CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

t_NL.IMRO.1674.2129ESSENSEWEG15-0401.pdf

Gemeenteraad 11 november 2021, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 3a: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Essenseweg 15, Nispen14.996 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Hierna worden de belangrijkste conclusies weergegeven. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van bijlage 5 uit de VNG-publicatie. Uit de resultaten van de berekening, die in het kader van het akoestisch onderzoek voor het realiseren van een nieuwe woning op Essenseweg 15 te Nispen zijn uitgevoerd, worden de volgende conclusies benoemd:

Ruimtelijke procedure 

 

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet ter plaatse van de gevels van geluidsgevoelige objecten aan de geluidsgrenswaarde van stap 2 uit de VNG-publicatie, zijnde 45 dB(A) etmaalwaarde, derhalve is buitenplanse inpassing mogelijk; Het maximale geluidsniveau voldoet niet ter plaatse van de gevels van geluidsgevoelige objecten aan de geluidgrenswaarde van stap 2 uit de VNG-publicatie, zijnde 68 dB(A) etmaalwaarde; Het maximale geluidniveau voldoet wel ter plaatse van de gevels van geluidsgevoelige objecten aan de geluidgrenswaarde van stap 3 uit de VNG-publieke, zijnde 70 dB(A) etmaalwaarde, derhalve is buitenplanse inpassing mogelijk.

Grenswaarde/geluidruimte

De inrichting wordt niet beperkt in zijn geluidruimte door de realisatie van de nieuwe woning, ervan uitgaande dat de achtergevel maximaal een afstand van 12 meter heeft gezien vanaf de kadastrale grens bij de Essenseweg, in overeenstemming met het akoestische rekenmodel. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de toekomstige situatie ten aanzien van nieuwe woning akoestisch inpasbaar geacht wordt, mits de achtergevel maximaal 12 meter van de Essenseweg ligt. Er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Essenseweg 35 Van den Berg Autosport is gevestigd op de Essenseweg 35. Voor het bedrijf geldt dat het valt in de categorie handel in auto’s en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven. Hiervoor geldt een maximale richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid. Vanwege de ligging in gemengd gebied kan deze richtafstand worden verlaagd naar 10 meter. De afstand van de perceelsgrens van de Essenseweg 35 tot de perceelgrens van het plangebied bedraagt circa 165 meter. Hieruit wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstand. 20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 23 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Heijbeeksestraat 2 Op de Heijbeeksestraat 2 zit boomkwekerij Liwardi gevestigd. Voor een boomkweker geldt dat deze valt in de categorie bosbouwbedrijven. Hiervoor geldt een maximale richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. Vanwege de ligging in gemengd gebied kan deze richtafstand worden verlaagd naar 30 meter. De afstand vanaf perceelsgrens van de Heijbeeksestraat 2 tot de perceelsgrens van de Essenseweg 15 bedraagt circa 45 meter. De ontwikkeling voldoet aan de gestelde richtafstanden. Het aspect bedrijfshinder vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er dient wel rekening te worden gehouden met een maximale afstand van 12 meter tot de kadastrale grens aan de zijde van de Essenseweg. Dit is planologisch geborgd door de ligging van het bouwvlak. 4.2

Akoestiek

Toetsingskader Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling met geluidsgevoelige objecten (waaronder woningen), nieuwe wegen en de reconstructie van bestaande wegen dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de Wet geluidhinder (Wgh). Behalve langs 30 km/uur-wegen en woonerven bevindt zich overeenkomstig artikel 74 Wgh aan weerszijden van een weg een geluidzone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat een nieuwe woning binnen deze zone dient te worden onderzocht of aan de grenswaarden van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied).

Beoordeling en conclusie De wettelijk rijsnelheid op de Essenseweg is bedraagt 30 km/uur, waardoor een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai vanuit de Wgh niet noodzakelijk is. De nieuwe woning is niet gelegen in de geluidzone van een spoorlijn of een gezoneerd industrieterrein, waardoor onderzoek naar railverkeerslawaai en industrielawaai eveneens niet aan de orde is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is evenwel de geluidbelasting berekend ter plaatse van de nieuwe woning. Voor de beoordeling aan de grenswaarden voor wegverkeerslawaai wordt op grond van artikel 3.4 va het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (Rmg 2012) een aftrek toegepast. Deze aftrek is gebaseerd op artikel 110g Wgh en bedraagt 5 dB voor de Essenseweg. Door de gemeente Roosendaal zijn wegverkeersgegevens voor de Essenseweg voor het prognosejaar 2030 aangeleverd. Voor de bepaling van de geluidbelasting door het wegverkeer zijn de berekeningen uitgevoerd volgens Standaardrekenmethode 1 (SRM 1) overeenkomstig het ‘Rekenen meetvoorschrift geluid 2012’ (Rgm 2012). Via Infomil is een rekenmodule volgens SMR 1 beschikbaar. De aftrek volgens artikel 110g Wgh zijn niet toegepast op het eindresultaat van de rekenmodule. In het rekenmodel is ervoor gekozen de standaardbodem factor als akoestisch hard (Bf=0) te beschouwen.

Daarnaast is rekening gehouden met de reflectie van geluid als gevolg van de overstaande bebouwing, zoals beschreven in Rmg 2012. In de berekening is voor de overstaande bebouwing een reflectiefactor van 0,75 aangehouden. Als beoordelingshoogte is uitgegaan van 1,5 meter boven vloerpeil, dat neerkomt op een hoogte van 1,5 meter ten opzichte van het plaatselijke maaiveld voor de begane grond en 4,5 meter voor de eerste verdieping en 7,5 meter voor de tweede verdieping.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 24 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

In de bijlage bij deze toelichting zijn de uitdraaien van de SRM 1 berekeningen opgenomen, waarin de aangeleverde wegverkeersgegevens zijn verwerkt. Hierop zijn de berekende geluidbelasting per verdieping als gevolg van het wegverkeer op de Essenseweg, zonder 5 dB aftrek artikel 110g Wgh, aangegeven. Uit de berekeningen blijk dat het wegverkeer op de Essenseweg een maximale geluidbelasting oplevert op de straatgevel van 53 dB op de begane grond, 52 dB op de eerste verdieping en 51 dB op de tweede verdieping. Op deze geluidbelastingen is de aftrek van 5 dB reeds toegepast. In vergelijking met de voorkeurswaarde van 48 dB voor gezoneerde wegen, wordt deze overschreden tot maximaal 53 dB. De maximale ontheffingswaarde voor stedelijk gebied van 63 dB voor gezoneerde wegen wordt niet overschreden. Uitgaande van de berekende geluidsbelasting van 51 dB tot 53 dB, valt deze onder de classificatie “redelijk”. 4.3

Luchtkwaliteit Het omgevingsaspect luchtkwaliteit is op te delen in twee sporen namelijk: het Besluit NIBM en het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. NIBM

Toetsingskader

Luchtkwaliteit is geregeld in de Wet milieubeheer. Een specifiek onderdeel van deze wet is de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). Hierin is bepaald wanneer de mate van de bijdrage aan de luchtverontreiniging verwaarloosbaar klein is. In zo'n geval hoeft een project niet langer meer getoetst te worden, ongeacht of in de huidige situatie al sprake is van een overschrijding van grenswaarden. Een project kan als NIBM worden beschouwd als aannemelijk is, dat het project niet leidt tot een toename van de concentraties van NO2 of PM10 van meer dan 3% van de grenswaarde. De NIBMregeling van 3% is gekoppeld aan de vaststelling van het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) omdat in dit programma hiervoor maatregelen tegenover staan die het tijdig behalen van de grenswaarden waarborgen.

Beoordeling & conclusie

Om het beoordelen van plannen voor overheden eenvoudiger te maken is in de Regeling NIBM het percentage van 3% uitgewerkt in concrete getallen. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over, bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3% op 1.500 woningen. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen worden gehanteerd. In het voorliggend plan is er sprake van het wijzigen van bestemming naar een woonfunctie ten behoeve van één woning. De functiewijziging wordt als NIBM beschouwd. Een toetsing aan de grenswaarden kan daardoor achterwege blijven.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 25 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)

Toetsingskader

Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening dient ook beoordeeld te worden of het aanvaardbaar is om het project op deze locatie te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan de ter plaatse bestaande luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project zelf 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur onder andere bij een woning, school of sportterrein. Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging wordt gebruik gemaakt van de, door het ministerie van Infrastructuur en Milieu, beschikbaar gestelde digitale monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Met de jaarlijkse monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) wordt de ontwikkeling van de luchtkwaliteit gevolgd en wordt de uitvoering van de maatregelen en projecten (die zijn opgenomen in het NSL) bijgehouden. De Monitoringstool is het instrument waarmee de stand van zaken in de uitvoering van de projecten en maatregelen in het NSL wordt gevolgd, en de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden berekend voor het achterliggende kalenderjaar en de toekomstige jaren die relevant zijn voor het NSL (2016). De kaart van de monitoring van het NSL biedt de mogelijkheid om de verschillende resultaten van de monitoring zichtbaar te maken.

Via de NSL-Monitoringstool zijn voorts de concentraties voor de jaren 2020 en 2030 afgelezen.

Beoordeling & conclusie Voor de kwaliteit van de buitenlucht bestaan verschillende soorten normen. Wettelijke grenswaarden en actiedrempels zijn meestal een compromis tussen haalbaarheid en gezondheid. Veel van de wettelijke normen komen direct uit Europese richtlijnen. De Monitoringstool is het instrument waarmee de stand van zaken in de uitvoering van de projecten en maatregelen in het NSL wordt gevolgd, en de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden berekend voor het achterliggende kalenderjaar en de toekomstige jaren die relevant zijn voor het NSL (2015 en 2020). De kaart van de monitoring van het NSL biedt de mogelijkheid om de verschillende resultaten van de monitoring zichtbaar te maken. Via de NSL-Monitoringstool zijn voorts de concentraties voor de jaren 2020 en 2030 afgelezen. Via de NSL-Monitoringstool zijn de volgende grenswaarden voor het plangebied ontvangen:

NO2 PM10 PM2,5

2020

2030

< 35 µg/m³ < 35 µg/m³ < 20 µg/m³

< 35 µg/m³ < 35 µg/m³ < 20 µg/m³

Tabel 4.2: luchtkwaliteitswaarden, afgerond op hele waarden

Jaargemiddelde grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ 20 µg/m³

maximale

Uit de monitoringstool blijkt dat in de omgeving van het plangebied de maximale concentraties voor NO2, PM10 en PM2,5 voor de jaren 2020 de jaargemiddelde grenswaarden niet overschrijden.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 26 van 38

A G E L adviseurs 4.4

ruimte infra bouw milieu

Externe veiligheid

Toetsingskader

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van de aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico, en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.

Het groepsrisico (GR) kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit. Dit wordt uitgedrukt in de kans per jaar dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit. De normstelling heeft de status van een oriëntatiewaarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm, maar kan aangemerkt worden als een ijkpunt voor het bevoegd gezag voor haar verantwoording van het groepsrisico. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen over openbare wegen, water en spoorwegen is neergelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Het Bevt is naar analogie van het Bevi ingevuld, maar kent haar eigen karakteristieke aspecten per modaliteit. Specifieke aspecten per modaliteit zijn onder andere de grootte van de zones en de aanwijzing van routes. Aspecten die van toepassing zijn op alle modaliteiten zijn onder meer de normstelling PR, de typering van objecten, de adviesrol van de veiligheidsregio en de verantwoording van het groepsrisico. Een belangrijk aspect in het Bevt is de zonering rond transportroutes. In het Bevt spelen de volgende zones een rol:  

Veiligheidszone: dit is een maximale PR 10-6 contour die volgt uit de volledige benutting van de gebruiksruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Plasbrandaandachtsgebied: binnen het plasbrandaandachtsgebied geldt voor realisatie van nieuwe objecten een verantwoordingsplicht vanwege de effecten van een plasbrand

In de omgeving van het plangebied zijn meerdere risicobronnen aanwezig, namelijk: verschillende hogedruk aardgasleidingen (± 575 m) en de spoorlijn Roosendaal - Antwerpen (± 1,1 km). In figuur 4.1 is de globale ligging van het plangebied (blauw) en de risicobronnen weergegeven.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 27 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Figuur 4.1: Ligging risicobronnen t.o.v. plangebied Essenseweg 15 te Nispen (bron: risicokaart)

Hogedruk aardgastransportleidingen Op ongeveer 575 meter ten zuiden van de locatie zijn 3 hogedruk aardgasleidingen gelegen. In de volgende tabel is een overzicht gegeven van de kenmerken van deze gasleidingen. Tabel 4.2: Overzicht hogedruk aardgasleidingen Hogedruk aardgasleiding A-530 A-614 A-657

Werkdruk

Diameter

Invloedsgebied

66,2 bar 66,2 bar 66,2 bar

24 inch 36 inch 24 inch

310 meter 430 meter 310 meter

Omdat het plangebied ruimschoots buiten het invloedsgebied is gelegen, leveren de hogedruk aardgasleidingen geen belemmering op voor de realisatie van de woning. Spoorlijn Roosendaal - Antwerpen Over de spoorlijn Roosendaal - Antwerpen worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De afstand van spoorlijn tot het plangebied is ongeveer 1,1 km. Langs deze spoorlijn is geen PR 10-6 contour aanwezig, waardoor het PR geen belemmering vormt voor de realisatie van de woning. De locatie ligt eveneens buiten het beoordelingsgebied van 200 meter gelegen, waardoor een berekening naar het GR conform artikel 8 van het Bevt niet benodigd is.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 28 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Het invloedsgebied van is per vervoerde stofgroep over de spoorlijn verschillend. In onderstaande tabel zijn voor de spoorlijn het aantal transporten gevaarlijke stoffen en bijbehorende invloedsgebieden opgenomen. In de onderstaande tabel zijn de aangegeven jaarintensiteiten overgenomen uit Bijlage II: Tabel Basisnet spoor van de Regeling Basisnet. Tabel 4.3: Jaarintensiteiten gevaarlijke stoffen over spoorlijn Roosendaal - Antwerpen Stofgroep A B2 B3 C3 D3 D4

Omschrijving Brandbare gassen Toxische gassen Toxische gassen Brandbare vloeistoffen Toxische vloeistoffen Toxische vloeistoffen

Jaarintensiteit 13.070 5.560 50 19.090 3.710 1.640

Invloedsgebied 460 meter 995 meter > 4.000 meter 35 meter 375 meter > 4.000 meter

Uit de voorgaande tabel blijkt dat het plangebied is gelegen in het invloedsgebied van toxische stoffen, de stofgroepen B3 en D4. Op grond van artikel 7 van het Bevt dient ingegaan te worden op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Mogelijke rampenscenario’s Gelet op de afstand is voor de spoorlijn Roosendaal - Antwerpen een toxisch scenario maatgevend voor het plangebied. Door een incident op de transportroute met een tankwagon met toxische vloeistof scheurt de tankwand. Een groot deel van de toxische vloeistof stroomt in korte tijd uit. De toxische vloeistof vormt een plas. Bij toxische gassen komen als gevolg van een brand toxische dampen direct vrij. De toxische stoffen worden meegevoerd door de wind. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. De nieuwe woning is niet specifiek bedoeld is voor minder zelfredzame personen, zoals kinderen of ouderen. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie over het algemeen op eigen kracht goed in veiligheid kunnen brengen. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof.

Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk, als gevolg van een incident op de spoorweg, is om te schuilen mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-havenprincipe). In de gevel worden mogelijk ventilatievoorzieningen geplaatst ten behoeve van de toevoer van verse lucht. Geadviseerd wordt om de ventilatievoorziening afsluitbaar uit te voeren. Indien schuilen niet mogelijk is, kan ervoor gekozen worden om te vluchten. Bij een toxische wolk dient gevlucht te worden haaks op de wolk. Via de Essenseweg en de Heijbeeksestraat is het mogelijk om in oostelijke richting (van de spoorlijn af) te vluchten. Daarmee zijn deze wegen als een geschikte vluchtroute is aan te merken. Bestrijdbaarheid Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de vrijkomende concentratie te verdunnen. Dit kan bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. 20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 29 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied (daar waar de wind vandaan komt). Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig realiseerbaar zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Tevens is slachtofferreductie mogelijk door een snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Advies veiligheidsregio Geadviseerd wordt om de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant in een vroeg stadium van de ruimtelijke procedure te betrekken en om advies te vragen. 4.5

Natuur

Toetsingskader

De natuurwet- en regelgeving kent twee sporen, namelijk een soortgericht spoor en een gebiedsgericht spoor. De bescherming van deze twee sporen is geregeld in de Wet natuurbescherming. Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op beschermde natuurgebieden en/of flora en fauna. In dit kader is inzicht gewenst in de aanwezige natuurwaarden en de mogelijk daarmee samenhangende consequenties vanuit de natuurwetgeving.

Beoordeling

Door Archimil BV is een quickscan Flora- en Faunawetgeving uitgevoerd. Het doel van de quickscan is het inzichtelijk maken of beschermde natuurwaarden in het plangebied aanwezig zijn en welke betekenis deze hebben voor de verdere uitvoering van het initiatief. Tevens wordt inzichtelijk gemaakt of er door de geplande ontwikkeling effecten te verwachten zijn op beschermde gebieden. De onderzoeksrapportage is als separate bijlage aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd.

Conclusie Soortbescherming Bij de quickscan die is uitgevoerd ter plaatse van het terrein aan de Essenseweg 15 te Nispen, is op de locatie geen beschermde flora en fauna waargenomen die belemmeringen kunnen vormen voor de voorgenomen bestemmingswijziging. Tevens wordt op basis van het gebruik van de locatie en de directe omgeving, geen beschermde flora en fauna verwacht. Op basis van de quickscan wordt een aanvullend of nader onderzoek naar de aanwezige flora en fauna, voor de geplande activiteiten, niet noodzakelijk geacht. Voor de geplande activiteiten is aan de hand van de bekende gegevens geen ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Aangezien de planlocatie een beperkte natuurwaarde heeft en er geen beschermde flora en fauna is aangetroffen, is een aanvullend of nader onderzoek naar de aanwezige flora en fauna niet noodzakelijk. Vanuit de Wet natuurbescherming gelden derhalve geen bezwaren tegen de toekomstige bestemmingswijzing van de locatie.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 30 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Gebiedsbescherming Het plangebied heeft geen status in het kader van de Wet natuurbescherming. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 6 kilometer en het betreft het gebied Brabantse Wal. Gezien de afstand van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied en de lokale aard van de geplande maatregelen kan ervan uitgegaan worden dat deze geen directe invloed heeft op het Natura 2000-gebied. 4.6

Stikstof

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming (Wnb, per 1 januari 2017) regelt de bescherming van natuurgebieden die uniek zijn voor Nederland en Europa, de bescherming van planten en dieren en van bossen en andere houtopstanden. Voor de Wet natuurbescherming heeft de Europese regelgeving als uitgangspunt gediend. De gebiedsbescherming in de Wnb richt zich uitsluitend op Natura 2000gebieden. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, waarin belangrijke flora en fauna voorkomen. In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen (voor soorten en vegetatie typen) opgesteld. Handleidingen of activiteiten binnen of buiten beschermde natuurgebieden die schadelijk kunnen zijn voor de doelstelling van het gebied zijn verboden, tenzij door het bevoegd gezag hier vergunning voor is verleend.

Beoordeling & conclusie

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied waarbinnen stikstofgevoelige habitattypen aanwezig zijn is de ‘Brabantse Wal’, dat op circa 6 kilometer van het plangebied is gelegen. Gezien de beperkte omvang van de ontwikkeling in relatie tot de afstand tot de stikstofgevoelige gebieden, is geen sprake van belemmeringen voor de haalbaarheid van de ontwikkeling. 4.7

Water

Toetsingskader

De voerende waterschappen in Nederland richten zich op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde duurzame watersystemen. Nagestreefd wordt het vergroten van de belevingswaarde van stedelijk water, natuurvriendelijke inrichtingen en de duurzaamheid van watersystemen. De waterbeheerders werken daarom samen met gemeenten, die de regie hebben over de ruimtelijke ordening en het beheer van de openbare ruimte, om deze doelstellingen uit te voeren. Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 31 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.

Beoordeling & conclusie Huidige waterhuishouding Het plangebied is in gebruik als een bedrijfslocatie en heeft een verhard oppervlakte van circa 850 m2. Hiervan is circa 550 m2 bebouwd. Ten tijde van natte perioden wordt het hemelwater afgevoerd via het gemeentelijke rioleringsstelsel. Daarnaast heeft het plangebied geen bergende werking voor het water in periodes van droogte. Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied of grondwaterbeschermingszone, Keur beschermde gebieden en/of waterbergingsgebied. In het plangebied en in de nabijheid van het plangebied is geen open water aanwezig. Toekomstige waterhuishouding De ontwikkeling voorziet in de realisatie van één woning met bijbehorend bijgebouw. Het huishoudelijke afvalwater en het hemelwater dienen bij nieuwe ontwikkelingen gescheiden te worden afgevoerd. Afvalwater De toekomstige bebouwing binnen het plangebied wordt aangesloten op het aanwezige gemeentelijke riool. Ter plaatse van het plan is een drukriolering aanwezig. Voor de lozing van het afvalwater wordt gebruik gemaakt van de bestaande aansluiting op de drukriolering. Hemelwater Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hun keuren geharmoniseerd, Keur 2015.

Daarnaast zijn de algemene regels vastgelegd binnen de “Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater”. Aanvullend op de beleidsregel 13 is het stuk “Hydrologische uitgangspunten bij de keurregel voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen” van toepassing. De waterschappen eisen het toepassen van retentie bij afkoppelen of toename van verhard oppervlak met meer dan 500 m².

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 32 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Bij de ontwikkeling is geen sprake van een toename van het verhard oppervlak. Er is zelfs sprake van een toename van het onverharde oppervlak. De toename betreft dus minder dan 500 m2, hierdoor wordt vanuit het waterschap geen retentie geëist en is het geoorloofd direct af te koppelen op het gemeentelijke rioleringsstelsel. Ten aanzien van het materiaalgebruik dient aandacht te worden geschonken aan het gebruik van milieuvriendelijke materialen. Verder mogen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink, zachte PVC en geïmpregneerde materialen worden toegepast. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor zeer nadelig invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Om te voldoen aan de watertoets dient deze waterparagraaf formeel ter beoordeling te worden voorgelegd aan het waterschap voor een wateradvies. De uitkomsten hiervan wordt te zijner tijd verwerkt in deze toelichting. 4.8

Archeologie

Toetsingskader

In het plangebied geldt in het vigerende bestemmingsplan ‘Nispen’. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm -Mv. Aangezien de voorgenomen ingrepen in het plangebied deze grenzen op het gebied van zowel oppervlakte als diepte overschrijden, is sprake van een archeologische onderzoeksplicht. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Rap, 2020). Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het onderzoek is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De belangrijkste uitgangspunten en conclusies zijn hierna samengevat opgenomen.

Beoordeling en conclusie

Op basis van het bureauonderzoek had het plangebied een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied op een dekzandrug. Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied een hoge verwachting heeft op de aanwezigheid van het archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Tijdens het veldwerk is aangetoond dat het plangebied inderdaad op een dekzandrug ligt. De top van het dekzand is aangetroffen vanaf een diepte van 105-150 cm -Mv (11,1-11,8 m +NAP). In de top van het dekzand is sprake van een intact archeologisch relevant niveau. Op het bouwlanddek is ophoogzand aangetroffen direct onder de bestrating. De diepteligging van de top van het dekzand valt binnen het bereik waarbinnen in de omgeving van het plangebied resten zijn aangetroffen. Daarom is sprake van een hoge verwachting op de aanwezigheid van resten uit het Neolithicum – Nieuwe tijd. Voor het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum is sprake van een lage verwachting op het aantreffen van resten, aangezien de top van het dekzand (eventuele E- en B-horizonten) niet meer intact aanwezig zijn in het plangebied.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 33 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat het plangebied een hoge verwachting heeft op de aanwezigheid van intacte archeologische resten vanaf een diepte van 105-150 cm -Mv (11,1-11,8 m +NAP). Ten aanzien van de voorgenomen ingrepen wordt in het onderzoek daarom het volgende geadviseerd: Bij de voorgenomen sloop van het bestaande garagebedrijf, waarvoor de ontgrond tot een diepte van maximaal 90 cm -Mv (12,2 m +NAP) geroerd zal worden, zal het archeologisch relevante niveau buiten het bereik van de ingrepen liggen. Geadviseerd wordt om het plangebied vrij te geven voor deze ingreep. Mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan dienen de initiatiefnemer of de uitvoerder van de werkzaamheden, op basis van de wettelijke plicht, dergelijke toevalsvondsten direct te melden bij de bevoegde overheid, de gemeente Roosendaal (Erfgoedwet 2016, artikel 5.10). Bij de voorgenomen nieuwbouw in het plangebied is het wellicht mogelijk om archeologie-sparend te bouwen. Wanneer de toekomstige ingrepen in het plangebied beperkt kunnen blijven tot een diepte van circa 80 cm -Mv, dan blijft een bufferzone van minimaal 25 cm bestaan tussen de onderzijde van de ingrepen en de bovenzijde van het archeologisch relevante niveau.

In dat geval geldt dat het plangebied wordt vrij gegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, met de bovenstaande kanttekening in het kader van toevalsvondsten. Mocht de toekomstige nieuwbouw zorgen voor een verstoring van de ondergrond tot een diepte van meer dan 80 cm -Mv, dan dient een karterend en waarderend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Gezien de verwachting op het aantreffen van hoofdzakelijk nederzettingsterreinen bestaand uit grondsporen, kan dit onderzoek het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). Dit onderzoek moet worden uitgevoerd volgens een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). De dubbelbestemming archeologie is voor het plangebied ongewijzigd. De dubbelbestemming maakt werkzaamheden in de vorm van afgravingen, sloop en/of bouw mogelijk tot een diepte van maximaal 0,5 meter en een oppervlakte van 50 m². Hier mag op basis van een archeologisch onderzoek van worden afgeweken. Dit onderzoek is reeds verricht en dient als bijlage bij de ‘Omgevingsvergunning voor bouw’ te worden ingediend. Met het onderzoek wordt aangetoond dat de diepte van de archeologische waarden pas verwacht worden op een diepte groter dan 0,8 meter.

Indien uit de omgevingsvergunning blijkt dat de bouwwerkzaamheden zich beperken tot de eerste 0,8 meter, worden geen bezwaren in het kader van archeologie verwacht. 4.9

Bodem

Toetsingskader

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient bij ruimtelijke ontwikkelingen de bodemkwaliteit te worden beschouwd. Bij ruimtelijke plannen met een functiewijziging dient te worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de functie die ter plaatse wordt beoogd. Middels een milieuhygiënisch vooronderzoek (bodem) wordt inzicht verkregen in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en de mogelijke aanwezigheid van verontreinigde stoffen in de grond of het freatisch grondwater. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan worden vastgesteld of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem een belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 34 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Beoordeling

Door AGEL adviseurs is een milieuhygiënisch vooronderzoek (bodem) uitgevoerd om inzicht te krijgen in de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en daarmee vast te stellen of er op de locatie verontreinigende stoffen in de grond of het freatisch grondwater aanwezig zijn . Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek is een verkennend asbest- en nader bodemonderzoek uitgevoerd. De rapporten zijn als bijlage bij de toelichting opgenomen.

Conclusie

Op basis van de resultaten van het uitgevoerde milieuhygiënische vooronderzoek wordt het volgende geconcludeerd:  De bovengrond is verdacht op asbest, OCB’s, PAK’s, zware metalen en olieproducten.  De ondergrond is verdacht op olieproducten en zware metalen.  Het grondwater is verdacht op olieproducten, oplosmiddelen en zware metalen.  Middels het milieuhygiënisch vooronderzoek is de vermoedelijke milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vastgesteld. De resultaten van het milieuhygiënisch vooronderzoek geven aanleiding tot het verrichten van een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 alsmede een verkennend bodemonderzoek naar asbest in bodem conform de NEN 5707. In het milieuhygiënisch vooronderzoek wordt aanbevolen een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uit te voeren om de verdachte (deel)locaties en mogelijke (rest)verontreinigingen in beeld te brengen. Het verkennend bodemonderzoek is er niet op gericht om de aard en omvang van verontreinigingen in beeld te brengen. Indien er in de voorgestelde fase verontreinigingen worden aangetoond, kan het noodzakelijk zijn deze nader te onderzoeken volgens de NTA 5755. De verdenking op niet-gedefinieerde funderingsmaterialen en de resultaten van de asbestinventarisatie geven aanleiding tot het verrichten van een onderzoek naar asbest in de bodem conform de NEN 5707.

Dit kan gelijktijdig met de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. 4.10 M.E.R beoordeling

Toetsingskader

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten het betreft. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen, waarvoor een m.e.r.-beoordeling verplicht is als deze de daarin genoemde grenswaarde overschrijden. De m.e.r.-beoordelingsplicht is van toepassing zodra: 1. De activiteit onder één van de categorieën van activiteiten in kolom 1 van onderdeel van de bijlage valt, ongeacht de omvang van de activiteit en 2. Sprake is van een aangewezen besluit in kolom 4 van onderdeel D Voorliggend plan voorziet op de ontwikkeling van één woning op een bestaand bedrijfsperceel. Dit is geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. Derhalve is op basis van het eerste criterium geen sprake van een plicht tot het opstellen van een MER.

Deze activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D11.2; de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op onder andere een oppervlakte van 100 ha of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Het voorliggende plan heeft betrekking op slechts één woning en ligt ver onder de drempelwaarde. Of mogelijk sprake is van dergelijke belangrijke nadelige milieugevolgen, moet worden beoordeeld op basis van het toetsingskader van bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectbeoordeling (85/337/EEG en latere wijzigingen). 20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 35 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Bijlage III noemt drie hoofdthema's namelijk: 1. de kenmerken van het project (waaronder omvang, verontreiniging, hinder en risico van ongevallen); 2. de plaats van het project (in relatie tot de kwetsbaarheid van het milieu); 3. de kenmerken van het potentiële effect (waaronder het bereik, de orde van grootte en waarschijnlijkheid van het effect).

Beoordeling en conclusie

Aangezien de ontwikkeling valt onder de activiteit D 11.2 van het Besluit m.e.r. is sprake van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Het plan heeft geen belangrijke negatieve gevolgen het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Het bevoegd gezag neemt op basis van deze informatie een m.e.r.-beoordelingsbesluit.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 36 van 38

A G E L adviseurs 5

Juridische planbeschrijving

5.1

Inleiding

ruimte infra bouw milieu

Een bestemmingsplan bestaat uit planregels, een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De planregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. In de toelichting is gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De indeling en inhoud van dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de systematiek van de gemeente Roosendaal. De systematiek van de regels sluiten aan bij de systematiek zoals deze wordt gehanteerd in de regels van het bestemmingsplan ‘Nispen’. Voor het overige is de plansystematiek gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkebare Bestemmingsplan) en IMRO20212 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). 5.2

Algemene toelichting verbeelding Op de verbeelding wordt met lijnen, coderingen en arceringen aan gronden een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn op de verbeelding met aanduidingen nadere regels aangegeven. De verbeelding is volgens IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) getekend. Dit is een eenduidige en technische methode voor het tekenen van kaarten. Hiermee kan ruimtelijke informatie eenvoudig digitaal uitgewisseld worden met andere overheden en samenwerkingspartners. Tevens maakt deze methode het mogelijk om het plan via internet te raadplegen. De digitale verbeelding is juridisch bindend.

5.3

Algemene toelichting planregels De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken, te weten:  Hoofdstuk 1 (inleidende regels), met daarin een aantal regels die van belang zijn voor de toepassing en interpretatie van de regels in de overige hoofdstukken en de wijze van meten;  Hoofdstuk 2 (bestemmingsregels), met daarin per bestemming onder meer bestemmingsregels, bouwregels en afwijkingsmogelijkheden;  Hoofdstuk 3 (algemene regels), met daarin algemene afwijkings-, bouw-, gebruiks-, aanduidings-, afwijkings- en wijzigingsregels;  Hoofdstuk 4 (overgangs- en slotregels), met daarin de overgangsregels en de slotregel.

5.4

Toelichting bestemmingen In dit bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: Artikel 3: Wonen – 2 Het gebruik van de bestemming ‘Wonen – 2’ richt zich op de gronden waar de nieuwbouw wordt gerealiseerd. Deze zijn bedoeld voor wonen in woningen, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling en aan-huis-gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten. De bouwmogelijkheden zijn in de bouwregels middels en maximale goot- en bouwhoogte en oppervlakte, geregeld voor gebouwen, bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde. 20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 37 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Artikel 4: Waarde- Archeologie 1 De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, naast het bepaalde in de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, bestemd voor het behoud van hoge archeologische waarden op een diepte van meer dan 0,8 meter. Gebiedsaanduiding – luchtvaartverkeerzone 2 De gronden ter plaatse van de aanduiding 'Luchtvaartverkeerzone - 2' zijn tevens bestemd voor de bescherming van de belangen van de luchtvaart (bescherming van een gedeeltelijke in- en uitvliegfunnel van vliegtuigen).

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 38 van 38

A G E L adviseurs 6

Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

ruimte infra bouw milieu

De gronden zijn in eigendom van de opdrachtgever. Alle voorbereidings- en uitvoeringskosten komen voor rekening van de initiatiefnemer. Tussen de gemeente Roosendaal en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. Het plan is voor de gemeente Roosendaal derhalve een kostenneutrale ontwikkeling. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het opstellen van een exploitatieplan achterwege kan blijven. De economische uitvoerbaarheid is hiermee gewaarborgd. 6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsdialoog Naast de wettelijke procedures, besteedt de initiatiefnemer aandacht aan de communicatie met de belanghebbende middels een omgevingsdialoog, waarbij hen de gelegenheid wordt geboden om bezwaren en suggesties naar voren te brengen. Inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan heeft, conform de gemeentelijke inspraakverordening, vanaf 19 april tot en met 31 mei 2021 (6 weken) ter inzage gelegen. Een ieder is in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling te reageren op het bestemmingsplan. Er zijn geen inspraakreacties ingediend. Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerp bestemmingsplan aan de daarvoor in aanmerking komende instanties toegezonden. Er is een reactie van het waterschap Brabantse Delta ontvangen. Deze reactie is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd. Naar aanleiding van de reactie is de toelichting van het bestemmingsplan aangepast. De ondergrens bij afkoppelen of toename van verhard oppervlak is gewijzigd van 2.000 m² naar 500 m². Ontwerp bestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan ‘Essenseweg 15’ heeft van maandag 14 juni 2021 tot maandag 26 juli 2021 ter inzage gelegen, waarbij de gelegenheid is geboden tot het indienen van zienswijzen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 39 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

samen onze omgeving creëren 20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 1 van 38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1208/documents/31005