CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Wouwse Weide_Motivering

Gemeenteraad 24 september 2026, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5i: Raadsvoorstel Vaststelling wijziging omgevingsplan Wouwse Weide17.512 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein , een zeehaventerrein , een woningbouwlocatie , kantoren , een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke 30/57 voorziening | en die | voldoende | substantieel | is , wordt | met | het | oog | op | het | belang | van | zorgvuldig | ruimtegebruik | en het | tegengaan | van | leegstand | rekening | gehouden | met | de | behoefte | aan | die | stedelijke | ontwikkeling. | Artikel | 5. 129g Bkl legt | geen | grens | vast | wat | voldoende | substantieel | is. In uitspraken | van | de | Afdeling | bestuursrechtspraak | van | de Raad | van | State | zijn | wel | lijnen | uitgezet. | Geldende | jurisprudentie | onder | de | Wro/Bro | is vanaf | 12 woningen | , een functiewijziging | met | een | oppervlak | groter | dan | 500 | m² | bvo | , meer | dan | 500 | m² | bvo | bebouwing | of een | functie | die gelet | op | de | ruimtelijke | uitstraling | een | stedelijke | ontwikkeling | is. De | geldende | planologische | mogelijkheden | zijn vertrekpunt | bij de | beoordeling. | Leegstand | mag | volgens | jurisprudentie | niet | 'onaanvaardbaar' | zijn.

Als die | stedelijke | ontwikkeling | is voorzien | buiten | het | stedelijk | gebied | of buiten | het | stedelijk | groen | aan | de | rand van | de | bebouwing | van | stedelijk | gebied | moet | ook | rekening | worden | gehouden | met | de | mogelijkheden | om | binnen dat stedelijk | gebied | of binnen | dat | stedelijk | groen | aan | de | rand | van | de | bebouwing | van | stedelijk | gebied | in die behoefte | te voorzien. | De | grens | van | het | stedelijk | gebied | wordt | bepaald | door | de | omstandigheden | van | het | geval | , de specifieke | ligging | , de | feitelijke | situatie | , het | omgevingsplan | en | de | aard | van | de | omgeving. 4. 2. 2 | Toetsing In Bijlage | 6 is een | uitgebreide | ladderonderbouwing | opgenomen. | Uit diverse | bronnen | blijkt | dat | er een woningbehoefte | is voor | maximaal | 300 | woningen | in verschillende | categorieën | , waaronder | de Woningbouwprogrammering | 2025 | van | de | gemeente | Roosendaal. | Voor | de | beoogde | 300 | woningen | is in | een passende | dorpse | dichtheid | een | oppervlakte | van | circa | 95 , hectare | benodigd | (circa | 30 | woningen | per | hectare). | Dit is niet | mogelijk | binnen | bestaande | stedelijk | gebied. 4. 2.

3 | Conclusie Met | het | toevoegen | van | maximaal | 300 | woningen | op | deze | uitbreidingslocatie | in | Wouw | wordt | voldaan | aan | de ladder | voor | duurzame | verstedelijking. 4. 3 | Water | en | klimaatadaptatie 4. 3. 1 | Toetsingskader Ruimtelijke | ontwikkelingen | kunnen | van | grote | invloed | zijn | op | de waterhuishouding | in een | gebied. | Ze | kunnen gevolgen | hebben | voor | de | waterkwantiteit | , de | waterkwaliteit | en | de | waterveiligheid. | Bij wijziging | van | het omgevingsplan | moet | daarom | rekening | worden | gehouden | met | de | gevolgen | voor | het | beheer | van | watersystemen (weging | van | het | waterbelang). | In deze | paragraaf | zijn | de waterhuishoudkundige | randvoorwaarden | , uitgangspunten | en | ontwerpgrondslagen | voor | het | plangebied | gegeven. | Deze | waterparagraaf | vormt | daarmee | de basis | voor | het | vastleggen | van | het | wateraspect | en | de | weging | van | het | waterbelang | zoals | dat | in de | omgevingswet | is opgenomen. | Om | de | waterbelangen | te borgen | is advies | ingewonnen | bij de | waterbeheerder. | Indien | hiervan afgeweken | wordt | is dit | in navolgende | onderbouwing | deugdelijk | gemotiveerd. | Verder | zijn de | water | gerelateerde instructieregels | uit de | provinciale | omgevingsverordening | getoetst.

| Hiermee | is gegarandeerd | dat | het waterbelang | in voldoende | mate | is meegewogen | en | dat | de | plan | specifieke | regels | van | de | waterbeheerders | op een | goede | wijze | in het | plan | zijn | meegenomen. Verder | moet | rekening | worden | gehouden | met | waterschapsbelangen. | Uit het | waterschapsbeleid | en | de waterschapsverordening | blijkt | welke | belangen | er spelen. 31/57 Ten | slotte | wordt | het | project | ook | getoetst | aan | het | relevante | gemeentelijke | beleid | met | betrekking | tot | water. Beleid | Waterschap | Brabantse | Delta Het | waterschap | Brabantse | Delta | is verantwoordelijk | voor | het | waterbeheer | in de | gemeente | op | basis | van | de volgende | wettelijke | kerntaken: | het | zuiveringsbeheer | , watersysteembeheer | , beheer | van | dijken | en | beheer | van vaarwegen. | Het | watersysteembeheer | -waaronder | grondwater- | heeft | daarbij | twee | doelen: | zowel | de | zorg | voor gezond | water | als de | zorg voor | voldoende | water | van | voldoende | kwaliteit. Het | beleid | en | de | daarmee | samenhangende | doelen | van | het | waterschap | zijn opgenomen | in het waterbeheerprogramma | 2022-2027. | Zo | zijn bijvoorbeeld | relevante | waterthema’s | gekoppeld | aan | de | belangrijkste ruimtelijke | ontwikkelingen | in de | regio.

| Daarnaast | heeft | het | waterschap | , waar | nodig | , nog | specifiek | beleid | en beleidsregels | op | de verschillende | thema’s/speerpunten | uit het | waterbeheerprogramma. Daarnaast | heeft | het | waterschap | waar | nodig | nog | toegespitst | beleid | en | beleidsregels | op | de | verschillende thema's/speerpunten | uit het | waterbeheersplan | en heeft | het | waterschap | een | eigen | verordening | ; de waterschapsverordening. | De | waterschapsverordening | bevat | gebods- | en | verbodsbepalingen | met | betrekking | tot ingrepen | die | consequenties | hebben | voor | de waterhuishouding | en het | waterbeheer. | Veelal | is voor | ingrepen | een omgevingsvergunning | van | het | waterschap | benodigd. | De | waterschapsverordening | is te raadplegen | via Regels | op de kaart. Bij een | toename | en | afkoppelen | van | het | verhard | oppervlak | geldt | het | uitgangspunt | dat ruimtelijke (her)ontwikkelingen | zoveel | mogelijk | hydrologisch | neutraal | moeten | worden | uitgevoerd. | Om | aan | dit uitgangspunt te kunnen | voldoen | wordt | bij uitbreiding | van | verhard | oppervlak | voor | de | omgang | met | hemelwater | uitgegaan | van de voorkeursvolgorde | infiltreren | , bergen | en | afvoeren.

Watertoets Het | watertoetsproces | is een | belangrijk | instrument | om | het | waterbelang | in ruimtelijke | plannen | en | besluiten | te waarborgen. | Het | gaat | daarbij | om | alle waterhuishoudkundige | aspecten | , waaronder | veiligheid | , wateroverlast | , watertekort | , waterkwaliteit | en verdroging | , en om | alle wateren: | rijkswateren | , regionale | wateren | en | grondwater. Het | is een | proces | dat de | initiatiefnemer | van | een | ruimtelijk | plan | en | de | waterbeheerder | in een | zo vroeg | mogelijk stadium | met | elkaar | in gesprek | brengt. Gemeentelijk | beleid In het | Water- | en rioleringsprogramma | 2024-2027 | van | de gemeente | Roosendaal | zijn waterbergingseisen opgenomen. | Zowel | bij nieuwbouw | als bij ontwikkelingen | in bestaand | bebouwd | gebied | wordt | van | de perceeleigenaar | verlangd | dat | deze | zijn/haar | verantwoordelijkheid | neemt | om | wateroverlast | te voorkomen | op eigen | terrein | (niet | afwentelen). | Hierbij | worden | de bergingseisen | in onderstaande | tabel | gehanteerd. Tabel | 5. 1 - bergingseisen | gemeente | Roosendaal Nieuwe | ontwikkelingen | Ontwikkelingen | in bestaand | bebouwd | gebied 60 | mm | 60 mm Hierbij | worden | de | volgende | toelichtingen | bij en | aanvullingen | op | de | tabel | gegeven: 32/57 Een eis van 60 mm betekent ten minste 60 liter berging per m2 oppervlak.

De bergingsvoorziening dient na 24 uur weer leeg te zijn. Het oppervlak waarover deze bergingseis berekend dient te worden , betreft het perceeloppervlak in de nieuwe situatie. De bergingseisen zijn van toepassing op het werkgebied als geheel (particulier en openbaar terrein). De voorkeur gaat in de basis uit naar een voorziening op ieder particulier perceel binnen een ontwikkeling. 4. 3. 2 Toetsing Om de waterhuishoudkundige consequenties van het plan in beeld te brengen en de waterbelangen te waarborgen is een uitgebreide memo vastgesteld (zie bijlage 7). Deze memo vormt de basis voor het vastleggen van het wateraspect en de weging van het waterbelang zoals dat in de Omgevingswet is opgenomen. In de memo zijn de waterhuishoudkundige randvoorwaarden , uitgangspunten en ruimtelijke kenmerken voor het plan gegeven. Grondwater Op basis van de gegevens van de grondwatermonitoring tot nu toe alsmede de grondwaterstromingsrichting en het verhang is voor het plangebied ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) in het zuidwesten is gelegen op 550 m +NAP en in het noordoosten op 460 m +NAP. , , Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermings- , grondwaterwin- , attentiegebied of boringsvrijezone. Oppervlaktewater In het plangebied liggen A-watergangen langs de Bulkstraat en De Hoogt. De B-watergangen zijn gelegen in en langs de randen van het gebied.

Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het beheer van deze watergangen. Voor werkzaamheden in de watergangen of beschermingszones in een omgevingsvergunning vereist. In het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuur Netwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting , (in-) filtratie van afstromend hemelwater , afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater , afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. In de weg De Hoogt ligt een gescheiden rioolstelsel (hemelwater en afvalwater). Tevens ligt in de weg De Hoogt een drainagestelsel. In de Bulkstraat is geen riool gelegen. In de overige wegen in de kern van Wouw ligt een 33/57 gemengd | rioolstelsel.

Waterkwaliteit Ter voorkoming | van | diffuse | verontreinigingen | van | water | en | bodem | zullen | gedurende | de | aanlegfase | duurzame | , niet-uitloogbare | materialen | worden | gebruikt. Waterberging Ten | aanzien | van | het | planvoornemen | en | de | omgang | met | hemelwater | moet | in de | basis | worden | voldaan | aan | de bergingseis | van | 60 | mm | (60 | liter berging | per | m 2 oppervlak | conform | het | WRP | 2024-2027). | Om | inzicht | te | krijgen | in het | ruimtebeslag | dat | nodig | is om | te kunnen | voorzien | in de waterbergingsopgave-/compensatieopgave | , zijn enkele | mogelijke | alternatieven | indicatief | uitgewerkt | in de | memo | 'Wateropgave | en | compensatie | Wouwse Weide' | d. d. 15 juli | 2025 | die onderdeel | uitmaakt | van | bijlage | 7. Om | de | retentieopgave | binnen | de | grenzen | van | het | plangebied | op | te vangen | is veel | ruimte | nodig. | Dit heeft | een grote | impact | op | het | plangebied. | In de | regels | van | het | TAM-omgevingsplan | voor | de | Wouwse | Weide | is vastgelegd dat er | moet | worden | voldaan | aan | de | bergingseis | van | 60 mm | (60 | liter berging | per | m 2 oppervlak | conform | het | WRP 2024-2027).

| Er is ook | vastgelegd | dat | in afwijking | van | deze | eis | een | lagere | bergingseis | is toegestaan | als | wordt voldaan | aan | de | gestelde | voorwaarden | , waaronder | het | uitvoeren | van | een | stresstest | waarbij | wordt | aangetoond dat bij | hevige | regenval | geen | sprake | is van | wateroverlast | op | het | plangebied | en | de | op | de | omgeving. | Op | basis | van de civiele | uitwerking | van | het | plan | wordt | de | waterbergingsopgave | verder | uitgewerkt. 4. 3. 3 | Conclusie Om | de | retentieopgave | binnen | de | grenzen | van | het | plangebied | op | te vangen | is veel | ruimte | nodig. | In de | regels | is geborgd | dat | er voldoende | waterberging | wordt | gerealiseerd | zodat | bij hevige | regenval | geen | sprake | is van wateroverlast. | Het | aspect | water | levert | geen | belemmeringen | voor | de | haalbaarheid | van | het | plan. 4. 4 | Groen | en | klimaatadaptatie | (groene | hoofdstructuur) 4. 4. 1 | Toetsingskader Roosendaal | Natuurstad | is het | lokale | antwoord | op | klimaatverandering. | De | gemeente | heeft | in dit beleidskader haar | ambities | vastgelegd | op | het | gebied | van | vergroening | en | klimaatadaptatie. | Met | als | belangrijkste | doel | het realiseren | van | een | klimaatbestendig | en een | mede | daardoor | nog | aangenamer | en | aantrekkelijker | Roosendaal.

De | uitvoeringsagenda | voor | de | klimaatadaptatieopgave | is: 1. | Bestrijding | van | droogte | , hittestress | en | wateroverlast | , 2. | Borging | van | waterveiligheid | voor | zover | nodig | , 3. | Verbetering | van | biodiversiteit | en | luchtkwaliteit | , 4. | Een | groenere | leefomgeving | voor | een | betere | leefkwaliteit | (minder | verharding | , meer | groen). Ook | is in Roosendaal | Natuurstad | vastgelegd | dat | binnen | het | plangebied | ten | minste | 15–20% | van | het | oppervlak wordt | ingericht | als | openbaar | groen. | Dit omvat | plantsoenen | , laanbeplanting | , speelgroen | en | natuurlijke | zones. Nieuwe | bebouwing | wordt | waar | mogelijk | voorzien | van | natuurinclusieve | elementen | zoals | groene | daken | en nestkasten. | Inheemse | en | streekeigen | beplanting | wordt | voorgeschreven | om | de | biodiversiteit | te bevorderen. 34/57 Bestaande landschappelijke elementen , zoals houtwallen , bomenrijen en slootkanten , worden zoveel mogelijk behouden of hersteld en opgenomen in het ontwerp. 4. 4. 2 Toetsing Groen vormt een essentieel onderdeel van het ruimtelijk karakter van Wouw en haar directe omgeving. Daarom is in de Ontwikkelvisie stevige ingezet op groencompensatie , met als doel zowel het verlies van bestaand groen te compenseren als de ecologische en ruimtelijke kwaliteit van de wijk en haar omgeving te versterken.

De groencompensatie binnen de Wouwse Weide wordt gezien als een kans om het dorpse en landschappelijke karakter van Wouw te behouden én te verrijken. Hiermee draagt de nieuwe buurt bij aan een aantrekkelijk en toekomstbestendig woon- en leefmilieu , in balans met de natuur en de identiteit van het dorp. Door de nieuwe groenstructuur in het plangebied te verbinden met bestaande groenstructuren , ecologische zones en recreatieve routes ontstaat een aaneengesloten netwerk. Het centrale park kan fungeren als steppingstone in de groene corridor. Dit vergroot de biodiversiteit en ecologische waarde , maar ook de aantrekkelijkheid en toegankelijk voor bewoners om te verblijven in een groene omgeving. De inrichting van de openbare ruimte wordt klimaatbestendig ontworpen zodat hittetsress voorkomen wordt. Er wordt voldoende water opgenomen ter bestrijding van droogte , hittetstress en wateroverlast. In de Ontwikkelingsvisie wordt uitgebreid ingegaan op de groene hoofdstructuur. De Ontwikkelvisie is opgenomen in Bijlage 1. 4. 4. 3 Conclusie In de uitwerking van het ontwerp is aangesloten bij de ambities in het beleidskader Roosendaal Natuurstad. 4. 5 Bodem 4. 5. 1 Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5. 89i Bkl).

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in de Bruidsschat en in het Besluit activiteiten leefomgeving over nazorg van de bodem na saneren , regels over graven in de bodem en regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. 4. 5. 2 Toetsing Woningen worden gezien als bodemgevoelige gebouwen. Voor het plangebied zijn drie milieuhygiënische vooronderzoeken uitgevoerd , waarvan de rapportages als bijlage 8 zijn opgenomen bij deze motivering. Uit de onderzoeken blijkt dat twee deelgebieden altijd in gebruik zijn geweest voor agrarische doeleinden of 35/57 tuin en als onverdacht worden beschouwd. Ter plaatse van deellocatie B2 is ter plaatse van de stalling van trailers een halfverharding aanwezig. In de bodem onder de halfverharding zijn matig verhoogde gehalten aan zink en PAK aangetroffen. Er kan niet worden uitgesloten dat de bodem elders op het terreindeel verontreinigd is. Ook de grondwaterkwaliteit onder deze verharding is nog onbekend. Er wordt vervolgonderzoek uitgevoerd. Er wordt niet verwacht dat dit een belemmering vormt voor de ontwikkeling. Figuur 4.

1 Boorpuntenkaart bodemonderzoek (bron: Aveco de Bont) 4. 5. 3 Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de geplande ontwikkeling. 4. 6 Erfgoed 4. 6. 1 Toetsingskader Cultureel erfgoed omvat diverse aspecten , waaronder archeologie , cultuurhistorie , monumenten , karakteristieke panden , beschermde gezichten , monumentale bomen en het landschap etc. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. 36/57 De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving is sinds 2024 in de Omgevingswet geregeld. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden , worden gehandhaafd. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5. 130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd , archeologische monumenten , (voorbeschermde) rijksmonumenten , beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen , wordt hieraan getoetst. De archeologische waardenkaart van de gemeente is in 2024 geactualiseerd. Deze waardenkaart wordt op korte termijn vastgesteld. 4. 6. 2 Archeologie Het hele plangebied heeft in het geldende omgevingsplan de 'Waarde – Archeologie 1' en 'Waarde – Archeologie 2'. Daarbij geldt een archeologische onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte van 2 2 respectievelijk 50 m en 500 m of meer die de bodem dieper dan 05 m beneden maaiveld gaan verstoren. , In het kader hiervan is door Artefact een Programma van Eisen (PvE) opgesteld. Hieruit blijkt dat het noodzakelijk is de archeologische verwachtingswaarde nader te toetsen en eventueel aan te treffen archeologische sporen en vondsten in kaart te brengen. Bij de beoordeling van het PvE door de gemeente bleek dat er binnenkort nieuw archeologiebeleid zal worden vastgesteld.

Belangrijke wijziging is dat er op meer plekken binnen het plangebied dan in het gemeentelijke omgevingsplan is aangegeven , een hoge verwachtingswaarde aanwezig is (zie figuur 4. 2). Vooruitlopend op dit nieuwe beleid is in overleg met de gemeente een aanpak bepaald om het nog niet vastgestelde beleid toch al te gebruiken bij dit project. Het , door Artefact bepaalde , aantal proefsleuven (18 stuks) zal efficienter worden ingezet in het plangebied waardoor , zonder extra kosten , toch het gehele plangebied onderzocht kan worden. Het PvE van Artefact is daarop aangepast. Voor een uitgebreidere toelichting op het uit te voeren onderzoek wordt verwezen naar het PvE. Deze is te vinden in Bijlage 9 bij deze motivering. 37/57 Figuur 4. 2 Archeologische beleidskaart gemeente Roosendaal (Bron: gemeente Roosendaal) 4. 6. 3 Cultuurhistorie Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten) , cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van de Cultuurhistorische kaart van provincie Noord-Brabant is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Ook zijn historische topografische kaarten beschouwd. Een groot deel van de gemeente Roosendaal bestaat uit dekzandgronden , met een overwegend agrarische functie.

Dit agrarisch werklandschap , waarin het dorp Wouw is gelegen , wordt gekenmerkt door lichte glooiingen , beken en een grote mate van openheid , dat contrasteert met het meer besloten karakter van De Brabantse Wal en het park- en coulisselandschap. Het landschap ligt op de helling van hoog naar laag , op de overgang van zand naar klei (De Brabantse Wal-deltagebied). Het losse patroon van verspreide erven en slingerende wegen , soms omzoomd met laanbeplanting , is karakteristiek voor een groot deel van het buitengebied. De beken , die op de hogere delen ontspringen , hebben zich in het dekzand ingesleten en vormen de structuurdragers van het landschap. Dit onderliggende landschap vormt de basis van de verschijningsvorm , groenstructuur en groeiomstandigheid van het te ontwikkelen plangebied de Wouwse Weide. Op de provinciale Cultuurhistorische waardenkaart is de Bulkstraat aangemerkt als historische geografie. Omdat het karakter van deze weg door de ontwikkeling niet wijzigt vormt dit geen belemmering voor de geplande ontwikkeling. Het plangebied ligt niet in een molenbiotopp , er zijn geen monumenten of beeldbepalende panden in het plangebied aanwezig en het plangebied is niet gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht. 38/57 4. 6. 4 Conclusie De archeologische waarden in het plangebied worden onderzocht.

Het cultuurhistorische landschap is een belangrijke bouwsteen voor het stedenbouwkundig plan. 4. 7 Verkeer en vervoer 4. 7. 1 Toetsingskader Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving stellen geen regels op dit gebied. De Nota Parkeernormen (geldend sinds 7-2-2022) van de gemeente Roosendaal en de Omgevingsvisie Roosendaal 'De Verbonden Stad' gaan wel op deze aspecten in. Omdat de Nota Parkeernormen op korte termijn fors wordt aangepast heeft de gemeente Roosendaal voor veel woonfuncties tijdelijke parkeernormen vastgesteld. Deze zijn waar toepasselijk gebruikt. Naast het gemeentelijk beleid bieden de CROW-richtlijnen een belangrijk kader voor de beoordeling van de aspecten verkeer en parkeren. Aangezien het richtlijnen betreft , kan er onderbouwd worden afgeweken. Daarvoor is specifiek op de ontwikkeling van toepassing zijnde toegesneden informatie van belang. In beginsel worden de aspecten verkeer en parkeren beoordeeld conform het STOMP principe. STOMP staat voor: Stappen , Trappen , Openbaar Vervoer , Mobility as a Service (MaaS) en ten slotte de Privéauto.

Het STOMP principe gaat ervanuit dat de voetgangers en fietsers de belangrijkste verkeersdeelnemers zijn die binnen de ontwikkeling gefaciliteerd dienen te worden , daarna volgt het openbaar vervoer en de deelmobiliteitsvoorzieningen en als laatste wordt de privéauto gefaciliteerd. Het toepassen van het STOMP principe draagt bij aan een duurzame gebiedsontwikkeling , daarom is dit principe belangrijk om mee te nemen in de beoordeling. 4. 7. 2 Toetsing Er is een onderzoek uitgevoerd naar de toename van verkeer vanwege het plangebied en naar het parkeren. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 10. Hieruit blijkt dat de beoogde ontwikkeling , met enige aandachtspunten goed ontsloten is per fiets en te voet. Ook met de auto is het plangebied vlot en veilig bereikbaar. De ontsluiting per openbaar vervoer is niet goed. De beoogde ontwikkeling veroorzaakt geen knelpunten in de verkeersafwikkeling of verkeersveiligheid op de wegen waarop het verkeer van en naar het plangebied wordt afgewikkeld. Er is voldoende parkeergelegenheid beoogd om de parkeerbehoefte die de beoogde ontwikkeling veroorzaakt te faciliteren. Daarnaast is een spoorwegrisicoanalyse uitgevoerd om in beeld te brengen wat de toename van het verkeer vanwege het plan betekent voor de veiligheid op het spoor. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 11.

Uit het onderzoek blijkt dat door de ontwikkeling het aanbod gemotoriseerd verkeer op de overweg toeneemt. Het aanbod fietsverkeer neemt beperkt toe door de ontwikkeling. Beide wijzigingen zorgen slechts voor een beperkte en acceptabele toename van de risico's op de overweg. Het aanbod gemotoriseerd verkeer dat vanaf de overweg afslaat richting De Hoogt toe neemt echter ook toe , 39/57 namelijk met circa 610 motorvoertuigen per etmaal. Daarmee neemt de kans toe dat de overweg niet tijdig ontruimd kan worden , wat een achteruitgang in overwegveiligheid is. Na een afweging van meerdere maatregelen is als compensatiemaatregel voorgesteld een filebak te plaatsen ten zuiden van de overweg die een mogelijke file ten noorden van de overweg detecteert. Andere maatregelen om zoveel mogelijk potentiële ontruimingsproblemen van de overweg te voorkomen zijn niet haalbaar of zijn disproportioneel in relatie tot de afname in overwegveiligheid die door het project Wouwse Weide wordt veroorzaakt. 4. 7. 3 Conclusie Er zijn geen belemmeringen ten aanzien van verkeer en parkeren vanwege het plan. 4. 8 Ecologie 4. 8. 1 Toetsingskader Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden aangetoond wat het effect van het plan is op flora & fauna en natuurgebieden.

Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor de natuur. 4. 8. 2 Gebiedsbescherming Toetsingskader Natura 2000-gebieden Een activiteit kan gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Denk hierbij aan de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied maar ook aan andere gevolgen , bijvoorbeeld door geluid en licht die door de activiteit worden veroorzaakt. Als een activiteit plaatsvindt in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied , dan moet onderzoek uitwijzen of de activiteit significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Een activiteit kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd , in stand worden gehouden , verbeterd en ontwikkeld worden. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen. Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000/Natuurbeschermingswet Het plangebied is geen Beschermd Natuurmonument of Natura 2000-gebied. Het plangebied ligt op 38 km , afstand van het Natura 2000-gebied Brabantse Wal.

Om inzicht te verkrijgen op mogelijke schadelijke stikstof impact , is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Zie hiervoor Bijlage 12. In de aanlegfase komt de berekening uit op een depositie van 002 mol/ha/jr. In de gebruiksfase is de , stikstofdepositie 001 mol/ha/jr. De stikstofdepositie in de aanlegfase kan verminderd worden door de , werkzaamheden beter te spreiden of elektrisch materieel in te zetten. De stikstofdepositie in de gebruiksfase kan worden verminderd door de verkeersgeneratie niet worst case , maar op basis van het definitieve 40/57 programma te berekenen. De strategieën worden in een latere fase van de ontwikkeling uitgewerkt. Bureau Waardenburg heeft onderzocht of de stikstof , die bij de realisatie en het gebruik van het project vrijkomt , significante gevolgen kan hebben op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000 - gebieden. Hiervoor is de stikstofbijdrage ecologisch beoordeeld. Uit het onderzoek blijkt dat significant nadelige gevolgen op habitattypen en leefgebieden in Natura 2000 - gebieden zijn uitgesloten. Het plan leidt niet tot significant negatieve gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000 - gebied Brabantse Wal. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 13.

Bij de uiteindelijke toets op projectniveau wordt voor het bepalen van de daadwerkelijke stikstofdepositie van de ontwikkeling gebruik gemaakt van de meest actuele versie van de Aerius-calculator en zal de uitkomst worden getoetst aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving. Gelet op de nu geconstateerde geringe bijdrage van stikstofdepositie en de resultaten van de ecologische beoordeling , is het plan niet evident onuitvoerbaar. 4. 8. 3 Soortenbescherming Toetsingskader Een ontwikkeling die mogelijke gevolgen heeft voor van beschermde dieren of planten , is een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Voor sommige flora- en fauna-activiteiten is een omgevingsvergunning nodig. Er geldt een specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit waarbij maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Onderzoek In mei 2025 is door Tritium een QuickScan flora en fauna uitgevoerd. Uit het onderzoeksrapport , zoals opgenomen in Bijlage 14 , blijkt dat nader onderzoek nodig is naar de buizerd , alpenwatersalamander , kleine marters en vleermuizen. Door Tritium is tussen juni 2025 en maart 2026 een vervolgonderzoek uitgevoerd naar deze soorten.

Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 15. De onderzoeksresultaten zijn weergegeven in tabel 5. 2. 41/57 Tabel 5. 2 Resultaten aanvullend ecologisch onderzoek Uit het onderzoek blijkt dat er voor de alpenwatersalamander , de gewone dwergvleermuis , de rosse vleermuis en de laatvlieger aanvullende maatregelen genomen moeten worden. Er wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld waarin omschreven wordt welke maatregelen getroffen worden om negatieve effecten op deze beschermde soorten te voorkomen. De maatregelen zijn haalbaar en uitvoerbaar. Ook zal er een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit worden aangevraagd in verband met de aantasting en verstoring van (het leefgebied van) deze beschermde soorten. Hiertoe wordt een activiteitenplan worden opgesteld. 4. 8. 4 Conclusie Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan worden geconcludeerd dat het plan ten aanzien van natuur niet evident onuitvoerbaar is. Op basis van de ecologische beoordeling ten aanzien van stikstof wordt geconcludeerd dat significant nadelige gevolgen op habitattypen en leefgebieden in Natura 2000 - gebieden zijn uitgesloten Er wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld en wordt een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit aangevraagd. 42/57 4. 9 Luchtkwaliteit 4. 9.

1 Toetsingskader Als een omgevingsvergunning-betrekking heeft op een activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen , kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 5.51 , lid 4 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 12 , µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5. 54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen , waaronder: 4. 9. 2 Toetsing Het plangebied bevindt zich niet in de in artikel 5. 51 Bkl vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. Het initiatief valt onder de standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit , zoals vermeld in artikel 5. 54 van het Bkl. Het project maakt de realisatie van 250-300 woningen mogelijk. Dit aantal valt onder de grens van 1. 500 woningen , die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.

Het project draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Aan de hand van de luchtkwaliteitskaarten van Atlas Leefomgeving is onderzocht wat de (indicatieve) luchtkwaliteit is ter plaatse van het plangebied. Uit de kaart blijkt dat in 2023 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2023 ; 73 , µg/m³ voor PM 25 , , 140 , µg/m³ voor PM 10 en 124 , µg/m³ voor NO. 2 4. 9. 3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4. 10 Geur: agrarische en milieubelastende activiteiten 4. 10. 1 Toetsingskader In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur opgenomen (§ 5. 1. 4. 6 van het Bkl). De algemene regels met betrekking tot geur zijn op grond van artikel 5. 90 van het Bkl van toepassing op het toelaten: bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen ; bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geur veroorzakende bedrijven. In artikel 5.

91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd 43/57 (woonfuncties , onderwijsfuncties , gezondheidsfuncties met bedgebied , bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Een woonfunctie is een geurgevoelig gebouw. 4. 10. 2 Toetsing In de dichte nabijheid van het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen gevestigd. Wel bevindt zich ten oosten van het plangebied een veehouderij. Hier worden dieren gehouden zonder een geuremissiefactor. Uit artikel 5. 112 van het Bkl blijkt dat de minimale afstandseis 50 meter is buiten de bebouwingscontour geur en 100 meter binnen de bebouwingscontour geur. De afstand van dit bedrijf tot de dichtstbijzijnde nieuwe woning is ruim 500 meter. Met de ontwikkeling zelf worden geen geurhinderlijke activiteiten mogelijk gemaakt. 4. 10. 3 Conclusie Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project. 4. 11 Geluid 4. 11. 1 Toetsingskader Geluid door wegen , spoorwegen en industrieterreinen Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen , spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De instructieregels uit afdeling 3.

5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg , spoorweg of industrieterrein (artikel 3. 18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen , spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3. 20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3. 20 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen , onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3. 20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Geluid door activiteiten Geluid door activiteiten speelt in twee spiegelbeeldige situaties een rol: de situatie waarin een ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw ; de situatie waarin een geluidgevoelig gebouw gerealiseerd zal worden waarop geluid wordt veroorzaakt door een bestaande activiteit die geluid veroorzaakt. Dat kan al snel leiden tot het beperken van de milieuruimte van deze bestaande activiteit (en bijvoorbeeld het beperken van een bedrijfsactiviteit).

In deze gevallen is een wijziging van het omgevingsplan een beter instrument om de activiteit mogelijk te maken. 1. 2. Bij de wijziging van een omgevingsplan moet rekening worden gehouden met het geluid door activiteiten op 44/57 geluidgevoelige | gebouwen. | Daarnaast | zal | het | omgevingsplan | moeten | waarborgen | dat | het | geluid | door | een activiteit | aanvaardbaar | is. 4. 11. 2 | Geluid | door | verkeer | (wegen | , spoorwegen) Door | Tritium | is een | akoestisch | onderzoek | uitgevoerd | naar | de | geluidbelasting | vanwege | weg- | en spoorwegverkeer. | Het | onderzoek | is opgenomen | in bijlage | 16. Uit | het | onderzoek | blijkt | dat | het | plangebied | binnen het | geluidaandachtsgebied | van | de | Rijksweg A58 | en | de | gemeentewegen | Bulkstraat | , De | Hoogt | , Gierelaar | , Molensingel | , Neerakker | , Plantagebaan | en | Tiendevri ligt. Voor | spoorweglawaai | is het | plan | gelegen | binnen | het | geluidaandachtsgebied | van | de | spoorweg | Bergen | op Zoom | - Roosendaal. Voor | de | rijkswegen | geldt | dat | het | geluid | op | de | gevels | van | de | nieuwe | woningen | en | appartementen | de standaardwaarde | van | 50 | dB | met | maximaal | 3 dB | overschrijdt. | De | grenswaarde | van | 60 dB | wordt | nergens overschreden.

Voor | de | gemeentewegen | geldt | dat | het | geluid | op | de | gevels | van | de | nieuwe | woningen | en appartementen | de | standaardwaarde | van | 53 dB | met | maximaal | 1 dB | overschrijdt. | De | grenswaarde | van | 70 | dB | wordt nergens | overschreden. Er is een | maatregelenonderzoek | uitgevoerd. | Het | realiseren | van | stiller | wegdek | of een | geluidsscherm | behoren | tot de mogelijkheden. Aangezien | voor | onderhavige | woningen | en | appartementen | de standaardwaarde | wordt | overschreden | dient | het belang | van | het | beschermen | van | de | gezondheid | door | een | geluidluwe | gevel | te worden | betrokken. | Uit de rekenresultaten | blijkt | dat | voor | alle | woningen | en | appartementen | geldt | dat | deze | de | beschikking | hebben | over | ten minste | één | gevel | waarvoor | de | geluidbelasting | de | standaardwaarde | niet | overschrijdt. | Indien | iedere | woningen | en appartement | kan | beschikken | over | ten | minste | één | te openen | geluidluw | geveldeel | , wordt | voldaan | aan | de | eisen conform | het | omgevingsplan | en | het | gemeentelijke | geluidbeleid. 4. 11. 3 | Geluid | door | milieubelastende | activiteiten Er is onderzoek | uitgevoerd | naar | de | geluidemissie | van | de | (milieubelastende) | activiteiten | en | werkzaamheden binnen | de | bedrijfslocatie | van | J. & | Th.

Van | der | Veldt | BV , gelegen | aan | de | Plantagebaan | 57 te Wouw. | Het | onderzoek is opgenomen | in bijlage | 17. De | bedrijfslocatie | grenst | aan | de | zuidzijde | van | het | planvoornemen. | De | geluidemissie | als gevolg | van | de representatieve | bedrijfssituatie | en als gevolg | van | indirecte | hinder is getoetst | aan | de hiervoor | geldende | geluideisen. | Naar | aanleiding | van | de | reactie | van | de | OMWB | op | het | akoestisch onderzoek | heeft | op | 10 november | 2025 | een | aanvullend | veldbezoek | bij Van | der | Veldt | plaatsgevonden. | De resultaten | zijn verwerkt | in | de aanvullende | berekeningen | die | zijn | opgenomen | in bijlage | 18. | Uit de | aanvullende berekeningen | blijkt | dat | Van | der | Veldt | een | bedrijf | is dat in de | dagperiode | actief | is. In | combinatie | met | de | aarden wal | ten | oosten | van | het | bedrijf | kan | worden | voldaan | aan | de | standaardwaarde | van | 50 dB(A) | op | begane | grondniveau (het | leefniveau | in de | dagperiode). | Op | begane | grondniveau | blijft | het | berekende | maximale | geluidniveau beneden | de | 70 dB(A).

45/57 Uit het onderzoek blijkt dat akoestisch gezien ten gevolge van geluid door activiteiten sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat een veilige en gezonde fysieke leefomgeving is gewaarborgd , en dat de nieuw voorziene woningen geen belemmering vormen voor de omliggende activiteiten. 4. 11. 4 Gecumuleerd en gezamenlijk geluid De nieuwe woningen en appartementen worden beoogd in het geluidaandachtsgebied van de spoorwegen , gemeentewegen , rijkswegen en omliggende bedrijfsactiviteiten. Het gecumuleerd geluid op de gevels van de beoogde nieuwe woningen en appartementen bedraagt ten minste 45 dB en ten hoogste 59 dB. Conform de methode Miedema kan het gecumuleerd geluid worden gekwalificeerd als " zeer goed " tot " matig. Het bevoegd gezag dient te beoordelen of het geluid opde nieuwe woningen en appartementen aanvaardbaar is. " Voor onderhavige woningen en appartementen bedraagt het gezamenlijk geluid maximaal 64 dB. Middels een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels dient te worden aangetoond dat aan de voornoemde nieuwbouweis kan worden voldaan. Bij toepassing van de juiste geluidwerende materialen en maatregelen (conform een nader onderzoek) is vervolgens een aanvaardbaar geluidbinnenniveau gewaarborgd. 4. 11. 5 Conclusie In de regels en op de verbeelding is het gezamenlijk geluid vastgelegd.

Ten aanzien van geluid kan worden geconcludeerd dat een veilige en gezonde leefomgeving in en buiten het plangebied kan worden gewaarborgd. 4. 12 Omgevingsveiligheid 4. 12. 1 Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag , productie , gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5. 1. 2 van het Bkl. De paragrafen 5. 1. 2. 2 tot en met 5. 1. 2. 6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare , kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in de artikelen 5. 6 tot en met 5. 11a Bkl. Deze zijn van toepassing als een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5. 7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen.

Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5. 11 Bkl). Voor het PR gelden , afhankelijk van de activiteit , vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden In artikel 5. 12 Bkl zijn er brand- , explosie- en gifwolkaandachtsgebieden voor het groepsrisico bepaald. Deze zijn niet van toepassing als het gaat om een activiteit als bedoeld in bijlage VII , onder C , waarvoor een locatie bij ministeriële regeling als brandvoorschriftengebied is aangewezen. Risicovolle activiteiten hebben van 46/57 rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5. 12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis , zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor brand , explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stof-fen , zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied.

Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5. 14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied , dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikelen 4. 90 tot en met 4. 96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen , zoals scholen , kinderdagopvang en verzorgingstehuizen , geldt altijd een voorschriftengebied , en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5. 14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen , bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het GR is onder de Omgevingswet optioneel ; het is niet meer verplicht om het GR te berekenen , maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. 4. 12. 2 Toetsing De beoogde woningen betreffen conform het Bkl kwetsbare gebouwen. Op basis van het Register Externe Veiligheid zijn de risicobronnen en aandachtsgebieden in de omgeving bepaald.

Het plangebied ligt in het: brandaandachtsgebied vanwege spoor en hoge druk aardgasleiding ; explosieaandachtsgebied vanwege spoor ; gifwolkaandachtsgebied vanwege spoor. De locatie ligt buiten alle PR 10-6 contouren van de risicobronnen. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarde uit het Bkl. 47/57 Figuur 4. 7 Aandachtsgebieden omgevingsveiligheid (Bron: Register Externe Veiligheid) Bestuurlijk moet worden afgewogen of woningen binnen de aandachtsgebieden acceptabel zijn en onder welke voorwaarden. Hiervoor is een onderbouwing opgesteld. Deze is opgenomen in Bijlage 19. In de onderbouwing wordt geconcludeerd dat kan worden afgezien van het aanwijzen van een voorschriftengebied als maatregelen worden genomen. Er is vooralsnog voor gekozen om in het ontwerp van dit TAM-omgevingsplan een voorschriftengebied in de regels en op de verbeelding op te nemen teneinde de nemen maatregelen goed te borgen. Wanneer blijkt dat maatregelen op een andere manier kunnen worden geborgd , kan op een later moment besloten worden om af te zien van het opnemen van een voorschriftengebied. 4. 12. 3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid levert geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4. 13 Trillingen 4. 13. 1 Toetsingskader Activiteiten In § 5. 1. 4. 4 van het Bkl zijn de instructieregels met betrekking tot trillingen opgenomen.

Daarbij gaat het onder andere om het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in het frequentiebereik van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit. Volgens artikel 5.80 , eerste lid , Bkl is een trillinggevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan ; onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan ; gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan ; of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Trillingen door wegen en spoorwegen 48/57 In Nederland bestaan op dit moment geen wettelijke regelingen en normen , die duidelijke grenswaarden met een beoordelingssysteem voor trillingen geven. Sinds 1993 is er wel de meet- en beoordelingsrichtlijn van de SBR " Trillingen deel B - Hinder voor personen in gebouwen " , waarin streefwaarden worden gegeven , waarbij redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er geen hinder optreedt. De SBR-publicatie is in 2002 geactualiseerd. Vanwege de toenemende aandacht voor trillingen en trillinghinder langs spoorlijnen (met name waar veelvuldig goederen-treinen rijden) is er sinds mei 2019 de " Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen " (Ministerie van Infrastructuur en Water-staat). In de Handreiking wordt twee afstandscriteria aangegeven t. a. v. van de beoordeling van het aspect trillingen.

Vindt een plan of project plaats binnen een afstand van 100 m van een spoorlijn , dan wordt geadviseerd een quickscan trillinghinder uit te voeren op basis van paragraaf 10. 1 van de Handreiking. Vindt een plan of project plaats binnen 250 m afstand van een spoorlijn , dan moet worden beoordeeld in hoeverre klachten , bodemopbouw en/ of het treinbeeld aanleiding geven voor het doen van nader onderzoek. 4. 13. 2 Toetsing Woningen zijn trillinggevoelige gebouwen. Binnen de zone van 100 meter van de spoorlijn worden woningen gerealiseerd. Daarom is in het kader van de ontwikkeling een trillingen onderzoek uitgevoerd door Stantec. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in bijlage 20. Doel van het onderzoek is het prognosticeren van de trillingsniveaus in de toekomstige gevoelige ruimten van het bouwplan ten gevolge van het railverkeer tussen Roosendaal en Bergen op Zoom die over het nabijgelegen spoortraject rijden. Deze trillingniveaus worden geprognosticeerd op basis van de resultaten van de trillingmetingen in de bestaande woning die op gelijke afstand van het spoor aan de Hoogt ligt. Uit het onderzoek blijkt dat de gemeten trillingsniveaus niet voldoen aan de streefwaarde A voor nieuwe 1 situaties , maar wel aan de streefwaarden A en A. 3 Volgens de SBR B richtlijn “Hinder voor personen in 2 gebouwen” wordt daarmee voldaan aan de richtlijn voor nieuwe woonsituaties.

Er is weinig tot geen kans op trillinghinder gevolge van het railverkeer. 4. 13. 3 Conclusie Voor het aspect trillingen kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen worden uitgesloten. 4. 14 Overige aandachts- en beperkingsgebieden (straalpaden , radarverstoringsgebieden) 4. 14. 1 Radarverstoringsgebied De locatie ligt in een gebied dat in het Bkl is aangewezen als gebied waar bouwwerken het radarbeeld kunnen verstoren. Het gaat om de radar van vliegbasis Woensdrecht. De maximale hoogte van een bouwwerk , bedoeld in artikel 5.151 , eerste lid , Bkl is de hoogte van de antenne , vermeerderd met 0004363 keer de afstand van de locatie waar het bouwwerk wordt toegelaten tot de locatie , van de radar. De hoogte van de antenne op vliegveld Woensdrecht ten opzichte van NAP is 48 meter. 49/57 De afstand van de antenne tot het plangebied is ongeveer 18. 500 meter hemelsbreed. De maximale bouwhoogte van het bouwwerk is dus (18500*0004363) + 48 = 128 meter. Dit TAM-plan maakt bouwwerken mogelijk tot een , hoogte van maximaal 15 meter. Derhalve is er geen sprake van belemmeringen. 4. 14. 2 Straalpaden Straalpaden (straalverbindingspaden) zijn optisch vrije paden , met een breedte van 200 m ten behoeve van telecommunicatie. Voor het berichtenverkeer maken KPN en andere instellingen en bedrijven gebruik van straalverbindingen.

Om een ongestoord berichtenverkeer mogelijk te maken , dient tussen de zend- en ontvangststations een vrije baan aanwezig te zijn. De straling volgt een vrijwel rechte lijn en niet de kromming van het aardoppervlak. Voor een onbelemmerd gebruik mag bebouwing en beplanting in deze straalpaden een bepaalde hoogte niet overschrijden. De toelaatbare bebouwings- en beplantingshoogte is afhankelijk van de terreinhoogte en de hoogte van het straalpad ter plaatse. De hoogte bedraagt in onderhavig geval 100 m (ten opzichte van NAP). Het straalpad tussen Roosendaal en Goes loopt ten noorden van het plangebied en vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. 4. 15 Gezondheid 4. 15. 1 Toetsingskader Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 , lid 3 , onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden dient te worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent , waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming.

Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheid bevorderende aspecten een rol spelen , zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving , ruimte voor beweging , beschikbaarheid/ toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. 4. 15. 2 Toetsing Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten op de gezondheid heeft. Tijdens de bouwfase kan het beoogde ontwerp tijdelijke verstoringen veroorzaken in luchtkwaliteit , geluid , trillingen en bodem. Deze gezondheidseffecten zijn minimaal gelet op de tijdelijkheid en de maatregelen die worden genomen om de hinder zoveel mogelijk te beperken. De beoogde ontwikkeling heeft ook positieve effecten op de gezondheid. In het plangebied worden nieuwe fiets- en wandelpaden aangelegd. Deze nieuwe fiets- en wandelpaden kunnen de bewoners zowel in het plangebied als daar buiten stimuleren om te fietsen of een wandeling te maken. In het plangebied komen meerdere soorten waterbergingen. De bestaande watergang aan de oostzijde van het 50/57 plangebied blijft behouden en wordt uitgebreid. Daarnaast heeft het parkgebied een waterbergende functie. Het parkgebied zal het meeste water opvangen. Deze waterbergingen dragen positief bij aan aan de opvang van overtollig regenwater. Ook hebben de waterbergingen een positief effect op hittestress en koele plekken.

In het gebied worden meerdere groenvoorzieningen aangelegd. Tussen de woonclusters in liggen groene zones , aan de noord- , oost- en westzijde van het plangebied liggen groene stroken en aan de noordwestzijde komt een parkgebied. Groen heeft een positief effect op de gezondheid van mensen. Door het vele groen kan het water makkelijker worden geïnfiltreerd. Ook zorgen bestaande bomen en nieuwe bomen voor schaduw en koele plekken. Nieuwbouwwoningen kunnen daarnaast bijdragen aan de groei van de gemeenschap door het aantrekken van nieuwe bewoners , maar zorgen ook voor de doorstroming van doelgroepen. Dit kan leiden tot een toename van de economische activiteit , nieuwe banen en een grotere diversiteit binnen de gemeenschap. 4. 15. 3 Conclusie Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid. 4. 16 Duurzaamheid 4. 16. 1 Toetsingskader Er is geen specifiek toetsingskader voor het aspect duurzaamheid. Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening moet worden gehouden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen zoals onder andere de energietransitie , mobiliteit en herbruikbaarheid. 4. 16. 2 Energie Bij de ontwikkeling van nieuwe woningen moet met verschillende energiebehoeftes rekening gehouden worden.

Het betreft energie ten behoeve van het verwarmen en koelen van de woningen als ook voor het bereiden van warm water. Verder is er behoefte aan elektriciteit voor huishoudelijk gebruik en in toenemende mate ook voor mobiliteit. Om te bepalen welk energieconcept in het plan het meest passende is , zullen verschillende opties worden overwogen. Hierbij zal aansluiting worden gezocht bij de ambities van de gemeente Roosendaal. Toetsing Openbare ruimte De nieuw aan te leggen openbare ruimte en de te planten bomen vormen beleefbaar groen. Dit is groen wat bijdraagt aan de gezondheid van de nieuwe bewoners door er naar te kijken , maar ook door er doorheen te kunnen wandelen en elkaar te kunnen ontmoeten. Het nieuw aan te leggen groen zal de biodiversiteit in het gebied sterk verbeteren. Daarnaast levert een versterking van groen een bijdrage aan het tegengaan van hittestress. Door de aanleg van dit groen en het watersysteem kan daarnaast hemelwater infiltreren bij natte periodes (piekbuien) , maar ook 51/57 vastgehouden worden bij drogere periodes. Het plan geeft hiermee invulling aan meerdere klimaatvraagstukken en is daarmee klimaatadaptief. Bouw De woningen worden gebouwd volgens de eisen van 'Bijna Energieneutraal Gebouw' (BENG) , die sinds 2021 als norm gelden. 4. 17 Kostenverhaal Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is.

De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Dit TAM-omgevingsplan vormt het toetsingskader voor de geplande ontwikkeling. De initiatiefnemer is eigenaar van de gronden ter plaatse van het plangebied. Hierdoor is het plan financieel haalbaar. Kostenverhaal De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet in op de realisatie van woningen. Deze ontwikkeling is op grond van artikel 8. 13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13. 12 Omgevingswet is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd. Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd is. Het toevoegen van kostenverhaalvoorschriften in de vergunning is daarmee niet noodzakelijk. Hiermee is ook aan de tweede vereiste voldaan en hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.

52/57 Hoofdstuk 5 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd. Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten , voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit , nader onderzocht in de hoofdstuk 4. In de motivering is getoetst aan het relevante beleid en de gevolgen voor de leefomgeving. Hieruit is gebleken dat het project in overeenstemming is met het rijks- , provinciaal en gemeentelijk beleid en dat het project geen negatieve gevolgen heeft voor de leefomgeving. Er heeft participatie plaatsgevonden en de uitkomsten hiervan zijn verwerkt in voorliggende motivering.

De vergunning voor de ontwikkeling kan worden verleend. 53/57 Hoofdstuk 6 Uitwerking in het omgevingsplan Dit TAM-omgevingsplan bevat het planologisch-juridisch instrumentarium voor de ontwikkeling van de locatie Wouwse Weide in Wouw. Dit TAM-omgevingsplan is onderdeel van het omgevingsplan van de gemeente Roosendaal. Het TAM-omgevingsplan maakt het mogelijk om woningbouw te realiseren. De planopzet kent een beperkt aantal functies. Aan de verschillende regelingen zijn locaties gekoppeld die terug te zien zijn op de verbeelding. 54/57 Hoofdstuk 7 Participatie 7. 1 Participatie omgeving De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. In dit hoofdstuk wordt daarom aandacht besteed aan dit onderdeel van het besluitvormingsproces. De gemeente Roosendaal heeft bij het tot stand komen van de visie Wonen in & om de Dorpen een participatietraject gevolgd om de omgeving te betrekken bij de visievorming. Om de omgeving ook te betrekken bij de verdere uitwerking , is in deze ontwikkeling in samenspraak met de gemeente Roosendaal een participatieplan (zie bijlage 21) opgesteld met als doel de omgeving tijdig te betrekken bij deze nieuwe ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1948/documents/54669