CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

20bb18511 Bijlage 2 behorende bij 20bb18506 - Haalbaarheidsonderzoek Rotterdamse Wijkbasisbaan

Gemeenteraad 28 januari 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 11. Het initiatiefvoorstel Yildirim/Segers-Hogendoorn over wijkbasisbanen ‘De omgeving van de mens is de medemens’, alsmede de reactie hierop van burgemeester en wethouders.17.450 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Weer een traject, dat gaat hem niet worden (…) ik denk dat je frustratie kunt voorkomen door dit niet als een gemeentelijk project te zien. Maar zet rolmodellen en wijkbewoners in. Laat ze samen aan een wijkwinkel of coöperatie bouwen en zet in op wijkbanen, in plaats van basisbanen. Ben je gelijk van dat vervelende taalgebruik af” “Banen die er voor wijkbewoners toe doen. Daar gaat het om (..) zo voorkom je nutteloos werk” 66

Op basis van de meest recente CAO voor sociaal-cultureel werker (MBO-4), schaal 8, en rekenend voor een dagdeel (4 uur) per week aan ondersteuning, bedragen de bruto loonkosten ongeveer €4.200 per jaar. Dit is echter een ruwe inschatting aangezien er binnen de populatie werkzoekenden aanzienlijke verschillen bestaan in ondersteuningsniveaus. In de verkennende studie naar de basisbaan in de gemeente Assen wordt eveneens een bedrag genoemd rond de €4.000 aan ‘organisatiekosten’ (zie Mosselman, K. & Ravenshorst, W. (2019). Basisbaan in Assen).

SEOR

20

Met bovenstaande ideeën wordt het risico van onzinnig werk en stigmatisering ondervangen: door wijkbasisbanen op een bepaalde manier te ‘framen’ en het eigenaarschap neer te leggen in de wijk wordt de effectiviteit bevorderd, zo is de gedachtegang. Meerdere respondenten zijn positief over het aansluiten bij of oprichten van een wijkcoöperatie. De Afrikaanderwijk Coöperatie is hier een concreet voorbeeld van. Via een breed aanbod van producten en diensten in de wijk zijn wijkbewoners actief en dragen ze onder andere bij aan zaken zoals tuinonderhoud en leefbare, schone wijken (zie wijkcooperatie.org): “Wij besteden werk in naar de wijk. Dat doen we in de Afrikaanderwijk en Vreewijk, en alles vanuit de belangen van onze leden: wijkbewoners en lokale organisaties (…) eigenlijk hebben wij de basisbanen al” Volgens verschillende wijkbewoners en –professionals kan een wijkbasisbaan bijdragen aan het vergroten van de zelfredzaamheid van mensen. Het aansluiten bij lokaal initiatief wordt gezien als een werkbare manier om mensen sneller te laten meedoen. In de volgende twee hoofdstukken richt de aandacht zich op de andere primaire stakeholders: bedrijven en (langdurig) werkzoekenden (en hun coaches). In het slothoofdstuk wordt vervolgens de balans opgemaakt.

SEOR

21

4. HAALBAARHEIDSONDERZOEK: BEDRIJVEN EN ORGANISATIES

In hoeverre slaat de wijkbasisbaan aan bij het Rotterdamse bedrijfsleven? In dit hoofdstuk willen we hier beter zicht op krijgen. Hiervoor zijn in de maanden juni en juli van 2020 telefonische gesprekken gevoerd met tien personen. 4.1 Basisbanen: het maken van sociaal verschil, bijvoorbeeld via ‘city stewards’ De respondenten zijn van mening dat een basisbaan een extra maatregel kan zijn om langdurig werkzoekenden weer te laten participeren in de samenleving. Tegelijkertijd is er een voorbehoud. De opstapfunctie van een basisbaan naar de ‘reguliere’ arbeidsmarkt moet niet overschat worden. Hierbij wordt door iemand verwezen naar de eerdere ID-banen uit de jaren negentig van de vorige eeuw. Wanneer doorstroming niet het einddoel is, kan een basisbaan voor mensen met een afstand tot werk uitkomst bieden: “Voor mensen met een minder sterk profiel is dit natuurlijk een mogelijkheid. Je moet denk ik alleen niet teveel verwachten van de effectiviteit op uitstroom. Het gaat dan toch om mensen die echt achterop zijn geraakt. (…) maar als je weer kan meedoen via een basisbaan is dat prima. We weten allemaal dat werk positief is voor de gezondheid.” “Basisbanen maken denk ik vooral sociaal verschil. Levens van mensen en gezinnen verbeteren.

Of het economisch verschil maakt, daar heb ik nog m’n twijfels over.” Ondanks de diversiteit tussen Rotterdamse wijken worden dezelfde werkzaamheden aangehaald die eerder zijn genoemd door vertegenwoordigers vanuit de wijken. Werkzaamheden rondom ontmoetingsplekken (bijvoorbeeld speeltuinen en pleinen) worden aangehaald, evenals het ophalen van klussen van bewoners en bedrijven. Doorgevraagd naar het type klussen wordt verwezen naar het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden, contactbezoek van eenzame ouderen en een mogelijke boodschappendienst in de wijk. De gesproken personen zien vooralsnog een minder grote rol weggelegd voor het organiseren van werk vanuit het reguliere bedrijfsleven en vinden het moeilijk om concrete voorbeelden te noemen binnen bedrijven: “Het gaat toch vooral om eenvoudig werk. Daar kun je niet zomaar voorbeelden van verzinnen” ‘City stewards’ (vergelijkbaar met de eerder aangehaalde buurtbrigadiers/-conciërges) worden twee keer aangehaald (een persoon noemde dit ‘wijkbeheerder’) als voorbeeld van een mogelijk concreet beroep waar het bedrijfsleven baat bij zou kunnen hebben. Iemand opperde om mensen hierbij gesponsorde bodywarmers mee te geven, zodat er gelijk exposure is in de wijk.

SEOR

22

4.2 Werkgevers: let op overbevraging en beperkte schaling Iedereen die aan het werk wil en kan komen verdient volgens de respondenten ondersteuning. Maar de geïnterviewden verwijzen ook naar de (vele) al lopende afspraken, regelingen en programma’s, zoals de Participatiewet (denk aan de Banenafspraak), het Rotterdamse Leerwerkakkoord (waarbinnen deelakkoorden bestaan en zogenaamde ‘opstapbanen’ zijn opgenomen voor Rotterdammers met een bijstandsuitkering67) en de vele sociale initiatieven en programma’s (zoals banenmarkten, losse projecten, platforms en/of programma’s, zoals ‘Rijnmond Werkt Door’, ‘HalloWerk’, ‘Stichting Nieuw Thuis Rotterdam’ en ‘NPRZ’). Overbevraging dreigt. Iemand geeft in dit kader aan: “Het gevaar is versnippering. Door alle projecten en voorzieningen zien werkgevers door de bomen het bos niet meer. (…) wat mij betreft neemt de gemeente het voortouw en wordt er veel meer focus gelegd (…) daar komt bij: wat levert het bedrijven op?” Het bovenstaande citaat laat zien dat het landelijk en lokaal (arbeidsmarkt)beleid vanuit het perspectief van werkgevers groot en complex is. Daarnaast ontstaat er een beeld waarbij het bedrijfsleven wil investeren in wijken en mensen, maar nog geen concrete businesscase voor ogen heeft.

Bovendien is er twijfel over de opschalingsmogelijkheid: “Ik denk best dat partijen mee willen doen, maar of het veel banen oplevert? Woningbouwcorporaties zijn bijvoorbeeld geen banenscheppers, dat zit veel meer bij bouw en vastgoed. (…) wel kan ik me voorstellen dat corporaties nadenken over initiatieven zoals huismeesters, die zowel voor wijken als voor mensen als voor corporaties verschil kunnen maken (..) maar dat zit meer in kleinschalige pilots” 4.2.1 Sluit aan bij lopende initiatieven en ideeën (zoals de ‘Werkhub’) Het denken vanuit de wijk spreekt aan. En net zoals de wijkvertegenwoordigers zijn bedrijven en organisaties van mening dat motivaties en mogelijkheden van werkzoekenden altijd het uitgangspunt horen te zijn. Om de kansen van de basisbaan te vergroten –en lokale versnippering tegen te gaan- wordt voorgesteld om zoveel mogelijk aan te sluiten bij lopende initiatieven en trajecten die op dit moment in ontwikkeling zijn: “Wij denken aan een ‘Werkhub’, of in de woorden van anderen ‘Werkhuis’. Hier moet alle dienstverlening bij elkaar komen, voor werkzoekenden, mensen die willen bijscholen en werkgevers. We mikken op bibliotheken als verzamelplek, en zitten al in Noord. Hier heb je de uitzenders, werkgevers, UWV, gemeente en ROC’s. Lijkt me goed om hier een basisbaan-wijkwinkel bij onder te brengen”

67

Het Rotterdamse Leerwerkakkoord. Samen maken we er werk van! Gemeente Rotterdam.

SEOR

23

Volgens bovenstaande respondent moet de gemeente inzetten op integrale dienstverlening, vanuit de gedachte van zowel preventie als activering. En om echt ‘contact’ te maken moet er een uitnodigende ‘vindplek’ voor zowel wijkbewoners, werkzoekenden als bedrijven zijn. Professionals in de wijk opperden in dit geval het idee van een wijkcoöperatie als lokale vindplek. Waar de gemeente volgens meerdere respondenten vooral voor moet waken is ‘versnippering’ (zie ook het punt van overbevraging van werkgevers). Iedere partij erkent het belang van maatschappelijke participatie, maar wijzen ook op de (te) grote hoeveelheid lokale initiatieven: “Sluit aan bij wat er al is. Benoem wat mij betreft een programmamanager binnen de gemeente, die een klein aantal langlopende programma’s bewaakt en slechts een klein aantal nieuwe initiatieven toelaat. (…) bij ons gaat er echt geen week voorbij zonder een nieuwe projectpresentatie” “Het gevaar dat nu ontstaat is ‘kannibalisme’. Plan A is net bedacht en plan B wordt gestart. (…) geef bestaande programma’s eerst de ruimte voordat je wat nieuws bedenkt!” Luisterend naar dit type uitingen houdt het denken in termen van basisbanen een spanning in zich met ‘versnippering’.

Een basisbaan kan, vanuit het perspectief van bedrijven en organisaties, alleen maar overleven wanneer er wordt aangesloten bij lopende initiatieven en afspraken om zo de ervaren ‘regeldruk’ in Rotterdam te beperken. 4.2.2 Zoektocht naar economisch design wijkbasisbaan Meerdere vertegenwoordigers van het bedrijfsleven hebben hun twijfels of er grote aantallen banen ontwikkeld kunnen worden binnen en/of door bedrijven en organisaties. Om van de basisbaan een succes te maken (en serieus op te schalen) is deelname van bedrijven en organisaties een cruciale randvoorwaarde. Maar wat mist is een goed doorgerekende businesscase. Tegelijkertijd wordt onderkend dat er werkzaamheden in de wijk blijven liggen die voorzien in een maatschappelijke behoefte. Hier zou het bedrijfsleven mogelijk aan mee kunnen betalen, maar onder voorwaarde dat ook bedrijven en organisatie (mee) profiteren: “Het idee achter de basisbaan is goed. Maar wat levert het op? (…) stel je begint met opgehaalde banen uit een wijk. Dan zou je kunnen denken aan opbrengsten zoals een betere leefbaarheid of een betere gezondheid van mensen, dat denken zet je dan centraal (...) en bouw je een casus (…) maar toch: what’s in it for me?” Het economisch design van de wijkbasisbaan is in het algemeen nog onvoldoende duidelijk.

Wanneer de situatie in de wijk het uitgangspunt is en wanneer op basis hiervan werk wordt ontwikkeld, vallen de opbrengsten zeer waarschijnlijk uit bij meerdere partijen (denk bijvoorbeeld aan basisbanen die zijn gekoppeld aan het bredere thema ‘leefbaarheid’). Uit dit verkennend onderzoek komen drie mogelijke financieringsrichtingen naar voren:

SEOR

24

1. De gemeente zorgt voor volledige financiering van een x-aantal basisbanen in de pilotfase, bijvoorbeeld via de inzet van uitkeringsgeld, en bouwt deze financiering (per jaar) stapsgewijs af, bijvoorbeeld 100%-70%-50% van de bekostiging, via cofinanciering. In het eerste jaar dient de gemeente de uitkering ‘op te plussen’ tot het wettelijk minimumloon (afhankelijk van de specifieke urenomvang en juridische vormgeving van de basisbaan). Dit kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van financieringen vanuit andere portefeuilles (bijvoorbeeld op het gebied van leefbaarheid). 2. Baancreatie via ‘social return’, waarbij een deel van de aanneemsom (vaak 5%) wordt benut voor de ontwikkeling van wijkbasisbanen. 3. Er wordt een maatschappelijke businesscase omtrent een x-aantal basisbanen in beeld gebracht (bijvoorbeeld via een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) op wijkniveau), waarbij de opbrengsten worden verdeeld onder een aantal nauw omschreven stakeholders. Hierbij past vanaf het pilotjaar mogelijk een financieringsmodel op basis van behaald resultaat (en deelname vanuit de filantropie). Een complicerende factor omtrent financiering is dat de huidige coronacrisis het extra lastig maakt voor bedrijven en organisaties om te investeren in basisbanen.

Ze stellen: “wij zijn bezig met overleven” en: “we kunnen wel van alles bedenken, maar bij kleine ondernemers telt maar een ding: continuïteit.” Bovendien is nog onvoldoende duidelijk waar opbrengsten van de wijkbasisbaan precies terecht komen. Mogelijk biedt een wijkimpactbond (WIB) hier uitkomst. We lichten dit concept hieronder toe. 4.2.3 Wijkimpactbond (WIB) De social impact bond (SIB) is een manier om concreet invulling te geven aan de resultaatfinanciering van wijkbasisbanen, in het bijzonder tegen de achtergrond van de huidige coronacrisis waarbij gemeentelijke budgetten onder druk staan. Rond een maatschappelijk probleem (bijvoorbeeld een minder leefbare wijk) wordt een financier gezocht (vaak een vermogensfonds) en gekoppeld aan de overheid (deze partij zorgt voor de ‘screening’ van kandidaten) en een uitvoerder (deze partij is feitelijk de ‘banenmakelaar’ in de wijk, en zorgt voor het matchen van klussen en kandidaten). Beoogde resultaten kunnen liggen in leefbare wijken (bijvoorbeeld gemonetariseerd via afname van onderhoudskosten van zwerfafval) en/of in een dalend zorggebruik van mensen zonder werk (bijvoorbeeld gemonetariseerd via dalende zorgdeclaraties). Zodra resultaten behaald zijn betaalt de overheid de financier terug, inclusief een rendement op de gemaakt financiering.

Een ‘wijkimpactbond’ (WIB) kan een praktische manier zijn om de impasse rondom het uitblijven van een businesscase (op korte termijn) tegen te gaan.68

68

Zie ook Start Foundation (2015). Social impact bonds. Van fenomeen naar praktijk. Eindhoven: Start Foundation.

SEOR

25

4.3 Andere risico’s: verdringing, armoedeval en ‘lock-in effect’ Tijdens de gesprekken worden nog twee andere risico’s genoemd: verdringing en het lock-in effect. Hoewel de basisgedachte van de wijkbasisbaan zich richt op niet-bestaand werk, zijn er situaties denkbaar waarbij verdringing ontstaat: “Vaak hoor je het voorbeeld van een boodschappendienst. Maar dat zijn soms al betaalde banen. Je moet opletten dat de ene persoon de andere niet wegdrukt. Dat levert onder de streep geen extra werk op (…) wij hebben ‘kletskassa’s’ geïntroduceerd, gericht op klanten die een praatje willen maken. Werkt prima, maar dat is in principe ingevuld door ons bestaande personeel, die er wat extra’s bijdoen (…) gaat niet om extra werk” Wat het bovenstaande citaat suggereert is een zogenaamde ‘zero-sum game’ op de arbeidsmarkt; hierbij wordt de bestaande hoeveelheid werk verdeeld over verschillende personen zonder dat de totale werkloosheid op macroniveau afneemt. In het geval van de wijkbasisbaan zou het dus moeten gaan om nieuw gecreëerd, maatschappelijk waardevol werk. Mensen die aan de slag gaan, moeten er volgens de respondenten ook op vooruitgaan wat betreft hun inkomen. Dit raakt aan discussies over de marginale druk (het deel van de inkomensstijging door te gaan werken, dat niet leidt tot een toename van het besteedbaar inkomen).

Vooral bij eenverdieners69 met een brutoloon van 21.000 tot 25.000 euro is bekend dat de marginale druk snel toeneemt (van 11% naar 80% in 2020).70 Hoewel er verschillende uitvoeringsvarianten van een wijkbasisbaan denkbaar zijn en de hoogte van de marginale druk aanzienlijk kan verschillen tussen gemeenten en personen is een algemene inschatting dat de omvang van een wijkbasisbaan minimaal 25 uur dient te bedragen (tegen wettelijk minimumloon).71 Banen van kleinere omvang zullen mensen met een bijstandsuitkering financieel waarschijnlijk niet op eigen benen laten staan. Ten slotte kwam tijdens de interviews eenmaal het ‘lock-in effect’ ter sprake. Volgens deze respondent bestaat de Rotterdamse bijstandspopulatie onder andere uit mensen met voldoende verdiencapaciteit. Ook zonder de wijkbasisbaan kunnen zij worden ingesloten op de arbeidsmarkt, zo is de gedachtegang. Maar aangezien de wijkbasisbaan zich specifiek lijkt te richten op de groep langdurig werkzoekenden, zal het zogenaamde deadweight loss72 relatief laag zijn.

69

Eenverdieners maken het grootste deel uit van de groep bijstandsgerechtigden in Nederland (zie Mosselman, K. & Ravenshorst, W. (2019). Basisbaan in Assen. Hanzehogeschool Groningen).

70

Zie ‘Tabellen Marginale Druk 2019 en 2020’, gedownload via www.rijksoverheid.nl

71

Mosselman, K. & Ravenshorst, W. (2019). Basisbaan in Assen. Hanzehogeschool Groningen.

72

Het gegeven dat mensen ook zonder publieke baancreatie zelf ‘regulier’ werk vinden. Dit leidt tot efficiencyverlies.

SEOR

26

4.4 Hoe het kan: start met een pilot en bouw een maatschappelijke businesscase De gesprekspartners vanuit bedrijven en organisaties zijn van mening dat de introductie van wijkbasisbanen een relevante manier kan zijn om langdurig werkzoekenden (weer) te laten participeren in de maatschappij. Hierin vinden de perspectieven van wijkbewoners en bedrijven elkaar. Ook worden dezelfde typen werkzaamheden genoemd als bij de vertegenwoordigers vanuit de Rotterdamse wijken. Daarnaast komt ook in dit geval het risico van een lage opschaalbaarheid ter sprake (zijn er wel voldoende (zinnige) banen van voldoende urenomvang en zijn bedrijven wel bereid om hieraan mee te betalen?). Vooralsnog lijkt dit laatste punt bijzonder twijfelachtig. Respondenten geven toe dat het idee achter de wijkbasisbaan goed is, maar dat een duurzame uitvoering een tweede is. Naar verwachting zal de gemeente hierin het voortouw moeten nemen, in ieder geval in een pilotfase. De gesprekspartners hebben het gevoel dat de grootste kansen voor wijkbasisbanen liggen in een gemeente die in eerste instantie op kleine schaal experimenteert (“wij zijn in Rotterdam van het doen”) en/of aansluiting zoekt bij SROI-afspraken en/of via resultaatfinanciering een maatschappelijke coalitie bouwt.

Deelname van bedrijven en organisaties kan aan de start van het pilotjaar worden vergroot via het opstellen van een zogenaamde ‘Effectenarena’ en rond afloop van het pilotjaar via het opstellen van een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA). Via het gebruik van een Effectenarena worden dan alle beoogde activiteiten, investeerders en hun effecten grafisch (kwalitatief) in beeld gebracht, terwijl bij een MKBA deze effecten worden doorgerekend in euro’s. Op het niveau van het individu gaat het bijvoorbeeld om de inkomenstoename, gezondheidsverbetering en/of het verwerven van (meer) werknemersvaardigheden (baten) tegen de afbouw van toeslagen (kosten). Op het niveau van de gemeente gaat het bijvoorbeeld om een afname van uitkeringsgelden, dalende uitvoeringskosten en afname van schuldhulpverleningstrajecten (baten) tegen de inzet van uitkeringsgelden, uitvoerings- c.q. begeleidingskosten en de eventuele ophoging naar WMLniveau73 (kosten). Bij zorginstellingen kan gedacht worden aan dalende zorgdeclaraties en een woningbouwcorporatie is gebaat bij minder uithuiszettingen en een verbeterde leefbaarheid in de wijk (baten) tegen een stuk financiering van de wijkbasisbaan als kostenpost.

Ten slotte kan bij het bedrijfsleven bijvoorbeeld worden gedacht aan een afname van uitgaven aan werving en selectie van nieuwe kandidaten (zeker tegen de achtergrond van de aankomende vergrijzing en vervangingsvraag) en/of aan een beter imago door bij te dragen aan een wijkbasisbaan (baten), tegen een deel van de financiering als kostenpost. Dit zijn slechts een aantal voorbeelden van hoe een koppeling kan worden aangebracht van kosten en baten naar verschillende typen deelnemers. Om in de praktijk resultaten te realiseren zal er verder zoveel mogelijk moeten worden aangesloten bij lopende initiatieven, lokale verbanden en/of bestaande akkoorden. Uit de gesprekken komen, ten slotte, ook de aspecten verdringing, de armoedeval en het ‘lock-in effect’ ter sprake. Verdringing kan echter worden tegengegaan door in te zetten op nieuwe, niet bestaande (betaalde) banen en het ‘lock-in effect’ lijkt op voorhand minder problematisch omdat het gaat om een groep werkzoekenden met een bovengemiddelde afstand tot werk. De 73

In een variant zonder co-financiering. Het gaat hierbij om een bruto uurloon en bijkomende werkgeverslasten.

SEOR

27

armoedeval kan worden bestreden door banen te creëren van voldoende urenomvang (vaak vanaf 25 uur)74. Het volgende hoofdstuk gaat in op de wensen, verwachtingen en competenties van de centrale partij binnen het denken over de wijkbasisbaan: de groep langdurig werkzoekenden en hun activeringscoaches.

74

Dit kan in de praktijk een probleem opleveren voor mensen met een of meer arbeidsbeperkingen.

SEOR

28

5. HAALBAARHEIDSONDERZOEK: LANGDURIG WERKZOEKENDEN EN COACHES

In dit hoofdstuk kijken we vanuit het perspectief van de langdurig werkzoekenden. Biedt de basisbaan voldoende perspectief voor deze mensen, hoe moeten deze banen eruitzien, wat zijn belangrijke uitvoeringsaspecten, en aan welke verwachtingen zou het moeten voldoen? We zijn eerst in gesprek gegaan met zeven activeringscoaches en adviseurs van de afdeling Prestatie010 van de Gemeente Rotterdam (en UWV). Via deze weg verkregen we contactgegevens om vervolgens 19 werkzoekenden (acht mannen en elf vrouwen) in de maanden juli en augustus 2020 te interviewen over hun visies en verwachtingen rondom de wijkbasisbaan. 5.1 Coaches: belang van duurzaam perspectief De doelgroep bestaat voornamelijk uit mensen met een lange afstand tot de arbeidsmarkt. Dit zijn mensen die moeite hebben met het vinden van een reguliere baan. Vaak heeft dit te maken met een gebrek aan (recente) werkervaring. Deze groep is divers en ondervindt problemen die zowel een oorzaak als gevolg kunnen zijn van hun arbeidsmarktpositie. Lichamelijke klachten zijn de meest voorkomende belemmerende factoren, gevolgd door mentale klachten. Andere belemmeringen die kunnen voorkomen bij deze doelgroep zijn bijvoorbeeld een lage taalvaardigheid, schulden en verslavingen.

Er zijn volgens de activeringscoaches voldoende mensen die in aanmerking kunnen komen voor de wijkbasisbaan, als er maar aandacht wordt geschonken aan het juiste type werk voor de juiste persoon. Een voorwaarde is wel dat de kandidaten niet teveel (psychische of lichamelijke) belemmeringen hebben. Een ander belangrijk punt is dat de mensen met een basisbaan een aanspreekpunt moeten zijn in de wijk en dus een sociale instelling moeten hebben. Kennis van de Nederlandse taal is daarbij een voordeel. Een stabiele leefsituatie is vooral voor de werknemer zelf belangrijk. Zaken als huisvesting, een goede gezondheid en stabiele financiën moeten volgens de activeringscoaches eerst op orde zijn voordat iemand klaar is om te werken, anders kan de stap naar werk (te) zwaar zijn. De doelgroep langdurig werkzoekenden ondervindt namelijk vaak meerdere hindernissen op weg naar werk en maatwerk is dus gewenst om zoveel mogelijk mensen aan een geschikte baan te helpen. Alle gesprekspartners benadrukken in meer of mindere mate het belang dat een wijkbasisbaan duurzame aanknopingspunten biedt aan langdurig werkzoekenden: “Mensen hebben soms hun vertrouwen verloren in de gemeente en hebben niets aan een tijdelijk project (…) ze moeten echt het idee hebben erop vooruit te gaan” Bovenstaande citaat laat zien dat een valkuil van de wijkbasisbaan ligt in het aanbieden van korte, tijdelijk trajecten.

Een wijkbasisbaan moet mensen de mogelijkheid bieden om duurzaam te werken aan de eigen arbeidsloopbaan. Bekend is dat ongeveer 20% van de mensen die de bijstand

SEOR

29

in Nederland uitstroomt, binnen een jaar weer aanklopt bij de gemeente (35% binnen vijf jaar).75 Een duurzaam perspectief in termen van begeleiding en arbeidsuren is dan een randvoorwaarde om mensen zekerheid en vertrouwen te geven naar de toekomst. 5.2 Langdurig werkzoekenden en coaches: type werkzaamheden De Rotterdamse wijken zijn erg divers. De geïnterviewde werkzoekenden noemen dan ook verschillende verbeterpunten in hun wijk. Voorbeelden zijn het tegengaan van geluidsoverlast, zwerfafval, een gebrek aan groen, veiligheid (voor de kinderen), hangjongeren, eenzaamheid bij ouderen, huisvestingsproblematiek en drugsoverlast. Oplossingen voor deze problemen beginnen vaak bij het signaleren hiervan. Signalerende functies, zoals de eerder aangehaalde wijkconciërge, zouden volgens werkzoekenden geschikt zijn als basisbaan. Daarnaast is het goed om een aanspreekpunt te hebben met wie wijkbewoners een gesprek kunnen aangaan, vinden zowel de werkzoekenden als ook hun activeringscoaches. Activeringscoaches en werkzoekenden dragen verschillende werkzaamheden aan voor de wijkbasisbaan. Deze kunnen worden geclusterd in de volgende twee categorieën: -

Signalerende en onderhoudsfuncties: bijvoorbeeld wijkconciërges, conciërge bij een school of culturele instelling, coaching, stadsbeheer etc. Ondersteunende functies: het helpen in een buurthuis, het doen van administratief werk, ondersteuning in de klas, hulp bij sportverenigingen en evenementen, ondersteuning aanbieden in de gezondheidszorg, etc.

Bovenstaande taken vertonen overeenkomsten met het door wijkbewoners en organisaties aangehaalde contact- en klussenwerk in de wijk. Veel van de werkzaamheden worden momenteel door vrijwilligers gedaan. Er wordt aangegeven dat organisaties vaak niet over het budget beschikken om iemand hiervoor in dienst te nemen. Een voorbeeld is het ‘Huis van de Wijk’, waar taallessen, activiteiten met kinderen en advies voor opleidingen worden gegeven, maar dit werk is nu onbetaald. Een groot deel van de doelgroep kampt met fysieke beperkingen76 en geeft aan dat dit een belangrijke factor is die hun mogelijkheden begrenst. Het is daarom belangrijk om voortdurend aandacht te hebben voor het (fysieke) inspanningsniveau van de werkzaamheden.77 Deze 75

Divosa (2019). Herinstroom in de bijstand. Utrecht: Divosa.

76

Meer dan de helft van de respondenten gaf aan met een vorm van fysieke beperkingen te kampen, waardoor bepaalde werkzaamheden moeilijk of niet mogelijk zouden zijn. Voorbeelden zijn rug-, heup-, handklachten, diabetes, hartproblemen, en andere ziektes die medicatie vereisen.

77

Hier is het belangrijk om veel aandacht te besteden aan wat de persoon kan en wat niet. Zo kunnen sommige werkzaamheden als receptionist op het eerste zicht niet fysiek belastend zijn, maar als de persoon in kwestie een belemmering aan de handen heeft of vanwege heupproblemen niet lang kan zitten, dan is dit type werk uiteraard minder geschikt.

SEOR

30

constatering zal dan ook een centraal uitgangspunt moeten zijn bij iedere match tussen taken in de wijk en de vermogens en beperkingen van werkzoekenden. Wanneer respondenten wordt gevraagd naar werkzaamheden die ze liever niet zouden willen doen, geeft een deel aan dat zij juist vanwege fysieke beperkingen geen zwaar werk kunnen verrichten of vanwege zorgtaken slechts deeltijds kunnen werken. 5.3 Toegevoegde waarde van een (wijk)basisbaan Werkzoekenden geven aan erg geïnteresseerd te zijn in het uitzicht op een ‘echte baan’: “Vanwege mijn vroegere ervaringen zou voor planten zorgen of papier prikken een teleurstelling zijn. Niet dat er iets mis is met deze werkzaamheden, maar het sluit niet aan bij mijn interesse en vaardigheden. Dat zou zowel voor de werknemer als voor de werkgever ongunstig zijn. Het inhoudelijke aspect van de baan is dus belangrijk” Iemand anders zegt hierover: “De baan moet een doel hebben waar mensen voor gemotiveerd zijn, anders is het bezigheidstherapie” Het merendeel van de respondenten (zowel activeringscoaches als werkzoekenden) is het erover eens dat het uitgangspunt van een (wijk)basisbanen een goed idee is. Zij noemen met name de volgende voordelen: -

Financiële zelfredzaamheid: het vooruitzicht er financieel op vooruit te gaan. Wel informeren meerdere werkzoekenden in hoeverre ze er dan op vooruitgaan. Eigenwaarde: betaald werk zorgt voor een gevoel van waarde te zijn. Dit motiveert mensen en geeft een impuls aan hun persoonlijke groei en zelfvertrouwen. Structuur: betaald werk geeft structuur (‘het weer moeten opstaan en meedraaien’) Werkzekerheid: werkervaring biedt ook kansen om op termijn bij te scholen en/of ander werk te kunnen doen (‘laten zien dat je weer aan het werk bent’).

Een wijkbasisbaan kan volgens de gesproken respondenten inspelen op belangrijke behoeften, die zijn samen te vatten via bovenstaande vier voordelen. 5.4 Uitvoeringsaspecten van de basisbaan Aan coaches en langdurig werkzoekenden zijn ook een aantal vragen gesteld over de uitvoering. Aan welke voorwaarden moet een (wijk)basisbaan voldoen? 5.4.1 Duur en urenomvang Zowel de activeringscoaches als werkzoekenden waren duidelijk over het belang van een langer perspectief op werk. In plaats van te werken op projectbasis, wordt er gedacht aan een werkduur van minstens twee jaar. Voor mensen die al eerdere uit een uitkering komen, is het al erg moeilijk

SEOR

31

om werk te vinden. Als het dan slechts voor een korte periode is, dan kan dat voor demotiverend zijn: “Zeker om ervaring op te bouwen en aan de wijk te bouwen, heeft het geen zin om slechts voor korte duur te werken” Wat betreft het aantal gewerkte uren per week, geven de meeste werkzoekenden aan dat 25 uur per week tot fulltime ideaal zou zijn. Enkele respondenten geven aan minder dan 25 uur te kunnen werken. Meestal is de reden hiervoor een (ernstige) fysieke beperking of de hogere leeftijd. Naast een minimale urenomvang is de match tussen het werk en de mogelijkheden van de werkzoekende een cruciale randvoorwaarde. Daarnaast is het belangrijk dat het werk te combineren is met de leefsituatie, voor een alleenstaande moeder met kleine kinderen is het bijvoorbeeld niet vanzelfsprekend om fulltime of tijdens een vakantieperiode te werken. Wanneer mensen aan het werk gaan is naast een minimum urenomvang ook een meerjarig perspectief gewenst (zie ook paragraaf 5.1). Dit is meermaals aangegeven door de activeringscoaches en werkzoekenden. In het ideale geval moet er een mogelijkheid zijn om te groeien in het werk (mits iemand goed functioneert), zodat men perspectief heeft. Dit gaat stapsgewijs: “Het moet voornamelijk laagdrempelig werk zijn, maar met doorgroeimogelijkheden.

Het vertrouwen van mensen moet groeien” 5.4.2 Werken in de eigen wijk Het merendeel van de respondenten geeft aan liever in de eigen wijk te werken. Aangrenzende wijken kunnen eventueel ook. Wat belangrijk is, is dat het goed te bereiken is (ook met het openbaar vervoer), bijvoorbeeld binnen een straal van tien kilometer. Als men vroeg moet beginnen, is er namelijk niet altijd openbaar vervoer. Een andere reden is dat mensen hun wijk en haar bewoners kennen, en juist hier zelf willen meehelpen. In enkele gevallen gaf iemand echter aan liever in een andere wijk te werken. Een reden hiervoor is dat mensen niet herkend willen worden. Tot slot kan het werken in eigen wijk voor alleenstaande ouders van belang zijn om zorgtaken te kunnen combineren met werk. 5.4.3 Belang van begeleiding op het werk Vooral de activeringscoaches geven het belang van een vorm van coaching aan, aangezien het om mensen gaat die vaak al langere tijd niet hebben gewerkt. Sommige werkzoekenden zullen daarom meer ondersteuning nodig hebben om niet terug te vallen. Een jobcoach kan nuttig zijn, maar de werkgever zou in principe altijd in zekere mate moeten begeleiden of op zijn minst een centraal aanspreekpunt moeten hebben. Dit kan een soort van buddy of life coach zijn, iemand met ervaring in het vak waarbij ze kunnen aansluiten. Dit is vooral handig in het begin, en kan

SEOR

32

eventueel later afgebouwd worden. Bij iemand die ze vertrouwen kunnen ze langsgaan wanneer ze vastlopen in werkzaamheden of vragen hebben. Ook bij andere trajecten op het gebied van werk wordt het belang van life coaching onderkend, zoals bij het project ‘Open Hiring’78 De definitieve wijze en mate van begeleiding blijft vanzelfsprekend maatwerk, hoewel ook activeringscoaches aangeven dat iedereen in meer of minder mate naar verwachting wat extra’s nodig heeft. 5.5 Tot slot: de zoektocht naar een langdurige ‘match’ In hoofdstuk drie is vastgesteld dat er in wijken werk voorhanden is dat kan leiden tot invulling van wijkbasisbanen. Ook vertegenwoordigende partijen uit het bedrijfsleven zien mogelijkheden (hoofdstuk vier). Tegelijkertijd zijn er een aantal serieuze kanttekeningen te plaatsen, die variëren van gebrekkige opschalingsmogelijkheden tot en met het risico van stigmatisering, versnippering van beleid en overspannen verwachtingen. In dit hoofdstuk geven de activeringscoaches en werkzoekenden nog enkele andere aandachtspunten mee. Eerst en vooral moet er primair aandacht zijn voor de (on)mogelijkheden van werkzoekenden. Ten tweede moet de wijkbasisbaan een langdurig project zijn, met voldoende perspectief en begeleiding zodat mensen (weer) langdurig maatschappelijk actief kunnen zijn.

Ten slotte vragen meerdere werkzoekenden zich af wat er gebeurt met toeslagen die ze momenteel ontvangen en wat er financieel gebeurt zodra ze aan het werk gaan. In het volgende hoofdstuk leiden we op basis van alle bevindingen de overkoepelende, centrale conclusies af.

78

Zie Jansen, L. & Dekker, F. (2019). Open Hiring: een baan zonder sollicitatiegesprek, Sociaal Bestek, 81(5/6): 4-6.

SEOR

33

6. WIJKBASISBANEN: (ON)MOGELIJKHEDEN EN TOEGEVOEGDE WAARDE

In het beleidsmatig debat wordt steeds vaker gesproken over het mogelijke nut van een (wijk)basisbaan, maar onderzoek op dit domein is schaars. De gemeente Rotterdam wenst daarom een eerste inzicht in de mogelijkheden en beperkingen ervan. In dit haalbaarheidsonderzoek is (kwalitatief) verkend wat de (on)mogelijkheden zijn van invoering van een Rotterdamse wijkbasisbaan. Hiervoor is de bestaande literatuur bestudeerd en zijn in totaal 54 personen geïnterviewd, bestaande uit: • • • •

Vertegenwoordigers vanuit Rotterdamse wijken: 18 personen. Vertegenwoordigers vanuit bedrijfsleven: 10 personen. Activeringscoaches: 7 personen. Langdurig werkzoekenden: 19 personen.

Hieronder worden, per onderzoeksvraag, de belangrijkste vaststellingen gepresenteerd. 6.1

Onderzoeksvraag 1: Wat zijn eerdere ervaringen in Nederland met publieke baancreatie voor langdurig uitkeringsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt? Wat zijn de voor- en nadelen?

Door de jaren heen is op verschillende manieren invulling gegeven aan de re-integratie van langdurig uitkeringsgerechtigden. Naast de vele trainings- en scholingsinstrumenten en (tijdelijke) subsidiemogelijkheden voor werkgevers, kunnen beleidsmakers ervoor kiezen om de werkgelegenheid voor mensen met een afstand tot werk te vergroten. De bekendste voorbeelden hiervan zijn de zogenaamde Melkert- en WSW-banen. Dit wordt vaak als zinvol beschouwd omdat met het verstrijken van de tijd de kansen om een baan te vinden snel afnemen; kennis en vaardigheden van mensen zonder werk verouderen, werklozen raken minder gemotiveerd en werkgevers kunnen (langdurige) werkloosheid beschouwen als een signaal van een lagere productiviteit.79 Bekend is echter dat publieke baancreatie kan leiden tot ‘lock-in effecten’. Dit houdt in dat mensen stoppen met zoeken naar ‘regulier’ werk. Daarom moeten (wijk)basisbanen zich richten op de mensen met de grootste afstand tot werk, waardoor insluitingseffecten minder problematisch zijn. Ook moet opgepast worden voor processen van verdringing, dus gesubsidieerd werk zal zich zoveel mogelijk moeten richten op niet-bestaand (betaald) werk. Hiermee wordt verdringing van niet-gesubsidieerde groepen beperkt.

Een andere les uit het verleden is dat gesubsidieerde banen zelden een opstap vormen naar ‘regulier’ werk en dat de verwachtingen hieromtrent realistisch moeten zijn.80 Tegen deze nadelen staan uiteenlopende voordelen van gesubsidieerd werk. Mensen doen arbeidsritme op, werken aan hun zelfvertrouwen en (werknemers)competenties en krijgen het 79

Zie bijvoorbeeld Groot, I. (2009). Hoe helpen we langdurig werklozen aan een baan, TPE Digitaal, 3(2): 67-84.

80

Zie bijvoorbeeld SCP (2003). De uitkering van de baan. Den Haag: SCP.

SEOR

34

gevoel (weer) mee te tellen in de samenleving.81 Hierbij is een intensieve aandacht voor de vaardigheden en beperkingen van langdurig werklozen een randvoorwaarde. Hoewel ook via de verplichte tegenprestatie in de bijstand aan verschillende persoonlijke doelen en de psychologische functies van arbeid gewerkt kan worden, is het vooralsnog een open vraag of dit een betere strategie is in vergelijking met een gesubsidieerde variant op basis van vrijwilligheid. Hoewel uitstroom van de uitkering naar betaald werk niet de primaire doelstelling is van de tegenprestatie, laat evaluatieonderzoek zien dat een minderheid van de deelnemers in Rotterdam van mening is dat de kans op een betaalde, ‘reguliere’ baan door de tegenprestatie wordt vergroot.82 Bekend is verder dat participatie op basis van vrijwilligheid bij kan dragen aan betere uitkomstvariabelen op de arbeidsmarkt83 en hogere bijverdiensten kunnen bijdragen aan een (gedeeltelijke) uitstroom naar werk.84 Maar of er uiteindelijk gekozen wordt voor publieke baancreatie, zoals de (wijk)basisbaan is vooralsnog afhankelijk van de (politieke) vraag welke waarde de samenleving hecht aan betaalde vormen van maatschappelijke participatie van mensen die op dit moment aan de kant staan. 6.2

Onderzoeksvraag 2: Welke maatschappelijke behoeften hebben mensen in Rotterdamse wijken?

Doelstellingen van een wijkbasisbaan kunnen alleen maar slagen wanneer ze bijdragen aan een maatschappelijke behoefte van wijkbewoners. Net zoals eerder te zien was bij een landelijke peiling onder ruim 1.000 Nederlanders85, is er doorgaans behoefte aan activiteiten die zich richten op ondersteunde functies zoals in de zorg en onderwijs. Maar er is meer. Signalerende functies (zoals conciërges en buurtbrigadiers) en ‘klussenwerk’ in en om huishoudens (zoals boodschappendiensten en tuinonderhoud) zijn andere veelgenoemde voorbeelden onder wijkbewoners, bedrijven en langdurig werkzoekenden. Dit zijn werkzaamheden die sterk overeenkomen met vergelijkbare projecten die zich richten op activering van langdurig uitkeringsgerechtigden, zoals in Den Haag (‘STiP-banen’) en Amsterdam (‘Werkbrigade’). Het is werk dat volgens de respondenten anders (grotendeels) blijft liggen. Hierdoor wordt verdringing zoveel mogelijk voorkomen. Toch is een verdringingstoets nog steeds aan te raden. Zeker wanneer het gaat om klussendiensten kan er altijd sprake zijn van enige mate van verdringing (denk bijvoorbeeld aan de groep zzp’ers die actief is in de kluseconomie). Voorts wordt een deel van het werk door (onbetaalde) vrijwilligers gedaan, wat door de gesprekspartners overigens niet als probleem wordt gezien.

Het zijn volgens de geïnterviewden bovendien werkzaamheden die (naar verwachting) aansluiten bij de arbeidsvermogens van veel mensen die al langdurig op zoek zijn naar werk. Tegelijkertijd passen hier enkele kanttekeningen. Vertegenwoordigers van Rotterdamse wijken geven aan dat er minder enthousiasme is zodra er zogenaamde ‘bullshit jobs’ worden gecreëerd. Oftewel: onzinnige taken, waarbij niet zelden wordt

81

WRR (2020). Het betere werk. Den Haag: WRR.

82

Bus, A., De Vries, C. & Van Zeele, S. (2017). Effecten van de tegeprestatie in Rotterdam. Rotterdam: OBI.

83

Zie bijvoorbeeld Tisch, A. & Wolff, J. (2015). Active labour market policy and its outcomes, International Journal of Sociology and Social Policy, 35(1/2): 18-46.

84

CPB (2020). Evaluatie experimenten Participatiewet. Den Haag: CPB.

85

Dekker, F. (2019). Wat vindt Nederland maatschappelijk waardevol werk? Eindhoven: Start Foundation.

SEOR

35

verwezen naar ‘de zoveelste koffiejuffrouw of –meneer’. En ook de term ‘basisbaan’ heeft het gevaar in zich om bij te dragen van verdere stigmatisering van groepen die niet deel kunnen nemen aan het reguliere arbeidsproces. Zodra er een voldoende ‘match’ is tussen behoeften in de wijk (met name signalerend en ondersteunend (klussen)werk) en de verwachtingen en capaciteiten van langdurig werkzoekenden, ontstaat er waarschijnlijk perspectief. Verder lijkt het verstandig om in plaats van basisbanen te spreken over wijkbanen, of een andere naam die niet bijdraagt aan mogelijke stereotypering (zoals eerder bij de ‘Melketiers’ het geval was). Opvallend is dat het type werkzaamheden niet sterk lijkt te variëren naar Rotterdamse wijkcontext, kennelijk gaat het (grofweg) om dezelfde maatschappelijke behoeften, waarbij wel wordt aangetekend dat het concept wijkbasisbaan naar verwachting het meest ‘rendeert’ in buurten en wijken waar de sociaal-economische uitdagingen groter zijn en de financiële welvaart van inwoners lager, zoals in Feyenoord of Delfshaven. 86 6.3

Onderzoeksvraag 3: Waar zit de maatschappelijke meerwaarde van deze Rotterdamse wijkbasisbanen en bij welke actoren komt deze meerwaarde terecht?

De keuze voor bepaalde werkzaamheden en banen bepalen de uiteindelijke maatschappelijk meerwaarde van een Rotterdamse wijkbasisbaan. In het algemeen draagt aanvullende werkgelegenheid volgens de respondenten bij aan een toename van de maatschappelijke participatie van deelnemers (en mogelijke uitkeringsbesparing, die terechtkomt bij de gemeente, een mogelijke afname van toezichts- en onderhoudskosten, die terechtkomt bij de gemeente, schoonmaakbedrijven en woningbouwcorporatie en een betere gezondheid van deelnemers en afnemende zorgconsumptie van deelnemers, die terechtkomt bij zorgverzekeraars). Hier tegenover staat een toename van uitgaven via loonkosten (WML en werkgeverslasten, eventueel met aftrek van loonkostensubsidie, wanneer deelnemers niet in staat zijn om zelfstandig het minimumloon te verdienen) en begeleidingskosten van deelnemers op de werkplek. Zeker het punt van de begeleiding is in de beleving respondenten noodzakelijk om in de begroting van een wijkbasisbaan op te nemen. In eerdere studies naar de mogelijkheden van een basisbaan wordt dit bedrag ingeschat op €4.000 per jaar geschat (per fulltime medewerker).

Hoewel er verschillende varianten bestaan in hoe een basisbaan (juridisch) wordt vormgegeven, laat een globale berekening (op basis van een 36-urig dienstverband) zien dat de extra kosten van een wijkbasisbaan naar verwachting gemiddeld €1.343 per maand bedragen87, oftewel €16.119 extra kosten per basisbaan per jaar (zonder een eventuele loonkostensubsidie88): • •

Toename loonkosten (bruto WLM89, op basis van 20% werkgeverslasten90 en 8% vakantietoeslag): €2.177 Toename begeleidingskosten91: €333

86

OBI (2020). Feitenkaart. Financiële welvaart Rotterdam op gebieds- en buurtniveau 2017 en 2018. Rotterdam: OBI.

87

Afgerond op hele euro’s.

88

Deze bedraagt maximaal 70% WML (met vakantietoeslag), vermeerderd met een vergoeding voor werkgeverslasten. Gemeenten kunnen een loonkostensubsidie betalen uit het BUIG-budget. Hierdoor zullen de gemiddelde extra kosten hoger liggen ten opzichte van een variant met een volledige basisbaan.

89

Bruto bedragen per 1 juli 2020.

90

Via loonwijzer.nl

91

Mosselman, K. & Ravenshort, W. (2019). Basisbaan in Assen. Hanzehogeschool Groningen/SHMC.

SEOR

36

• •

Besparing BUIG-gelden92: €1.167 Gemiddelde extra (directe) kosten wijkbasisbaan: €1.343

Hierboven past wel de opmerking dat dit gaat om directe, financiële kosten en baten. Bovendien kunnen de exacte kosten en baten pas worden vastgesteld bij een definitieve (juridische) vormgeving van een wijkbasisbaan. De businesscase van een wijkbasisbaan is mogelijk sluitend te krijgen wanneer de maatschappelijke opbrengsten de extra (directe) kosten van een wijkbasisbaan compenseren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan verbeteringen in de thuissituatie van deelnemers, gezondheid, veiligheid en sociale samenhang in de wijk. Bekend is namelijk dat de totale baten van het aan een baan helpen van mensen verder gaan dan de directe opbrengsten. Zo leidt arbeidsdeelname van mensen met een arbeidsbeperking tot besparingen op GGZ en Wmo-gebruik van respectievelijk €500 en €1.400 per jaar (en er is sprake van minder maatschappelijke schade door criminaliteit).93 Door breder te kijken naar de (welvaarts)opbrengsten van werk wordt het mogelijk om ook financiering te zoeken buiten de publieke sector, aangezien meerdere partijen belang zullen hebben bij de opbrengsten van een wijkbasisbaan. Wanneer echter uitsluitend naar de directe kosten en baten wordt gekeken gaat een basisbaan (zeker op korte termijn) gepaard met een gemeentelijke lastenverzwaring. 6.4

Onderzoeksvraag 4: Zijn bedrijven in Rotterdam bereid om op basis van deze maatschappelijke behoeften en baten financieel bij te dragen aan de Rotterdamse wijkbasisbaan?

De opbrengsten van betaald werk zijn groter dan de (directe) materiële baten. Dit betekent dat een wijkbasisbaan voordeel kan hebben voor een brede groep stakeholders, waaronder het bedrijfsleven. Tegelijkertijd doet zich hier een aantal knelpunten voor. Het lijkt erop dat bedrijven onvoldoende zicht hebben op een werkende businesscase. De uitgangspunten van een wijkbasisbaan gaan uit van brede welvaartseffecten, die ook voor bedrijven positief kunnen uitpakken. Maar op dit moment is nog onvoldoende duidelijk op welke wijze bedrijven hier precies baat bij hebben. Bovendien zullen mensen met een afstand tot werk naar verwachting intensieve begeleiding nodig hebben. Ten derde voorzien werkgevers een te grote versnippering in het lokaal beleid. Er is op dit moment onvoldoende vertrouwen dat een wijkbasisbaan verschil gaat maken, zeker gezien alle al lopende trajecten en inspanningen in de stad (denk bijvoorbeeld aan de lopende Leerwerkakkoorden en de ‘opstapbanen’ in de zorg, haven, bouw en techniek voor mensen met een bijstandsuitkering). Het ligt daarom niet in de verwachting dat bedrijven op korte termijn zullen aansluiten bij de ontwikkeling van een wijkbasisbaan. Wanneer de gemeente Rotterdam wil gaan experimenteren passen een aantal financiële varianten: •

De gemeente zorgt voor volledige financiering van een x-aantal basisbanen in de pilotfase, bijvoorbeeld via de inzet van uitkeringsgeld, en bouwt deze financiering (per jaar) stapsgewijs af, bijvoorbeeld 100%-70%-50% van de bekostiging, via cofinanciering. In het eerste jaar dient de gemeente de uitkering ‘op te plussen’ tot het wettelijk minimumloon (afhankelijk van de specifieke urenomvang van de basisbaan). Dit kan bijvoorbeeld door

92

De gemeente bespaart maximaal €14.000 als het bijstandsbestand met een uitkering afneemt, zie Divosa (2017). Factsheet Bijstandsbudget 2017. Utrecht: Divosa.

93

CPB/SCP (2020). De brede baten van werk. Den Haag: CPB/SCP.

SEOR

37

• •

6.5

gebruik te maken van financieringen vanuit andere portefeuilles (bijvoorbeeld op het gebied van leefbaarheid). Baancreatie via ‘social return’, waarbij een deel van de aanneemsom (vaak 5%) wordt benut voor de ontwikkeling van wijkbasisbanen. Er wordt een maatschappelijke businesscase omtrent een x-aantal basisbanen in beeld gebracht (bijvoorbeeld via een ‘MKBA’ op wijkniveau), waarbij de opbrengsten worden verdeeld onder een aantal nauw omschreven stakeholders. Hierbij past in een pilotfase mogelijk een financieringsmodel op basis van behaald resultaat. Een ‘wijkimpactbond’ is bijvoorbeeld een mogelijke manier om hier concreet invulling aan te geven. Hierbij dragen private financiers/vermogensfondsen bij aan financiering van de wijkbasisbaan, waarbij de gemeente -zodra de wijkbasisbaan daadwerkelijk doeltreffend en kosteneffectief is- de gemaakte investering terugbetaalt. Hierbij past een wijkcoöperatie mogelijk als belangrijkste uitvoerende partij om maatschappelijk waardevolle banen te verzamelen en uit te zetten onder deelnemers. Onderzoeksvraag 5: In welke werkzaamheden zijn mogelijke kandidaten geïnteresseerd en aan welke eisen (kennis, kunde, aantal uren, begeleiding) moeten zij voldoen?

De wijkbasisbaan is bedoeld om mensen die langdurig aan de kant staan perspectief te bieden. Om ‘lock-in effecten’ te voorkomen gaat het om mensen die in Rotterdam geen reintegratievoorziening (meer) krijgen opgelegd. Hierdoor is het zogenaamde ‘deadweight loss’ beperkt. Het type werk waar kandidaten in geïnteresseerd zijn verschilt (vanzelfsprekend) van persoon tot persoon. Toch wordt meerdere keren dezelfde soort werkzaamheden aangedragen: signalerende en onderhoudsfuncties (bijvoorbeeld wijkconciërges, conciërge bij een school of culturele instelling, coaching, stadsbeheer etc.) en ondersteunende functies (bijvoorbeeld het helpen in een buurthuis, het doen van administratief werk, ondersteuning in de klas, hulp bij sportverenigingen en evenementen, ondersteuning aanbieden in de gezondheidszorg, etc.). Wat de beroepsvaardigheden betreft zijn het taken waarvoor deelnemers over sociale vaardigheden dienen te beschikken en fysieke beperkingen kunnen langdurige dienstbetrekkingen in de weg staan. De aangedragen werkzaamheden lijken op functies die ook in Amsterdam (‘Werkbrigade’) en Den Haag (‘STiP) worden ingezet. De gesproken werkzoekenden vragen zich af wat extra inkomsten betekenen voor hun totale inkomen (denk hierbij aan de ‘armoedeval’) en verzoeken de gemeente om ze vooral een duurzaam perspectief te bieden94.

Wat betreft het tegengaan van een armoedeval kan inspiratie worden opgedaan in de gemeente Groningen, waarbij het uitgangspunt is om iedereen via deelname aan een basisbaan (dit is een experiment van drie jaar) er netto (na aftrek van toeslagen) financieel op vooruit te laten gaan. Om met een wijkbasisbaan echt wat teweeg te kunnen brengen voor de stad en haar inwoners past verder een meerjarig programma en een arbeidsduur van minimaal twee tot drie jaar. Een kortstondig, tijdelijk traject zal waarschijnlijk (nieuwe) teleurstelling en demotivatie voor deelnemers betekenen. Het aantal werkuren is 94

Bekend is onder andere dat een groot deel van de uitstromers uit de bijstand na verloop van tijd weer aanklopt bij de gemeente; van een onderzoeksgroep uitstromers uit de bijstand in 2009, is zeven jaar later minder dan de helft (47%) aan het werk (OBI, 2017. Arbeidsloopbanen van uitstromers uit de bijstand naar werk in regio Rijnmond. Rotterdam: OBI).

SEOR

38

afhankelijk van de capaciteiten van langdurig werkzoekenden, en met name de activeringscoaches wijzen op het belang van een buddy of life coach op de werkplek, die zowel de werkgever als werknemer kan ontlasten. 6.6

Onderzoeksvraag 6: Wat is -kijkend naar de onderzoeksbevindingen- de belangrijkste meerwaarde van de Rotterdamse wijkbasisbaan, wat zijn mogelijke randvoorwaarden om deze in de praktijk te kunnen implementeren en hoe ziet een eventueel begeleidend evaluatieonderzoek eruit?

In de voorgaande hoofdstukken is duidelijk geworden dat een wijkbasisbaan een zinvolle manier kan zijn om via nieuwe werkgelegenheid mensen werk te bieden die er niet in slagen om zelfstandig een baan te verkrijgen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de (impliciete) verwachtingen achter de eerdere Melkertbaan, staat in het oorspronkelijke denken over de basisbaan doorstroming niet voorop, en zullen meerdere partijen financieel moeten bijdragen wil het structureel verschil maken. Op basis van deze kwalitatieve verkenning lijkt het erop dat er voldoende langdurig werkzoekenden en werkplekken te vinden zijn in Rotterdamse wijken. En aangezien eerdere onderzoeken (binnen en buiten Rotterdam) erop hebben gewezen dat de reintegratie van mensen met een bijstandsuitkering nog steeds achterblijft bij de verwachtingen, kan een wijkbasisbaan een alternatieve manier zijn om de maatschappelijke participatie van mensen te vergroten. Er zijn echter een aantal belangrijke drempels te nemen. Signalen vanuit het bedrijfsleven wijzen uit dat financiering en hiermee opschaling van het initiatief op korte termijn niet is te verwachten. En wanneer de gemeente als enige partij verantwoordelijk is voor de financiering lijkt de wijkbasisbaan (te) afhankelijk van politieke opvattingen en de zogenaamde jaar-op-jaar mutaties van lokale (bijstands)budgetten.

Wanneer de gemeente besluit om via wijkbasisbanen extra inspanningen te verrichten om mensen zonder werk aan een baan te helpen, is het verstandig om dit meerjarig en als sociaal experiment in te richten. Hiermee bedoelen we het werken met voldoende deelnemers waardoor monitoring en evaluatie mogelijk worden, en het meerjarig aanbieden van werk waardoor mogelijke effecten op werknemer en wijk zichtbaar worden. Duurzame werkplekken met voldoende begeleiding zullen bovendien bijdragen aan het vertrouwen en betrokkenheid van deelnemers en wijkbewoners, zo is de verwachting. Een dergelijke aanpak is cruciaal om uiteindelijk andere partijen, zoals bedrijven, zorgverzekeraars en woningbouwcorporaties aan te laten sluiten in financiering en uitvoering. In deze haalbaarheidsstudie is een aantal voorbeelden geschetst van hoe financiering tot stand kan komen en is de aanbeveling gedaan om zoveel mogelijk aan te sluiten bij al bestaande initiatieven en de uitvoering van de wijkbasisbaan zoveel mogelijk neer te leggen in de wijk (bijvoorbeeld in coöperatief wijkverband).

Een andere mogelijke manier om te zorgen voor voldoende basisbanen in de stad is het (nog sterker) commiteren van het bedrijfsleven aan de creatie van werkgelegenheid voor mensen met een afstand tot werk, zodra wordt overgegaan tot gunning van grootschalige stedelijke projecten (denk bijvoorbeeld aan ontwikkelingen rondom ‘Feyenoord City’, de energietransitie in de haven of aan ontwikkelingen rondom het nieuwe Hofplein en Westblaak). Hierbij kan bovendien worden verkend of de wijkbasisbaan (in de toekomst) is op te schalen naar een boven-wijk of zelfs regionaal niveau. Wat het onderdeel onderzoek en evaluatie betreft verdient het aanbeveling om tijdens de uitvoering van een traject van wijkbasisbanen te werken met voldoende aantallen deelnemers en aandacht te hebben voor de gevolgen voor zowel deelnemer, opdrachtgever/bedrijf, gemeente,

SEOR

39

wijkbewoner als andere belanghebbenden (zorg, woningbouw, onderwijs etc.). Wanneer de gemeente (alsnog) besluit om doorstroming naar ander werk als uitgangspunt te nemen, past een onderzoeksdesign met ‘gematchte’ controlegroepen en verschillende arbeidsmarktkenmerken als uitkomstmaten (denk bv. aan doorstroomcijfers, inkomen, type arbeidsrelatie etc). Belangrijker lijkt het in dit verband om aandacht te hebben voor de meer maatschappelijke effecten van de wijkbasisbaan, aangezien het instrument is bedacht tegen de achtergrond van nieuwe manieren van kijken naar welvaart en werk. In dat geval staan eerder databronnen en indicatoren centraal die ingaan op zaken zoals welzijn, leefomgeving, huisvesting, criminaliteit en gezondheid. Tot slot verdient het aanbeveling om nauwgezet het implementatiedeel te evalueren (procesevaluatie). Via kwalitatieve methoden en technieken (bijvoorbeeld via interviews en wekelijkse registraties) kan kennis worden vergaard over de wijze en intensiteit van ondersteuning door professionals richting langdurig werkzoekenden. Op korte termijn moet op basis van de kwalitatieve bevindingen in dit haalbaarheidsonderzoek worden gewaakt voor té optimistische verwachtingen, of zoals een van de respondenten het verwoordde: “Het is interessant en relevant, maar geen ‘ei van Columbus’. Dan hadden we het al bedacht’.

Er is een reëel risico van lage opschaalbaarheid wanneer andere partijen niet deelnemen in financiering en uitvoering en het initiatief zal gepaard moeten gaan met een duurzaam perspectief voor deelnemers, waarbij stigmatisering moet worden vermeden. Maar dit alles neemt niet weg dat de wijkbasisbaan een innovatieve manier kan zijn om (een deel van de) mensen met een afstand tot werk (weer) te laten participeren in de samenleving.

SEOR

40

BIJLAGE: RESPONDENTEN

Wijken Anna-Maria Carbonara, wijkbewoner Afrikaanderwijk Hanan Cherif, wijkregisseur Humanitas Fernande van Dongen, bestuurslid bewonersorganisatie Zevenkamp Marjolijn Driessen, projectadviseur Sint Laurensfonds Hans Goosen, lid Rotterdamse Sociale Alliantie Jeanne van Heeswijk, Afrikaanderwijk Coöperatie Caroline van Jaarsveld, projectleider Humanitas Johan Janssens, directeur Stichting Opzoomer Mee Bart Meijs, social impact fonds Rotterdam Floris Noordhoff, onderzoeksmanager Stichting de Verre Bergen Soeshma Pandohi, lid wijkcomité Zevenkamp Sandra Pardoel, directeur Stichting De Katrol Marco Pastors, directeur NPRZ Mirjam van Rijn, social impact fonds Rotterdam Nelleke Speelman, lid wijkteam Zevenkamp Peter Steenbergen, directeur Thuis op Straat Sherita Thakoerdat, opbouwwerker Stichting De Buurtbron Paula Zwitser, trekker wijkaanpak ‘Rotterdams Weerwoord’ Bedrijven Etienne Friederichs, Facilicom Group Rodney van den Hengel, directeur De Heilige Boontjes Heleen Homburg, HR manager RET Pieter van Klaveren, MKB Rotterdam Rijnmond Leo van Loon, directeur Buzinezzclub Peter Nagelkerke, MKB Rotterdam Rijnmond / Deltalinqs (Rotterdamse haven) Paul-Eric Noordhoek, eigenaar MVOkay, verzorgt SROI-invulling van de woningbouwcorporaties in Rotterdam Renee Rotmans, HR manager Havenbedrijf Rotterdam

SEOR

41

Dirck Slabbekoorn, filiaalmanager Jumbo Frederiek Verwest, adviseur sociaal ondernemerschap Activeringscoaches/adviseurs Bijzondere dank gaat uit naar zeven activeringscoaches/adviseurs, die in deze rapportage anoniem zijn opgenomen. Langdurig werkzoekenden Bijzondere dank gaat uit naar negentien langdurig werkzoekenden, die in deze rapportage anoniem zijn opgenomen.

SEOR

42

Dit rapport doet verslag van onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van de gemeente Rotterdam. De verantwoordelijkheid voor de inhoud berust bij SEOR BV. Het gebruik van het materiaal in dit rapport is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Vermenigvuldiging en/of openbaarmaking in welke vorm dan ook is uitsluitend toegestaan na schriftelijke toestemming van SEOR BV. Het onderzoek is uitgevoerd door SEOR BV.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=ee119ea8-000f-488d-a24a-8f1eb43a4290