CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb15202 Bijlage 1 behorende bij 21bb14364 over toelichting Ontwerpbestemmingsplan RottaNova

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: 16. Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘RottaNova’28.780 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

RottaNova Ontwerpbestemmingsplan

Opgesteld door:

datum:

8 juli 2021

Stadsontwikkeling Ruimte & Wonen, Bureau Bestemmingsplannen

Vastgesteld d.d.:

........

Postbus 6575 3002 AN, Rotterdam

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk1

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Ligging en begrenzing

5

1.3

Vigerende bestemmingsplannen

7

Beleidskaders

11

2.1

Rijksbeleid

11

2.2

Provinciaal beleid

13

2.3

Regionaal beleid

19

2.4

Gemeentelijk beleid

20

2.5

Conclusie beleid

30

Beschrijving van het plangebied

32

3.1

Archeologie

32

3.2

Cultuurhistorie

33

3.3

Huidig gebruik

37

Planbeschrijving

39

4.1

Inleiding

39

4.2

Programma

39

4.3

Verkeersgeneratie en afwikkeling verkeer

43

4.4

Nota van Uitgangspunten

43

4.5

Juridische planbeschrijving

44

Milieu

49

5.1

Bedrijven en milieuzonering

49

5.2

Bodem

53

5.3

Ecologie

55

5.4

Externe Veiligheid

58

5.5

Geluid

60

5.6

Luchtkwaliteit

61

5.7

Water

64

5.8

Bezonning en windhinder

65

5.9

Duurzaamheid

67

5.10

Milieueffectrapportage

69

Uitvoerbaarheid

70

Economische uitvoerbaarheid

70

Hoofdstuk2

Hoofdstuk3

Hoofdstuk4

Hoofdstuk5

Hoofdstuk6 6.1

2

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

70

3

4

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Voorliggend bestemmingsplan biedt een actueel planologisch kader voor de beoogde ontwikkeling van de RottaNova, een wooncomplex dat ruimte biedt aan 259 woningen en commerciële ruimten in de plint, bestaande uit horeca en detailhandel. Om meer flexibiliteit te creëren wordt een maximum van 270 woningen opgenomen in de regels. De beoogde ontwikkeling is in strijd met het huidige planologisch regime. Om die reden dient een planologische procedure te worden doorlopen. In dit geval is ervoor gekozen de planologische procedure te doorlopen aan de hand van een (postzegel)bestemmingsplanprocedure. Het doel van dit bestemmingsplan is een helder kader te scheppen voor de voorgenomen ontwikkeling. Enerzijds dient het bestemmingsplan goede ontwikkelmogelijkheden te bieden, tegelijkertijd is het borgen van rechtszekerheid voor de omgeving ten behoeve van een zo groot mogelijk draagvlak van belang. Geschiedenis plan De planvorming is reeds gestart in 2006. Na diverse studies met verschillende architecten, is nu als basis gekozen voor het ontwerp uit 2008 (Frits van Dongen). Voor de huidige planontwikkeling zijn in 2017 aanvullende/gewijzigde randvoorwaarden gesteld en is ook de visie op bouwen in de Binnenstad van Rotterdam bijgesteld.

Met de nieuwe randvoorwaarden is in het huidige ontwerp rekening gehouden, wat heeft geresulteerd in de RottaNova zoals deze middels voorliggend bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt.

1.2

Ligging en begrenzing

Het plangebied is gelegen in het Laurenskwartier te Rotterdam. Meer specifiek is de locatie gelegen tussen de Hoogstraat, Binnenrotte, Grotemarkt en de Drs. Jan Scharpstraat. Het wooncomplex zal direct naast de Markthal gesitueerd worden, dat zuidelijk ligt ten opzichte van de toekomstige RottaNova. De voormalige bebouwing ter plaatse van de projectlocatie is gesloopt. Er is tijdelijk een grasveld ter recreatie aangelegd en een brede plantenborder tussen het grasveld en de Hoogstraat. De globale ligging van het plangebied is weergegeven op figuur 1.1.

5

Figuur 1.1 Ligging plangebied

Figuur 1.2 Globale ligging projectlocatie (bron: Qgis, eigen bewerking)

6

Figuur 1.3 Huidige situatie (bron: Google maps)

Het plangebied betreft de kadastrale percelen: 1610, 1611 en 343 van sectie 4E AFD AF, kadastrale gemeente Rotterdam (figuur 1.4).

Figuur 1.4 kadastrale aanduiding plangebied

1.3

Vigerende bestemmingsplannen

De gronden van het plangebied vallen op dit moment binnen het bestemmingsplan 'Laurenskwartier 2002' en het bestemmingsplan 'Laurenskwartier 2013'. Laurenskwartier 2002 Het bestemmingsplan 'Laurenskwartier 2002' is vastgesteld op 7 september 2000 en gedeeltelijk goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 10 april 2001. Het bestemmingsplan is onherroepelijk geworden op 24 december 2002. De locatie is in de huidige situatie bestemd als 'Centrumdoeleinden (I, II en door B&W uit te werken). In artikel 3 van het bestemmingsplan is de doeleindenomschrijving omschreven. De gronden zijn bestemd

7

voor: Wonen; Kantoren; Licht milieubelastende bedrijven; Winkels; Horeca; Culturele en medische voorzieningen; Recreatieve en maatschappelijke voorzieningen; Onderwijsvoorzieningen; Verkeers- en verblijfsvoorzieningen; Parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen Met dien verstande dat er beperkingen zijn voor het aantal m2 horeca en supermarkten, dat bergingen en parkeergarages niet zijn toegestaan aan de gevel en dat wonen op de begane grond niet is toegestaan.

Figuur 1.5 uitsnede bestemmingsplan Laurenswartier 2002

De locatie behoort tot de zogeheten 'ster'-locaties. Dit zijn locaties die zorg moeten dragen voor een transformatie naar een meer stedelijke context. De bebouwing dient bij te dragen aan een nieuw hoofdstedelijk gebied. De projectlocatie valt onder 'ster'-locatie 12 met een maximale bouwhoogte tot 35 meter. Daarnaast is op grond van het bij het bestemmingsplan gevoegd kaartje per bouwblok aangegeven waar horeca mogelijk is. Het aantal vestigingen en het vloeroppervlak per vestiging is eveneens aangegeven. Ondergeschikte horecagelegenheden maken hier geen onderdeel van uit. Binnen het bouwblok van RottaNova staan twee horecavestigingen aangegeven. Een met een maximale oppervlakte van 100 m² en een met een maximale oppervlakte van 200 m². Laurenskwartier 2013 Het bestemmingsplan Laurenskwartier 2013 is vastgesteld op 20 december 2012 en onherroepelijk geworden op 23 maart 2013. In dit plan was een uitsnede gemaakt voor de RottaNova, maar door de kleine verschuiving valt het bouwplan voor een gedeelte buiten de uitsnede en binnen het bestemmingsplan 'Laurenskwartier 2013'. Voor de rest van de bouwlocatie geldt dat het niet in dit bestemmingsplan is meegenomen. Op deze locatie blijft het oude bestemmingsplan van kracht.

8

Figuur 1.6 Uitsnede bestemmingsplan "Laurenskwartier 2013"

Dit betekent dat een gedeelte van het bouwplan gelegen is op de gronden met de enkelbestemming 'Verkeer – Verblijfsgebied' en de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie -1'. Artikel 7 Verkeer – Verblijfsgebied De met deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor: Voorzieningen ten behoeve van wandelen, verblijven en spelen, zoals trottoirs, voetpaden en trappen; Voorzieningen voor rijdende en stilstaande voertuigen, zoals rijstroken, trambanen, fietspaden, parkeerplaatsen, met inbegrip van ondergrondse parkeergarages; Groenvoorzieningen, waterpartijen, waterlopen en overige in het kader van de waterhuishouding nodig voorzieningen, zoals taluds, keerwanden en beschoeiingen; Geluidswerende voorzieningen; Uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming; Bouwwerken voor kleinschalige openbaar nutsvoorzieningen, verkeer en vervoersvoorzieningen; (waren)markt, ter plaatse van de Binnenrotte is een (waren)markt toegestaan; Ongebouwde (gevel)terrassen, grenzend aan een bestemming waar horeca is toegelaten (zie de horecakaart in de bijlage bij de regels); Waarde – Archeologie -1, voor zover de gronden mede als zodanig zijn bestemd.

Op deze gronden mag niet worden gebouwd, behoudens in de bestemming passende bouwwerken, zoals straatmeubilair; niet voor bebouwing bestemde kleine gebouwen voor openbaar nut en verkeer en vervoer (niet groter dam 80 m3); ondergrondse parkeergarages; uitstekende delen van gebouwen, niet dieper dan 2,5 meter uit de gevel en tenminste 2,2 meter boven maaiveld. Artikel 10 Waarde – Archeologie – 1 De voor 'Waarde - Archeologie - 1' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een archeologisch rapport aan het college van B&W te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden).

9

Daarnaast is het verboden in het belang van de archeologische monumentenzorg zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van B&W de hierna genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 1,5 meter beneden maaiveld, dan wel dieper dan de huidige keldervloeren en leidingcunetten, ongeacht de oppervlakte van de bodemingreep. De werken c.q. werkzaamheden betreffen: a. b. c. d. e. f.

Grondbewerkingen (van welke aard dan ook); Het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; Het indrijven van voorwerpen in de bodem; Het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; Het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; Het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.

Relatie tot het project Het plan is grotendeels in lijn met het vigerende planologisch regime. De functies wonen, horeca en detailhandel zijn planologisch reeds toegestaan. De afwijking is gelegen in de bouwhoogte, die op basis van het huidige bestemmingsplan maximaal 35 meter bedraagt. Voorliggend initiatief kent een getraptheid in bouwhoogtes. Deze bouwhoogtes zijn opgenomen op de verbeelding bij het bestemmingsplan. Het gebouw bestaat uit twee torens van maximaal 64,5 en 70 meter hoog. Deze gebouwen zijn onderling verbonden middels laagbouw met een maximale bouwhoogte van 24 meter.

10

Hoofdstuk 2

Beleidskaders

2.1

Rijksbeleid

2.1.1

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Dit besluit legt nationale ruimtelijke belangen vast. Het beleid is erop gericht om het aantal regels terug te dringen. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Hierdoor is onder andere de aanwijzing van nationale landschappen vervallen. Het Rijk maakt bijvoorbeeld geen landsdekkende woningbouwafspraken meer, alleen nog in de Noorden Zuidvleugel van de Randstad. Het Rijk benoemt alleen nog landelijke doelstellingen om de woningmarkt goed te laten werken. Het landschapsbeleid gat ook naar de provincies. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er met een gebied moet gebeuren. Op dit moment legt het Barro geen restricties op voor dit bestemmingsplan. 2.1.2

Nationale omgevingsvisie

Per 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale omgevingsvisie nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk.

Figuur 2.1 Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie)

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen.

11

De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio's Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen Relatie tot de projectlocatie In de omgevingsvisie is in beleidskeuze 2.4 het volgende opgenomen: “overheden investeren in een aantrekkelijke, gezonde en veilige leefomgeving in steden en regio's en bevorderen een onderscheidend en aantrekkelijk vestigingsklimaat”. Economische activiteiten en hoogopgeleiden concentreren zich in steden en stedelijke regio's. De aanwezigheid van universiteiten en hogescholen speelt hierbij een belangrijke rol.

Hierdoor neemt de economische dynamiek toe, maar ook de druk op de leefomgeving. Duurzame stedelijke groei en innovaties in mobiliteit zijn randvoorwaardelijk voor de groei van de stedelijke economie. Het vraagt extra inzet in de stedelijke regio's om de leefomgevingskwaliteit, het milieu en de bereikbaarheid op peil te brengen, omdat dat bijdraagt aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat. De mogelijke ontwikkelingen kunnen voorzien in een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Woningen en levensmiddelenvoorzieningen kunnen bijdragen aan het aantrekkelijker maken van de projectlocatie. In opgave 5 uit de Nationale Omgevingsvisie is beschreven dat de woningvoorraad met circa 1,1 miljoen woningen vergroot moet worden binnen 30 jaar. De opgave is om de goede kwaliteit woningvoorraad te behouden door onder meer sloop en renovatie van woningen van slechte kwaliteit. Met de Nationale Omgevingsvisie wordt er gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden en dorpen. Een doelstelling is om woningbouw vooral binnen het Stedelijk Netwerk Nederland plaats te laten vinden. Rotterdam valt onder het Stedelijk Netwerk Nederland en voorziet in een grote woningbehoefte binnen 30 jaar. In de Nationale Omgevingsvisie zijn verder 21 nationale belangen opgenomen. Uit de Nationale omgevingsvisie volgt dat er een grote behoefte is aan kwalitatieve woningbouw in Rotterdam.

Conclusie Het initiatief is in lijn met het NOVI. Voor het overige is het plan niet in strijd met het nationale beleid. Nadere uitwerking van het beleid wordt verder aan decentrale overheden overgelaten.

12

2.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte werd de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen. Wettelijk kader De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Om dit mogelijk te maken is het Bro met ingang van 1 oktober 2012 gewijzigd en wel de artikelen 1.1.1. en 3.1.6. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen. Daaraan is in het eerste lid een omschrijving toegevoegd van: bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Het wettelijk kader ziet er als volgt uit: Artikel 3.1.6 van het Bro: lid 2: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Lid 3: Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Lid 4: Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat het bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Relatie tot projectgebied Voor dit bestemmingsplan geldt dat het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied en het een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. De behoefte aan het plan dient te worden aangetoond. De ladder wordt in de conclusie van dit hoofdstuk behandeld.

2.2

Provinciaal beleid

2.2.1

Omgevingsbeleid Zuid-Holland

Het omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het Omgevingsbeleid bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma's en -plannen, zoals het Programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan geven zij richting door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit de provinciale opgaven. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma's en naar een verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Voor het Programma Ruimte geldt dat delen van de voorgaande versie thans zijn opgegaan in de Omgevingsvisie. Het resterende deel van het

13

Programma Ruimte maakt onderdeel uit van het Omgevingsbeleid. 2.2.2

Omgevingsvisie Zuid-Holland en Programma Ruimte

Per 1 april 2019 is de Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. In de Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving vastgesteld: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving

Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Daarnaast wordt vanuit twaalf samenhangende opgaven de zorg voor een goede omgevingskwaliteit ingevuld. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Relatie tot ontwikkeling Het plangebied is gelegen binnen het bestaande stads- en dorpsgebied (zie figuur 2.2). Behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit staat daar centraal. Hier zal bij de boogde ontwikkeling rekening mee gehouden moeten worden. De ontwikkeling wordt aangemerkt als inpassing, omdat het een ontwikkeling betreft in het centrum van Rotterdam waar reeds een mix van hoog- en laagbouw, alsook een mix van stedelijke functies van toepassing is. De ontwikkeling sluit aan bij de aard- en schaal van de wijk en omgeving.

Figuur 2.2 Bestaand stads- en dorpsgebied, provinciaal beleid Zuid-Holland

14

2.2.3

Opgaven Omgevingskwaliteit

Voor het realiseren van een goede Omgevingskwaliteit werkt de provincie vanuit twaalf provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit'. Concentratie detailhandel Een beleidskeuze geformuleerd in de Omgevingsvisie is het concentreren van detailhandel binnen de centra van dorpen en steden. Daaronder valt ook het doel om de plancapaciteit van detailhandel te verminderen vanwege een overaanbod in bijna alle regio's. Hierop wordt met name ingegaan in het Programma Ruimte. Er bestaat nog enige ontwikkelingsruimte voor zowel handel in dagelijkse goederen als handel in niet dagelijkse goederen (enkel binnen Metropoolregio Rotterdam Den Haag), maar dit beeld wijzigt wanneer alle harde en zachte plannen ook daadwerkelijk gerealiseerd worden. Wanneer dat zou gebeuren is sprake van een overschot aan winkelmeters in beide categorieën. Concentratie van detailhandel op de juiste plek en een reductie van het aanbod is daarom wenselijk. Er zijn in Zuid-Holland grofweg drie typen winkelcentra te onderscheiden: de grote centra, de middelgrote centra en de overige centra. Het generieke beeld in het functioneren van de verschillende typen centra is doorvertaald in een ontwikkelingsperspectief voor de provinciale detailhandelsstructuur. Deze bestaat uit drie categorieën: 'te versterken centra', 'te optimaliseren centra' en de 'overige centra'.

In het Programma Ruimte is de binnenstad van Rotterdam, waartoe het plangebied behoort, aangewezen als een centrum dat versterkt moet worden. Te versterken centra Het toekomstperspectief voor de 'te versterken centra' is over het algemeen goed. Het provinciale beleid richt zich op behoud en versterking van de (boven)regionale positie van deze centra. Kwantitatieve uitbreiding is in deze centra mogelijk, maar dient altijd weloverwogen plaats te vinden. De Ladder voor duurzame verstedelijking blijft hiervoor een belangrijk instrument. Ontwikkelingen in deze centra moeten niet leiden tot onaanvaardbare leegstandseffecten in andere centra. Qua omvang, functioneren en verwacht toekomstperspectief onderscheiden de binnensteden van Rotterdam en Den Haag zich ten opzichte van andere centra. Ook hebben deze twee centra een grote aantrekkingskracht op (inter-)nationale bezoekers. De andere centra in deze categorie vervullen vooral een regionale functie. Nieuwe ontwikkelingen zouden ook bij dat profiel moeten passen. Relatie tot ontwikkeling RottaNova, en daarmee het plangebied, is gelegen binnen de grootstedelijke top- en centrumlocaties, zoals weergegeven op kaart bijlage II van de Omgevingsverordening. Onderstaand figuur betreft een uitsnede van deze kaart.

Ten aanzien van detailhandel geldt dat op basis van het Programma Ruimte in de dagelijkse sector (levensmiddelen en persoonlijke verzorging) er op regionale schaal nog ontwikkelingsmogelijkheden bestaan.

15

Figuur 2.5 Uitsnede kaart bijlage II Omgevingsverordening

Conclusie Aangezien is beoogd een commerciële plint te realiseren, waarin ca.1300 m2 beschikbaar komt voor detailhandel, is de ontwikkeling in lijn met de beleidsuitgangspunten van de provincie Zuid-Holland. Daarnaast worden woningen gerealiseerd. De woningen worden getoetst aan het regionale en provinciale beleid van regio Haaglanden en de gemeente Rotterdam. 2.2.4

Omgevingsverordening Zuid-Holland

De doelen en ambities van de provincie zoals verwoord in de Omgevingsvisie Zuid-Holland en het Programma Ruimte, zijn vertaald naar concrete regelgeving in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Ook de Omgevingsverordening is per 1 april 2019 in werking getreden.

16

Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: - zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten en de kwaliteitskaart; en - het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c.

als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: - een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en - het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2.

Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Artikel 6.13 Detailhandel Een bestemmingsplan voorziet uitsluitend in nieuwe detailhandel op gronden: binnen of uitsluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken; binnen een nieuwe wijk gebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk; binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie.

De nieuwe detailhandel, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende eisen: de ontwikkeling is in overstemming met het in het Programma Ruimte en de Omgevingsvisie beschreven ontwikkelingsperspectief voor de daarin benoemde te versterken centra, te optimaliseren centra en de overige centra; aangetoond is dat als gevolg van de ontwikkeling het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat; voor zover de ontwikkeling een omvang heeft van meer van 4.000 m2 bruto vloeroppervlak in de binnensteden van Rotterdam en Den Haag of 2.000 m2 bruto vloeroppervlak in andere centra, is mede met het oog op de eisen onder a en b, advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel

17

Zuid-Holland.

Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen binnen een grootstedelijke top- en centrumlocatie, zie hiervoor figuur 2.5. De ontwikkeling is gelegen in de binnenstad van Rotterdam, wat in de Omgevingsvisie en Programma Ruimte behoort tot 'te versterken centra'. Derhalve is geen sprake van onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat en de kans op het ontstaan van onevenredige leegstand.

2.2.5

Programma Ruimte

Het Programma Ruimte is onderdeel van het omgevingsbeleid van Zuid-Holland en bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijke relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Het gaat dan bijvoorbeeld om een locatiespecifieke of programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. Ook kan het gaan om taken en bevoegdheden van Gedeputeerd Staten. Het is dus enerzijds een beleidsdocument, namelijk uitwerking van de beleidsbeslissingen en anderzijds gericht op uitvoering. Wonen De provincie heeft met een aantal gemeenten en regio's bestuurlijke afspraken gemaakt over locatie, kwantiteit, kwaliteit en tempo van woningbouw. Dit neemt niet weg dat bestemmingsplannen voor een locatie waarvoor bestuurlijke afspraken zijn gemaakt met de provincie zijn gemaakt op het gebied van wonen moeten voldoen aan het provinciale omgevingsbeleid. Zo dient conform de ladder voor duurzame verstedelijking de behoefte te worden onderbouwd op basis van actueel onderzoek. De gemeente Rotterdam heeft geen aparte afspraken gemaakt met de provincie. Derhalve wordt hieronder de behoefte aan woningen getoetst met behulp van de Woningmarktverkenning van Zuid-Holland. In de woningmarktverkenning worden demografische ontwikkelingen en veranderingen beschreven.

Voorts is er met het woningmarktsimulatiemodel Socrates een verkenning uitgevoerd naar de woningbehoefte en te verwachten ontwikkeling van de woningvoorraad in Zuid-Holland.

Figuur 2.6 Woningmarktverkenning

per regio, regio Rotterdam (bron: Staat van Zuid-Holland)

In de periode van 2020-2025 geldt dat voor de regio Centrum een hogere behoefte is aan woningen dan voorgaande periode van 2019. In totaal is in de regio Centrum van Rotterdam een behoefte aan 30.580 woningen. Detailhandel De detailhandelstructuur staat op onderdelen onder druk. Er zijn echter ook locaties en gebieden waar de detailhandel op dit moment goed functioneert en kansen bestaan voor versterking. Om inzicht te verkrijgen in de ontwikkelingsmogelijkheden voor de detailhandel in Zuid-Holland, is een berekening gemaakt die dit indicatief in beeld brengt. Onderstaande tabel laat de kwantitatieve ontwikkelingsmogelijkheden (exclusief huidige leegstand) tot 2022 op subregionale schaal zien. Echter, heeft het model niet als doel om als norm te dienen voor de lokale haalbaarheid van bepaald branches of specifieke winkels. Op basis van specifieke lokale omstandigheden zou voor een specifieke branche of winkel een meer locatie-specifieke berekening of afweging kunnen worden gemaakt.

18

Figuur 2.7 Kwalitatieve ontwikkelingsmogelijkheden

op subregionale schaal tot 2022

Deze tabel maakt duidelijk dat in de dagelijkse sector (levensmiddelen en persoonlijke verzorging) er op (sub)regionale schaal voor uitvoering van een deel van de harde en zachte plannen over het algemeen nog ontwikkelingsmogelijkheden bestaan (3.550 m2 totaal voor Regio Rotterdam). Dit beeld wijzigt wanneer alle harde en zachte plannen daadwerkelijk gerealiseerd zouden worden. De niet-dagelijkse sector (mode & luxe, vrije tijd, in en om het huis, overig) laat op (sub)regionale schaal in de Regio Rotterdam tot 2022 nog ontwikkelingsmogelijkheden zien (25.000 m2). Hiervoor geldt ook dat dit beeld negatiever wordt wanneer alle harde en zachte plannen daadwerkelijk worden gerealiseerd. Horeca Het Programma Ruimte gaat niet specifiek in op horecafuncties. Hierdoor wordt voor horeca aangesloten bij gemeentelijk beleid. Conclusie Op basis van het Programma Ruimte blijkt dat er een grote behoefte bestaat aan de functies woningbouw en detailhandel ter plaatse van het plangebied.

2.3

Regionaal beleid

2.3.1

Woonvisie Woningmarktregio Haaglanden 2017-2021

De stadsregio Rotterdam en het Stadsgewest Haaglanden hebben per 1 januari 2015 op economisch en vervoersvlak hun krachten gebundeld in de Metropoolregio Rotterdam – Den Haag (MRDH). Op het beleidsterrein ‘wonen’ hebben de negen Haaglandse gemeenten daarnaast – om hun samenwerking voort te kunnen zetten – een Bestuurlijke Tafel Wonen opgericht. Deze tafel is op vrijwillige basis tot stand gekomen. Vanuit een nog steeds breed gedragen overtuiging dat Haaglanden een samenhangend woningmarktgebied vormt. Een gebied waar oud en jong, alsook hoge en lage inkomens binnen een acceptabele tijd een voor hen geschikte woning moeten kunnen vinden. Afstemming en samenwerking tussen de gemeenten zijn in dit gebied dan ook in de toekomst een must. De Bestuurlijke Tafel Wonen geeft structuur aan deze samenwerking. Binnen de tafel kunnen de gemeenten samen de woonvisie uitvoeren: door gezamenlijk afspraken te maken, prioriteiten te stellen en als collectief samen te werken met woningcorporaties en marktpartijen. Van oudsher ligt de focus daarbij op het realiseren en in stand houden van één sociale regionale woningmarkt met één regionaal aanbodsysteem voor woningzoekenden en het met elkaar afstemmen van het woningbouwprogramma.

Qua toekomstige omvang van de regionale woningvoorraad streven de gemeenten er gezamenlijk naar om te beantwoorden aan de tot 2025 volgens de provinciale prognose (2016) verwachte behoefte van ruim 50.000 nieuwe woningen. Gemeenten kijken daartoe met name ook naar de mogelijkheden die leegstaande kantoren en leegstand op oude bedrijventerreinen biedt om nieuwe woningen toe te voegen. Daarnaast zal uiteraard ook nieuwbouw van woningen plaatsvinden. Tegelijkertijd sturen zij daarbij in de bouwwereld aan op een omslag van suburbane woonmilieus naar de meer gewenste stedelijke, dorpse en exclusieve woonmilieus (op basis van de woonmilieu-indeling volgens de ‘Steen van Rosetta’). Alsook op een verschuiving in het bouwprogramma richting meer woonvormen voor met name jonge,

19

oudere en (daarmee) kleinere huishoudens, omdat onder deze groepen de vraag aanzienlijk toeneemt. Niettemin hebben de gemeenten ook nadrukkelijk de ambitie om – parallel aan het doelgroepenbeleid – tot een goed toekomstbestendig woningbouwprogramma te komen. Flexibiliteit is daarbij hetgeen waar het om draait. Relatie tot het bestemmingsplan In hoofdstuk 4 wordt het programma uitgebreid gesproken. In kwantiteit gaat het in voorliggend bestemmingsplan om een maximum van 270 woningen. Bovendien wordt een gemixt woonprogramma tot stand gebracht. Het betreffen daarnaast zowel koop- als huurwoningen. Dit maakt dat de woningen geschikt zijn voor een brede doelgroep. Zoals de startende young proffessional of de vermogende oude met een stedelijke woonwens. Deze mix maakt het een flexibel programma, geschikt voor de gebruikers van nu en in de toekomst. Daarnaast bevordert het de sociale cohesie. 2.3.2

Agenda Detailhandel 2016-2021Metropoolregio Rotterdam Den Haag

De Metropoolregio Rotterdam Den Haag (hierna: MRDH) heeft op 9 december 2016 de agenda detailhandel voor de periode van 2016-2021 vastgesteld. De MRDH is op 1 januari 2015 van start gegaan. De MRDH omvat het gebied van 23 gemeenten. De Metropoolregio Rotterdam Den Haag heeft zich als doelstelling opgelegd om meer werkgelegenheid, hogere economische groei en behoud van de internationale concurrentiepositie te bewerkstelligen. De economische trends vormen vervolgens de context waarin werkzaamheden uitgevoerd wordt. Deze vijf trends zijn metropoolvorming, het toenemend belang van kennisontwikkeling in de economie, de opkomst van de nieuwe maakindustrie, ecologisering van de economie en het toenemende belang van aantrekkelijk stedelijk leven voor de economie. De MRDH streeft naar het realiseren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat, met focus op het voorzieningenniveau, binnen en buiten het stedelijk gebied. De MRDH vindt het daarom essentieel om zich in te zetten voor een aantrekkelijke winkelstructuur met vitale winkelgebieden. Sterke vestigingsmilieus met onderscheidende kwaliteit, prijs en kwaliteit zullen meer (en groeiende) bedrijven trekken en daardoor leiden tot meer werkgelegenheid. Naast een kwantitatieve benadering, gericht op de passende omvang van vraag, (plan)aanbod en voorraad is dan ook kwalitatieve benadering op zijn plaats.

Hiermee kan invulling worden gegeven aan een aantrekkelijke stedelijke ontwikkeling die zowel lokaal kwaliteit van leven oplevert (dus in relatie tot wonen en recreatief verblijf), als ook een bijdrage levert aan het regionaal onderscheidende en concurrerende vestigingsaanbod. Indien met een ontwikkeling meer dan 2.000 m2 bvo aan detailhandel mogelijk wordt gemaakt, dan zal het plan moeten worden voorgelegd aan de MRDH. In de binnenstad is de plancapaciteit op dit moment 47.400 m2 bvo. Hierbij gaat het om zowel nieuwbouw (14.700 m2 bvo) als om vernieuwbouw (32.700 m2 bvo). Hiervan is 29.600 m2 al gereserveerd is voor de herontwikkeling van het ABN-AMRO pand, ook wel Forum Rotterdam genoemd. De beoogde ontwikkeling past gelet op bovenstaande cijfers binnen de plancapaciteit in de binnenstad, aangezien maximaal 2.600 m2 aan commerciële ruimtes wordt toegevoegd, waarvan 1.500 m2 aan detailhandel. Het plan draagt bovendien bij aan een kwalitatieve benadering en een aantrekkelijke stedelijke ontwikkeling. Gelet op de omvang, hoeft het plan niet in het kader van het bestuurlijk vooroverleg voorgelegd te worden aan de MRDH.

2.4

Gemeentelijk beleid

2.4.1

StructuurvisiesRotterdam

In Rotterdam is een viertal structuurvisies van toepassing: structuurvisie 'Stadhavens', 'Central District', 'Hart van Zuid' en 'Stadionpark'. Deze gebiedsgerichte structuurvisies zijn echter niet van toepassing op dit bestemmingsplangebied.

20

2.4.2

Stadsvisie Rotterdam: Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030

De stadsvisie, vastgesteld op 29 november 2007 door de gemeenteraad van Rotterdam vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op de onderwerpen wonen en economie en deze bepalen wat er de komende jaren op deze gebieden gebeurt in de stad. Veel van de kernbeslissingen zullen de komende vijftien jaar worden omgezet in de uitvoering van een aantal (bouw) projecten in de stad, waardoor Rotterdam over pakweg vijftien jaar inderdaad een sterke economie heeft en aantrekkelijke woongebieden kent, ook voor haar hoogopgeleide bewoners. Eén van de kernbeslissingen uit de Stadsvisie Rotterdam 2030 is de inzet van cultuurhistorisch erfgoed en architectuur bij ontwikkelingen van de stad. Het gaat uit van het versterken van de bestaande kwaliteiten van de stad bij nieuwe ontwikkelingen.

Op basis van effectmeting zijn dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad', zogenoemde VIP-gebieden. Het Laurenskwartier, de wijk waarbinnen het plangebied is gelegen, is een van de dertien gebiedsontwikkelingen die in de Stadsvisie zijn aangewezen voor de realisatie van de doelen: "Het Laurenskwartier verbindt de zakelijke City met de meer informele programma's ten oosten hiervan. Naast de Markthal en de centrummarkt is er ruimte voor kleinschalige bedrijvigheid en winkels. Daardoor is het gebied interessant voor studenten, pas afgestudeerden, creatieven en starters." Het bouwplan RottaNova draagt bij aan en van de doelen van de Stadsvisie; verdichten van de binnenstad om te voorzien in de vraag naar centrumstedelijk wonen. Het bestemmingsplan is daarmee in lijn met dit gemeentelijk beleid. 2.4.3

Woonvisie 2030: Rotterdam: aantrekkelijke woonstad voor iedereen

De woonvisie Rotterdam 2030 is opgesteld op 1 maart 2016. De woonvisie is een vergezicht op Rotterdam als aantrekkelijke woonstad in 2030, met een aanpak tot 2020. De hoofdlijnen zijn groei, balans, kwaliteit- nu en in de toekomst- en de basis op orde. Rotterdam streeft in 2030 naar: Een variatie in woningen. De diverse woningtypen passen bij de verscheidenheid van de bewoners en bij het karakter van de verschillende Rotterdamse wijken. Woningen van goede kwaliteit en energiezuinig. Kwaliteit betekent ook dat de woningen aansluiten bij de uiteenlopende woonwensen van Rotterdammers en dat ze flexibel aangepast kunnen worden als de woonwensen in de toekomst wijzigen. Toename in het aantal middeldure en dure woningen. Rotterdammers kunnen hierdoor doorgroeien en hoeven niet langer voor een groter huis de stad uit te trekken. Goed wonen in de stad. Ook voor de oudere Rotterdammer of de Rotterdammer die wat minder te besteden heeft. Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 270 woningen in een gemixt programma, van het midden- tot hoge segment. Daarin voorziet het bouwplan in de behoefte zoals geformuleerd in de Woonvisie, zoals een variatie in woningen en toename van het aantal middeldure en dure woningen. 2.4.4

Binnenstad als citylounge, binnenstadsplan 2008-2020

De visie Binnenstad als City Lounge is vastgesteld op 4 december 2008 door de Rotterdamse gemeenteraad. De verdere ontwikkeling van de binnenstad staat centraal in het stedelijk beleid van Rotterdam. De verdichting die in de jaren tachtig is ingezet, zet versneld en versterkt door. Als belangrijke taak van de gemeente in de verdere ontwikkeling van de binnenstad zien wij dan ook het stimuleren van initiatieven met kwaliteit. Dat is nodig voor een succesvolle ontplooiing van de zich verder verdichtende binnenstad. Uit het plan komen 10 belangrijke punten naar voren om tot een city lounge te komen:

21

Verder verdichten van de binnenstad voor meer stedelijkheid, door de bouw van 5000 woningen voor 2015, en realisering van meer en betere commerciële en publieke voorzieningen. Transformeren van de buitenruimte tot visitekaartje van de stad, door de buitenruimte in het hart van de binnenstad op hoog niveau in te richten en te beheren. Creëren van een nieuwe balans tussen auto, fietser en voetganger in het verkeersbeleid; concentreren van parkeeraccommodatie voor bezoekers aan de rand, waardoor in het hart van de binnenstad meer ruimte komt voor de voetganger. Realiseren van een beter leefmilieu en een betere leefbaarheid in de stad, door schonere lucht, minder herrie, en meer en beter groen. Aanscherpen van hoogbouwbeleid in het licht van de nieuwe vereisten, ter verbetering van het comfort en de beleving op straatniveau. Inzetten van cultuurhistorisch erfgoed, de monumenten en de architectuur, als kansen bij (her)ontwikkeling. Verbeteren van publieke gebruiksmogelijkheden van de rivierstad, door faciliteren van particulier initiatief; voor de lange termijn na 2015 onderzoeken van mogelijkheden voor ingrijpender ontwikkelingen, bijvoorbeeld tunnelaanleg boompjes. Concentreren van nieuwe centrumstedelijke culturele voorzieningen in het centrumgebied in het algemeen en de focusgebieden in het bijzonder.

Stimuleren van concentratie van nieuwbouwkantoren in het stationskwartier (inclusief Noordkant Lijnbaankwartier) en op de Wilhelminapier en omstreken. Voorrang geven aan initiatieven van marktpartijen die bereid zijn tot langdurig commitment aan integrale gebiedsontwikkeling op het ambitieniveau van de binnenstad als City Lounge. De metafoor voor de kernopgave is: de binnenstad ontwikkelen als een vitale kwaliteitsplek voor ontmoeting, verblijf en vermaak om zodoende een essentiële bijdrage te leveren aan de Rotterdamse Quality of life. Het binnenstadplan geeft een vertaling van 'the City Lounge' voor de binnenstadskwartieren: Centraal District Rotterdam, Oude Westen, Lijnbaankwartier/Coolsingel, Laurenskwartier, EMC/Hoboken, Cool, Wijnhaveneiland/Oudehaven/Boompjes, Scheepvaartkwartier, Kop van Zuid. Het Laurenskwartier is aangewezen als een VIP-gebied. De hoofdopgave voor het Laurenskwartier is de transformatie tot een levendig en sfeervol binnenstadskwartier met een eigen, Rotterdams signatuur. Om dit te bereiken worden er ruim 1000 woningen gebouwd en 15.000 m2 oppervlakte voor voorzieningen toegevoegd. De nieuwe en de huidige bewoners moeten samen de basis vormen voor de voorzieningen. De grootste kans voor het gebied ligt in het herstel van een evenwicht dat nu op verschillende manieren zoek is.

Zo is er een groot verschil in gebruik en beleving tussen overdag en 's nachts. De belangrijkste kwaliteiten die Rotterdam wilt behouden en versterken, zijn de historische gelaagdheid en betekenis, en het specifieke winkel-, horeca-, en woningaanbod. Met nieuwe publieksprogramma's en nieuwe, interessante woningen voor nieuwe binnenstadsbewoners wil Rotterdam een programmatische verdichting bewerkstelligen. Het Laurenskwartier heeft de kans om zich tot een stedelijke dwaalzone te ontwikkelen. Naast de drukke routes en ruimtes van de hoofdstructuur (Hoogstraat en Binnenrotte) ontstaat dan een fijnmazig netwerk met een grote diversiteit van ruimtes en verbindingen. Het water biedt kansen voor fiets- en wandelroutes langs de oever, en functies aan en op het water. Het woonmilieu in het Laurenskwartier kenmerkt zich door hip wonen in de wederopbouw rond de Meent en Pannekoekstraat, en wonen in een flexgebouw met mogelijkheden voor eigen invulling van de woonen werkruimte (ambitie Centrumwonen). Relatie tot bestemmingsplan Zoals eerder omschreven wordt met dit bestemmingsplan een gevarieerd en flexibel programma tot stand gebracht, waarmee in de behoeften van een brede doelgroep wordt voorzien. Er wordt diversiteit aan woningen toegevoegd binnen bestaand stedelijk gebied.

De te realiseren detailhandelsfuncties in de plint versterkt de winkelroute in de hoofdstructuur van de Hoogstraat. Het toevoegen van horeca in de RottaNova draagt op zijn beurt weer bij aan het realiseren van een kwaliteitsplek voor ontmoeting en vermaak. Het bestemmingsplan is daarmee in lijn met dit gemeentelijk beleid.

22

2.4.5

Hoogbouwvisie 2019

De hoogbouwvisie 2019 betreft een actualisatie van de hoogbouwvisie 2011. De hoogbouwvisie 2011 ging vooral over hoogbouw en de binnenstad. Het Binnenstadsplan 2011 zette zwaar in op verdichting van de binnenstad. Gekoppeld aan deze verdichtingsopgave was een nieuw kader voor hoogbouw nodig. In een groot deel van de Europese steden krijgt hoogbouw een plek aan de randen van de stad. Maar door het moderne karakter van Rotterdam is hoogbouw binnen stedelijke gebieden in Rotterdam, tevens buiten de grenzen van de binnenstad, ook een logische invulling. Doordat er steeds meer hoogbouw verrijst in de binnenstad worden hoogbouwelementen steeds minder beeldbepalend als object. Niet één hoge toren benadrukt de importantie van een bepaalde plek, zoals een kerktoren in een historische stad, maar de toenemende concentratie van torens bepaalt de hiërarchie in het stadsbeeld. In Rotterdam kan grofweg een lijn worden getrokken die vanaf het centraal station via de Coolsingel loopt en eindigt op het Wilhelminaplein. Dit is de ruggengraat van de Rotterdamse hoogbouw, waar de diverse deelgebieden op aansluiten: de zogenaamde hoogbouwas. Aan deze as kan de overige hoogbouw in de binnenstad zich koppelen en de as is daarmee ook hiërarchisch het meest belangrijk (ook in hoogte).

Aan deze as grenzen de locaties waar een concentratie van hoogbouw aanwezig is: het Rotterdam Central District (RCD), het Wijnhaveneiland en de Kop van Zuid. Vanuit hier loopt de hoogbouw in de binnenstad af naar 70 meter richting de grenzen van de hoogbouwzone (minimale grens van de definitie hoogbouw is 70 meter). De grens, die in hoofdlijnen de afbakening is voor het hoogbouwbeleid in de binnenstad, is de brandgrens. Immers alles binnen deze grens is het domein van de moderne stad. Bij het toevoegen van hoogbouw moet er in ieder geval duidelijk zijn in hoeverre het nieuwe volume extra schaduw in de stad geeft. Per plek kan de invloed van extra schaduw anders beoordeeld worden. In een gebied waar woningen, winkels en pleinen en dergelijke zijn, ligt het onttrekken van zonlicht door het nieuwe gevoeliger dan in gebieden met wegen, bedrijvigheid of vergelijkbare functies. Om onderscheid te maken in de eisen die we stellen aan plekken in de stad en hoeveel vermindering er mag optreden in zonuren, zijn twee typen ruimtes gedefinieerd. In de plekken die zijn aangewezen als sunspot, mag géén vermindering van zonuren optreden binnen de aangewezen tijden. Daarnaast zijn er representatieve ruimtes waar zon belangrijk is, maar waar wel enige vermindering in zonuren mag optreden.

Conclusie Overeenkomstig de hoogbouwvisie valt het plangebied niet onder de hoogbouwvisie, omdat de maximale bouwhoogte niet boven de 70 meter uitkomt. 2.4.6

Verkeersplan Binnenstad: Citylounge Bereikt

Het Verkeersplan Binnenstad is vastgesteld op 3 december 2009 door de gemeenteraad van Rotterdam. Het verkeersplan bevat een samenhangend beleid en is gebaseerd op vier pijlers: een bereikbare binnenstad voor alle verkeerssoorten; een aantrekkelijk verblijfsklimaat; een klantgerichte parkeerstrategie gericht op verschillende doelgroepen; impuls duurzaam vervoer. Het resultaat is een binnenstad die goed is verbonden met de omliggende stadswijken door een netwerk van herkenbare en levendige stadsstraten met een aangename stedelijkheid en menging van verkeerssoorten. Het Verkeersplan Binnenstad stuurt op duurzame bereikbaarheid. Er wordt geïnvesteerd in hoge kwaliteit van de fietsvoorzieningen en in de openbaar vervoerhalten. Het doorgaande verkeer rijdt niet meer door het hart van de binnenstad, maar is gebundeld op een beperkt aantal hoofdwegen. Vanaf de Ruit wordt geïnvesteerd in een goede doorstroming naar de binnenstad. In combinatie met de parkeerstrategie wordt daarmee de autobereikbaarheid en de economische vitaliteit van de binnenstad gegarandeerd. De P+R-voorzieningen voor zowel bezoekers als werknemers zijn gekoppeld aan de belangrijkste invalswegen en metroverbindingen naar de binnenstad. Aan de rand van de binnenstad komen nieuwe grote parkeergarages (Park en Walk) voor bezoekers, zodat er minder autoverkeer in het hart van de binnenstad rijdt.

Verder wordt ingezet op het verbeteren van openbaar vervoer, prijsbeleid om mobiliteitsgedrag te beïnvloeden, innovatief kleinschalig vervoer en duurzame

23

vormen van stedelijke distributie. De garage van RottaNova wordt ontsloten via de Markthalgarage. De doelgroep bestaat mede uit de startende young professional. Binnen deze groep is het autobezit veelal lager. Bij de ontwikkeling van de RottaNova wordt evenwel voorzien in ondergrondse parkeervoorzieningen. Conclusie Het aspect parkeren en verkeer wordt behandeld in paragrafen 4.3 en 4.5.

2.4.7

Visie Werklocaties 2030

De Visie Werklocaties 2030 is vastgesteld op 2 april 2009 door de Rotterdamse gemeenteraad. Deze visie is de ruimtelijk-economische uitwerking van de Stadsvisie Rotterdam 2030 en tevens een vertaling naar de werklocaties in de regio Rotterdam. Werklocaties zijn gebieden waarin de economische functie(s) dominant aanwezig zijn. Het doel van de Visie Werklocaties 2030 is de bijdrage van de verschillende deelgebieden aan de gewenste economische ontwikkeling van Rotterdam en regio in kaart te brengen. De visie Werklocaties 2030 geeft inzicht in de vraag naar welke ontwikkelingen waar mogelijk zijn en in de match tussen publieke en private belangen. Het gaat hier om het vaststellen van de hoofdlijnen voor de ruimtelijk - economische ontwikkeling. Hierdoor ontstaat een kader voor de toetsing van projecten op hun bijdrage aan de doelen van de Stadsvisie Rotterdam 2030. Vanuit dit perspectief wordt Rotterdam gekenmerkt door drie ontwikkelingszones met belangrijke werklocaties: de haven- en industriële zone (Maasvlakte 2, Stadshavens en Ridderster), de kennis- en dienstenzone (Rotterdam Airpark/Schieveen, Alexander en Spaanse Polder/Noordwest) en het kerngebied (Binnenstad, Hart van Zuid, Stadionpark en Kralingse Zoom). Het kerngebied is gelegen in de overlap van 2 zones, namelijk de "kennis- en dienstenzone" en de "haven en industriële zone".

De belangrijkste opgave in dit gebied is het verder uitbouwen van de binnenstad als een top voorzieningencentrum in de Zuidvleugel van de Randstad. Tot 2030 is het aanbod aan kantorenlocaties in de binnenstad voldoende om aan de vraag te kunnen voldoen. Door middel van transformatie van de Kralingse Zoom naar een campusformule in aansluiting op de Erasmus Universiteit kan het overaanbod aan kantorenlocaties buiten het centrum worden bestreden. De ontwikkeling van de detailhandel- en leisureprojecten op en rond de Coolsingel is belangrijk om de stad aantrekkelijk(er) te maken voor bezoekers en bedrijven. De realisatie van het Hoboken complex van het Erasmus Medisch Centrum geeft nieuw elan aan de ontwikkeling van de medische sector op internationaal niveau. In het gedeelte van Stadshavens dat zich in het kerngebied bevindt kan ingezet worden op de gewenste functiemenging. Relatie tot de ontwikkeling De planlocatie is gelegen in de binnenstad en draagt bij aan de ontwikkeling van detailhandel en commerciële voorzieningen. 2.4.8

WNKLN N RTTRDM

Het beleidsstuk WNKLN N RTTRDM is vastgesteld door het college van B&W van Rotterdam in februari 2012. Vanwege de positie van de Binnenstad als belangrijk bovenregionaal aankoopcentrum in Zuid- Holland, heeft het college voor dit gebied in het voorjaar van 2012 reeds een aparte visie vastgesteld: “WNKLN N RTTRDM”. De gemeente Rotterdam wil haar binnenstad een impuls bieden die zorgt voor een divers en onderscheidend winkelaanbod. De ambitie voor de Binnenstad valt in de visie uiteen in vier uitgangspunten, namelijk: 1. 2. 3. 4.

De binnenstad is aantrekkelijk voor een brede groep consumenten De focus is gericht op de binnenstad De winkelgebieden (in de binnenstad) zijn logisch met elkaar verbonden Sfeervolle en bijzondere winkelmilieus zijn van belang

24

Relatie tot de ontwikkeling In het beleidsstuk is destijds de RottaNova genoemd als ontwikkeling waar kansen door ontstaan voor het gebied Hoogstraat - Blaak - Binnenrotte, samen met de inmiddels gerealiseerde Markthal. Daarbij staat tevens aangegeven dat winkels op deze locatie wenselijk zijn om het aantal passanten in het gebied te verhogen. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het kader geboden voor de ontwikkeling van de RottaNova. Het plan is daarnaast in lijn met dit beleid. 2.4.9

Nota detailhandel 2017

Rotterdam is een stad met een groot detailhandelsaanbod. Van alle Rotterdamse bedrijven is circa 15% actief in de detailhandel en ruim 9% van de Rotterdamse arbeidsplaatsen wordt bepaald door de detailhandel. In totaliteit telt Rotterdam naast het belangrijkste winkelgebied van de stad: De Binnenstad, nog ruim 68 winkelconcentraties die in allerlei vormen verspreid over de stad zijn te vinden. Op verschillende niveaus spelen deze centra een rol in de stedelijke detailhandelsstructuur, namelijk als boodschappencentrum, als doelgericht winkelcentrum of als recreatief winkelgebied. Buiten de typische winkelgebieden zijn er tal van gebieden waar detailhandel een rol heeft, maar veel meer onderdeel is van het stedelijk gemixt milieu. In het economisch belang, zijn de winkelgebieden plekken waar mensen elkaar ontmoeten en hebben dus voor veel mensen ook een maatschappelijke betekenis. Detailhandel en winkelgebieden spelen een vitale rol in de aantrekkelijkheid van de stad, als sector waar veel mensen werken en waar sociale cohesie wordt versterkt. Daarom is het belangrijk om de detailhandel ook in de toekomst aantrekkelijk te houden. Om hiervoor te zorgen is een stedelijk kader nodig om goed geconcentreerde, aantrekkelijke en levensvatbare centra te behouden. Dit ruimtelijk economische kader staat beschreven in deze nota: De Detailhandelsnota van Rotterdam.

Met het detailhandelsbeleid zet Rotterdam in op een krachtige, toekomstbestendige winkelstructuur, waarbij de consument centraal staat, zodat sprake is van een compleet, compact, comfortabel en levensvatbaar centrum. In de praktijk blijkt namelijk dat deze elementen essentieel zijn om in winkelgebieden te beantwoorden aam de algemene consumentenwens. Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen in het centrum van Rotterdam. Vanuit detailhandelsperspectief is een duidelijke begrenzing van de Binnenstad als winkelgebied belangrijk, zodat optimaal beantwoord wordt aan de uitgangspunten van concentratie en profilering. In onderstaande kaart is de begrenzing van de binnenstad als winkelgebied weergegeven (aqua blauw). De verschillende delen van de binnenstad hebben elk een eigen kwaliteit, profiel en dynamiek. Verschillende gebieden kunnen verschillende doelgroepen aanspreken of een ander doel hebben. Door het onderscheid van de gebieden ontstaat een totale binnenstad die verrast en voor verschillende bezoekers kan bieden wat men zoekt. Het is belangrijk dat markt en overheid blijvend inzetten op de kwaliteit en ontwikkeling van de verschillende gebieden. Winkels en winkelontwikkelingen horen bij uitstek in die gebieden. Nieuwe ontwikkelingen buiten deze Binnenstadsgebieden worden waar mogelijk tegengegaan.

25

Figuur 2.10 Kaart met detailhandelskoersen,

projectlocatie rood omlijnd

De gemeente Rotterdam hanteert de uitgangspunten van de detailhandelsnota en de specifieke uitwerkingen in de gebiedskoersen detailhandel als input bij actualisatie van bestemmingsplannen als toetsingskader bij detailhandelsinitiatieven. Hiervoor zijn een aantal spelregels geformuleerd. De relevante spelregels worden hieronder geformuleerd: Nieuwe ontwikkelingen zijn alleen mogelijk in de winkelconcentratiegebieden zoals in de Gebiedskoersen Detailhandel zijn vastgelegd Nieuwe winkelontwikkelingen buiten de winkelgebieden zijn ongewenst. De toekomstbestendige winkelconcentraties zoals beschreven in de gebiedskoersen zijn het uitgangspunt bij de keuze voor winkelgebieden. Dit resulteert in versterking van de kansrijke winkelstructuur , waarbij de winkelgebieden voldoende onderscheidend en complementair aan elkaar zijn. Clustering van winkels in winkelgebieden draagt hieraan bij. De winkels profiteren van elkaars aantrekkingskracht en gezamenlijke faciliteiten (o.a. parkeren). Voor de consument biedt het daardoor meer gemak, overzichtelijkheid en keuzemogelijkheden. Geen nieuwe solitaire vestiging van winkels buiten de detailhandelsstructuur van winkelgebieden Het winkelaanbod buiten de winkelconcentratiegebieden van de Rotterdamse structuur wordt getypeerd als verspreide bewinkeling.

Aangezien Rotterdam zich specifiek inzet op concentratie van winkel in compacte winkelgebieden, wordt de ontwikkeling van solitaire winkels ontmoedigd. Hiermee wordt versnippering van winkels buiten winkelgebieden voorkomen en wordt ingezet op een stevige en overzichtelijke detailhandelsstructuur. Ook al heeft een deel van het verspreide aanbod een functie voor de consument, is het vanuit de stedelijke structuur ongewenst. Dit betekent dat winkeliers die op basis van het bestemmingsplan verspreid over de stad zijn gevestigd, die functie logischerwijs kunnen blijven uitoefenen. De gemeente voert nadrukkelijk geen beleid van actieve sanering. Conclusie Aangezien de projectlocatie is gelegen in één van de winkelconcentratiegebieden van Rotterdam, wordt voldaan aan de spelregels voor de gebiedskoersen van het detailhandelsbeleid. Het detailhandelsbeleid verzet zich derhalve niet tegen de vaststelling van dit plan. 2.4.10 Horecanota Rotterdam 2017-2021 In de Horecanota Rotterdam 2017-21 ligt de nadruk op gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van de regels van handhaving en op stimulering van eigen initiatief. In de Horecanota 2017-2021 zijn vier ambities opgenomen; Samen op zoek naar balans in de wijk: om te zorgen dat Rotterdam een aantrekkelijke, veilige stad is en vooral blijft, wordt gebiedsgericht gewerkt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=a614c9f4-e6d5-4987-a30c-223c6f643978