21bb13258 Bijlage 1 behorende bij 21bb13254 - Ontwerpbestemmingsplan “ Urkersingel ”
Tekst van het document
Bodem De Wet bodembescherming (Wbb) vormt het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en de ernst van een bodemverontreiniging. Conform de Wbb wordt op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater bepaald of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico’s voor mens en ecosysteem onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Bij eerst genoemde dient binnen vier jaar aangevangen te worden met de sanering; bij laatstgenoemde kan gewacht worden totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Uit de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart blijkt, dat de bovengrond (0 tot 1 meter beneden maaiveld) aangemerkt kan worden als klasse ‘Wonen’. Dat betekent, dat de aanwezige bodem naar verwachting ten hoogste licht verontreinigd is. Ook de ondergrond (1 tot 2 meter beneden maaiveld) is op deze kaart aangemerkt als klasse ‘Wonen’. Verondersteld wordt dat de bodemkwaliteit de voorgenomen herontwikkeling niet in de weg hoeft te staan. Ten behoeve van de realisatie van het beoogde bouwplan zullen bodemverstorende activiteiten plaatsvinden. Voorafgaand aan deze werkzaamheden wordt een bodemkundig onderzoek uitgevoerd, mede om te bepalen of de grond hergebruikt kan worden.
Mocht uit dit onderzoek blijken dat sprake is van een saneringsopgave, dan wordt hieraan gehoor gegeven.
4.7
Archeologie Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het "Verdrag van Malta" is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De - 32 -
resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Archeologische verwachting Het plangebied wordt op de gemeentelijke Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK) aangemerkt als een gebied met een redelijk tot hoge archeologische verwachting direct onder maaiveld of dieper. Hierdoor is het noodzakelijk dat bouw- en graafwerkzaamheden worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek. Bescherming van de archeologische waarden Op grond van de archeologische verwachting en om mogelijk aanwezige archeologische waarden te beschermen, is in het bestemmingsplan “Carnisse” aan de gronden van het plangebied een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' toegekend. Dit betekent, dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan één meter beneden maaiveld en die tevens een oppervlak van meer dan 200 m² beslaan. Dit is door middel van een vergunningstelsel in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' vastgelegd en eveneens opgenomen in dit bestemmingsplan. 4.8
Flora en fauna De Nederlandse natuurbescherming kent twee aspecten, te weten gebieds- en soortbescherming. Gebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); die gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Uit een uitgevoerde quickscan 2 blijkt, dat het plangebied op ruime afstand (meer dan vijf kilometer) van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ligt. Het dichtstbijzijnde gebied dat toebehoort het Natuurnetwerk Nederland is de Nieuwe Maas op ruim 1.600 meter afstand van het plangebied. Het betreft hier een zéér drukke vaarweg. Doordat de ingrepen plaatsvinden in een bestaand woongebied en deze beperkt van aard zijn, zijn effecten op beschermde gebieden op voorhand uitgesloten. Emissie van stikstof kan echter ook op grotere afstand een aandachtspunt zijn.
Natura 2000-gebieden waar sprake is van overbelasting als gevolg van stikstofdepositie betreffen ‘Solleveld en Kapittelduinen’, ‘Westduinpark & Wapendal’ en de ‘Nieuwkoopse Plassen’. Deze gebieden liggen allemaal op meer dan 10 km afstand. Uit een uitgevoerde stikstofberekening 3 blijkt dat het beoogde voornemen zowel in de aanleg- als in de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositie groter dan 0,0 mol/ha/jr. Effecten op Natura 2000-gebieden kunnen dan ook worden uitgesloten.
2 3
Buro Maerlant, Rotterdam Urkersingel; Ecologische quickscan, januari 2021. Gemeente Rotterdam, Nbw Voortoets Natura 2000, bestemmingsplan Urkersingel, januari 2021.
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Toelichting
- 33 -
Soortbescherming Ook het aspect ’soortbescherming’ vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: • strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; • alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Uit de eerder aangehaalde quickscan blijkt dat in het projectgebied de volgende beschermde diersoorten verwacht worden c.q. aanwezig zijn: • vleermuizen; • vogels. Hieronder wordt nader op deze diersoorten ingegaan. In het projectgebied worden vanwege het ontbreken van een geschikte habitat geen andere strikt beschermde soorten verwacht. Effecten zijn door de aard van de ingrepen ook niet aan de orde. Vleermuizen In het projectgebied zijn geen bomen aangetroffen met voor vleermuizen geschikte holten. De aanwezige bebouwing is echter beoordeeld als toegankelijk en geschikt voor vleermuizen. Het pand bevat namelijk open stootvoegen waar vleermuizen gebruik van kunnen maken.
Binnen de context van het plangebied en op basis van het type geschikte openingen, worden in eerste instantie de gewone en de ruige dwergvleermuis verwacht. De bebouwing kan voor deze soorten een functie hebben als zomer-, winter- of paarverblijfplaats. Geschikte elementen die functie kunnen hebben voor een kraamverblijf, zoals een toegankelijke spouwmuur ontbraken. Voor grotere soorten, zoals de laatvlieger, is de bebouwing ongeschikt. Het projectgebied en de directe omgeving kan functioneren als leefgebied, bestaande uit vliegroutes en foerageergebied voor gebouw bewonende vleermuizen. Het gaat hierbij echter niet om essentiële structuren, aangezien in de omgeving alternatieve mogelijkheden van betere kwaliteit aanwezig zijn. Negatieve effecten op de navigeer- en foerageermogelijkheden van vleermuizen zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Vogels De in het plangebied aanwezige bebouwing is niet geschikt als vaste rust-, verblijf- en/of voortplantingsplaats voor gebouwbewonende jaarrond beschermde vogelsoorten. Ook gaat door de beoogde ontwikkeling geen essentieel functioneel leefgebied verloren. De directe omgeving van het plangebied kan wel potentieel geschikt zijn voor algemene vogelsoorten, zoals de houtduif, de merel, winterkoning en de Turkse tortel. Daarnaast kunnen soorten als de heggenmus, de roodborst en de zanglijster worden verwacht.
Het betreffen allemaal uiterst algemene soorten van categorie 5, waarvan nesten niet jaarrond beschermd zijn als voldoende alternatieven aanwezig zijn. In de omgeving is een overmaat aan alternatieven aanwezig, zodat geen sprake is van bijzondere ecologische redenen op basis waarvan sprake is van jaarronde bescherming. Door rekening te houden met de broedperiode, wordt voorkomen dat nesten worden verstoord.
- 34 -
Conclusie Uit de uitgevoerde ecologische quickscan blijkt dat de voorgenomen werkzaamheden kunnen leiden tot een negatief effect op potentieel aanwezige voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (gewone en ruige dwergvleermuis). Daardoor is het noodzakelijk om voorafgaand aan de sloop nader onderzoek naar vleermuizen uit te voeren, zodat het actueel gebruik van de bebouwing vastgesteld kan worden. Indien voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden, dient in het kader van de sloopmelding een ontheffing of vergunning in bezit te zijn. 4.9
Duurzaamheid en energie Duurzaamheid is onder andere zodanig bouwen, renoveren en beheren dat, gedurende de hele kringloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het begrip duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw. Rotterdam heeft een ambitieus klimaatprogramma vastgesteld. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam moet bij het ontwerp van gebouwen rekening worden gehouden met duurzaam bouwen-principes en de energieprestatie-eisen. Rotterdam streeft daarnaast naar een goede balans tussen sociale (people), ecologische (planet) en economische (profit) belangen bij het nemen van beslissingen en het uitvoeren van activiteiten. De gemeente heeft daartoe in september 2019 het Duurzaamheidskompas vastgesteld. Deze geeft richting, zet alle ambities op het gebied van duurzaamheid in Rotterdam op een rij en geeft een overzicht van alle relevante beleidsstukken. Het Duurzaamheidskompas is nadrukkelijk een ‘levend’ document dat regelmatig wordt geactualiseerd met nieuwe speerpunten.
De doelstellingen van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn onder te verdelen in vier ambities; de energietransitie, de transitie naar een circulaire economie en een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving. Algemeen kan worden opgemerkt dat de beoogde woningen worden gebouwd conform het huidige Bouwbesluit. Daardoor dient voldaan te worden aan de hierin opgenomen duurzaamheidseisen. Dit betekent onder andere dat de woningen gasloos worden uitgevoerd; de woningen worden wel aangesloten op de Stadsverwarming en ook worden zonnepanelen aangebracht. Ten opzichte van de oorspronkelijke bebouwing is dan ook sprake van woningen die veel energiezuiniger zijn. Dit leidt er toe dat minder CO2 wordt uitgestoten en sprake is van een betere energie-efficiënte. Voorts zal zoveel als mogelijk voorzien worden in het gebruik van duurzame (bouw)materialen. Het is aan de eindgebruikers van hun woning om deze naar eigen wens zo energiezuinig mogelijk in te richten, bijvoorbeeld door het toepassen van waterbesparende kranen, toepassen van LED-verlichting en/of het vergroenen van gevels. De ontwikkeling van het plangebied zelf kan eveneens gezien worden als een duurzame ontwikkeling. Met deze ruimtelijke onderbouwing wordt immers ingespeeld op een bredere differentiatie van woningen.
Dit draagt tevens bij aan een opwaardering van het wooncomfort en daarmee ook de leefbaarheid in de buurt.
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Toelichting
- 35 -
4.10
Besluit m.e.r. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het Besluit m.e.r. bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is, staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen wordt per activiteit de drempelwaarden beschreven. Uitgaande van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak d.d. 18 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2414) dient bij de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. rekening te worden gehouden met de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. De met dit bestemmingsplan beoogde ontwikkeling betreft een rood voor rood-project, oftewel de nu aanwezige woningen (164 stuks) en de twee bedrijfslocaties worden gesloopt en hier komen 123 woningen voor in de plaats.
De woningen worden gerealiseerd in stedelijk gebied. De gronden in de directe omgeving zijn tevens voor diverse stedelijke functies in gebruik. De te realiseren woningen hebben ten opzichte van de oorspronkelijke bebouwing geen significant effect op de aanwezige verkeersstromen. Daarnaast worden de omliggende wegen nu ook al door andere aanwezige functies gebruikt. Het gebruik van de locatie wijzigt niet ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast is sprake van verdunning: er worden minder woningen teruggebouwd dan nu aanwezig zijn. De milieuimpact van de beoogde ontwikkeling is dan ook vergelijkbaar met de huidige situatie. Daarom is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage.
- 36 -
5.
JURIDISCHE ASPECTEN
5.1
Inleiding Het bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een plankaart (verbeelding) met daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of aanwezige bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. Samen met de regels is dit het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de planregels.
5.2
De opzet van de planregels De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • Inleidende regels; • Bestemmingsregels; • Algemene regels; • Overgangs- en slotregels. Inleidende regels In de inleidende regels staan de algemene bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. De begripsbepalingen (art. 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (art. 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes etc. Bestemmingsregels De bestemmingen beginnen telkens met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de desbetreffende bestemming is toegekend, mogen worden gebruikt. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door een bepaling waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan (bouwregels). Alle regels die op een bepaalde bestemming van toepassing zijn, worden zoveel mogelijk in de bestemmingsregels zelf geregeld. Op deze wijze wordt bij de digitale versie van het plan bij het aanklikken op adres of bestemmingsvlak zo veel mogelijk informatie gegeven zonder dat er verder doorgeklikt behoeft te worden. Dit bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen: Enkelbestemmingen Artikel 3 Tuin Artikel 4 Wonen
Dubbelbestemmingen Artikel 5 Waarde – Archeologie - 2
In het vervolg van deze paragraaf wordt per bestemming een nadere toelichting gegeven. Artikel 3 – Tuin Deze bestemming is van toepassing op alle gronden aan de achterzijde van de woningen. Zoals de naam van de bestemming al aangeeft, zijn de gronden bestemd voor het gebruik als tuin. Ook het gebruik ten behoeve van paden en waterpartijen is toegestaan. Ter plaatse van de specifieke functieaanduiding ‘parkeergarage’, is tevens een al dan niet ondergrondse parkeergarage toegestaan. Behoudens deze parkeergarage en aanbouwen, mag op deze gronden verder niet worden gebouwd, anders dan in de bestemming passende bouwwerken Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Toelichting
- 37 -
(geen gebouwen zijnde). Daarnaast is het toegestaan om uitstekende delen te bouwen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende woonbestemming. Met betrekking tot de bouwhoogte van bouwwerken geldt ter plaatse van de specifieke functieaanduiding ‘parkeergarage’, dat de afgewerkte bovenzijde van die garage wordt aangemerkt als peil. Artikel 4 – Wonen Deze bestemming is gelegd op de gronden waar de toekomstige woningen zijn voorzien. Daarbij geldt dat per bouwvlak niet meer woningen zijn toegestaan dan aangegeven met de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’. Op de verbeelding is tevens per bouwvlak de maximum bouwhoogte aangegeven. Net als in de bestemming Tuin, is ook hier een deel van de bestemming voorzien van de specifieke functieaanduiding ‘parkeergarage’, waar een al dan niet ondergrondse parkeergarage is toegestaan (maximaal 3 meter hoog). De woningen mogen onder voorwaarden mede gebruikt worden voor een aan-huis-verbonden beroep/bedrijf. Artikel 5 Waarde – Archeologie - 2 Het gehele plangebied is voorzien van een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie - 2”. Uitgangspunt voor deze bestemmingen is, dat potentiële aanwezige archeologische waarden beschermd dienen te worden. Bij verstoringen van de bodem dient een archeologisch rapport te worden opgesteld alvorens met de verstorende activiteit begonnen kan worden.
In het concreet komt dit neer op een inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen. Dit geldt zowel voor bouwwerkzaamheden als voor overige werkzaamheden. Aan een te verlenen vergunning kunnen voorwaarden verbonden worden. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemverstorende activiteiten die een terreinoppervlak van meer dan 200 m² beslaan en dieper reiken dan een diepte van één meter beneden maaiveld. Algemene regels Dit hoofdstuk bevat vijf algemene regels. Artikel 6 Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 7 Algemene afwijkingsregels Door middel van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders afwijken van de regels ten aanzien van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw ten behoeve van een architectonisch verantwoorde afronding van de bovenste bouwlaag. De bouwhoogte kan in dat geval met 1,5 meter verhoogd worden.
Tevens is een algemene afwijking van 10% opgenomen van de toegestane afmetingen en maten, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de milieusituatie. Artikel 8 Geluidsgevoelige functies In dit artikel is bepaald dat bij nieuwe situaties in de zin van de Wet geluidhinder, de realisatie van geluidsgevoelige functies, alleen mogelijk is indien voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden van de Wet geluidhinder, dan wel aan het besluit hogere grenswaarden dat aan dit bestemmingsplan is toegevoegd.
- 38 -
Artikel 9 Voorwaardelijke verplichting over parkeren In dit artikel is een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van het parkeren opgenomen. Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto’s én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan een bepaling opgenomen waarin staat dat omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en het gebruik van gronden of bouwwerken op grond van de regels, uitsluitend kan worden verleend als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig het geldende beleid.
Overgangs- en slotregels In artikel 10 is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste artikel is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Toelichting
- 39 -
- 40 -
6.
UITVOERBAARHEID
6.1
Financiële uitvoerbaarheid Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. Omdat de voorgenomen ontwikkeling betrekking heeft op een aangewezen bouwplan en de huidige panden niet allemaal in eigendom zijn van de gemeente, wordt een exploitatieplan opgesteld. In de voorgaande hoofdstukken is het belang van de herontwikkeling van het plangebied op verschillende plaatsen benoemd. Om de herontwikkeling daadwerkelijk te kunnen realiseren, moeten gronden verworven worden. Getracht wordt deze door minnelijke verwerving in eigendom te krijgen. Mocht dit niet haalbaar blijken, dan worden de gronden door onteigening verworven. Basis voor deze onteigening vormt dit bestemmingsplan. Hierbij geldt het uitgangspunt, dat de plangrens van het bestemmingsplan ook de uiteindelijke eigendomsgrens vormt en dat dit – indien noodzakelijk – ook de onteigeningsgrens vormt.
6.2
Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro Op grond van artikel 3.1.1. Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het concept ontwerpbestemmingsplan is dan ook toegezonden aan de volgende partijen: • Provincie Zuid-Holland; • Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; • Ministerie van Defensie; • Rijkswaterstaat; • Metropoolregio Rotterdam Den Haag; • Waterschap Hollandse Delta; • DCMR Milieudienst Rijnmond; • Bureau voor Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR); • Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR); • ProRail; • Luchtverkeersleiding Nederland; • VWS Pipeline Control; • KPN Telecom; • Tennet; • Stedin; • GasUnie. Alleen van de VRR is een formele reactie ontvangen. Zij geven aan dat geen sprake is van relevante externe veiligheidsaspecten en daarmee met het plan ingestemd kan worden. Wel wordt geadviseerd om zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen, zodat de hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. Dit betreft echter geen aspect in het kader van de planuitwerking.
Van de overige overlegpartners is binnen de gevraagde termijn geen reactie ontvangen, op basis waarvan wordt gesteld dat deze partners zich kunnen vinden in dit bestemmingsplan.
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Toelichting
- 41 -
- 42 -
II.
REGELS
- 44 -
INHOUDSOPGAVE PLANREGELS HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS ........................................................................................... 47 Artikel 1 – Begrippen......................................................................................................................... 47 Artikel 2 – Wijze van meten .............................................................................................................. 50 HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS ....................................................................................... 51 Artikel 3 – Tuin .................................................................................................................................. 51 Artikel 4 - Wonen .............................................................................................................................. 52 Artikel 5 – Waarde - Archeologie - 2 ................................................................................................. 53 HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS ............................................................................................ 56 Artikel 6 – Antidubbeltelregel ........................................................................................................... 56 Artikel 7 – Algemene afwijkingsregels ..............................................................................................
56 Artikel 8 – Geluidsgevoelige functies ................................................................................................ 56 Artikel 9 – Voorwaardelijke verplichting over parkeren ................................................................... 56 HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS ............................................................................ 58 Artikel 10 – Overgangsrecht.............................................................................................................. 58 Artikel 11 – Slotregel ......................................................................................................................... 58
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Regels
- 45 -
- 46 -
HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 – Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: Plan het bestemmingsplan “Urkersingel” met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP2174Urkersingelon01 van de gemeente Rotterdam. Bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. Verbeelding de digitale plankaart. Verdere begrippen in alfabetische volgorde: Aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. Aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. Archeologisch deskundige: het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige. Bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak. Bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met een zelfde bestemming. Bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak, zoals aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen.
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Regels
- 47 -
Bouwaanduidingen: alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken. Bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. Bouwgrens: de grens van een bouwvlak. Bouwlaag: het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en een plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, zolder, souterrain, parkeerplint, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als aparte bouwlaag geteld. Bouwverordening: de Bouwverordening Rotterdam, zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage ligging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. Bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. Gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Geluidsgevoelige functies (in de zin van de Wet geluidhinder) Hieronder worden verstaan: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan de genoemde (t.w.
verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken en kinderdagverblijven), alsmede de terreinen die behoren bij de andere gezondheidszorggebouwen, voor zover deze bestemd zijn of worden gebruikt voor de in die gebouwen verleende zorg, alsmede woonwagenstandplaatsen. NB Delen van een onderwijsgebouw die niet zijn bestemd voor geluidsgevoelige onderwijsactiviteiten, maken voor de toepassing van de Wet geluidhinder geen deel uit van een onderwijsgebouw. Hoofdgebouw: een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
- 48 -
(Kleinschalige) voorzieningen voor openbaar nut op het openbaar leidingennet aangesloten voorzieningen op het vlak van gas-, water-, elektriciteitsdistributie, (stads)verwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt hier niet onder begrepen). Maaiveld de bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden. NAP: het Normaal Amsterdams Peil; dit is de referentiehoogte waaraan hoogtemetingen in Nederland worden gerelateerd. Pand de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is. Peil: a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; c. indien in of op het water wordt gebouwd; de bovenzijde van het ponton waarop het bouwwerk zich bevindt. Uitstekende delen aan gebouwen erkers, luifels, balkons, galerijen en dergelijke. Water waterlopen (sloten, singels, vijvers e.d.) ten behoeve van de waterberging, alsmede de aan- en afvoer van oppervlaktewater.
Wet geluidhinder de Wet geluidhinder zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan.
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Regels
- 49 -
Artikel 2 – Wijze van meten 2.1
Meten Bij de toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten: a. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. b. de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels ( en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. c. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. d. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een bouwwerk. Dakoverstekken, luifels, balkons en dergelijke worden hierbij niet meegeteld, mits zij niet verder uitsteken dan 0,5 meter. e. de breedte van een gebouw: van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingsmuur, met dien verstande, dat wanneer de zijgevels verspringen of niet evenwijdig lopen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte.
2.2
Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, dakgoten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 0,5 meter bedraagt.
- 50 -
HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 – Tuin 3.1
Bestemmingsomschrijving De voor “Tuin” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuin met daarbij behorende voorzieningen, vijvers, paden en waterpartijen; b. uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming; c. ter plaatse van de specifieke functieaanduiding ‘parkeergarage’, een al dan niet ondergrondse parkeergarage; d. bijbehorende gebouwen, waaronder aanbouwen, ten behoeve van een woning die krachtens een aangrenzende woonbestemming is toegelaten.
3.2
Bouwregels
3.2.1 Algemeen Op de voor “Tuin” bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens: a. in de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals pergola's, erfafscheidingen, keermuren, gebouwde terrassen, hellingbanen, (brand)trappen, tuinmeubilair, speeltoestellen, vlaggenmasten en vijvers; b. een parkeergarage als bedoeld onder 3.1 c; c. aanbouwen als bedoeld in 3.1 onder d; d. uitstekende delen aan gebouwen; 3.2.2 Bebouwingsnormen Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van een parkeergarage als bedoeld onder 3.1 c mag, indien die (deels) bovengronds wordt gerealiseerd, niet meer dan 3 meter bedragen, waarbij geldt dat het dak van de parkeergarage ter plaatse als peil wordt beschouwd; b. aanbouwen als bedoeld in 3.1 onder d zijn niet toegestaan ter plaatse van de specifieke functieaanduiding ‘parkeergarage’; c. aanbouwen als bedoeld in 3.1 onder d mogen niet dieper zijn dan 3 meter, gemeten vanaf de oorspronkelijke achtergevel van het hoofdgebouw; d. de bouwhoogte van een aanbouw mag niet meer zijn dan het vloerniveau (+ 30 cm) van de eerste verdieping van het hoofdgebouw; e. de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 meter; f. de totale oppervlakte aan vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 30 m² per woning; g.
gebouwde terrassen (dakterrassen worden niet hieronder begrepen) mogen niet hoger zijn dan 0,2 meter boven maaiveld, waarbij geldt dat ter plaatse van het dak van de parkeergarage als bedoeld onder 3.1 c als maaiveld wordt beschouwd; h. uitstekende delen aan gebouwen mogen niet dieper dan 2,5 meter uit de gevel steken en moeten ten minste 2,2 meter boven maaiveld blijven; i. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 meter. Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Regels
- 51 -
Artikel 4 - Wonen 4.1
Bestemmingsomschrijving De op de verbeelding voor “Wonen” aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen; b. ter plaatse van de specifieke functieaanduiding ‘parkeergarage’, een al dan niet ondergrondse parkeergarage; met de daarbij behorende: c. tuinen en erven; d. (inpandige) bergings- en stallingsruimte(n); e. ontsluitingswegen en -paden; f. bijbehorende bouwwerken; g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4.2
Bouwregels
4.2.1 Algemeen Op de voor “Wonen” bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functies. 4.2.2 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen dienen binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak te worden opgericht; b. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding aangegeven met de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’; c. de bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan de hoogte zoals met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte’ op de verbeelding is aangegeven; d. daken dienen plat te zijn afgedekt; e. de bouwhoogte van een parkeergarage als bedoeld onder 4.1 b mag, indien die (deels) bovengronds wordt gerealiseerd, niet meer dan 3 meter bedragen; 4.3
Specifieke gebruiksregels Aan-huis-gebonden beroep/bedrijf Woningen mogen mede worden gebruikt voor de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep/bedrijf, mits: a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft, waarbij het bruto vloeroppervlak van de woning voor ten hoogste 30% mag worden voor een aan huis gebonden beroep of bedrijf; b. de gevel en dakrand van de woning niet worden gebruikt ten behoeve van reclameuitingen; c. er geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op het onderhouden en repareren van motorvoertuigen; d. er geen detailhandel plaatsvindt, tenzij als ondergeschikt onderdeel van het aan huis gebonden beroep of bedrijf.
- 52 -
Artikel 5 – Waarde - Archeologie - 2 5.1
Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde – Archeologie - 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.
5.2
Bouwregels
5.2.1 Rapport archeologisch deskundige In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die een groter oppervlak hebben en tevens dieper reiken dan de oppervlakte- en dieptematen die genoemd zijn in 5.3.1. 5.2.2 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning de volgende regels verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. 5.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.3.1 Verbod In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de in 5.3.2 onder a t/m f genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 1 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m² beslaan. 5.3.2 Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het indrijven van voorwerpen in de bodem; c. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Regels
- 53 -
5.3.3 Uitgezonderde werkzaamheden Het vergunningvereiste geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten. 5.3.4 Vergunning Vergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan burgemeester en wethouders heeft overlegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 5.3.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
- 54 -
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Regels
- 55 -
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS Artikel 6 – Antidubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7 – Algemene afwijkingsregels 7.1
Afwijking toegestane bouwhoogte architectuur Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels ten aanzien van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 0,5 meter, uitsluitend toe te passen ingeval extra bouwhoogte nodig is voor een architectonisch verantwoorde afronding van de bovenste bouwlaag c.q. kap/schuin dakvlak, dan wel ten behoeve van de realisatie van een dakterras.
7.2
Afwijking toegestane afmetingen, maten en percentages Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels van dit bestemmingsplan voor afwijkingen van toegestane afmetingen, maten (waaronder minimale en maximale afstanden) en percentages tot niet meer dan 10% van die afmetingen, maten en percentages, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de milieusituatie.
Artikel 8 – Geluidsgevoelige functies Bij nieuwe situaties in de zin van de Wet geluidhinder, is de realisatie van geluidsgevoelige functies (in de zin van de Wet geluidhinder), alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden van de Wet geluidhinder, dan wel aan het besluit hogere grenswaarden dat aan dit bestemmingsplan is toegevoegd.
Artikel 9 – Voorwaardelijke verplichting over parkeren Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en het gebruik van gronden op grond van de regels in hoofdstuk 2 kan uitsluitend worden verleend als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen, overeenkomstig het in de gemeente Rotterdam geldende beleid ten aanzien van parkeren.
- 56 -
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Regels
- 57 -
HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 10 – Overgangsrecht 10.1 Overgangsrecht bouwwerken 10.1.1 Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 10.1.2 Burgemeester en wethouders kunnen éénmalig afwijken van het bepaalde in 10.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 10.1.3 Het bepaalde in 10.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 10.2 Overgangsrecht gebruik 10.2.1 Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
10.2.2 Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 10.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 10.2.3 Indien het gebruik, bedoeld in 10.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 10.2.4 Het bepaalde in 10.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 11 – Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan “Urkersingel”, gemeente Rotterdam.
- 58 -
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Regels
- 59 -
III.
BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)
IV
VERBEELDING
VERKLARING Plangebied Urkersingel
Enkelbestemmingen T V-VB W
Tuin Verkeer - Verblijfsgebied Wonen
Dubbelbestemmingen WR-A2
Waarde - Archeologie - 2
Functieaanduidingen 17
WR-A2
(pg)
18
parkeergarage
Bouwvlakken
WR-A2
bouwvlak
T
T
Bouwaanduidingen
9
[gs]
(pg)
W
10
gestapeld
Maatvoeringen
12
9
32
maximum aantal wooneenheden
13
maximum bouwhoogte (m)
project:
44
Urkersingel
25
Rotterdam fase:
W V-VB
gemeente:
13
Ontwerpbestemmingsplan
[gs]
opdrachtgever:
gemeente Rotterdam
T 13
W WR-A2 [gs]
32
datum : 4 mei 2021 schaal : 1 : 1.000 NL.IMRO.0599.BP2174Urkersingel-on01 identificatienummer: : ondergrond: : o_NL.IMRO.0599.BP2174Urkersingel-on01
V-VB Postbus 6083 3002 AB Rotterdam email: info@bodg.nl tel: 06-48384580