CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Regels definitief 5 juli 2022 2.pdf

Gemeenteraad 21 juli 2022, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5b: Voorstel 44 - Vaststelling Bestemmingsplan Buitengebied Wouw51.986 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

binnen gebouwen dieren - al dan niet in hokken - alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw, gericht op het in gebruik nemen als dierenverblijf, toepassing wordt gegeven aan het bepaalde onder a. h. voor de toepassing van dit artikel geldt als dierenverblijf hetgeen gebruikt mag worden voor het houden van landbouwhuisdieren krachtens een omgevingsvergunning milieu, bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onder e, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder i, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, bedoeld in artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer; i. er is sprake van maatregelen die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan de Nadere regeling Brabantse zorgvuldigheidsscore, zoals door gedeputeerde staten vastgesteld op grond van artikel 5.11 van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant; j. het is verboden de opstallen ten behoeve van uitbreiding bestaande veestapel te gebruiken voor de opslag van mest, met uitzondering van ter plaatse geproduceerde mest; 5.5.2 Paardenhouderij als nevenactiviteit 1.

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.4 3.4 teneinde een paardenhouderij als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf toe te staan, mits dit niet zal leiden tot een significant negatief effect op de

67

instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied. In ieder geval is daarvan sprake indien uit een aerius-berekening blijkt dat de toename van stikstof en/of ammoniak op een Natura 2000 gebied als gevolg van de toename van de oppervlakte dierenverblijf, rekening houdend met de maximale bezetting daarvan hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Externe saldering is hierbij niet toegestaan. mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de nevenactiviteit vindt plaats naast en ter ondersteuning van de agrarische bedrijfsvoering; b. de nevenactiviteit dient plaats te vinden binnen het bestaande bouwvolume; er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats; c. de nevenactiviteit moet bijdragen aan een afname van de uitstoot van ammoniak, geur en fijnstof in het gebied; d. de vloeroppervlakte, die wordt aangewend voor deze nevenactiviteit, mag niet meer bedragen dan 1.000 m2; e. paardenbakken (buitenrijbakken) mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht; f. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven; g. detailhandel ten behoeve van deze nevenactiviteit is niet toegestaan; h. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; i. op eigen terrein dient te worden voorzien in de parkeerbehoefte; j.

het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast; k. er wordt aangetoond dat de paardenhouderij als nevenactiviteit geen nadelige effecten heeft voor Natura 2000-gebieden. 5.5.3 Zorgverlenende nevenactiviteiten 1. Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.4 ten behoeve van nevenactiviteiten teneinde bedrijfsmatige nevenactiviteiten in de vorm van zorgverlening op sociaal, fysiek of psychisch vlak alsmede educatieve nevenfuncties zoals het geven van praktijklessen, klasseboeren, cursussen/trainingen over de agrarische sector en het buitengebied, alsmede kinderopvang op de boerderij toe te staan bij een agrarisch bedrijf, mits dit niet zal leiden tot een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied. In ieder geval is daarvan sprake indien uit een aerius-berekening blijkt dat de toename van stikstof en/of ammoniak op een Natura 2000 gebied als gevolg van de voorgenomen activiteiten hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Externe saldering is hierbij niet toegestaan. mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de nevenactiviteit vindt plaats naast en ter ondersteuning van de agrarische bedrijfsvoering; b. de nevenactiviteit dient plaats te vinden binnen het bestaande bouwvolume; er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats; c.

de vloeroppervlakte, die wordt aangewend voor deze nevenactiviteit, mag niet meer bedragen dan 500 m2; d. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven; e. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; f. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; g. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast; h. de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven waarden. 5.5.4 Recreatieve nevenactiviteiten 1. Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.4 ten behoeve van voor nevenactiviteiten, teneinde als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf extensieve vormen van dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen, zoals een kinderboerderij, theehuis, boerengolf, ambachtelijke ijs- of kaasmakerij, verhuur van fietsen/huifkarren, organiseren van rondleidingen en exposities, bed & breakfastvoorzieningen, het organiseren van kinderfeestjes, toe te staan, mits dit niet zal

68

leiden tot een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied. In ieder geval is daarvan sprake indien uit een aerius-berekening blijkt dat de toename van stikstof en/of ammoniak op een Natura 2000 gebied als gevolg van de voorgenomen activiteiten hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Externe saldering is hierbij niet toegestaan. mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de nevenactiviteit vindt plaats naast en ter ondersteuning van de agrarische bedrijfsvoering; b. verblijfsrecreatieve activiteiten zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van bed en breakfast en/of vakantieappartementen; kampeermiddelen en stacaravans zijn niet toegestaan; c. voor bed & breakfast voorzieningen mogen maximaal 5 kamers (voor maximaal 10 personen) worden aangewend; d. er zijn maximaal 5 vakantieappartementen per agrarisch bedrijf toegestaan; e. maneges zijn niet toegestaan; f. er vindt geen uitbreiding van het bouwvolume ten behoeve van de nevenactiviteit plaats; g. de vloeroppervlakte die wordt aangewend voor recreatieve nevenactiviteiten, mag niet meer bedragen dan 500 m2; dit is niet van toepassing ten aanzien van boerengolf; h. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; i. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; j.

er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; k. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven; l. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast; m. ten behoeve van de nevenactiviteit is ondersteunende horeca toegestaan, zoals de verkoop van ijs, thee e.d.; n. detailhandel is uitsluitend toegestaan in ondergeschikte, aan de nevenactiviteit gerelateerde vorm; o. de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven waarden. 5.5.5 Inpandige statische opslag Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.4.3 teneinde een grotere vloeroppervlakte ten behoeve van inpandige statische opslag toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de nevenactiviteit dient plaats te vinden binnen het bestaande bouwvolume; er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nevenactiviteit plaats; b. de opslag mag niet plaatsvinden in kassen; c. de vloeroppervlakte van de bebouwing, die wordt aangewend voor de nevenactiviteit, mag niet meer bedragen dan 1.000 m2; d. detailhandel ten behoeve van deze nevenactiviteit is niet toegestaan; e. de milieubelasting mag niet toenemen; f.

de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; g. het gebruik mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken; h. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven; i. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast; j. de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven waarden. 5.5.6 Kampeerterrein 1. Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.1 teneinde een kampeerterrein toe te staan met maximaal 25 kampeermiddelen, met de daarvoor noodzakelijke voorzieningen, zoals sanitaire voorzieningen, toe te staan, mits dit niet zal leiden tot een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied. In ieder geval is daarvan sprake indien uit een aerius-berekening blijkt dat de toename van stikstof en/of ammoniak op een

69

Natura 2000 gebied als gevolg van de voorgenomen activiteiten hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Externe saldering is hierbij niet toegestaan. mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. er kunnen per agrarisch bedrijf maximaal 25 kampeermiddelen worden toegestaan; b. slechts kampeermiddelen zijn toegestaan met een niet-permanent karakter (tenten, toercaravans e.d.); hiervan kan worden afgeweken indien sprake is van een kampeerterrein met minimaal 15 standplaatsen voor niet- permanente kampeermiddelen; in dat geval zijn maximaal 5 stacaravans/chalets toegestaan; c. de kampeermiddelen mogen worden geplaatst binnen het bouwvlak of in een zone direct grenzend aan het bouwvlak; stacaravans/chalets zijn enkel binnen het bouwvlak toegestaan; d. de sanitaire voorzieningen mogen maximaal 250 m2 bedragen en dienen waar mogelijk binnen de gebouwen te worden ingericht; e. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; f. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; g. er dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing, dienaangaande dient een beplantingsplan te worden overlegd; h. bij het plaatsen van de kampeermiddelen dient een minimale afstand van 50 m tot geluidgevoelige bestemmingen in acht te worden genomen; i.

de omgevingsvergunning mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven; j. de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven waarden; k. permanente bewoning of huisvesting van (tijdelijke) werknemers is niet toegestaan. 5.5.7 Huisvesting tijdelijke werknemers agrarische bedrijven 1. Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.1 ten behoeve van tijdelijke huisvesting van werknemers (arbeidsmigranten), mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de tijdelijke huisvesting van werknemers is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de opvang van de grote arbeidsbehoefte van dat bedrijf; b. de huisvesting betreft uitsluitend medewerkers, die alleen binnen het bedrijf waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten; c. het aantal te huisvesten werknemers bedraagt per bedrijf niet meer dan 50; d. de huisvesting bedraagt niet meer dan 6 maanden per kalenderjaar; e. zelfstandige bewoning is niet toegestaan; f. de huisvesting vindt plaats in de bedrijfswoning of in een bedrijfsgebouw; g. in afwijking van het onder f. bepaalde, is het toegestaan per bedrijf huisvesting te bieden in maximaal 5 woonunits of stacaravans voor een periode van maximaal 6 maanden op voorwaarde dat: 1.

de bebouwingshoogte van een woonunit c.q. stacaravan bedraagt niet meer dan 3 m.; 2. de gezamenlijke oppervlakte van de woonunits c.q. stacaravans niet meer mag bedragen dan 600 m2; 3. de woonunits c.q. stacaravans worden binnen het bouwvlak geplaatst en niet binnen het bedrijfsgebouw; 4. zorg gedragen wordt voor een goede landschappelijke inpassing; 5. gemotiveerd wordt aangegeven waarom huisvesting in een bedrijfswoning of in een bedrijfsgebouw niet mogelijk of niet wenselijk is; h. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; i. parkeergelegenheid wordt binnen het bouwvlak gerealiseerd, waarbij als minimumparkeernorm geldt: 1 parkeerplaats per 3 huisvestingsplaatsen; j. alvorens met een omgevingsvergunning afgeweken wordt, wordt een verzoek getoetst aan het aspect externe veiligheid wanneer de aanvraag betrekking heeft op een locatie die is gesitueerd binnen het invloedsgebied van een (ondergrondse) buisleiding(enstrook). Daarbij worden in ieder geval binnen de 10–6 contour van het Plaatsgebonden Risico (PR) geen kwetsbare bestemmingen toegestaan. In voorkomende gevallen zal ook de

70

leidingbeheerder en/of de beheerder van de buisleidingenstraat worden geconsulteerd. Voor de verantwoording van het groepsrisico wordt de brandweer om advies gevraagd; k. alvorens met een omgevingsvergunning afgeweken wordt, wordt vooraf advies gevraagd bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen; l. alle omgevingsvergunningen worden minimaal één keer per 5 jaar gecontroleerd op noodzaak, daarbij wordt advies gevraagd aan Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen, waarbij in ieder geval de omgevingsvergunning wordt ingetrokken, indien de daaraan ten grondslag liggende tijdelijke grote arbeidsbehoefte niet meer aanwezig is. 5.5.8 Huisvesting tijdelijke werknemers agrarische bedrijven langer dan zes maanden Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.1 ten behoeve van tijdelijke huisvesting van werknemers (arbeidsmigranten) voor een periode van maximaal 9 maanden, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de tijdelijke huisvesting van werknemers is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de opvang van de grote arbeidsbehoefte van dat bedrijf; b. de huisvesting betreft uitsluitend medewerkers, die alleen binnen het bedrijf waar ze gehuisvest zijn, werkzaamheden verrichten; c. het aantal te huisvesten werknemers bedraagt per bedrijf niet meer dan 50; d.

er kan aannemelijk worden gemaakt dat de inzet van tijdelijke werknemers gedurende een langere periode dan 6 maanden per kalenderjaar noodzakelijk is in verband met de specifieke bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf; e. zelfstandige bewoning is niet toegestaan; f. de huisvesting voor een periode langer dan 6 maanden vindt plaats in de bedrijfswoning of in een bedrijfsgebouw; g. in afwijking van het onder f. bepaalde, is het toegestaan per bedrijf huisvesting te bieden in maximaal 5 woonunits of stacaravans op voorwaarde dat: 1. de bebouwingshoogte van een woonunit c.q. stacaravan bedraagt niet meer dan 3 m.; 2. de gezamenlijke oppervlakte van de woonunits c.q. stacaravans niet meer mag bedragen dan 600 m2; 3. de woonunits c.q. stacaravans worden binnen het bouwvlak geplaatst en niet binnen het bedrijfsgebouw; 4. zorg gedragen wordt voor een goede landschappelijke inpassing; 5. gemotiveerd wordt aangegeven waarom huisvesting in een bedrijfswoning of in een bedrijfsgebouw niet mogelijk of niet wenselijk is; h. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven; i. parkeergelegenheid wordt binnen het bouwvlak gerealiseerd, waarbij als minimumparkeernorm geldt: 1 parkeerplaats per 3 huisvestingsplaatsen; j.

alvorens met een omgevingsvergunning afgeweken wordt, wordt een verzoek getoetst aan het aspect externe veiligheid wanneer de aanvraag betrekking heeft op een locatie die is gesitueerd binnen het invloedsgebied van een (ondergrondse) buisleiding(enstrook). Daarbij worden in ieder geval binnen de 10–6 contour van het Plaatsgebonden Risico (PR) geen kwetsbare bestemmingen toegestaan. In voorkomende gevallen zal ook de leidingbeheerder en/of de beheerder van de buisleidingenstraat worden geconsulteerd. Voor de verantwoording van het groepsrisico wordt de brandweer om advies gevraagd; k. alvorens met een omgevingsvergunning afgeweken wordt, wordt vooraf advies gevraagd bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen; l. alle omgevingsvergunningen worden minimaal één keer per 5 jaar gecontroleerd op noodzaak, daarbij wordt advies gevraagd aan Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen, waarbij in ieder geval de omgevingsvergunning wordt ingetrokken, indien de daaraan ten grondslag liggende tijdelijke grote arbeidsbehoefte niet meer aanwezig is. 5.5.10 Afwijking afstand spuitvrije zone Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.4.10 4.4.10 voor het toestaan van spuiten met gewasbeschermingsmiddelen en biociden op een kortere afstand dan 50 m. ten opzichte van spuitgevoelige functies, op voorwaarde dat aangetoond

71

wordt dat door het treffen van adequate voorzieningen, zoals het aanbrengen van fysieke scheidingen zoals windhagen of muren, en/of de gehanteerde spuittechniek zich geen chemische bestrijdingsmiddelen buiten de boomgaard c.q. het perceel kunnen verspreiden. 5.6 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.6.1 Verbodsregel Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de navolgende werken en werkzaamheden uit te voeren: a. het aanleggen of verharden van wegen en paden of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen of halfverhardingen met een totale oppervlakte van meer dan 200 m2; b. het aanbrengen van boven- of ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies; c. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden; d. het graven en dempen van sloten, greppels en poelen; e. het verwijderen van houtwallen; f. het diepwoelen en diepploegen. 5.6.2 Uitzondering Het onder 5.6.1 bepaalde geldt niet voor de werken of werkzaamheden: a. welke plaatshebben op een agrarisch bouwvlak; b. waarvoor vóór het van kracht worden van het bestemmingsplan aanlegvergunning is verleend; c. die ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren; d.

die het normale onderhoud en de normale agrarische bedrijfsvoering betreffen. 5.6.3 Toelaatbaarheid De werkzaamheden zijn toelaatbaar indien: a. door die werken en werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de aanwezige waarden van de gronden niet onevenredig worden aangetast; b. de werken of werkzaamheden noodzakelijk zijn in verband met de agrarische bedrijfsvoering, dan wel in verband met het recreatief medegebruik. 5.7 wijzigingsbevoegdheid 5.7.1 Paardenhouderij 1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen teneinde omschakeling toe te staan van een agrarische bedrijfsvorm naar een paardenhouderij, door middel van het toevoegen van de aanduiding ''paardenhouderij'' op het desbetreffende agrarische bouwvlak, mits dit niet zal leiden tot een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied. In ieder geval is daarvan sprake indien uit een aerius-berekening blijkt dat de toename van stikstof en/of ammoniak op een Natura 2000 gebied als gevolg van de toename van de oppervlakte dierenverblijf, rekening houdend met de maximale bezetting daarvan hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Externe saldering is hierbij niet toegestaan. mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a.

op de locatie heeft geen sloop van bedrijfsgebouwen plaatsgevonden met gebruikmaking van de regeling ''Ruimte-voor-ruimte''; b. de omvang van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan 1,5 ha.; c. de oppervlakte van de rijhal mag niet meer bedragen dan 1000 m2; d. paardenbakken (buitenrijbakken) mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht; e. er mogen geen publieks- of verkeersaantrekkende voorzieningen worden aangelegd; f. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing; g. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;

72

h. er wordt aangetoond dat de omschakeling naar een paardenhouderij geen nadelige effecten heeft voor Natura 2000-gebieden; i. de omschakeling moet bijdragen aan een afname van de uitstoot van ammoniak, geur en fijnstof in het gebied; j. er is aantoonbaar geen sprake van een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem- en waterhuishoudkundige en milieuhygiënische waarden; k. van de wijzigingsbevoegdheid wordt pas gebruik gemaakt indien wordt bijgedragen aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en dit aantoonbaar is verzekerd. Een landschappelijke inpassing maakt deel uit van het wijzigingsplan. De landschappelijke inpassing dient in het wijzigingsplan te worden vastgelegd door middel van de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing. Er dient bovendien te worden voldaan aan de vastgestelde Notitie kwaliteitsverbetering van het landschap voor de regio West Brabant, die als bijlage behorende bij de regels is opgenomen; l. bebouwing die niet noodzakelijk is voor de nieuwe bestemming (overtollige bebouwing) dient te worden gesloopt, tenzij het cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is; m. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de 5.1 in omschreven waarden; n.

er is een zorgvuldige dialoog gevoerd gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling; 5.7.2 Vergroting/vormverandering agrarisch bouwvlak 1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen ten behoeve van vergroting en/of vormverandering van een agrarisch bouwvlak ten behoeve van een agrarisch bedrijf niet zijnde een veehouderij, mits dit niet zal leiden tot een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied. In ieder geval is daarvan sprake indien uit een aerius-berekening blijkt dat de toename van stikstof en/of ammoniak op een Natura 2000 gebied als gevolg van de voorgenomen activiteiten niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Externe saldering is hierbij niet toegestaan. mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de vergroting en/of vormverandering dient noodzakelijk te zijn uit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling; b. de vergroting van het agrarisch bouwvlak mag als volgt plaatsvinden: 1. vergroting van het bouwvlak is tot een omvang van maximaal 1,5 ha. toegestaan 2. vergroting ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf is niet toegestaan; c. er wordt aangetoond dat de vergroting van het bouwvlak ten behoeve van een paardenhouderij geen nadelige effecten heeft voor Natura 2000-gebieden; d.

er is aantoonbaar geen sprake van een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem- en waterhuishoudkundige en milieuhygiënische waarden; e. aangetoond moet worden dat er geen geschikte locatie elders te vinden is om de bedrijfsplannen waarop het verzoek tot vergroting betrekking heeft, te realiseren; f. van de wijzigingsbevoegdheid wordt pas gebruik gemaakt indien wordt bijgedragen aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en dit aantoonbaar is verzekerd. De ontwikkelingen dienen te passen in de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied en dienen bij te dragen aan het versterken van de omgevingskwaliteit. Een landschappelijke inpassing maakt deel uit van het wijzigingsplan. De landschappelijke inpassing dient in het wijzigingsplan te worden vastgelegd door middel van de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing. Er dient bovendien te worden voldaan aan de vastgestelde Notitie kwaliteitsverbetering van het landschap voor de regio West Brabant, die als bijlage behorende bij de regels is opgenomen; g. Mestbewerking is niet toegestaan, met uitzondering van ter plaatse geproduceerde mest; h. Vergroting en/of verandering is niet toegestaan voor agrarisch technische hulpbedrijven ; i.

alvorens vergroting en/of vormverandering toe te kunnen staan, wordt vooraf advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen gevraagd;

73

j. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven waarden; k. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling; 5.7.3 Vormverandering agrarisch bouwvlak ten behoeve van zorgvuldige grondgebonden veehouderij en zorgvuldige intensieve veehouderij of vergroting agrarisch bouwvlak ten behoeve van zorgvuldige grondgebonden veehouderij 1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen ten behoeve van een vormverandering van een agrarisch bouwvlak met de aanduiding 'veehouderij' ' uitsluitend ten behoeve van een zorgvuldige grondgebonden veehouderij , respectievelijk een vergroting van het agrarisch bouwvlak met de aanduiding 'veehouderij' uitsluitend ten behoeve van een zorgvuldige grondgebonden veehouderij, mits dit niet zal leiden tot een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied. In ieder geval is daarvan sprake indien uit een aerius-berekening blijkt dat de toename van stikstof en/of ammoniak op een Natura 2000 gebied als gevolg van de toename van de oppervlakte dierenverblijf, rekening houdend met de maximale bezetting daarvan hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Externe saldering is hierbij niet toegestaan. mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.

er is aangetoond en geborgd dat sprake is van een (ontwikkeling naar en de instandhouding van een) zorgvuldige grondgebonden veehouderij of zorgvuldige intensieve veehouderij; b. het bouwvlak bedraagt ten hoogste 1,5 ha.; c. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling; d. aangetoond moet worden dat er geen geschikte locatie elders te vinden is om de bedrijfsplannen waarop het verzoek tot vergroting betrekking heeft, te realiseren; e. bij een vergroting van het bouwvlak omvat de landschappelijke inpassing tenminste 10 % van de omvang van het bouwvlak; f. er wordt aangetoond dat de vergroting van het bouwvlak en de te realiseren bebouwing geen nadelige effecten heeft voor Natura 2000-gebieden; g. er is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de grondgebonden veehouderij of intensieve veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; h.

er is aantoonbaar geen sprake van een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem- en waterhuishoudkundige en milieuhygiënische waarden; i. vergroting en/of verandering ten behoeve van glastuinbouw of de uitbreiding met kassen is niet toegestaan j. vergroting en/of vormverandering kan uitsluitend plaatsvinden indien wordt bijgedragen aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en dit aantoonbaar is verzekerd.De ontwikkelingen dienen te passen in de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied en dienen bij te dragen aan het versterken van de omgevingskwaliteit.Een landschappelijke inpassing maakt deel uit van het wijzigingsplan. De landschappelijke inpassing dient in het wijzigingsplan te worden vastgelegd door middel van de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing. Er dient bovendien te worden voldaan aan de vastgestelde Notitie kwaliteitsverbetering van het landschap voor de regio West Brabant, die als bijlage behorende bij de regels is opgenomen ; k. een uitbreiding of vormverandering van een bouwvlak dient vanuit een goede leefomgeving inpasbaar te zijn in de omgeving; l. alvorens vergroting en/of vormverandering toe te kunnen staan, wordt vooraf advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen gevraagd; m.

de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de 5.1 in omschreven waarden n. vergroting van het agrarisch bouwvlak is niet mogelijk voor zover het betreft bouwvlakken met de aanduiding 'intensieve veehouderij';

74

o. Het bewerken van mest is verboden, met uitzondering van ter plaatse geproduceerde mest p. Dit artikellid is niet van toepassing op niet-grondgebonden veehouderijen in gebieden met de zone Beperkingen veehouderij; 5.7.4 Vestiging van of omschakeling naar een zorgvuldige grondgebonden veehouderij 1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen ten behoeve van de vestiging van of een omschakeling naar een zorgvuldige grondgebonden veehouderij op een bouwvlak waar geen (zorgvuldige) veehouderij is gevestigd, mits dit niet zal leiden tot een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied. In ieder geval is daarvan sprake indien uit een aerius-berekening blijkt dat de toename van stikstof en/of ammoniak op een Natura 2000 gebied als gevolg van de toename van de oppervlakte dierenverblijf, rekening houdend met de maximale bezetting daarvan hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Externe saldering is hierbij niet toegestaan. mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er is aangetoond en geborgd dat sprake is van een (ontwikkeling naar en de instandhouding van een) zorgvuldige grondgebonden veehouderij; b. het bouwvlak bedraagt ten hoogste 1,5 ha.; c.

de ontwikkeling is vanuit een goede leefomgeving, mede gelet op de in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem- en waterhuishoudkundige en milieuhygiënische waarden en volksgezondheid inpasbaar in de omgeving; d. een zorgvuldige dialoog is gevoerd gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling; e. de landschappelijke inpassing omvat tenminste 10 % van de omvang van het bouwvlak; f. er wordt aangetoond dat de vestiging of omschakeling geen nadelige effecten heeft voor Natura 2000-gebieden; g. er is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door de grondgebonden veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; h. vestiging of omschakeling kan uitsluitend plaatsvinden indien wordt bijgedragen aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en dit aantoonbaar is verzekerd.

De ontwikkelingen dienen te passen in de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied en dienen bij te dragen aan het versterken van de omgevingskwaliteit.Een landschappelijke inpassing maakt deel uit van het wijzigingsplan. De landschappelijke inpassing dient in het wijzigingsplan te worden vastgelegd door middel van de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing. Er dient bovendien te worden voldaan aan de vastgestelde Notitie kwaliteitsverbetering van het landschap voor de regio West Brabant, die als bijlage behorende bij de regels is opgenomen; i. alvorens vestiging of omschakeling toe te kunnen staan, wordt vooraf advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen gevraagd; j. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven waarden; k. mestbewerking is verboden met uitzondering van ter plaatse geproduceerde mest. l. Het bewerken van mest is niet toegestaan, met uitzondering van ter plaatse geproduceerde mest;

5.7.5 Wonen - 2 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden met de aanduiding ''bouwvlak'' te wijzigen in de bestemming Wonen - 2, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

75

a. wijziging vindt gelijktijdig plaats met wijziging van de overige gronden naar de bestemming Agrarisch, Agrarisch met waarden - 1 of Agrarisch met waarden - 2, waarbij deze worden bestemd overeenkomstig de aangrenzende bestemmingen; b. het agrarisch bedrijf ter plaatse dient te zijn beëindigd; c. de oppervlakte bijbehorende bouwwerken bij de woning dient door sloop van overtollige bebouwing teruggebracht te worden tot 100 m2, waarbij cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gehandhaafd dient te blijven; d. in afwijking van het bepaalde onder c. mag, ter stimulering van sloop van overtollige bebouwing, bij sloop van voormalige bedrijfsbebouwing de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken tot een maximum van 200 m2 (inclusief te handhaven cultuurhistorisch waardevolle bebouwing) worden vergroot, met dien verstande dat per 100 m2 vergroting van de toegestane oppervlakte bijgebouwen telkens minimaal 400 m2 legaal opgerichte bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt; e. er mag, ter stimulering van sloop van overtollige bebouwing, bij sloop van voormalige bedrijfsbebouwing de bestaande inhoud van de woning worden vergroot tot maximaal 850 m3, met dien verstande dat per 50 m3 vergroting van de woning telkens minimaal 400 m2 legaal opgerichte bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt. f.

de gesloopte oppervlakte mag slechts éénmaal ten behoeve van nieuwe bebouwing in aanmerking worden genomen en wordt niet in aanmerking genomen indien op de locatie al sloop van de bebouwing heeft plaatsgevonden; dit laatste geldt ook voor de situatie waarin gebruik is gemaakt van de ruimte-voor-ruimteregeling; g. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven; h. er is aantoonbaar geen sprake van een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem- en waterhuishoudkundige en milieuhygiënische waarden; i. van de wijzigingsbevoegdheid wordt pas gebruik gemaakt indien wordt bijgedragen aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en dit aantoonbaar is verzekerd.De ontwikkelingen dienen te passen in de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied en dienen bij te dragen aan het versterken van de omgevingskwaliteit.Een landschappelijke inpassing maakt deel uit van het wijzigingsplan. De landschappelijke inpassing dient in het wijzigingsplan te worden vastgelegd door middel van de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing. Er dient bovendien te worden voldaan aan de vastgestelde Notitie kwaliteitsverbetering van het landschap voor de regio West Brabant, die als bijlage behorende bij de regels is opgenomen ; j.

de regels van Wonen-2 worden van overeenkomstige toepassing verklaard. k. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling; 5.7.6 Wonen - 2, boerderijsplitsing Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden met de aanduiding ''bouwvlak'' te wijzigen in de bestemming Wonen - 2 ten behoeve van de splitsing van de voormalige agrarische bedrijfswoning in twee woningen indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. splitsing is alleen toegestaan indien het agrarische bedrijf word beëindigd; b. splitsing is alleen toegestaan indien het een woonboerderij betreft, die is aan te merken als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, onder meer ingevolge een waardering op grond van een daarop van toepassing zijnde monumentenregeling, waarbij geldt dat het behoud of herstel van deze bebouwing is gegarandeerd; c. wijziging vindt gelijktijdig plaats met wijziging van de overige gronden naar de bestemming Agrarisch, Agrarisch met waarden - 1 of Agrarisch met waarden - 2, waarbij deze worden bestemd overeenkomstig de aangrenzende bestemmingen; d. de bouwmassa van de te splitsen woonboerderij (inclusief de inpandige stal/het inpandig deel) dient een inhoud te hebben van minimaal 700 m3; e. bij splitsing mogen maximaal 2 volwaardige woningen ontstaan met beide een inhoud van minimaal 350 m3; f.

de bestaande bebouwde oppervlakte van de woonboerderij (inclusief de inpandige stal/het inpandig deel) mag niet worden vergroot; g. het bestaande architectonische karakter van de boerderij mag niet worden aangetast;

76

h. de oppervlakte bijbehorende bouwwerken bij beide woningen dient door sloop van overtollige bebouwing teruggebracht te worden tot 100 m2, waarbij cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gehandhaafd dient te blijven; i. in afwijking van het bepaalde onder h. mag, ter stimulering van sloop van overtollige bebouwing, bij sloop van voormalige bedrijfsbebouwing de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken tot een maximum van 200 m2 (inclusief te handhaven cultuurhistorisch waardevolle bebouwing) per woning worden vergroot, met dien verstande dat per 100 m2 vergroting van de toegestane oppervlakte bijbehorende bouwwerken telkens minimaal 400 m2 legaal opgerichte bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt; j. er mag, ter stimulering van sloop van overtollige bebouwing, bij sloop van voormalige bedrijfsbebouwing de bestaande inhoud van de bestaande woonboerderij worden vergroot tot maximaal 850 m3, met dien verstande dat per 50 m3 vergroting van de woonboerderij telkens minimaal 400 m2 legaal opgerichte bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt. Vergroting mag uitsluitend plaatsvinden indien de bestaande cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden geschaad. Om dat te beoordelen dient een advies te worden ingewonnen van een deskundige op cultuurhistorisch en bouwhistorisch gebied. k.

de gesloopte oppervlakte mag slechts éénmaal ten behoeve van nieuwe bebouwing in aanmerking worden genomen en wordt niet in aanmerking genomen indien op de locatie al sloop van de bebouwing heeft plaatsgevonden; dit laatste geldt ook voor de situatie waarin gebruik is gemaakt van de ruimte-voor-ruimteregeling; l. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven; m. er is aantoonbaar geen sprake van een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem- en waterhuishoudkundige en milieuhygiënische waarden; n. van de wijzigingsbevoegdheid wordt pas gebruik gemaakt indien wordt bijgedragen aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en dit aantoonbaar is verzekerd. De ontwikkelingen dienen te passen in de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied en dienen bij te dragen aan het versterken van de omgevingskwaliteit.Een landschappelijke inpassing maakt deel uit van het wijzigingsplan. De landschappelijke inpassing dient in het wijzigingsplan te worden vastgelegd door middel van de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing. Er dient bovendien te worden voldaan aan de vastgestelde Notitie kwaliteitsverbetering van het landschap voor de regio West Brabant, die als bijlage behorende bij de regels is opgenomen; o.

de regels van Wonen - 2 worden van overeenkomstige toepassing verklaard p. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling; 5.7.7 Wonen - 2, herbouw/verbouw boerderij Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden met de aanduiding ''bouwvlak'' te wijzigen in de bestemming Wonen - 2, ten behoeve van de herbouw/verbouw van de voormalige woonboerderij, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. wijziging vindt gelijktijdig plaats met wijziging van de overige gronden naar de bestemming Agrarisch, Agrarisch met waarden - 1 of Agrarisch met waarden - 2, waarbij deze worden bestemd overeenkomstig de aangrenzende bestemmingen; b. de inhoud van de bestaande woonboerderij mag niet worden vergroot; c. het bestaande architectonische karakter van de woonboerderij dient behouden te blijven; d. bij herbouw dient de voorgevel van de te herbouwen woonboerderij te wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn van de woonboerderij tenzij een nieuwe situering van de voorgevel in stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieukundig opzicht wenselijker is; e. de oppervlakte bijbehorende bouwwerken bij de woonboerderij dient door sloop van overtollige bebouwing teruggebracht te worden tot 100 m2, waarbij cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gehandhaafd dient te blijven; f.

in afwijking van het bepaalde onder e. mag, ter stimulering van sloop van overtollige bebouwing, bij sloop van voormalige bedrijfsbebouwing de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken tot een maximum van 200 m2 (inclusief te handhaven cultuurhistorisch waardevolle bebouwing) worden vergroot, met dien verstande dat per 100 m2 vergroting

77

van de toegestane oppervlakte bijbehorende bouwwerken telkens minimaal 400 m2 legaal opgerichte bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt; Vergroting mag uitsluitend plaatsvinden indien de bestaande cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden geschaad. Om dat te beoordelen dient een advies te worden ingewonnen van een deskundige op cultuurhistorisch en bouwhistorisch gebied. g. in afwijking van het bepaalde onder c. mag, ter stimulering van sloop van overtollige bebouwing, bij sloop van voormalige bedrijfsbebouwing de bestaande inhoud van de woonboerderij worden vergroot tot maximaal 850 m3, met dien verstande dat per 50 m3 vergroting van de woonboerderij telkens minimaal 400 m2 legaal opgerichte bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt. h. de gesloopte oppervlakte mag slechts éénmaal ten behoeve van nieuwe bebouwing in aanmerking worden genomen en wordt niet in aanmerking genomen indien op de locatie al sloop van de bebouwing heeft plaatsgevonden; dit laatste geldt ook voor de situatie waarin gebruik is gemaakt van de ruimte-voor-ruimteregeling; i. het aantal woningen mag niet worden vermeerderd, tenzij sprake is van woningsplitsing, in welk geval de voor woningsplitsing geldende voorwaarden, zoals in artikel 5.7.6 vermeld, van overeenkomstige toepassing zijn; j.

de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven; k. er is aantoonbaar geen sprake van een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem- en waterhuishoudkundige en milieuhygiënische waarden; l. van de wijzigingsbevoegdheid wordt pas gebruik gemaakt indien wordt bijgedragen aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en dit aantoonbaar is verzekerd. De ontwikkelingen dienen te passen in de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied en dienen bij te dragen aan het versterken van de omgevingskwaliteit. Een landschappelijke inpassing maakt deel uit van het wijzigingsplan. De landschappelijke inpassing dient in het wijzigingsplan te worden vastgelegd door middel van de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing. Er dient bovendien te worden voldaan aan de vastgestelde Notitie kwaliteitsverbetering van het landschap voor de regio West Brabant, die als bijlage behorende bij de regels is opgenomen; m. de regels van Wonen - 2 worden van overeenkomstige toepassing verklaard. n. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling; 5.7.8 Plattelandswoning a.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd binnen de agrarische bestemming ten behoeve van een bij een agrarisch bedrijf behorende bedrijfswoning de functieaanduiding 'plattelandswoning' toe te voegen teneinde bewoning door derden mogelijk te maken. b. de oppervlakte bijbehorende bouwwerken bij de woning dient door sloop van overtollige bebouwing teruggebracht te worden tot 100 m2, waarbij cultuurhistorisch waardevolle bebouwing gehandhaafd dient te blijven; c. in afwijking van het bepaalde onder c. mag, ter stimulering van sloop van overtollige bebouwing, bij sloop van voormalige bedrijfsbebouwing de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken tot een maximum van 200 m2 (inclusief te handhaven cultuurhistorisch waardevolle bebouwing) worden vergroot, met dien verstande dat per 100 m2 vergroting van de toegestane oppervlakte bijgebouwen telkens minimaal 400 m2 legaal opgerichte bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt; d. er mag, ter stimulering van sloop van overtollige bebouwing, bij sloop van voormalige bedrijfsbebouwing de bestaande inhoud van de woning worden vergroot tot maximaal 850 m3, met dien verstande dat per 50 m3 vergroting van de woning telkens minimaal 400 m2 legaal opgerichte bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt. e.

de gesloopte oppervlakte mag slechts éénmaal ten behoeve van nieuwe bebouwing in aanmerking worden genomen en wordt niet in aanmerking genomen indien op de locatie al sloop van de bebouwing heeft plaatsgevonden; dit laatste geldt ook voor de situatie waarin gebruik is gemaakt van de ruimte-voor-ruimteregeling; f. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven;

78

g. er is aantoonbaar geen sprake van een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem- en waterhuishoudkundige en milieuhygiënische waarden; h. van de wijzigingsbevoegdheid wordt pas gebruik gemaakt indien wordt bijgedragen aan de kwaliteitsverbetering van het landschap en dit aantoonbaar is verzekerd.De ontwikkelingen dienen te passen in de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied en dienen bij te dragen aan het versterken van de omgevingskwaliteit.Een landschappelijke inpassing maakt deel uit van het wijzigingsplan. De landschappelijke inpassing dient in het wijzigingsplan te worden vastgelegd door middel van de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing. Er dient bovendien te worden voldaan aan de vastgestelde Notitie kwaliteitsverbetering van het landschap voor de regio West Brabant, die als bijlage behorende bij de regels is opgenomen; i. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling; 5.7.9 Recreatie - 1/Recreatie - 2 1.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden met de aanduiding ''bouwvlak'' te wijzigen in de bestemming ''Recreatie - 1'' en/of ''Recreatie - 2'' teneinde hergebruik van de bebouwing toe te staan met de daarbij behorende gronden voor dag- en verblijfsrecreatieve activiteiten, mits dit niet zal leiden tot een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000 gebied. In ieder geval is daarvan sprake indien uit een aerius-berekening blijkt dat de toename van stikstof en/of ammoniak op een Natura 2000 gebied als gevolg van de voorgenomen activiteiten hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Externe saldering is hierbij niet toegestaan. mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de recreatieve functie dient bezoekers extensief en kleinschalig te zijn; b. het hergebruik dient te passen in de omgeving; c. hergebruik vindt plaats binnen het bestaande bouwvolume; uitbreiding van bebouwing is niet toegestaan; d. bebouwing die niet noodzakelijk is voor de nieuwe bestemming (overtollige bebouwing) dient te worden gesloopt, tenzij het cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is; e. de wijziging mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, f. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; g.

er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte; h. er is aantoonbaar geen sprake van een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem- en waterhuishoudkundige en milieuhygiënische waarden; i. De ontwikkelingen dienen te passen in de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied en dienen bij te dragen aan het versterken van de omgevingskwaliteit.Een landschappelijke inpassing maakt deel uit van het wijzigingsplan. De landschappelijke inpassing dient in het wijzigingsplan te worden vastgelegd door middel van de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing. Er dient bovendien te worden voldaan aan de vastgestelde Notitie kwaliteitsverbetering van het landschap voor de regio West Brabant, die als bijlage behorende bij de regels is opgenomen; j. de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de 5.1 in omschreven waarden; k. de regels van Recreatie - 1 en/of Recreatie - 2 worden van overeenkomstige toepassing verklaard; l.

er is een zorgvuldige dialoog gevoerd gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling; 5.7.11 Bedrijf - 1 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden met de aanduiding 'bouwvlak' te wijzigen in de bestemming Bedrijf - 1 met de functieaanduiding 'opslag' teneinde gebruik van de aanwezige bebouwing uitsluitend toe te staan voor inpandige statische opslag, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

79

a. de activiteit dient plaats te vinden binnen het bestaande bouwvolume; b. de opslag mag niet plaatsvinden in kassen; c. er mag geen opslag buiten de gebouwen plaatsvinden; d. de vloeroppervlakte van de bebouwing die wordt aangewend, mag niet meer bedragen dan 1000 m2; e. opslag die ten dienste staat van een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf is uitgesloten; f. alleen opslag van naar hun aard statische goederen is toegestaan; g. bebouwing die niet noodzakelijk is voor de nieuwe bestemming (overtollige bebouwing boven 1000 m2) dient te worden gesloopt, tenzij het cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is; h. detailhandel is niet toegestaan; i. de milieubelasting mag niet toenemen; j. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; k. het gebruik mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken; l. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven; m. er is aantoonbaar geen sprake van een onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem- en waterhuishoudkundige en milieuhygiënische waarden; n.

De ontwikkelingen dienen te passen in de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied en dienen bij te dragen aan het versterken van de omgevingskwaliteit.Een landschappelijke inpassing maakt deel uit van het wijzigingsplan. De landschappelijke inpassing dient in het wijzigingsplan te worden vastgelegd door middel van de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing. Er dient bovendien te worden voldaan aan de vastgestelde Notitie kwaliteitsverbetering van het landschap voor de regio West Brabant, die als bijlage behorende bij de regels is opgenomen; o. Vestiging van mestbewerking en agrarisch-technische/agrarisch verwante functies is uitgesloten; p. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in 5.1 omschreven waarden en moet gepaard gaan met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; q. de regels van Bedrijf - 1 worden van overeenkomstige toepassing verklaard; r. er is een zorgvuldige dialoog gevoerd gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling; 5.7.12 Natuur Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden te wijzigen in de bestemming Natuur teneinde natuurontwikkeling toe te kunnen staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de natuurontwikkeling vindt plaats ten behoeve van de ontwikkeling van een ecologische verbindingszone c.q.

versterking van de ecologische hoofdstructuur; b. de inrichting dient zodanig te zijn dat de nabijgelegen agrarische bedrijven geen onevenredige belemmering ondervinden in de bedrijfsontwikkeling; c. de regels van Natuur worden van overeenkomstige toepassing verklaard. 5.7.13 Bos Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de gronden te wijzigen in de bestemming Bos teneinde bos- en natuurontwikkeling toe te kunnen staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de bos- en natuurontwikkeling vindt plaats ten behoeve van de ontwikkeling van een ecologische verbindingszone c.q. versterking van de ecologische hoofdstructuur dan wel als natuur- of boscompensatie; b. de inrichting dient zodanig te zijn dat de nabijgelegen agrarische bedrijven geen onevenredige belemmering ondervinden in de bedrijfsontwikkeling; c. de regels van Bos worden van overeenkomstige toepassing verklaard. 5.7.14 Belangenprocedure bij specifieke wijzigingsbevoegdheid

80

Bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid, zoals deze onderdeel uitmaakt van dit plan, dienen de procedureregels zoals opgenomen in artikel 36 in acht te worden genomen.

ARTIKEL 6 Bedrijf - 1 6.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Bedrijf - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor industriële en ambachtelijke bedrijven voor zover deze voorkomen in de categorie 1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat: a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijk bedrijf in hoeden" uitsluitend een ambachtelijk bedrijf in hoeden is toegestaan; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - adviesbureau" uitsluitend een adviesbureau is toegestaan; c. ter plaatse van de aanduiding '"zend-/ontvangstinstallatie "is uitsluitend een zend/ontvanstinstallatie is toegestaan; d. ter plaatse van de aanduiding "caravanstalling" is uitsluitend een caravanstalling toegestaan; e. ter plaatse van de aanduiding "opslag" is uitsluitend opslag toegestaan; f. ter plaatse van de aanduiding "nutsvoorzieningen" zijn uitsluitend openbare nutsvoorzieningen toegestaan; g. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - gasdrukmeet - en regelstation" is uitsluitend een gasdrukmeet- en regelstation toegestaan; h. per bestemmingsvlak maximaal één bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken mag worden opgericht; i.

ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' in het betreffende bouwvlak geen bedrijfswoning is toegestaan; alsmede bijbehorende voorzieningen zoals ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen, groen en water. 6.2 bouwregels 6.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen uitsluitend worden gebouwd c.q. gerealiseerd: a. hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; c. parkeerplaatsen. 6.2.2 Hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen moeten worden opgericht in het bestemmingsvlak; b. voor de bedrijfswoning cq. voormalige bedrijfswoning geldt de volgende maatvoering: 1. de inhoud van deze bedrijfswoning cq. voormalige bedrijfswoning mag ten hoogste 750 m3 bedragen; 2. per bedrijfswoning cq. voormalige bedrijfswoning mogen bijbehorende bouwwerken worden opgericht met een goothoogte van maximaal 3 m. en een bouwhoogte van ten hoogste 5 m. en met een maximale oppervlakte van 100 m²; c.

het maximale bebouwingsoppervlak aan gebouwen (met uitzondering van de bedrijfswoning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken) mag per bestemmingsvlak niet meer bedragen dan hierna aangegeven per op het genoemde adres gelegen bestemmingsvlak: Bergsebaan 14 (zend-/ontvangstinstallatie) 130 m2 Bergsebaan 40 (ambachtelijk bedrijf in hoeden) 680 m2 Bergsebaan 44 (adviesbureau) 500 m2 Halstersebaan 1 (caravanstalling) 1.030 m2 Herelsestraat 33/35 (adviesbureau) 785 m2 Moerstraatseweg 40a (opslag) 945 m2 Plantagebaan 99 (opslag) 650 m2 Spellestraat 42a (opslag) 100 m2 Spellestraat 42b (opslag) 145 m2

81

1. voor zover de gebouwen en overkappingen niet in de perceelsgrens worden gebouwd, dient de afstand tot de perceelsgrens ten minste 3.00 m. te bedragen; 2. de goot- en / of bouwhoogte van gebouwen mag ten hoogste bedragen: 1. goothoogte 6 m.; 2. bouwhoogte 10 m. 3. de afstand van gebouwen tot de as van de rijbaan dient tenminste 15 m. te bedragen; 4. de inhoud van een bouwwerk wordt gemeten vanaf bovenkant begane grondvloer. 6.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste bedragen: 1. erf afscheidingen gelegen tussen het bestemmingsvlak en de bestemming Verkeer 1.00 m.; 2. erfafscheiding anders dan onder 1: 2.00 m.; 3. andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde 5.00 m. 6.2.4 Parkeerplaatsen Voor wat betreft het parkeren gelden de parkeernormen zoals in de Nota parkeernormen, zoals deze van kracht is op het moment dat een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend, met dien verstande dat de parkeerplaatsen op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd.

6.3 afwijken van de bouwregels 6.3.1 Perceelsgrens Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.2, onder d., voor het oprichten van gebouwen binnen 3 m van de perceelsgrens, mits daardoor de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet worden verminderd en mits daardoor de brandveiligheid van het gebouw en van de omgeving, waaronder mede wordt verstaan de toegankelijkheid van hulpdiensten, niet wordt aangetast. 6.3.2 Hoogte Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.3 voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarbij de maximale (bouw)hoogte niet meer mag bedragen dan 15 meter. 6.3.3 Vergroting bebouwde oppervlakte Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de in 6.2.2 opgenomen maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing van niet-agrarische bedrijven, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de in 6.2.2 opgenomen bebouwde oppervlakte mag met maximaal 15% worden vergroot; b. de in 6.2.2 opgenomen bebouwde oppervlakte mag - eenmalig - met maximaal 25% worden vergroot indien sprake is van een agrarisch technisch hulpbedrijf of een agrarisch verwant bedrijf; c. de belangen van de omliggende (niet) agrarische bedrijven en andere functies worden niet onevenredig aangetast; d.

er vindt geen toename van de milieubelasting plaats; e. er vindt geen opslag buiten de gebouwen plaats; f. Vestiging van mestbewerking en agrarisch-technische/agrarisch verwante functies is uitgesloten; g. De ontwikkelingen dienen te passen in de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied en dienen bij te dragen aan het versterken van de omgevingskwaliteit. Een landschappelijke inpassing maakt deel uit van het wijzigingsplan. De landschappelijke inpassing dient in het wijzigingsplan te worden vastgelegd door middel van de aanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing. Er dient bovendien te worden voldaan aan de vastgestelde Notitie kwaliteitsverbetering van het landschap voor de regio West Brabant, die als bijlage behorende bij de regels is opgenomen; h. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie; i. het woon- en leefklimaat mogen niet onevenredig worden aangetast.

82

6.3.4 Afstand bebouwing tot as rijbaan Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.2 voor het oprichten van bebouwing op minder dan 15 meter uit de as van de rijbaan, mits sprake blijft van voldoende verkeersveiligheid. 6.4 specifieke gebruiksregels

6.4.1 Bedrijven Het is niet toegestaan de gronden te gebruiken: a. voor bedrijven als bedoeld in onderdeel D van Bijlage I, behorende bij het Besluit omgevingsrecht; b. voor bedrijven en inrichtingen genoemd in het Besluit Externe Veiligheid inrichtingen (27 mei 2004, Staatsblad 2004, 250); c. voor AMVB-inrichtingen waarvoor krachtens artikel 8.40 van de Wet op Milieubeheer afstanden gelden met het oog op externe veiligheid. 6.4.2 Opslag Het is niet toegestaan de onbebouwde gronden te gebruiken voor de opslag van goederen met een totale stapelhoogte van meer dan 4.00 m. 6.4.3 Smart- en growshops, groothandel in smart- en growproducten en belwinkels Het is niet toegestaan de gronden en opstallen te gebruiken als smart- en/of growshop en/of groothandel in smart- en growproducten en/of belwinkel. 6.4.4 Bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning en afhankelijke woonruimte Het is niet toegestaan de bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen te gebruiken als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte, tenzij het mantelzorg betreft. 6.4.5 Bijzondere woonvorm Het is niet toegestaan om gebouwen en andere bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken voor bijzondere woonvormen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1301/documents/34717