21bb13258 Bijlage 1 behorende bij 21bb13254 - Ontwerpbestemmingsplan “ Urkersingel ”
Tekst van het document
ONTWERP
BESTEMMINGSPLAN URKERSINGEL
4 mei 2021
ONTWERP
BESTEMMINGSPLAN URKERSINGEL
concept ontwerp ontwerp vaststelling
28 januari 2021 4 mei 2021
direct
pers
creatief
oonli
jk vlot
betrokken atisch
pragm
kundig
held
er
dyna
misc
h
BOdG Ruimtelijk Advies B.V. Postbus 6083 3002 AB Rotterdam www.BOdG.nl
INHOUDSOPGAVE I.
TOELICHTING
II.
REGELS
III.
BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)
IV.
VERBEELDING
I.
TOELICHTING
INHOUDSOPGAVE TOELICHTING 1.
2.
3.
4.
INLEIDING........................................................................................................................... 11 1.1
Aanleiding ............................................................................................................................... 11
1.2
Ligging en begrenzing ............................................................................................................. 11
1.3
Vigerend bestemmingsplan .................................................................................................... 11
1.4
Gekozen planopzet ................................................................................................................. 13
BELEIDSKADER .................................................................................................................... 15 2.1
Nationaal beleid ...................................................................................................................... 15
2.2
Provinciaal beleid .................................................................................................................... 16
2.3
Gemeentelijk beleid ................................................................................................................ 18
BESCHRIJVING VAN HET PLAN ............................................................................................. 21 3.1
Omgeving en huidig gebruik ................................................................................................... 21
3.2
Projectbeschrijving ................................................................................................................. 23
TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN ............................................................................... 25 4.1
Water ...................................................................................................................................... 25
4.2
Milieuzonering ........................................................................................................................ 26
4.3
Geluid ...................................................................................................................................... 27
4.4
Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 30
4.5
Externe veiligheid ................................................................................................................... 31
4.6
Bodem ..................................................................................................................................... 32
4.7
Archeologie ............................................................................................................................. 32
4.8
Flora en fauna ......................................................................................................................... 33
4.9
Duurzaamheid en energie ...................................................................................................... 35
4.10 Besluit m.e.r. ........................................................................................................................... 36 5.
6.
JURIDISCHE ASPECTEN ........................................................................................................ 37 5.1
Inleiding .................................................................................................................................. 37
5.2
De opzet van de planregels..................................................................................................... 37
UITVOERBAARHEID ............................................................................................................. 41 6.1
Financiële uitvoerbaarheid ..................................................................................................... 41
6.2
Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro ............................................................................................ 41
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Toelichting
-9-
- 10 -
1.
INLEIDING
1.1
Aanleiding De omgeving van de Urkersingel is één van de buurten in Rotterdam-Zuid waar naast de aanpak van de sociale problematiek ook de woningvoorraad ingrijpend wordt verbeterd. Dit onder andere met het oog op de doelstellingen van het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid. Door aan de woningvoorraad meer diversiteit toe te kennen, in combinatie met een aantrekkelijke woonomgeving, ontstaat een structurele verbetering van de woonomgeving. Dit bestemmingsplan ziet op de realisatie van 123 nieuwbouwwoningen, bestaande uit 47 eengezinswoningen en 76 appartementen. De bestaande 164 woningen en twee bedrijfspanden worden gesloopt. Het vigerende bestemmingsplan “Carnisse” staat de beoogde ontwikkeling niet toe (zie § 1.3), zodat een herziening daarvan noodzakelijk is. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2
Ligging en begrenzing De Urkersingel bevindt zich aan de oostzijde van de wijk Carnisse, direct ten westen van het Hart van Zuid (Zuidplein). Het plangebied omvat naast het gehele blok tussen de Urkersingel, Bevelandsestraat, Walchersestraat en Carnissesingel, tevens een deel van het direct ten oosten daarvan gelegen bouwblok. Daarnaast behoort ook het blok aan de westzijde van de Urkersingel tot de ontwikkeling.
Afbeelding 1: Ligging van de Urkersingel in zijn omgeving (links) en het plangebied (rechts).
1.3
Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling is momenteel het bestemmingsplan "Carnisse" het geldende juridisch-planologisch kader. Dit plan is door de gemeenteraad van Rotterdam op 17 december 2015 vastgesteld. Ter plaatse van het plangebied (zie afbeelding 2) zijn drie bestemmingen van kracht. De huidige woningen zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen - 3’, waardoor de gronden
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Toelichting
- 11 -
bestemd zijn voor de woonfunctie met de daarbij behorende voorzieningen (bergingen, garageboxen, aanbouwen, bijgebouwen, tuinen en dergelijke). De gronden mogen voor 100% bebouwd worden. De goot- en bouwhoogte is gemaximeerd op 10 respectievelijk 13 meter. De goothoogte is maatgevend voor de bestaande bebouwing, omdat de daken plat afgedekt dienen te worden. Twee panden aan de zijde van de Bevelandsestraat zijn niet bestemd als ‘Wonen - 3’, maar hebben de bestemming ‘Gemengd – 1’. Naast de woonfunctie zijn hier ook de volgende functies passend in de bestemming: dienstverlening, praktijkruimten, maatschappelijke functies en bedrijvigheid tot en met milieucategorie 2. Ook voor deze gronden geldt een bebouwingspercentage van 100%. De bouwhoogte is gemaximeerd op 4 meter. Het pand op de hoek van de Goereesestraat en de Carnissesingel (het meest zuidoostelijke pand binnen het plangebied) is voorzien van een aanduiding dat hier ook een seksinrichting is toegestaan.
Afbeelding 2: Uitsnede verbeelding van het nu geldende bestemmingsplan (plangebied oranje omkaderd).
De onbebouwde gronden tussen de woningen zijn bestemd als ‘Tuin’. Zoals de naam van de bestemming al aangeeft, mogen deze gronden als tuin gebruikt worden. Op deze gronden mag niet gebouwd worden, met uitzondering van in de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hierbij kan gedacht worden aan pergola’s, erfafscheidingen, speeltoestellen, keermuren en dergelijke. Ook uitstekende delen van gebouwen die op grond van een aangrenzende bestemming gebouwd mogen worden, zijn toegestaan. Deze uitstekende delen moeten minimaal 2,5 meter boven maaiveld hangen en mogen maximaal 2,5 meter uit de gevel steken. Op deze gronden mogen ook aan- en bijgebouwen gerealiseerd worden, mits voldaan wordt aan de gestelde hoogte-, afstand- en/of oppervlaktematen. - 12 -
Het gehele plangebied is voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’, waarmee eventuele in de ondergrond aanwezige archeologische relicten worden beschermd. Bouw- en/of graafwerkzaamheden met een oppervlak van meer dan 200 m2 en die dieper reiken dan één meter beneden maaiveld moeten worden getoetst op de noodzaak van onderzoek door Archeologie Rotterdam (BOOR). Doordat het huidige woongebied zo gedetailleerd is bestemd, is het niet mogelijk om het project te realiseren. De te ontwikkelen woningen voldoen niet aan de gestelde bouwregels of liggen (deels) buiten de woonbestemming, waar op grond van de geldende regels geen woningen zijn toegestaan. Het bestemmingsplan “Carnisse” kent verder geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden om het beoogde bouwplan te realiseren. 1.4
Gekozen planopzet Dit bestemmingsplan biedt een globale juridisch-planologische regeling, zodat flexibiliteit bestaat om de geplande ontwikkeling te realiseren. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 2) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 3). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Wat betreft de planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam, met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Toelichting
- 13 -
- 14 -
2.
BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden de belangrijkste beleidsstukken aangehaald die betrekking hebben op Rotterdam en in het bijzonder op die voor dit plan.
2.1
Nationaal beleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SVIR) vastgesteld. Dit document beschrijft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau en is de ‘kapstok’ voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Door vaststelling van de SVIR geldt voor de ruimtelijke ordening in brede zin dat een aanzienlijk deel van de Rijkstaken is gedecentraliseerd. Alleen voor een beperkt aantal onderwerpen wordt de bevoegdheid om algemene regels te stellen ingezet. Het gaat hierbij om nationale belangen. Aangezien een structuurvisie geen bindende werking heeft voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld, zijn deze nationale belangen geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB wordt aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het beleid met betrekking tot verstedelijking heeft het Rijk onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet' overgelaten aan de lagere overheden. Wel is sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de 'SER-ladder'). Deze is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en bestond oorspronkelijk uit drie treden. Per 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn komen te vervallen.
Daarnaast is het begrip ‘actuele regionale behoefte’ vervangen door ‘behoefte’. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling. Nationaal Programma Rotterdam-Zuid (NPRZ) In september 2011 heeft de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tezamen met de gemeente Rotterdam en andere partners (corporaties, kennis-/zorginstellingen en ondernemers) een handtekening gezet onder het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid. Met deze ondertekening geven deze partijen uitwerking aan het advies, dat de commissie Deetman/Mans eerder dat jaar in opdracht van het Rijk opstelde. Deze commissie stelde dat Rotterdam-Zuid een omvangrijke stapeling van sociaaleconomische problemen in het zwakste deel van de woningmarkt in Nederland kent. Om een structurele verbetering te realiseren is een krachtige coalitie van deze partijen nodig. In het NPRZ staat de ambitie beschreven hoe Rotterdam-Zuid er in 2030 uit moet zien. De doelstelling hierbij is dat het gemiddelde van de wijken op Rotterdam-Zuid in 2030 vergelijkbaar wordt met het gemiddelde van de vier grote steden. Dit houdt voor de fysieke pijler onder meer in, dat het de ambitie is om de wijken meer divers te maken: qua woningaanbod, bevolkingssamenstelling, voorzieningen en inkomensniveau.
Door het creëren van aantrekkelijke woonmilieus worden de mensen die het sociaal en economisch beter krijgen (en nu vaak verhuizen) voor Zuid behouden. Hiervoor zijn investeringen nodig in de woningvoorraad en in de randvoorwaarden die de aantrekkelijkheid van het wonen bepalen. Uitgangspunt voor deze aantrekkelijke woonmilieus voor heel Zuid zijn de drie typen woonmilieus die in potentie aanwezig zijn: centrumstedelijk, rustig stedelijk en groenstedelijk
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Toelichting
- 15 -
wonen. Voor Carnisse is het de ambitie om te komen tot een meer rustig stedelijk woonmilieu, waarbij sprake is van een groter verschil tussen levendige en rustige delen. Conclusie Rijksbeleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan is erop gericht om in het kader van het Nationaal Programma RotterdamZuid ontwikkelingen binnen een deel van de Carnisse mogelijk te maken. Gezien dit programma en de urgentie om de sociaal-economische problemen op te lossen, staat de vraag naar deze herontwikkeling niet ter discussie Er wordt voldaan aan de ladder voor duurzame ontwikkeling, omdat de ontwikkelingen plaatsvinden binnen bestaand stedelijk gebied. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling geen strijdigheid vertoont met het nationale beleidskader. 2.2
Provinciaal beleid Het provinciale omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Naast de kaders maken uitvoeringsprogramma's en plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, deel uit van het provinciale omgevingsbeleid. In de uitvoeringsprogramma's en plannen zijn operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd. Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie Zuid-Holland, die per 1 april 2019 in werking is getreden, omvat geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. In deze Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta. • Naar een nieuwe economie: the next level. • Naar een levendige meerkernige metropool. • Energievernieuwing. • Best bereikbare provincie. • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit wordt gewerkt vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid. Per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven.
Omgevingsverordening Zuid-Holland Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Deze is op 1 juli 2020 vastgesteld door Provinciale Staten en per 1 augustus 2020 in werking getreden. Hierin is onder andere de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening heeft betrekking op bestemmingsplannen. Het plangebied is in de Omgevingsverordening Zuid-Holland aangemerkt als bestaand stadsen dorpsgebied. Eén van de speerpunten van het ruimtelijk beleid is om dit gebied beter te benutten. Het beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Tegelijkertijd is het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Hierbij speelt de ladder voor duurzame verstedelijking een belangrijke rol. De provincie ziet graag dat deze ladder op - 16 -
(sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten het bestaand stads- en dorpsgebied. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: • De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meerdere of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulissenlandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder.
• Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied meer bijzonder of kwetsbaar is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten.
Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat, Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerreinen of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Toelichting
- 17 -
Conclusie provinciaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in het bestaand stads- en dorpsgebied. De beoogde woningen passen binnen de woningbouwbehoefte van Rotterdam. Daarnaast maakt de herontwikkeling deel uit van het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid. Gezien dit programma en de urgentie om de sociaal-economische problemen op te lossen, staat de vraag naar deze ontwikkeling niet ter discussie. Omdat voor de herontwikkeling geen nieuw ruimtebeslag wordt geclaimd en het aantal woningen niet toeneemt ten opzichte van de huidige situatie, past de herontwikkeling van het plangebied binnen de ladder voor duurzame verstedelijking en daarmee ook binnen het provinciaal beleid. 2.3
Gemeentelijk beleid Stadsvisie Rotterdam 2030 De Stadsvisie Rotterdam 2030 is vastgesteld op 27 november 2007 door de gemeenteraad van Rotterdam. De stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de periode tot 2030 en heeft als missie te komen tot een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op het gebied van wonen en economie. In de Stadsvisie zijn op basis van effectmeting dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad'; de zogenoemde VIP-gebieden. Deze dertien grote gebiedsontwikkelingen krijgen prioriteit in de nabije toekomst (de komende 10 jaar). Het plangebied maakt onderdeel uit van het VIP-gebied 'Oud Zuid', dat de wijken Feijenoord en Charlois betreft. In deze wijken is een wankel evenwicht tot een aanzet tot gentrification en dreigend verval. Investeringen in deze wijken zijn nodig om ze op niveau te houden / krijgen. Het beleid is hier dan ook gericht op verbetering van de bestaande woningvoorraad. Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020 De in december 2016 vastgestelde Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam.
Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld: • Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: o de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen; o te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en o woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. • Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: o een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad, o ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden, en o energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen. • De basis op orde houden door: o het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; - 18 -
o o o o
betaalbaarheidsproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken; toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt, en woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning.
Met de vaststelling van een addendum op de woonvisie en de intrede van de Gebiedsatlas (augustus 2020) is de visie gebiedsgerichte van aard geworden. Met betrekking tot de wijk Carnisse valt uit de Gebiedsatlas op te maken dat er een zeer grote opgave is om de voorraad in balans te brengen. Die balans wordt niet zozeer in woningtypologie uitgedrukt, als wel in verhouding tussen prijssegmenten. In 2017 kon 97% van de woningen in Carnisse worden gekwalificeerd als sociale voorraad. Stedelijk gemiddeld was dat destijds 67% en de ambitie is om in 2030 op 57% sociaal te komen. Voor Carnisse wordt gestreefd om in 2030 op 84% te zitten. Maar een lager aandeel, meer in de richting van het stedelijk gemiddelde, is wenselijk. Nationaal programma Rotterdam-Zuid (NPRZ) Hoewel het NPRZ reeds is behandeld onder het Rijksbeleid in §2.1, wordt ook hier aandacht besteed aan dit beleid. Het NPRZ is namelijk uitgewerkt in een aantal gemeentelijke beleidsnota’s die van belang zijn. Zo is in 2013 het “Handelingsperspectief wijk Carnisse” opgesteld. In de wijk is sprake van een eenzijdige woningvoorraad, grotendeels in particuliere eigendom. Daarnaast is sprake van een hoge omloopsnelheid, waardoor sociale binding met de wijk ontbreekt. De opgave is dan ook om meer differentiatie aan te brengen in het woningaanbod.
Ook het ambitiedocument “Ruimtelijk perspectief Rotterdam Zuid” (2014) en opgesteld door de partners van het NPRZ, betreft een uitwerking van het programma. Dit document bestaat uit een ruimtelijke visie en een ontwikkelingsstrategie op hoofdlijnen. Het legt de relatie tussen de lange en de korte termijn, waarbij de ambitie is om van Rotterdam-Zuid een stabiele woonomgeving te maken, vergelijkbaar met de rest van de vier grote steden in Nederland. Het document is bedoeld om de gezamenlijke uitvoering kracht bij te zetten. Gebiedsplan Charlois In het gebiedsplan geeft de gebiedscommissie een sterkte- en zwakteanalyse met kansen en bedreigingen voor gebied Charlois. Ook wordt specifiek ingezoomd op Carnisse. Integrale stratenaanpak, investeren in een goed klimaat voor en de talentontwikkeling van kinderen (children's zone), investeren in de woningvoorraad, investeren in ondernemerschap en investeren in de leefomgeving zijn belangrijke aspecten uit het gebiedsplan. Het woningaanbod in Carnisse heeft een eenzijdig van samenstelling, voldoet niet meer aan de eisen van deze tijd en heeft te kampen met achterstallig onderhoud. Daardoor bieden enkele locaties, waaronder de omgeving van de Urkersingel, op korte termijn mogelijkheden om zich te ontwikkelen tot een gebied dat sociale stijgers aan zich weet te binden.
De wens is om te zorgen voor een prettig woonklimaat, zodat mensen in de wijk willen blijven wonen. Eén van de mogelijkheden om deze doelstelling te realiseren, is het investeren in woningvoorraad en woonmilieu. Eén van de hierbij behorende maatregelen is de vernieuwing zoals nu beoogd. Met deze herontwikkeling wordt een flinke stap gezet in de richting van een rustige woonbuurt voor gezinnen.
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Toelichting
- 19 -
Cultuurhistorische verkenning Carnisse Voor de wijk Carnisse is juli 2018 een cultuurhistorische verkenning vastgesteld, waarin de kenmerkende cultuurhistorische waarden voor het gehele stadsdeel zijn beschreven. Deze Cultuurhistorische Verkenning (CV) vormt een belangrijke basis voor de Nota van Uitgangspunten die is opgesteld voor de herontwikkeling binnen het plangebied. In het omgaan met de cultuurhistorische waarde van de wijk wordt daarbij niet alleen gekeken naar de Eilandenbuurt, waarbinnen het plan gelegen is, maar naar heel Carnisse. Zodoende kan een goede en complete afweging worden gemaakt over de incorporatie van de CV op blokniveau. Stedenbouwkundige kenmerken die daarbij als waardevol worden gezien, zijn reeds gebruikt als uitgangspunt in de Volumestudie en zullen ook als eis worden meegenomen in de randvoorwaarden voor de nieuwbouw. Dit zijn kenmerken zoals strokenbouw met overwegend en bijzondere hoekpanden. Conclusie gemeentelijk beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Dit bestemmingsplan is erop gericht om een ontwikkeling mogelijk te maken zoals beschreven in het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid en het Gebiedsplan Charlois. De herontwikkeling van het plangebied leidt er toe, dat de woningvoorraad in deze buurt meer gevarieerd wordt.
De beoogde woningen zijn van dermate grootte (en daarmee prijs), dat zij bijdragen aan de beweging naar een andere balans in de wijk, zoals beschreven in de Woonvisie en de bijbehorende Gebiedsatlas. Bewoners van Carnisse kunnen hierdoor binnen hun eigen wijk een volgende stap in hun wooncarrière maken. Dit is ook één van de belangrijkste doelstellingen van de gemeentelijke beleidskaders ten aanzien van dit deel van RotterdamZuid. Gesteld wordt dat het plan aansluit op de doelstellingen zoals die omschreven zijn in het gemeentelijk beleid.
- 20 -
3.
BESCHRIJVING VAN HET PLAN In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie, het huidige gebruik van de omgeving en de beoogde nieuwe situatie.
3.1
Omgeving en huidig gebruik
3.1.1
De wijk Carnisse De wijk Carnisse maakte in de Late Middeleeuwen deel uit van de Riederwaard, een rondom bedijkt gebied, dat centraal gelegen was op het eiland IJsselmonde. In 1373 gaat de Riederwaard door overstromingen ten onder, waarna het gebied in fasen wordt herbedijkt. Eén van de polders die wordt aangelegd, betreft de Katendrechtse polder (gevormd in 1425). Het noordelijk deel van de huidige wijk ligt in het zuidelijk deel van deze voormalige polder. Het zuidelijk deel van de wijk maakt deel uit van de polder Charlois, die is gevormd tussen 1425 en 1475. In 1899 ging de gemeente akkoord met het plan van een grondexploitant om langs de Katendrechtse Lagedijk arbeiderswoningen te bouwen. Tussen 1900 en 1950 groeide de wijk gestaag. Met de uitbreiding van de havens was immers dringend behoefte aan huisvesting voor de nieuwe arbeiders, die van heinde en verre naar Rotterdam kwamen. De wijk breidde zich in de loop der jaren in zuidelijke richting uit.
Afbeelding 3: Ligging van de wijk Carnisse (oranje omkaderd).
Tegenwoordig is Carnisse een relatief rustige wijk, die verscholen ligt achter de Pleinweg en de Dorpsweg. De wijk wordt omringd door de wijken Oud-Charlois en Tarwewijk, het Zuiderpark en het OV- en winkelknooppunt Zuidplein. In de wijk kunnen verschillende deelgebieden worden onderscheiden. Zo vormt het gelijknamige vooroorlogse dorp het centrale punt van deze stadswijk. Dit deel van de wijk kent de grootste diversiteit: in bebouwing, functies, type woningen en bewoners. De mix aan panden leent zich voor divers gebruik: wonen (in kleine stadswoningen, benedenbovenwoningen en appartementen), werken en voorzieningen. De Katendrechtse Lagedijk en de Wolphaertsbocht in Carnisse en Oud-Charlois zijn levendige straten waar de functiemenging het meest zichtbaar is. Delen van deze straten zijn duidelijk geprogrammeerd als buurtcentra, woonstraat of kennen een gemengde functie van wonen en werken. De Kop van Carnisse, tussen Wolphaertsbocht, Pleinweg en Dorpsweg, wordt
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Toelichting
- 21 -
gekenmerkt door stadse anonimiteit. Levendigheid en dynamiek zijn hier voelbaar. De Eilandenbuurt Noord is een buurt met appartementen en gezinswoningen in straten. De Vogelbuurt Noord kenmerkt zich door een mix aan gebouwen en complexen, divers qua schaal en uitstraling. Wonen wordt hier afgewisseld met kerken en verzorgingshuizen, verder is de functiemix beperkt. De zuidelijke delen van Eilandenbuurt en Vogelbuurt, alsook de Klaverbuurt, liggen nabij het Zuiderpark en verder weg van de stadse gebieden in het noorden van Carnisse. In de Eilandenbuurt vormt het Amelandseplein het groene hart van dit woonmilieu. Aan voorzieningen heeft Carnisse geen gebrek, het merendeel is geconcentreerd aan de oostwestroutes die de door de buurt lopen. De noord-zuidstraten hebben vaak weer groene kwaliteiten en vormen als het ware de uitlopers van het aangrenzende Zuiderpark. De heldere stedenbouwkundige structuur zorgt voor een ruime opzet van de wijk en goede oriëntatiemogelijkheden. De verbindingen richting het Hart van Zuid, het Zuiderpark en naar Oud-Charlois en de Waalhaven in het westen, laten echter nogal te wensen over. 3.1.2
Het plangebied Het plangebied ligt in het oostelijke deel van Carnisse, de Eilandenbuurt. Dit deel van de wijk is gebouwd in de jaren dertig van de vorige eeuw en in de oorlog. Het stratenpatroon volgde niet meer de waaiervorm vanaf het Maastunnelplein, maar werd 45 graden gekanteld. In plaats van gesloten bouwblokken werden de terreinen ingevuld met strokenbouw, naar ontwerp van J.H. van den Broek. De woningbouw uit de plannen van Algemeen Belang en het 1000 woningenplan vormen vroege voorbeelden van strokenbouw in Rotterdam.
Afbeelding 4: Ligging van de Eilandenbuurt en het project daarbinnen.
- 22 -
De typologie van de woningbouw, met stroken, overwegend platte daken, winkels op de hoeken en het Amelandseplein als groen hart zou in de wederopbouwperiode op grote schaal worden toegepast. De woningbouwensembles zijn, ondanks kleine wijzigingen, nog goed herkenbaar gebleven. De Urkersingel is één van de groene wiggen die Carnisse via het Carnisse-eiland met het Zuiderpark verbindt en vormt samen met het groen aan de Lepelaarsingel de groene hoofdstructuur in de wijk. Deze stamt nog uit de herziening van het Plan Witteveen (1938). De groenstructuren zijn waardevol in de wijk, waar nu relatief weinig groen aanwezig is. Het is van belang dat de Singelkarakteristieken in stand wordt gehouden bij eventuele herinrichting. Dit betekent groene aflopende hellingen naar het water, lage beschoeiingen en een groene inrichting (geen verharding met kades, zoals het geval aan de noordzijde van de Lepelaarsingel). 3.2
Projectbeschrijving Voor de ontwikkeling is door de gemeente een Nota van Uitgangspunten opgesteld, die als basis dient voor dit bestemmingsplan. Ook voor de uiteindelijke uitwerking van het bouwplan, waarvan op dit moment nog geen sprake is, vormen deze uitgangspunten de basisvoorwaarden. Onderstaand worden deze beknopt toegelicht. Binnen het project worden in totaal 164 woningen en 2 bedrijven gesloopt. het betreft de bebouwing die in rood staat aangegeven op onderstaande afbeelding.
Afbeelding 5: De rode blokken komen in aanmerking voor sloop.
Met de herontwikkeling worden vervolgens in lijn met het NPRZ verschillende woningtypes toegevoegd waardoor meer woningdifferentiatie ontstaat. In het plangebied wordt daarbij ingezet op de realisatie van 123 nieuwbouwwoningen, bestaande uit 44 eengezinswoningen, 76 appartementen en een drietal bijzondere woningen. Het parkeren van nieuwbouw wordt daarbij zoveel mogelijk opgelost op eigen terrein, in een parkeergarage voor 100 auto’s. Het dak van deze garage zal fungeren als tuin voor de aangrenzende eengezinswoningen. Door zoveel mogelijk parkeren op te lossen onder het dek, kan de Walchersestraat een nieuw profiel
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Toelichting
- 23 -
krijgen. Daar waar nu sprake is van enkele blinde muren, zoals de hoekwoning aan de Urkeren Carnissesingel, zal in de toekomst sprake zijn van hoekwoningen met entrees, waardoor een voorkant ontstaat aan de Carnissesingel. Hiermee vormen de woningen een gezicht aan de Carnissesingel en ontstaat er levendigheid wat leidt tot meer sociale veiligheid.
Afbeelding 6: Beoogde toekomstige situatie met de grondgebonden woningen (licht-oranje) en de appartementen (oranje).
De grondgebonden woningen bestaan maximaal uit drie lagen met een plat dak. Aan de achterzijde (gericht op het parkeerdek) krijgen de woningen hun tuin. De voorgevels aan de Urkersingel hebben een directe relatie met de singel. De appartementen op de begane grond worden direct op de straat ontsloten. De hoofdentree van de bovengelegen appartementen bevinden zich aan de Carnissesingel. De gebouwen ten behoeve van deze appartementen zullen maximaal 4 tot 8 lagen tellen. Alle appartementen en grondgebonden woningen hebben een indicatieve grootte (gebruiksvloeroppervlak) van respectievelijk 80 m2 tot 150 m2. Er zijn geen andere functies voorzien dan de woonfunctie.
- 24 -
4.
TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten behandeld die binnen de ruimtelijke ordening, en daarmee dus ook voor dit bestemmingsplan, van belang zijn. Veel aandacht gaat daarbij uit naar de milieuaspecten, aangezien de beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe zijn gegroeid. Het milieubeleid stelt randvoorwaarden aan ruimtelijke ontwikkelingen en is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren.
4.1
Water De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerders actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Het plangebied is gelegen in het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat deze voldoen aan het waterbeleid. Dit is vastgelegd in diverse beleidsdocumenten van Europees (Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) tot gemeentelijk niveau (Waterplan 2). Ook het waterschap heeft zijn eigen beleid. Dit is vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016-2021. Dit programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling.
Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen. Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming. Het plangebied is binnendijks gelegen en maakt onderdeel uit van het peilgebied 50-1. Hier wordt een oppervlaktewaterpeil van 2,4 meter beneden NAP gehanteerd. In de wijk Carnisse zijn echter nauwelijks oppervlaktewaterlichamen aanwezig. Alleen langs de wegen Lepelaarsingel, Carnissesingel en Urkersingel ligt een (hoofd)watergang. Hoewel het plangebied zich in de directe nabijheid van laatstgenoemde singel bevindt, maakt deze hoofdwatergang geen onderdeel van het plangebied uit. Dit bestemmingsplan is erop gericht om in het plangebied 123 woningen te realiseren. De bestaande bebouwing wordt hiervoor gesloopt. In totaal verdwijnen 164 woningen en 2 bedrijven en daarmee zo’n 4.660 m2 aan bestaande bebouwing. Tevens komt 3.270 m2 aan bijbehorende tuinen te verdwijnen. In de toekomstige situatie is sprake van 6.764 m2 aan bebouwing; zo’n 2.070 m2 hiervan betreft het dakvlak van een parkeergarage. Dit dakvlak wordt als tuin behorende bij de omliggende woningen ingericht.
Ook rondom de woningen die niet aan de parkeergarage grenzen is sprake van een tuinoppervlak. Dit bedraagt zo’n 1.194 m2 Ervan uitgaande dat het dakoppervlak van de parkeergarage als tuin meegeteld mag worden, is sprake van de volgende oppervlakken:
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Toelichting
- 25 -
Huidige situatie Toekomstige situatie
m2 bebouwing 4.674 4.680
m2 tuin (m2 verharding 75%) 3.270 (2.453 m2) 3.264 (2.448 m2)
Uit bovenstaande tabel blijkt, dat het aandeel verhard oppervlak in de toekomstige situatie nagenoeg gelijk blijft ten opzichte van de huidige situatie. De herontwikkeling leidt dan ook niet tot een toename van het verhard oppervlak, groter dan 500 m2. Op grond van het beleid van het waterschap is daardoor geen sprake van een verplichte watercompensatie. Het plangebied ligt niet in een waterkering, noch binnen de bij een kering behorende beschermingszone. De dichtstbijzijnde waterkering ligt ter hoogte van de Brielselaan, op zo’n 900 meter ten noorden van het plangebied. Het betreft hier een primaire waterkering die deel uitmaakt van dijkring 17. Deze waterkering heeft een beschermingsniveau van 1 op de 4.000 per jaar. Het plangebied valt binnen rioleringsdistrict Carnisse; het rioolwater in dit district wordt vanuit hoofdgemaal Amelandseplein via district Charlois naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie Dokhaven gepompt. Het betreft hier een gemengd rioolstelsel, wat inhoudt dat het zowel regenwater als afvalwater afvoert. In het plangebied liggen geen overstorten. Het beoogde bouwplan wordt uitgerust met een aansluiting voor een gescheiden stelsel, maar wordt aangesloten op het huidige gemengde stelsel. Daar waar mogelijk wordt het hemelwater afgekoppeld, zodat het ter plaatse kan infiltreren.
Om diffuse verontreinigingen van water en bodem te voorkomen, is het voor de nieuwe bebouwing van belang om duurzame, nietuitloogbare bouwmaterialen toe te passen. Zink, lood, koper en PAK´s-houdende materialen mogen uitsluitend worden toegepast als deze worden voorzien van een coating. Overleg met de waterbeheerder(s) De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets. In dit kader worden de waterbeheerders betrokken bij het wettelijk vooroverleg in het kader van dit bestemmingsplan. 4.2
Milieuzonering De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in haar uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” een handreiking geboden voor het toepassen van milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. De milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (bijv. bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies (bijv. woningen) krijgen en dat milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Uit het geldende bestemmingsplan "Carnisse" en de direct ten zuiden van het plangebied gelegen bestemmingsplannen “Hart van Zuid” en “Zuiderpark” blijkt, dat in de omgeving van het plangebied hinder veroorzakende functies aanwezig (mogen) zijn. Het betreffen hier maatschappelijke voorzieningen en de activiteiten binnen de bestemmingen ‘Gemengd - 1’, ‘Gemengd - 6’, ‘Maatschappelijk’ en ‘Maatschappelijk - 2’. Hierbij gaat het om dienstverlening, bedrijven tot en met categorie 2, maatschappelijke voorzieningen en/of kantoren. In alle gevallen betreffen het activiteiten die op grond van de VNG-uitgave worden aangemerkt als ten hoogste milieucategorie 2. Hierdoor is sprake van een hindercontour van 30 meter.
- 26 -
Rotterdam heeft de VNG-uitgave vertaald naar de Rotterdamse situatie, waarbij uiteindelijk vijf gebiedstypen worden onderscheiden. Uit het geldende bestemmingsplan “Carnisse” blijkt, dat de omgeving van het plangebied wordt aangemerkt als ‘gemengd woongebied’. Dit betekent, dat de van toepassing zijnde hindercontouren met één afstandsstap verkleind mogen worden. Voor categorie 2-inrichtingen geldt daardoor een maximale hindercontour van 10 meter en voor categorie 1-inrichtingen bedraagt dit 0 meter. Voor alle toegestane functies geldt, dat aan de hinderafstand voldaan kan worden. Daarnaast worden dergelijke inrichtingen op grond van het geldende bestemmingsplan toelaatbaar geacht in een woonomgeving. Zo zijn op grond van de geldende bestemmingen deze functies direct naast en/of onder woningen toegestaan. Op grond van zowel de VNG-uitgave als de Rotterdamse systematiek wordt gesteld, dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Daarnaast worden de vergunde rechten van de aanwezige bedrijven niet ingeperkt. De beoogde woningen zijn daarnaast niet gelegen binnen een geurcontour van de geurhinder veroorzakende bedrijven aan de Maashaven, zoals Quaker Oats. Het thema 'milieuzonering' leidt niet tot belemmeringen voor de herontwikkeling van het plangebied. 4.3
Geluid Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wet onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. Dit bestemmingsplan maakt de bouw van nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk, namelijk 123 woningen. Deze zijn gelegen binnen de toetsingszone van enkele zoneplichtige wegen, alsook binnen de geluidzone van twee gezoneerde industrieterreinen. Vandaar dat een akoestisch onderzoek 1 is uitgevoerd. De rekenresultaten worden hieronder uiteengezet. Wegverkeerslawaai De voorziene woningen bevinden zich binnen de toetsingszone van de volgende zoneplichtige wegen: Zuiderparkweg en Pleinweg. Uit de rekenresultaten blijkt, dat de berekende geluidsbelasting op de gevels van de nieuw te realiseren woningen voor beide wegen minder dan 48 dB (inclusief reductie) bedraagt. De voorkeursgrenswaarde wordt niet overschreden, waardoor het niet noodzakelijk is om een ontheffing van de Wet geluidhinder te verlenen.
De wegen in de directe omgeving van het plangebied behoren tot een 30 km/h-zone. Deze wegen vallen dan ook buiten het aandachtsgebied van de Wet geluidhinder. Wel is in het kader van een goede ruimtelijke ordening berekend wat de geluidsbelasting van de volgende 30 km/h-wegen is: Carnissesingel, Urkersingel, Walcherenstraat, Goereesestraat en Bevelandstraat. Uit de rekenresultaten blijkt, dat de richtwaarde van 48 dB in navolging van de Wgh bij enkele gevels wordt overschreden. De overschrijding vindt plaats bij alle voorgevelzijden van de woningen langs de Urkersingel en de Walcherenstraat en bedraagt 1 tot 5 dB. Bij de noordelijke zijgevels van de bouwvlakken voor 17 en 18 woningen vindt een overschrijding plaats van 1 tot 3 dB. Tevens wordt de richtwaarde overschreden bij de 1 Kraaij Akoestisch Adviesbureau, Akoestisch onderzoek Plan Urkersingel te Rotterdam, maart 2021,
documentnummer BP.2041.R01.
Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Toelichting
- 27 -
westelijke buitengevelzijde van beide appartementengebouwen (alleen bouwlaag één t/m vier); deze overschrijding bedraagt 2 tot 4 dB. Tenslotte wordt ook de richtwaarde met 1 tot 3 dB overschreden bij de oostelijke gevelzijde van het westelijke appartementengebouw (44 wooneenheden). Uit de rekenresultaten blijkt, dat uitsluitend de blootstelling aan geluid van de Urkersingel en de Walcherenstraat relevant zijn voor de planlocatie. De blootstelling aan geluid van de overige 30 km/u wegen is niet relevant voor de herontwikkeling. De berekende geluidsbelastingen van de niet gezoneerde wegen ligt beneden de maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder. Daarnaast is sprake van een afname van het aantal wooneenheden en daarmee ook van het aantal geluidgehinderden. Tevens zijn de toekomstige woningen ten opzichte van de huidige panden beter geïsoleerd, waardoor sprake is van een beter akoestisch binnenklimaat. Gesteld wordt dat het akoestisch klimaat als acceptabel kan worden beschouwd. Spoorweglawaai Aan de zuidoostzijde van het plangebied bevinden zich de metrolijnen D en E. Op grond van artikel 106 van de Wet geluidhinder zijn deze spoorlijnen opgenomen in de ‘Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder’, waarbij sprake is van een zonebreedte van 100 meter.
Het plangebied bevindt zich op minimaal 165 meter van de spoorlijnen, waardoor een toetsing aan de normen uit de Wet geluidhinder niet noodzakelijk is. Desondanks is in het kader van een goede ruimtelijke ordening de geluidsbelasting vanwege deze spoorlijnen inzichtelijk gemaakt. Vanuit dat oogpunt worden de in de Wet geluidhinder opgenomen voorkeursgrenswaarde van 55 dB en de maximale ontheffingswaarde van 68 dB als referentiekader aangehouden. De voorkeursgrenswaarde geldt hierbij als richtwaarde en de maximale ontheffingswaarde als maximaal aanvaardbare waarde. Uit de rekenresultaten blijkt, dat de berekende geluidsbelasting maximaal 56 dB bedraagt, waardoor sprake is van een overschrijding van de richtwaarde met 1 dB. De geluidsbelasting blijft echter ruim onder de maximaal aanvaardbare waarde. De optredende geluidsbelasting wordt dan ook aanvaardbaar geacht. Industrielawaai Het plangebied ligt binnen de 50 dB(A)-contour van zowel het gezoneerde industrieterrein Waal-/Eemhaven, als van het gezoneerde industrieterrein Maas-/Rijnhaven. Toetsing aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder is dan ook noodzakelijk. In het eerder aangehaalde akoestisch onderzoek wordt dan ook aan het aspect 'industrielawaai' aandacht geschonken. Maas-/Rijnhaven De berekende geluidsbelasting ten gevolge van het gezoneerde industrieterrein Maas/Rijnhaven bedraagt maximaal 41 dB(A).
De voorkeursgrenswaarde wordt hierbij niet overschreden. Waal-/Eemhaven In december 2010 is door diverse partijen, waaronder de gemeente Rotterdam, het ‘Convenant geluidruimte Waal-/Eemhaven’ ondertekend. In dit convenant zijn afspraken vastgelegd over de geluidsruimte en –verdeling bij vergunningverlening op basis van de Wabo en de geluidseffecten hiervan op de ruimtelijke ordening in de omgeving. In dit convenant wordt onderscheid gemaakt tussen het communicatiegebied (gebied binnen de 55 dB(A)contour) en het ‘gebied voor standaard onderzoek’ (gebied dat gelegen is buiten de 55 dB(A)contour). Indien een nieuwe geluidsgevoelige ontwikkeling is gelegen in eerstgenoemd gebied, dient een open planproces te worden gevolgd, zoals bijvoorbeeld de Stad- en - 28 -
milieubenadering (afspraak 14). Daarnaast dient in een zo'n vroeg mogelijk stadium van de planvorming overleg plaats te vinden met Deltalinqs en het Havenbedrijf Rotterdam (afspraak 13). Omdat het plangebied buiten de 55 dB(A)-contour ligt en daarmee niet in het communicatiegebied, zijn deze afspraken niet aan de orde. Op basis van het convenant is een handreiking vastgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze de geluidsbelasting berekend moet worden. Uit deze handreiking blijkt, dat de beoogde woningen binnen de 48 dB(A) en 49 dB(A)-contour liggen; het beoogde appartementencomplex wordt door de 49 dB(A)-contour doorsneden. De geluidsbelasting is derhalve gelijk aan de ‘bovenliggende’ contour en bedraagt voor de beoogde woningen dus 49 dB(A) en voor het appartementencomplex 50 dB(A). Daarnaast dient een correctie toegepast te worden, waarbij de hoogte van de correctie afhankelijk is van de bouwhoogte.
Voor de woningen en appartementen binnen het plangebied betekent dit: • bij de woningen ter plaatse van het maatvoeringsvlak ‘maximum bouwhoogte 9 meter’ sprake is van een geluidsbelasting van 49 dB(A); • bij de woningen ter plaatse van het maatvoeringsvlak ‘maximum bouwhoogte 13 meter’ een correctie toegepast moet worden van + 1 dB(A) bij de vierde bouwlaag, waardoor bij deze woningen sprake is van een maximale geluidsbelasting van 50 dB(A); • bij de appartementen op de eerste tot en met de derde bouwlaag geen correctie hoeft te worden toegepast, waardoor bij deze appartementen sprake is van een maximale geluidsbelasting van 50 dB(A); • bij de appartementen op de vierde bouwlaag van beide appartementengebouwen, ter plaatse van het maatvoeringsvlak ‘maximum bouwhoogte 13 meter’ een correctie toegepast moet worden van + 1 dB(A), waardoor sprake is van een maximale geluidsbelasting van 51 dB(A); • bij de appartementen op de vijfde bouwlaag (alleen het westelijk gebouw), ter plaatse van het maatvoeringsvlak ‘maximum bouwhoogte 25 meter’ een correctie toegepast moet worden van + 2 dB(A), waardoor bij deze appartementen sprake is van een maximale geluidsbelasting van 52 dB(A); • bij de appartementen op de zesde tot en met de achtste bouwlaag (alleen het westelijk gebouw), ter plaatse van het maatvoeringsvlak ‘maximum bouwhoogte 25 meter’ een correctie toegepast moet worden van + 3
dB(A), waardoor bij deze appartementen sprake is van een maximale geluidsbelasting van 53 dB(A). Aangezien de voorkeursgrenswaarde voor industrielawaai in de Wet geluidhinder is vastgesteld op 50 dB(A), is alleen bij de appartementen gelegen op de vierde tot en met de achtste bouwlaag sprake van een overschrijding. De maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) wordt niet overschreden. Overige geluidsbronnen Het plangebied ligt niet binnen een toetsingszone van de geluidscontouren van Rotterdam The Hague Airport. Vandaar dat een nadere beschouwing van deze geluidsbron niet aan de orde is. Conclusie Uit bovenstaande beschouwing blijkt, dat alleen de geluidsbelasting vanwege het gezoneerde industrieterrein “Waal-/Eemhaven” de voorkeursgrenswaarde overschrijdt. Dit geldt alleen voor de beoogde appartementen op de vierde tot en met de achtste bouwlaag. Het treffen van geluidsreducerende maatregelen is vanuit financieel, stedenbouwkundig en/of akoestisch oogpunt niet redelijk, wenselijk dan wel onvoldoende effectief. Vandaar dat een ontheffing Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Toelichting
- 29 -
van de Wet geluidhinder noodzakelijk is. Het gemeentelijk ontheffingsbeleid schrijft hierbij voor dat sprake moet zijn van minimaal één geluidluwe gevel en dat sprake is van een geluidluwe buitenruimte. Er is sprake van een geluidluwe gevel en buitenruimte indien de geluidsbelasting van spoorverkeer niet hoger is dan 55 dB en vanwege industrie 50 dB(A). Bij wegverkeer moet uitgegaan worden van de gecumuleerde geluidsbelasting van alle gezoneerde wegen. Deze mag niet hoger zijn dan 53 dB na aftrek conform artikel 110g uit de Wgh. Het geluid van het industrieterrein Waal- en Eemhaven is hierbij het meest kritisch, omdat alleen vanwege dit industrieterrein de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Uit de rekenresultaten van het wegverkeerslawaai blijkt dat de geluidsbelasting van 53 dB na aftrek niet zal worden overschreden (30 km/u wegen zijn immers maatgevend) en vanwege de metrolijnen wordt bij slechts één gevelzijde op de achtste bouwlaag de richtwaarde van 55 dB overschreden. Het geluid van het industrieterrein Maas- en Rijnhaven is al helemaal niet van invloed op de planlocatie.
Naar aanleiding van de maximale geluidsbelasting vanwege het gezoneerde industrieterrein Waal- en Eemhaven kan worden gesteld dat: • bij alle woningen binnen het plan de waarde van 50 dB(A) niet wordt overschreden, dus daarbij is overal zondermeer sprake van de aanwezigheid van minimaal één geluidluwe gevel en buitenruimte. • Bij de appartementen die op de eerste, tweede of derde bouwlaag zijn gelegen wordt de waarde van 50 dB(A ook nergens overschreden, waarmee aldaar ook zondermeer sprake is van de aanwezigheid van minimaal één geluidluwe gevel en buitenruimte. • bij de appartementen op de vierde tot en met de achtste bouwlaag de 50 dB(A) weliswaar wordt overschreden, maar omdat het geluid van de Waal- en Eemhaven vanaf de westzijde komt, zullen door de afscherming van de gebouwen in ieder geval de oostelijke gevelzijden van beide gebouwen geluidluw zijn. Bij de indeling van deze appartementen zal er dus rekening mee gehouden moeten worden, dat elk appartement ook grenst aan genoemde geluidluwe oostgevelzijde. Indien dit niet het geval is, dient gebruik te worden gemaakt van bijvoorbeeld loggia’s. Het aspect ‘geluid’ staat realisatie van de beoogde woningen niet in de weg. 4.4
Luchtkwaliteit Voor een aantal stoffen in de lucht gelden wettelijke grenswaarden, welke zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (de zogenaamde Wet luchtkwaliteit). De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. De luchtkwaliteit dient in zijn algemeenheid, met uitzondering van de werkplek, bepaald te worden. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De gemeente toetst daartoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen expliciet aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit. Is de verwachting dat de ontwikkeling zal leiden tot overschrijding van de normen, dan wordt naar een zodanig (technisch en/of planologisch) alternatief gezocht dat wordt voldaan aan de normen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de grens van 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof en stikstofdioxide niet wordt overschreden. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële - 30 -
regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Een woningbouwproject wordt in de Regeling NIBM als niet in betekenende mate aangemerkt, indien het maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg betreft. In het plangebied zijn maximaal 123 woningen voorzien. De voorgenomen ontwikkeling wordt dan ook als niet in betekenende mate beschouwd. Omdat de geplande woningen op gepaste afstand zijn gelegen van wegen met hoge verkeersintensiteiten, liggen de PM10 en NO2-contouren van deze wegen niet over het projectgebied. Hiermee voldoet het plan aan de Wet luchtkwaliteit en het Rotterdamse luchtkwaliteitsbeleid. Uit de monitoringstool van het NSL blijkt, dat de huidige NO2-concentratie (jaar 2020) ter hoogte het dichtstbijzijnde rekenpunten aan de Carnissesingel lager is dan 35 μg/m3. Dit geldt ook voor de PM10-concentratie. Gesteld wordt, dat ter plaatse van het beoogde bouwplan sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. 4.5
Externe veiligheid Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo’n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 1% letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen geen grenswaarde maar een oriënterende waarde. Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Een afwijking moet in een openbare en goed inzichtelijke belangenafweging door het bevoegd gezag worden gemotiveerd.
In de directe omgeving van het bestemmingsplangebied is een aantal risicobronnen gelegen, zoals het transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas en de spoorlijn Rotterdam – Dordrecht. Deze transportroutes zijn echter op een zodanige afstand van het plangebied gelegen, dat zij geen belemmering vormen voor de voorgenomen herontwikkeling. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk, aangezien dit risico niet significant beïnvloed wordt. Doordat het aantal woningen binnen het plangebied afneemt, treedt naar alle waarschijnlijkheid ook een verlaging van de persoonsdichtheid op. Deze afname is, gezien het personenaantal in de omgeving van enkele duizenden, voor de te berekenen risico’s nauwelijks te onderscheiden. In (de directe omgeving van) het plangebied bevinden zich ook enkele risicovolle inrichtingen. Het gaat hierbij met name om tankstations, alwaar geen LPG doorgezet wordt. Deze zijn alle op een dusdanige afstand van het plangebied gelegen, dat deze geen belemmering vormen. Op een afstand van circa 1.000 meter ten noorden van het plangebied is daarnaast een meelfabriek gesitueerd. Hier is kans op een stofexplosie, echter vormt deze fabriek geen veiligheidsrisico. Dit geldt ook voor het zwembad aan de Gooilandsingel. Deze inrichting Ontwerpbestemmingsplan Urkersingel – Toelichting
- 31 -
beschikt over twee chloorbleekloogtanks met elk een inhoud van 1.500 liter. De bijbehorende risicocontouren strekken zich niet uit over de inrichtingsgrens. Het invloedsgebied groepsrisico reikt evenmin tot aan het plangebied. Gesteld wordt, dat de in de omgeving aanwezige stationaire bronnen geen belemmering vormen. Conclusie Op grond van bovenstaande beschouwing wordt geconcludeerd, dat geen van de in de omgeving aanwezige risicobronnen leidt tot belemmeringen op de voorgenomen ontwikkeling. 4.6