21bb14818 Bijlage 2 behorende bij 21bb14816 over rapport RADAR Aanpak discriminatie bij woningverhuur
Tekst van het document
37
niet anders zijn dan de oorspronkelijke opzet. Dit wordt ook wel het ‘Tallon-criterium’ genoemd.48 Dat houdt in dat het strafbare feit ook had plaatsgevonden zonder dat het lokmiddel was ingezet. Bij het uitvoeren van praktijktesten of mysteryguestonderzoek moet steeds bekeken worden of aan het Talloncriterium voldaan wordt om tot een strafrechtelijk succesvol vervolg te komen. ‘Cherry picking’ Mochten correspondentietesten en/of mystery calls (aanvullend) in een strafrechtelijke vervolging worden gebruikt, dan is het belangrijk dat aan het gelijkheidsbeginsel wordt voldaan. Dit wil zeggen dat er geen sprake mag zijn van ‘cherry picking’ en dat helder moet zijn waarom het ene bedrijf vervolgd wordt en waarom het andere niet. Er moet gelegitimeerd worden waarom een makelaarsbedrijf gekozen is. Voor wat betreft de uitvoering van de correspondentietesten voor de monitor geldt dat aanbieders die woningen op Pararius aanbieden op basis van aselecte steekproeven zijn geselecteerd. De makelaars bij wie mystery calls zijn uitgevoerd voor de landelijke monitor zijn geselecteerd aan de hand van de resultaten van de correspondentietesten, aangevuld met een aselecte steekproef. 49 De aanvullende testen, zoals gepresenteerd in hoofdstuk I van het rapport, zijn geselecteerd op basis van resultaten op het profiel Marokkaanse man.
3. Haalbaarheid Eenieder die kennisneemt van een (vermoedelijk) strafbaar feit kan aangifte doen. Voor vervolging volstaat een enkel vermoeden niet en dient er bewijs te zijn van daadwerkelijk discriminerend handelen of discriminerende uitingen. Ook ADV’s kunnen in theorie aangifte doen van discriminatie tegen een makelaar of andere woonbemiddelaar. Of een aangifte van een ADV op basis van enkel praktijktesten kans van slagen heeft, is zeer twijfelachtig vanwege de hierboven beschreven belemmeringen. Een vervolging alleen op basis van ‘statistische gegevens’ zal veelal niet haalbaar zijn. Wel kan een onderzoek waaruit zeer duidelijke resultaten komen, aanleiding geven voor nader onderzoek. Bij discriminatiezaken geldt temeer dat vervolging plaatsvindt als er een redelijke kans op bewijsbaarheid van de verdenking is. Het effect van vervolging met een te verwachten vrijspraak kan juist een omgekeerd negatief signaal uitzenden. Daarnaast gelden de in dit hoofdstuk beschreven uitdagingen. Deze zien op de vraag of aan de delictsomschrijving van het discrimineren van personen wordt voldaan als er geen sprake is van een daadwerkelijk persoon die gediscrimineerd wordt. Ten aanzien van de mysteryguestmethode kan daarnaast nog de kanttekening geplaatst worden dat alleen de intentie tot discriminatie wordt aangetoond, terwijl de intentie an sich niet strafbaar is.
4. Samengevat Wanneer mensen worden geweigerd in de selectie voor een huurwoning door een aanbieder op grond van hun afkomst of seksuele gerichtheid of andere discriminatiegrond, spreken we van een uitsluitingsdelict. Dit is strafbaar gesteld in de artikelen 429quater (overtreding) en 137g Sr (misdrijf). Er is geen strafrechtelijke jurisprudentie over woningmarktdiscriminatie bekend bij het OM. Bij een uitsluitingsdelict kan het moeilijk zijn om te bewijzen dat de oorzaak van de uitsluiting met discriminatie van doen heeft, omdat discriminatie bij de woningverhuur makkelijk te verhullen is.
48 HR 4 december 1979, NJ 1980, 356 49
Zie paragrafen III.4 en V.3 in Hoogenbosch, A. en Fiere, B. (2021). Gelijke kansen op een huurwoning in Nederland? Monitor discriminatie bij woningverhuur. Rotterdam: Art.1/RADAR
38
Handhaving van het strafrechtelijk verbod op discriminatie in de uitoefening van een beroep of bedrijf is grotendeels afhankelijk van aangiftes van slachtoffers. In theorie is het echter ook mogelijk dat een antidiscriminatievoorziening een procedure start op basis van de uitkomsten van praktijktesten of mysteryguestonderzoek onder woningaanbieders. De mysteryguestmethode lijkt zich moeilijk te lenen voor strafrechtelijke vervolging omdat met dit type onderzoek slechts de intentie tot discrimineren duidelijk wordt en dit is an sich niet strafbaar. Ten aanzien van strafrechtelijke vervolging op grond van correspondentietesten geldt dat het inzetten van fictieve profielen strafrechtelijk gezien naar verwachting niet tot strafrechtelijk kwalificeerbare zaken zal kunnen leiden. De wet spreekt namelijk over het discrimineren van ‘personen’, wat betekent dat met gebruik van fictieve profielen mogelijk niet aan de delictsomschrijving kan worden voldaan. Een lijn van negatieve testresultaten kan volgens het OM mogelijk als aanvullend bewijs dienen in een strafzaak tegen een makelaar/verhuurder, maar het is niet aannemelijk dat de resultaten van praktijktesten voor een rechter voldoende zijn om discriminatie op grond van ras in de zin van artikel 137g Sr of 429quater Sr wettig en overtuigend bewezen te achten.
Indien praktijktesten bij een strafrechtelijke vervolging (aanvullend) worden gebruikt zijn betrouwbaarheid, het Tallon-criterium en ‘cherry picking’ belangrijke aandachtspunten.
39
VI. Conclusies In aanvulling op de in april gepubliceerde landelijke Monitor discriminatie bij woningverhuur, hebben we in dit rapport verkend in hoeverre resultaten van correspondentietesten en mystery calls onder aanbieders van huurwoningen ingezet kunnen worden voor vervolgstappen richting individuele aanbieders. Daarbij hebben we enkele vervolgroutes nader verkend. In dit hoofdstuk presenteren we de conclusies van deze verkenning. We gaan eerst in op de inzichten die een verdieping op de landelijke resultaten heeft opgeleverd. Vervolgens gaan we in op de mogelijkheden en aandachtspunten die naar voren zijn gekomen uit vier verschillende vervolgroutes die zijn verkend. Tot slot staan we stil bij de afwegingen die gemaakt moeten worden bij de concrete inzet van deze onderzoeksmethodes voor verschillende doeleinden. 1. Verdieping op de resultaten van de landelijke monitor In deze verkenning zijn de resultaten van de landelijke monitor op twee wijzen verdiept. Ten eerste zijn de uitkomsten van zowel de correspondentietesten als de mystery calls uitgesplitst in leden van brancheorganisaties en niet-leden. Hieruit bleek dat leden niet vaker of minder vaak dan niet-leden discrimineren in de eerste fase bij woningverhuur, dan wel bereid zijn in te gaan op een discriminerend verzoek. Brancheorganisaties hebben aangegeven de resultaten graag verder uitgesplitst te willen zien.
Het aantal testen bleek echter te klein om de leden van branches in de groep ‘makelaars’ en die in de groep ‘verhuurders’ goed met elkaar te vergelijken. Voor de brancheorganisaties kan deze verdieping interessante informatie opleveren over het gedrag van hun leden en de noodzaak om in te (blijven) zetten op het tegengaan van discriminatie. Indien een dergelijke uitsplitsing in resultaten in eventueel vervolgonderzoek wenselijk is, dient hiermee rekening te worden gehouden in het onderzoeksontwerp. Er zullen dan meer correspondentietesten per groep nodig zijn om tot betrouwbare resultaten te komen. Voor het tweede deel van de verdieping is een aantal aanvullende correspondentietesten uitgevoerd naar aanleiding van de resultaten uit de landelijke monitor. Het gaat om aanvullende testen bij 45 aanbieders van huurwoningen die in het eerdere onderzoek één keer of vaker het controleprofiel met de Nederlands klinkende mannennaam uitnodigden voor een bezichtiging en bij dezelfde woning het testprofiel met de Marokkaans klinkende mannennaam niet uitnodigden. De tweede verdiepingsslag laat zien dat het mogelijk is om met een reeks correspondentietesten discriminatie bij individuele aanbieders statistisch vast te stellen.
Bij een statistisch significant patroon van discriminatie is de kans dat de verschillen die de aanbieder maakt in de reacties naar beide profielen op toeval berust geminimaliseerd. Om discriminatie door individuele makelaars of verhuurders statistisch te kunnen aantonen dienen er idealiter minimaal tien correspondentietesten gedaan te worden per aanbieder. In de praktijk is dat lastig: zeker bij kleinere aanbieders, wordt er mogelijk niet tijdens elke testronde een woning in het onderzochte segment aangeboden. Dat heeft tot gevolg dat het moeilijk vooraf in te schatten is hoeveel testrondes nodig zijn en bijgevolg hoe lang de onderzoeksperiode wordt en hoe arbeidsintensief het onderzoek zal zijn. Een ander punt van aandacht is dat, om ook statistisch te kunnen aantonen dat een aanbieder af en toe discrimineert, nog meer dan tien testen nodig zijn. Daarnaast geldt ook dat hoe meer advertenties er zijn waarbij beide profielen een 40
negatieve reactie ontvangen (niet uitgenodigd worden voor een bezichtiging), hoe meer testen er nodig zijn om discriminatie statistisch aan te tonen. De vraag is of voor elke vervolgroute ook statistisch onderbouwd bewijs van discriminatie noodzakelijk is (zie ook punt 2 en 3 hieronder). 2. Verkenning van enkele mogelijke vervolgroutes We hebben vier mogelijke vervolgroutes verkend waarbij de bevindingen uit correspondentietesten en mystery calls in het kader van de landelijke monitor als aanleiding dienden. Twee routes betroffen concrete interventies, in de vorm van sensibiliserende gesprekken, richting individuele aanbieders. De andere twee verkenden de mogelijkheden van juridische stappen tegen individuele aanbieders. Sensibiliserende gesprekken door brancheorganisaties en antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) Op basis van resultaten uit de correspondentietesten waarbij testprofielen zijn benadeeld ten opzichte van controleprofielen, hebben ADV’s en brancheorganisaties gesprekken gevoerd met in totaal 26 aanbieders. Waar die beschikbaar waren, zijn ook de resultaten uit de mystery calls gedeeld. Het doel van de gesprekken was om bewustwording van discriminatie te vergroten en om te achterhalen welke mogelijke verklaringen er zijn voor de ongelijke behandeling.
Ten tijde van de selectie van aanbieders waren de resultaten nog niet statistisch geanalyseerd, en kon dus op voorhand niet uitgesloten worden dat bij deze aanbieders sprake was van toevallige ongelijke behandeling. Dit bracht met zich mee dat de uitkomsten van de correspondentietesten en mystery calls, zoals die zijn gedeeld met de brancheorganisaties en ADV’s, discussie opleverden over de betekenis ervan. Klachtbehandelaars van ADV’s en brancheorganisaties twijfelden in sommige gevallen aan de zeggingskracht van de testresultaten en vonden het lastig op basis daarvan het gesprek met een aanbieder te voeren. Aanbieders bleken er vaak ook niet van overtuigd dat de resultaten van correspondentietesten op discriminatie van hun kant zouden wijzen. Verondersteld mag worden dat, naarmate er meer aanwijzingen van discriminatie zijn, een gesprek voor een aanbieder confronterender zal zijn en moeilijker af te doen met een plausibele verklaring. Vanuit dit oogpunt is het voor dit soort gesprekken wenselijk om een sterkere ‘case’ te hebben dan in de pilot soms het geval was, alvorens ADV’s of brancheorganisaties het gesprek zoeken. Deze wens werd ook door klachtbehandelaars en brancheorganisaties geuit. Het gegeven dat aanbieders de ‘bewijskracht’ van testresultaten in twijfel kunnen trekken, hoeft echter niet af te doen aan de effectiviteit van de werkwijze.
Het doel van de gesprekken is sensibilisering van aanbieders voor discriminatie bij de woningverhuur en de testresultaten dienen slechts als aanleiding voor een gesprek. Zelfs als een aanbieder ervan overtuigd is niet te discrimineren, wordt de aandacht wel expliciet gevestigd op (het verbod op) discriminatie bij de woningverhuur. Bovendien lijken veel aanbieders bereid tot (minimale) vervolgstappen, zelfs als zij denken dat er niets fout is in de eigen organisatie. Zowel klachtbehandelaars van ADV’s als enkele brancheorganisaties zijn overtuigd van de bijdrage die dit soort gesprekken kan leveren aan bewustwording van discriminatie bij woningaanbieders. In de evaluatie van de werkwijze ten aanzien van de gevoerde gesprekken gaven klachtbehandelaars van ADV’s aan dat zij kansen zien in het opbouwen van een dossier, waarbij testen periodiek worden uitgevoerd en negatieve testresultaten in het registratiesysteem van ADV’s worden vastgelegd. Dat zou 41
een signalerende functie kunnen hebben, waarbij een nader te definiëren aantal negatieve testresultaten bij een aanbieder, eventueel aangevuld met door de ADV ontvangen klachten over die aanbieder, aanleiding kan zijn voor de ADV om het gesprek te zoeken. Wanneer we de vervolgroutes via ADV’s en brancheorganisaties naast elkaar leggen, kunnen we nog de volgende relevante punten benoemen: ADV’s kunnen in principe alle aanbieders benaderen voor een gesprek, terwijl brancheorganisaties beperkt zijn tot hun leden. Gezien de lage organisatiegraad van de sector, is het bereik via brancheorganisaties aanzienlijk kleiner. Daar komt bij dat ADV’s over kennis en ervaring beschikken ten aanzien van discriminatie en relevante wetgeving, waar brancheorganisatie die niet vanzelfsprekend hebben. Daarentegen laten diverse brancheorganisaties zien serieus aan de slag te zijn met het onderwerp discriminatie en kunnen gesprekken als deze daar een logisch verlengstuk van zijn. Met het oog op de relatie die brancheorganisaties hebben met hun leden, is de drempel voor aanbieders om een gesprek met de branche aan te gaan bovendien vermoedelijk lager. Vanuit deze overwegingen kunnen de routes via ADV’s en branches als complementair worden beschouwd.
Juridische vervolgroutes, via College voor de Rechten van de Mens of strafrechter Afgaande op bestaande oordelen van het College voor de Rechten van de Mens (College) lijkt het aannemelijk dat het College correspondentietesten als bewijs aanvaardt, mits is voldaan aan enkele voorwaarden (zoals in hoofdstuk IV is genoemd). Er zijn geen oordelen waarin praktijktesten met alleen fictieve profielen als bewijs zijn gebruikt, zonder dat er een gedupeerde is. Het is daarom niet met zekerheid te zeggen hoe het College oordeelt over praktijktesten met fictieve profielen, zonder een verzoek om een oordeel in te dienen. Waar correspondentietesten daadwerkelijk discriminerend gedrag aantonen, wordt met de mysteryguestmethode getoetst of iemand bereid is te discrimineren. Deze intentie tot discrimineren zonder handelen - is niet strafbaar. Hierdoor lenen mystery calls zich niet voor een juridische procedure. Wanneer mensen worden geweigerd bij de selectie voor een huurwoning door een aanbieder op grond van bijvoorbeeld hun afkomst of seksuele gerichtheid, spreken we volgens het Wetboek van Strafrecht van een uitsluitingsdelict. Uitsluitingsdelicten (iemand uitsluiten) in uitvoering van ambt, beroep of bedrijf zijn strafbaar gesteld in artikel 137g (waarbij opzet bewezen moet worden) of 429quater Sr.
Waar artikel 429quater Sr discriminatie op meerdere gronden beschermt, heeft artikel 137g Sr alleen betrekking op de grond ‘ras’. Er is geen jurisprudentie over woningdiscriminatie bekend bij het OM. Het bewijzen van uitsluiting kan in de praktijk lastig zijn omdat bewezen moet worden dat een persoon is uitgesloten op een discriminatiegrond. Kandidaat-huurders worden echter vermoedelijk nooit expliciet afgewezen op grond van hun afkomst of ander niet ter zake doend kenmerk. De reden dat iemand niet wordt uitgenodigd voor een bezichtiging wordt zelfs meestal niet vermeld. Bij het bewijzen van opzet (vereiste binnen 137g sr) kan ook van voorwaardelijk opzet worden uitgegaan. Daarbij is niet vereist dat de dader tot doel heeft te discrimineren, maar dat de dader willens en wetens de kans aanvaardt dat hij, door zijn handelen of uitlatingen, een persoon discrimineert en uitsluit. Zoals hierboven genoemd ten aanzien van een procedure bij het College, vormen de testen met fictieve profielen bij een strafrechtprocedure mogelijk een obstakel. Het is namelijk de vraag of door het gebruik van fictieve profielen wordt voldaan aan de delictsomschrijving ‘het discrimineren van een persoon’. Verder is van belang dat de correspondentietest betrouwbaar is uitgevoerd, er geen sprake is van uitlokking en aan het gelijkheidsbeginsel wordt voldaan. 42
3. Aandachtspunten bij de inzet van praktijktesten en mystery calls om discriminatie door individuele huurwoningaanbieders tegen te gaan? De in dit rapport beschreven verkenning heeft geleid tot een overzicht van praktische, technische, strategische en ethische afwegingen die gemaakt moeten worden, wanneer de resultaten van praktijktesten en mystery calls worden ingezet bij het nemen van vervolgacties tegen individuele aanbieders: •
•
•
Bepaal vooraf welk doel onderzoek met praktijktesten en/of mystery calls moet dienen. Een conclusie die uit deze pilot getrokken kan worden, is dat het doel van landelijke monitoring zich niet per definitie goed laat combineren met het verwerven van (statistisch onderbouwde) inzichten over het gedrag van individuele aanbieders. Het doel van de landelijke monitor was om te meten in hoeverre discriminatie in de eerste fase van woningverhuur in Nederland voorkomt. Om hier iets over te kunnen zeggen is per testronde een aselecte steekproef getrokken uit beschikbare advertenties op Pararius. Met deze aanpak kom je niet (per definitie) op het benodigde aantal testen per aanbieder uit om discriminatie bij een individuele aanbieder statistisch te kunnen aantonen. Wanneer het doel van onderzoek is om discriminatie bij individuele aanbieders te meten, dienen er daarom bij de selectie van advertenties andere keuzes gemaakt te worden. Daarbij moet nagedacht worden over criteria die aanleiding zijn om een individuele aanbieder meerdere keren te testen. Dit zou bijvoorbeeld kunnen naar aanleiding van meldingen bij een antidiscriminatiebureau of uitkomsten van eerder uitgevoerde testen of mystery calls die een vermoeden van discriminatie opleveren. Beslis welke methode(n) je inzet. Mystery calls meten alleen de intentie tot discrimineren.
Daarmee is deze methode niet geschikt om een juridische procedure te starten. Een instemmend antwoord op een discriminerend verzoek biedt wel een goede aanleiding voor een gesprek. Het antwoord staat zwart op wit en is moeilijk te weerleggen door een individuele aanbieder. Daarnaast is een mystery call eenvoudiger te realiseren, omdat je er maar één per aanbieder hoeft uit voeren. Correspondentietesten meten daadwerkelijk gedrag. Daarbij dient de afweging te worden gemaakt of het voor het doel van het onderzoek noodzakelijk is om een statistisch significant patroon van discriminatie bij individuele aanbieders aan te tonen (en welk significantieniveau gewenst is), of dat het volstaat om één of enkele testen per aanbieder te doen, waarbij de toevalsfactor niet (volledig) uitgesloten kan worden. Voor de verkenning van de vervolgroutes met de brancheorganisaties en de ADV’s waren slechts een of enkele negatieve testresultaten per individuele aanbieder beschikbaar. Het bleek hierdoor soms lastig om als klachtbehandelaar van een ADV of als brancheorganisatie een gesprek met de betreffende aanbieder aan te gaan, omdat het bewijs niet altijd als sterk werd ervaren. Desondanks leidde dit in verschillende gevallen tot een goed gesprek met een aanbieder.
Wanneer discriminatie door een individuele aanbieder statistisch is vastgesteld, heb je een sterkere zaak, wat zowel bij het aangaan van een sensibiliserend gesprek met een aanbieder als voor een juridische procedure zijn vruchten kan afwerpen. Wanneer gekozen wordt voor praktijktesten dient, ook als een statistisch significante uitkomst niet noodzakelijk is, te worden afgestemd hoeveel testen per aanbieder er (minimaal) nodig zijn. Vervolgens is de vraag welk aantal testen met als uitkomst nadelige behandeling van het testprofiel aanleiding vormt tot een (van tevoren bepaalde) interventie richting een individuele 43
•
•
•
aanbieder. Ook moet nagedacht worden over een eventueel maximumaantal testen per aanbieder, als het gaat om tijdsinvestering van een specifieke makelaar of verhuurder. Leg samen met stakeholders vast welke reacties (zowel bij praktijktesten als mystery calls) als ‘positief’ en ‘negatief’ worden geclassificeerd. In bestaande onderzoeken met praktijktesten naar discriminatie op de woningmarkt zijn verschillende classificaties gebruikt. Zo is in dit onderzoek uitgegaan van de vraag of iemand de woning kan komen bezichtigen, maar is in ander onderzoek ook weleens gevraagd naar de beschikbaarheid van de woning. De classificatie van de reacties hangt hiermee samen. Voor deze verkenning zijn de resultaten uit de praktijktesten voor de landelijke monitor het uitgangspunt geweest. Je kunt er echter ook voor kiezen om praktijktesten gericht in te zetten als er signalen over discriminatie door een specifieke aanbieder zijn (bijvoorbeeld bij een ADV). Daarmee ga je gericht op zoek naar bewijs tegen aanbieders waar een vermoeden van discriminatie is ontstaan. Hoewel deze aanpak effectief kan zijn in het identificeren van die aanbieders die zich schuldig maken aan discriminatie, is het een kostbare werkwijze. Het meest kostenefficiënt zijn praktijktesten indien ze op grote schaal worden uitgerold, bijvoorbeeld ten behoeve van monitoring.
Als je praktijktesten uitsluitend wilt inzetten om discriminatie op de woningmarkt te monitoren, dan verdient het de voorkeur om het onderzoek niet vooraf aan te kondigen bij de onderzoeksgroep. Hiermee wordt voorkomen dat aanbieders anticiperen op het onderzoek en de uitkomsten daardoor beïnvloed worden. Is het doel om vervolgstappen te nemen op het niveau van de individuele aanbieder, dan is het vanuit ethisch oogpunt mogelijk wenselijk om dit aan te kondigen, opdat aanbieders zich ervan bewust zijn wat mogelijke consequenties zijn van hun gedrag.
De genoemde afwegingen kunnen in feite teruggebracht worden naar twee punten. Het gaat om de balans tussen de kracht van het benodigd bewijs enerzijds en de kostentechnische en ethische aspecten van het uitvoeren van testen bij individuele aanbieders anderzijds. Daarnaast betreft het de inrichting van een onderzoek in relatie tot het doel. Naast de doeleinden van monitoring en het doen van interventies op het niveau van de individuele aanbieder, verdient het aandacht om te kijken naar inzet van praktijktesten als beleidsinstrument. Zo werd in het Belgische Gent discriminatie op de woningmarkt periodiek gemonitord, en werden aanbieders van huurwoningen hiervan op de hoogte gesteld. De Gentse aanpak had een afschrikwekkend effect en leidde tot een afname van discriminatie in de eerste fase van woningverhuur.50 Tenslotte willen we benadrukken dat met praktijktesten alleen discriminatie in de eerste fase bij woningverhuur kan worden onderzocht. Maar ook later in het verhuurproces kan nog discriminatie plaatsvinden. Het beeld van discriminatie op de woningmarkt, zoals weergegeven in de landelijke monitor, is daarom niet compleet. Dat betekent dat je op basis van praktijktesten alleen interventies kunt plegen richting die individuele aanbieders bij wie mogelijk sprake is van discriminatie in de eerste fase van het verhuurproces.
50
Verhaeghe, P.P., Ghekiere, A. (2020). Is de etnische discriminatie op de Gentse woningmarkt structureel gedaald? Brussel: Vrije Universiteit Brussel.
44
Bijlage 1 Overzicht aanvullende correspondentietesten Aanbieder
1* 2 3 4* 5* 6* 7* 8 9 10 11* 12 13 14* 15 16 17 18 19* 20 21
Aantal getest
keer Allebei uitgenodigd (a)
11 7 11 12 6 8 8 10 10 6 4 2 6 10 9 5 10 9 9 8 3
1 0 1 2 0 2 2 4 5 0 0 0 1 3 3 3 6 2 0 0 0
Alleen Nederlandse man uitgenodigd (b) 7 4 4 4 3 3 3 3 3 2 2 2 2 2 2 2 2 3 1 1 1
Alleen Marokkaanse man uitgenodigd (c) 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 0 0 0
Allebei niet Nettouitgenodigd (d) discriminatiegr aad 3 3 6 6 3 3 3 3 2 4 2 0 3 5 4 0 2 3 8 7 2
88% 100% 80% 67% 100% 60% 60% 43% 38% 100% 100% 100% 67% 40% 40% 40% 25% 33% 100% 100% 100%
Mid-p-waarde
Lid branche organisatie
0,008 0,063 0,063 0,063 0,125 0,125 0,125 0,125 0,125 0,25 0,25 0,25 0,25 0,25 0,25 0,25 0,25 0,375 0,5 0,5 0,5
nee ja nee nee nee nee nee ja nee nee nee nee ja nee nee nee nee nee nee nee nee 45
22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33* 34* 35 36* 37 38 39 40 41 42 43* 44* 45*
3 2 1 1 1 10 7 4 10 11 6 9 12 11 8 11 13 11 8 11 10 10 10 5
0 0 0 0 0 1 1 1 2 4 4 5 8 0 0 3 5 2 2 0 3 1 0 1
1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 2 2 2 2 1 1 1 1 2 2 1
0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1 1 1 1 2 2 1 1 2 2 1
2 1 0 0 0 8 5 2 7 6 1 3 3 8 5 5 5 6 3 9 5 5 6 2
100% 100% 100% 100% 100% 50% 50% 50% 33% 20% 20% 17% 11% 33% 33% 17% 13% -20% -20% 0% 0% 0% 0% 0%
0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,625 0,625 0,625 0,625 0,625 0,625 1 1 1 1 1
ja nee nee ja nee nee nee ja nee nee nee nee nee nee nee nee ja nee ja nee nee ja ja ja
*Met deze aanbieders is een gesprek gevoerd door een ADV Aanbieders waarbij minder dan 10 geslaagde correspondentietesten zijn uitgevoerd. Deze resultaten dienen met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden. 46
Bijlage 2 Codering bij correspondentietesten Codenummer Uitleg 1 Bezoeken zijn momenteel niet mogelijk. 2 Kandidaat werd om aanvullende informatie gevraagd, geen afspraak voor een bezichtiging. 3 Kandidaat werd gevraagd om contact op te nemen, maar nog geen zekerheid of bezichtiging mogelijk is. 4 Kandidaat werd om aanvullende informatie gevraagd en uitgenodigd voor een bezichtiging. 5 Kandidaat werd gevraagd om contact op te nemen om een afspraak voor een bezichtiging in te plannen. 6 Kandidaat werd uitgenodigd om de woning te bezoeken. 7 Men wil niet aan de kandidaat verhuren. 8 De woning is niet langer te huur. 9 Opvolgmail met info over andere panden. 10 Geen antwoord ontvangen. 11 Anders. Code 4, 5 en 6 zijn als ‘positieve’ reactie gecategoriseerd, dat wil zeggen een uitnodiging voor een bezichtiging.
47
Bijlage 3 Uitkomsten correspondentietesten leden branches naar type aanbieder
Groep 1 = NVM, VBO en Vastgoedpro (makelaars/bemiddelaars)
Groep 2 = Vastgoed Belang, IVBN en VGM NL (verhuurders) Poolse man
Poolse man Nederlandse man
Uitgenodigd Niet uitgenodigd
Uitgenodigd 23 8
Niet uitgenodigd 9 84
Nederlandse man
Uitgenodigd Niet uitgenodigd
Marokkaanse man Nederlandse man
Uitgenodigd Niet uitgenodigd
Uitgenodigd 33 7
Niet uitgenodigd 9 79
Nederlandse vrouw
Uitgenodigd Niet uitgenodigd
Niet uitgenodigd 13 88
Nederlandse man
Uitgenodigd Niet uitgenodigd
Heterostel
Uitgenodigd 31 11
Niet uitgenodigd 7 91
Uitgenodigd 11 1
Niet uitgenodigd 4 43
Marokkaanse vrouw Nederlandse vrouw
Uitgenodigd Niet uitgenodigd
Uitgenodigd 8 1
Niet uitgenodigd 7 81
Homostel
Homostel Uitgenodigd Niet uitgenodigd
Niet uitgenodigd 5 42
Marokkaanse man
Marokkaanse vrouw Uitgenodigd 31 6
Uitgenodigd 16 1
Heterostel
Uitgenodigd Niet uitgenodigd
Uitgenodigd 13 0
Niet uitgenodigd 2 49
48