van het gebied wordt bepaald door de ontginningen na de indijking van na 1539. De kavels in het gebied zijn zuidwest-noordoost gericht. De polder valt tegenwoordig in zijn geheel onder de gemeente Rotterdam. Dat is niet altijd het geval geweest. Volgens de Kadastrale kaart 1811-1832: verzamelplan Rhoon, Zuid Holland (MIN08169VK1) zijn op 1 mei 1934 delen van de gemeente Rhoon - waaronder het noordwestelijke deel van de polder Nieuw Pendrecht - overgegaan naar de gemeente Pernis (https://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/alle-afbeeldingen/detail/997b73ce-94d7-11e5-ab6e27247e1a3d69/media/6e425688-bfbd-27ac-8b11cff19fa5a63c?mode=detail&view=horizontal&q=rhoon&rows=1&page=1&sort=order_s_docu mentvolgorde%20asc). Pernis zelf echter werd in hetzelfde jaar geannexeerd door de gemeente Rotterdam.
Op de Kadastrale kaart 1811-1832: verzamelplan Pernis, Zuid Holland (MIN08161VK1) (https://beeldbank.cultureelerfgoed.nl/alle-afbeeldingen/detail/997b55b0-94d7-11e5-ab665727f2490d41/media/6c412abb-e86a-08df-06d0986a6b09ecba?mode=detail&view=horizontal&q=Pernis%20verzamelplan&rows=1&page=1 &sort=order_s_documentvolgorde%20asc), het 19 e-eeuwse kaartblad ‘Vlaardingen, Schiedam, Spijkenisse, Rotterdam’ van de Grote Historische Atlas van Nederland, schaal 1:50.000, I West-Nederland 1839-1859 (Wolters-Noordhoff Atlasproducties 1990) en het kaartblad Ot en W t Barendrecht van de Grote Historische topografische Atlas ± 1905 ZuidHolland, schaal 1:25.000 (Uitgeverij Nieuwland 2005 - Afb. 3) is te zien dat het plangebied zich in het open poldergebied tussen de Charloische Lage dijk (het deel nabij het plangebied wordt aangeduid als Schulp weg) en de Boezem genaamd de Oude Koedood bevindt. De bewoning in de omgeving concentreert zich langs de Schulp weg/Charloische Lage dijk. Daarbuiten is in de polder Nieuw Pendrecht alleen iets ten zuiden van het plangebied bebouwing aanwezig. Het gaat om de Pendrechtse molen, die de polder Nieuw Pendrecht bemaalde (http://www.allemolenskaart.nl/). Het overtollige polderwater werd op de Koedood geloosd. Op dezelfde plek stond tussen 1580 en 1731 een wipmolen (http://www.molendatabase.org/molendb.php?step=details&tbnummer=02767).
Deze werd in laatstgenoemd jaar waarschijnlijk wegens bouwvalligheid afgebroken, waarna op precies dezelfde plaats een rondstenen watermolen (grondzeiler) werd gebouwd, waarvan het complete bestek teruggevonden is. De eerste steen werd gelegd door Ary Janse Kleine. Op de westzijde van de huidige molen is boven het raam een gevelsteen met de volgende tekst ingemetseld: ‘DEESE MOOLE IS GESTIGT ONDER HET BESTIER VAN PIETER SANDWEG DIJKGRAAFF IAN ARIENSE KLEINE ARY SPRUIT GERRIT BARENDREGT EN ARY CORNLs KLEINE HEEMRADEN ZIJNDE DEN EERSTE STEEN GELEGT DOOR ARY IANSE KLEINE IN'T JAAR MDCCXXXI’
16
Vermoedelijk was de ronde stenen molen een slag groter gebouwd, waarna de ruimte in de molen in 1842 werd verbouwd tot woning. In 1904 werd de molen onbewoonbaar verklaard. De molenaar woonde er toen samen met vrouw en vier kinderen. Hij vertrok naar een eigen huisje aan de Charloisse Lagedijk en ontving van het polderbestuur schadeloosstelling. Daarom besloot het polderbestuur niet zelf een molenaarshuisje te bouwen in de onmiddellijke omgeving van de molen. Dat heeft het bestuur later nog opgebroken, omdat het moeilijk was een nieuwe molenaar te vinden vanwege het ontbreken van een woning. In 1924 werd in de molen geplaatst, die met behulp van drijfstangen een pomp aandreef, die naast de molen stond opgesteld. De afhankelijkheid van de wind werd een probleem, temeer omdat het agrarisch bedrijf steeds hogere eisen ging stellen aan de beheersing van het waterpeil. In 1933 werd de werking van de watermolen verbeterd door het aanbrengen van zogenaamde dekkerwieken. Als zodanig heeft de molen tot 1958 dienstgedaan: in dat jaar werd het waterpeil van de Koedood verlaagd. De daarop aanliggende polders konden nu hun overtollige polderwater op een natuurlijke manier daarin aflaten, waarmee de molenfunctie verviel. Inmiddels was de Pendrechtse Molen de enig overgebleven windwatermolen van het eiland IJsselmonde geworden.
Ooit waren dat er meer dan vijftig! De Pendrechtse molen werd verkocht aan de Charloisse tandarts Jungerius. Hij knapte de buitenkant op en verving de dekkerwieken door een Oudhollands wiekenkruis. De binnenkant van de molen werd leeggesloopt en verbouwd tot tweede woning. Na een tijd van verwaarlozing werd de Pendrechtse molen overgenomen door de Aannemers Combinatie Zuidelijke Randweg, om deze voor verder verval te behoeden. De molen ging in 1973 weer in andere handen over. De gemeente Rotterdam kocht de molen voor een bedrag van 17.500 gulden en voerde een restauratie uit. Na vijf jaar werd een maalvaardige molen opgeleverd, die door een vrijwillige molenaar op geregelde tijden in bedrijf werd gesteld. Ondertussen veranderde het landschap rond het plangebied en de molen sterk. Op de Grote Historische topografische Atlas ± 1905 Zuid-Holland, schaal 1:25.000 (Uitgeverij Nieuwland 2005) is even ten noorden van het plangebied met twee parallelle onderbroken lijnen het tracé van een ‘Stroomtram in aanleg’ aangegeven. Het gaat om de tramlijn die Rotterdam Zuid (station Rosestraat) via Rhoon, Poortugaal en Hoogvliet met Spijkenisse verbond. De lijn werd op 1 oktober 1904 geopend door de Rotterdamsche Tramweg Maatschappij en op 7 november 1965 als een van laatste Nederlandse streektrams opgeheven.
De Topografische Kaart 1:25.000 Hoogvliet/Oud-Beijerland/Rotterdam/Schiedam/ Spijkenisse/Vlaardingen toont door de jaren heen de ontwikkelingen van het plangebied en de nabije omgeving (http://www.topotijdreis.nl/). Versie 1910: er zijn twee haltes aan de tramlijn te zien. De ene bij de Rijsdijk even ten westen en de andere bij de Schulpweg (halte Zuidhoek) even ten oosten van het plangebied. Versie 1938: aan de noordrand (ter hoogte van de westelijke tak van de Driemanssteeweg) van het plangebied bevindt zich een tak van het Havenspoor die naar de westelijke delen van het Waalhavengebied loopt. Direct langs de tramlijn naar Spijkenisse is ten noorden van het plangebied een deel van de Groene Kruisweg aangelegd. Versie 1958: de hiervoor genoemde tak van het havenspoor is alweer geammoveerd. Versie 1974: de A15 is aangelegd en doorsnijdt het landschap even ten zuiden van het plangebied. Op de kaart wordt de rijksweg aangeduid als RW21. Het plangebied bestaat nog steeds uit open agrarisch gebied. Versie 1995: voor het eerst is te zien dat het areaal van het plangebied is ingericht als bedrijfsterrein; een groot deel van het terrein wordt ingenomen door een groot bedrijfspand. Versie 2007: iets ten zuiden van het voormalige tracé van de geammoveerde tak van het Havenspoor is de westelijke tak van de Driemanssteeweg aangelegd. Versie 2012: het bedrijfspand is verkleind.
Versie 2015: min of meer de huidige situatie is weergegeven. Het bedrijfspand is verder verkleind, het wordt omgeven door open verhard terrein. Het cartografisch en historisch onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de mogelijke aanwezigheid in het onderzoeksgebied van archeologische waarden.
17
2.5.3 Geologische gegevens 2.5.3.1 Geologische gegevens Regio Rotterdam (naar Hijma e.a. 2009, 15-17) De regio Rotterdam is gesitueerd in het West-Nederlandse Bekken, een actief depotcentre van het Noordzeebekken. Vanaf 60.000 jaar geleden waren zowel de Rijn als de Maas actief in het gebied. De afzettingen van de Rijn en Maas behoren tot de Formatie van Kreftenheye. De overgang van het laatste glaciaal (Weichselien) naar het huidige interglaciaal (Holoceen) resulteerde in een verandering van het riviertype van ‘vol’ vlechtend gedurende het Laatste Glaciale Maximum (LGM) - circa 21.000 jaar geleden - naar meanderend in het MiddenHoloceen. Ten noorden en zuiden van het LGM-dal van de Rijn en de Maas vormden zich eolische zanddekken (dekzanden, Laagpakket van Wierden). Tussen 14.500 en 9.000 jaar geleden ontwikkelden zich stroomgordels die de bodem van het rivierdal verlaagden. Bij vergrote waterafvoer werden dunne lagen siltige klei als leem afgezet in de komgebieden (Laag van Wijchen). Op het moment dat de verlaging van de overstromingsvlakte tot een eind kwam in het vroege Holoceen en de rivieren volop gingen meanderen, nam de sedimentatie van de Laag van Wijchen toe. De stroomgordels uit de periode Jongere Dryas Vroeg Holoceen worden gekenmerkt door diep ingesneden geulen.
Aan de noordoostzijde van de stroomgordels ontstonden tot 15 meter hoge rivierduinen (Laagpakket van Delwijnen), die gevormd werden door zand dat uit de rivierbeddingen werd geblazen gedurende perioden van lage waterafvoer (debiet). Een gevolg van vooral het stijgen van de zeespiegel door het afsmelten van de ijskappen na het LGM was het onderlopen van het Noordzeegebied; de kustzone met strandwallen en dergelijke verschoof geleidelijk in de richting van de huidige Nederlandse kust. De stijgende zeespiegel had ook gevolgen op land door de daaruit resulterende stijgende grondwaterstand. Hierdoor ontstonden hier vanaf het Boreaal moerassen waarin zich veen vormde (Basisveen Laag, voorheen Basisveen). Zo’n 9.000 jaar geleden, op de overgang van het Boreaal naar het Atlanticum, kwam het gebied direct binnen de mariene invloedssfeer te liggen. Door de holocene transgressie veranderde het Rijn-Maasriviersysteem in een complex estuarien systeem met frequente stroomgordelverleggingen en verschillende grote zeegaten. De hiermee geassocieerde getijdenafzettingen worden tot het Laagpakket van Wormer gerekend (voorheen Afzettingen van Calais). Vóór 7.000 jaar geleden mondde de Rijn in de regio Rotterdam uit, maar tussen 7.000 en 2.000 jaar geleden deed de rivier dat in de Leidse regio. De Maas mondde in het gehele Holoceen uit in de Rotterdamse regio.
Na de forse landwaartse verschuiving van de zone met fluviatiele sedimentatie in het Laat Boreaal - Midden-Atlanticum verminderde de snelheid van de relatieve zeespiegelstijging; sindsdien bleef het zeeniveau mondiaal gezien ongeveer constant. In de periode na het Atlanticum was het voornamelijk de verdergaande isostatische bodemdaling die bijdroeg aan de relatieve zeespiegelstijging in Nederland. Uiteindelijk veranderde na het MiddenAtlanticum het evenwicht tussen het creëren van bergingsruimte voor het sediment en het aanbod van sediment ten gunste van de laatste en kwam een eind aan de landwaartse verschuiving van de kustafzettingsmilieus. Dit geschiedde diachroon langs de kust als een gevolg van variaties in sediment aanbod. In de volgende millennia sloten de zeegaten een voor een: in Zuid-Holland onderbraken alleen het Rijn-estuarium bij Leiden en het Maasestuarium bij Rotterdam het strandwallensysteem in het kustgebied. Gedurende het Subboreaal ontwikkelde zich een uitgestrekt veenpakket (Hollandveen Laagpakket, Nieuwkoop Formatie, voorheen Hollandveen) tussen de riviertakken, lokaal als oligotrofe hoogveenkussens.
De mariene transgressies in het Subatlanticum - met vorming van de Laagpakket van Walcheren (voorheen Afzettingen van Duinkerke) - gaan vanaf de Late Middeleeuwen samen met menselijke activiteiten als ontginning en indijking van stukken land en het winnen van veen.
18
2.5.3.2 Geologische gegevens plangebied In 2003 is de nieuwe lithostratigrafische indeling van Nederland ingevoerd (Westerhoff, Wong en De Mulder 2003). In dit rapport wordt naast de nieuwe lithostratigrafische indeling ook de oude lithostratigrafische indeling gehanteerd, zoals die door de toenmalige Rijksgeologische Dienst in 1975 is opgesteld (Zagwijn en Van Staalduinen 1975). De voornaamste reden hiervoor is het voorkomen van verlies aan gedetailleerde stratigrafische informatie, dat het toepassen van de nieuwe indeling met zich mee zou brengen. Afgaande op de Geologische Kaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad Rotterdam Oost 37 Oost (NITG-TNO 1998), op de GeoTOP en op door Archeologie Rotterdam in de nabije omgeving van het plangebied verzamelde aardkundige informatie is de globale opbouw van de bovenste delen van de bodem in het gebied als volgt. De diepere delen van de ondergrond van de omgeving van het plangebied bestaan uit klastische sedimenten, behorend tot de Formatie van Kreftenheye. De top van de formatie ligt in de omgeving van het plangebied op ongeveer 16,0 m - NAP (ook ongeveer 16,0 m mv). De formatie bestaat uit geulafzettingen (grindhoudend grof zand tot matig fijn zand) die worden afgedekt door komsedimenten (klei en zandige klei). De komafzettingen worden tot de Laag van Wijchen gerekend.
Op de Laag van Wijchen bevindt zich een enkel decimeters dikke laag veen (Basisveen, thans Basisveen Laag). Hierop rust een dik pakket klastische kom- en oeverafzettingen (Afzettingen van Gorkum, thans Formatie van Echteld). In de top van het pakket komen plaatselijk lagen veen voor (Hollandveen, thans Formatie van Nieuwkoop). De Afzettingen van Gorkum/Formatie van Echteld worden afgedekt door een pakket veen (Hollandveen, thans Formatie van Nieuwkoop). De top van de natuurlijke sequentie bestaat uit een dek van al of niet sterk siltige klei en/of matig kleiig zand, behorend tot de Afzettingen van Duinkerke III (thans Laagpakket van Walcheren, beter: Formatie van Echteld), dat is gevormd na de overstromingen van de Riederwaard in 13731375. Tussen het veen en het overstromingsdek is plaatselijk een laag vette klei aanwezig. Deze is - gelet op de aanwezigheid van baksteengruis - gevormd in de Late Middeleeuwen en wordt geïnterpreteerd als een vroeg overstromingsdekje (vroege fase Afzettingen van Duinkerke III, thans Laagpakket van Walcheren, wellicht beter: Formatie van Echteld). Met de vorming van de polder Nieuw Pendrecht na 1539 kwam een eind aan de natuurlijke sedimentatie in het plangebied. Erosie Het plangebied bevindt zich nabij de oude loop van de Koedood. Deze geul is ontstaan bij de overstromingen van de Riederwaard in 1373-1375.
In 2012 zijn voor/in een zone even ten oosten van het plangebied door Archeologie Rotterdam een bureauonderzoek en een verkennend en karterend inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De resultaten van die onderzoeken zijn gerapporteerd in ‘W. Zijl, 2012: Rotterdam Charlois Driemanssteeweg Rotterdam. Een bureauonderzoek en een verkennend en karterend inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen, Rotterdam (BOORrapporten 535)’. Het veldonderzoek wees uit dat in die zone het stratigrafisch niveau met de grootse kans op de aanwezigheid van archeologische waarden, namelijk de top van het Hollandveen Laagpakket, gedurende 14e-eeuwse overstromingen door erosie ernstig is aangetast. De Geologische Kaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad Rotterdam Oost 37 Oost geeft aan dat in plangebied ‘Driemanssteeweg - Hornbach’ een zeer vergelijkbare bodemopbouw kan worden verwacht, waarbij ook hier de top van het veen ernstig zal zijn verstoord door erosie in de Late Middeleeuwen. (Geen) rivierduinen Omdat het plangebied in een zone ligt waar rivierduinen voorkomen en omdat door het slaan van heipalen het gehele bodemtraject top Pleistoceen-maaiveld in delen van het plangebied zal worden verstoord gaat de aandacht in deze studie ook uit naar de dieperliggende (laatpleistocene - vroegholocene) delen van de bodem.
19
Bestudering van de in het plangebied uitgevoerde sonderingen (zie Schwab 2018) wees uit dat in het gebied op de Laag van Wijchen plaatselijk inderdaad een zandpakket aanwezig is, maar dat het zand niet als rivierduin kan worden geïnterpreteerd. Zeer waarschijnlijk gaat het om vroegholocene geul- en oeverafzettingen. Blijkbaar waren de stugge kleien van de Laag van Wijchen goed bestand tegen erosie door de rivier: slechts op enkele plaatsen heeft de geul zich kunnen insnijden tot in de pleistocene zanden. De aanwezigheid van rivierduinafzettingen zou de kans op het voorkomen van archeologische waarden uit het Mesolithicum - Vroeg/Midden- Neolithicum in het plangebied hebben vergroot.
2.5.4 Archeologische gegevens Bekende archeologische waarden in het plangebied In het plangebied zijn geen archeologische waarden bekend; er is niet eerder archeologisch onderzoek verricht. Bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied In de nabije omgeving van het plangebied zijn archeologische vindplaatsen bekend uit de Late Middeleeuwen A en B. Iets verder weg zijn vindplaatsen uit het Neolithicum aangetroffen; een site met resten uit het Mesolithicum/Neolithicum bevindt zich op zo’n 2,3 km ten oosten van het plangebied bij De Velden in Rotterdam. Op grotere afstand van het plangebied bevinden zich tevens sites uit de IJzertijd en Romeinse tijd. Benadrukt wordt dat deze vindplaatsen zich vooral ten zuiden van het plangebied - in de gemeenten Albrandswaard en Barendrecht - bevinden. In de ten noorden van het plangebied gelegen aangrenzend Rotterdamse gronden zijn minder sites bekend, terwijl deze hier op grond van de sterk met die van de Albrandswaardse en Barendrechtse arealen overeenkomstige geologische opbouw van de bodem wel zijn te verwachten.
De oorzaak van het 'tekort' aan bekende vindplaatsen in het zuiden van Rotterdam is gelegen in het feit dat de meeste bodemingrepen in Rotterdam-Zuid (aanleg van havens en bedrijventerreinen, woningbouw) hebben plaatsgevonden in een periode dat de archeologische infrastructuur zich onvoldoende had ontwikkeld om hierbij op adequate wijze archeologische vindplaatsen op te sporen en te onderzoeken. In het onderstaande wordt een kort overzicht gegeven van de relevante gegevens van een aantal min of meer nabijgelegen vindplaatsen; van enkele sites is informatie over de stratigrafische positie van de archeologica voorhanden. De informatie is afkomstig uit BOORIS (=archeologisch informatiesysteem Archeologie Rotterdam).
20
Vindplaatsnummer
1
BOOR-vindplaatscode Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats Gemeente RD-coördinaten Complextype en beschrijving Datering Stratigrafische positie Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
21-43 6584 (Terrein van zeer hoge archeologische waarde, beschermd). Devel II / Develweg Heerjansdam Zwijndrecht 99.610/427.490 Onbekend. Mesolithicum/Neolithicum Top rivierduinzand (Formatie van Delwijnen). Booronderzoek ROB (?) in 2000 en RAAP in 2001. Hageman 1991, catalogusnummer 83; Van der Velde 2000; Thanos 2000; Moree e.a. 2002 (Bb 5), 139 en 150.
Vindplaatsnummer
2
BOOR-vindplaatscode(s) Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats Gemeente RD-coördinaten Complextype(n) Stratigrafische positie Diepteligging Datering(en) algemeen 14C-datering Opmerkingen botanie Opmerkingen zoölogie Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
12-85 421784 De Velden Rotterdam Rotterdam 92.545/432.027 Onbekend. Het gaat om een brokje houtskool. Net onder de top van stroomgordelafzettingen behorend tot de Formatie van Echteld. 8,02 - 7,94 m - NAP (6,60 - 6,52 m - mv) Mesolithicum of Neolithicum. Geen Booronderzoek BOOR 2009 Schiltmans 2010b.
Vindplaatsnummer
3
BOOR-vindplaatscode Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer
20-126 15628 (terrein van zeer hoge archeologische waarde, het is beschermd als rijksmonument) Zuidpolder Barendrecht Barendrecht 93.285/428.756 Basiskamp/nederzetting. Uit boorkernen zijn houtskool, as, aardewerk, verbrand en onverbrand botmateriaal en visresten, verkoold graan, vuursteen (waaronder fragment van een gepolijste bijl) en natuursteen verzameld. Het betreft een forse vindplaats op een oeverwal met in ieder geval twee boven elkaar liggende vondstlagen, gescheiden door een vondstloze laag sediment. In de bovenste vondstlaag is een grote verscheidenheid aan archeologische indicatoren aangetroffen. Mogelijk was de locatie ingericht als een basisnederzetting van waaruit de omgeving werd geëxploiteerd. Gelet op de omvang van bovenste vondstlaag en de vondstconcentratie is het aannemelijk dat het gaat om een langdurig of zelfs permanent verblijf van een relatief grote groep mensen. Midden-Neolithicum Materiaal uit bovenste vondstlaag (GrA-20074) 5150 ± 50 BP 4211-3799 cal BC Het niveau met archeologische resten bevindt zich in situ in de Afzettingen van Gorkum (Formatie van Echteld), onder veen (Hollandveen, Formatie van Nieuwkoop).
De fossiele stroomgordel van waaruit de oeverwal is gevormd, is mogelijk dezelfde als het fossiele geulsysteem dat werd aangetroffen tijdens de archeologische inventarisatie in het plangebied Vrijenburg (BOORvindplaats 20-125, Midden-Neolithicum) en het plangebied Hordijk-West (BOORvindplaats 13-74, waarschijnlijk Midden-Neolithicum). De top van het bovenste vondstniveau bevindt zich op 391 cm - NAP. Booronderzoeken BOOR in 2001 en 2002. Moree e.a. 2010 (Bb 6),101-104.
Toponiem Plaats Gemeente RD-coördinaten Complextype en beschrijving
Datering 14C-datering -Uitkomst -2 sigma Stratigrafische positie
Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
21
Vindplaatsnummer
4
BOOR-vindplaatscode Archis-waarnemingsnummer(s) Archis-vondstmeldingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats Gemeente RD-coördinaten Complextype en beschrijving Datering
19-12 404648 Essendael Rhoon Albrandswaard 89.309/429.928 Onbekend. Het gaat om houtskool, verbrand en onverbrand bot en een viswervel. Neolithicum, verkoold hout van kornoelje leverde een datering op van 4034-3792 cal BC (UtC-13792 5115 ± 47 BP. Het vondstmateriaal is aangetroffen in een pakket zandige sedimenten (sterk zandige klei, dan wel sterk kleiig zand) op een diepte die voornamelijk tussen 5 en 4 m - NAP ligt. Het pakket rust op een laag kleiig zand en wordt afgedekt door een laag lichtzandige klei, waarvan de bovenste trajecten humeus zijn. De klastische sedimenten maken deel uit van een min of meer oostwest gerichte strook met stroomgordelafzettingen tussen de gemeentegrens in het oosten en de bebouwde kom van Rhoon die tot de Afzettingen van Gorkum worden gerekend. De stroomgordelsedimenten worden afgedekt door een enkele decimeters dikke laag veen (Hollandveen). Buiten de zone met stroomgordelsedimenten kan het veen twee tot drie meter dik zijn. De basis (2,16 m – NAP) en de top (1,88 m - NAP) van het veen hebben ter plekke van de vindplaats een datering van 1683-1413 cal BC (GrN-29212, 3260 ± 60 BP), respectievelijk 799-413 cal BC (GrN-29211, 2520 ± 45 BP). Op het veen rust een laag lichtzandige, humeuze klei.
De klei is afgezet in de periode tussen het opwerpen van de ophoging van vindplaats 1914 (zo’n 260 meter ten zuiden van 19-12) en de overstromingen van de Riederwaard in 1373. De laag is zeer waarschijnlijk tot een vroege fase van de Afzettingen van Duinkerke III te rekenen. De top van de sequentie bestaat uit een pakket klastisch materiaal dat wordt geïnterpreteerd als overstromingsdek. De basis van het dek bestaat uit kleiig zand met kleilagen; naar boven gaat het zand over in een licht humeuze, zandige klei. Het dek is afgezet tussen 1373-1375, de jaren van overstroming van de Riederwaard, en 1580, het jaar van herinpoldering van het gebied met de vorming van de polder Het Buitenland van Rhoon (late fase Afzettingen van Duinkerke III). De exacte omvang, aard en landschappelijke ligging van de vindplaats moeten nog worden vastgesteld. De geologische informatie van de site - de archeologische resten zijn in stroomgordelafzettingen aangetroffen - gecombineerd met gegevens van andere vindplaatsen uit het Neolithicum in de omgeving (bijvoorbeeld Barendrecht – Gaatkensplas 20-126 en Albrandswaard Portland 20-134) doet vermoeden dat 19-12 op een oeverwal is gesitueerd. Van een deel van de houtskool is de houtsoort bepaald (determinatie P. van Rijn, BIAX Consult).
De determinatie geven een indruk van de soortenrijke vegetatie met bomen en struiken in de directe omgeving van de vindplaats ten tijde van menselijke aanwezigheid in het verleden. Er waren kleine bomen en struiken als vogelkers, sleedoorn, rode kornoelje en wilde liguster. Deze soorten hebben een voorkeur voor zandige bodem met klei of leem. De bodem kan matig vochtig tot zelfs droog zijn; de struiken kunnen halfschaduw verdragen. De aanwezigheid van wilde liguster is een van de meest betrouwbare indicatoren voor kalkrijke grond. Se, iep els en eik konden daar zeker ook hun plaats hebben. Voornamelijk tussen 5 en 4 m - NAP. Booronderzoek RAAP en BOOR in 2004 en proefsleufonderzoek BOOR in 2005. Kruidhof 2004 (Br172); Meirsman 2005 (Br 209); Meirsman 2006 (Br 286); Moree e.a. 2010 (Bb 6), 96-98.
Stratigrafische positie
Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
Vindplaatsnummer
5
BOOR-vindplaatscode Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats Gemeente RD-coördinaten Complextype en beschrijving
20-125 16140 (terrein van hoge archeologische waarde) Vrijenburg Barendrecht Barendrecht 94.227/430.248 Onbepaald, het gaat om een vondstniveau met aardewerk, vuursteen, overig natuursteen, houtskool, overige botanische resten, zoogdierbot en visresten. Grondsporen ontbreken. Neolithicum, op grond van het aardewerk kan de vindplaats aan de Hazendonk-3 groep worden toegewezen. Verkoold elzenhout uit het vondstniveau (UtC-13791) 4789 ± 45 BP 3653 - 3381 cal BC De ondergrond van het terrein wordt gevormd door een pakket matig kleiig zand, naar boven toe overgaand in een sterk kleiig zand, dan wel een sterk zandige klei (Laagpakket van Wormer). De archeologische waarden bevonden zich in de top van het pakket, op een diepte van 3,7 tot 4,2 m - NAP. Het geheel werd afgedekt door achtereenvolgens een laag licht tot matig zandige klei (Laagpakket van Wormer) en een laag veen (Formatie van Nieuwkoop).
Datering 14C-datering
-Uitkomst -2 sigma Stratigrafische positie
22
Bron(nen)
De top van de sequentie bestaat uit een pakket kleiig zand met kleilagen dat in de periode tussen de overstromingen van de Riederwaard in 1373-1375 en de vorming van de Polder Binnenland in 1483 is gevormd (Laagpakket van Walcheren). Het overstromingsdek ligt erosief op het veen. Zie hierboven. Booronderzoeken RAAP en BOOR gevolgd door proefsleuvenonderzoek BOOR in de periode 2001-2005. Moree e.a. 2002 (Bb 6), 99-101.
Vindplaatsnummer
6
BOOR-vindplaatscode Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats Gemeente RD-coördinaten Complextype en beschrijving Datering 14C-datering Stratigrafische positie
Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
13-85 420675 16135 (terrein van hoge archeologische waarde) Hordijkerveld IJsselmonde Rotterdam 97.060/432.022 Onbepaald, het gaat om een niveau met houtskool en verbrand bot. Neolithicum. Het vondstmateriaal is aangetroffen op een diepte van 4,80 tot 5,00 m - NAP in een pakket zandige klei, dat wordt afgedekt door een meer dan een meter dikke laag lichtzandige, humeuze klei (Afzettingen van Gorkum, thans Formatie van Echteld). De klastische sedimenten maken deel uit van een zuidwest-noordoost gerichte strook met stroomgordelafzettingen. Op de Afzettingen van Gorkum bevindt zich een laag veen (Hollandveen, thans Formatie van Nieuwkoop) waarvan de top is veraard. Het veen wordt - erosief - afgedekt door een klastische laag, die wordt geïnterpreteerd als een overstromingsdek. Het dek is ontstaan tussen 1373-1375, de jaren van overstroming van de Riederwaard, en de periode van vorming van de Polder Oudeland in het tweede kwart van de 15e eeuw. De basis van het dek bestaat uit zand, de bovenste delen uit klei (Afzettingen van Duinkerke III, thans Laagpakket van Walcheren).
De fossiele stroomgordel waarbinnen de oeverwal is gevormd, is mogelijk dezelfde als het fossiele geulsysteem dat werd aangetroffen tijdens de archeologische inventarisatie in plangebied Zuidpolder (BOORvindplaats 20-126), plangebied Vrijenburg (BOORvindplaats 20-125, Midden-Neolithicum), plangebied Hordijk-West (BOORvindplaats 13-74, waarschijnlijk Midden-Neolithicum) en plangebied Hordijkerveld (BOORvindplaats 13-69, Midden-Neolithicum). Zie hierboven. Booronderzoeken BOOR in 2004. Meirsman 2004 (Br 203); Moree e.a. 2010 (Bb 6),92-93.
Vindplaatsnummer
7
BOOR-vindplaatscode Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats Gemeente RD-coördinaten Complextype en beschrijving Datering 14C-datering -Uitkomst -2 sigma Stratigrafische positie
13-69 420344 Hordijkerveld IJsselmonde Rotterdam 97.466/432.154 Onbepaald, het gaat om een niveau met een redelijke hoeveelheid houtskool. Midden-Neolithicum Houtskool uit vondstniveau op 4,80-4,70 m - NAP. 5115 ± 40 BP (GrA-29739) 3986-3797 cal BC De houtskool is aangetroffen op een diepte van 4,80 tot 4,70 m - NAP in een pakket zandige klei, dat wordt afgedekt door een laag lichtzandige, humeuze klei. De klastische sedimenten maken deel uit van een zuidwest-noordoost gerichte strook met stroomgordelafzettingen die tot de Afzettingen van Gorkum (thans Formatie van Echteld) worden gerekend. De Afzettingen van Gorkum worden afgedekt door een laag veen (Hollandveen, thans Formatie van Nieuwkoop) waarvan de top is veraard. Op het veen rust een laag klei, die wordt geïnterpreteerd als een overstromingsdek. Het dek is ontstaan tussen 1373-1375, de jaren van overstroming van de Riederwaard, en de periode van vorming van de Polder Oudeland in het tweede kwart van de 15e eeuw (Afzettingen van Duinkerke III, thans Laagpakket van Walcheren).
De fossiele stroomgordel van waaruit de oeverwal is gevormd, is mogelijk dezelfde als het fossiele geulsysteem dat werd aangetroffen tijdens de archeologische inventarisatie in plangebied Zuidpolder (BOORvindplaats 20-126), plangebied Vrijenburg (BOORvindplaats 20-125, Midden-Neolithicum), plangebied Hordijk-West (BOORvindplaats 13-74, waarschijnlijk Midden-Neolithicum) en plangebied Hordijkerveld (BOORvindplaats 13-85, Neolithicum). Zie hierboven. Booronderzoeken BOOR in 2004. Meirsman 2004 (Br 203); Moree e.a. 2010 (Bb 6),88-89.
Diepteligging Soort en jaar onderzoek
Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
23
Vindplaatsnummer
8
BOOR-vindplaatscode Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats Gemeente RD-coördinaten Complextype en beschrijving Datering 14C-datering Stratigrafische positie Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
13-91 413806 Kamerlingh Onnesweg Barendrecht Barendrecht 97.375/431.546 Onbepaals, het gaat om een niveau met een fragment vuursteen van 2 mm groot. Mesolithicum of Neolithicum. Het niveau met het vondstmateriaal bevond zich in de top van rivierduinzand. Tussen 3,97 en 4,13 m - NAP. Booronderzoek BOOR in 2008 Van de Meer en Schilmans 2008 (Br 446).
Vindplaatsnummer
9
BOOR-vindplaatscode Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats Gemeente RD-coördinaten Complextype en beschrijving
Bron(nen)
20-54 Zuidpolder Barendrecht Barendrecht 94.360/428.755 Onbekend. In de top van een kleipakket en in de vondstlaag (zie onder) is staand en liggend hout aangetroffen. Er konden twee parallelle rijen paaltjes met een onderlinge afstand van 2,90 m worden herkend; tevens zijn nog enkele ‘losse’ paaltjes geregistreerd. Daarnaast is een grote plank van ongeveer 2 x 0,4 x minimaal 5 cm gevonden. Uit de configuratie van paaltjes kon vanwege de beperkte omvang van de sleuf geen constructie worden afgeleid. Een paaltje ‘buiten’ de twee parallelle rijen staken heeft een 14C-datering van 17 cal BC - 79 cal AD (GrN-25913, 1960 ± 20). Hiermee staat vast dat in ieder geval een deel van het constructiehout uit de Romeinse tijd dateert. Gelet op de flinke hoeveelheden aardewerk uit de IJzertijd bestaat de mogelijkheid dat een deel van het hout in deze periode is te plaatsen. Zeer voorzichtig kan worden gesuggereerd dat vindplaats 20-54 twee bewoningsfasen kent met nederzettingsterreinen op min of meer hetzelfde stratigrafische niveau en op zeer korte afstand van elkaar. De terreinen lijken elkaar te overlappen. Vindplaats 20-54 werd bedreigd door het graven van de Gaatkensplas, een waterpartij aan de zuidzijde van de Vinex-locatie Carnisselande. In overleg met de gemeente Barendrecht is besloten de archeologische waarden te beschermen door de plas plaatselijk minder diep uit te graven.