CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

20bb17092 Bijlage 1 behorende bij 20bb17094 - ontwerpbestemmingsplan Cool

Gemeenteraad 18 maart 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 23. Het voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Cool’.37.151 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Cool Ontwerpbestemmingsplan

Opgesteld door:

datum:

16 juni 2020

Stadsontwikkeling Ruimte & Wonen, Bureau Bestemmingsplannen

Vastgesteld d.d.:

........

Postbus 6575 3002 AN, Rotterdam

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Gekozen planopzet

5

1.3

Ligging en begrenzing

5

1.4

Geldende bestemmingsplan

6

Beleid

7

2.1

Rijksbeleid

7

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

8

2.3

Gemeentelijk beleid

12

Beschrijving van het plangebied

21

3.1

Ontstaansgeschiedenis

21

3.2

Archeologie

21

3.3

Historie

21

3.4

Huidig gebruik

23

3.5

Stadsgezichten en Monumenten

24

Planbeschrijving

29

4.1

Ontwikkelingen

29

4.2

Juridische planbeschrijving

30

Water

40

5.1

Beleidskader

40

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

40

5.3

Huidige watersysteem

41

5.4

De wateropgave

41

Hoofdstuk 6

Milieu

43

6.1

Inleiding

43

6.2

Milieuzonering

43

6.3

Milieu effectrapportage

44

6.4

Geluid

45

6.5

Luchtkwaliteit

53

6.6

Bodem

54

6.7

Externe veiligheid

55

6.8

Natuur

56

Handhaving

60

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 5

Hoofdstuk 7

2

Hoofdstuk 8

Financiële uitvoerbaarheid

61

Hoofdstuk 9

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

62

9.1

Participatie

62

9.2

Vooroverleg

62

Bijlagen

63

Bijlage 1

Huidige horecavestigingen

64

Bijlage 2

Geluid

68

Bijlage 3

Ontwerp Hogere Waardenbesluit

374

Bijlage 4

Luchtkwaliteit

383

Bijlage 5

Flora en Fauna

388

Bijlage 6

Water

415

Bijlage 7

m.e.r.-beoordelingsbesluit

447

Regels

453

Hoofdstuk 1

INLEIDENDE REGELS

454

Artikel 1

Begrippen

454

Artikel 2

wijze van meten

459

BESTEMMINGSREGELS

460

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Centrum - 1

460

Artikel 4

Centrum - 2

462

Artikel 5

Centrum - 3

464

Artikel 6

Centrum - 4

466

Artikel 7

Groen

468

Artikel 8

Horeca

469

Artikel 9

Maatschappelijk - 1

470

Artikel 10

Maatschappelijk - 2

471

Artikel 11

Tuin

472

Artikel 12

Verkeer - Erf

473

Artikel 13

Verkeer - Parkeergarage

474

Artikel 14

Verkeer - Verblijfsgebied

475

Artikel 15

Verkeer - Wegverkeer

476

Artikel 16

Water

477

Artikel 17

Leiding - Water

478

Artikel 18

Waarde - Archeologie

480

Artikel 19

Waarde - Cultuurhistorie 1

482

Artikel 20

Waarde - Cultuurhistorie - 2

484

Artikel 21

Waterstaat - Waterkering

485

Artikel 22

Waterstaat - Waterstaatkundige functie

486

Hoofdstuk 3

ALGEMENE REGELS

487

3

Artikel 23

Anti-dubbeltelregel

487

Artikel 24

Algemene bouwregels

488

Artikel 25

Algemene aanduidingsregels

490

Artikel 26

Algemene afwijkingsregels

492

Artikel 27

Algemene wijzigingsregels

493

Artikel 28

Algemene procedureregels

495

Artikel 29

Overige regels

496

Hoofdstuk 4

OVERGANGS- EN SLOTREGELS

497

Artikel 30

Overgangsrecht

497

Artikel 31

Slotregel

498

Bijlagen

499

Bijlage 1

Lijst van bedrijfsactiviteiten categorie 1 t/m 2

500

Bijlage 2

Lijst van bedrijfsactiviteiten

501

Bijlage 3

Parkeernormen

506

Bijlage 4

Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria

511

4

Toelichting Samenvatting Het geldende bestemmingsplan “Cool” wordt met dit nieuwe bestemmingsplan geactualiseerd en zal het genoemde bestemmingsplan vervangen. De veranderingen in het plangebied, die in de loop van de jaren hebben plaatsgevonden worden in het nieuwe bestemmingsplan opgenomen. Voor het grootste deel zal het bestemmingsplan wijzigingen als gerealiseerde woningen volgens de feitelijke situatie vastleggen. In het bestemmingsplan zijn opnieuw globale centrumbestemmingen opgenomen, die meerdere functies mogelijk maken. In hoofdstuk 4.2 van de toelichting zijn in de juridische planbeschrijving de bestemmingen nader toegelicht. Voor horeca is de flexibele regeling per horecacluster behouden. Daarbinnen wordt voortaan getoetst aan het maximum aantal horecavestigingen per horecacluster i.p.v. het maximum aantal verleende exploitatievergunningen. De parallel aan dit bestemmingsplan lopende (vergunnings/wijzigings)procedures voor o.a. de Baantoren, de Maasbode en Downtown zijn niet opgenomen in dit bestemmingsplan, maar lopen hun eigen traject.

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Het nu geldende bestemmingsplan voor de wijk Cool is aan vernieuwing toe. Het opstellen van het nieuwe bestemmingsplan gebeurt in het kader van het meerjarenprogramma voor de actualisering van bestemmingsplannen.

1.2

Gekozen planopzet

Het nieuwe bestemmingsplan "Cool" sluit aan op de grenzen van de omliggende geldende bestemmingsplannen. Het geldende bestemmingsplan "Cool" worden juridisch-planologisch dan ook zoveel mogelijk verankerd in het nieuwe bestemmingsplan. De opzet van het huidige bestemmingsplan "Cool" met voornamelijk globale bestemmingen is nog goed werkbaar gebleken en zal dus vooral worden geactualiseerd. Het plan wordt gedigitaliseerd ter voorbereiding op de Omgevingswet.

1.3

Ligging en begrenzing

Het plangebied ligt in de binnenstad van Rotterdam. De wijk Cool bestaat uit drie kwartieren, te weten het Mauritskwartier, het Witte de Withkwartier en het Baankwartier. Het Mauritskwartier (Cool-Noord) maakt deel uit van de Centrumruit en ligt ten noorden van de West-blaak, de andere kwartieren (Cool-Zuid) liggen ten zuiden van deze verkeersboulevard. Het plangebied wordt omringd door het Museum-park, Waterstad en het Nieuwe Werk/Scheepvaartkwartier. Het plan wordt in het westen begrensd door de Mauritsweg en Eendrachtsweg (culturele as), in het noorden door de Mauritsplaats en het Schouwburgplein, in het oosten door de Karel Doormanstraat overgaand in de Westblaak en vervolgens in de Schiedamsedijk (stadsas) en in het zuiden door het Vasteland.

5

Figuur: Plangebied Cool

1.4

Geldende bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan voor het plangebied is het bestemmingsplan "Cool" (2011) en heeft dezelfde plangrens als het voorliggende bestemmingsplan.

6

Hoofdstuk 2 2.1

Beleid

Rijksbeleid

Algemeen Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 zijn de juridische mogelijkheden van het Rijk gewijzigd. Structuurvisies zullen voortaan de hoofdlijnen van het nationale ruimtelijk beleid aangeven en de nationale belangen die met dat beleid worden behartigd proberen veilig te stellen. Ter verwezenlijking daarvan heeft het Rijk de beschikking over nieuwe juridische mogelijkheden. Het Rijk kan een bestemmingsplan opstellen, een zogenaamd rijksinpassingsplan. Daarnaast zijn er instrumenten die uitvoering van het rijksbeleid kunnen verzekeren zoals de bevoegdheid tot het stellen van algemene regels in een algemene maatregel van bestuur (amvb) en het opleggen van aanwijzingen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is in werking getreden en geeft de rijksbelangen weer die doorwerken in gemeentelijke bestemmingsplannen. 2.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Vastgesteld op 13 maart 2012 Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Voor de middellange termijn (2028) kiest het Rijk drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden: 1) 2) 3)

Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur; Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Daarnaast benoemt het Rijk 13 nationale belangen, waar het rijk verantwoordelijk voor is. Het betreft: 1) Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; 2) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; 3) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; 4) Efficiënt gebruik van de ondergrond; 5) Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen; 6) Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem; 7) Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen; 8) Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's; 9) Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening, en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; 10) Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; 11) Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; 12) Ruimte voor

militaire terreinen en activiteiten; 13) Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.

7

De nationale ruimtelijke hoofdstructuur geeft de nationale belangen, waarvoor het Rijk verantwoordelijk is, geografisch weer. Op deze kaart in de structuurvisie is op hoofdlijnen aangegeven welke gebieden en structuren van nationaal belang zijn bij de geformuleerde rijksdoelen rond concurrentiekracht, bereikbaarheid en leefbaarheid en veiligheid, zodat een samenhangende ruimtelijke hoofdstructuur zichtbaar wordt. De structuurvisie infrastructuur en ruimte vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. 2.1.2

Beleidsvisie Erfgoed en Ruimte

Vastgesteld op 15 juni 2011 In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst in vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte, Kiezen voor Karakter. In de beleidsnota schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. De beleidsvisie is complementair aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het ministerie van I&M. Het programma Erfgoed en Ruimte wordt met een paar jaar verlengd, tot aan de invoering van de Omgevingswet in (naar verwachting) 2019. De komende jaren werkt de Rijksdienst aan drie programmalijnen: Water en erfgoed Landschap: transformatie van het landelijk gebied Transformatie in de stad en in krimpgebieden

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

2.2.1

Provinciaal Omgevingsbeleid

Op 9 juli 2014 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de Visie ruimte en mobiliteit vastgesteld. De Visie ruimte en mobiliteit geeft het perspectief van Zuid-Holland als geheel en is zelfbindend voor de provincie. De Visie is op onderdelen uitgewerkt in het Programma ruimte en het Programma mobiliteit. In deze programma's is tevens een realisatiestrategie voor de desbetreffende doelen opgenomen. Per doel is aangegeven welke instrumentenmix wordt ingezet. Sommige doelen en projecten kan de provincie zelf realiseren, maar voor de meeste doelen en projecten heeft de provincie andere partijen nodig. Dit kan zowel via de informele weg, zoals overleg en het maken van afspraken, als via de formele weg, door het inzetten van het juridisch instrumentarium van de Wro. Het gaat dan bijvoorbeeld om zienswijze, aanwijzing, inpassingsplan en verordening. Voor het bestemmingsplan "Cool" zijn de volgende onderwerpen uit het Provinciale Omgevingsbeleid alsmede het Programma ruimte van belang. Detailhandel Uit de visie blijkt dat de provincie streeft naar levendige, qua functies gemengde stads- en dorpsgebieden met een aantal krachtige en kwalitatief onderscheidende centra. Het provinciale detailhandelsbeleid is gericht op een gezonde detailhandelsstructuur, waarbij leegstand, afname van ruimtelijke kwaliteit en aantasting woon- en leefklimaat worden voorkomen.

In het algemeen spoort het planaanbod niet met de gewijzigde maatschappelijke vraag en neemt leegstand toe. De gezamenlijke inspanning van de provincie en andere partijen is erop gericht om het winkelvloeroppervlak en de planvoorraad op de die plaatsen waar ruimtelijke gezien de minste vraag is terug te brengen. Toevoeging van winkelmeters kan slechts in enkele perspectiefrijke onderdelen van de bestaande provinciale detailhandelstructuur aan de orde zijn. Buiten de centra van steden, dorpen en wijken wordt alleen ruimte geboden aan enkele specifieke branches vanwege aard of omvang van de goederen die niet goed inpasbaar zijn in de centra zelf. Dit zijn perifere branches die in het Programma ruimte nader worden omschreven. Voor de concentratie van de detailhandel in winkelcentra werkt de provincie met een driedeling van detailhandelscentra. Deze driedeling "in te ontwikkelen locaties", "te optimaliseren locaties" en "overige locaties" is uitgewerkt in het Programma ruimte. Voor de te optimaliseren locaties en de overige locaties zijn er beperkte

8

ontwikkelingsmogelijkheden. Uit het Programma ruimte blijkt dat de binnenstad van Rotterdam onder "te ontwikkelen locaties" valt en tevens is aangemerkt als internationaal centrum. Op basis van het ja mits principe, kan voor deze categorie sprake zijn van uitbreiding van het winkelareaal. Primair wordt voor deze categorie centra gestreefd naar een opwaardering van de detailhandelsfunctie in termen van kwaliteit (winkelbestand en openbare ruimte), parkeren en bereikbaarheid en imago/beleving. Kantoren Uit de Visie blijkt dat leegstand toeneemt en de provincie zoveel mogelijk wil dat in de behoefte wordt voorzien via de bestaande voorraad. Dat kan door hergebruik en zo nodig vernieuwbouw. Voor bedrijven en gemeenten is daarnaast transformatie van kantoren naar andere functies een belangrijke opgave. De provincie bevordert dat het aanbod aan plannen voor kantoorlocaties beter aansluit bij de ontwikkeling van de vraag. Met deze inzet ontstaat volgens de provincie op termijn een gezonde markt en wordt nieuwe leegstand voorkomen. Aan samenwerkende gemeenten wordt gevraagd om een selectie van nog uit te voeren plannen te maken met inachtneming van de criteria in het Programma ruimte. De bijdrage aan de agglomeratiekracht is een belangrijk criterium.

In het Programma ruimte is aangegeven dat de provincie ernaar streeft om leegstand te beperken door plancapaciteit te reduceren en door bestaande leegstaande kantoren te herstructrureren of te transformeren. Er is geen specifiek provinciaal beleid om hergebruik of functieverandering te bevorderen. Nieuwe plancapaciteit wordt zoveel mogelijk gebundeld op concentratielocaties. Het aantal locaties is ten opzichte van de voorgaande provinciale visie verder beperkt. Concentratielocaties betreffen treinstations en het invloedgebied daarvan. Rotterdam CS is aangemerkt als concentratiegebied. In ieder geval een deel van het plangebied van het bestemmingsplan "Cool" is als invloedgebied aan te merken. In aanvulling op de concentratielocaties is ook een aantal scienceparken aangewezen waar nieuwe kantoren mogelijk zijn. Tevens wordt een uitzondering gemaakt voor onder meer kleinschalige, zelfstandige kantoren tot een b.v.o. van 1.000 m2 per vestiging, kantoren met een lokaal verzorgingsgebied en bedrijfsgebonden kantoren. Dit is aangegeven in de Verordening ruimte. Blijkens het Programma ruimte betekent het voorgaande niet dat harde plancapaciteit buiten de concentratiegebieden niet kan worden gerealiseerd. Bestemmingsplannen kunnen worden uitgevoerd. Aanpassing daarvan is pas aan de orde indien de locaties niet worden opgenomen in de actuele kantorenvisies. 2.2.2

Provinciaal Omgevingsverordening

De Verordening ruimte is met voornoemde Visie en Programma's op 9 juli 2014 vastgesteld. De verordening bevat regels over de inhoud en toelichting van bestemmingsplannen of daarmee gelijkgestelde plannen. Voor het onderhavige plangebied zijn de volgende onderwerpen uit de Verordening van belang. Deze Verordening is in 2019 omgezet naar een Omgevingsverordening, aanhakend op het provinciale Omgevingsbeleid. Detailhandel In de Omgevingsverordening zijn regels gegeven voor de bebouwde ruimte en mobiliteit. Onder deze regels valt onder meer het onderwerp "Detailhandel". In de Omgevingsverordening is tevens de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. De ladder schrijft voor aan welke voorwaarden voldaan moet worden indien een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. De eerste voorwaarde betreft het aantonen dat de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd. Vervolgens dient bekeken te worden of in die behoefte binnen het bestaande stads- en dorpsgebied voorzien wordt door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Indien geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling binnen het bestaande stads- en dorpsgebied, dan moet van locaties, die aan bepaalde randvoorwaarden dienen te voldoen, gebruik worden gemaakt.

In de regels is vervolgens aangegeven hoe met nieuwe detailhandel omgegaan dient te worden in aanvulling op voornoemde ladder. Dat betekent dat indien aan de voorwaarden is voldaan nieuwe

9

detailhandel kan worden toegestaan. Kantoren De Ladder voor duurzame verstedelijking is ook van toepassing op het onderwerp "Kantoren". In aanvulling daarop is tevens aangegeven hoe met nieuwe kantoren dient te worden omgegaan. 2.2.3

Toetsing provinciaal beleid

Detailhandel Belangrijkste winkelgebied De binnenstad is het belangrijkste winkelgebied van Rotterdam. De binnenstad met al haar voorzieningen en kwaliteiten draagt het bij aan de aantrekkingskracht van Rotterdam als geheel. Met het aanbod weet de binnenstad zowel lokale consumenten als consumenten van buiten de stad aan te trekken. Ook vanuit toeristisch perspectief is een aantrekkelijk aanbod van winkels en andere voorzieningen zoals horeca, leisure en cultuur in de Binnenstad essentieel. Naast de inzet op een breed retailaanbod dat sterk gericht is op het recreatief winkelen als dagje uit, is in de afgelopen jaren ingezet op de ontwikkeling van nieuwe woningen, een aantrekkelijke buitenruimte en goede bereikbaarheid. Voorbeelden hiervan zijn het nieuwe centraal Station en de Markthal. Een levendige omgeving en een mix van functies in een compact gebied staan daarbij centraal. Voor de toekomst blijft het een opgave om de Binnenstad te vernieuwen door telkens weer in te spelen op de dynamiek, zowel qua omvang als op het onderscheidend vermogen. City Lounge is de leidraad voor de ontwikkeling van de binnenstad. Dat wil zeggen dat de binnenstad het visitekaartje van Rotterdam is. Een plek waar mensen shoppen, ontspannen, lekker eten en drinken op een terras en kunnen genieten van alles wat een grote stad te bieden heeft.

Voor de binnenstad als recreatief winkelgebied is naast een goede en aantrekkelijke branchering de inrichting en verblijfskwaliteit essentieel. Rotterdam ontwikkelt de binnenstad blijvend als een vitale kwaliteitsplek voor ontmoeting, verblijf en vermaak. Een juiste mix tussen horeca, detailhandel en cultuur is essentieel voor een vitale en aantrekkelijke binnenstad. Juist die diversiteit zorgt ervoor dat bezoekers van de binnenstad ook verrast worden en er graag komen. Dit geldt voor winkelstraten en -gebieden, maar ook voor een goede inzet op beleving in cafés, winkels of restaurants. Een winkel met een gevelzitplaatsje, pop-up horeca in een leegstand pand of een koffiebar waar je een workshop kunt volgen. Het zijn juist deze mengvormen, waar consumenten steeds meer om vragen. Dit is wat de levendigheid en gezelligheid in de binnenstad kan vergroten en waar kansen liggen voor verdere ontwikkeling. Detailhandel is één van de belangrijkste functies die de binnenstad voor consumenten tot een recreatieve bestemming maakt, maar het kan niet zonder de samenwerking met andere voorzieningen zoals horeca, leisure, dienstverlening en een aantrekkelijke buitenruimte. Gelet daarop is in het voorliggende bestemmingsplan dan ook gekozen voor een bestemming die de ruimte geeft aan verschillende functies. Zo kan er makkelijk ingespeeld worden op initiatieven.

Het beperken van deze functies op locatie of in metrages zou een vergaande beperking betekenen van de benodigde flexibiliteit voor de uitwisseling van verschillende voorzieningen in een dynamisch gebied als de binnenstad. Gebiedsafbakening binnenstad als winkelgebied Het centrum van Rotterdam is groter dan het gebied dat vanuit het detailhandelsperspectief geldt als definitie voor de binnenstad. In het kader van het detailhandelsbeleid is een duidelijke begrenzing van de binnenstad als winkelgebied belangrijk, zodat optimaal beantwoord kan worden aan uitgangspunten van concentratie en profilering. Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan valt geheel binnen het gebied dat vanuit het detailhandelsperspectief als binnenstad wordt gezien. De verschillende delen van de binnenstad hebben elk een eigen kwaliteit, profiel en dynamiek. Juist door de verschillen tussen deze gebieden in uitstraling en branchering, kunnen ze inspelen op specifieke doelgroepen. Daarmee heeft de binnenstad de kans om middels verschillende milieus een grotere doelgroep aan te spreken. Door het onderscheid van de gebieden ontstaat een totale binnenstad die verrast en voor verschillende bezoekers kan bieden wat men zoekt. Functionele mix zones

10

Rond de binnenstad liggen verschillende gebieden waar winkels een rol hebben, maar niet de boventoon voeren. Het zijn stedelijke en gemixte milieus, veelal gelegen aan stadsstraten. Het gaat in het centrum om de Goudse Singel, Mariniersweg, Westblaak, Schiedamsedijk, Central District. Beleidsmatig worden deze gebieden gedefinieerd als functionele mixzones. Het zijn geen typische winkelgebieden waar de winkelfunctie de boventoon voert, maar waar winkels wel een plek hebben. Uitbreiding van het winkelbestand is in deze gebieden niet gewenst en als winkelpanden willen transformeren naar een andere functie behoort dat zeker ook tot de opties. Heel nadrukkelijk is het in deze gebieden geen harde opgave om de zittende winkels te transformeren naar een andere functie. Meer flexibiltieit en dynamiek Om te kunnen anticiperen op consumententrends en gedrag is het belangrijk dat zowel gemeente, als ondernemers en de vastgoedsector flexibel inspelen op veranderingen in de detailhandel. Dynamiek van de retail is nodig om tot een aantrekkelijke stad te komen. De centrale vraag bij flexibiliteit en een dynamische retail is waar flexibiliteit wenselijk is en waar niet. In Rotterdam moeten we de ontwikkelingen in de detailhandel faciliteren, maar wel in gebieden waar vanuit detailhandelsstructuur voldoende toekomstperspectief is.

Dit betekent nadrukkelijk dat nieuwe concepten in de toekomstbestendige winkelgebieden ruimte kunnen krijgen om dit gestalte te geven. De Binnenstadsgebieden zijn bij uitstek de plekken waar toevoeging van kwalitatieve retail tot de mogelijkheid moet behoren. Gelet op deze opgave is het nodig om in het voorliggende bestemmingsplan een ruime bestemmingslegging op te nemen die enerzijds detailhandel overal toestaan, maar anderzijds ook de ruimte geeft aan andere centrumfuncties. Alleen op die manier kan uitwisseling van functies op een makkelijke manier plaatsvinden en wordt tegemoetgekomen aan de benodigde flexibilteit en dynamiek. Conclusie De binnenstad van Rotterdam is het belangrijkste winkelgebied. De populariteit van de binnenstad is de laatste jaren sterk toegenomen. Het winkelaanbod speelt bij deze populariteit een hoge rol. In een dynamisch gebied als de binnenstad van Rotterdam moet uitwisseling van functies mogelijk zijn om snel in te kunnen spelen op initiatieven. Op die manier kan het wegvallen van een centrumfunctie makkelijk worden ingevuld door een andere centrumfunctie. In het bestemmingsplan is dit mogelijk gemaakt door ruimte te geven aan verschillende functies, waaronder detailhandel. Omdat de binnenstad zo'n belangrijk winkelgebied is, wordt actief ingezet op versterking van die functie in dat gebied.

Dat gebeurt door ontwikkelingen die buiten het binnenstadsgebied vallen niet te faciliteren en waar mogelijk detailhandelsmogelijkheden weg te bestemmen. Gezien het voorgaande, kan worden aangenomen dat voldaan wordt aan het provinciaal beleid voor het onderdeel detailhandel Kantoren Voor het onderhavige plangebied is ervoor gekozen om de bestaande kantoorlocaties te begrenzen op de verbeelding. Dat wil zeggen dat op deze locaties naast de verschillende centrumfuncties tevens een kantoor is toegestaan. Hierdoor kan, indien een kantoorfunctie komt te vervallen, uitwisseling plaatsvinden met een andere functie. Transformatie van (overbodige) kantoorruimte wordt hierdoor makkelijker gemaakt. Buiten de op de verbeelding aangegeven locaties zijn kantoren niet toegestaan. De binnenstad is opgenomen in het overzicht concentratielocaties voor kantoren dat is opgenomen in de hierna te melden Agenda Kantoren MRDH 2015-2025. Deze regionale kantorenagenda is met de provincie afgestemd. De concentratielocaties uit de kantorenagenda voldoen op basis van de Omgevingsverordening aan het onderdeel verantwoording van de behoefte en de regionale afstemming daarvan (trede 1 van de Ladder voor duurzame verstedelijking). Gezien het voorgaande, kan worden gesteld dat voor het onderdeel kantoren voldaan wordt aan het provinciaal beleid.

11

2.2.4

Strategie Werklocaties 2019 - 2030

De Strategie Werklocaties bevat de visie tot 2030 en regionale afspraken tot 2023 over werklocaties in de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH). De MRDH is een samenwerkingsverband waar concrete ruimtelijk-economische vraagstukken worden geagendeerd. Die rol is ook het uitgangspunt van deze strategie. Regionale afstemming is ook een vereiste vanuit de provincie Zuid-Holland bij wijzigingen in gemeentelijke bestemmingsplannen. De strategie is een samenhangende visie op de ontwikkeling van werklocaties vanuit de bestaande situatie, en richting de gewenste ramingen tot 2030. Strategie kantoren: op weg naar een goede balans door gedeputeerde staten op 21 mei 2019 aanvaard als regionale kantorenvisie Het beleid voor kantoren stuurt op het kwalitatief versterken van de bestaande voorraad en het onttrekken van incourant bestaand aanbod en overmatige plancapaciteit (geplande nieuwbouw). De geactualiseerde aanbodinventarisatie geeft nieuwe inzichten. Op toplocaties en binnen (inter)nationaal concurrerende vestigingsmilieus kan uitbreiding plaatsvinden, en op minder goed met OV-bereikbare locaties wordt het aanbod geoptimaliseerd. Daarnaast wordt op veel snelweglocaties de overmaat in het vastgoed gereduceerd door transformatie naar nieuwe functies (zoals wonen). Met maatwerk stemmen de regiogemeenten het aanbod af op specifieke ruimtelijk-economische ontwikkelingen.

Voor kantorenlocaties met een strategische opgave (versterken, optimaliseren of herbestemmen) stellen de regiogemeenten gebiedsvisies op om de goede voornemens concreet te maken. In aanvulling op de Ladder van de Duurzame Verstedelijking is een regionaal “Afwegingskader nieuwe plancapaciteit kantoren” opgenomen om de toevoeging van plancapaciteit te kunnen toetsen. Daarbij wordt vooral gekeken naar marktruimte, onderscheidende kwaliteiten en toegevoegde waarde voor de regionale kantorenmarkt. Strategie bedrijventerreinen: focus op behoud van marktevenwicht Het beleid voor bedrijventerreinen stuurt op evenwicht tussen vraag en aanbod, en borgt duurzame vitaliteit. Het marktevenwicht is redelijk in balans, maar in sommige gebieden gaat de uitgifte bovengemiddeld snel. In de hele regio zorgt het forse woningtekort voor conflicterende ruimteclaims in het stedelijke gebied. Op veel bedrijventerreinen wordt gekeken naar transformatiemogelijkheden naar wonen. Die zijn echter wel belangrijk in de ontwikkeling en behoud van de regionale werkgelegenheid. Veel bedrijventerreinen hebben een kwalitatieve achterstand opgelopen die revitalisering of herprofilering noodzakelijk maakt. De regiogemeenten maken gebiedsvisies en verbeteren de organisatiegraad van ondernemers met bedrijfsinvesteringszones, ondernemersfondsen of parkmanagement.

Dit vergroot ook draagvlak en mogelijkheden voor investeringen in de verduurzaming van bedrijventerreinen. Strategie detailhandel: behoud goede structuur Het beleid voor detailhandel stuurt op het versterken van hoofdcentra en het optimaliseren van middelgrote centra, waardoor inwoners ook in de toekomst terecht kunnen in aantrekkelijke en economisch gezonde winkelgebieden. Er is naast de Ladder voor Duurzame Verstedelijking een regionaal afwegingskader om de toevoeging van plancapaciteit te kunnen toetsen, en de hoofdstructuur te behouden. De MRDH hanteert een regionaal afwegingskader om uitbreiding van de winkelvoorraad te kunnen toetsen.

2.3

Gemeentelijk beleid

Algemeen Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 kunnen ook gemeenten hun gemeentelijk beleid vastleggen in structuurvisies. Ter verwezenlijking van de doelen in het ruimtelijk beleid stelt de gemeente bestemmingsplannen op. In Rotterdam zijn er twee typen bestemmingsplannen te onderscheiden het zogenoemde gebiedsbestemmingsplannen en projectbestemmingsplannen. Gebiedsbestemmingsplannen worden opgesteld door het cluster Stadsontwikkeling naar aanleiding van

12

een meerjarenplanning. Wanneer een bepaalde ontwikkeling buiten het opstellen van een gebiedbestemmingsplan valt, kan daar een projectbestemmingsplan voor opgesteld worden of een omgevingsvergunningprocedure voor doorlopen worden, door een initiatiefnemer. 2.3.1

Stadsvisie Rotterdam: Ruimtelijke ontwikkelingsstrategie 2030

Vastgesteld op 29 november 2007 door de Rotterdamse gemeenteraad De Stadsvisie vormt het ruimtelijk kader voor alle investeringen, projecten en plannen die in de stad worden gerealiseerd. De Stadsvisie is een ontwikkelingsstrategie voor de stad Rotterdam, voor de periode tot 2030. De Stadsvisie heeft als missie een sterke economie en een aantrekkelijke woonstad. Deze missie is uitgewerkt in een aantal kernbeslissingen op de onderwerpen wonen en economie en deze bepalen wat er de komende jaren op deze gebieden gebeurt in de stad. Veel van de kernbeslissingen zullen de komende vijftien jaar worden omgezet in de uitvoering van een aantal (bouw) projecten in de stad, waardoor Rotterdam over pakweg vijftien jaar inderdaad een sterke economie heeft en aantrekkelijke woongebieden kent, ook voor haar hoogopgeleide bewoners. Op basis van effectmeting zijn dertien gebiedsontwikkelingen aangewezen die het belangrijkst zijn voor de realisatie van de doelen 'sterke economie' en 'aantrekkelijke woonstad', zogenoemde VIP-gebieden. 2.3.2

Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020

Vastgesteld op 15 december 2016 door de Rotterdamse gemeenteraad De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld. Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen; te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad; ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; en energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.

De basis op orde houden door: het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken; toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; en woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning. De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. De Woonvisie is een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren. 2.3.3

Binnenstad als City Lounge, binnenstadplan 2008-2020

Vastgesteld op 4 december 2008 door de Rotterdamse gemeenteraad De verdere ontwikkeling van de binnenstad staat centraal in het stedelijk beleid van Rotterdam. De verdichting die in de jaren tachtig is ingezet, zet versneld en versterkt door. Als belangrijke taak van de

13

gemeente in de verdere ontwikkeling van de binnenstad zien wij dan ook het stimuleren van initiatieven met kwaliteit. Dat is nodig voor een succesvolle ontplooiing van de binnenstad. De tien belangrijkste punten om tot een city lounge te komen: 1.

Verder verdichten van de binnenstad voor meer stedelijkheid, door de bouw van 5000 woningen voor 2015, en realisering van meer en betere commerciële en publieke voorzieningen. Transformeren van de buitenruimte tot visitekaartje van de stad, door de buitenruimte in het hart van de binnenstad op hoog niveau in te richten en te beheren. Creëren van een nieuwe balans tussen auto, fietser en voetganger in het verkeersbeleid; concentreren van parkeeraccommodatie voor bezoekers aan de rand, waardoor in het hart van de binnenstad meer ruimte komt voor de voetganger. Realiseren van een beter leefmilieu en een betere leefbaarheid in de stad, door schonere lucht, minder herrie, en meer en beter groen. Aanscherpen van hoogbouwbeleid in het licht van de nieuwe vereisten, ter verbetering van het comfort en de beleving op straatniveau. Inzetten van cultuurhistorisch erfgoed, de monumenten en de architectuur, als kansen bij (her)ontwikkeling. Verbeteren van publieke gebruiksmogelijkheden van de rivierstad, door faciliteren van particulier initiatief; voor de lange termijn na 2015 onderzoeken van mogelijkheden voor ingrijpender ontwikkelingen, bijvoorbeeld tunnelaanleg Boompjes Concentreren van nieuwe centrumstedelijke culturele voorzieningen in het centrumgebied in het algemeen en de focusgebieden in het bijzonder.

Stimuleren van concentratie van nieuwbouwkantoren in het stationskwartier (inclusief Noordkant Lijnbaankwartier) en op de Wilhelminapier en omstreken. Voorrang geven aan initiatieven van marktpartijen die bereid zijn tot langdurig commitment aan integrale gebiedsontwikkeling op het ambitieniveau van de binnenstad als City Lounge.

2. 3.

4. 5. 6. 7.

8. 9. 10.

De metafoor voor de kernopgave is: de binnenstad ontwikkelen als een vitale kwaliteitsplek voor ontmoeting, verblijf en vermaak om zodoende een essentiële bijdrage te leveren aan de Rotterdamse quality of life. Het binnenstadplan geeft een vertaling van 'the City Lounge' voor de binnenstadskwartieren: Centraal District Rotterdam, Oude Westen, Lijnbaankwartier/Coolsingel, Laurenskwartier, EMC/Hoboken, Cool, Wijnhaveneiland/Oudehaven/Boompjes, Scheepvaartkwartier, Kop van Zuid. 2.3.4

Verkeersplan Binnenstad: Citylounge Bereikt

Vastgesteld op 3 december 2009 door de Rotterdamse gemeenteraad Het verkeersplan bevat een samenhangend beleid en is gebaseerd op vier pijlers: 1. 2. 3. 4.

een bereikbare binnenstad voor alle verkeerssoorten; een aantrekkelijk verblijfsklimaat; een klantgerichte parkeerstrategie gericht op verschillende doelgroepen; impuls duurzaam vervoer.

Het resultaat is een binnenstad die goed is verbonden met de omliggende stadswijken door een netwerk van herkenbare en levendige stadsstraten met een aangename stedelijkheid en menging van verkeerssoorten. Het Verkeersplan Binnenstad stuurt op duurzame bereikbaarheid. Er wordt geïnvesteerd in hoge kwaliteit van de fietsvoorzieningen en in de openbaar vervoerhalten. Het doorgaande verkeer rijdt niet meer door het hart van de binnenstad, maar is gebundeld op een beperkt aantal hoofdwegen. Vanaf de Ruit wordt geïnvesteerd in een goede doorstroming naar de binnenstad. In combinatie met de parkeerstrategie wordt daarmee de autobereikbaarheid en de economische vitaliteit van de binnenstad gegarandeerd. De P+R-voorzieningen voor zowel bezoekers als werknemers zijn gekoppeld aan de belangrijkste invalswegen en metroverbindingen naar de binnenstad. Aan de rand van de binnenstad komen nieuwe grote parkeergarages (Park en Walk) voor bezoekers, zodat er minder autoverkeer in het hart van de binnenstad rijdt. Verder wordt ingezet op het verbeteren van openbaar vervoer, prijsbeleid om mobiliteitsgedrag te beïnvloeden, innovatief kleinschalig vervoer en duurzame vormen van stedelijke distributie.

14

2.3.5

Hoogbouwvisie 2019

Vastgesteld door de Rotterdamse gemeenteraad op 12 december 2019 De vastgestelde Hoogbouwvisie 2019 vormt een herijking van het oude hoogbouwbeleid en geldt voor alle nieuwe hoogbouwinitiatieven. In de herziening blijft de Binnenstad belangrijk als plek voor nieuwe hoogbouw, maar wordt aangevuld met gebieden die invulling kunnen geven aan de verstedelijkingsopgave én ook een knooppunt van HOV hebben. Er is sprake van hoogbouw als een gebouw hoger is dan 70 meter. In Rotterdam kan een lijn worden getrokken die vanaf het Hofplein via de Coolsingel eindigt op het Wilhelminaplein. Dit is de ruggengraat van de Rotterdamse hoogbouw, waar de diverse deelgebieden op aansluiten, de zogenoemde hoogbouw-as. Aan deze as grenzen de locaties waar een concentratie van hoogbouw aanwezig is: het Centraal District Rotterdam, Het Wijnhaveneiland en de Kop van Zuid. Voor de binnenstad wordt een maximum hoogte van circa 250 meter gesteld langs de stadsas. Vanuit de stadsas loopt de hoogbouw in de binnenstad af naar 70 meter richting de grenzen van de hoogbouwzone. De grens, die in hoofdlijnen de afbakening is voor het hoogbouwbeleid, is de brandgrens. De binnenstad ontwikkelt zich verder en wordt groter. Hierdoor zijn er plekken die vanuit de ontwikkelingen rondom deze plek en hun positie ten opzichte van OV toegevoegd worden aan de hoogbouwzone van de binnenstad.

Het gaat dan om de gebiedsontwikkeling Pompenburg en de omgeving Rijnhaven. De grootschalige ontwikkelingen en woningbouwopgave in Rotterdam bieden een kans om ook op andere plekken dan de binnenstad hoogbouw te overwegen. Het bijplaatsen van hoogbouw zorgt voor toevoeging van een groot aantal woningen, nieuwe werkplekken en voorzieningen. Het is van belang dat er goede en nabijgelegen OV-verbindingen zijn. Gebieden die hieraan voldoen zijn Feyenoord City, Hart van Zuid en Alexanderknoop. Ook voor deze gebieden gelden dezelfde uitgangspunten die in de binnenstad gelden voor hoogbouw. Het enige verschil is dat voor deze gebieden waar hoogbouw mogelijk wordt gemaakt de maximale hoogte 150 meter is. Hoogbouw moet onderdeel uitmaken van de zogenoemde 'stedelijke laag'. Deze stedelijke laag is het deel van een gebouw dat door voorbijganger het meest ervaren wordt: de begane grond en de eerste paar etages. Door de onderbouw ruimer te maken kunnen aantrekkelijke en onaantrekkelijke functies in de plint beter verdeeld worden. Functies die bijdragen aan levendigheid moeten de overhand hebben (woningen, winkels, horeca). De gemeente heeft gebieden en plekken aangewezen die representatief zijn voor de binnenstad of zich kenmerken door een hoge mate van gebruik. Op deze locaties gelden specifieke regels t.a.v. het klimaat (schaduw en wind).

Tevens worden specifieke volume en slankheidseisen gesteld. De onderbouw van een toren moet de hele bouwkavel omvatten. De hoogte van de onderbouw hangt af van de zogenoemde Rotterdamse laag. Deze Rotterdamse laag kan per gebied verschillen en is de gemiddelde bebouwingshoogte in een gebied, meestal tussen de 15 en 25 meter. Daarnaast worden er eisen gesteld aan de maximale vloeroppervlaktes. Aanvullende eisen ten aanzien van daklandschappen en terrassen, parkeren en mobiliteit, duurzaamheid en vergunningenbeleid dragen verder bij aan kwalitatieve hoogbouw in de stad. Daarnaast is extra aandacht voor ontmoeting in hoogbouw om anonimiteit tegen te gaan. Ook is aandacht voor duurzaamheid (energie en klimaat, groen, multifunctionele daken).

2.3.6

Werklocaties 2030: kantoren en bedrijfsruimte

Vastgesteld op 12 maart 2020 door de Rotterdamse gemeenteraad Op 12 maart 2020 heeft de gemeenteraad de nota kantoren en de nota bedrijfsruimte vastgesteld. Kantoren Doel van het beleid is om richting te geven aan de ontwikkeling van de Rotterdamse kantorenmarkt, door: het versterken van de nieuwe economie door concentratie van kantoren op zes locaties met de

15

beste bereikbaarheid en verblijfskwaliteit, en ontwikkeling van specifieke clusters op vijf andere locaties; een goede balans tussen vraag en aanbod door introductie van een Rotterdamse ladder (zodat snel duidelijk is of er een markttechnische onderbouwing is voor nieuwbouw); het stimuleren van verduurzaming van de kantorenvoorraad en -omgeving (minimaal energielabel C). Bedrijfsruimte Doel van het beleid is om voldoende bedrijfsruimte in Rotterdam te waarborgen - en richting te geven aan de ontwikkeling van bestaande en nieuwe bedrijfslocaties: Behoud van bedrijfsruimte door: de totale omvang van de voorraad bedrijfsruimte wordt behouden en zo efficiënt mogelijK benut. bedrijfsruimte in de wijken wordt zoveel mogelijk behouden. nieuwe bedrijventerreinen krijgen een plek in de regio. Functiemenging waar kan, functiescheiding waar moet: ruimte-extensieve en zware bedrijvigheid worat ingepast aan de rand van de stad of in de regio, arbeidsintensieve en lichte bedrijvigheid behoudt een plek in de stad; op bedrijventerreinen met een transformatieopgave wordt ingezet op woonwerkgebieden met behoud van (vervangende) werkgelegenheid.

Stadsgebonden bedrijvigheid: focus op vestiging van bedrijven die vanwege hun klanten- en werknemerskring een directe relatie hebben met de stad, en op kleinschalige datacenters (digitalisering), city hubs en XS-warehouses (ecommerce), incubators en bedrijfsverzamelgebouwen ('de nieuwe economie'). Herontwikkeling bedrijventerreinen: focus op verduurzaming (energietransitie, circulariteit en klimaatadaptatie), en op verbetering van de gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde en van de multimodale bereikbaarheid. Relatie met regionaal beleid Het nieuwe Rotterdamse beleid sluit aan op de Strategie Werklocaties 2019 - 2030 van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH), waarin de regiogemeenten afspraken hebben gemaakt over de programmering van bedrijventerreinen. De nota's voor kantoren en bedrijfsruimte vormen samen met de Nota Detailhandel 2017 totaalbeleid voor werklocaties. Dit samenhangende beleid dient onder meer als basis voor gemeentelijke investeringen in de lokale economie.

2.3.7

Nota Detailhandel 2017

Vastgesteld op 22 en 29 juni 2017 door de Rotterdamse gemeenteraad De Nota Detailhandel uit 2013 is in 2017 geactualiseerd. De nota bestaat uit een algemeen deel dat de stedelijke ambities ten aanzien van dit onderwerp bevat en 13 separate gebiedsgerichte uitwerkingen, die het detailhandelsbeleid per gebied beschrijven. De nota en de gebiedskoersen doen geen uitspraken over het centrum, hiervoor blijft de nota 'WNKLN N RTTRDM' het relevant beleidskader. Stedelijke ambities en spelregels ten aanzien van detailhandel Het detailhandelsbeleid bestaat in de basis uit een beleidskader, waarin op grond van de trends en ontwikkelingen de visie en ambitie van Rotterdam op de detailhandelsstructuur wordt uitgesproken. Met dit kader zet Rotterdam in op een krachtige, toekomstbestendige winkelstructuur, waarbij de consument centraal staat en sprake is van complete, compacte comfortabele en levensvatbare centra. Om deze ambities te realiseren, is een aantal spelregels onontbeerlijk en zijn vier stedelijke ambities geformuleerd: Een evenwichtige detailhandelsstructuur (aantrekkelijk, levensvatbaar, complementair)

16

Meer flexibiliteit en dynamiek ter versterking van de detailhandelsstructuur Detailhandelsbeleid als kader voor ruimtelijke ontwikkelingen Een bruisende Binnenstad! De spelregels die nodig zijn om de ambities te behalen zijn: Nieuwe ontwikkelingen zijn alleen mogelijk in de winkelconcentratiegebieden zoals in de Gebiedskoersen Detailhandel zijn vastgesteld. Creëren van nieuwe winkelgebieden is enkel onder strikte voorwaarden mogelijk. Geen nieuwe solitaire vestiging van winkels buiten de detailhandelsstructuur van winkelgebieden. In kleine kernen kan maatwerk vereist zijn, om de kwaliteit van de leefomgeving te behouden. Vestiging van grootschalige detailhandel bekijken we kritisch. Geen nieuwe perifere concentratiegebieden. Tuincentra en bouwmarkten buiten de aangewezen winkelgebieden zijn onder voorwaarden bespreekbaar. Geen detailhandel op bedrijventerreinen. Winkels in tweedehandsgoederen vestigen we in winkelgebieden; uitzondering voor kringloopwinkels. Internetwinkels en -afhaalpunten met een (beperkte) bezoekersfunctie worden enkel toegestaan in de winkelgebieden en op trafficlocaties. Voor winkels geldt in de horecanota Rotterdam 2017-2021 de basisvrijstelling. Cool behoort tot de Binnenstad van Rotterdam. De Binnenstad is het belangrijkste winkelgebied van Rotterdam.

De Binnenstad met al haar voorzieningen en kwaliteiten draagt bij aan de aantrekkingskracht van Rotterdam als geheel. Met het aanbod trekken we zowel lokale consumenten als consumenten van buiten de stad aan. Ook vanuit toeristisch perspectief is een aantrekkelijk aanbod van winkels en andere voorzieningen zoals horeca, leisure en cultuur in de Binnenstad essentieel. Begrenzing van de Binnenstad als winkelgebied Het centrum van Rotterdam is groter dan het gebied dat vanuit detailhandelsperspectief als de Binnenstad gedefinieerd wordt. Vanuit detailhandelsperspectief is een duidelijke begrenzing van de Binnenstad als winkelgebied belangrijk, zodat optimaal beantwoord wordt aan uitgangspunten van concentratie en profilering. De verschillende delen van de Binnenstad hebben elk een eigen kwaliteit, profiel en dynamiek. Verschillende gebieden kunnen verschillende doelgroepen aanspreken of een ander doel hebben. Door het onderscheid van de gebieden ontstaat een totale binnenstad die verrast en voor verschillende bezoekers kan bieden wat men zoekt. Het is belangrijk dat markt en overheid blijvend inzetten op de kwaliteit en ontwikkeling van de verschillende gebieden. Winkels en winkelontwikkelingen horen bij uitstek in die gebieden.

2.3.8

Horecanota Rotterdam 2017-2021

Vastgesteld door B&W op 1 november 2016 In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen. Belang voor de stad Rotterdam is een levendige stad met een aantrekkelijke binnenstad, een groot cultureel aanbod en een gevarieerde samenstelling van bewoners, ondernemers en bezoekers. Horeca speelt een cruciale rol: een goede mix van kwaliteit en kwantiteit, een balans met andere stedelijke functies en openbare orde en veiligheid, bevordert de populariteit van Rotterdam. Bovendien levert de horecasector werkgelegenheid op en stimuleert het de lokale economie. De aantrekkingskracht van de stad is de afgelopen jaren toegenomen. Er wordt weer geld uitgegeven door bezoekers, Rotterdam voert de goede lijstjes aan en is in 2015 uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijkertijd verdicht de bewoning en is ruimte schaars. Het is dus van belang alles in goede banen te leiden en deze schaarse

17

ruimte optimaal te benutten. De positieve ontwikkelingen van Rotterdam weten sommige delen van de stad onvoldoende te bereiken vanwege de aanwezigheid van malafide ondernemingen, georganiseerde criminaliteit en overlast. Dit vraagt om extra aandacht en stevig optreden. Visie en ambities Met dit horecabeleid borduurt Rotterdam voort op de goede ontwikkelingen in onze stad. Met oog voor ondernemerschap en aandacht voor een prettig woon- en leefklimaat voor onze bewoners zijn aan de hand van een aantal uitgangspunten vier ambities bepaald waarmee Rotterdam invulling geeft aan de visie op horeca voor de komende jaren. De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf. Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven. Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium.

Rotterdam bruist!; de wijk is het uitgangspunt bij het bepalen van de mogelijkheden en onmogelijkheden; bewoners en ondernemers hebben inspraak en nemen gezamenlijk verantwoordelijkheid; ruimte voor innovatie en experimenten ter bevordering van het ondernemerschap en woon- en leefgenot; minder regels, minder lasten en een vereenvoudigd vergunningenstelsel; uitgaan van vertrouwen en sturen op naleving (high trust); wanneer regels en afspraken worden geschonden, dan wordt stevig opgetreden (high penalty). 2.3.9

Horecagebiedsplan Centrum 2019-2021

Het creëren van levendigheid in het centrum komt in veel beleidsdocumenten terug (Binnenstadsvisie, Horecanota 2017-2021). Wat op dat onderwerp echt aandacht nodig heeft is de plintenaanpak. Dit betreft onder andere het beplakken van leegstaande winkels met ‘opvrolijkfolie’. In de praktijk komt daar weinig van terecht. Ook een leegstaande plint van het politiebureau aan de Hartmansstraat/Witte de Withstraat is al jaren voor velen een doorn in het oog. Het nog verder terugdringen van gesloten rolluiken, bijvoorbeeld op de Lijnbaan, verdient blijvende aandacht. Het centrum vervult een belangrijke rol voor de economie van de hele stad. Detailhandel en horeca vormen daarin belangrijke pijlers. De afgelopen jaren hebben met name de Witte de Withstraat maar ook de Schiedamsevest (gedeelte tussen Schilderstraat en Westblaak), de Hartmanstraat en de Schilderstraat zich steeds verder ontwikkeld als populaire horecastraten. Tegelijkertijd is het aantal klachten over horeca en (vertrekkend) horecapubliek toegenomen en ervaren de bewoners van de omliggende straten meer druk op het woonen leefklimaat. Dit is een proces van jaren geweest en is niet plotseling gekomen maar momenteel lijkt wel het punt bereikt waarop verdere horecaontwikkelingen ongewenst zijn.

Om die reden geldt voor deze wijk een consoliderend beleid, om de balans tussen de woonfunctie en overige functies niet verder te verstoren en ook de winkelfunctie verder te beschermen.

2.3.10 Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2017 - 2030+ Vastgesteld op 11 mei 2017 door de Rotterdamse Gemeenteraad Het Stedelijk Verkeersplan is een plan waarbij bereikbaarheid in dienst van een economisch sterk en gezond Rotterdam staat. Het Stedelijk Verkeersplan zet de lange termijnvisie neer, waarbij het uitgangspunt is dat mobiliteit geen doel op zich is, maar een belangrijke randvoorwaarde voor een economische sterk, gezond en aantrekkelijk Rotterdam. De Rotterdamse Mobiliteitsagenda kent een drietal vertrekpunten: de groei en stedelijke verdichting van Rotterdam naar 690.000 inwoners in 2035; de economische vernieuwing (Next Economy) en de daarbij horende energietransitie; de stedelijke mobiliteitstransitie naar meer fiets en ov-gebruik.

18

Bovengenoemde ontwikkelingen zijn vertaald in een verschillend aantal kansen en bereikbaarheidsmaatregelen die bijdragen aan Rotterdam als levendige en sterke economische stad. Een goede balans in modaliteiten, oftewel een nieuw evenwicht tussen fietsers, voetgangers, auto’s en het openbaar vervoer is daarbij vertrekpunt. Dit betekent dat de verdichting met woningen binnen het stedelijk gebied prioriteit krijgt en de transitie naar de Next Economy het regionaal en stedelijk vervoersnetwerk vorm geeft. Hierbij staat de gezondheid van de Rotterdammer voorop en wordt geïnvesteerd in slimme mobiliteit, waarbij de stad functioneert als proeftuin. De structuuringrepen binnen het Stedelijk Verkeersplan bieden de meeste kansen om een stedelijk en regionaal infrastructuur netwerk te vormen dat voldoende flexibel en genoeg adaptief is om de stad van de toekomst (Next City) vorm te geven. De mobiliteitsstrategie ontstaat vanuit de gewenste ruimtelijke en economische ontwikkeling van stad en regio en wordt -wanneer de bereikbaarheidsopgave in de toekomst verandertsteeds opnieuw aan de tijdgeest aangepast, omdat het geen volgordelijkheid kent. Dit leidt tot de volgende beleidskeuzen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

City Lounge versterkt: stimuleren van fiets en ov; een samenhangend regionaal en stedelijk netwerk: wegen en ov in evenwicht; regionale en stedelijke oeververbindingen: nieuwe en transformatie van bestaande; aantrekkelijke en levendige (Binnen)stad: de City Lounge versterkt; versterken nieuwe vervoerswijzen: vervoer over water en Last Mile; geen vervoersarmoede: sociale en maatschappelijke participatie versterkt; gezonde leefomgeving: versterken ruimtelijke kwaliteit, luchtkwaliteit en Zero Emissie; slimme mobiliteit: technologische innovatie en ict; gebieden Buiten de Ring: duurzaam verbinden.

2.3.11 Rotterdams beleid t.a.v. zendmasten mobiele telecommunicatie Vastgesteld op 16 mei 2002 door de Rotterdamse gemeenteraad In de beleidsnota uit 2002 zijn wensen en oplossingsrichtingen opgenomen ten aanzien van de plaatsing van antennes, masten en apparatuurkasten. De nota sluit aan op nationaal antennebeleid waarin ook onderscheid gemaakt wordt in vergunningsvrije en vergunningsplichtige bouwwerken. 2.3.12 Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), Archeologieverordening Rotterdam Vastgesteld op 17 juli 2008 door de Rotterdamse Gemeenteraad, vastgesteld op 31 januari 2006 en vastgesteld op 29 september 2009 door de Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, vastgesteld op 5 november 2009 door de Rotterdamse Gemeenteraad In 1992 hebben de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen te Valletta (Malta) het Europese Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed ondertekend.

Met het Verdrag van Malta is het streven vastgelegd naar onder meer: - het behoud van het archeologisch bodemarchief ter plaatse (in situ); - het documenteren van het archeologisch bodemarchief, indien behoud niet mogelijk blijkt; - het vroegtijdig en volwaardig betrekken van de archeologie bij ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening; - het verbreden van het draagvlak voor de archeologie; - het toepassen van het beginsel 'de verstoorder betaalt'. De afspraken van Malta zijn verwerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg, die op 1 september 2007 in werking is getreden. Het zwaartepunt van het archeologiebeleid is bij gemeenten komen te liggen. In een bestemmingsplan moet een gemeente aangeven welke archeologische waarden mogelijkerwijs aan de orde zijn. Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een vastgestelde Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), een vastgestelde

19

Beleidsnota Archeologie 2008-2011 en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de eveneens vastgestelde Archeologieverordening Rotterdam. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. 2.3.13 Beleidsnota "Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020" en de Monumentenverordening Rotterdam 2010 Vastgesteld op 22 december 2016 en vastgesteld op 30 oktober 2010 door de Rotterdamse gemeenteraad Rotterdam heeft een inmiddels volwassen monumententraditie. Er is sprake van een toenemend historisch bewustzijn in de stad. De karakteristieke vermenging van tijdlagen en de daarbij horende afwisseling van oud en nieuw zorgt voor een belangrijke en onderscheidende identiteit van het stadsbeeld. In de beleidsnota Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020 wordt de visie op het Rotterdams gebouwde erfgoed en de hieruit voortvloeiende ambities beschreven. Rotterdam verbindt de zorg voor behoud van het gebouwd erfgoed met de hedendaagse opgaven van de stad. Ingezet wordt op bescherming, behoud en hergebruik, en instandhouding van erfgoed. Steeds vaker wordt cultuurhistorie gekozen als uitgangspunt voor (gebieds-)ontwikkelingen, waardoor de historische gelaagdheid van de stad behouden blijft voor toekomstige generaties.

Het wettelijke instrumentarium hiervoor is de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van het planologisch instrumentarium. 2.3.14 Rotterdamse norm voor buitenspeelruimte Vastgesteld op 28 oktober 2009 door Burgermeester en Wethouders Op 28 oktober 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders de Rotterdamse norm voor buitenspeelruimte als vaste gedragslijn vastgesteld. Deze norm omschrijft waar en hoe groot ruimtes voor buitenspelen in de woon-omgeving dienen te zijn, zowel wat betreft locaties als stoepen, zodat kinderen en jongeren ruimte dichtbij huis hebben om te spelen en te sporten.

20

Hoofdstuk 3 3.1

Beschrijving van het plangebied

Ontstaansgeschiedenis

Het plangebied maakt deel uit van een klei-op-veengebied aan de rechteroever van de Nieuwe Maas. Hoewel archeologische locaties uit het plangebied vooralsnog niet bekend zijn, kan op grond van vindplaatsen met een vergelijkbare geologische context aangenomen wordt dat het gebied in de Romeinse tijd (begin jaartelling - 350 na Christus) werd bewoond. Ook bewoning op het onderliggende veen uit de IJzertijd (800 voor Christus - begin jaartelling) is mogelijk. Het gebied werd in 10e-11e eeuw ontgonnen. Ten gevolge van de ontwatering kwam het maaiveld lager te liggen, waardoor de overstromingskans toenam. Rond het midden van de 12e eeuw werd het gebied daadwerkelijk overstroomd en werd een kleipakket afgezet. In de 13e eeuw kwam het gebied binnendijks te liggen met de aanleg van Schielands Hoge Zeedijk, waarvan de Westzeedijk en de Schiedamsedijk deel uitmaken. Op en langs de dijktracés vond bewoning plaats. Het grootste deel van het plangebied ligt binnen het oude stadsgebied van Rotterdam in 1811-1832. Ten oosten van de Schiedamse Vest zijn bewoningssporen te verwachten vanaf de 16e eeuw, die te relateren zijn aan de stedelijke uitbreiding van Rotterdam vanaf die tijd. Dit gedeelte van het bestemmingsplan valt binnen de zogenaamde Rotterdamse Stadsdriehoek.

3.2

Archeologie

In het plangebied kunnen bewoningssporen uit de IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen voorkomen. Bewoningssporen uit de 13e eeuw en later zijn te verwachten langs de noordzijde van de Westzeedijk en de Schiedamsedijk. Voor het hele plangebied is sprake van een intensieve stadsbebouwing vóór 1811-1832, waarvan die in het Baankwartier terug kan gaan tot in de 16e eeuw. Waarde - Archeologie 1 Voor het gehele plangebied (Waarde - Archeologie) geldt een bouwregeling en een omgevingsgunning voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak beslaan groter dan 100 m2.

3.3

Historie

Tot in de negentiende eeuw werd de stad Rotterdam omringd door polders die rond 1200 door de graven van Holland waren aangelegd. De huidige wijk Cool lag oorspronkelijk in de Coolpolder, die zich ten westen van de stad uitstrekte tot aan Delfshaven. De polder was ontstaan door de aanleg van de Schielandse Hoge Zeedijk in de tweede helft van de dertiende eeuw en was verdeeld in de ambachten Schoonderloo en Cool. De grens tussen de twee ambachten bevond zich ongeveer op de overgang van het huidige Museumpark en het Erasmus MC. De Coolsche- of Binnenweg deelde het ambacht in tweeën. Ter weerszijden van de Binnenweg strekte zich smalle, langgerekte percelen uit van elkaar gescheiden door sloten. Een dergelijke structuur wordt ook wel slagenlandschap genoemd. In 1358 werd een stuk van het noordelijk deel van het ambacht Cool bij de stad getrokken ten behoeve van de aanleg van de Coolvest, de huidige Coolsingel. Aan het begin van de zeventiende eeuw werd een strook van het zuidelijk deel van het ambacht afgesnoept toen de stadsvest in zuidwestelijke richting werd doorgetrokken. Deze Schiedamse Vest werd in 1616 verbreed en voorzien van twee bolwerken naar ontwerp van vestingbouwkundige David van Orliens. Rond 1700 breidde de stad zich vooral uit in het buitendijkse gebied langs de rivier.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=b1303b03-82e4-42cd-b330-6c34aaa56dad