CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

21bb15157 Bijlage behorende bij 21bb15036 - Ontwerpbestemmingsplan De Archipel

Gemeenteraad 3 februari 2022, gemeente RotterdamBij agendapunt: 10. Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘De Archipel’24.293 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hiermee wordt de parkeerbehoefte binnen de plangrenzen opgevangen. Conclusie De ontsluiting van de planontwikkeling leidt niet tot knelpunten. Er vindt een minimale verkeerstoename plaats van 36 mvt/etmaal door een gymzaal te vervangen door het plaatsen van een dubbele gymzaal. De minimale toename van de verkeersgeneratie ten behoeve van de ontwikkeling vindt voornamelijk in de avond plaats en de toename zal niet leiden tot knelpunten op het omliggende wegennet. De locatie is veilig te bereiken per fiets, te voet en per openbaar vervoer. De leerlingen worden gebracht met de auto en/of taxibusjes en worden veilig afgezet op het binnenterrein. Ouders kunnen hun kinderen brengen en parkeren op 4 laad en losplaatsen. Voor de ontsluiting van de parkeerplaats van de werknemers (en in de avonduren voor de bezoekers van de gymzaal), hoeft alleen de rechter toegang van het terrein gebruikt worden, omdat het schoolplein niet bereikt hoeft te worden. Hiermee is de verkeersveiligheid van de leerlingen geborgd. De parkeerbehoefte wordt binnen de plangrenzen opgevangen. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.

31

6.3

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Langs alle wegen (met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven) bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones. Voor geluidsgevoelige functies die binnen deze geluidszones mogelijk worden gemaakt dient akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Binnen de wettelijke geluidszone van een spoorlijn geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk.

Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximale ontheffingswaarde niet te boven gaan. Een onderwijsgebouw is in het Besluit geluidhinder gedefinieerd als ander geluidgevoelig gebouw. De Wet geluidhinder schrijft voor dat de in die Wet genoemde geluidbronnen betrokken worden bij het akoestisch onderzoek. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden daarnaast de relevante overige geluidbronnen behandeld. Onderzoek en conclusie Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Hierin wordt geconcludeerd de gezoneerde wegen Vaanweg en Dordtsestraatweg, inclusief het beperkte extra verkeer als gevolg van de planontwikkeling, voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Uit het akoestisch onderzoek blijft tevens dat de niet gezoneerde Jan Ligthartstraat tot overschrijding leidt van de richtwaarde van 48 dB. Het treffen van doelmatige maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren is om uiteenlopende redenen niet mogelijk, niet haalbaar of niet wenselijk.

Om te zorgen voor een aanvaardbaar akoestisch klimaat in de school, wordt aanbevolen om de geluidbelasting van de wegen zonder aftrek toe te passen bij het berekenen van de benodigde geluidwering van de gevel. Overigens is er door de DCMR op gewezen dat in het NSL andere verkeersintensiteiten kent dan het RVMK waar in het akoestisch onderzoek mee gerekend is. Dit zijn deels lagere, maar deels ook hogere intensiteiten. De enige weg waar in het NSL een hogere intensiteit voor opgenomen is, betreft de Jan Ligthartstraat. Omdat dit een 30 km/uur weg is, wordt geconcludeerd dat de uitkomsten voor de gezoneerde 50 km/uur wegen uit het akoestisch onderzoek representatief zijn en er, ook wanneer van het NSL uitgegaan zou worden, geen hogere waarden nodig zijn. Het akoestisch onderzoek kan voor deze wegen als worst case worden beschouwd. Voor de Jan Ligthartstraat kent het NSL echter hogere intensiteiten, te weten 3.004 mvt/etmaal, terwijl in het akoestisch onderzoek is gerekend met 1.538 mvt/etmaal op basis van het RVMK. Een korte beschouwing van de toename van het geluid dat hiermee gemoeid is, is uitgevoerd middels de methode <10log( aantal nieuw/ aantal oud)>. Dit leidt tot de volgende berekening: 10log(3004/1538)= +3 dB. De berekende gevelbelasting uit het akoestisch onderzoek van 55 dB als gevolg van het verkeer op de Jan Ligthartstraat, verandert in dat geval in 58 dB.

De conclusie dat het treffen van doelmatige maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren om uiteenlopende redenen niet mogelijk, niet haalbaar of niet wenselijk is, blijft onveranderd van kracht en de vereiste binnenwaarde zal bereikt moeten worden door middel van afdoende geluidisolerende werking van de gevels. Gelet op het verschil in de verkeerscijfers uit het RVMK en het NSL, wordt aanbevolen om bij de uitwerking van het bouwplan en de uitwerking van de gevels en het akoestisch onderzoek dat in dat verband verder nodig is, afstemming te hebben met de DCMR over de hanteren verkeerscijfers. Gelet op het bovenstaande, wordt geconcludeerd dat het aspect wegverkeerslawaai de ontwikkeling niet in de weg staat. 32

6.4

Externe veiligheid

Toetsingskader  Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.

Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen te vinden. Ook vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats via het water of door buisleidingen. Ten zuiden van het plangebied op een afstand van circa 2,2 kilometer bevindt zich de A15 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De maatgevende stof die hierover wordt vervoerd is GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. Het plangebied valt niet in het invloedsgebied. Ten oosten van het plangebied het spoortraject Rotterdam – Lombardijen op een afstand van circa 1,7 kilometer. Dit spoortraject heeft een invloedsgebied van meer dan 4 kilometer en reikt tot het plangebied. Daarnaast bevindt zich ten zuiden van het plangebied het spoortraject Barendrecht vork – Waalhaven Zuid op een afstand van circa 2,2 kilometer. Ook dit spoortraject heeft een invloedsgebied van meer dan 4 kilometer. Beide spoortrajecten hebben een plasbrandsaandachtsgebied van 30 meter. Het plangebied valt hier niet in. Ook ligt het plaatsgebonden risico niet buiten de spoorlijnen. Omdat de beoogde ontwikkeling voor de spoortrajecten op meer dan 200 meter afstand ligt, hoeven volgens het Bevt in principe geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik ter plaatse van het plangebied.

Desalniettemin is vanwege de ligging binnen het invloedsgebied een beknopte verantwoording noodzakelijk.

33

Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Jan Ligthartstraat. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Rotterdam. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zullen een school en twee gymzalen gerealiseerd worden. De aanwezige kinderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Bij deze groep wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers de kinderen zullen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen.

Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. Ook het personeel dient geïnformeerd te worden over de verschillende risico's bij een incident. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaalpakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoortrajecten Rotterdam – Lombardijen en Barendrecht vork – Waalhaven Zuid waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig.

Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

6.5

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 6.2 weergegeven. Tabel 6.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. 34

Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Door de ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 72 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). In de NIBM-tool (versie 27-3-2020) is 2021 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,05 µg/m³ en van fijnstof van 0,01 µg/m³ (figuur 3.1). Beide toenames vallen onder 1,2 µg/m³. Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.

Figuur 6.1 NIBM-tool In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel van belang aan te tonen dat ter plaatse aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De maatgevende weg waarop metingen zijn uitgevoerd betreft de Jan Ligthartstraat. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 het jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer liggen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 26,6 µg/m³ voor NO2, 19,6 µg/m³ voor PM10 en 11,8 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedraagt 7,3. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

35

6.6

Bodem

Toetsingskader De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. Onderzoek en conclusie Door middel van een verkennend milieukundig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de boven -en ondergrond alsmede het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies vastgesteld:     

Plaatselijk zijn bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. De grond bevat sporen baksteen, beton, kolen, plastic en slakken of is zwak tot matig baksteen-, beton-, slakhoudend; Visueel is geen asbestverdacht materiaal waargenomen; De bovengrond is licht verontreinigd met enkele zware metalen en PCB. Tevens is plaatselijk een matig tot zeer plaatselijk een sterke verontreiniging met zink aangetroffen; De ondergrond is licht verontreinigd met enkele zware metalen, PAK en minerale olie. Plaatselijk is een matige verontreiniging met zink aangetroffen; Het grondwater is licht verontreinigd met barium.

Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijding van de betreffende achtergrondwaarden en interventiewaarde (grond) en streefwaarden (grondwater) wordt de hypothese ‘verdacht’ voor de onderzoekslocatie aangenomen. Plaatselijk is in de bovengrond een sterke verontreiniging met zink aangetoond. Vooralsnog kan niet worden uitgesloten dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarin binnen de grenzen van de onderzoekslocatie een aaneengesloten bodemvolume van meer dan 25 m3 gemiddeld de interventiewaarde voor de gehalten overschrijdt. Op basis van de bevindingen worden belemmeringen voor wat betreft de bestemmingsplanwijziging niet voorzien. Rekening dient te worden gehouden dat bij de aanvraag van de omgevingsvergunning dan wel herontwikkeling van de onderzoekslocatie nog een aanvulling in de vorm van een nader bodemonderzoek nodig is om de sterke verontreiniging in kaart te brengen, en hiermee uitsluitsel te kunnen geven of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Dit nader bodemonderzoek is in bijlage 7 weergegeven. Hieronder wordt een korte samenvatting met conclusie van het onderzoek gegeven. Ten aanzien van de aangetroffen sterke verontreiniging met zink zijn de kritische bodemlagen geanalyseerd op zink.

Dit teneinde de omvang van de verontreiniging in zowel de horizontale als verticale richting in kaart te brengen. Vooralsnog is bekend dat de verontreiniging zich in de kleilaag ter plaatse van boring 04A (0,3 - 0,5 m-mv) bevindt. Gezien in de onderliggende bodemlaag (04A-3; 0,5 – 0,8 m-mv) slechts lichte verontreinigingen zijn aangetoond, is de sterke verontreiniging hiermee verticaal voldoende ingekaderd. Om de horizontale omvang van de sterke verontreiniging te bepalen zijn rondom boring 04A acht boringen (04B t/m 04I) geplaatst en zijn de verdachte grondlagen op zink geanalyseerd. Hieruit blijkt dat de grond overwegend hooguit licht en plaatselijk sterk verontreinigd is met zink. Tevens blijkt dat de verontreiniging niet eenduidig te herleiden is naar de bodemvreemde bijmengingen.

36

Op basis van bovenstaande bevindingen is de sterke verontreiniging met zink door middel van de aanvullende boringen en analyses afdoende in kaart gebracht (zie bijlage 1.3 van het bodemonderzoek). De sterke verontreiniging met zink is hierbij slechts incidenteel aangetoond waarbij gemiddeld de interventiewaarde niet wordt overschreden. Het aangesloten bodemvolume is hiermee kleiner dan 25 m3. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De verontreiniging met zink is in afdoende mate vastgelegd. Er is incidenteel sprake van aan sterke (spot) verontreiniging. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Belemmeringen inzake het voorgenomen gebruik worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien.

6.7

Ecologie

Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden Natura2000-gebieden zijn gebieden die onderdeel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. In een aanwijzingsbesluit om gebieden als Natura2000-gebied aan te merken, zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) vastgelegd. Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.

Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De

37

voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen Natura 2000 of gebied wat is aangewezen als Natuur Netwerk Nederland (NNN-gebied).

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Oude Maas (ongeveer 5 kilometer) en Boezems Kinderdijk (ongeveer 20 kilometer). In het kader van de planologische procedure is de beoogde ontwikkeling onder andere te worden getoetst aan de eisen uit de Wet natuurbescherming. Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het PAS als beoordelingskader niet juridisch houdbaar is. Om deze reden zijn depositieberekeningen uitgevoerd met de meest recente versie van het Aerius-model (2019A) waarin diverse aanpassingen zijn doorgevoerd naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State.

38

Figuur 6.2 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied (bron: Aerius) Conclusie Adviesbureau De Haan heeft de stikstofdepositie voor de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd voor de locatie aan de Jan Ligthartstraat. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 3. De aanleg- en gebruiksfase hebben geen significant effect op de omliggende stikstofgevoelige Natura 2000- gebieden. De berekende stikstofdepositie is 0,00 mol/ha/jaar. Hierdoor kan tevens geconcludeerd worden dat er geen significante stikstofdepositie ontstaat in de gebruiks- en bouwfase. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie, die als gevolg van het wegverkeer ontstaat, op alle aanvullende rekenpunten op 4,5 kilometer afstand, voldoet aan de grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee kan worden geconcludeerd dat het wegverkeer van de aanleg- en gebruiksfase van het plan niet voor een significante bijdrage op de Natura 2000-gebieden zorgt, die op grotere afstand van het plangebied liggen. Het plan heeft geen significant effect op een Natura 2000-gebied. Soortenbescherming De huidige ecologische waarden in het plangebied zijn vastgesteld aan de hand van een quickscan. Deze quickscan is voor de Jan Ligthartstraat 10 uitgevoerd in 2019 en voor Jan Ligthartstraat 6 uitgevoerd in 2020 op het terrein.

Uit deze rapportage (bijlage 8 en 9) is naar voren gekomen dat vaste rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen niet konden worden uitgesloten. Onderzoek schoolgebouw In het schoolgebouw van de Archipel aan de Jan Ligthartstraat te Rotterdam zijn drie zomerverblijfplaatsen (met mogelijk paarverblijf functie) en vier paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld (zie bijlage 10). Gezien de stabiele en continue aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis en het gebruik van het schoolgebouw als verblijfplaats door de gewone dwergvleermuis is het aannemelijk dat de vastgestelde zomer- en paarverblijfplaatsen ook als winterverblijfplaats gebruikt kunnen worden. Het projectgebied en de directe omgeving hebben een functie als foerageergebied. Onderzoek gymzaal De gymzaal aan de Jan Ligthartstraat 6 is als geschikt beoordeeld voor vast verblijfplaatsen van vleermuizen door de aanwezige geschikte kieren, scheuren en zonnewering. Tevens zijn uitwerpselen van vleermuizen aangetroffen op de zuidgevel nabij de

39

zonnewering. Ook is vastgesteld dat de directe omgeving van de school een foerageergebied is voor vleermuizen. Het gebouw van de gymzaal bevindt zich in dit gebied. Conclusie Met de sloop van het schoolgebouw en de gymzaal en de herontwikkeling worden verblijfplaatsen van vleermuizen verstoord en vernietigd. Daarom zijn voor deze werkzaamheden een ontheffing van de Wet natuurbescherming en mitigerende en compenserende maatregelen benodigd. De hiervoor benodigde vergunning is parallel aan het bestemmingsplan aangevraagd.

6.8

Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om een belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek In de beoogde situatie worden de bestaande school en gymzaal vervangen door een nieuwe school met twee gymzalen. Hiermee wordt een milieuhinderlijke functie opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure.

In de omgeving van het plangebied zijn er voornamelijk gemengde bestemmingen, maatschappelijke bestemmingen, bedrijven en woningen gelegen waardoor de omgeving getypeerd kan worden als 'gemengd gebied'. Wanneer het project als geheel wordt beschouwd, geldt dat sprake is van vervangende nieuwbouw voor een bestaande school, waarbij tevens twee gymzalen worden gerealiseerd wat één extra gymzaal betekent ten opzichte van de bestaande situatie. In noordelijke richting bevinden zich op circa 15 m de dichtstbijzijnde woningen. Hier geldt dat de nieuwbouw van de school dichterbij deze woningen wordt gebouwd dat de bestaande schoolgebouwen. Aan de richtafstand voor een school (categorie 2 = 10 m in gemengd gebied) wordt echter nog steeds voldaan. Bovendien komt de nieuwbouw hier ter plaatse van een bestaand schoolplein. Omdat bij scholen geldt dat met name het buiten spelen van kinderen maatgevend is voor mogelijke hinder, zorgt de nieuwbouw op deze plaats voor een verbetering van de situatie in noordelijke richting. De gymzalen komen in lijn met het schoolgebouw te liggen en daarmee ook op circa 15 m ten opzichte van de woningen in noordelijke richting.

Hoewel dit niet voldoet aan de richtafstand van een gymzaal (categorie 3.1 = 30 m in gemengd gebied), is dit vergelijkbaar met de situering van de bestaande gymzaal en wordt er om die reden geen verslechtering verwacht, te meer omdat aan de noordzijde ook een schoolplein van de school komt te vervallen zoals hiervoor genoemd. In westelijke richting wordt een nieuwe openbare groenstrook bestemd, die tussen de school en de bebouwing ten westen daarvan in komt te liggen. Hiermee komt bovendien een deel van het bestaande schoolplein/speelterrein te vervallen, namelijk het trapveldje, dat nu nog direct tegen een woongebouw aanligt ten zuidwesten van het plangebied. Aan deze zijde is daarom eveneens sprake van een verbetering. Bovendien wordt aan de richtafstand van een school, die aan deze zijde van het terrein wordt gesitueerd, voldaan. In zuidelijke richting zal een groter deel van het terrein, waar nu nog bebouwing aanwezig is, ingericht worden als schoolplein en voor parkeren. In zuidelijke richting bevinden zich echter geen woningen op korte afstand. Voor het woongebouw in zuidwestelijke richting geldt zoals hiervoor genoemd dat aan de richtafstand voldaan wordt en bovendien wordt de feitelijke afstand tussen het schoolplein/speelterrein en dit woongebouw nog verruimd. 40

In oostelijke richting bevinden zich de achterkanten van de woningen aan de Dordtsestraatweg op circa 16 m vanaf de gymzalen. Hiermee wordt aan deze zijde wel voldaan aan de richtafstand voor een schoolgebouw (10 m) maar niet voor die van een gymzaal (30 m). Voor de gymzaal geldt, net als aan de noordzijde, dat de bestaande gymzaal op vergelijkbare afstand van deze woningen ligt. Bovendien bevindt zich in de bestaande situatie aan deze zijde ook een schoolplein, wat met de nieuwbouw komt te vervallen. De ligging van de gymzalen wordt daarmee acceptabel geacht. Het parkeren vindt eveneens aan de oostzijde van het terrein plaats. Dit parkeerterrein zal overdag benut worden door het personeel van de school en het brengen en halen van leerlingen met busjes. Dit gebruik voldoet aan de richtafstand voor de school (10 m). In de avonduren wordt dit terrein ook benut door gebruikers van de gymzaal, wat niet voldoet aan de richtafstand voor een gymzaal (30 m). In de praktijk zal het gebruik van het parkeerterrein door de gymzaal echter ondergeschikt zijn aan het gebruik dat door de school plaatsvindt en wat dus wel aan de richtafstand voldoet. Meegewogen wordt ook dat aan de oostzijde een bestaand schoolplein komt te vervallen, wat tot verbetering van de situatie leidt. Daarnaast wordt het parkeerterrein afsluitbaar ingericht, zodat toegang alleen gecontroleerd (bijv.

via een sleutel of door een beheerder) plaats kan vinden. Als laatst wordt meegewogen dat deze gymzalen zich niet lenen voor grote evenementen of wedstrijden waar grote groepen mensen op af komen: hiervoor zijn in de directe omgeving andere sportvoorzieningen aanwezig. Schoolgym is voor deze gymzalen de hoofdfunctie. Conclusie Rekening houdend met de bestaande afstanden tot woningen, de bestaande inrichting van het terrein en de toekomstige inrichting van het terrein, wordt voor een beperkt onderdeel van het plan gemotiveerd afgeweken van de richtafstanden en wordt geen verslechtering van het woon- en leefklimaat verwacht.

6.9

Mer-beoordeling

Toetsingskader In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). Omdat het in dit geval gaat om vervangende nieuwbouw van een bestaande school en er per saldo alleen één gymzaal extra wordt gerealiseerd, is de aard en omvang van het project dusdanig beperkt dat gesteld kan worden dat geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Het Besluit milieueffectrapportage is daarmee niet van toepassing op deze ontwikkeling en dit bestemmingsplan. Dit betekent dat geen verdere m.e.r.-procedure of (vormvrije) mer-beoordeling nodig is.

41

42

Hoofdstuk 7

Financiële uitvoerbaarheid

Ingevolge het Bro heeft de gemeente de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen (artikel 3.1.6 lid 1 sub f Bro). Dit geldt ook voor plannen waarbij sprake is van een particuliere ontwikkelaar die op eigen initiatief een locatie ontwikkelt. De gemeente is verantwoordelijk voor onderwijshuisvesting en het aanbieden van voldoende gymzalen en draagt daarom de kosten voor deze projecten.

43

44

Hoofdstuk 8

8.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg

In het kader van het wettelijke bestuurlijke vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening, is het concept bestemmingsplan toegezonden aan diverse bestuurlijke partners. Naar aanleiding hiervan zijn op het bestemmingsplan verschillende overlegreacties ontvangen. De Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR) heeft aangegeven dat er met betrekking tot dit plan geen relevante externe veiligheidsaspecten geconstateerd zijn en dat de VRR zich daarom kan vinden in het plan. Wel adviseert de VRR bij deze ontwikkelingen zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat de hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde ‘Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR’ biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven. Hier zal bij de uitwerking van het bouwplan rekening mee gehouden worden. De Gasunie heeft laten weten dat zij het plan heeft getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid van het Ministerie van I&M voor onze aardgastransportleidingen, zoals bepaald in het per 1 januari 2011 in werking getreden Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op grond van deze toetsing komen zij tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van hun dichtst bij gelegen leiding valt.

Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling en ziet de Gasunie geen aanleiding tot het maken van verdere opmerkingen. Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) heeft aangegeven dat in de toelichting van het bestemmingsplan ten onrechte vermeld staat de Waarde - Archeologie 2 van toepassing is. Alleen Waarde - Archeologie 1 is hier van toepassing, zoals op de verbeelding en in de regels wel juist is verwerkt. Naar aanleiding hiervan is paragraaf 3.2 van de toelichting op dit punt aangepast. Het Waterschap Hollandse Delta heeft aangegeven geen aanleiding te zien tot het maken van opmerkingen. De provincie Zuid-Holland heeft op het plan gereageerd door te signaleren dat met de sloop van het schoolgebouw en de gymzaal en de herontwikkeling verblijfplaatsen van vleermuizen worden verstoord en vernietigd en dat dit om een ontheffing van de Wet natuurbescherming en mitigerende en compenserende maatregelen vraagt. Dit sluit aan bij de conclusies uit paragraaf 6.7. Het bestemmingsplan is om die reden niet aangepast op dit punt. De aanvraag voor de benodigde ontheffing is momenteel in voorbereiding en vindt parallel aan de bestemmingsplanprocedure plaats. Gelet op de mogelijkheid om mitigerende en compenserende maatregelen te treffen, is de verwachting dat deze ontheffing verleend zal worden.

Naast de genoemde overlegreacties, is het bestemmingsplan tijdens de voorbereidingsperiode ook voor een ambtelijke beoordeling voorgelegd aan de DCMR. Naar aanleiding hiervan hebben zij enkele opmerkingen gemaakt over een aantal van de milieuaspecten die in de toelichting behandeld worden. Naar aanleiding hiervan zijn enkele aanvullingen in de toelichting gedaan om het plan nader te motiveren. Deze aanvullingen hebben betrekking gehad op de onderdelen wegverkeerslawaai, bodem, ecologie, bedrijven en milieuhinder en de mer-beoordeling.

8.2

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan zal gelet op de wettelijke verplichtingen voor een periode van 6 weken ter inzage komen te liggen. Tijdens deze termijn kunnen zienswijzen worden ingediend door eenieder. 45

46

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 Nota van uitgangspunten

Nota van Uitgangspunten

Archipel + dubbele gymzaal 30-06-2020 Vastgesteld

1. Inleiding 1.1 Aanleiding

In deze Nota van Uitgangspunten staan de randvoorwaarden voor de herontwikkeling van de Archipel en een dubbele gymzaal. Respectievelijk op Jan Ligthartstraat 10 en 6.

Zuidplein Motorstraatgebied

Gebiedsontwikkeling Motorstraatgebied De Archipel en de gymzaal staan in het Motorstraatgebied. Het is van oorspong een bedrijventerrein dat in de afgelopen 10 jaar in transitie is naar een gemengd gebied. De stedenbouwkundige randvoorwaarden van 2009 worden momenteel geactualiseerd, omdat de komende jaren meer woningen in het Motorstraatgebied worden gerealiseerd in het kader van de groei van de stad in de invloedssfeer van Hart van Zuid en de doelstellingen van het nationaal programma rotterdam Zuid (NPRZ). De zuidrand langs de Valkeniersweide heeft potentie om meer woningen te realiseren. Sloop- nieuwbouw van de Archipel en de gymzaal vormen hiervoor een kans. De actualisatie van de stedenbouwkundige randvoorwaarden worden vooruitlopend in deze Nota van Uitgangspunten meegenomen.

Archipel

st

se

J

1.2 Locatie

De Archipel (1) is gehuivest op Jan Ligthartstraat 10 en de gymzaal op nummer 6 (2). Het perceel van de gymzaal is in vol eigendom van de gemeente. Het perceel van Archipel en het schoolgebouw zijn in juridisch eigendom van BOOR. Bij bestemmingswijziging gaat de grond terug naar de gemeente. De school wordt omringd door diverse functies; gymzaal (3), het Flexhotel (4) en woningen in het sociale segment (5). Het perceel heeft een unieke locatie door de ligging aan de Valkeniersweide en is gelegen nabij OVknoop Zuidplein en uitvalswegen via de Dordtsestraatweg.

Nota van Uitgangspunten | Archipel + dubbele gymzaal

an

2

a

th

Lig

eg

5

5

at

ra

t rts

w at ra

Businesscase Archipel Stichting BOOR heeft in samenwerking met de gemeente een businesscase door Spring Architecten en BBN adviseurs op laten stellen voor de herontwikkeling van de Archipel. Hierbij zijn twee varianten uitgewerkt; renovatie van het bestaande gebouw en sloop-nieuwbouw. De conclusie van de businesscase is om voor sloopnieuwbouw te kiezen. Hierdoor kan een bij het type onderwijs passend compact gebouw gerealiseerd worden. Financieel gezien is het verschil marginaal. Het bestaande schoolgebouw heeft overigens geen cultuurhistorische waarde.

Landbouwbuurt

t rd Do

Archipel In 2014 is de aandachtpandenlijst in de gemeente Rotterdam door besturen en gemeentebestuur vastgesteld. Hierop zijn 146 panden opgenomen die op grond van een groot aantal indicatoren, zoals bouwkundige-, bouwtechnisch- en functionele kwaliteit, voor nieuwbouw dan wel renovatie in aanmerking zouden moeten komen. De Archipel is een van de panden op deze lijst. De school valt in de 3e tranche. De Archipel is een school voor speciaal onderwijs voor leerlingen met internaliserende gedragsproblemen in de leeftijd van 4 t/m 12 jaar. Deze doelgroep vraagt een specifieke aanpak, waarbij les wordt gegeven in kleine groepen (ca. 12 leerlingen). De school heeft een regionaal verzorgingsgebied en daarom worden veel leerlingen met taxibusjes gebracht. Een ander aandachtspunt bij deze doelgroep is de wens om privacy op het schoolplein ten opzichte van de buurt, gezien de leerlingen regelmatig gefixeerd moeten worden.

Gymzaal De Archipel maakt naast de Reconschool gebruik van de bestaande gymzaal op Jan Ligthartstraat 6. Deze gymzaal is verouderd. Voor de gymzaal is een vervangingsbudget beschikbaar. Vanuit het Sportbedrijf is aangegeven dat in deze omgeving een tekort is aan gymcapaciteit. Er is budget beschikbaar om de capaciteit uit te breiden naar een dubbele gymzaal. Het is een kans om de Archipel en de dubbele gymzaal in één bouwstroom te ontwikkelen.

2 1 4

3

5 e

lk Va

e

eid

sw

r nie

1.3 Raamwerk Motorstraatgebied

In 2009 zijn stedenbouwkundige randvoorwaarden voor het Motorstraatgebied vastgesteld. Dit raamwerk bestaat uit een heldere orthogonale structuur van met eenduidige rooilijnen en profielen. De Montesorriweg en de Dynamostraat worden doorgetrokken tot de Valkeniersweide ten behoeve van het versterken van de verbinding tussen het Motorstraatgebied en de Valkeniersweide. Naar aanleiding van de herontwikkeling en vestiging van (nieuwe) scholen in het gebied is een toenemende behoefte aan verblijfskwaliteit in de openbare ruimte van het Motorstraatgebied ontstaan. De toevoeging van woningen en hiermee meer bewoners in het gebied vereist tevens een hogere verblijfskwaliteit. Een studie van Culd in samenwerking met stakeholders in het gebied adviseert dat

bij de inrichting van de openbare ruimte de voetganger meer centraal staat dan de auto. Naar aanleiding hiervan wordt bijvoorbeeld een parkeerplaats getransformeerd tot het Jan Lighartplein: Een groene ontmoetingsplek centraal gelegen in het Motorstraatgebied. In 2020 worden de randvoorwaarden van 2009 geactualiseerd. Hierbij wordt verder gestudeerd op het versterken van de verblijfskwaliteit, een parkeerstrategie en de toevoeging van woningen, met name in de zuidrand langs de Valkeniersweide. Ten behoeve van het versterken van de verblijfskwaliteit wordt de korrelgrootte van de bouwblokken verkleind, een oostwest verbinding voor langzaam verkeer tussen Hart van Zuid en Landbouwbuurt toegevoegd. Het gebouw van het techniekcollege blijft gehandhaafd en hierdoor zal de bestaande verbinding voor

Situatie 2009 i.c.m. rooilijnen uit randvoorwaarden 2009

Bestaande situatie 2020 i.c.m. studie update rooilijnen Nota van Uitgangspunten | Archipel + dubbele gymzaal

3

langzaamverkeer naar de Valkeniersweide niet opschuiven in het verlengde van de Montesorriweg. De randvoorwaarde uit 2009 ten aanzien van het doortrekken van de Dynamostraat wordt wel gerealiseerd, alleen dan ten behoeve van langzaamverkeer vanaf de Jan Ligthartstraat. Deze doorsteek ligt grotendeels over het bestaande perceel van de Archipel. Bij de herontwikkeling van het schoolgebouw van de Archipel en de dubbele gymzaal wordt rekening gehouden met de inpassing binnen het stedenbouwkundige raamwerk én de mogelijkheid tot het ontwikkelen van woningen in de toekomst aan de zuidzijde langs de Valkeniersweide. Bij eventuele toekomstige ontwikkelingen in de directe nabijheid van het perceel van de Archipel dient er in de planontwikkeling wel rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van de school en de doelgroep (leerlingen met internaliserende gedragsproblematiek).

1.4 Studie Archipel + dubbele gymzaal

45

2D

4B -45

4

4E 45 C54

45

6A

-4

5 6D

8D

81

56 52-

81 77-

58

D -103

46

0D

64 60-

46

4A

Proefverkaveling

C 64 -4

3A 10 46

4D

-4

B

6C

46

6D

11

8B -46

Va

lke

eg rsw nie

39 -2 235

17 3-1

-123 119

68E -4 8C 46

127 512

135 124

1 10

111 710 46

-16B 16 A

70 68-

105

B 66

B

C -9 3A

66

95 62E -4 2C

97 99

93 89-

46

at tra rijs

23

79 75-

87 83-

Bestaande situatie

t aa lstr

D -95

50

2B -46

te

w ie nd

91A

- 48 44

0C

t Ba

Ta

42

0B -46

46

1A 10

68

73 69-

40 36-

8C

45

67 63-

34

75 67-

8B -45

45

9D -9

65 61-

C 56

4

97A

at ra lst

7D -8

se

85A

Dis

Gezamenlijk met de school en Stichting BOOR heeft Stadsontwikkeling op basis van een variantenstudie randvoorwaarden en uitgangspunten opgesteld voor de Archipel en de dubbele gymzaal. Het uitgangspunt is dat de realisatie van het schoolgebouw in tijd niet afhankelijk is van de dubbele gymzaal en anderzijds rekening houdt met de stedenbouwkundige uitganspunten voor de gebiedsontwikkeling van het Motorstraatgebied op termijn. Voorafgaand aan de variantenstudie heeft Stadsontwikkeling een analyse gedaan naar het bestaande ruimtebeslag van de schoolpleinen en de logistieke afwikkeling van de leerlingen en de werknemers. Zie bijlage 1. De conclusie van deze analyse is dat de logistiek en het parkeren op het terrein veiliger en efficienter kan worden ingericht.

In de gekozen variant wordt uitgegaan van een vierkant gebouw en positie op de hoek van de Jan Ligtharstraat en de doorgetrokken Dynamostraat. Het schoolplein ligt aan de binnenzijde van het bouwblok ten behoeve van de gewenste privacy. Het schoolplein is ca. 2000 m2. De leerlingen worden door taxi’s op het schoolplein van de school afgezet en opgehaald ten behoeve van een veilige overdracht. Buiten de haal- en brengtijden kan dit deel als schoolplein gebruikt worden. De ouders kunnen gebruik maken van de laad- en loszone langs de Jan Ligthartstraat. Het parkeren voor de werknemers wordt aan de binnenzijde van het bouwblok gerealiseerd. Door de verschuiving van de logistiek ten opzichte van bestaande situatie kan in de eerste fase de openbare doorsteek naar het park in het verlengde van de Dynamostraat al gerealiseerd worden.

133 912

1 25

251 524

108 9 -8 15

6

t rd Do se eg atw ra st

10

Ja

n

t raa tst ar th L ig

85 -2 285

Valkeniersweide 20

40

00 -2 54

Nota van Uitgangspunten | Archipel + dubbele gymzaal 2

31

1

313 315

4

Op de bestaande locatie van de gymzaal wordt de dubbele gymzaal gerealiseerd. In afstemming met het Sportbedrijf is het uitgangspunt dat de zalen zich niet op de verdieping bevinden (zoals in de variantenstudie), maar op het maaiveld. Op deze manier is het niet noodzakelijk om een lift te realiseren om de toestellen op de verdieping te krijgen. Bovendien sluit dit ook beter aan bij de doelgroepen die gebruik maken van deze gymzaal; Archipel en Recon.

2. Uitgangspunten Archipel + dubbele gymzaal Programma Het programma van eisen voor het gebouw van de Archipel uit de businescase is in bijlage 2 opgenomen. Het totaal is 1617 m2 BVO en 1707 m2 BVO inclusief extra speellokaal, welke door de school gewenst is bovenop het PvE. Voor gymzalen heeft de gemeente een standaard PvE. Deze is ook in bijlage 2 opgenomen. Voor de dubbele gymzaal aan de Jan Ligthartstraat wordt rekening gehouden met de minimum afmetingen; vanuit financieel en functioneel oogpunt en ten behoeve van een goede inpassing op de locatie. Het is indien wenselijk mogelijk om de gebouwen tegen elkaar aan te bouwen, mits de programma’s zelfstandig blijven functioneren en bijvoorbeeld een eigen entree hebben. Schoolgebouw Het programma voor de Archipel wordt in twee bouwlagen gerealiseerd. De footprint van het gebouw is maximaal 29 x 32 meter. De rooilijn van het gebouw staat aan de noordzijde zoveel mogelijk in dezelfde rooilijn. Het gebouw staat aan de zijde van de doorsteek in de rooilijn. Hierdoor ontstaat een orthogonaal volume in aansluiting op de gebouwde omgeving. Het is mogelijk om het gebouw in de vorm van een haak te realiseren. De Archipel wenst echter een compact gebouw en daarom een vierkant gebouw. Bij het ontwerp van het gebouw dient wel rekening gehouden te worden met het feit dat de rooilijnen in het gebied niet allemaal haaks op elkaar staan.

Dubbele gymzaal Het gebouw staat in dezelfde rooilijn als de zijgevel van de nieuwe woningen langs de Dordtsestraatweg en de rooilijn van de Archipel. Aan de zijde van de Jan Ligthartstraat bevinden zich de bergingen op de begane grond en de kleedkamers op de verdieping. Hierachter de dubbele gymzaal. De footprint van het gebouw is maximaal 30 x 32 meter. Het volume heeft twee bouwlagen. De gymzalen zijn ongeveer net zo hoog.

Entrees In het Motorstraatgebied zijn de entrees van de (maatschappelijke) gebouwen op de hoek gerealiseerd. Een entreeruimte voor de ingang wordt bijvoorbeeld gecreeerd door een hoek uit de begane grond van het gebouw te nemen en niet door het gehele gebouw terug van de rooilijn te plaatsen. Zoals bij het Zuiderpark College. De hoofdentree van de Archipel ruimte bevindt zich op de hoek van de Jan Ligthartstraat en de doorsteek met een langzaamverkeersverbinding naar de Valkeniersweide. Aan de zijde van het schoolplein is een tweede (secundaire) entree mogelijk. De entree van de dubbele gymzaal bevindt zich in de as van de Batterijstraat. Daken Het dak sluit qua vormgeving aan op de omgeving. In het Motorstraatgebied zijn hoofdzakelijk platte daken aanwezig. Platte daken van gebouwen kunnen worden ingezet als extra buitenruimte of voor groene daken en/of voor zonnepanelen. Ontsluiting terrein Het Motorstraatgebied is goed bereikbaar met openbaar vervoer en langzaam verkeer. De werknemers worden gestimuleerd om hier gebruik van te maken. Door de regionale dekking en de doelgroep van het speciaal onderwijs worden de meeste leerlingen met de auto en/of taxibusjes vervoerd. De leerlingen worden door de taxibusjes op het terrein van de school afgezet en opgehaald, zodat de overdracht van leerlingen op het schoolplein gebeurt.

Dit gebeurt middels een private éénrichtingsstraat via de Jan Ligthartstraat om de dubbele gymzaal om te voorkomen dat de busjes op het terrein manouvreren. De rijbaan is breed (en hoog) genoeg. De ouders van de leerlingen kunnen gebruik maken van de laad- en loszone in de Jan Ligthartstraat om de leerlingen af te zetten en op te halen. Voor de ontsluiting van de parkeerplaats van de Nota van Uitgangspunten | Archipel + dubbele gymzaal

5

werknemers (en in de avonduren voor de bezoekers van de gymzaal), hoeft alleen de rechter toegang van het terrein gebruikt worden, omdat het schoolplein niet bereikt hoeft te worden. Dit deel is dan ook tweerichtingsverkeer. De rijbaan is hiervoor breed genoeg. Parkeren Het parkeren dient conform de Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018 te worden gerealiseerd. Het benodigde parkeren dient te worden gefaciliteerd op eigen terrein. Ook dient het fietsparkeren van personeel op een kwalitatieve manier opgelost te worden. Het parkeren van de werknemers wordt aan de binnenzijde van het bouwblok gerealiseerd. Er wordt uitgegaan van minimaal 19 parkeerplekken voor auto’s van personeel. Op basis van een steekproef aan het einde van de middag en in overleg met de Archipel en BOOR is afgesproken dat er minimaal 8 parkeerplaatsen voor taxibusjes nodig zijn. Deze parkeerplaatsen zijn groter dan een reguliere parkeerplaats en worden langs de éénrichtingsstraat gerealiseerd. De laad- en loszone langs de Jan Ligtharstraat heeft ca. 4 parkeerplaatsen. Uit aanvullend onderzoek moet blijken hoeveel auto’s en taxibusjes bij het halen- en brengen aanwezig zijn en auto’s voor personeel op de parkeerplaats aanwezig zijn. De gymzalen worden overdag gebruikt door het onderwijs in de nabije omgeving en ‘s avonds door o.a. sportverenigingen.

In de avond kunnen bezoekers van de gymzaal gebruik maken van de parkeerplaats voor de werknemers van de Archipel. Voor de dubbele gymzaal hoeven geen extra parkeerplaatsen gerealiseerd te worden, omdat dubbelgebruik toegepast kan worden. Inrichting terrein De buitenruimte van het terrein bestaat uit logistiek, parkeren, fietsparkeren, ruimte voor de leerlingen om te spelen en ruimte voor de hoofdentree aan de Jan

Ligthartstraat. Bergingen en vuilopslag worden steeds uit het zicht en inpanding opgelost. Het oppervlak van het schoolplein is gemiddeld 2000 m2. Het schoolplein aan de binnenzijde van het bouwblok is te verdelen in drie ruimten voor de diverse leeftijden. Bij de entree van het gebouw aan de Jan Ligthartstraat is binnen het bouwvlak een entreeruimte mogelijk. Bijvoorbeeld door een hoek uit het gebouw te nemen of de plint een stukje terug te leggen van de verdieping. Bij de inrichting van het terrein is het uitgangspunt om het bestaande groene karakter terug te brengen. Ook bij de toepassing van erfafscheidingen. Het ontwerp van het terrein hangt samen met (de funtie van) de gebouwen en de omgeving. Privacy en (sociale) veiligheid Voor het speciaal onderwijs van de Archipel is het van belang om de privacy en prikkelarme omgeving op het terrein zo veel mogelijk te waarborgen. In de stedelijke omgeving van het Motorstraatgebied is dit een uitdaging. Door de positionering van het plein aan de binnenzijde van het bouwblok wordt de privacy van het schoolplein vergroot ten opzichte van de huidige situatie. Verder wordt de mate van privacy door erfafscheidingen, beplanting en bomen vergroot. Het is van belang dat de erfafscheidingen niet overklimbaar zijn voor de leerlingen.

De openbare doorsteek naar de Valkeniersweide zal verder groen ingericht worden met bomen en opgaande beplanting langs de school. De (sociale) veiligheid op het private binnenterrein wordt gewaarborgd door deze volledig afsluitbaar te maken. Ook bij het gebruik van het parkeerterrein in de avonduren door gebruikers van de gymzalen.

Beeldkwaliteit Welstandsnota De locatie Maskerade valt onder regulier welstandsniveau. Op de locatie is de Welstandsparagraaf Motorstraatgebied en Landbouwbuurt van toepassing. Zie bijlage 3. Voor deze plek en dit gebouw zijn de volgende thema’s (complementair) van belang: Integraal ontwerp Gezien de complexe herontwikkeling, bijzondere doelgroep, gewenste privacy, de logistieke afwikkeling en de mogelijke woningbouw ten zuiden aan de Valkeniersweide in de toekomst is een integraal ontwerp in een samenhangende beeldtaal van de school, de dubbele gymzaal én de buitenruimte noodzakelijk. Hierdoor kan een samenhangend ontwerp gemaakt worden, waarbij in het ontwerpproces ruimte is voor creatieve oplossingen tot ruimtewinst en kwaliteit ten behoeve van een duurzame heronwtwikkeling. Hoogwaardige erfafscheidingen Het is van belang om kwalitatieve en hoogwaardige erfafscheidingen in samenhang met de gebouwen en de groene omgeving te ontwerpen en anderzijds een relatie openbaar-privé te houden. De erfafscheidingen worden zo veel als mogelijk met groen(blijvende) beplanting gerealiseerd. De hekwerken zijn bijvoorbeeld alleen zichtbaar bij de toegangspoorten. Om te voorkomen dat hoge erfafscheidingen gerealiseerd moeten worden is de suggestie om brede hagen van 1 meter breed te realiseren met een hekwerk van 1,50 meter hoog ertussen.

Op deze manier is het terrein afgesloten, is de erfafscheiding mede door de breedte niet overklimbaar en wordt de privacy gewaarborgd.

Nota van Uitgangspunten | Archipel + dubbele gymzaal

6

Shared space De leerlingen worden door de taxi’s op het schoolplein afgezet en opgehaald. De logistiek overlapt hierdoor tijdens haal-en brengtijden met een klein deel van het schoolplein. Dit zou bijvoorbeeld als ‘shared space’ ontworpen kunnen worden.

4 45

A 97

9D -9

8C

4

58

46

Randvoorwaardenkaart

1A 10

7 -8 83

0C

3D -10

4

4 D60

95

te at tra rijs

46 1

4A

111 710

46

Bestaande bebouwing

6C

46

7 -11 113

B 68 -4 6D

46

3 -12 119

68E -4 8C

127 512

9 23 523

135 51 -2

251 524

9 -8 15

6

eg sw ier en

105

B 66 -4 4D

B

1 24

1 10

Rooilijn bouwblokken (in studie)

A 03

C -9 3A

0 -7 68

lk Va

C 64 -4

46

B

97 99

66

62E -4 2C

t Ba

23

4 -6 60 3 -9 89

B 62

46

t raa

6 -5 52

1 -8 77

0B 46 D58

9 12

Bestaande perceelsgrenzen Nieuwbouw in aanbouw

3 -13

Doorsteek langzaam verkeer 108 Inrichting openbaar groen

Dubbele gymzaal

Bouwveld Overbouwing mogelijk t rd Do se eg atw ra st

Archipel

Ja

n

Locatie entree

5 28 528

10

Indicatieve positie bebouwing

t raa tst ar h t L ig

Alzijdig / open karakter

Valkeniersweide

Huidige situatie

20

Parkeren werknemers / bezoekers gymzaal Spelen (deels ‘shared space’) ca. 2000 m2 Te slopen Ontsluiting en parkeren taxi’s Richting verkeer Laad- en loszone

00 -2 54

Schaal 1:1000

Nota van Uitgangspunten | Archipel + dubbele gymzaal

7

N

3. Overige Technische randvoorwaarden Bestemmingsplan Het vigerende bestemmingsplan voor de locatie is het bestemmingsplan ‘Motorstraatgebied’ en is op 30-11-2017 onherroepelijk geworden. De beoogde herontwikkeling van het schoolgebouw, de dubbele gymzaal en de herinrichting van het terrein zijn in strijd met het vigerende bestemmingsplan. Voor de herontwikkeling wordt geadviseerd een bestemmingsplanprocedure te volgen, gezien de omvang van het project en de verwachting dat er mogelijk nog aanpassingen wenselijk zijn. Bij een bestemmingsplan kan meer speelruimte inbouwd worden. Deze Nota van Uitgangspunten vormt de basis voor het bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=15310ba9-74e1-4a2f-b73c-d4aa24b9f892