CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

t_NL.IMRO.1674.2129ESSENSEWEG15-0401.pdf

Gemeenteraad 11 november 2021, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 3a: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Essenseweg 15, Nispen14.996 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Essenseweg 15 Nispen Gemeente Roosendaal

samen onze omgeving creëren VCA* Systeemcertificaat EC-VCA-10362 heeft betrekking op het uitvoeren van veldwerk bodem, landmeten en direct toezicht op werken.

AGEL adviseurs 2021 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook zonder voorgaande toestemming van AGEL adviseurs, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.

Projectdossier Titel

:

Bestemmingsplan

:

Essenseweg 15 te Nispen Gemeente Roosendaal

Opdrachtgever

:

Autobedrijf J.J Bartelen

Projectnummer

:

20200379

Versie / status

:

D02

Datum

:

29-07-2021

Opgesteld door

:

ing. E. Kroes

Gecontroleerd door

:

ing. M.M. Kooijman-Bons

Akkoord projectcoördinator

:

ing. M.M. Kooijman-Bons

AGEL adviseurs Hoevestein 20b

4903 SC Oosterhout 0162 - 456481 info@ageladviseurs.nl www.ageladviseurs.nl

VCA* Systeemcertificaat EC-VCA-10362 heeft betrekking op het uitvoeren van veldwerk bodem, landmeten en direct toezicht op werken. AGEL adviseurs 2021 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke andere wijze dan ook zonder voorgaande toestemming van AGEL adviseurs, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Inhoudsopgave 1

2

3

4

5

6

INLEIDING ................................................................................................................... 3 1.1

Aanleiding .................................................................................................................. 3

1.2

Ligging plangebied ...................................................................................................... 3

1.3

Vigerend bestemmingsplan ‘Nispen’ ............................................................................. 4

1.4

Leeswijzer .................................................................................................................. 5

PLANBESCHRIJVING .................................................................................................... 6 2.1

Bestaande situatie ...................................................................................................... 6

2.2

Toekomstige situatie ................................................................................................... 8

2.3

Conclusie ................................................................................................................... 9

BELEIDSKADER .......................................................................................................... 10 3.1

Rijksbeleid ................................................................................................................ 10

3.2

Provinciaal beleid ...................................................................................................... 14

3.3

Beleid waterschappen ............................................................................................... 17

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 19

OMGEVINGSASPECTEN .............................................................................................. 22 4.1

Bedrijfshinder ........................................................................................................... 22

4.2

Akoestiek ................................................................................................................. 24

4.3

Luchtkwaliteit ........................................................................................................... 25

4.4

Externe veiligheid ..................................................................................................... 27

4.5

Natuur ..................................................................................................................... 30

4.6

Stikstof .................................................................................................................... 31

4.7

Water ...................................................................................................................... 31

4.8

Archeologie .............................................................................................................. 33

4.9

Bodem ..................................................................................................................... 34

4.10

M.E.R beoordeling ................................................................................................. 35

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING ............................................................................ 37 5.1

Inleiding ................................................................................................................... 37

5.2

Algemene toelichting verbeelding .............................................................................. 37

5.3

Algemene toelichting planregels ................................................................................ 37

5.4

Toelichting bestemmingen ......................................................................................... 37

UITVOERBAARHEID ................................................................................................... 39 6.1

Economische uitvoerbaarheid .................................................................................... 39

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................. 39

A G E L adviseurs Bijlagen BIJLAGE 1

BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4 BIJLAGE 5

BIJLAGE 6

AELMANS RUIMTE, OMGEVING & MILIEU BV Akoestisch onderzoek industrielawaai Essenseweg 15 te Nispen d.d. 05 augustus 2020 Berekende geluidniveaus wegverkeer (SRM 1) ARCHIMIL B.V. Quickscan Flora en Fauna Essenseweg 15 Nispen d.d. 04 september 2020 AGEL ADVISEURS BV Milieuhygiënisch vooronderzoek Essenseweg 15 te Nispen d.d. 19 oktober 2020 TRANSECT Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase d.d. 27 oktober 2020 Wateradvies waterschap

ruimte infra bouw milieu

A G E L adviseurs 1

Inleiding

1.1

Aanleiding

ruimte infra bouw milieu

Aan de Essenseweg te Nispen in de gemeente Roosendaal is ter plaatse van nummer 15 een garagebedrijf gevestigd. Het plan is om het bestaande garagebedrijf te beëindigen, de bedrijfspanden te slopen en ter plaatse een nieuwe woning te realiseren. Daarnaast wil de initiatiefnemer een garage met bijbehorende oprit bouwen op het naast gelegen woonperceel; Essenseweg nummer 11. De realisatie van een woning past niet binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Om één en ander te kunnen realiseren dient voor de nieuwe locatie een nieuw ruimtelijk en functioneel kader te worden bepaald in de vorm van een nieuw bestemmingsplan. In dit bestemmingsplan wordt de bedrijfsbestemming van het garagebedrijf gewijzigd naar een woonbestemming. De gemeente Roosendaal is in principe, en onder voorwaarden, voornemens medewerking te verlenen aan de planontwikkeling. De juridische en planologische verankering van de plannen is middels voorliggend bestemmingsplan gewaarborgd. 1.2

Ligging plangebied Het plangebied is gelegen in het dorp Nispen aan de Essenseweg in het stedelijk gebied van de gemeente Roosendaal. De grens van Nederland en België ligt op circa 700 meter ten zuiden van het plangebied. De Essenseweg vormt een verbinding tussen de dorpen Nispen (NL) en Essen (BE). Op een afstand van hemelsbreed circa 1 kilometer ligt, ten oosten van het plangebied, de N262 Roosendaal - Antwerpen.

Figuur 1.1: Uitsnede bestemmingsplan ‘Nispen’ inclusief kadastrale situatie

Het plangebied bestaat uit alle percelen behorende bij de bedrijfsvoering van de garage (Essenseweg 15) en een gedeelte van het naast gelegen woonperceel (Essenseweg 11). Doordat in het vigerende bestemmingsplan een deel van het kadastrale woonperceel van huisnummer 11 behoort tot de bedrijfsbestemming, is een gedeelte van dit perceel in het bestemmingsplan meegenomen. Het plangebied wordt gevormd door een gedeelte van het kadastrale perceel sectie F nummer 3932. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van circa 1.150 m2.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 3 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

De onderstaande afbeeldingen tonen de ligging van het plangebied.

Figuur 1.2: Luchtfoto kern Nispen ligging plangebied

1.3

Figuur 1.3: Luchtfoto plangebied met rode omlijning

Vigerend bestemmingsplan ‘Nispen’ Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Nispen’ dat op 18-12-2013 is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Roosendaal. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan.

Figuur 1.1: Uitsnede bestemmingsplan ‘Nispen’ (www.ruimtelijkeplannen.nl) met plangebied in rode omlijning aangegeven Het grootste gedeelte van het plangebied heeft de bestemming ‘Bedrijf-2’ en een klein gedeelte heeft de bestemming ‘Wonen-2’ (in het noorden van het plangebied). Voor de plangrenzen is gekozen om zoveel mogelijk de kadastrale perceelsgrenzen te volgen, waarvan een klein gedeelte reeds een woonbestemming bevat. Daarnaast heeft het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ en de gebiedsaanduiding ‘luchtverkeerzone – 2’. Een gedeelte van het perceel is voorzien van een bouwvlak, waar een maximale bouwhoogte van 4 meter is toegestaan. 20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 4 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Voor de bedrijfsbestemming geldt dat de gronden bestemd zijn voor industriële en ambachtelijke bedrijven, die voorkomen in de categorie 1. en 2. van de Staat van bedrijfsactiviteiten. Daarnaast kunnen de gronden worden gebruikt voor bijbehorende voorzieningen, zoals verkeersontsluiting, parkeervoorzieningen en groen en water. De volgende (bouw)regels zijn van toepassing voor de bedrijfsbestemming:  Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan in het bouwvlak;  Buiten het bouwvlak mag het maximale bebouwingspercentage niet meer dan 50% bedragen;  De onderlinge afstand van niet-aaneengebouwde gebouwen op hetzelfde bouwperceel dient tenminste 1 meter te bedragen;  De afstand van bijbehorende bouwwerken tot de perceelsgrens, voor zover niet in de perceelsgrens wordt gebouwd, dient tenminste 3 meter te bedragen;  De maximale toegestane goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw is 4 meter.  De maximale toegestane goothoogte van bijbehorende bouwwerken is 3 meter en de bouwhoogte 5 meter. Voor de woonbestemming geldt dat de gronden bestemd zijn voor twee-aaneen gebouwde, geschakelde en/of vrijstaande grondgebonden woningen. Daarnaast zijn voorzieningen ten behoeve van de afvalinzameling en aan-huis-gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding ‘garage’ zijn uitsluitend garages en/of beringen toegestaan.

De volgende (bouw)regels zijn van toepassing voor de woonbestemming:  Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan in het bouwvlak;  De afstand van twee-aaneen gebouwde hoofdgebouwen aan de niet aaneen gebouwde zijde van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens dient ten minste 3 meter te bedragen;  De afstand van de vrijstaande hoofdgebouwen tot elke zijdelingse perceelsgrens dient ten minste 3 meter te bedragen;  De maximale goot- en bouwhoogte bedraagt 6 respectievelijk 10 meter;  Bijbehorende bouwwerken zijn ter plaatse van het bouwvlak toegestaan en buiten het bouwvlak toegestaan, tenzij anders is aangegeven;  Op gronden buiten het bouwvlak mag, indien wordt voldaan aan de voorwaarden, het gezamenlijk te bebouwen oppervlak aan bijbehorende bouwwerken ten hoogste 50% van de gronden bedragen, met een maximum van: o Bij bouwpercelen kleiner dan 200 m2 maximaal 30 m2; o Bij bouwpercelen van 200 m2 tot 500 m2 maximaal 45 m2; o Bij bouwpercelen van 500 m2 tot 1.000 m2 maximaal 60 m2; o Bij bouwpercelen van 1.000 m2 of groter maximaal 75 m2; De beoogde ontwikkeling past niet binnen het vigerende planologische kader. Om de voorgestane ontwikkeling mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld, dat voorziet in een passende planologische regeling voor de realisatie van de woning met bijbehorende bijgebouwen. 1.4

Leeswijzer Hoofdstuk 2 bevat de planbeschrijving waarin de bestaande en toekomstige situatie wordt beschreven. Vervolgens zijn de beleidskaders van de diverse overheden uiteengezet in hoofdstuk 3. De omgevingsaspecten met betrekking tot de ontwikkeling worden in hoofdstuk 4 besproken. In hoofdstuk 5 zijn de planregels nader toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt tot slot aandacht besteed aan de economische en maatschappelijke haalbaarheid van het plan.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 5 van 38

A G E L adviseurs 2

ruimte infra bouw milieu

Planbeschrijving Dit hoofdstuk vormt een beschrijving van de situatie ter plaatse van het plangebied en de bijbehorende omgeving. Vanuit de huidige situatie en ruimtelijke- en functionele structuur, wordt hierdoor inzicht verkregen in de kaders die aan de basis hebben gestaan van de planontwikkeling. Hierop wordt vervolgens op het onderdeel ‘toekomstige situatie’ ingegaan.

2.1

Bestaande situatie Het plangebied is gelegen in de dorpskern Nispen van de gemeente Roosendaal in de provincie Noord-Brabant. De Essenseweg vormt de verbinding tussen het Nederlandse dorp Nispen en het Belgische dorp Essen. De N262 ligt op een afstand van circa 1 kilometer van het plangebied en vormt een belangrijke verbindingsroute tussen de steden Roosendaal en Antwerpen.

Figuur 2.1: Structuurkaart omgeving Nispen

De Essenseweg heeft een bescheiden straatprofiel, waarbij geen openbaar groen in het straatbeeld aanwezig is. Het straatprofiel van de Essenseweg bestaat uit een weggedeelte van grijsasfalt met een breedte van circa 5 meter met aan beide zijden een trottoir. De breedte van het trottoir varieert tussen de 0,90 meter en 2 meter. De maximaal toegestane snelheid van de Essenseweg bedraagt ter hoogte van het plangebied 30 kilometer per uur. Parkeren vindt in de omgeving voornamelijk op eigen terrein plaats.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 6 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Figuur 2.2: Doorsnede Essenseweg ten hoogte van huisnummer 15 & 18

Het plangebied is onderdeel van de lintbebouwing van het dorp Nispen. Ten oosten van het plangebied ligt het bedrijf Siemons Grondwerken en Transport, achter dit bedrijf ligt het landelijk gebied. Het plangebied fungeert in ruimtelijke zin als overgang tussen het stedelijk gebied en het platteland. In functionele zin maakt het gebied onderdeel uit van het dorpslint, welke de verzorgingskern van het dorp Nispen vormt. Er is in het bebouwingslint sprake van enige functiemenging aan (kleinschalige) voorzieningen. Horeca, dienstverlening en detailhandel wisselen elkaar langs het lint af met woonfuncties.

Figuur 2.3: Kaart bestaande functionele en ruimtelijke situatie plangebied

Het straatbeeld doet stenig aan en heeft grotendeels onderbroken straatwanden. Het dorpslint bestaat uit individuele woningen, die worden afgewisseld met korte rijen woningen of enkele (voormalige) boerderijen en villa’s. De bijgebouwen staan voornamelijk achter het hoofdgebouw gesitueerd. De rooilijn van de hoofdbebouwing volgt de weg en heeft kleine verspringingen. Soms is er sprake van een voortuin/geveltuin. De bebouwing is georiënteerd op de weg en heeft een gevarieerd en individueel karakter.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 7 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Wat betreft de vorm van de bebouwing bestaat deze voornamelijk uit laagbouw met een één tot twee lagen voorzien van een kap. Op enkele percelen komt een platdak voor. De kaprichtingen zijn afwisselend georiënteerd ten opzichte van de straat. Het dorpslint heeft een diversiteit aan architectuurstijlen. De detaillering van de gebouwen varieert van eenvoudig tot zeer gedetailleerd. Het materiaal- en kleurgebruik is divers, maar overwegend traditioneel. De gevels zijn veelal van baksteen en de kappen zijn bedekt met dakpannen. 2.2

Toekomstige situatie De bestaande bedrijfsbebouwing binnen het plangebied wordt gesloopt en vervangen door een woning met bijbehorend garage. Het grondoppervlak van de nieuwe woning bedraagt circa 150 m2 (breedte circa 13,5 en 8,5m diepte met een aanbouw). Het gebouw is voorzien van een kap. De maximale goot- en bouwhoogte bedraagt voor de woning respectievelijk circa 6 en 10 meter. Voor de bijbehorende garage geldt een maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van 3 en 5 meter. De woning en garage worden uit baksteen opgetrokken en de afdekking vindt plaats door middel van dakpannen. Ten opzichte van de oorspronkelijke bedrijfsbebouwing, wordt de woonbebouwing enkele meters na voren geplaatst om zo aansluiting te zoeken bij de bestaande rooilijn van het bebouwingslint. Wat betreft de voorgevelrooilijn van de woning wordt aangesloten bij de rooilijn van de naast gelegen woning ten noorden van het perceel.

Figuur 2.4: Afmeting toekomstige bebouwing

De woning wordt niet direct aan de straat gesitueerd, maar een kleine meter naar achter. Dit past in de karakteristiek van het overige bebouwingslint met lichtelijk teruggeplaatste volumes. De bedrijfsbebouwing wordt over het algemeen op wat meer afstand van de straat gerealiseerd, terwijl de woningen dicht op de straat staan.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 8 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Figuur 2.5: Situering woning en nieuwe perceelsgrenzen

De karakteristiek van het dorpslint bestaat veelal uit schakelingen aan richtingen van bouwblokken aan het dorpslint. Deze objecten zijn voornamelijk op organische wijze tot stand gekomen. Er is voor de woning gekozen om deze parallel aan de weg te realiseren, waardoor de toekomstige woning aansluit op de straatwanden van de Essenseweg. Op grond van de geldende parkeernota dient op eigen terrein twee parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Op het terrein is voldoende ruimte aanwezig om hierin te voorzien. Enigszins terug gelegen van de woning wordt een garage gebouwd met een oprit van minimaal 4,5 meter breed. De oprit van de garage biedt hiermee voldoende ruimte om twee parkeerplaatsen te realiseren. Het slopen van de bedrijfsbebouwing heeft verder als resultaat dat meer ruimte beschikbaar komt op het woonperceel van huisnummer 11. Deze ruimte willen de bewoners benutten voor het oprichten van een garage bij de woning. Dit past binnen het ruimtelijk beeld van dorpslint. 2.3

Conclusie Het plangebied ligt op korte afstand van de zuidelijke entree van het dorp Nispen en vormt een belangrijk onderdeel van het dorpse lint. Door de bedrijfsbebouwing te transformeren naar een woning is een betere aansluiting met het karakter van het dorpslint. De transformatie komt ten goede van de kwaliteit van het dorp Nispen. Daarnaast past de ontwikkeling goed in de oorspronkelijke ontstaansgeschiedenis van het dorpslint, waarbij de woningen in verschillende tijdsperiodes van elkaar en niet planmatig zijn gerealiseerd. Door de ontwikkelingen neemt het bebouwde oppervlak van het perceel af en is meer aansluiting met het bestaande dorpslint van Nispen. 20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 9 van 38

A G E L adviseurs 3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

ruimte infra bouw milieu

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Toetsingskader

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. In de structuurvisie schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd: de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; de bereikbaarheid verbeteren; zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De structuurvisie benoemt met name rijksdoelen en nationale belangen. De (boven) lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking wordt overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen de provinciale kaders. De sturing op verstedelijking, zoals afspraken over binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering, laat het Rijk los. Alleen in stedelijk regio's rond de mainports zal het Rijk afspraken maken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, heeft het Rijk een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de SVIR zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen.

In de realisatieparagraaf van de SVIR zijn per nationaal belang de instrumenten uitgewerkt die hiervoor worden ingezet. Eén van de belangrijkste instrumenten is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is de juridische vertaling van de kaderstellende uitspraken die in de SVIR zijn geformuleerd en bevat regels ter bescherming van de nationale belangen. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen, zodat ze doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming.

Beoordeling & conclusie

Onderhavige ontwikkeling is als relatief kleinschalig aan te merken, waardoor de SVIR geen directe toepassing heeft op de ontwikkeling. Het rijksbeleid wordt geëffectueerd door het Barro, het Rarro en de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Het voorliggende bestemmingsplan is in lijn met de structuurvisie, aangezien er geen strijd is met de nationale belangen. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Toetsingskader

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de bijbehorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) vormen de juridische vertaling van de kaderstellende uitspraken die in de SVIR zijn geformuleerd. Het Besluit en de Regeling bevatten regels ter bescherming van de nationale belangen. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen, zodat ze doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 10 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Beoordeling en conclusie

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening heeft geen betrekking op het voorliggend bestemmingsplan, aangezien het bestemmingsplan geen invloed heeft op nationale belangen, zoals deze zijn benoemd in het Barro. Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking)

Toetsingskader

Het Rijk heeft in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt moet aan de volgende voorwaarden voldoen: a. De toelichting bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling; b. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet het plan een motivering bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De ladder hoeft alleen te worden doorlopen indien sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Onder stedelijke ontwikkeling wordt gezien het bepaalde in artikel 1.1.1 Besluit ruimtelijke ordening: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Onder het begrip ‘andere stedelijke voorzieningen’ vallen onder meer accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport, leisure en accommodaties voor recreatie. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Beoordeling en conclusie

Het is van belang om bij de vaststelling van bestemmingsplannen e.d. de ladder voor duurzame verstedelijking juist toe te passen. De ladder hoeft alleen te worden doorlopen indien sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Een uitzondering wordt gemaakt voor kleinschalige ontwikkelingen. De grens van een stedelijke ontwikkeling is voor woningbouw gelegen op 12 woningen, zo blijkt uit jurisprudentie (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921, r.o. 4.3.). Onderhavig bestemmingsplan voorziet de ontwikkeling van één woning. Dit is geen stedelijke ontwikkeling, zoals benoemd in de eerste stap van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Verdere toetsing aan de ladder duurzame verstedelijking kan daarom achterwege gelaten worden. Nationaal bestuursakkoord water

Toetsingskader

Op basis van het rapport van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het kabinetsstandpunt 'Anders omgaan met water' hebben het rijk, de provincies, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekend. Het NBW is doorgevoerd in de provinciale en regionale beleidsplannen. Relevante aspecten uit het NBW zijn: 

Toepassen van de watertoets als procesinstrument op alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen; Toepassen van de trits vasthouden-bergen-afvoeren, met als eerste insteek het vasthouden van water;

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 11 van 38

A G E L adviseurs 

ruimte infra bouw milieu

Toepassen van de trits schoon houden - zuiveren - schoon maken, met als eerste insteek het voorkomen van vermenging van schoon hemelwater van dakvlakken en afvalwater en het gebruik van bijvoorbeeld een bodempassage voor hemelwater van druk bereden straatvlakken; Wateropgave (de benodigde bergingscapaciteit voor het opvangen van pieken in neerslag) bepalen aan de hand van de NBW normen regionale wateroverlast. Voor stedelijk gebied geldt een norm van T=100 (bui die eens in de 100 jaar voorkomt).

Voor glastuinbouw geldt een norm van T=50 (bui die eens in de 50 jaar voorkomt). En voor akkerbouw en grasland geldt respectievelijk T=25 en T=10.

Beoordeling en conclusie

In het kader van het NBW dient in de toekomst onder meer de wateropgave (zowel in het stedelijk als ook in het landelijk gebied) te worden uitgewerkt. Hierbij zijn de genoemde werknormen, de kans dat voor een bepaald grondgebruik het peil van het oppervlaktewater het maaiveldniveau mag overschrijden, maatgevend. Ten behoeve van deze wateropgave kan in de toekomst ruimte voor waterberging benodigd zijn binnen de bestemmingsplangrenzen. Op basis van de thans beschikbare informatie is echter hiervoor nog geen ruimtelijke reservering voorzien. In voorkomende gevallen kan de gemeente deze mogelijke functieveranderingen (bijvoorbeeld dubbelbestemming) door middel van een nieuw bestemmingsplan of een projectbesluit wijzigen. De watertoets zal dan worden doorlopen, het betreffende 'plangebied' zal worden besproken in het waterpanel en er zal een waterparagraaf worden opgesteld. Op deze wijze is het aspect water ook in de toekomst op een zorgvuldige wijze ingebed in het bestemmingsplan. Indien sprake is van nieuw verhard oppervlak, wordt op basis van de werknormen in het 'Nationaal Bestuursakkoord Water' voor het stedelijk gebied T=100 geëist. Het is het meest voor de hand liggend (vaak eenvoudig mogelijk door toestaan van peilstijging tot aan het maaiveld) dat deze wordt meegenomen in de aan te leggen infiltratie / retentievoorziening.

Het is echter toegestaan om deze retentie te realiseren in groenstroken en op straat, indien er geen afwenteling plaatsvindt op andere gebieden en geen wateroverlast optreedt in woningen en bedrijven. Dit laatste is vaak alleen mogelijk als er sprake is van een nieuwe ontwikkeling. De NBW en de Waterwet en de toepassing en uitvoering van het aspect water zijn verder uitgewerkt in paragraaf 4.7 Water. Waterwet

Toetsingskader

Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Acht bestaande wetten voor het waterbeheer in Nederland worden vervangen door deze Waterwet en de zes verschillende vergunningen worden opgenomen in één vergunning. Met de Waterwet hebben het rijk, waterschappen, provincies en gemeenten moderne wetgeving in handen om integraal waterbeheer te realiseren, om te zorgen voor waterveiligheid en om watervervuiling, wateroverlast en watertekorten tegen te gaan. Ook verplicht de Waterwet waterschappen en gemeenten om hun taken en bevoegdheden onderling af te stemmen, in het bijzonder voor de riolering en de zuivering van afvalwater.

Beoordeling

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. 20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 12 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning, die met een wettelijk vastgesteld aanvraagformulier kan worden aangevraagd. Verder kunnen waterbeheerders via waterakkoorden afspraken maken met andere overheden over het te voeren waterbeheer. Dit akkoord is vormvrij en kan over alle onderwerpen van waterbeheer gaan. Ook biedt de wet de mogelijkheid om tot bestuurlijke afspraken te komen tussen een waterschap en een gemeente. Deze laatste mogelijkheid is procedureel eenvoudiger. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wm bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het gezag van de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Organisatie waterbeheer De Waterwet kent formeel slechts twee waterbeheerders: het rijk, als de beheerder van de rijkswateren, en de waterschappen, als de beheerders van de overige wateren.

Deze laatsten zijn daarnaast ook verantwoordelijk voor het zuiveringsbeheer. Provincies en gemeenten zijn formeel geen waterbeheerder, maar hebben wel waterstaatkundige taken. Zo blijft de provincie voorlopig bevoegd gezag voor drie categorieën grondwateronttrekkingen en infiltraties: de openbare drinkwaterwinning, ondergrondse energieopslag en industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 per jaar. Op gemeenten rust een hemel- en grondwaterzorgplicht, zoals deze in januari 2008 via de Wet gemeentelijke watertaken is vastgelegd in de Wet op de waterhuishouding. De Waterwet regelt daarnaast ook de onderlinge toezichtverhoudingen van de verschillende betrokken overheden. Provincies houden toezicht op waterschappen en gemeenten en waar nodig kan de provincie gebruik maken van instructies of aanwijzingen. Een provincie of het rijk kan met besluiten of handelingen optreden in plaats van een waterschap of een gemeente. In situaties waarin bovenregionale belangen of internationale verplichtingen spelen, kan de minister van Verkeer en Waterstaat de toezichtinstrumenten benutten. Waterwet in Europees verband Nederland maakt deel uit van vier Europese stroomgebieden: de Rijn, de Eems, de Schelde en de Maas. De Waterwet sluit hierop aan. In Nederland wordt onderscheid gemaakt tussen rijkswateren en niet-rijkswateren (regionale wateren).

Voor beide categorieën worden via het nationale waterplan respectievelijk de regionale waterplannen, strategische structuurvisies vastgesteld, waarin de hoofdlijnen van het waterbeleid en de maatregelenprogramma's zijn vastgelegd. Deze zijn richtinggevend voor het ruimtelijke ordeningsbeleid en zorgen zo voor een versterking van de relatie tussen waterbeheer en ruimtelijke ordening. De plannen worden een keer per zes jaar herzien. De waterschappen en de diensten van Rijkswaterstaat stellen vervolgens operationele waterbeheerplannen vast, waarin wordt aangegeven welke maatregelen zij in de komende periode zullen uitvoeren.

Conclusie

Het beleid ten aanzien van water levert geen belemmeringen op voor het voorliggende plan.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 13 van 38

A G E L adviseurs 3.2

ruimte infra bouw milieu

Provinciaal beleid Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’, Visie op de Brabantse leefomgeving

Toetsingskader

De omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving en beschrijft daarvoor de strategische hoofdopgaven voor de lange termijn over klimaatverandering, energietransitie, verstedelijking en bereikbaarheid, concurrerende duurzame economie en de basis op orde. De omgevingsvisie heeft een wettelijke basis in het omgevingsrecht (komende Omgevingswet) en vervangt uiteindelijk de strategische elementen van huidige provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeers- en vervoersplan, het milieu-en waterplan en de natuurvisie. Ten behoeve van de besluitvorming over de omgevingsvisie werd ook een milieueffectrapportage (MER)doorlopen. Het plan MER onderzocht de leefomgevingskwaliteitsaspecten van het voorgenomen beleid. Binnen de ontwerp Omgevingsvisie is een Panorama geschetst waar de provincie graag met alle partijen gezamenlijk naar wil toewerken. Een Panorama waarvan de provincie hoopt dat alle Brabantse partijen zich erin herkennen.

Om het Panorama te realiseren en Brabant in de toekomst welvarend, verbonden en klimaatproof te laten zijn, onderscheidt de omgevingsvisie vier hoofdopgaven die nauw met elkaar samenhangen en die op elkaar inwerken als de tandwielen in de genoemde machine:  Werken aan de Brabantse energietransitie  Werken aan een klimaatproof Brabant  Werken aan de slimme netwerkstad  Werken aan een concurrerende, duurzame economie Deze vier hoofdopgaven zijn belangrijk voor heel Brabant en spelen ook in de hele provincie. Dat betekent niet dat deze Brabant breed op dezelfde manier worden opgepakt. Bij het uitwerken van een aanpak is het belangrijk om vanuit een gebied specifieke benadering de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven. Dit betrekt de provincie bij de concretisering in ‘hoofdopgaven voor de toekomst’. De Omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen, voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit, staan nu nog in de bestaande plannen van de provincie (PMWP, Structuurvisie RO, PVVP). Grote delen van die beleidsplannen horen vanuit het systeem van de Omgevingswet straks (soms verplicht) thuis in een programma zoals het natuurbeheerplan en het waterprogramma.

Na de vaststelling van de omgevingsvisie stemt de provincie dit sectorale beleid af op de weg die deze visie inslaat. Dit betekent dat breed, diep en rond kijken centraal blijven staan, ook bij de totstandkoming van de programma’s. De richting die vanuit de kernwaarden wordt meegegeven, speelt hierbij een belangrijke rol: niet alleen beschermen maar juist bezien hoe functies samengaan en hoe ze elkaar versterken.

Beoordeling en conclusie

In de visie zijn door de provincie de doelen nog niet precies vastgelegd. Immers, diep, rond en breed kijken (zie hoofdstuk 4 in deze omgevingsvisie) is centraal uitgangspunt bij het samenspel voor de uitwerking van de visie. Dat betekent dat de provincie volop ruimte biedt voor inbreng vanuit partijen en disciplines.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 14 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

De omgevingsvisie agendeert en nodigt uit om hier samen mee aan de slag te gaan. Daarvoor is een verdere uitwerking van de ambitie nodig in programma’s. Die uitwerking is een opgave die op de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en de ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Steeds anticiperend op veranderende omstandigheden en beweging in Brabant. De uitwerking van de ambitie in programma’s heeft echter nog niet plaatsgevonden. Het is derhalve nog niet mogelijk initiatieven te toetsen aan de omgevingsvisie. Totdat de programma’s zijn uitgewerkt, worden de initiatieven voorlopig nog getoetst aan de ‘Structuurvisie 2010 – partiele herziening 2014’. Structuurvisie 2010 - partiële herziening 2014

Toetsingskader

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 (SVRO) vastgesteld. De SVRO bevat de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie Noord-Brabant en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De kwaliteiten binnen de provincie Noord-Brabant zijn sturend bij de te maken ruimtelijke keuzes. De ruimtelijke visie van de provincie bestaat op hoofdlijnen uit een robuust en veerkrachtig natuur- en watersysteem met aandacht voor hoogwaterbescherming, droogte en biodiversiteit. Een multifunctioneel landelijk gebied, waar de functies landbouw, recreatie en natuur in relatie tot elkaar ruimte krijgen met aandacht voor cultuurhistorische waarden en de leefbaarheid van kleine kernen is het uitgangspunt. En een gevarieerd en aantrekkelijk stedelijk gebied, met sterke steden, groene geledingszones en uitloopgebieden (intensieve recreatie, stadslandbouw) wordt nagestreefd. Met aandacht voor sterke regionale economische clusters, (inter) nationale bereikbaarheid, knooppuntontwikkeling (zowel in de centra als aan de randen van de steden). De SVRO is opgebouwd uit twee onderdelen.

In onderdeel A wordt de kern van de visie verwoord op ruimtelijke ontwikkelingen van Noord-Brabant. Het landschap en de wijze waarop dit moet worden versterkt, staan in dit onderdeel voorop. Deel B van de structuurvisie beschrijft de wijze waarop de provincie de visie uitwerkt in vier robuuste ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.

Beoordeling & conclusie

Het plangebied ligt in een stedelijke structuur en is aangemerkt als ‘kernen in het landelijk gebied’. In de kernen in het landelijk gebied wordt de lokale behoefte voor verstedelijking opgevangen (wonen, werken en voorzieningen). Hierbij vindt de provincie het van belang dat de stedelijke ontwikkelingen passen qua maat en schaal bij de kern. De ontwerpopgave hangt samen met de historische gegroeide identiteit van de kern en omliggend landschap. De kernen in het landelijk gebied bouwen voor de eigen woningbehoefte volgens het principe van ‘migratiesaldo-nul’. Er is ruimte beschikbaar voor specifieke verbeterprojecten van enig omvang. Het gaat om kwalitatieve verbetering in bestaand stedelijk gebied, zoals het saneren van milieuhinderlijke bedrijvigheid in de kern. Het vervangen van een garagebedrijf door een woning binnen een dorpslint past binnen dit beleid. De structuurvisie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie Noord-Brabant en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. Eén van deze instrumenten is de provinciale verordening. Deze provinciale verordening kent een rechtstreekse doorwerking in ruimtelijke plannen en is derhalve relevant voor deze toelichting. 20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 15 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

In de volgende paragraaf wordt hier nader op in gegaan. Ook is in de paragraaf aangegeven hoe het provinciaal beleid is vertaald in dit bestemmingsplan. Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

Toetsingskader

De Interim omgevingsverordening is op 5 november 2019 inwerking getreden. De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies. De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, maar is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau.

Beoordeling & conclusie

Het grootste gedeelte plangebied ligt in de interim omgevingsverordening aangewezen ‘Stedelijk gebied’. Het andere gedeelte is aangewezen als ‘Landelijke gebied’. Voor ‘Stedelijk gebied’ geldt dat een bestemmingsplan dat voorziet in ontwikkelingen van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen een onderbouwing bevat dat de ontwikkelingen past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken en dat het gaat om een duurzame stedelijke ontwikkeling (artikel 3.42). Voor het gedeelte dat is aangemerkt als ‘Landelijk gebied’ geldt op basis van artikel 3.68 alleen bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn toegestaan. De bouw van de woning vindt niet plaats in het gedeelte dat is aangewezen als ‘Landelijk gebied’, maar in de gronden die aangewezen zijn als ‘Stedelijk gebied’. Vanuit het bereiken van een goede omgevingskwaliteit geldt in Brabant sinds 2014 de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. De ontwikkeling ligt echter in het ‘Stedelijk gebied’, waarvoor geen kwaliteitsverbetering van het landschap van toepassing is.

Figuur 3.1: Uitsnede interim omgevingsverordening provincie Noord-Brabant (www.ruimtelijkeplannen.nl)

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 16 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

De beoogde ontwikkeling wordt gerealiseerd op een voormalig bedrijfsperceel. Het perceel bestaat voor het grootste gedeelte uit bebouwing en heeft een verharde inrichting. Met de realisatie van één woning op het perceel wordt de ruimtelijke kwaliteit van het perceel en de omgeving verbeterd. Door de sloop van de bestaande bebouwing neemt het verharde oppervlakte van het perceel af, waardoor zorgvuldig ruimte gebruik wordt bevorderd. Met het plan wordt voorzien in een duurzame stedelijke ontwikkeling als wordt bedoeld in de interim omgevingsverordening. Het plan is in overeenstemming met de regels die in de Interim omgevingsverordening zijn gesteld. 3.3

Beleid waterschappen Keur waterschap Brabantse Delta

Toetsingskader

In december 2009 zijn de Waterwet en de Keur waterschap Brabantse Delta in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlaktewater, het grondwater en de waterbodem (het watersysteem) en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De keur van het waterschap is een verordening met wettelijke voorschriften die gelden voor alle oppervlaktewaterlichamen en keringen, op het gebied van waterkwantiteit en –kwaliteit, die in beheer zijn bij het waterschap. De keur is een aanvulling op de Waterwet met verschillende gebodsen verbodsbepalingen.

Beoordeling

Bij het verlenen van watervergunningen hanteert het waterschap verschillende beleidsregels. Waaronder “toepassing Waterwet en Keur”. Hierin staat aangegeven in welke situaties een watervergunning kan worden verleend, waarop een aanvraag wordt getoetst en welke voorwaarden aan de watervergunning worden verbonden. Zo zijn er regels met betrekking tot:  handelingen in waterkeringen en de daarbij behorende beschermingszones;  handelingen in rivieren, beken en sloten en de daarbij behorende onderhoudsstrook;  waterstaatkundige werken als gemalen, sluizen, stuwen ect.;  de scheepvaart;  uitbreidingen met een toename van > 500 m2 verhard oppervlak. Op planniveau is het van belang om rekening te houden met eventuele compensatie voor de uitbreiding van verhard oppervlak > 500 m2. De compensatie dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde:  infiltreren;  retentie binnen het plangebied;  retentie buiten het plangebied;  berging in bestaand watersysteem. Bij de dimensionering van de retentie-/infiltratievoorziening dient rekening te worden gehouden met het frequentiebereik van neerslaghoeveelheden met een herhalingstijd van 1 tot 100 jaar. De retentiebehoefte is het grootst bij T=100 en hierdoor is deze waarde maatgevend voor de planvorming. Waterkwaliteitsaspecten spelen ook een belangrijke rol voor de waterbeheerder.

Voor het grootste deel wordt hierin voorzien door landelijke regelgeving in de vorm van AMvB's (Algemene Maatregel van Bestuur). Het beleid van het waterschap blijft beperkt tot enkele specifieke onderdelen. Het waterschap hanteert de meest recente versie van de CIW-nota's.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 17 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Het waterschap voert eigen beleid op de volgende onderdelen:  Grote lozingen die niet onder een AMvB vallen (immissietoets).  Kleine lozingen: o hemelwater; o met geringe milieurelevantie; o uit gemengde rioolstelsels.

Conclusie

Bij het opstellen van de watertoets wordt ook gekeken of de keur van toepassing is. Onderhavig bestemmingsplan voorziet echter niet in wijzigingen en heeft derhalve geen invloed op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Waterbeheerplan 2016-2021

Toetsingskader

Waterschap Brabantse delta werkt 24 uur per dag aan waterveiligheid, droge voeten, voldoende en schoon water. Hoe dat gebeurt, wordt beschreven in het Waterbeheerplan. Het Waterbeheerplan 'Grenzeloos verbindend' beschrijft de hoofdlijnen van het beheer van water- en zuiveringssysteem voor de periode 2016-2021. Het is een inhoudelijk vernieuwend plan, wat in dialoog met partners is opgesteld.

Beoordeling en conclusie

In de uitvoering van ons werk houden wij rekening met de toekomst: klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging. Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten:  het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren;  het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte;  inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen;  helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem;  het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen);  afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater;  een duurzame energiewinning. Het waterbeheerplan heeft geen directe gevolgen voor het onderhavige bestemmingsplan. De Keur en de Legger

Toetsingskader

De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 18 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

Beoordeling en conclusie

De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keursregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. De Keur en de Legger hebben geen directe gevolgen voor het onderhavige bestemmingsplan. 3.4

Gemeentelijk beleid Ontwerp-Structuurvisie Roosendaal 2025

Toetsingskader

De gemeente Roosendaal heeft op 12 juli 2012 de Ontwerp-Structuurvisie Roosendaal 2025 vastgesteld. Hierin wordt onder andere aangegeven dat in 2025 Roosendaal zich wil ontwikkelen tot een complete en vitale stad. Om dit te bereiken zal Roosendaal de komende jaren moeten inspelen op trends als ontgroening, vergrijzing, globalisering, individualisering, informatisering, veranderingen in mobiliteit en bereikbaarheid en decentralisatie van overheidstaken. Hiervoor heeft de gemeente Roosendaal twee beleidsuitgangspunten geformuleerd namelijk:  Een duurzame ontwikkeling van een compact, compleet en verbonden Roosendaal;  Een haalbare en betaalbare lokale ruimtelijke ontwikkeling. De ontwikkeling van een compacte, complete en verbonden stad leidt tot de volgende fundamentele keuzes:  Bouwen binnen de stedelijke contouren van de stad om zo bestaande infrastructuren optimaal te benutten;  Zuinig/duurzaam ruimtegebruik, waarbij efficiënt gebruik en hergebruik van bestaande ruimte en bebouwing het uitgangspunt is;  Gebruik maken van de kwaliteit van de locatie;  Leefbaarheid van wijken en dorpen waarborgen door behoud en versterking van collectieve openbare ruimte, het behouden van de groen-blauwe structuren en het wegnemen van infrastructurele barrières i.c.

het uitplaatsen van de A58 en het goederenvervoer per spoor naar buiten het stedelijk gebied;  De kwaliteit van de locatie is mede bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheid van initiatieven;  De identiteit van stad en dorpen versterken door het handhaven en versterken van de landschappelijke en cultuurhistorische basisstructuren in het buitengebied en de bebouwde omgeving;  Groen/blauwe hoofdstructuren in het stedelijk gebied behouden als verbinding met het buitengebied;  Het sturen van nieuwbouw op basis van strategisch voorraadbeheer;  (regionaal) Ruimte creëren voor speerpunten/topsectoren van economisch beleid;  Het aanbod van sociaal-maatschappelijke en detailhandelsvoorzieningen in wijken en dorpen behouden, waar mogelijk door concentratie en bundeling van voorzieningen;  Het optimaliseren van infrastructurele verbindingen en het beter benutten van de multimodale ontsluitingsmogelijkheden (weg, water, spoor, buis) van Roosendaal;  Benutten van de strategische ligging van Roosendaal en West-Brabant in de Vlaams Nederlandse Delta;  Bij ruimtelijke ingrepen de mogelijkheden voor energietransitie en bodemenergie optimaliseren;

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 19 van 38

A G E L adviseurs 

ruimte infra bouw milieu

Bijdragen aan sociale veiligheid door integratie van dit beleidsveld in het ruimtelijk ontwerp van gebouwen en openbare ruimte.

De haalbare en betaalbare lokale ruimtelijke ontwikkeling wordt ondersteund door de volgende keuzes:  Niet meer programma in ontwikkeling nemen dan dat de markt kan opnemen;  Economische druk op de markt genereren door voorzichtig te programmeren;  Eerst bestaande programma’s benutten en pas daarna aan nieuwe beginnen. Nieuwe ontwikkelingen van kantoren en winkels voorlopig bevriezen;  Flexibel en kleinschalig programmeren en faseren;  Intensiveren en beter benutten van de bestaande voorraad van stedelijke functies (woningen, bedrijventerreinen, kantoren, maatschappelijk vastgoed);  Toepassen van de SER/ duurzaamheidsladder bij ruimtelijke ontwikkelingen;  Uitnodigen, samenwerken en regisseren in plaats van voorschrijven. Verruim de mogelijkheden van bestemmingsplannen (plan vooruit). Het plangebied is in de integratiekaart aangewezen als ‘wonen’. Op basis van de prognose 2011 wordt tot 2025 een lichte groei van het aantal huishoudens en de vraag naar woningen verwacht. Op grond van de provinciale prognose 2011 kan Roosendaal circa 3.450 woningen realiseren tot 2025. Opbouw woningbouwprogramma 2011 -2025 Beoogd programma 2011 – 2025 Restplancapaciteit (in bestemmingsplan vastgelegd) Plancapaciteit bestaande bestemmingsplannen Bouwopgave 2011-2025 Zachte plancapaciteit Tabel 3.1: Woningbouwprogramma 2011 – 2025 Roosendaal

3.450 1.850 300 1.300 1.500

Beoordeling en conclusie

Bouwen binnen de bestaande stedelijke contouren wordt gezien als een duurzame ruimtelijke ordening. Het betreft immers het intensiveren van het gebruik van bestaande stedelijke infrastructuur. Daarnaast gaat het om efficiënt ruimtegebruik van bestaande ruimte, doordat de woning wordt gerealiseerd ter plaatse van een bebouwd perceel. De beoogde ontwikkelingen dragen bij aan het handhaven en versterken van de identiteit van het dorp en het bebouwingslint. Daarbij zijn de ontwikkelingen bevorderlijk voor de kwaliteit van de locatie, het verharde oppervlakte neemt af en de bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. De bestemmingswijziging is niet in strijd met de structuurvisie en past binnen de gestelde kaders. Welstandsnota Roosendaal

Toetsingskader

De gemeente Roosendaal beschikt over een welstandsnota. In het kader van de omgevingsvergunning voor bouw wordt een omgevingsvergunning getoetst aan de eisen vanuit de welstandsnota. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen, die de bestaande structuur van het gebied niet wezenlijk doorbreken. Naast enkele welstandsvrije gebieden, waar het initiatief volledig bij de burger wordt gelegd, zijn er drie niveaus van welstand te onderscheiden: soepel, gewoon en bijzonder. Afhankelijk van het gevraagde niveau van welstand zijn er een of meerdere gebieden met onderscheidende karakteristieken.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 20 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

Beoordeling en conclusie

Het plangebied is gelegen in het welstandsniveau ‘bijzonder’ en wordt aangeduid als ‘dorpslinten’. Kenmerkend aan deze dorpslinten is een gevarieerde, kleinschalige bebouwing uit diverse periodes in een gegroeide compacte structuur met als basis het individuele pand met een dorps karakter. De waarde van het dorpslint zit vooral in het afwisselende beeld van de gegroeide structuur met variërende bebouwing aan overwegend smalle straten. Het beleid is gericht op behoud van variatie zonder verloedering. Individualiteit en zorgvuldigheid zijn belangrijke aspecten bij de beoordeling van de welstandscriteria. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan het versterken van het karakter van het dorpslint. De bestaande bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en de toekomstige woning moet bijdrage aan het versterken en het opvullen van het dorpslint. Daarnaast past de nieuwe ontwikkeling bij de oorspronkelijke ontstaansgeschiedenis van het dorpslint door het toevoegen individuele hedendaagse bebouwing, passend bij de huidige kwaliteiten van het gebied.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 21 van 38

A G E L adviseurs 4

ruimte infra bouw milieu

Omgevingsaspecten Voor het ontwikkelen en in stand houden van een leefbare en duurzame gemeentes dient bij ruimtelijke planvorming rekening te worden gehouden met de milieu- en omgevingsaspecten die door het plangebied en of de omgeving hiervan worden opgelegd. Door rekening te houden met deze aspecten kan een goed leefklimaat worden ontwikkeld. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten die van belang zijn voor het plangebied nader toegelicht.

4.1

Bedrijfshinder

Toetsingskader

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. De richtafstand tussen een milieugevoelige functie en de milieubelastende activiteit wordt bepaald vanaf de gevel van de gevoelige functie, die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is, tot de grens van de inrichting. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. De richtafstanden zijn afhankelijk van het omgevingstype waarbinnen de milieugevoelige bestemming is gelegen. De VNG-publicatie gaat uit van het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied of van een gemengd gebied. Een rustige woonwijk/rustig buitengebied kan aangemerkt worden als een gebied zonder functiemenging en een minimale invloed van invloeden van wegverkeer.

Bij een gemengd gebied is sprake van een functiemenging tussen wonen en milieubelastende activiteiten, van wonen langs drukke gebiedsontsluitingswegen of bij lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid. Voor het omgevingstype gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één stap worden verlaagd. De richtafstandenlijst biedt voor een scala aan typen bedrijvigheid de richtafstanden tot gevoelige bestemmingen vanwege geur, stof, geluid en gevaar. Voor het aspect gevaar wordt hierbij wel de kanttekening geplaatst dat mogelijke specifieke regelgeving van toepassing kan zijn zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) of het Vuurwerkbesluit. De afstand tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de milieubelastende activiteit wordt bepaald vanaf de gevel van milieugevoelige objecten (die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk zijn) tot de grens van de inrichting.

Beoordeling

De locatie ligt in de nabijheid van een aantal andere functies. Woonfuncties en planologisch bestemde bedrijfslocaties met bedrijfswoningen wisselen elkaar aan de Essenseweg af. Er is dus sprake van een gemengd gebied. De kwalificatie van het type gebied is bepalend voor de richtafstanden die gehanteerd kunnen worden. In een gemengd gebied kunnen deze richtafstanden met één stap worden verlaagd (m.u.v. gevaar), zonder dat het acceptabele woon- en leefklimaat in gevaar komt. De ontwikkeling bevat een woonfunctie. Voor een woonbestemming is geen milieuzonering opgenomen in de VNG-publicatie.

20200379-00 | Essenseweg 15 te Nispen Bestemmingsplan

| 22 van 38

A G E L adviseurs

ruimte infra bouw milieu

In de omgeving van het plangebied komen een aantal functies voor, waar op richtafstanden van toepassing zijn. Hierna is per adres vermeldt wat voor functie het betreft, welke richtafstand hiervoor gelden en of gesteld kan worden of hieraan wordt voldaan. Essenseweg 1 Op het adres Essenseweg 1 is het horecabedrijf ‘Eethuis Nispen’ gevestigd. Het vigerende bestemmingsplan stelt dat een horecabedrijf is toegestaan met de bedrijfscategorie 1a en 1b van de Staat van horeca-activiteiten. Voor het horecabedrijf geldt dat het valt in de categorie logies-, maaltijden- en drankenverstrekking. Hiervoor geldt een maximale richtafstand van 10 meter voor het aspect gevaar. De afstand van de perceelsgrens van de Essenseweg 1 tot de perceelsgrens van het plangebied bedraagt circa 45 meter. Derhalve wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden. Essenseweg 19 Het adres Essenseweg 19 is in gebruik als bedrijfsfunctie door het bedrijf Siemons Grondwerken en Transport BV. In het vigerend bestemmingsplan is een bedrijfsfunctie toegestaan met een categorie van 1, 2 en 3.1 van de Staats van bedrijfsactiviteiten. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening is het akoestisch onderzoek ‘Industrielawaai Essenseweg 15 te Nispen’ opgesteld door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV. Het onderzoek is als bijlage bij deze toelichting opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1208/documents/31005