CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.1674.2160BEUKENSTRAAT3-0401_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 5 juni 2024, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5a: Voorstel 025 Vaststellen bestemmingsplan Beukenstraat 317.747 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan "Beukenstraat 3"

Gemeente Roosendaal NL.IMRO.1674.2160BEUKENSTRAAT3-0401

datum projectnummer

6 juni 2024 231130

Bestemmingsplan “Beukenstraat 3”

Aveco de Bondt BV Holten - Amstelveen - Breda - Eindhoven Nieuwegein Postbus 64, 7450 AB Holten

Gemeente Roosendaal

T +31 88 004 82 12 info@avecodebondt.nl www.avecodebondt.nl

Toelichting

project projectnummer projectleider

versie fase auteur

Beukenstraat 3 231130 Toby van Baast

4.0 Vastgesteld Wouter Lammers

paraaf

gecontroleerd

Toby van Baast MSc

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding Aanleiding en doel Begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

1 1 1 2 2

2 2.1 2.2 2.3 2.4

Gebiedsprofiel Inleiding Ontstaan kern Heerle Omgeving plangebied Plangebied

3 3 3 3 4

3 3.1 3.2 3.3

Projectprofiel Inleiding Planbeschrijving Verkeer en parkeren

6 6 6 8

4 4.1 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.4 4.4.1 4.4.2 4.4.3 4.4.4 4.4.5

Beleidskader Inleiding Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI), 2020 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro) Provinciaal beleid Structuurvisie Ruimtelijke Ordening – partiële herziening, 2014 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’, 2018 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Roosendaal “De verbonden stad” Woonagenda Roosendaal 2021 -2025 Woningbouwprogrammering 2023 Woonzorgvisie “Gezond wonen en leven in Roosendaal” (2021) Welstandsnota

9 9 9 9 10 11 12 12 13 14 19 19 21 22 22 23

5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.6.1 5.6.2 5.6.3 5.7 5.8

Planologisch relevante (milieu)aspecten Inleiding Bodem Waterhuishouding Cultuurhistorie Archeologie Ecologie Natuurgebieden Stikstof Flora en fauna Wegverkeerslawaai Bedrijven en milieuzonering

25 25 25 26 31 32 33 33 34 34 35 36

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

5.9 5.9.1 5.9.2 5.9.3 5.10 5.11 5.12

Externe veiligheid Inrichtingen en externe veiligheid Transport en externe veiligheid Buisleidingen en externe veiligheid Luchtkwaliteit Kabels en leidingen Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

38 38 39 40 40 42 42

6 6.1 6.2 6.3 6.3.1 6.3.2 6.3.3 6.3.4

Juridische plantoelichting Inleiding Opbouw van de regels Regels Hoofdstuk 1 ‘Inleidende regels’ Hoofdstuk 2 ‘Bestemmingsregels’ Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ Hoofdstuk 4 ‘Overgangs- en slotregels’

44 44 44 44 44 44 45 46

7 7.1 7.2 7.3

Economische uitvoerbaarheid Inleiding Toepassing Grondexploitatiewet Economische uitvoerbaarheid

47 47 47 47

8 8.1 8.2 8.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg Omgevingsdialoog Tervisielegging

48 48 48 48

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8

Verkennend bodemonderzoek Archeologisch onderzoek AERIUS-berekening Quickscan Wet natuurbescherming Verslag omgevingsdialoog Standaard Verantwoording Groepsrisico 2023 gemeente Roosendaal Wateradvies Nota zienswijzen

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

1

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel

Aanleiding JAWEL Bouw B.V. is voornemens om aan de Beukenstraat 3 in Heerle vijf aaneengebouwde, levensloopbestendige woningen te ontwikkelen. In het plangebied is momenteel een vrijstaand bedrijfsgebouw gesitueerd, een voormalig kantoor van de Rabobank met kluis. Er is nog een geldautomaat aanwezig. De gemeente Roosendaal heeft middels een intentieovereenkomst de bereidheid uitgesproken tot medewerking aan het wijzigen van de bestemming op de locatie ten behoeve van de woningbouwontwikkeling. Doel In alle opzichten is de realisatie van 5 aaneengebouwde woningen een waardevolle toevoeging aan de dorpskern Heerle. Ten eerste maakt het leegstaande bedrijfspand in een woongebied plaats voor woningen. Ten tweede past de nieuwe functie beter in de bestaande omgeving. Ten derde wordt met de levensloopbestendige woningen een deel van de woningbouwbehoefte op een inbreidingslocatie in bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Onderhavig plan motiveert of de ontwikkeling van de woningen aan de Beukenstraat 3 voldoet aan het principe van ‘een goede ruimtelijke ordening’. Algra & Marechal Architecten B.V. heeft een verkavelingsplan ten behoeve van het planvoornemen opgesteld, hetgeen in hoofdstuk 3 is opgenomen. De gewenste ontwikkeling van het plangebied ten behoeve van de functie wonen is niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan “Heerle”.

Derhalve dient een bestemmingsplan voor het plangebied opgesteld te worden, waarmee 5 aaneengebouwde, levensloopbestendige woningen mogelijk worden gemaakt. 1.2

Begrenzing plangebied

Het plangebied ligt centraal in het woongebied van de dorpskern Heerle. De locatie is kadastraal bekend als de gemeente Wouw, sectie K, perceelnummer 3211 en is circa 1.200 m2 groot. Het gebied wordt aan de oostzijde begrensd door de Beukenstraat, de zuidzijde door een groot grasveld en de overige zijden door woonerven.

Topografische kaart Heerle met plangebied aangeduid in rood (bron:www.topotijdreis.nl)

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

Kadastrale kaart met plangebied aangeduid in rood (bron:www.kadastralekaart.com)

P 1/49

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt bestemmingsplan “Heerle”, vastgesteld door de gemeenteraad op 29 mei 2013. In dit bestemmingsplan is de grond bestemd als ‘Gemengd – 3’. Binnen deze bestemming zijn gronden bestemd voor detailhandel, kantoren, dienstverlening, wonen op de verdieping en bijbehorende voorzieningen, zoals ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen, groen en water. Vanwege de bestemming ‘Gemengd – 3’ is het planvoornemen om 5 woningen te realiseren niet toegestaan. Om deze ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken dient derhalve een bestemmingsplan opgesteld te worden.

Uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan met aanduiding plangebied in rood (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt het gebiedsprofiel beschreven van de omgeving waarin het planvoornemen plaats gaat vinden. Allereerst wordt de kern Heerle toegelicht, waarna ingezoomd wordt op het huidige gebruik van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het projectprofiel van het planvoornemen toegelicht. In hoofdstuk 4 is het planvoornemen getoetst aan het beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 5 heeft betrekking op de planologische relevante (milieu)aspecten. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 de juridische vormgeving van het plan toegelicht. Tot slot komen in hoofdstuk 7 de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 8 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van de ontwikkeling aan de orde.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 2/49

2

Gebiedsprofiel

2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een integraal gebiedsprofiel gegeven van het plangebied en de directe omgeving. De kenmerken van de kern Roosendaal worden beschreven, waarna verder ingezoomd wordt op de huidige situatie binnen het plangebied. 2.2

Ontstaan kern Heerle

De vroegste vermelding van Heerle is van 1277 (Harella of Herellle), dat duidt op een klein bos op een zandige heuvelrug. De totstandkoming van het straatdorp met de kerk als centrum dateert pas uit de 19e eeuw. Heerle bestond tot de helft van de 20e eeuw voornamelijk uit een bebouwingslint aan de Herelsestraat met een smal profiel en gebouwen die merendeels direct aan de straat gesitueerd zijn. Oorspronkelijk heeft zich binnen deze kern geen dorpsplein ontwikkeld. Vanaf de jaren ’60 heeft het dorp zich vanuit dit lint verder ontwikkeld, met name in westelijke richting. Deze naoorlogse uitbreidingen zijn planmatig van opzet en de aanwezige voorzieningen en bedrijven zijn geconcentreerd gebleven in het historische lint. De uitbreidingen betroffen overwegend monofunctionele woongebieden en alleen het plangebied is hierop een uitzondering. In 1968 is hier het huidige kantoorgebouw gerealiseerd. 2.3

Situering plangebied in zwarte cirkel op topografische kaart van circa 1970 (bron: www.topotijdreis.nl)

Omgeving plangebied

Het plangebied ligt centraal in de dorpskern van Heerle dat, zoals alles buiten het bebouwingslint, vanaf de jaren ’60 geleidelijk als woongebied ontwikkeld is. Het betreft een groen woongebied met alleen grondgebonden woningen in diverse types en wordt vanaf de Herelsestraat ontsloten via de Olmenstraat, Ekelstraat en Torenbaan. De woningen zijn opgebouwd in één tot twee bouwlagen met kap, hebben een dorpse uitstraling en zijn gesitueerd in een open straatbeeld. Centraal in het woongebied bevindt zich een ruim groen (speel)veld dat omkaderd wordt door bomen en waarop woningen georiënteerd zijn. Het veld heeft een open karakter door het strak gemaaide gazon met centraal een tafeltennistafel en in het zuidoosten een omheinde nutsvoorziening.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 3/49

Het plangebied grenst direct aan het grasveld en wordt tezamen met de aangrenzende woonpercelen omsloten door de Beukenstraat, Torenbaan en Lindestraat. Op deze aangrenzende percelen zijn twee-onder-één-kap woningen en één vrijstaande woning gesitueerd, allen opgebouwd in één bouwlaag met kap.

Luchtfoto omgeving met plangebied aangeduid in rood (bron: Cyclomedia 2022)

2.4

Plangebied

Centraal op het perceel staat een kantoorgebouw, gebouwd in 1968 en circa 200 m2 groot. In het verleden was hier een Rabobank gevestigd tot dat het pand in gebruik werd genomen door een bloemenzaak. De pinautomaat op de hoek is nog in gebruik. In de huidige situatie is sprake van leegstand om dat het pand niet in gebruik is. Het gebouw is circa 4 meter hoog, heeft een plat dak en zowel de entree als de pinautomaat zijn overkapt. De gevels bestaan uit wit geverfd metselwerk met plaatwerk in het bovenste deel. Het plangebied is circa 1.200 m2 groot en toegankelijk vanaf de Beukenstraat. Voor voetgangers is er een voetpad naar de entree van het gebouw en voor auto’s een inrit met vier haakse parkeerplaatsen aan de linkerzijde. De pinautomaat is via een voetpad vanuit beide richtingen bereikbaar. Verder is het perceel groen ingericht met gras, beplanting en bomen en ook de erfafscheidingen zijn groen. Aan de zuidzijde grenst het perceel aan het groene veld. Het wordt door bomen en beplanting hiervan afgeschermd.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 4/49

Plangebied in vogelvlucht vanuit het zuiden (bron: Cyclomedia 2022)

Huidige bebouwing in het plangebied (bron: Cyclomedia 2021)

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

Situering van het plangebied aan het park (bron: Cyclomedia 2021)

P 5/49

3

Projectprofiel

3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de ruimtelijke opzet en het programma van voorliggende ontwikkeling van 5 aaneengebouwde woningen. Daarvoor heeft Algra & Marechal Architecten B.V. een verkavelingsplan opgesteld. De stedenbouwkundige structuur van het plangebied en verschijningsvorm van de woningen worden in dit hoofdstuk nader toegelicht, alsmede het aspect verkeer en parkeren, dat nader getoetst wordt aan het ruimtelijke beleid van de gemeente. 3.2

Planbeschrijving

Het planvoornemen betreft de ontwikkeling van 5 aaneengebouwde, levensloopbestendige woningen in het plangebied. De woningen zijn opgebouwd in één bouwlaag met kap en circa 13 meter diep. Omdat de slaap- en badkamer ook op de begane grond gesitueerd zijn, is het achterste deel van de begane grond voorzien van een plat dak. Naast een achtertuin hebben de hoekwoningen ook een zijerf. De woningen worden georiënteerd op het groene veld, zoals aan de andere zijden van het veld. De hoekwoning heeft een meerzijdige oriëntatie en is door de kapvorm, erker en raamopeningen ook op de Beukenstraat gericht. De verschijningsvorm van de woningen is dorps en eigentijds, waarmee aangesloten wordt op de uitstraling van Heerle en de directe omgeving. De gevels van de woningen worden bedekt met metselwerk in de kleur ‘Arte gesinterd WF’. De kozijnen, ramen en voordeuren bestaan uit een houtconstructie. De mastgoten en het hemelwaterafvoer worden gerealiseerd met zink. De dakbedekking betreft een antraciet keramisch materiaal. Het plangebied wordt, net als in de huidige situatie, ontsloten vanaf de Beukenstraat met een inrit binnen het plangebied. Langs deze inrit worden haaks 10 parkeerplaatsen gesitueerd. Deze grenzen direct aan het groene veld en een rij bomen.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 6/49

Situering vijf aaneengebouwde woningen (bron: Algra & Marechal Architecten B.V.)

Gevelbeelden en doorsnede (bron: Algra & Marechal Architecten B.V.)

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 7/49

3.3

Verkeer en parkeren

Verkeer De realisatie van de vijf woningen leidt op basis van de CROW publicatie 381, ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie met als uitgangspunten ‘koophuis, tussen/hoek’ gelegen in ‘rest bebouwde kom’ in een weinig stedelijk gebied worst case tot ongeveer 39 voertuigbewegingen per etmaal (norm is 7,8 mvt/etmaal worst-case). De Beukenstraat kan aangemerkt worden als weg voor bestemmingsverkeer en deze heeft voldoende capaciteit om het verkeer af te wikkelen. In de huidige situatie is sprake van een gemengde bestemming. Binnen deze bestemming zijn gronden bestemd voor detailhandel, kantoren, dienstverlening, wonen op de verdieping en bijbehorende voorzieningen, zoals ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen, groen en water. De verkeersgeneratie van deze functie komt met deze ontwikkeling te vervallen. In de werkelijkheid zal daardoor geen of nauwelijks sprake zijn van een toename van de verkeersgeneratie ten opzichte van de voorgaande situatie. Parkeren Met de inwerkingtreding van de “Reparatiewet BZK” op 29 november 2014 is het verplicht om het parkeren te reguleren middels de bestemmingsregeling. In de bestemmingsregeling kan worden opgenomen dat bij aanvraag om omgevingsvergunning (voor het bouwen en/of afwijken) dient te worden aangetoond dat wordt voldaan aan de van toepassing zijnde parkeernormen.

In het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ dient echter al bij vaststelling van een bestemmingsplan inzichtelijk te worden gemaakt dat redelijkerwijs in de aldus benodigde parkeerplaatsen feitelijk duurzaam kan worden voorzien (ECLI:NL:RVS:2017:1036, r.o. 5.3). Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de geldende ‘Nota Parkeernormen’, vastgesteld in december 2011 door de gemeenteraad. De parkeernormen van Roosendaal zijn gebaseerd op de gemiddelde parkeerkencijfers van het CROW. Binnen het plangebied worden koopwoningen van een middenklasse gerealiseerd. Daarvoor geldt een parkeernorm van 1,8 per woning, waarmee het benodigde aantal parkeerplaatsen uitkomt op 9. In een worst-case benadering behoren de toekomstige woningen tot de hoge prijsklasse. Daarvoor geldt een parkeernorm van 2 per woning, waarmee het benodigde aantal parkeerplaatsen uitkomt op 10. In de stedenbouwkundige opzet zijn 10 parkeerplaatsen aanwezig. In de regels is opgenomen dat bij een aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen dient te worden voldaan aan de parkeernormen van de gemeente Roosendaal. Conclusie Het initiatief leidt niet tot overbelasting van bestaande wegen en voldoet aan de gemeentelijke parkeernormen.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 8/49

4

Beleidskader

4.1 Inleiding De gemeente Roosendaal heeft te maken met de vigerende beleidskaders van de landelijke en provinciale overheid; ontwikkelingen dienen te voldoen aan dit beleid. Daarnaast dient de voorgenomen ontwikkeling zich eveneens te voegen binnen de marges van het gemeentelijke beleid. Het ruimtelijk beleid van de drie voorgenoemde overheden is per overheidslaag neergelegd in één of meerdere zogenoemde structuurvisies. Voor de realisatie van het beleid zetten de verschillende overheden een mix van instrumenten in; één van die instrumenten betreft het vertalen van het beleid uit de structuurvisie naar een juridisch bindende verordening. Hieronder zijn de voor dit plan relevante structuurvisies en verordeningen per overheidslaag weergegeven en wordt getoetst of de onderhavige ontwikkeling passend is binnen het beleid. 4.2 Rijksbeleid 4.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI), 2020 Toetsingskader Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De Nationale Omgevingsvisie vervangt integraal de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Tegelijkertijd met het vervallen van de SVIR vervalt ook het Nationaal Milieubeleidsplan. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen in de komende jaren. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving.

Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Beoordeling De NOVI dient op regionaal niveau uitgewerkt te worden zodat een gebiedsgerichte aanpak en maatwerk mogelijk zijn.

Deze uitwerking heeft nog niet plaatsgevonden en is bovendien op een schaalniveau die het onderhavig plangebied overstijgt. Conclusie Het planvoornemen past binnen het rijksbeleid.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 9/49

4.2.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012 Toetsingskader Het Rijk heeft voor een beperkt aantal onderwerpen vastgesteld dat de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Deze kaderstellende uitspraken zijn zodanig geformuleerd dat deze beperkingen stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld.

Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Beoordeling Op 1 juli 2016 is een wijziging van het Rarro (periodieke actualisatie en herstel van enkele gebreken 6 e wijziging) in werking getreden. Volgens de kaarten behorende bij het Rarro is het plangebied gelegen binnen het radarverstoringsgebied van het radarstation op de locatie Herwijnen en Woensdrecht. In een gebied rondom deze radarstations moet rekening worden gehouden met de functionele bruikbaarheid daarvan. In het radarverstoringsgebied van het radarstation op de locatie Herwijnen is de maximale hoogte van windturbines gesteld op 90 meter ten opzichte van NAP. Met betrekking tot het radarverstoringsgebied van Woensdrecht geldt ter hoogte van Roosendaal (gelegen op circa 12 kilometer van het radarstation) een maximale bouwhoogte van 80 meter voor alle bouwwerken. In het onderhavige plan worden geen windturbines of bouwwerken met een dergelijke hoogte mogelijk gemaakt.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 10/49

Ligging van het plangebied, aangeduid met rode ster, binnen het radarverstoringsgebied van vliegbasis Woensdrecht (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkeling passend is binnen de regels zoals gesteld in het Barro en het Rarro. 4.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro) Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dit artikel bevat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat ‘de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren.

Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden. Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uiteen worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 11/49

Beoordeling Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. 1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? 2. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? 3. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? 4. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? 5. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? 1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt.

Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Het onderhavige bestemmingsplan maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van vijf woningen mogelijk. De ontwikkeling is gelet op de kleinschalige omvang niet als ‘stedelijke ontwikkeling’ te classificeren. Conclusie De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ behoeft niet te worden doorlopen. 4.3

Provinciaal beleid

4.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening – partiële herziening, 2014 Toetsingskader De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 (SVRO 2014) betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en is in werking getreden op 19 maart 2014. Deze structuurvisie geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 weer (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. De genoemde visie in de partiële herziening is verder vertaald in de regels van de Verordening ruimte 2014. Daarnaast ondersteunt de structuurvisie het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch-, mobiliteits-, sociaal-, cultureel-, milieu- en natuurbeleid. Het doel dat centraal staat in de SVRO is een goede woon-, werk- en leefomgeving voor inwoners en bedrijven in Noord-Brabant. Beoordeling Op de structurenkaart van de SVRO 2014 is het plangebied gelegen binnen de structuur ‘Stedelijke structuur’ met als perspectief ‘Kernen in het landelijk gebied’. De provincie onderscheidt binnen de stedelijke structuur de kernen in het landelijk gebied.

De kernen in het landelijk gebied voorzien in beginsel in de opvang van de lokale verstedelijkingsbehoefte. De kernen in NoordBrabant hebben elk hun eigen karakter en relatie met het Brabantse landschap. Grote kernen hebben hun dorpse karakter grotendeels verloren en hebben een suburbaan karakter ontwikkeld. De kleinere kernen maken meer

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 12/49

deel uit van het omliggende landschap en hebben nog een natuurlijke overgang richting het landschap. Dit verschil in ontwikkeling heeft geleid tot de meer suburbane kernen, de dorpen en de plattelandskernen. De provincie vindt het belangrijk dat stedelijke ontwikkelingen passen qua maat en schaal bij de kern. De ontwerpopgave hangt daarnaast samen met de historische gegroeide identiteit van de kern en omliggend landschap en met de fase van verstedelijking van de kern (suburbaan, dorps of plattelandskern). Met voorliggend planvoornemen worden per saldo vijf extra woningen planologisch mogelijk gemaakt binnen de stedelijke structuur van Heerle. Het plan draagt, gezien de ligging van het plangebied, bij aan de concentratie van verstedelijking binnen de bestaande stedelijke structuur. Hierbij wordt voldaan aan het beleid van de provincie dat gericht is op inbreiden en herstructureren. Conclusie De gewenste ontwikkeling is passend binnen de provinciale structuurvisie. 4.3.2 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’, 2018 Toetsingskader De Omgevingsvisie Noord-Brabant 'De Kwaliteit van Brabant, Visie op de Brabantse leefomgeving', is vastgesteld door Provinciale Staten op 14 december 2018. Aan de hand van de Omgevingsvisie geven Provinciale Staten aan wat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren zijn.

De Omgevingsvisie geldt als opvolger van de strategische elementen van eerdere provinciale plannen, zoals de structuurvisie, het verkeersen vervoersplan, het milieu-en waterplan en de natuurvisie. Voor wat betreft sectorale beleidsdoelen blijven de huidige plannen, waaronder de SVRO, vooralsnog gelden. In de aankomende Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor elk van deze opgaven geeft de Omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn, te weten wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn. Ook is een concreet tussendoel geformuleerd voor het jaar 2030, om zo te kijken wat in dat jaar minimaal bereikt moet zijn om het lange termijndoel te kunnen halen. De Omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Het bereiken van een gezonde leefomgeving is essentieel. Om die doelstelling kracht bij te zetten wordt de Brabantse Omgevingsscan vanaf de vaststelling van de Omgevingsvisie geïmplementeerd in de nieuwe werkwijze onder de Omgevingswet.

Deze omgevingsscan is een instrument om invulling te geven aan de positie van gezondheid in de nieuwe bestuurspraktijk onder de Omgevingswet. Beoordeling Met de omgevingsvisie kiest de provincie er voor om haar rol te veranderen. Waar zij eerst concreet richting en sturing gaf aan de hand van min of meer concrete regels en uitgangspunten, gaat het nu meer om het beoordelen van initiatieven in ruimer verband en gericht op het behalen van doelen voor de leefomgeving waarbij een belangrijke rol voor de gemeente is weggelegd. Het voorliggend initiatief betreft de realisatie van 5 levensloopbestendige woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Hiermee wordt gebouwd binnen de bestaande bebouwde kom van Heerle, waardoor uitbreiding van Heerle wordt voorkomen en het plan toch op kwalitatieve en duurzame wijze bijdraagt aan de woningbehoefte in de gemeente Roosendaal. Het planvoornemen is daarmee passend binnen de kernwaarden en ambities van de Omgevingsvisie. Conclusie Het onderhavige plan is passend binnen de in de Omgevingsvisie Noord-Brabant gestelde doelen.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 13/49

4.3.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma’s en waarden worden beschermd via een de omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de nieuwe Interim omgevingsverordening NoordBrabant (Iov N-B) vastgesteld. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet per 2024 ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening ruimte Noord-Brabant. De regels zijn eenvoudiger opgeschreven en omgezet naar een nieuw digitaal systeem, met een meer gebruiksvriendelijke opbouw. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie ook een eerste stap om de regels beter te laten aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening zorgt ervoor dat de provincie en partijen waar ze mee samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze.

Waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen. Beoordeling Voorliggend plangebied is binnen de Interim omgevingsverordening gelegen binnen het ‘Stedelijk gebied’. Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de Omgevingsverordening. Ten eerste moet worden voldaan aan de regels voor ontwikkeling binnen het ‘Stedelijk gebied’. Daarnaast moet worden voldaan aan de algemene regels voor de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit van de ruimtelijke kwaliteit. De toetsing wordt hierna uitgevoerd.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 14/49

Uitsnede van de kaart ‘Stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ uit de Interim Omgevingsverordening met aanduiding plangebied met gele ster (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

Artikel 3.42: Duurzame stedelijke ontwikkeling Toetsingskader Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 15/49

d. e. f.

houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie.

Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft het planologisch toevoegen van woningen in het bestaand stedelijk gebied van Heerle. De nieuwbouw van woningen is toegestaan binnen het Stedelijk gebied als bepaald in artikel 3.42 Iov, mits passend binnen de bouwafspraken zoals deze op regionaal niveau zijn bepaald mits de beoogde woningbouw zich verhoudt tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw. De behoefte aan woningen worden in de regio West (van West-Brabant) bepaald aan de hand van het ‘Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West 2019’. Hierin stemt de gemeente Roosendaal het woningbouwprogramma in regionaal verband af met andere gemeenten in de regio West-Brabant West.

Woningbehoefteprognose gemeente Roosendaal. Bron: ‘Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West 2022’.

De gemeente Roosendaal heeft een benodigde capaciteit van 2.890 woningen. De totale programmering betreft 2.600 woningen, waarvan een harde capaciteit van 1.130 woningen. Onderhavig plan behelst de realisatie van vijf woningen. De actuele prognose biedt ruimte voor nieuwe initiatieven. De gemeente kiest zowel voor inbreiding als voor uitbreiding. Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de verordening. Er moet ten eerste getoetst worden aan de geldende regels voor de opgenomen structuren en aanduidingen. Voor het overige moet getoetst worden aan de algemene regels voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. Navolgend wordt deze toetsing uitgevoerd. In voorgaande jaren is met het woningbouwprogramma gekeken naar inbreidingslocaties. Naar de toekomst toe wordt ook rekening gehouden met uitbreiding. Voorgenomen ontwikkeling betreft voorts een ‘duurzame stedelijke ontwikkeling’: de ontwikkeling bevordert zorgvuldig ruimtegebruik door gebruikmaking van een inbreidingslocatie. Tevens bevordert het plan een gezonde

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 16/49

leefomgeving door woningen te realiseren op korte afstand van de kern van Heerle, alwaar voorzieningen per fiets te bereiken zijn. Tot slot wordt de mogelijkheid tot productie en gebruik van duurzame energie niet belemmerd. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden in artikel 3.42 Iov. Artikel 3.5 t/m 3.8: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Toetsingskader In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (paragraaf 3.1.2 Iov) is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie. Ad a) Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6): 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a.

de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1) nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2) er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. 2. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel. Ad b) Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7): 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. 2. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c.

de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. 3. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Ad c) Meerwaarderecreatie (artikel 3.8): 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat;

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 17/49

b. 2.

de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.

Beoordeling Voorwaarden ad a: a. De toedeling van functies dient in beginsel plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Het onderhavig initiatief vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied waar reeds bebouwing is toegestaan. Er is dus sprake van zorgvuldig ruimtebeslag. b. Bij een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De laddertoets is uitgevoerd in paragraaf 4.2.3. c. Gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanenten voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De begrenzing van het beoogde bouwvlak is zodanig afgestemd dat hieraan toepassing wordt gegeven. Voorwaarden ad b: a. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond. In hoofdstuk 5 van onderhavige toelichting wordt ingegaan op deze effecten. b. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de netwerklaag. Voor onderhavig initiatief behoeft geen nieuwe infrastructuur te worden aangelegd. Voor het overige heeft het planvoornemen geen effect op een natuurnetwerk, het energienetwerk en waterwegen. De afwikkeling van het verkeer is beschreven in hoofdstuk 3. c. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de bovenste laag. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 5. Er wordt geen effect verwacht op de bovenste laag.

Voorwaarden ad c: Er dient rekening te worden gehouden met meerwaardecreatie. Hiervoor geldt dat met onderhavig initiatief invulling wordt gegeven aan kwaliteitsverbetering door een herontwikkeling op een locatie met daarop verouderde bebouwing. Met onderhavig initiatief worden woningen mogelijk gemaakt binnen bestaand stedelijk gebied. Het initiatief past binnen de omgeving en het gebied krijgt een nieuwe kwaliteitsimpuls. Daarnaast vindt er meerwaardecreatie plaats door zowel kwantitatief als kwalitatief te voorzien in toereikende woningtypes. Conclusie Er wordt invulling gegeven aan een goede omgevingskwaliteit.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 18/49

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1 Omgevingsvisie Roosendaal “De verbonden stad” Toetsingskader De omgevingsvisie Roosendaal “De verbonden stad” is op 1 december 2022 vastgesteld door de gemeenteraad van Roosendaal. Roosendaal heeft de ambitie zich tot 2030 verder te ontwikkelen als een ‘verbonden stad‘. Daaronder verstaat de gemeente: een gemeente waarbinnen stad en dorpen met elkaar verbonden zijn. Een gemeente waar inwoners zich verbonden voelen met elkaar en met hun leefomgeving. Roosendaal ontleent ook haar kracht aan de verbondenheid met omliggende gemeenten in de regio, met de Brabantse stedenrij en met de metropolen Rotterdam, Antwerpen en Brainport Eindhoven. Deze verbondenheid is al eeuwen de stuwende motor achter de ontwikkeling van de gemeente Roosendaal en zorgt ervoor dat voor inwoners een scala aan kwalitatieve voorzieningen én werkgelegenheid binnen handbereik ligt. Voor bedrijven zijn internationale afzetmarkten goed bereikbaar. Bij het realiseren van deze ambitie hanteert de gemeente drie leidende principes: 1. Stad en dorpen van de menselijke maat In de toekomst is goed wonen een onderscheidende kwaliteit van de gemeente. Roosendaal is een aantrekkelijke en gezonde woongemeente voor haar inwoners, in al hun diversiteit, met veel ruimte voor ontmoeting en oog voor het individu.

De woonwijken en dorpen zijn ruim van opzet, gezond, groen, rustig, veilig en hebben ieder een eigen sfeer en identiteit. 2. Balans tussen mens en natuur Roosendaal kent in 2030 meer groen in de stad, en meer stad in het groen. Wandelaars en fietsers krijgen meer ruimte, er komen meer groene verbindingen binnen de stad en de dorpen, en naar het buitengebied. Bodem, oppervlakte en lucht zijn schoon, en de leefomgeving kent een grote biodiversiteit. In de toekomst is Roosendaal klimaatadaptief. Er is een goede balans tussen het bebouwde gebied, landbouw, natuur en recreatie. 3. Ruimte voor talent en ondernemerschap Roosendaal huisvest nu en in de toekomst bedrijven die sterk zijn in het opschalen van innovaties. De beroepsbevolking is opgeleid voor een plaats op de arbeidsmarkt in sectoren die perspectief bieden. Bedrijven, mbo+ en hbo werken samen aan goed hierbij passende opleidingen in de zorg, techniek, logistiek en vrijetijdseconomie. Roosendaal is hiermee een belangrijke schakel in een rij van sterke steden en in een regio die gericht is op vernieuwend ondernemerschap.

Een analyse van de ontwikkeling en huidige situatie van de gemeente Roosendaal, de trends en ontwikkelingen, in combinatie met de geformuleerde ambitie voor de toekomst en leidende principes, leidt tot een drietal overkoepelende opgaven voor de gemeente: Opgave 1: Inspelen op extra groei Roosendaal kiest ervoor om niet alleen de autonome groei te accommoderen, maar om ook ruimte te bieden aan nieuwe inwoners uit de Randstad die zich hier willen vestigen. Een ander belangrijk element is dat we ruimte bieden voor het versterken van de West-Brabantse economie, inclusief een daar goed op aansluitend onderwijs. Dat doen we als onderdeel van de Sterke Steden, wat inhoudt dat Roosendaal inzet op het versterken van de bestaande kwaliteiten, als complementaire stad in de WestBrabantse stedenrij. De keuze brengt met zich mee dat we de lijn van de complete en compacte stad loslaten, en behalve bouwen en herontwikkelen in de bestaande stad ook kijken naar uitbreidingen in de stadrandzones. Daarnaast benutten we ruimte in het buitengebied om kleinschalig woon-, zorg- en recreatiefuncties in te passen.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 19/49

Opgave 2: Inzetten op klimaatmaatregelen en positieve gezondheid Meer groen in de stad, meer stad in het groen. Roosendaal kiest voor het creëren van ruimte in de stad door het autogebruik terug te dringen: hoe dichter bij de binnenstad, hoe minder ruimte voor de auto. Bij nieuwbouw in de stad wordt gekozen voor hoogbouw, om zo ruimte te scheppen voor ontmoetingsruimtes, groen en blauw. In het buitengebied kiest de gemeente voor duurzame landbouw en voor meer natuur. Dat wordt de komende jaren met alle belanghebbenden uitgewerkt, waarbij ook ruimte wordt geboden voor nieuwe verdienmodellen door agrariërs, zodat de rekening van deze omslag niet bij hen wordt gelegd. Opgave 3: Werken aan een inclusieve stad Terugdringen van de groeiende tweedeling tussen ‘goede’ en ‘aandachts’-wijken, tussen arm en rijk, het bieden van perspectief aan de jeugd, aanpakken ondermijning en zorgen voor een veilige leefomgeving. Veel van de opgaven hebben meer betrekking op sociaal, economisch of veiligheidsbeleid, en maar beperkt op fysieke onderwerpen die in deze omgevingsvisie worden uitgewerkt. Maar bij alle fysieke ingrepen die de gemeente doet, wordt rekening gehouden met het effect op de inclusieve samenleving. De hoofdambitie, de leidende principes en de opgaven zijn thematisch vertaald naar de deelopgaven: Ruimte, Natuur en milieu, Sociaal, en Verkeer en mobiliteit.

Op die manier wordt duidelijk hoe de hoofdlijnen van beleid doorwerken in deze thema’s die een directe invloed hebben op de fysieke leefomgeving. De thema’s gelden in principe voor geheel Roosendaal, voor zowel de stad, de dorpen als het buitengebied. Om meer sturing te geven aan de concrete opgaven zijn deze daarna vertaald in een koers per deelgebied. Als deelgebieden zijn daarbij te onderscheiden: de (sterke) stad, de stadrandzones en het vitale platteland (de dorpen en het buitengebied).

Thema’s in de fysieke leefomgeving

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 20/49

Beoordeling Onder het subthema wonen is ‘een gedifferentieerde woningvoorraad passend bij de woonbehoefte’ beschreven als één van de opgaves. Roosendaal wil een duurzame woningvoorraad die past bij de woonbehoefte: voldoende woningen, passend bij de bevolkings- en huishoudensamenstelling en de inkomens van inwoners. De vraag naar woningen voor eenpersoonshuishoudens neemt nog steeds toe. De gemeente wil starters ondersteunen bij het kopen van een woning, ouderen bij het ‘senior-proof’ maken, maar ook bij het doorstromen naar andere – kleinere, zorggeschiktere woningen en alle inwoners bij het verduurzamen van woningen. Daarnaast wil de gemeente ‘werken aan aantrekkelijke woonmilieus voor alle doelgroepen en veranderende wensen en leefvormen’. De gemeente Roosendaal wil dat voor elke inwoner een passende woning beschikbaar is. Passend bij leefstijl, inkomen, leeftijd, gebruik van voorzieningen en waar nodig passend bij de zorgbehoefte. Voor senioren of voor mensen met ‘zorg-achtergrond’ geldt dat het belangrijk is om het mogelijk te maken om langer te blijven wonen in een eigen omgeving. Voorliggend initiatief betreft het realiseren van levensloopbestendige woningen en sluit daarmee dus aan op de doelstellingen van de omgevingsvisie Roosendaal “De verbonden stad”. Conclusie Het plangebied sluit aan op de opgaves zoals benoemd in de omgevingsvisie Roosendaal ‘De verbonden stad’.

4.4.2 Woonagenda Roosendaal 2021 -2025 Toetsingskader In de Woonagenda 2021-2025 wordt de ingezette koers vanuit de woonagenda 2015 voortgezet. Tegelijkertijd is duidelijk dat de gemeente door de huidige trends en ontwikkelingen op de woningmarkt, voor andere opgaven staat. In 2015 was het door de economische recessie een uitdaging om de woningbouw weer op gang te brengen en waren de doelstellingen in de woonagenda vooral daarop gericht. Sinds 2015 zijn er in Roosendaal ruim 1200 woningen opgeleverd in de vorm van diverse projecten van hoge kwalitatieve waarde. Stedelijke transformatie staat hoog in het vaandel. Er staan ook de komende jaren diverse (grote) projecten op stapel. Anno nu heeft de woningmarkt te maken met nieuwe, belangrijke opgaven. Deze ontwikkelingen zijn niet echt “Roosendaals” maar vragen wel om een lokale oplossing, vaak in nauwe samenwerking met betrokken partners. Volgens de provinciale prognoses is er in Noord-Brabant tot 2050 een enorme groei van het aantal één- en tweepersoonshuishoudens te verwachten. De groei van kleine huishoudens is het gevolg van het toenemend aantal oudere alleenstaanden en de individualisering van de samenleving. Tegelijkertijd moet geconstateerd worden dat het voor starters lastig is om hun intrede te doen op de woningmarkt.

Het gemeentelijk beleid is erop gericht Roosendaalse inwoners in elke levensfase de mogelijkheid te geven, te kunnen verhuizen naar een type woning, passend bij hun woonwens en bestedingsmogelijkheden. De gemeente kan hier samen met andere partijen een bijdrage aan leveren, door goed te overwegen welke nieuwbouwplannen welke verhuisbewegingen op gang brengen en dus vraag en aanbod uiteindelijk beter op elkaar aan te laten sluiten. Geconstateerd moet worden dat de leefbaarheid van enkele wijken en buurten op dit moment onder druk staat en dat er een forse duurzaamheidsopgave ligt. Zoals in de vorige woonagenda is aangegeven gaat het om een continu proces van verbetering van het woon- en leefklimaat en zijn concrete resultaten hiervan afhankelijk van een brede integrale aanpak.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 21/49

Beoordeling Onderhavig initiatief betreft de revitalisatie van een binnenstedelijke locatie met de realisatie van vijf nieuwe aaneengesloten levensloopbestendige woningen. De woningen worden gerealiseerd binnen de bestaande stedelijke contouren (inbreidingslocatie). Het initiatief is relatief kleinschalig van aard en sluit aan op de bestaande woningen aan de Beukenstraat. Een leegstaand pand wordt gesloopt en vervangen door duurzame woningen. Hierdoor is er sprake van duurzaam ruimtegebruik. Met de realisatie van vijf levensloopbestendige woningen wordt voorzien in de kwalitatieve vraag naar een duurzame woningvoorraad. Gegeven de demografische ontwikkeling is er een toenemende vraag van de doelgroep ouderen naar levensloop- en zorggeschikte woningen. Daarnaast is de omvang van het plan dermate klein dat het overige initiatieven binnen de gemeente niet in de weg staat. Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de uitgangspunten van de Woonagenda 2021-2025. 4.4.3 Woningbouwprogrammering 2023 Toetsingskader De woningbouwprogrammering 2023 geeft aan met welke nieuwbouwontwikkelingen er in de komende jaren een bijdrage wordt geleverd aan een evenwichtige en toekomstbestendige woningmarkt van de gemeente Roosendaal, en is één van de actiepunten uit de Woonagenda 2021-2025.

Volgens de woningbehoefteprognoses van de provincie uit 2020, zal de komende jaren in de gemeente Roosendaal behoefte zijn aan 39.275 woningen (peildatum 1-1-2020). Dit prognosecijfer wordt betrokken bij het opstellen van het Roosendaalse nieuwbouwprogramma. Daarnaast is de huidige woningvoorraad nog onvoldoende toegerust op de behoefte van ouderen. Bovendien vraagt het langer thuis wonen van ouderen ook om toegankelijke zorg en voorzieningen in de directe woonomgeving. Ouderen van nu en in de toekomst zullen steeds langer zelfstandig thuis wonen. Beoordeling Onderhavig initiatief betreft de realisatie van 5 levensloopbestendige woningen binnen het stedelijk gebied van de kern Heerle. Dit zorgt voor meer mogelijkheden voor ouderen om langer in de eigen omgeving te blijven wonen en nabij de voorzieningen van het dorp Heerle. Conclusie Het planvoornemen past bij de wensen van de gemeente Roosendaal. 4.4.4 Woonzorgvisie “Gezond wonen en leven in Roosendaal” (2021) Toetsingskader In de woonzorgvisie wordt geschetst hoe de gemeente Roosendaal ervoor gaat zorgen dat de inwoners van de gemeente gezond kunnen wonen en leven en hoe zij oud kunnen worden in een geschikt huis. Hierbij wordt richting gegeven aan de toekomst op het gebied van wonen en zorg in Roosendaal.

De voorspelling is dat er te weinig beschikbare geschikte woningen zullen zijn voor kwetsbare inwoners terwijl de zorgvraag zal stijgen. Dit terwijl er ook steeds minder zorgmedewerkers zullen zijn om deze zorgvraag te kunnen beantwoorden. De gemeente wil een geschikt woonaanbod voor alle Roosendalers creëren. Het aanbod van woningen voor ouderen moet zich ontwikkelen. De gemeente wil dat de inwoners een zinvol leven leiden. Daarbij gaan ze er van uit dat eigen regie op je leven essentieel is om je goed te kunnen voelen.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 22/49

De gemeente hanteert de volgende speerpunten: 1. We bouwen en ontwikkelen voor een toekomst waarin mensen gezond oud kunnen wonen en leven in een passende omgeving. 2. We gaan uit van positieve gezondheid. 3. We bouwen voor ontmoeting. 4. We zetten verder in op het investeren in voorliggend veld. 5. We stimuleren digitalisering en innovatie. 6. We zetten in op voldoende geschikte zorgmedewerkers 7. Samenwerking op het gebied van wonen, zorg en welzijn wordt verstevigd Beoordeling Voorliggend initiatief betreft de realisatie van vijf levensloopbestendige woningen binnen bestaand stedelijk gebied in de kern Heerle. Hierdoor wordt een bijdrage geleverd aan de behoefte voor geschikte woningen voor kwetsbare inwoners en ouderen. Conclusie Het planvoornemen past binnen de speerpunten van de woonzorgvisie van de gemeente Roosendaal. 4.4.5 Welstandsnota Toetsingskader De welstandsnota Roosendaal 2012 bevat het toe te passen kader voor de welstandstoets bij aanvragen omgevingsvergunning. Door het herzien van de welstandsnota wordt de gebruiksvriendelijkheid voor de gebruiker (burgers, bedrijven en behandelaars) verbeterd. Het bestuur gaat in de nieuwe nota en het daarin omschreven beleid uit van een grotere eigen verantwoordelijkheid van de burger, die voldoende ruimte moet krijgen voor eigen initiatief.

In de nieuwe nota wordt een groot deel van de gemeente minimaal getoetst op welstand. Het doel is in deze gebieden slechts het voorkomen van excessen. Tegelijkertijd leeft de wens enige grip te houden op de gebieden (en routes) die het gezicht van de gemeente bepalen en/of een cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen. In de herziening zijn de criteria voor de kleine bouwwerken vereenvoudigd, waar mogelijk samengevoegd en waar nodig aangepast aan de wettelijke (vergunningsvrije) mogelijkheden.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 23/49

Beoordeling Het plangebied ligt in een ‘soepel’ welstandsgebied. Aan de hand van de gebiedsgerichte welstandscriteria kan bekeken worden wat redelijkerwijs verwacht kan worden van een nieuw gebouw. Voor ‘soepele’ welstandsgebieden worden deze criteria wat ruimhartiger geïnterpreteerd, in ‘gewone’ en ‘bijzondere’ gebieden juist wat preciezer. In soepele gebieden wordt ruimte geboden voor vernieuwing en experimenten. De lichte toetsing beperkt zich tot de voorkant van gebouwen en bouwwerken. Bij nieuwbouw zal per project worden bekeken of en zo ja, in welke mate welstand wenselijk is.

Uitsnede niveaukaart welstandsnota (bron: Welstandsnota Roosendaal, 2008)

Conclusie Ten tijde van een concrete bouwaanvraag wordt beoordeeld of het bouwplan past binnen de redelijke eisen van welstand.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 24/49

5

Planologisch relevante (milieu)aspecten

5.1

Inleiding

Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: • bodem; • waterhuishouding; • cultuurhistorie; • archeologie; • ecologie; • akoestiek; • bedrijven en milieuzonering; • externe veiligheid; • luchtkwaliteit; • kabels en leidingen; • milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling. 5.2

Bodem

Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. Beoordeling Voor de realisatie van onderhavig planvoornemen is door Econsultancy op 6 juli 2023 een verkennend bodemonderzoek afgerond. Het onderzoeksrapport is opgenomen in de bijlage.

Het verkennend bodemonderzoek heeft tot doel met een relatief geringe onderzoeksinspanning vast te stellen of op de onderzoekslocatie een grond- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is, teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de bestemmingsplanwijziging en de realisatie van de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie.

datum referentie

6 juni 2024 231130_AdB_RAP_0001_v4.0

P 25/49

Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. De zintuiglijk schone bovengrond is licht verontreinigd met PAK. In de zintuiglijk schone ondergrond en het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Conclusie De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" kan worden beschouwd, wordt verworpen op basis van de lichte PAK-verontreiniging in de bovengrond. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplan wijziging en nieuwbouw op de onderzoekslocatie. 5.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1675/documents/42461