CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1674.2160BEUKENSTRAAT3-0401_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 5 juni 2024, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5a: Voorstel 025 Vaststellen bestemmingsplan Beukenstraat 317.747 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Waterhuishouding

Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Dit beleid is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem.

Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Behalve dat het RWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Beleid waterschap Brabantse Delta Met het Waterbeheerprogramma 2022–2027 bepaalt Brabantse Delta de doelstellingen en strategie. Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer voor Midden- en West-Brabant voor de middellange (2027/2030) en lange termijn (2050). Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 26/49

bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Die kerntaken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven. Het besluitgebied is gelegen binnen het stroomgebied van waterschap Brabantse Delta. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. de waterparagraaf schriftelijke instemming heeft verkregen van het waterschap en de maatregelen in de waterparagraaf zijn uitgevoerd, of voor zover; b. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; c. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m 2 is, of; d. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. e.

de toename aan verhard oppervlak tussen 500 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Beleid gemeente Roosendaal Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2020-2023 is een strategisch beheerplan waarin de zorgplichten van de Gemeente Roosendaal zijn vastgelegd voor het afval-, hemel- en grondwater. In het VGRP 2020-2023 zijn doelstellingen voor de komende jaren vastgesteld. Daarbij is op basis van de gekozen strategie op hoofdlijnen aangegeven welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de gestelde doelen te bereiken en welke (financiële) middelen daarvoor nodig zijn.

Hierbij worden ook de gevolgen voor de rioolheffing voor burgers en bedrijven aangegeven. Op welke wijze de noodzakelijke maatregelen, zoals vervanging van de riolering of hydraulische maatregelen, zullen worden uitgevoerd, wordt in latere operationele plannen opgenomen. In het VGRP 2020‐2023 is opgenomen: • Hoe de gemeente de komende jaren het gemeentelijk rioleringsstelsel gaat beheren en onderhouden; • Welke maatregelen de gemeente neemt om wateroverlast door intensieve regenbuien (klimaatverandering) te voorkomen; • Hoe de gemeente omgaat met de zorg voor regenwater; • Hoe de gemeente omgaat met de zorg voor grondwater in het stedelijk gebied; • Hoe de gemeente invulling wil geven aan de samenwerking in de Waterkring West om uitvoering te geven aan het Nationaal Bestuursakkoord Water. In het VGRP 2020‐2023 zijn doelstellingen voor de komende jaren vastgesteld. Daarbij is op basis van de gekozen strategie op hoofdlijnen aangegeven welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de gestelde doelen te

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 27/49

bereiken en welke (financiële) middelen daarvoor nodig zijn. Hierbij worden ook de gevolgen voor de rioolheffing voor burgers en bedrijven aangegeven. Op welke wijze de noodzakelijke maatregelen, zoals rioleringvervanging of hydraulische maatregelen, zullen worden uitgevoerd, worden in latere operationele plannen opgenomen. Met behulp van het VGRP 2020‐2023 worden de volgende doelstellingen en maatregelen nagestreefd: • Doelmatige inzameling van het binnen het stedelijk gebied geproduceerde stedelijk afvalwater. • Doelmatige inzameling en verwerking van overtollig hemelwater. • Doelmatig transport van het stedelijk afvalwater. • Voorkomen van vuiluitworp naar bodem, grond‐ en oppervlaktewater. • Invulling geven aan grondwaterzorgplicht. • Minimale overlast voor de omgeving. • Doelmatig en effectief rioleringsbeheer op basis van het Bestuursakkoord Water. Beoordeling Keur Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 volgt dat de locatie niet is gelegen binnen de beschermde gebieden. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing.

Uitsnede Keurkaart met in rood aanduiding plangebied (bron: Waterschap Brabantse Delta)

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 28/49

Verharding Het project betreft de realisatie van vijf woningen op een locatie die al voor een deel bebouwd en verhard is. De ter plaatse aanwezige bebouwing wordt geamoveerd in ruil voor nieuwbouw. Mitigerende maatregelen (zoals retentievoorzieningen) zijn op grond van de Keur pas nodig indien er sprake is van een toename van het verhard oppervlak boven de 500 m2. Dit is bij voorliggend bestemmingsplan niet van toepassing. Echter heeft de gemeente in overleg met de initiatiefnemer bepaald dat voor de toename aan verhard oppervlakte mitigerende maatregelen genomen moeten worden. In de toekomstige situatie zal de verhardingssituatie veranderen. De ontwikkeling heeft, zoals blijkt uit de onderstaande tabel, tot gevolg dat het verhard oppervlak toeneemt met circa 458 m2. Tabel 5.1: Verharding plangebied Huidige m2 (circa)

Toekomstige m2 (circa)

Verschil m2 (circa)

Verharding*

444

902

458

Totaal perceel

1.192

1.192

-/-

*Bron gegevens: luchtfoto 2023 (google.com/maps), VO, Algra & Marechal Architecten B.V., 16-12-2022, 2022-1609.

Op de onderstaande afbeeldingen is te zien hoe deze berekening tot stand is gekomen.

Figuur 5.1: Oppervlakte huidige verharding (bron: google.com/maps)

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 29/49

Figuur 5.2: Toekomstige verharding (bron: VO, Algra & Marechal Architecten B.V., 16-12-2022, 2022-1609)

Voor het toekomstige verhard oppervlak wordt de vereiste compensatie berekend door het toename verhard oppervlak (m2) te vermenigvuldigen met het waterschijf van 60 mm (0,06 m) en met de plaatselijke gevoeligheidsfactor (1). Daaruit volgt de omvang van de vereiste compensatie in kubieke meters (m 3). De benodigde compensatie bedraagt 27 m3 (458 m2 x 0,06 m x 1). Gezien de grootte van het plangebied zal er in de toekomstige situatie voldoende ruimte beschikbaar zijn om invulling te geven aan de bergingseis. Door de aanleg van mitigerende voorzieningen kan invulling worden gegeven aan de bergingseis van het waterschap. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zal concreet worden aangetoond hoe wordt voldaan aan de waterhuishoudkundige eisen. Riolering Het vuilwater wordt gescheiden van het hemelwater verwerkt en aangesloten op het bestaande rioolsysteem aan de Beukenstraat. Door de scheiding van het vuilwater van het hemelwater wordt de bestaande riolering minder belast. Hemelwater Voor het hemelwater kan worden gesteld dat de afvoer op een dusdanige manier plaats vindt dat er geen sprake is van verontreiniging en er geen bezwaren zijn om deze af te voeren op het bestaande rioolstelsel. Tevens kunnen de aan te leggen groenvoorzieningen (tuinen) binnen voorliggend initiatief gebruikt worden als natuurlijke infiltratievoorziening voor niet-verontreinigd hemelwater.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 30/49

Bouwmaterialen Bij de realisatie van de nieuwbouw zullen milieuvriendelijke bouwmaterialen worden gebruikt en zullen geen uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC worden gebruikt. Deze stoffen kunnen zicht ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Conclusie Het aspect waterhuishouding heeft geen gevolgen voor het voorgenomen plan. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zal concreet worden aangetoond hoe wordt voldaan aan de waterhuishoudkundige eisen 5.4

Cultuurhistorie

Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Beoordeling Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat de locatie is gelegen binnen de cultuurhistorische regio WestBrabantse Venen. In de ‘West-Brabantse Venen’ heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turf en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt.

Op de afgeveende gronden worden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Het plan is op de schaal van de hele regio echter een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling die geen specifieke aanknopingspunten biedt om invulling te geven aan het beleid voor de regio. Het plangebied bevindt zich nabij de Torenbaan. In het kader van de historische geografie lijnen heeft deze weg een ‘redelijk hoge waarde’. De voorgenomen plannen doen echter geen afbreuk aan deze waarde. Ter hoogte van het plangebied is reeds sprake van bebouwing. Door deze bebouwing te continueren, blijft het straatbeeld op eenzelfde wijze begeleid. Voor het overige zijn er geen cultuurhistorische waardevolle elementen gelegen in de directe omgeving van het plangebied.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 31/49

Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart met plangebied in rode cirkel (bron: Provincie Noord-Brabant)

Conclusie Het planvoornemen doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving van het plangebied. 5.5

Archeologie

Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaald dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.

Beleid gemeente Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 32/49

Beoordeling Op basis van de ‘Archeologische beleidskaart’ van de gemeente Roosendaal ligt het plangebied binnen een gebied aangemerkt met een ‘middelhoge verwachting’. Tevens is een archeologische dubbelbestemming ‘Archeologie – 2’ van toepassing op het plangebied. Bodemingrepen zijn in principe niet toegestaan; indien een ingreep dieper gaat dan 0,5 meter beneden het maaiveld en een planoppervlak heeft van 100 m2 of meer is een aanlegvergunning verplicht. Onderhavig initiatief overschrijdt deze criteria.

Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Roosendaal met plangebied in rode cirkel (bron: Oranjewoud)

Econsultancy heeft een archeologisch veldonderzoek uitgevoerd. In het kader van de voorgenomen bestemmingsplanprocedure adviseert Econsultancy om de bestaande dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 2’ op het plangebied te houden. Dit betekent dat er bij toekomstige vergunningplichtige werkzaamheden groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm -mv eerst verder archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd, namelijk een karterend/waarderend inventariserend veldonderzoek. Omdat voornamelijk grondsporen worden verwacht, kan dit onderzoek het beste door middel van een proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd. Hiervoor is een door de bevoegde overheid, de gemeente Roosendaal, goedgekeurd Programma van Eisen nodig. Conclusie Archeologische waarden worden niet geschaad. 5.6

Ecologie

5.6.1 Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 33/49

de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Onderdeel van deze gebiedsbescherming wordt gevormd door het Programma Aanpak Stikstof 2015 - 2021 (PAS), welke in werking is getreden per 1 juli 2015. Het PAS betreft een programma, voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en gecontinueerd onder de Wnb, en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen, de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen. Beoordeling Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen, tevens stikstofgevoelige, Natura 2000-gebied, Brabantse Wal, bevindt zich op circa 2 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen zijn, gezien de afstand niet te verwachten. Op het aspect stikstofdepositie wordt navolgend ingegaan.

Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming. 5.6.2 Stikstof Toetsingskader Het plangebied is gelegen op circa 2 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied ‘Brabantse Wal’. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald. Beoordeling Voor onderhavige ontwikkeling is een AERIUS-calculatie uitgevoerd voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase, bijgevoegd als bijlage bij deze toelichting. Uit de berekeningen blijkt dat zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebied niet hoger is dan 0,00 mol/a/jaar. Er is geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming.

Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde natuurgebieden. 5.6.3 Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 34/49

Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het besluitgebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Voor onderhavige ontwikkeling is door Econsultancy op 21 juni 2023 een quickscan Wet natuurbescherming afgerond. Rapportage daarvan is als bijlage gevoegd bij deze toelichting. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van het te slopen gebouw op de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de nestgelegenheden buiten het broedseizoen worden verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen.

Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie te worden uitgevoerd door een ter zake kundige ecoloog. Op basis van de quickscan Wet natuurbescherming dient voor de uitvoering van de plannen middels aanvullend onderzoek meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te laten voeren naar de functies zomer, kraam- en balts/paarverblijfplaatsen voor de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Verder wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden rekening te houden met mogelijke verblijfplaatsen in naastgelegen woningen en met foerageergelegenheden op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving. Door gebruik te maken van amberkleurig licht, weggericht van de omgeving, laaggeplaatste verlichtingsarmaturen en verlichtingsarmaturen die naar beneden schijnen wordt zo min mogelijk strooilicht veroorzaakt. Conclusie Middels aanvullend onderzoek dient meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.

Voor onderhavig plan geldt dat de Wet natuurbescherming, gelet op de mogelijkheid van het nemen van adequate maatregelen, de uitvoerbaarheid van het planvoornemen niet in de weg staat. Er dient mogelijk een ontheffing te worden aangevraagd bij de provincie Noord-Brabant indien een beschermde soort aanwezig zal zijn. Het is aannemelijk dat deze ontheffing wordt verleend, waardoor het plan uitvoerbaar is. 5.7

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012);

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 35/49

• •

de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).

De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Het plangebied is gelegen aan de Beukenstraat alwaar een snelheidsregime geldt van 30 km/u. Conform de Wet geluidhinder geldt voor deze weg geen onderzoekszone. Alle wegen in Nederland met een snelheidsregime van 50 km/u of hoger zijn wel gezoneerd. Het plangebied valt echter niet binnen een onderzoekszone van een gezoneerde weg. Conform de Wet geluidhinder bestaat daarmee geen noodzaak tot het doen van akoestisch onderzoek.

Ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geldt dat het plangebied niet is gelegen aan een doorgaande weg. De aan het plangebied grenzende Beukenstraat is ter hoogte van het plangebied ingericht als typische 30-km/u weg. Gelet hierop en het feit dat het vigerende bestemmingsplan reeds woningbouw langs de Beukenstraat toestaat, kan worden aangenomen dat een goed woon- en leefklimaat niet wordt belemmerd door lawaai afkomstig van wegverkeer. Conclusie Op basis van de Wet geluidhinder geldt geen verplichting tot het doen van akoestisch onderzoek. Geluidbelasting afkomstig van wegverkeer staat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg. 5.8

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 36/49

bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNGbrochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Beoordeling De VNG-brochure onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als rustige woonwijk. Richtafstanden gelden derhalve onverkort. Onderhavig bestemmingsplan maakt toevoeging van woningen mogelijk, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van deze functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende inrichtingen. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De beoogde woningen bevinden zich nabij de richtafstand van enkele omliggende bedrijvigheid. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Beukenstraat 3 Inrichting

Locatie

Max. milieucategorie

Richtafstand VNG

Afstand tot plangebied

Bedrijf - 2 (functie: timmerfabriek)

Herelsestraat 95

3.2

100 meter

55 meter

Gemengd – 3 (functie: slagerij)

Herelsestraat 96

1

10 meter

80 meter

Gemengd – 3 (functie: supermarkt)

Herelsestraat 99

1

10 meter

96 meter

Bedrijf - 2 (functie nutsvoorziening)

Torenbaan 1

2

30 meter

60 meter

Horeca - 2

Torenbaan 3

1

10 meter

50 meter

Horeca - 4

Torenbaan 1

2

30 meter

70 meter

In de bovenstaande tabel is gemeten vanaf de grens van de woonbestemming tot de grens van de hindergevende bestemming. Uit de tabel is af te lezen dat niet kan worden voldaan aan de richtafstand behorende bij de bedrijfsbestemming (functieaanduiding: timmerfabriek) aan de Herelsestraat 95 te Heerle. Voor wat betreft onderhavig planvoornemen geldt dat er binnen het plangebied een gemengde bestemming is toegestaan inclusief de functie ‘wonen op verdieping’. Dit betreft reeds een milieugevoelige functie. Daarnaast bevinden zich al meerdere woningen tussen de bedrijfsbestemming en de beoogde woonbestemming. Er worden geen nieuwe woningen dichterbij de bedrijfsbestemming gesitueerd. De beoogde plannen vormen dus geen extra belemmering voor eventuele uitbreidingsmogelijkheden van de bedrijfsbestemming. Gelet op de afstand en de meerdere woonbestemmingen tussen het plangebied en de bedrijfsbestemming kan worden gesteld dat een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. Omgekeerd hindert het onderhavig planvoornemen omliggende inrichtingen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Tot slot komt met het realiseren van onderhavig planvoornemen de huidige bestemming, die deels hindergevend is, te vervallen ten gunste van een woonbestemming. Hetgeen heeft een positief effect op het woon- en leefklimaat voor de bestaande omliggende woningen.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 37/49

Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. Onderhavig initiatief belemmert omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering. 5.9

Externe veiligheid

5.9.1 Inrichtingen en externe veiligheid Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR). Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is het Register Externe Veiligheidsregio's (REV) via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Het plangebied ligt vanwege toxische scenario’s in het invloedsgebied van het bedrijf SABIC Innovative Plastics BV in Bergen op Zoom. Deze inrichting ligt op een afstand van circa 6,7 kilometer ten westen van het plangebied.

Het groepsrisico moet om die reden worden verantwoord volgens artikel 13 van het Bevi. De dichtstbijzijnde relevante inrichting ligt ten noordwesten van het plangebied op een afstand van circa 900 meter. Het plangebied bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Gelet op de beperkte omvang van de ontwikkeling en de afstand tot de risicobronnen kan de standaard verantwoording van de gemeente Roosendaal worden toegepast. Deze is als bijlage bij de toelichting van het wijzigingsplan gevoegd. Conclusie Het aspect inrichting en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 38/49

Uitsnede Signaleringskaart Externe Veiligheid met plangebied in rode cirkel (bron: nl.ev-signaleringskaart.nl)

5.9.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen, is het Register Externe Veiligheidsregio's (REV) via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd.

Op een afstand van circa 820 meter ten zuiden van het plangebied is de spoorlijn Bergen op Zoom- Roosendaal West gelegen. Over dit spoor vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het plangebied ligt echter niet binnen de risicocontour of het plasbrandaandachtsgebied van de spoorlijn.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 39/49

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicorelevante transportassen gelegen. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.9.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico en een verantwoording van het groepsrisico van relevante buisleidingen. Binnen de PR 106 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving buisleidingen zijn gelegen waarop de circulaire van toepassing is, is het Register Externe Veiligheidsregio's (REV) via de atlasleefomgeving.nl geraadpleegd. Ten zuiden, op een afstand van circa 800 meter, is een hogedruk aardgasleiding gelegen.

Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van de buisleiding. Gelet hierop zijn risicoberekeningen niet noodzakelijk en zijn er geen beperkingen voor het ruimtegebruik binnen het plangebied. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor PM2,5 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 25 µg/m3.Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3.

Het 24uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 40/49

Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: • er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 µg/m3 voor zowel PM10 als NO2.

In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: • 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van vijf woningen. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het besluitgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (https://www.cimlk.nl/). Dit is een instrument voor de ondersteuning van monitoring van de luchtkwaliteit nu in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en later onder de Omgevingswet (Ow).

De dichtstbijzijnde maatgevende weg is de Herelsestraat op een afstand van circa 90 meter. Uit de CIMLK blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg 14,2 NO2, 15,3 PM10 en 8,4 PM2,5 bedragen. Er wordt ter plaatse voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit. Daarmee vormt luchtkwaliteit ook vanuit een goede ruimtelijke ordening geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 41/49

5.11 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; a. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; b. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; d. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 5.12 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage.

Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor projecten de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Er is sprake van een besluit dat voorziet in één of meerdere activiteiten boven de grenswaarden uit de C-lijst van het Besluit m.e.r. Een dergelijk besluit is aangewezen als MER-plichtig. 2. Er is sprake van een besluit dat voorziet in één of meerdere activiteiten boven de (indicatieve) grenswaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van een m.e.r.-plicht; het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Naar aanleiding van de m.e.r.-beoordeling kan volgen dat er alsnog een MER moet worden opgesteld, of dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen zijn. 3. Activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.

wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europees Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor de eerste twee criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige

1 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én

leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 42/49

criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar (natuur)gebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij ‘kleine projecten’ (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling In onderhavige situatie is sprake van de toevoeging van vijf woningen in het bestaand stedelijk gebied. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een m.e.r.

De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder de categorie D 11.2, de aanleg wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingstraject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op o.a. een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Het initiatief heeft slechts betrekking op de realisatie van vijf woningen. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er geldt derhalve geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling, waardoor enkel een vormvrije m.e.r.-beoordeling resteert. Door middel van de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een m.e.r. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als m.e.r.-plichtig op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een m.e.r. en het doorlopen van de m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 43/49

6

Juridische plantoelichting

6.1

Inleiding

Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt. 6.2

Opbouw van de regels

Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat voor de bestemmingen wordt aangesloten bij de systematiek voor bestemmingsplan “Heerle”. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: • inleidende regels; • bestemmingsregels; • algemene regels; • overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan. 6.3

Regels

6.3.1 Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 6.3.2 Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: • bestemmingsomschrijving;

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 44/49

• • • • • • • •

bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid.

Duidelijk zal zijn dat een regel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. Artikel 3 Wonen – 1 De gronden met de bestemming ‘Wonen-1’ zijn bestemd voor aaneengebouwede grondgebonden woningen. Tevens zijn deze gronden bestemd voor aan-huis-gebonden-beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten. Artikel 4 Waarde – Archeologie 2 De voor ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. 6.3.3 Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ Artikel 5 Antidubbeltelregel In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven. Artikel 6 Algemene bouwregels In dit artikel zijn bepalingen opgenomen inzake ondergronds bouwen en overschrijdingen van bouwgrenzen en gevellijnen Artikel 7 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn bepalingen opgenomen inzake het gebruik van bouwwerken. Artikel 8 Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de activiteiten genoemd waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan.

Artikel 9 Algemene wijzigingsregels In dit artikel worden algemene wijzigingsregels genoemd, onder andere voor de overschrijding van bestemmingsgrenzen. Artikel 10 Algemene procedureregels In dit artikel worden de algemene procedureregels behandeld die van toepassing zijn op een besluit tot nadere eis.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 45/49

6.3.4 Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’ Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: Artikel 11 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan. Artikel 12 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan “Beukenstraat 3”.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 46/49

7

Economische uitvoerbaarheid

7.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan. 7.2

Toepassing Grondexploitatiewet

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. 7.3

Economische uitvoerbaarheid

Ten aanzien van het onderhavige plan is het verhaal van de kosten anderszins verzekerd. Er wordt een overeenkomst gesloten ten behoeve van het verhalen van legeskosten volgens de legesverordening en daarnaast een overeenkomst afsluiten met betrekking tot planschade.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 47/49

8

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

8.1

Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschap plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Alle benaderde voorloverlegpartners (provincie, veiligheidsregio, waterschap) gaan akkoord met het planvoornemen. Het waterschap heeft daarnaast wateradvies gegeven: • Het waterschap Brabantse Delta heeft een positief wateradvies gegeven aangezien de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap naar wens zijn opgenomen. Daarnaast heeft het waterschap wel een aantal op- en aanmerkingen beschreven in het wateradvies. Deze op- en aanmerkingen zijn verwerkt in onderhavige toelichting. Het wateradvies van het waterschap is opgenomen in Bijlage 7 van deze toelichting; 8.2

Omgevingsdialoog

In het kader van het omgevingsdialoog heeft de initiatiefnemer op 25 juli 2022 een persoonlijke brief bezorgd bij de directe omwonende. In deze brief is het beoogde plan beschreven. De omwonenden zijn in de gelegenheid gebracht om per mail of telefoon te reageren op het initiatief. Deze vragen zijn genoteerd, behandeld en de antwoorden zijn per mail teruggekoppeld. Naar aanleiding van de reacties is in overleg de afstand van de gebouwen tot de perceelgrens van de Lindestraat 4 vergroot van 1,87 meter naar 3 meter. Uit een bezonningstudie is gebleken dat de schaduwwerking van het plan zeer beperkt is. De hoge boom die momenteel gesitueerd staat op het plangebied en erg veel schaduw geeft, wordt verwijderd. Ten slotte is bepaald dat in de kopgevel van het plan geen raam komt zodat er geen inkijk is. Het verslag van het omgevingsdialoog is als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. 8.3

Tervisielegging

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Met ingang van 18 december 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan ‘Beukenstraat 3’ gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen tegen het plan kenbaar te maken. Op het ontwerpbestemmingsplan is één zienswijze ontvangen. Deze zienswijze is samengevat en beantwoord in de ‘Nota zienswijzen’, toegevoegd als bijlage 8 van deze toelichting. Een onderdeel van de zienswijze had betrekking op bezonning. Daarvoor is een bezonningstudie uitgevoerd als onderdeel van de Nota zienswijzen. De ingekomen zienswijze heeft geen aanleiding gegeven om het ontwerpbestemmingsplan te wijzigen.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 48/49

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 49/49

Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

Bijlage 2 Archeologisch onderzoek

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

Bijlage 3 AERIUS-berekening

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

Bijlage 4 Quickscan Wet natuurbescherming

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

Bijlage 5 Verslag omgevingsdialoog

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

Bijlage 6 Standaard Verantwoording Groepsrisico 2023 gemeente Roosendaal

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

Bijlage 7 Wateradvies

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

Bijlage 8 Nota zienswijzen

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1675/documents/42461