Fatimakerk Roosendaal_Toelichting.pdf
Tekst van het document
Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop
34/60
volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied (zie figuur 4.1). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Brabantse Wal' op circa 8,7 km ten zuidwesten van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De gevolgen voor verzuring en vermesting zijn niet op voorhand uit te sluiten daarom is onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie.
De memo met uitgangspunten, uitkomst en berekeningen is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. Uit de Aerius-berekeningen voor de gebruiksfase en de aanlegfase blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebied.
35/60
Figuur 4.1 Ligging van de planlocatie (zwart omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebied Brabantse Wal (blauw ingekleurd) Natuurnetwerk Brabant Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Brabant (BNZ). Het dichtstbijzijnde (NNB) gebied is gelegen op ongeveer 1,5 km (figuur 4.2). Dit is natuurgebied N03.01 Beek en Bron. De beoogde ontwikkeling ligt op voldoende afstand van dit gebied. Het heeft geen negatief effect op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Brabant.
36/60
Figuur 4.2 Ligging plangebied (zwarte cirkel) ten opzichte van Natuurnetwerk Brabant (bron: Provincie Brabant) Conclusie gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de 'Brabantse Wal' op circa 8,7 km ten zuidwesten. Uit de AERIUS-berekening voor de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van relevante stikstofdeposities (hoger dan 0,00 mol/ha/j) in de omliggende Natura 2000-gebieden. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde NNB-gebied ligt op circa 1,5 km van het plangebied. Verder ligt het plangebied niet binnen een waterwin-, grondwaterbeschermings- of milieubeschermingsgebied. De Wnb en het beleid van de provincie Noord-Brabant staan de ontwikkeling niet in de weg. Soortenbescherming Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten kan worden, is aan Brabant Eco de opdracht gegeven voor het uitvoeren van een ecologische quickscan op de planlocatie in het kader van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Daarnaast geeft het rapport inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van de natuurwetgeving en -beleid en de mogelijke effecten op beschermde flora en fauna en op beschermde natuurgebieden als gevolg van het project. Het rapport kan voor de opdrachtgever als bewijsstuk dienen voor het verrichtte onderzoek.
De rapportage van het onderzoek is opgenomen in Bijlage 5. Hieronder zijn de conclusies en aanbevelingen uit de rapportage overgenomen. Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn effecten tijdens de werkzaamheden te verwachten die van negatieve invloed zijn op de gunstige staat van instandhouding van de waargenomen of mogelijk aanwezige soorten en hun functioneel leefgebied. Natuurgebieden worden niet aangetast door de ontwikkeling in het plangebied. Conclusies soortenbescherming
37/60
Nader onderzoek naar Huismussen, Gierzwaluwen en vleermuizen wordt geadviseerd en op basis van de resultaten van dit onderzoek kan worden bepaald welke effecten optreden, of een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is en welke mitigerende maatregelen genomen dienen te worden. De zorgplicht is altijd van toepassing. Natuur inclusief bouwen wordt aanbevolen. Nader onderzoek Het nader onderzoek naar Huismussen, Gierzwaluwen en vleermuizen is uitgevoerd en in oktober 2022 gerapporteerd. De rapportage is opgenomen als Bijlage 6 bij deze toelichting. Het onderzoek vond plaats van april 2022 tot en met september 2022. In die periode is het plangebied 8 keer bezocht om veldwerk uit te voeren. Huismussen Er zijn geen huismussen waargenomen in of nabij de te slopen of te renoveren gebouwen en er zijn in deze gebouwen ook geen nesten aanwezig. Het te slopen Fatima huis of het overige deel van het plangebied zijn geen essentieel onderdeel van het leefgebied van de huismus. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden door de geplande ontwikkeling. Er is geen ontheffingsaanvraag nodig. Gierzwaluwen Er zijn geen nok- of goothoogte vliegende gierzwaluwen waargenomen in het plangebied of de directe omgeving hiervan. Er is geen waarneming gedaan van invliegende gierzwaluwen. Er zijn op afstand van het plangebied waarnemingen van gierzwaluwen.
Er zijn geen nestlocaties van gierzwaluwen in het plangebied. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden door de geplande ontwikkeling. Er is geen ontheffingsaanvraag nodig. Vleermuizen Er zijn in en nabij het plangebied twee soorten vleermuizen waargenomen, de Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en de Rosse vleermuis ( Nyctalus noctula Bij inspectie van het plangebied bij daglicht zijn geen vleermuiskeutels of andere sporen gevonden die duiden op vleermuisverblijfplaatsen. Er zijn geen kraam- en zomerverblijfplaatsen aangetroffen in het te slopen Fatima huis. In de zuidelijke zijgevel van de kerk bevinden zich vier verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. De moestuin ten zuiden va de kerk fungeert als foerageergebied voor dwergvleermuizen. Gelet op het ruime aanbod aan vergelijkbaar foerageergebied in de omgeving is het geen essentieel foerageergebied. Een onmisbaar foerageergebied binnen de plangrenzen is niet aan de orde. Er zijn geen essentiële vliegroutes aanwezig in het plangebied. Bestaande lijnvormige groenstructuren waarlangs migratie- of foerageerroutes van vleermuizen zouden kunnen liggen worden niet aangetast door de voorgenomen plannen. Nabij de verblijfplaatsen in de kerk zijn in augustus zwermende en baltsende gewone dwergvleermuizen waargenomen. De waargenomen verblijfplaatsen fungeren ook als paarverblijf.
38/60
De balts van andere soorten is in augustus en september niet gehoord in of in de directe omgeving van het plangebied. De waargenomen verblijfplaatsen zijn gesitueerd in een zijgevel van de kerk welke behouden zal blijven. De kerk zal aan de binnenzijde worden gerenoveerd en verbouwd. In de buitengevel zal mogelijk onder de eerste dakgoot een opening worden gemaakt. De muur waar zich verblijfplaatsen in bevinden blijft volledig intact. Het te slopen Fatima huis heeft door gebrek aan geschikte verblijfslocaties geen negatieve effecten op lokale populaties vleermuizen. Er is geen ontheffingsaanvraag nodig. Op basis van het aanvullend onderzoek kan geconcludeerd worden dat het planvoornemen niet in strijd is met de Wet natuurbescherming. Het is niet noodzakelijk om ontheffing aan te vragen of mitigerende maatregelen te treffen.
4.3
Cultuurhistorie en archeologie
Algemeen Beleidskader voor de cultuurhistorie vormt primair de sinds 1 september 2017 geldende Erfgoedwet. Er bestaat een wettelijke verplichting om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden en de op de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Facetten als historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten worden daarin meegenomen. Daarmee is de bescherming van het cultuurhistorisch erfgoed (mede) een taak van de gemeente geworden. De bescherming van het archeologische erfgoed is een taak van de gemeente geworden. Er dient binnen bestemmingsplannen en bij ruimtelijke onderbouwingen aandacht te worden besteed aan archeologische aspecten. Provinciaal beleid De provincie Noord-Brabant ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft ze haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De CHW is vastgesteld in 2010 en op kleine onderdelen aangepast in de herziening 2016. Op de CHW is het provinciaal cultuurhistorisch belang aangegeven.
Het gaat hierbij om erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. Dit belang hangt nauw samen met het provinciaal ruimtelijk belang, zoals benoemd in de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening. Het provinciaal belang is beperkt tot het landelijk gebied, waar de provincie haar belangrijkste taak heeft. Toetsing cultuurhistorie De Fatimakerk en omliggende panden, zoals het Fatimahuis, zijn aangewezen als gemeentelijk monument. Het aspect cultuurhistorie is met onderhavig planvoornemen van belang, wegens de cultuurhistorische waarde van o.a. de aanwezige bebouwing en het ensemble. Dit onderwerp is uitgebreid uiteengezet in het bijgevoegde cultuurhistorische onderzoek (bijlage 7). De slotconclusie uit dit uitvoerige onderzoek luidt als volgt: Architectonische en stedenbouwkundige waarden tezamen met een duurzame herbestemming staat boven behoud van oorspronkelijke bouwmassa. De rapportage is mede vertrekpunt geweest bij het ontwerpproces. Het bouwplan zal de cultuurhistorische waarden respecteren, zoals toegelicht in de voornoemde rapportage.
39/60
Bovendien wordt dit onderwerp beoordeeld door de gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. Het voornemen zal dus recht doen aan het aspect cultuurhistorie. Toetsing archeologie In het geldende bestemmingsplan 'Burgerhout' (2013) is het aspect archeologie afgewogen. Op basis van geofysische gegevens, gecombineerd met oud kaartmateriaal, kan een zekere voorspelling worden gedaan over de kans dat er archeologische sporen in de bodem te vinden zijn. Voor het plandeel 'Burgerhout' acht de gemeente Roosendaal deze kans over het algemeen niet groot. De wijk 'Burgerhout' bevindt zich buiten de kernen Hulsdonk, Langdonk, Kalsdonk en werd pas zeer laat tot ontginning gebracht. Het noordelijke deel, waar de Krampenloop stroomde, was zeer nat. De zeer regelmatige strook- en blokvormige percelen haaks op de Burgerhoutsestraat doen vermoeden dat er plaatselijk geen dekzandruggen voorkwamen. De kans op het aantreffen van sporen uit de Steentijd, tot de Late Middeleeuwen is klein. Aangezien het plangebied buiten de 13e eeuwse kernen lag, een 'late' perceelsstructuur vertoont en voor een groot deel in de 19e eeuw uit weiden bestond, moet geconcludeerd worden dat het over het algemeen een ongunstige plaats was voor agrarische ontwikkelingen. Daarop wijst ook het ontbreken van boerderijen en hoeven op de oudste kadastrale kaart.
Na de introductie van kunstmest konden de natte zandgronden voor landbouw geschikt worden gemaakt. De kans op het aantreffen van sporen uit de Volle Middeleeuwen is klein. Uitzondering vormen de lopen van de Natte- of Elderse Vaart, een deel van de Jan van Nispenvaart (of Zundertse Vaart) en van de Krampenloop. De turfvaarten zijn nog in het plangebied 'Burgerhout' gefixeerd als watergangen. De bedding zou nog sporen van de vroegste aanleg uit 1449 kunnen bevatten, bijvoorbeeld resten van sluisjes. De Krampenloop biedt hiervoor minder kansen; de loop is ook volledig uitgewist in de huidige bebouwing. Het plangebied rondom de Fatimakerk is gelegen in de delen van het bestemmingsplan 'Burgerhout' zonder archeologische dubbelbestemming. Er is dus sprake van een lage archeologische trefkans. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet nodig. Conclusie Het plan schaadt geen archeologische en cultuurhistorische waarden.
4.4
Bodem- en grondwaterkwaliteit
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) wordt, in verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, rekening gehouden met de bodemgesteldheid in het gebied. Bij een functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek De bestaande bebouwing, de Fatimakerk en de Pastorie, zijn reeds gebruikt en bestemd voor menselijk verblijf. Bij de toestemming in het verleden is derhalve reeds een afweging gemaakt omtrent de gewenste
40/60
bodemkwaliteit. De voorgenomen gebruikswijziging vraagt hierbij geen andere bodemkwaliteit dan de huidig toegestane functie. In beginsel kan de bodemkwaliteit hier derhalve reeds als aanvaardbaar worden geacht. Het plan voorziet echter ook in gedeeltelijke sloop en nieuwbouw. Ten behoeve van het voornemen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Door Econsultancy is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Doctor Schaepmanlaan 90 te Roosendaal. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. De volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8. Uit het vooronderzoek concludeert Econsultancy dat atmosferische depositie de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op het de locatie kan zijn. Van atmosferische depositie is bekend dat dit tot beperkt verhoogde PFAS-gehaltes in bodem en water kan leiden. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie 'onverdacht, niet lijnvormig" (ONV). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak ziltig, matig fijn zand. De bovengrond is plaatselijk zwak humus. In een voormalig onderzoek is ter plaatse van boring B1, B2 en B7 in 2003 puin waargenomen.
Het puin is tijdens onderhavig onderzoek opnieuw beoordeeld. Het blijkt baksteen houdend materiaal te zijn. Het materiaal is niet verdacht voor de aanwezigheid van asbest. De bodem is plaatselijk zwak baksteen houdend. Verder is de bovengrond sporadisch zwak aardewerk houdend. Verder is in het opgeboorde materiaal zintuiglijk geen verontreiniging waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met lood en PAK. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en zink. Conclusie en advies De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als 'onverdacht, niet lijnvormig' kan worden beschouwd, op basis van de lichte verontreinigingen, is verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. Asbest Er zijn op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.
Econsultancy acht een onderzoek asbest in bodem/puin conform de NEN 5707/5897 dan ook niet noodzakelijk. Algemeen Als er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het
41/60
Besluit bodemkwaliteit, het 'Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie' of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Conclusie en advies OMWB De OMWB heeft per brief d.d. 15 juni 2022 het volgende geconcludeerd ten aanzien van het milieukundig bodemonderzoek: met de in het rapport opgenomen conclusies en aanbevelingen kunnen wij instemmen; de bodemkwaliteit van de locatie vormt geen belemmering voor een voorgenomen bestemmingswijziging.
4.5
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. De parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie wordt berekend op basis van de Nota Parkeernormen van de Gemeente Roosendaal 2011 en kencijfers uit CROW publicatie 381. Hierbij wordt conform de gemeente Roosendaal uitgegaan van het gemiddelde van de bandbreedte. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie wordt er gerekend met een stedelijkheidsgraad van 'Sterk stedelijk'. Het plangebied 'schil van het centrum'. Bereikbaarheid situatie Gemotoriseerd verkeer Het plangebied is gelegen aan de Doctor Schaepmanlaan. Dit is een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/uur en een wegbreedte van circa 5,3 m. Een ander belangrijke weg voor de locatie is de Doctor Ariensstraat omdat deze ontsluit naar de Strausslaan die onderdeel is van het hoofdwegennet. De Doctor Ariensstraat is eveneens een erftoegangsweg met een 30 km/uur-regime.
De Strausslaan en de Van Beethovenlaan zijn gebiedsontsluitingswegen binnen de bebouwde kom met een 50 km/uur-regime. Langzaam verkeer Op de wegen in en rond het plangebied deelt het fietsverkeer de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer. Langs de Strausslaan, de Van Beethovenlaan en de Boulevard kan gebruik worden gemaakt van vrijliggende fietspaden. Openbaar vervoer Op circa 300 m loopafstand van de locatie ligt een bushalte aan de Strausslaan. Bij dit busstation halteren verschillende buslijnen: buslijn 1 tussen Damastberg Roosendaal en Sterrebos Roosendaal; buslijn 2 tussen Damastberg Roosendaal en Odiliadonk Roosendaal. De bussen vertrekken 2x per uur.
42/60
Daarnaast ligt op circa 500 m een bushalte aan de Van Beethovenlaan. Bij deze bushalte halteren verschillende buslijnen: buslijn 1 tussen Damastberg Roosendaal en Sterrebos Roosendaal; buslijn 2 tussen Damastberg Roosendaal en Odiliadonk Roosendaal; buslijn 211 tussen Station Oudenbosch, via Roosendaal en Bergsebaan Nispen; buslijn 312 tussen Station Roosendaal en Centraal Station Breda. De bussen vertrekken 2x per uur. De ontsluiting van het plangebied per openbaar vervoer is voldoende gewaarborgd.
Figuur 4.3 Ligging projectgebied Toekomstige situatie Verkeersgeneratie Het concept programma bestaat uit 42 intramurale zorgeenheden, 24 vrije sector huurappartementen en voor het overige semipublieke en multifunctionele ruimtes ten behoeve van een maatschappelijke invulling. De verkeersgeneratie van het toekomstig gebruik woningbouw is berekend aan de hand van kengetallen uit CROW-publicatie 381. Voor de 44 zorgeenheden met intramurale zorg zijn er geen CROW-kencijfers bekend. Voor deze functie wordt aangesloten bij de kencijfers voor 'aanleunwoning/serviceflat'. De semipublieke en multifunctionele ruimtes ten behoeve van een maatschappelijke invulling zijn bedoeld voor de gebruikers van de intramurale zorgeenheden. Deze genereren geen extra verkeer. Voor de functie van het buurthuis is geen rekening gehouden met verkeersgeneratie aangezien de mensen direct uit de buurt komen en niet met de auto zullen komen.
43/60
Tabel 4.2 Verkeersgeneratie beoogde situatie functie aantal functie volgens kengetal CROW-381 CROW appartementen 24 huur, 3,2 per vrije sector appartement woning midden/goedkoo p zorgeenheden 42 aanleunwoning/s 2,35 per intramurale zorg erviceflat woning totale toename
weekdag intensiteit(mvt/etmaal) 76,8
werkdag intensiteit(mvt/etmaal) 8
98,7
109,6
175,5
194,8
De beoogde ontwikkeling zal leiden tot een maximale verkeersgeneratie van 175,5 mvt /etmaal op een weekdag. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling zijn de werkdagintensiteiten maatgevend. Conform CROW-publicatie 381 geldt voor woningen een omrekenfactor voor weekdag naar werkdag van 1,11. De verkeertoename op een werkdag komt daarmee op 194,8 mvt/etmaal. Daarnaast dient bij het beoordelen van de verkeersafwikkeling gekeken te worden naar het maatgevende uur, waarin doorgaans 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. Gedurende het drukste spitsuur zorgt de ontwikkeling van het plangebied voor een extra verkeersgeneratie van 20 mvt/uur. Verkeerstoedeling De ontwikkeling wordt zowel in oostelijke als in westelijke richting ontsloten. In oostelijke richting zal circa 75% worden ontsloten via de Doctor Schaepmanlaan en de Doctor Ariensstraat. Bij de rotonde Doctor Ariensstraat-Strausslaan zal het verkeer zich opsplitsen in 50% naar het noorden en 25% naar het zuiden. In westelijke richting zal circa 25% worden ontsloten via de Doctor Schaepmanlaan richting de Van Beethovenlaan. De verkeerstoedeling is te zien op figuur 4.4.
44/60
Figuur 4.4 Verkeerstoedeling projectgebied Verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid De omvang van de verkeersgeneratie en het feit dat het verkeer zich daarnaast over verschillende routes verdeelt, leidt tot een dusdanig beperkte toename van de verkeersintensiteit dat dit na realisatie van de ontwikkeling niet zal leiden tot een verslechtering van de verkeersveiligheid en/of de verkeersafwikkeling. Parkeren Ook voor parkeren wordt uitgegaan van het bovenstaande programma. De semipublieke en multifunctionele ruimtes ten behoeve van een maatschappelijke invulling zijn bedoeld voor de gebruikers van de intramurale zorgeenheden. Voor deze functies zijn daarom geen extra parkeerplaatsen benodigd. Voor de buurtfunctie is de theoretische parkeernorm aangehouden. In de praktijk zullen de bezoekers van deze buurtfunctie te voet of op de fiets komen. Op basis van de 'Nota parkeernormen' van de gemeente Roosendaal is de parkeerbehoefte van het planvoornemen bepaald, zie tabel 4.3. Tabel 4.3. Parkeerbehoefte beoogde situatie functie aantal appartementen vrije sector zorgeenheden intramurale zorg
45/60
24 42
parkeernorm huur, vrije sector 1,8 per woning aanleunwoning/servicefl 0,6 per eenheid at
parkeerbehoefte 43,2 25,2
buurthuisfunctie
75 m²
cultureel centrum/wijkgebouw
2,0 per 100 m²
totale parkeerbehoefte
1,5 69,9
Het planvoornemen kent op basis van het programma en bovenstaande aannames een maximale parkeerbehoefte van (naar boven afgerond) 70 parkeerplaatsen. In de bestaande situatie zijn binnen het plangebied, rondom de kerk en het Fatimahuis, 40 parkeerplaatsen aanwezig. In de nieuwe situatie worden deze parkeerterreinen geoptimaliseerd en zullen in totaal 53 parkeerplaatsen worden gerealiseerd binnen het plangebied van dit bestemmingsplan. Dat zijn dus 13 parkeerplaatsen meer dan in de bestaande situatie. Om te bekijken of er gebruik kan worden gemaakt van de bestaande openbare parkeerplaatsen aan de Doctor Schaepmanlaan zijn parkeertellingen uitgevoerd. Op basis van de bestaande indeling zijn er in het openbare gebied aan de zuidzijde van de Doctor Schaepmanlaan 20 langsparkeerplaatsen beschikbaar. Aan de noordzijde van deze straat zijn 33 parkeerplaatsen beschikbaar. In totaal dus 53 parkeerplaatsen in de openbare ruimte. 2 van deze parkeerplaatsen zijn voorzien van laadpalen.
Figuur 4.5: Beschikbare parkeerplaatsen openbare ruimte met gemiddelde bezetting
46/60
Datum en tijd
Bezetting zuidzijde Doc. Schaepmanlaan 3 auto's
Vrijdag 22-04-2022, 23.30 u Dinsdag 1 auto 26-04-2022, 23.10 u Donderdag 2 auto's 28-04-2022, 23.15 u
Bezetting noordzijde Doc. Schaepmanlaan 19 auto's
Totale bezetting
Bezettingsgraad algemeen
Bezettingsgraad zuidzijde
22 auto's
42%
15%
20 auto's
21 auto's
40%
5%
19 auto's
21 auto's
40%
10%
Uit de tellingen blijkt dat de noordzijde van de Doctor Schaepmanlaan een maximale bezetting van 75% kent en dat er dus parkeerplaatsen vrij zijn. De langsparkeerstrook aan de zuidzijde van de straat (de zijde van het plangebied dus) wordt slechts beperkt gebruikt. Op het drukste moment werden slechts 3 van de 20 parkeerplaatsen gebruikt. Dat is een bezettingsgraad van maximaal 15%. De gemiddelde bezetting voor de 53 openbare parkeerplaatsen in de openbare ruimte bedraagt daarmee maximaal 42%. Landelijk wordt er gesproken over restcapaciteit indien de maximale bezettingsgraad 85% is. Dat betekent dat op het maatgevende moment (in dit geval de werkdag avonden) maximaal 85% van de parkeerplaatsen bezet mogen zijn. In dit geval zou dat zijn bij een bezetting van 45 parkeerplaatsen van de 53 openbare parkeerplaatsen. Aangezien er op basis van de uitgevoerde tellingen op het maatgevende moment maximaal 22 parkeerplaatsen bezet waren, is er sprake van een restcapaciteit van 23 parkeerplaatsen. Als we uitgaan van 17 parkeerplaatsen voor de ontwikkeling en 22 parkeerplaatsen voor het bestaande gebruik, is er sprake van een bezettingsgraad van 74%. Het is dan ook verantwoord om ervan uit te gaan dat minimaal 17 van de 20 langsparkeerplaatsen aan de zuidzijde van de Doctor Schaepmanlaan kunnen worden gebruikt voor de ontwikkeling.
Met 53 parkeerplaatsen binnen het plangebied en 17 parkeerplaatsen in het openbare gebied die gebruikt kunnen worden voor het planvoornemen, komt het parkeeraanbod op 70 parkeerplaatsen. Met uitzondering van 2 parkeerplaatsen, zullen alle parkeerplaatsen in de toekomstige situatie openbaar zijn en worden beheerd en onderhouden door de gemeente. Op basis van het bovenstaande is aangetoond dat voldaan wordt aan de parkeernormen en kan worden voorzien in de parkeerbehoefte.
4.6
Bedrijven en milieuhinder
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.
47/60
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naarmate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Onderzoek In de beoogde ontwikkeling worden woningen, woonzorgeenheden en maatschappelijke functies gerealiseerd. Hiermee worden milieugevoelige en (potentieel) milieuhinderlijke functies opgericht en moet worden getoetst aan de richtafstanden zoals vermeld in de VNG-brochure. Omdat er in de buurt van het plangebied zich voornamelijk woningen bevinden, wordt de omgeving van het plangebied getypeerd als een 'rustige woonwijk'. In de buurt van het plangebied bevinden zich een aantal maatschappelijke functies, zoals een onderwijsinstelling (Curio, Knipplein 11) en een basisschool en kindcentrum (Doctor Schaepmanlaan 101/101a).
Aan de Doctor Schaepmanlaan 13-31 bevindt zich een wijksupermarkt. Een supermarkt valt in milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 m in een rustige woonwijk, scholen vallen in milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 m. Verpleeghuizen en buurthuizen vallen in milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 m. Er wordt voldaan aan de richtafstanden van de basisschool en de wijksupermarkt. Het plangebied grenst aan de onderwijsinstelling (Curio Knipplein 11) en voldoet niet aan de richtafstand. De onderwijsinstelling is een school voor mbo-onderwijs, waar opleidingen voor jongeren en volwassenen worden verzorgd. Van deze onderwijsinstelling wordt daarom geen geluidsoverlast verwacht. De bestaande en beoogde functies kunnen ter plaatse als verenigbaar worden geacht. Het voornemen is ter plaatse milieukundig passend en er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, bezien vanuit bedrijven en milieuzonering. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde functies.
4.7
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidsgevoelige functie aangemerkt. Indien in een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidszone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau. Als de Wgh van toepassing is, dan dient een nieuwe geluidsgevoelige functie te voldoen aan bepaalde wettelijke normen. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk (65 dB voor binnenstedelijke wegen en 53 dB voor een buitenstedelijke autoweg).
48/60
De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB(A). Bovendien zal voor de betreffende geluidsgevoelige functie ten minste altijd één geluidsluwe gevel aanwezig moeten zijn, terwijl er gestreefd wordt het aantal 'dove gevels' per woning tot maximaal één te beperken. Geluidszones Langs alle wegen – met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wgh geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidsbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Toetsing Ten behoeve van dit bestemmingsplan heeft Econsultancy een onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd, de rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 9 bij deze toelichting. Bij de projectie van een nieuwe geluidsgevoelige bestemming binnen de zone van een weg is een onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. De geluidsgevoelige bestemmingen zijn gelegen in de geluidszone van de Strausslaan.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden tevens de nabijgelegen niet-gezoneerde wegen: Doctor Schaepmanlaan, Kapellerlaan, Kardinaal van Rossumstraat, Knipplein, Doctor Ariensstraat, Mozartlaan en de Professor Aalbersestraat in het onderzoek betrokken. In het onderzoek wordt de geluidsbelasting op de geluidsgevoelige bestemming inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Voor het plangebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie van de woningen. Voor elke zijde van de woning zijn toetspunten ten behoeve van maximaal 3 bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2021.1. Conclusie De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt maximaal 45 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. Conclusie en advies OMWB De OMWB heeft per brief d.d. 26 april 2022 het volgende geconcludeerd ten aanzien van het akoestisch onderzoek: het onderhavige rapport heeft uitgewezen dat voldaan wordt aan de geluidsgrenswaarden, zoals deze in de Wet geluidhinder zijn gesteld; het onderhavige rapport zorgvuldig is opgesteld en geen aanleiding geeft tot op- en/of aanmerkingen.
Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering of beperking voor het wijzigen van het bestemmingsplan.
49/60
4.8
Luchtkwaliteit
Toetsingskader De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'niet in betekenende mate' (het Besluit nibm) en de ministeriële regeling nibm. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.5 weergegeven. Tabel 4.5. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van ) stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
Nibm In het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Toetsing Er worden woningen, zorgwoningen en maatschappelijke functies mogelijk gemaakt. Door de beoogde ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 175,5 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). In de nibm-tool (versie 23-04-2022) is worst case 2024 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,09 µg/m³ en van fijn stof van 0,03 µg/m³ (tabel 4.6) De toename van stikstof is onder 1,2 µg/m³. Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. Tabel 4.6. Resultaten nibm-tool 2022
50/60
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit 2022. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Strausslaan, ten oosten van het plangebied. Uit het CIMLK blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2021; 15,713 µg/m³ voor NO2, 17,03 µg/m³ voor PM10 en 9,6 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,04 dagen. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de wijziging van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.9
Externe veiligheid
Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het in werking treden van het BEVT vervalt de circulaire
51/60
Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en in nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6-waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6-contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Onderzoek
Figuur 4.6 Uitsnede risicokaart met het plangebied (zwart omlijnd) Uit de informatie op de openbare risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat er ten oosten van het plangebied zich de A58 bevindt welke deel uitmaakt van het Basisnet. De weg heeft een invloedsgebied van 4 km als gevolg van vervoer van, onder andere, stofcategorie GT4. Het plangebied bevindt zich op circa 430 m van deze weg. Omdat dit groter is dan 200 m, kan er volgens het Bevt worden voldaan met een beknopte verantwoording en hoeven er
52/60
geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Ten westen van het plangebied bevindt zich de A17. Deze weg heeft een invloedsgebied van 4 km als gevolg van vervoer van, onder andere, stofcategorie LT3. Het plangebied ligt op circa 1,3 km van deze weg. Omdat dit groter is dan 200 m, kan ook voor deze weg volgens het Bevt worden voldaan met een beknopte verantwoording en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Ten westen van het plangebied bevindt zich een spoorlijn met spoortrajectnummer 35 (Roosendaal-Roosendaal West) waarover gevaarlijke stoffen van onder andere de stofcategorie D4 wordt vervoerd met een invloedsgebied van 4 km. Het plangebied bevindt zich op circa 1,1 km van dit spoortraject. Omdat dit groter is dan 200 m, kan ook voor de spoorlijn volgens het Bevt worden voldaan met een beknopte verantwoording en hoeven er geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Beknopte verantwoording De gemeente Roosendaal heeft een standaard verantwoording van het GR. Dit standaardadvies is opgenomen als Bijlage 10 bij deze toelichting. De focus van de verantwoording ligt vooral op de aspecten bestrijdbarheid en zelfredzaamheid. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de locatie, functie en gebouwkenmerken en rampscenario's dienen ook uitgewerkt te worden.
Ook dient de Veiligheidsregio om advies te worden gevraagd (bij voorkeur vroegtijdig in het proces wanneer externe veiligheid een bepalende factor is. Het standaard advies van de gemeente Roosendaal houdt in dat er rekening wordt gehouden met de opkomsttijd van de brandweer en de aanwezigheid van de WAS-installatie. Deze aspecten zijn in de beknopte verantwoording (hieronder) nader uitgewerkt. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Doctor Schaepmanlaan. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Roosendaal, zoals de A58. Dit wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.
Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie worden woonzorgeenheden, woningen en maatschappelijke functies gerealiseerd. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over het spoor en de weg geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd
53/60
tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een spoortraject, de A17 en de A58. Omdat de afstand van het plangebied tot het spoor en de wegen groter is dan 200 m, kan er worden volstaan met een beknopte verantwoording. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. De veiligheidssituatie zal met de beoogde ontwikkeling niet significant verslechten en wordt als aanvaardbaar gezien. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologische relevantie Voor hoofdtransportleidingen en hoogspanningsverbindingen geldt dat deze in een (bestemmings-)plan moeten worden geregeld. Deze leidingen hebben namelijk gevolgen voor het gebruik van gronden in de directe omgeving en zijn dus planologisch relevant. Ook niet-hoofdtransportleidingen met veiligheidscontour, kunnen planologisch relevant zijn. Als planologisch relevante leidingen worden aangemerkt (buis)leidingen voor het transport van: elektriciteit met een hoogspanning van meer dan 50 kV; brandbare gassen met een druk van 20 bar en hoger; brandbare vloeistoffen of giftige stoffen met een diameter van 4 inch en hoger; buisleidingen met een diameter van 400 mm en groter. Niet-planologisch relevante leidingen behoeven geen bescherming c.q. regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen kunnen dan ook zonder planologische regeling worden aangelegd. Grondroeringsregeling De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen.
De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Toetsing In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen, hoogspanningslijnen, straalpaden of telecomverbindingen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Voor deze leidingen zal nog wel een melding bij het
54/60
kadaster worden gedaan. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.11 Milieueffectrapportage In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Wanneer niet voldaan wordt aan de drempelwaarden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarbij lettend op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. In het Besluit milieueffectrapportage is in onderdeel D van de bijlage opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De toekomstige ontwikkeling betreft de realisatie van 64 woningen en zorgwoningen. De ontwikkeling blijft daarmee (ruimschoots) onder de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. De aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.
beoordeling is opgenomen als Bijlage 11 bij deze toelichting.
55/60
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.
5.2
Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP)
De Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP 2012), die voortvloeit uit de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. SVBP 2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Dit om de gewenste vergelijkbaarheid zeker te stellen. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting van het bestemmingsplan. Wel dient het bestemmingsplan van een toelichting vergezeld te gaan. Het bestemmingsplan zelf bestaat uit een verzameling geografische bepaalde objecten, die zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan.
5.3
Opzet van de nieuwe bestemmingsregeling
5.3.1 Uitgangspunten en doelstellingen Het centrale onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemming. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de in het plan begrepen grond bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden. Aan de bestemmingen zijn regels gekoppeld over het gebruik van de in het plan begrepen grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Kenmerk van bestemmingen is dat het gehele plangebied ermee is bedekt. Elke bestemming is geometrisch bepaald. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor. Verklaringen zijn de overige in de verbeelding van het bestemmingsplan voorkomende zaken. Verklaringen hebben geen juridische betekenis. Zij zijn bedoeld om nadere informatie te verschaffen of om de duidelijkheid en raadpleegbaarheid te bevorderen. Omdat verklaringen geen juridische betekenis hebben, wordt hierop niet nader ingegaan. Het uitgangspunt bij het opstellen van het bestemmingsplan is dat de van kracht zijnde regelingen zodanig
56/60
worden geactualiseerd dat samenhangende, op actuele beleidsinzichten en gebruikerswensen afgestemde bestemmingsregelingen ontstaan. Als doelstellingen en uitgangspunten kunnen daarbij worden onderscheiden: rechtszekerheid en klantgerichtheid, dat wil zeggen voor de burger een duidelijk, toegankelijk en op actuele behoeften en eisen afgestemd plan; makkelijke toepasbaarheid en hanteerbaarheid voor de gemeentelijke diensten; een plan waaraan bouwaanvragen op heldere wijze kunnen worden getoetst met als resultaat een minimale bestuurslast; duidelijkheid en inzichtelijkheid van hetgeen is toegestaan, dit houdt in dat de bestemmingen met hun bouw- en gebruiksmogelijkheden zoveel als mogelijk is via de verbeelding zichtbaar worden gemaakt. 5.3.2 Opbouw regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008. a. De opbouw van de regels is als volgt: 1. betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels); 2. de gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels); 3. algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels); 4. overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels). b. Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: 1. bestemmingsomschrijving; 2. bouwregels; 3. nadere eisen; 4. specifieke gebruiksregels; 5. afwijken van de gebruiksregels; 6. omgevingsvergunning; 7.
wijzigingsbevoegdheid. De specifieke nadere eisenregelingen, bevoegdheden om af te wijken van de regels en wijzigingsbevoegdheden en mogelijk aanlegvergunningregels zullen zoveel mogelijk per bestemming worden opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en onnodig verwijzen naar andere artikelen voorkomen. Deze werkwijze bevordert de toegankelijkheid van het bestemmingsplan. Er wordt derhalve voor de volgorde van de regels een standaardindeling gehanteerd. In niet alle bestemmingen komen alle leden voor.
57/60
5.4
Gehanteerde bestemmingen
5.4.1 Groen De gronden waarop deze bestemming is gelegd, zijn onder meer bestemd voor beplantingen, bermen en structureel groen alsmede ondergeschikte verkeer-/parkeerfuncties. Ook zijn binnen deze bestemming waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals wadi's, toegestaan. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van algemeen nut worden gerealiseerd en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 5.4.2 Maatschappelijk De maatschappelijke voorzieningen zijn als zodanig bestemd. Het gaat hier onder meer om een aantal maatschappelijke (overheids-)voorzieningen, zorgwoningen, kinder- en jeugdzorg, diverse onderwijsvoorzieningen en voorzieningen op het gebied van (medische) zorgverlening. Ter plaatse van de aanduiding 'Wonen' zijn tevens reguliere woningen toegestaan. 5.4.3 Verkeer De gronden binnen deze bestemming zijn onder meer bestemd voor wegen met ten hoogste 2 keer 1 doorgaande rijstroken, opstelstroken en busstroken daar niet onder begrepen, vervolgens: voet- en fietspaden, speel-, spel- en daarmee vergelijkbare sportvoorzieningen, niet zijnde sportvoorzieningen in clubverband, beplantingen, bermen, watergangen en andere waterpartijen, voorzieningen ten behoeve van algemeen nut, zoals bergbezinkbassins en transformatorhuisjes, en afvalinzameling, parkeerplaatsen en daarbij behorende beplantingen kunstwerken en kunstobjecten.
58/60
Hoofdstuk 6 6.1
Financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor deels een ontwikkeling van de gemeente en deels een particuliere ontwikkeling. Initiatiefnemer heeft aangegeven dat er budget beschikbaar is voor de realisatie van de woningen. Kostenverhaal Volgens artikel 6.12 van de Wro dient tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan te worden vastgesteld voor de gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is. De initiatiefnemer heeft met de gemeente Roosendaal en anterieure overeenkomst afgesloten waardoor het kostenverhaal is verzekerd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Omgevingsdialoog De planontwikkeling van het gebied Fatimakerk is voorafgegaan door een informatietraject. In het kader van de omgevingsdialoog heeft de projectontwikkelaar gesprekken belegd met de bewoners van Mariaplein; het eerste gesprek heeft plaatsgevonden op 19 januari 2022 via een onlineverbinding, het tweede gesprek heeft fysiek plaatsgevonden op 17 mei 2022 en op 3 oktober 2022 heeft er een derde bijeenkomst plaatsgevonden. De verslagen van deze drie bijeenkomsten zijn opgenomen als Bijlage 12 bij deze toelichting.
6.2.2 Inspraak en overleg In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro en de inspraakverordening van de gemeente heeft het voorontwerpbestemmingsplan vanaf 12 september 2022 gedurende 6 weken ter inzage gelegd en is het toegezonden aan de diverse overlegpartners. Gedurende de inzagetermijn van het voorontwerpbestemmingsplan zijn 6 inspraakreacties binnen gekomen. Daarnaast hebben het waterschap Brabantse Delta, de provincie Noord-Brabant, de gasunie en de brandweer een vooroverlegreactie gegeven. De inspraak- en vooroverlegreacties zijn in de "Nota van inspraak en vooroverleg" samengevat en voorzien van
59/60
een gemeentelijke beantwoording. Deze Nota is opgenomen als Bijlage 13 bij deze toelichting. Enkele van de inspraakreacties hebben geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan en op basis van de vooroverlegreacties is de toelichting op enkele punten aangevuld.
6.2.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan 'Fatimakerk' heeft met ingang van 6 november 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen (op grond van artikel 3.8, lid 1, Wet ruimtelijke ordening). Gedurende de inzagetermijn hebben drie verschillende betrokkenen en belanghebbenden een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan ingebracht. De Nota zienswijzen is opgenomen als Bijlage 14 van deze toelichting. In de nota zijn de zienswijzen in hoofdstuk 2 samengevat en voorzien van een gemeentelijk antwoord. In hoofdstuk 3 van de Nota wordt ingegaan op de ambtshalve wijzigingen.
6.2.4 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan nogmaals zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
60/60