21bb1149 Bijlage 1 behorende bij 21bb3102 - Ceintuurbaan 133 bestemmingsplan
Tekst van het document
Vervoer van gevaarlijke stoffen A20 Spoorlijn Rotterdam CS ‐ Gouda Om te onderzoeken of aan de voor het aspect externe veiligheid geldende wetgeving kan worden voldaan is door Rho Adviseurs onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Daaruit blijkt het volgende: Het plangebied niet ligt in de PR 10‐6 contour of plasbrandaandachtsgebied (PAG) van een risicobron. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van het groepsrisico van Houtopslag Alblas B.V. maar enkel in de effectafstand gewond (bij een ramp raken zelfredzame personen binnen deze afstand bij een worst case scenario alleen gewond). Dit heeft verder geen planologische consequenties en vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plangebied ligt in het invloedsgebied van de A20 en spoorlijn Rotterdam – Gouda. Uit de kwantitatieve berekeningen van het groepsrisico blijkt dat het groepsrisico van de A20 en spoorlijn Rotterdam – Gouda onder de oriëntatiewaarde ligt en met minder dan 10% toeneemt. Door de beperkte toename van het groepsrisico kan, op basis van het Bevt, volstaan worden met een beknopte verantwoording van het groepsrisico. Beknopte verantwoording groepsrisico In het kader van het wettelijk vooroverleg is voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd aan de veiligheidsregio. Dit advies is hierna verwerkt.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
36
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Tevens speelt een snelle alarmering ten allen tijde een belangrijke rol. Het plangebied wordt ontsloten via de Elektroweg en de Prins Frederik Hendrikstraat. Deze wegen sluiten aan op het regionale wegennetwerk. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan bijvoorbeeld via meerdere aanvalswegen een mogelijke brand worden geblust. Daarnaast kan via de Elektroweg van de bronnen af worden gevlucht. Zelfredzaamheid De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een wooncomplex. De aanwezige personen zijn over het algemeen zelfredzaam. Aanwezige kinderen en ouderen worden beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden.
Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid door middel van de campagne 'Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand'. Schuilen dient bij voorkeur plaats te vinden in dat deel van het gebouw dat zo ver mogelijk van het incident af is gelegen. Op de website 'www.rijnmondveilig.nl' staat meer informatie over wat te doen in geval van een incident. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A20 en Spoorlijn Rotterdam CS – Gouda. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling zal het groepsrisico van de risicobronnen niet relevant toenemen. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Zorggedragen zal worden voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen.
Verder zijn in of nabij het plangebied geen risicovolle bronnen aanwezig die een belemmering vormen.
4.7
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
37
Onderzoek Door RSK is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Uit het onderzoek blijkt dat de bodem vanaf een diepte van 0,5 à 1,2 m‐mv sterk puinhoudend is. Het analytisch onderzoek heeft in de zintuiglijk schone bovengrond geen verontreinigingen aangetoond. In de puinhoudende grond zijn sterke verontreinigingen met koper en zink, een matige verontreiniging met nikkel en lichte verontreinigingen met overige zware metalen, PAK, PCB en minerale olie aangetoond. In het grondwater zijn analytisch licht verhoogde concentratie molybdeen en xylenen aangetoond. Mede op basis van eerder uitgevoerde onderzoeken kan worden geconcludeerd dat er op de onderzoekslocatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Ook is de puinhoudende ondergrond asbestverdacht. Geadviseerd wordt om aan de hand van de voorgenomen bouwplannen vast te stellen welke bodemsanerende maatregelen er noodzakelijk zijn bij de herontwikkeling van de locatie. De vraag daarbij is ook in hoeverre nader onderzoek naar asbest in de puinhoudende ondergrond noodzakelijk is bij de voorgenomen herontwikkeling/bodemsanering. Belangrijk gegeven daarbij is of er graafwerkzaamheden in de puinhoudende grond voorzien zijn. Conclusie Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek zijn sanerende maatregelen noodzakelijk.
De bodemsanerende maatregelen dienen middels een saneringsplan of BUS‐melding bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Hiervoor zijn financiële middelen beschikbaar. Gesteld wordt dat het aspect 'bodem' de realisatie van het bouwplan dan ook niet in de weg staat.
4.8
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Toetsingskader Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het Rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam heeft een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het Rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Door de ondertekening van het Verdrag van Malta (Valletta, 1992) heeft Nederland zich verplicht tot het beschermen van het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden.
De Erfgoedwet (opvolger van de Wet op de archeologische monumentenzorg) is het eindresultaat van de implementatie van het Europese Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed in de Nederlandse wetgeving. De wet bevat 3 belangrijke uitgangspunten: het streven naar behoud ter plaatse van archeologische waarden; het tijdig betrekken van de archeologische waarden in de ruimtelijke ordening door het opnemen van harde juridische eisen in bestemmingsplannen;
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
38
de verstoorder betaalt voor het onderzoek en de documentatie van archeologische waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Onderzoek De gemeente Rotterdam heeft een archeologische waarden‐ en beleidsadvieskaart opgesteld. Deze kan als leidraad worden gebruikt voor de bescherming van archeologische waarden in het bestemmingsplan, en om vast te stellen welk archeologisch onderzoek nodig is bij voorbereiding van ruimtelijke plannen. Op de beleidsadvieskaart wordt onderscheid gemaakt in een aantal gebieden met verschillende verwachtingswaarden. Conform het vigerende bestemmingsplan is sprake van een archeologische verwachtingswaarde. Dat betekent dat ontwikkelingen die een oppervlakte beslaan van meer dan 200 m² en tevens dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld onderzoeksplichtig zijn. De ontwikkeling is zoals gebruikelijk eerst voorgelegd aan het Bureau Oudheidkundig Onderzoek van Gemeentewerken Rotterdam (BOOR). Het BOOR concludeert in een brief van 4 oktober 2018 (zie bijlage 4) dat de marges van de toegestane verstoring worden overschreden. De voorgenomen bouwwerkzaamheden vormen daarom een bedreiging voor eventuele aanwezige archeologische waarden in de bodem. Om deze reden is door Econsultancy een inventariserend archeologisch veldonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 5). Het onderzoek heeft, door de aanwezigheid van een puinhoudend ophoogpakket, niet kunnen bepalen of de verwachte potentiële archeologische niveaus aanwezig zijn.
Het onderzoek heeft wel kunnen aantonen dat het bovenste potentiële niveau, de top van het Hollandveen, beneden 1,8 m‐mv/ ‐4,8 m NAP ligt. De geplande graafwerkzaamheden worden niet dieper dan 2 m‐mv uitgevoerd en de potentiële archeologische niveaus worden alleen door heiwerkzaamheden geroerd. Om de archeologische verwachting alsnog te toetsen zou een extra onderzoeksinspanning moeten worden geleverd in de vorm van mechanisch booronderzoek. Deze extra onderzoeksinspanning staat volgens Econsultancy niet in verhouding tot de middelhoge archeologische verwachtingswaarde en de geringe mate van verstoring van het archeologisch niveau. Conclusie Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Geadviseerd wordt het plangebied vrij te geven voor graafwerkzaamheden tot ‐4,2 m NAP en voor heiwerkzaamheden. Indien er in de toekomst graafwerkzaamheden dieper dan dit niveau worden uitgevoerd, is aanvullend archeologisch onderzoek (in de vorm van mechanisch booronderzoek) noodzakelijk. Hiermee staat het aspect 'archeologie' de ontwikkeling niet in de weg. Cultuurhistorie Toetsingskader In de Erfgoedagenda Rotterdam zijn voor de jaren 2017‐2020 de belangrijkste pijlers opgenomen van het cultuurhistorisch beleid van de gemeente Rotterdam.
Deze pijlers betreffen: bescherming en instandhouding gebouwd erfgoed; geschiedenis in beeld (kennisontwikkeling gebouwd erfgoed); het vertelde verhaal (kennisoverdracht gebouwd erfgoed). In het kader van het bestemmingsplan Kleiwegkwartier is in 2018 een Cultuurhistorische verkenning opgesteld. Deze verkenning geeft een gedetailleerd beeld van de ontwikkeling van het Kleiwegkwartier en de daarin aanwezige en te beschermen cultuurhistorische waarden, zoals structuren, ensembles en
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
39
gebouwen. Voor het plangebied en de directe omgeving zijn geen specifieke waarden of randvoorwaarden aangeduid. Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Met het ontwerp van het appartementengebouw wordt aangesloten op de omliggende bebouwing. Dit zorgt voor een verfraaiing van het huidige straatbeeld.
4.9
Planologisch relevante kabels en leidingen
Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig.
4.10
Ecologie
Toetsingskader Wet natuurbescherming Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier‐ en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN); Natura 2000‐gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000‐gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn,
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
40
soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten ofwel soorten van de lijst Nationaal beschermde soorten behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. In de provincie Zuid‐Holland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten. Het betreft de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel‐ en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals een Natura 2000‐gebied (figuur 4.1). Het plangebied maakt ook geen deel uit van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied Oude Maas, ligt op een afstand van circa 11 kilometer. Het dichtstbijzijnde NNN‐gebied ligt op een afstand van circa 3,2 kilometer (zie figuur 4.2).
Figuur 4.1
Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. Natura 2000‐gebieden (bron: AERIUS Calculator)
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
41
Figuur 4.2
Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. NNN (bron: provincie Zuid‐Holland)
Het plangebied ligt niet in beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen derhalve worden uitgesloten. Gezien de afstand kunnen tevens effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. Vanwege de geringe ontwikkeling en ruime afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied Oude Maas, genereert de beoogde woningbouw qua stikstofdepositie eveneens geen problemen. Dit is aangetoond door middel van Aerius berekeningen voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase (zie bijlage 6) De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en typen uit Natura 2000‐gebieden. Gezien bovenstaande conclusies staat de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie, de uitvoering van het plan niet in de weg. Soortenbescherming Om de ecologische gevolgen van de beoogde ontwikkeling in kaart te brengen is een quickscan flora‐ en fauna uitgevoerd door Adviesbureau Mertens. De rapportage is opgenomen in bijlage 7. Voor de quickscan is op 14 juni 2018 een veldonderzoek verricht. Op basis van het onderzoek kunnen effecten op beschermde planten‐ en diersoorten uitgesloten worden.
Wel is het, in verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels, noodzakelijk om groen buiten het broedseizoen te verwijderen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
42
4.11
Duurzaamheid
Toetsingskader De nieuwbouwontwikkeling biedt kansen voor verduurzaming van de locatie. In het bestemmingsplan moet worden beschreven op welke wijze het plan bijdraagt aan de realisatie van de doelen uit het Programma Duurzaamheid 2015‐2018, 'Duurzaam dichter bij de Rotterdammer'. Duurzaamheid kent binnen de gemeente Rotterdam vier componenten: energie, klimaat, circulair en gezond. Ambities zijn 'een groene, gezonde en toekomstbestendige stad' en 'schonere energie'. Dit kan op verschillende manieren waaronder: energiezuinig of energieneutraal bouwen en wonen; aanpasbaar en herbruikbaar wonen; gebruik duurzame materialen; gebruik van daken en gevels voor energieopwekking, wateropvang, bevorderen biodiversiteit, voorkomen hittestress; waterverbruik. Conclusie De beoogde ontwikkeling van appartementen aan de Ceintuurbaan wordt op een duurzame manier vormgegeven en geëngineerd om bij te dragen aan een gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. De volgende onderwerpen krijgen een plek in de ontwikkeling: Energiezuinig bouwen: de geldende wet‐ en regelgeving ten tijde van de verlening van de omgevingsvergunning wordt geheel toegepast in het gebouwontwerp. Op het gebied van energiezuinig bouwen zijn o.a.
in het Bouwbesluit en de daarbij horende EPG‐eisen al erg veel zaken omschreven op het gebied van gebouwisolatie, luchtdichtheid, daglichttoetreding, geluidisolatie en maximaal energiegebruik; Gebruik maken van de zon als energiebron: om te kunnen voldoen aan de eisen die gesteld worden in het bouwbesluit is het nodig om een deel van het energiegebruik van het gebouw op een duurzame manier op te wekken. Op het platte dak van het gebouw komen een aantal zonnepanelen die in (een deel van) deze energiebehoefte gaan voorzien; Duurzaam materiaalgebruik: De gevels van het gebouw worden opgetrokken uit bakstenen. Dit gevelmateriaal kent een zeer lange levensduur en wordt relatief lokaal gewonnen uit natuurproducten, het is hierdoor een duurzame gevelbekleding; Meer groen in de stad: het stedenbouwkundige ontwerp van het plan is in samenspraak met de gemeente Rotterdam gemaakt. Een deel van het beschikbare (privé) kavel wordt in de plannen ingezet als openbare ruimte die groen wordt ingericht. Op de plaats waar in de bestaande toestand terreinverharding in de vorm van parkeerplaatsen aanwezig is, komen na de bouw van het plan bomen, hagen en gras in de plaats.
Tevens wordt het 'privé' binnengebied ingericht met bomen en hagen tussen de parkeerplekken; Zorgen voor voldoende waterbuffer: het gehele platte dak van het gebouw wordt voorzien van een mos‐sedumlaag die als 'waterbuffer' dient bij stevige regenbuien. Op deze manier wordt het gemeentelijke rioolstelsel ontlast op piekmomenten. Het groendak draagt tevens bij aan een prettige leefomgeving mochten er in de toekomst hogere gebouwen in de omgeving van de ontwikkeling gebouwd worden.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
43
4.12
Vormvrije mer‐beoordeling
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.‐beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.‐beoordeling. Door het bevoegd gezag moet een m.e.r‐beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.‐beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen.
Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.‐beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de toevoeging van 36 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Alhoewel de beoogde ontwikkeling onder de drempelwaarde blijft is middels een aanmeldingsnotitie (bijlage 8) onderzocht of sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten. Uit deze notitie blijkt dat hiervan geen sprake is.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
44
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
45
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planopzet
Algemeen
Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader voor het plangebied. Op basis van dit bestemmingsplan zal de beoogde ontwikkeling zonder verdere uitwerking van de bestemmingen of andere planologisch‐juridische procedures kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vervult het plan, na realisatie van de functiewijziging een belangrijke beheer‐ en gebruiksfunctie. Het bestemmingsplan is in lijn met het vigerende bestemmingsplan 'Kleiwegkwartier' en voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).
5.2
Opbouw regels
De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan (zie paragraaf 5.3). Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene bepalingen. De overgangs‐ en slotbepalingen maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.
5.3
De bestemmingen
Bedrijf 1 Op grond van de bestemming 'Bedrijf ‐ 1' zijn bedrijfsactiviteiten uit categorie 1 en 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten toegestaan. Aangezien garagebedrijven (met sbi‐code 451, 452 en 454) een grotere impact hebben op het woon‐ en leefklimaat, zijn dergelijke bedrijven niet zonder meer toegestaan. Binnen de aanduiding 'sport' is het bestaande fitnesscentrum toegestaan. Verkeer ‐ Erf Voor het parkeerterrein behorende bij de op het perceel beoogde bebouwing is de bestemming 'Verkeer ‐ Erf' opgenomen. In deze bestemming zijn onder andere parkeer‐ en groenvoorzieningen mogelijk. Verkeer ‐ Verblijfsgebied De bestemming 'Verkeer ‐ Verblijfsgebied' is opgenomen voor de Elektroweg met bijbehorende groenstrook en trottoir. Deze bestemming komt overeen met de overige ontsluitingswegen in de omgeving. Wonen Het appartementengebouw is voorzien van een strak bouwvlak met de bestemming 'Wonen'. Binnen de woonbestemming zijn woningen met daarbij behorende voorzieningen toegestaan. Woningen mogen onder voorwaarden gebruikt worden voor een aan huis gebonden beroep of bedrijf.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
46
Voor de woonbebouwing is de hoogte aangegeven met bouwlagen. Op de verbeelding is daartoe een aanduiding opgenomen. Ook is het maximum aantal wooneenheden in de regels opgenomen. Op het gedeelte langs de Elektroweg is de aanduiding 'kap uitgesloten' opgenomen. De bebouwing mag daar uitsluitend plat worden afgedekt. Daarnaast is de onderdoorgang van de Elektroweg naar het parkeerterrein achter het gebouw voorzien van een aanduiding. Om een dove gevel te borgen naar aanleiding van de resultaten uit het akoestisch onderzoek is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De gevel dient ter plaatse van de aanduiding 'dove gevel' doof te worden uitgevoerd. Voor de overige gevels moet worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van de Wet geluidhinder of aan het besluit hogere grenswaarden. Daarnaast moet voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen zijn aangetoond dat elke woning beschikt over een geluidluwe buitenruimte overeenkomstig het gemeentelijke ontheffingsbeleid van de gemeente Rotterdam. Met betrekking tot parkeren is in de Algemene gebruiksregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. In deze regeling is vastgelegd dat aan de gemeentelijke parkeernormen moet worden voldaan.
Waarde ‐ Archeologie 2 Ter bescherming van de archeologische waarden die mogelijk in het gebied voorkomen, is de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie 2' opgenomen, afgestemd op het gemeentelijk archeologiebeleid. Voor deze gronden geldt dat bouwen en een aantal genoemde werken en werkzaamheden, waarbij archeologische waarden in het geding kunnen zijn, slechts mogelijk zijn na voorafgaande toetsing door het bevoegd gezag aan de archeologische waarden.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
47
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. Het beoogde bouwplan betreft een particulier initiatief. Voor het kostenverhaal wordt een anterieure overeenkomst opgesteld tussen de gemeente en de initiatiefnemer. In deze overeenkomst wordt geregeld op welke wijze de kosten verdeeld zijn en welke ten laste van de initiatiefnemer komen. Omdat het verhaal van de kosten via een anterieure overeenkomst wordt geregeld is een exploitatieplan niet nodig.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het concept ontwerpbestemmingsplan voor vooroverleg toegezonden aan de gebruikelijke overleginstanties van de gemeente Rotterdam. Rijkswaterstaat, Veiligheidsregio Rotterdam‐Rijndmond, Gasunie en Tennet hebben gereageerd. Naar aanleiding van de reactie van de Veiligheidsregio is de toelichting (paragraaf 4.6) aangevuld. Op basis van de reactie van Rijkswaterstaat is het akoestisch onderzoek (bijlage 1) aangepast. De overige reacties hebben niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan. Ook is het plan voorgelegd aan DCMR Milieudienst Rijnmond. Naar aanleiding van de reactie van DCMR is het akoestisch onderzoek op onderdelen aangepast.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
48
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
bijlagen bij de Toelichting
Bijlage 1 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
Bijlage 2 Onderzoek externe veiligheid Ceintuurbaan 133
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
Bijlage 4 Archeologisch advies BOOR
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
Bijlage 5 Inventariserend archeologisch veldonderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
Bijlage 6 Stikstofberekening Ceintuurbaan 133 Rotterdam
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
Bijlage 7 Quickscan beschermde planten‐ en diersoorten
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
Bijlage 8 Aanmeldingsnotitie m.e.r.‐beoordeling
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
Regels
69
Hoofdstuk 1
Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 Plan Het bestemmingsplan Ceintuurbaan 133 met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP2147Ceintuurb133‐on01 van de gemeente Rotterdam. 1.2 Bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 Aanbouw (uitbouw) Een uitbreiding van het hoofdgebouw in één bouwlaag (hieronder wordt tevens een uitbouw begrepen). 1.4 Aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5 Aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6 Achterbouw Aanbouw aan de achtergevel van een gebouw met een niet‐woonfunctie. 1.7 Archeologisch deskundige Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam of een andere deskundige op het gebied van archeologie. 1.8 Bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.9 Bedrijven De bedrijven genoemd in de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels en die als bijlage 1 bij deze regels is gevoegd. 1.10 Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen zoals dat luidt ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.11 Bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.12 Bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
70
1.13 Bouwaanduidingen Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken. 1.14 Bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.15 Bouwgrens De grens van een bouwvlak. 1.16 Bouwlaag Het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, vliering, zolder, souterrain, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als een afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als een aparte bouwlaag geteld. NB: onder het 'theoretisch profiel van een kap' wordt verstaan de ruimte binnen een kap met schuine zijden waarvan de hellingshoek ten minste 20 en maximaal 60 graden bedraagt. De hoogte van een bouwlaag mag niet meer bedragen dan 3 meter, met dien verstande dat de hoogte van een bouwlaag op de begane grond niet meer dan 4 meter mag bedragen. 1.17 Bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.18 Bouwperceelgrens De grens van een bouwperceel.
1.19 Bouwverordening Bouwverordening Rotterdam 2010, zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.20 Bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.21 Bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.22 Bijgebouw Vrijstaand gebouw dat door constructie en/of afmetingen ondergeschikt is aan een hoofdgebouw gelegen op hetzelfde perceel en waarvan het gebruik ten dienste staat van cq. ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.23 Dakterras Een bouwkundige voorziening op het platte dak van een gebouw dat bestaat uit een te betreden vlak, geheel of gedeeltelijk omgeven door een hekwerk zoals voorgeschreven in het Bouwbesluit.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
71
1.24 Detailhandel Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps‐ of bedrijfsactiviteit. 1.25 Dienstverlening Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen. Een belwinkel en een seksinrichting worden hier niet onder begrepen. 1.26 Erf Terrein ten behoeve van de ontsluiting van de aanliggende bebouwing, voor parkeren, groenvoorzieningen, waterlopen en bouwwerken van lichte constructie (carports, slagbomen, fietsenstallingen e.d.). 1.27 Gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.28 Geluidsgevoelige objecten Hieronder worden verstaan de in de Wet geluidhinder aangewezen objecten: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven. 1.29 Hoofdgebouw Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een bouwperceel en, indien meer gebouwen op het bouwperceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
1.30 Kap Een afdekking van een gebouw met schuine zijden waarbij de hellingshoek ten minste 20 en ten hoogste 60 graden bedraagt. 1.31 Kantoren Het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. 1.32 Maaiveld De bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden. 1.33 Milieudeskundige De DCMR Milieudienst Rijnmond of de daarvoor in de plaats tredende instantie. 1.34 NAP Het Normaal Amsterdams Peil is de referentiehoogte waaraan hoogtemetingen in Nederland worden gerelateerd. 1.35 Openbare nutsvoorzieningen Op het openbaar leidingen net aangesloten voorzieningen op het vlak van gas‐, water‐, elektriciteitsdistributie, blokverwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt niet hieronder begrepen).
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
72
1.36 Peil (straat‐) voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de kruin van de weg; voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang, na voltooiing van de aanleg van dat terrein. Indien een bouwwerk aan meer dan één weg wordt gebouwd, is het peil van de hoogstgelegen weg maatgevend. 1.37 Rijbaan Elk voor rijdende voertuigen bestemd weggedeelte, met uitzondering van (brom)fietspaden. 1.38 Rijstrook Gedeelte van de rijbaan van een weg (welke door middel van doorgetrokken of onderbroken strepen gemarkeerd is) van zodanige breedte dat bestuurders van motorvoertuigen op meer dan twee wielen daarvan gebruik kunnen maken. 1.39 Seksinrichting De voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht. 1.40 Souterrain Een gebruiksruimte in een gebouw dat zich gedeeltelijk ondergronds bevindt met een maximale hoogte van 2 meter boven peil. 1.41 Straatmeubilair Voorzieningen ten behoeve van de weggebruiker, zoals verkeersborden, straatverlichting, zitbanken, plantenbakken e.d. 1.42 Uitstekende delen aan gebouwen Erkers, luifels, balkons, galerijen e.d.
1.43 Voorgevel De gevel van een gebouw, zoals aangegeven in de bestemmingsregels in hoofdstuk 2, die als belangrijkste is aan te merken. 1.44 Wet geluidhinder De Wet geluidhinder zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.45 Wet ruimtelijke ordening De Wet ruimtelijke ordening zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 1.46 Woningwet De Woningwet zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan. 1.47 Woning Een gebouw (of een gedeelte daarvan) dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
73
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2 de goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3 de inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een bouwwerk. 2.6 de breedte van een gebouw Van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingsmuur, met dien verstande, dat wanneer de zijgevels verspringen of niet evenwijdig lopen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte.
2.7 de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens Vanaf het punt van de gevel van een gebouw welke het dichtst bij de perceelsgrens is gelegen, haaks op de perceelsgrens.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
74
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
75
Hoofdstuk 2
Artikel 3
Bestemmingsregels
Bedrijf ‐ 1
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijf ‐ 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: d. bedrijfsactiviteiten uit categorie 1 en 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten die als bijlage 1 bij deze regels is gevoegd, met het daarbij behorende erf alsmede opslag ‐ en werkterrein, met inachtneming van het bepaalde in lid 3.3.1; e. ter plaatse van de aanduiding 'sport' tevens voor een fitnesscentrum; 3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Op de voor 'Bedrijf ‐ 1' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functie. 3.2.2 Bebouwingsnormen a. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' op de verbeelding is aangegeven. 3.3 Specifieke gebruiksregels 3.3.1 Toegestane bedrijven a. Uitsluitend bedrijfsactiviteiten t/m categorie 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels zijn toegestaan, met uitzondering van bedrijfsactiviteiten ten behoeve van handel in auto's en motorfietsen, reparatie‐ en servicebedrijven (sbi‐code 451, 452, 454). 3.3.2 Bedrijfsgebonden kantoren Bedrijfsgebonden kantoren mogen per bedrijf niet meer dan 50% van het bruto vloeroppervlak innemen, met een maximum van 3000 m2.
3.4 Afwijken van de gebruiksregels Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.3.1 terzake van de toegestane bedrijfsactiviteiten ten behoeve van andere bedrijfsactiviteiten dan die primair zijn toegelaten, welke ‐ gehoord de Milieudeskundige‐ daarmede naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
76
Artikel 4
Verkeer ‐ Erf
4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer ‐ Erf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. terrein ten behoeve van de ontsluiting van de aanliggende bebouwing, voor parkeren, groenvoorzieningen, tuinen en waterlopen; b. uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bestemming. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen Op de voor 'Verkeer ‐ Erf bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens: a. in de bestemming passende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals een carport, slagboom, fietsenrekken, huisvuilcontainers (al dan niet ondergronds) niet groter dan 10 m3, erfafscheidingen e.d.; b. uitstekende delen aan gebouwen, niet dieper dan 2 meter uit de gevel en tenminste 4 meter boven maaiveld; c. erfafscheidingen mogen niet hoger zijn dan 2,5 meter; d. bijgebouwen waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,7 meter en het oppervlakte niet meer mag bedragen dan 20 m2.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
77
Artikel 5
Verkeer ‐ Verblijfsgebied
5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer ‐ Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. voorzieningen ten behoeve van wandelen, verblijven en spelen, zoals trottoirs, voetpaden en trappen; b. voorzieningen voor rijdende en stilstaande voertuigen, zoals rijstroken, fietspaden, parkeerplaatsen; c. groenvoorzieningen, waterpartijen, waterlopen en overige in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen, zoals taluds, keerwanden en beschoeiingen; d. bouwwerken voor kleinschalige openbaar nutsvoorzieningen, verkeer en vervoersvoorzieningen; e. geluidswerende voorzieningen; f. uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Algemeen Op de voor 'Verkeer ‐ Verblijfsgebied' bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens: a. in de bestemming passende bouwwerken (geen gebouwen zijnde), zoals straatmeubilair, huisvuilcontainers (al dan niet ondergronds) niet groter dan 10 m3, abri's, alsmede niet voor bewoning bestemde kleine gebouwen voor openbaar nut, verkeer en vervoer, die niet groter mogen zijn 80 m3; b. uitstekende delen aan gebouwen als bedoeld in lid 5.1 onder f., niet dieper dan 2 meter uit de gevel en tenminste 4 meter boven maaiveld.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
78
Artikel 6
Wonen
6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen; b. bij woningen behorende voorzieningen zoals (inpandige) bergingen en garageboxen, aanbouwen, bijgebouwen, alsmede tuinen, groen, water en ontsluitingswegen en ‐paden; c. dakterrassen. 6.2 Bouwregels 6.2.1 Algemeen Op de voor ''Wonen' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functies. 6.2.2 Bebouwingsnormen a. gebouwen mogen uit niet meer bouwlagen bestaan dan met aanduiding 'maximum aantal bouwlagen' op de verbeelding is aangegeven; b. binnen het plangebied mogen niet meer dan 36 wooneenheden worden gerealiseerd; c. ter plaatse van de aanduiding 'kap uitgesloten' dient een gebouw plat afgedekt te worden; d. ter plaatse van de aanduiding 'onderdoorgang' dient minimaal 2,5 meter vanaf het maaiveld vrijgehouden te worden van bebouwing ten behoeve van een onderdoorgang. 6.2.3 Voorwaardelijke verplichting geluid Een omgevingsvergunning voor bouwen mag slechts worden verleend indien: a. voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarden van de Wet geluidhinder, dan wel aan het besluit hogere grenswaarden dat aan dit bestemmingsplan is toegevoegd; b. ter plaatse van de aanduiding 'dove gevel' de gevel wordt uitgevoerd als dove gevel; c.
is vastgesteld dat er maatregelen worden genomen zodat elke woning beschikt over een geluidluwe buitenruimte overeenkomstig het gemeentelijke ontheffingsbeleid van de gemeente Rotterdam. 6.3 Specifieke gebruiksregels Woningen mogen mede worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of bedrijf, mits: a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft, waarbij het bruto vloeroppervlak van de woning voor ten hoogste 30% mag worden gebruikt voor een aan huis gebonden beroep of bedrijf; b. ten aanzien van een aan huis gebonden bedrijf sprake is van een bedrijf tot en met categorie 2 als bedoeld in de bij deze regels horende lijst van bedrijfsactiviteiten; c. de gevel en dakrand van de woning niet worden gebruikt ten behoeve van reclame‐uitingen; d. er geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op het onderhouden en repareren van motorvoertuigen; e. er geen detailhandel plaatsvindt, tenzij als ondergeschikt onderdeel van het aan huis gebonden beroep of bedrijf.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
79
Artikel 7
Waarde ‐ Archeologie 2
7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde ‐ Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. 7.2 Bouwregels 7.2.1 Rapport archeologisch deskundige In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die een groter oppervlak hebben en tevens dieper reiken dan de oppervlakte‐ en dieptematen die genoemd zijn in 7.3.1. 7.2.2 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. 7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.3.1 Verbod In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna onder 7.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die: a. dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m2 beslaan. 7.3.2 Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
80
7.3.3 Uitgezonderde werkzaamheden Het vergunningvereiste geldt niet voor werken (geen bouwwerken zijnde) of werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg‐ en leidingcunetten. 7.3.4 Vergunning Vergunning wordt verleend, nadat de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport aan burgemeester en wethouders heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 7.3.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
81
Hoofdstuk 3
Artikel 8
Algemene regels
Anti‐dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
82
Artikel 9
Algemene bouwregels
9.1 Ondergronds bouwen Daar waar het is toegestaan om bovengronds bebouwing te realiseren, is ondergronds bebouwing in maximaal één bouwlaag toegestaan. 9.2 Afdekking van gebouwen Ingeval noch de regels, noch de verbeelding (plankaart) duidelijkheid verschaffen over de wijze van afdekking van gebouwen, mogen gebouwen zowel met een kap als plat worden afgedekt. 9.3 Dakkapellen Op een kap / schuine dakvlakken is een dakkapel toegestaan, onder de volgende voorwaarden: a. ingeval zij geplaatst wordt op het voordakvlak of een naar het openbaar toegankelijke gebied gekeerd dakvlak, mag zij niet breder zijn dan 2/3 deel van bedoeld dakvlak; niet meer dan één dakkapel mag op elk van bedoelde dakvlakken worden gerealiseerd; b. op een ander dakvlak dan de onder sub a. genoemde, zijn meerdere dakkapellen toegestaan; c. op een aanbouw aan een hoofdgebouw is een dakkapel alleen toegestaan op het achterdakvlak; d. in alle gevallen geldt dat een dakkapel dient te voldoen aan de volgende eisen: 1. voorzien van een plat dak; 2. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,50 meter; 3. onderzijde meer dan 0,5 meter en minder dan 1 meter boven de dakvoet; 4. bovenzijde meer dan 0,5 meter onder de daknok; 5. zijkanten meer dan 0,5 meter van de zijkanten van het dakvlak.
9.4 dakterrassen Indien de maximum bouwhoogte van een gebouw is bereikt, dan is ten behoeve van het realiseren van een dakterras voor de daktoegang op het dak een gebouwde voorziening toegestaan, met een maximum oppervlak van 25 m² en een maximum hoogte van 3 meter. De minimum afstand tussen deze voorziening en de dakrand bedraagt 2,50 meter. De minimum afstand tussen het hekwerk en de dakrand bedraagt 1,5 meter, waarbij de maximum hoogte van het hekwerk 1,20 meter bedraagt.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
83
Artikel 10
Algemene gebruiksregels
10.1 Voorwaardelijke verplichting over parkeren 10.1.1 Parkeerbehoefte Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en het gebruik van gronden of bouwwerk op grond van de regels in hoofdstuk 2 kan uitsluitend worden verleend als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig het in de gemeente Rotterdam geldende beleid ten aanzien van parkeren. 10.1.2 Nadere regels Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning nadere regels stellen ten aanzien van: a. de aard, de plaats en de inrichting van de parkeer‐ of de stallinggelegenheid; b. de aard, de capaciteit, de plaats en de inrichting van de gelegenheid voor het laden of lossen; c. de aanwezigheid en aanduiding van parkeer‐ of stallinggelegenheid uitsluitend ten behoeve van invaliden. 10.1.3 Afwijken van de regels Burgemeester en wethouders kunnen omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid indien: a. uit een door de aanvrager van een omgevingsvergunning over te leggen parkeerbalans blijkt dat op eigen terrein door middel van dubbelgebruik voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn; b.
de aanvrager van een omgevingsvergunning de parkeereis door middel van een parkeereisovereenkomst financieel compenseert aan de gemeente Rotterdam en met de verwezenlijking van het bouwplan, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, een gemeentelijk belang is gemoeid; c. er sprake is van een totale gebiedsontwikkeling en naar het oordeel van burgemeester en wethouders een gemeentelijk belang rechtvaardigt dat op straat parkeerplaatsen worden aangelegd uit de grondopbrengst; d. de onderdelen a tot en met c zich niet voordoen en naar het oordeel van burgemeester en wethouders met de verwezenlijking van het bouwplan een bijzonder gemeentelijk belang is gemoeid. 10.2 Algemene afwijkingsregels 10.2.1 Afwijking toegestane afmetingen, maten en percentages Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels van dit bestemmingsplan voor afwijkingen van toegestane afmetingen, maten (waaronder minimale en maximale afstanden) en percentages tot niet meer dan 10% van die afmetingen, maten en percentages, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat‐ en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de milieusituatie.
10.2.2 Afwijking toegestane bouwhoogte techniek Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels van dit bestemmingsplan ten aanzien van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw, ten behoeve van technische voorzieningen op het dak, welke noodzakelijk zijn voor het doelmatig functioneren van het bouwwerk, zoals liftopbouwen, lichtkoepels, schoorstenen, antennemasten, luchtverversingsapparatuur, glazenwas installatie e.d., mits de overschrijding van de maximum bouwhoogte niet meer dan 5 meter bedraagt, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat‐ en bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
84
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
85
Hoofdstuk 4
Artikel 11
Overgangs‐ en slotregels
Overgangsrecht
11.1 Overgangsrecht bouwwerken Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%; c. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.2 Overgangsrecht gebruik Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b.
het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
86
Artikel 12
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan Ceintuurbaan 133'.
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
bijlagen bij de Regels
Bijlage 1 Lijst van Bedrijfsactiviteiten
Rho adviseurs voor leefruimte
401059.20180966
Verbeelding
Willem de
Rijkestraat
8A-28B
1-59
33A-33B
32A-32B
35
32A-32B
42A-42B
34A-34B
44A-44B
36A-36B
46A-46B
38A-38B
34
37A-37B
48A-48B
36A-36B
39A-39B
50A-50B
38A-38B
41A-41B
52A-52B
40
226A-226G
43A-43B
10
12A-12B
40A-40B
42A-42B
44A-44B
54
2
4A-4B
6A-6B
8A-8B
21A-21B
30A-30B
40A-40B
31A-31B
30A-30B
28A-28B
36A-36B
38A-38B
29A-29B
straat
27A-27B
46B-48A
56A-56B
78
76A-76B
74
72A-72B
70
68A-68B
66B
14A-14B
7A-7B
9B-11B
13B-15B
1A-3B
5A-5B
115
17A-17B
V-VB
232
46B
3
W
234
45A
113A-113B 111A-111B
109
107
105
103
101A-101B
Prins Frederik Hendrikstraat
nstraat
99
91A-91B
89
87
85A-85B 83A-83B
47A
3
11A-11B
aat Azaleastr -18 20A-20B 18A
22A-22B
B
10A-10B
12
-14B 16A-16B 14A
4 [ond]
6
8
4A-4B
Bedrijf - 1
V-E
Verkeer - Erf
V-VB
Verkeer - Verblijfsgebied
W
Wonen
Dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 2
sport
Bouwvlakken
2A-2B 236
bouwvlak
WR-A-2
242-244 49A-4
B-1
(s)
V-E
240
8B 58A-5
Enkelbestemmingen
Functieaanduidingen
1A-1C
3A-3B
5A-5B
7A-7C
9A-9B
Plangrens
WR-A-2
[-kap]
46C
48B
Plangebied
Bouwaanduidingen
[sba-dg]
9B
[-kap]
kap uitgesloten
[ond]
onderdoorgang
[sba-dg]
specifieke bouwaanduiding - dove gevel
246-248
1B
51A-5
250-252
0B
60A-6
53
2B
62A-6
64A-6
254-256
5B
55A-5
258-260
4B
B-1
7B
57A-5 6B
66A-6
59A-5
9B
68
70
270-272 274-276
5B
65A-6
em Lisblo straa
6B 76A-7 8B
t
78A-7
278-280
7B 67A-6
g Elektrowe
3B
63A-6 2B
4B 74A-7
Maatvoeringen
12
266-268
1B 61A-6
72A-7
(s)
262-264
V-E 121
0B
80A-8
157 1 155-
159-16
165-167
Ceintuurbaan 133
135-137
124
169-171
163
141 5 139-
rbaan
u Ceintu
150
maximum bouwhoogte (m)
GEMEENTE ROTTERDAM
133 1B
14 9 143-
12
1
71A-7
147-14
maximum aantal bouwlagen
125-13
69
3 151-15
4
N
BESTEMMINGSPLAN project
20180966
formaat
A3
vastgesteld
schaal
1:1000
ontwerp
25-06-2020
kaart
1/1
voorontwerp
---------------
getekend
K. Heijmeriks
concept
15-01-2019
idn
NL.IMRO.0599.BP2147Ceintuurb133-on01
w www.rho.nl e info@rho.nl