Fatimakerk Roosendaal_Toelichting.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan
Fatimakerk Roosendaal Roosendaal
DATUM IMRO IDN
17-04-2024 NL.IMRO.1674.2143FATIMAKERK-0401
PROJECT PROJECTLEIDER
Herbestemmig Fatimakerk e.o. RV
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
FLS Vastgoed II B.V. 20211372
AUTEUR STATUS
RvO vastgesteld
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Ligging plangebied
6
1.3
Geldend bestemmingsplan en strijdigheid
7
1.4
Leeswijzer
8
Planbeschrijving
9
2.1
Huidige situatie en omgeving
9
2.2
Toekomstige ontwikkeling
10
Hoofdstuk 3
Beleidskader
16
3.1
Rijksbeleid
16
3.2
Provinciaal beleid
23
3.3
Intergemeentelijk en regionaal beleid
25
3.4
Gemeentelijk beleid
27
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
30
4.1
Waterparagraaf
30
4.2
Ecologie
33
4.3
Cultuurhistorie en archeologie
39
4.4
Bodem- en grondwaterkwaliteit
40
4.5
Verkeer en parkeren
42
4.6
Bedrijven en milieuhinder
47
4.7
Wegverkeerslawaai
48
4.8
Luchtkwaliteit
50
4.9
Externe veiligheid
51
4.10
Kabels en leidingen
54
4.11
Milieueffectrapportage
55
Juridische planbeschrijving
56
5.1
Inleiding
56
5.2
Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP)
56
5.3
Opzet van de nieuwe bestemmingsregeling
56
5.4
Gehanteerde bestemmingen
58
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 5
3/60
Hoofdstuk 6
4/60
Financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid
59
6.1
Financiële uitvoerbaarheid
59
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
59
Toelichting
5/60
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De initiatiefnemer, FLS Vastgoed II B.V., is voornemens om de O.L. Vrouw van Fatimakerk aan de Doctor Schaepmanlaan 90 te Roosendaal te herbestemmen. Het betreft een gebruikswijziging van bestaande bebouwing. Daarnaast vindt gedeeltelijke sloop (van het Fatimahuis) plaats en wordt ter plaatse nieuwbouw gerealiseerd. De gewenste functies bestaan uit (woon)zorg, (regulier) wonen en maatschappelijke functies. De beoogde situatie is niet volledig in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan 'Burgerhout'. Derhalve is een ruimtelijke procedure benodigd om het voornemen te kunnen realiseren. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, zal een passende bestemming moeten worden toegekend. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan bestaat uit de O.L. Vrouw van Fatimakerk, Doctor Schaepmanlaan 90 te Roosendaal en het Fatimahuis, Doctor Schaepmanlaan 9. De ligging van het plangebied is op figuur 1.1 weergegeven.
Figuur 1.1 Ligging plangebied in Roosendaal (bron: Basisviewer Rho)
6/60
1.3
Geldend bestemmingsplan en strijdigheid
Geldend bestemmingsplan Het geldende bestemmingsplan voor de projectlocatie betreft het bestemmingsplan 'Burgerhout', zoals vastgesteld d.d. 26 juni 2013. Een uitsnede van de verbeelding is opgenomen in figuur 1.2. Hieruit volgt dat het complex met name de enkelbestemming 'Maatschappelijk', met de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding – monument' toegekend heeft gekregen. Rondom de bestaande bebouwing is een bouwvlak opgenomen, waarbij middels maatvoeringsaanduidingen gevarieerd toegestane goothoogtes zijn bepaald (overeenkomstig de bestaande bouwkundige situatie). De gronden rondom de kerk zijn bestemd met de enkelbestemmingen 'Verkeer' en 'Groen'. Blijkens de bestemmingsomschrijving zijn deze gronden bij beide bestemmingen onder andere bestemd voor parkeer- en groenvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van algemeen nut. Voor de ontwikkeling is echter met name artikel 12 'Maatschappelijk' van belang. Blijkens de bestemmingsomschrijving zijn de aangewezen gronden o.a. bestemd voor gezondheidszorg en (woon)zorg en welzijn. Wonen is binnen die bestemming enkel toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wonen', maar deze ontbreekt ter plaatse van de Fatimakerk. In de bouwregels is bepaald dat hoofdgebouwen uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak zijn toegestaan.
Bijbehorende bouwwerken zijn ook buiten het bouwvlak toegestaan, echter geldt dan een bebouwingspercentage van maximaal 20% en een maximale bouwhoogte van 5 m. Bovendien geldt, wegens de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – monument', een verbod om zonder vergunning het aanwezige gemeentelijke monument te wijzigen. In de gebruiksregels is verder bepaald dat het niet is toegestaan om gebouwen en andere bouwwerken te gebruiken voor bijzondere woonvormen (waaronder blijkens de begripsomschrijving ook verzorgingstehuizen worden verstaan). Het planvoornemen, dat voorziet in de herbestemming van de O.L. Vrouw van Fatimakerk en realisatie van nieuwbouw ten behoeve van (woon)zorg, (regulier) wonen en maatschappelijke functies, is in strijd met de regels van het geldende bestemmingsplan.
7/60
Figuur 1.2 Aanduiding plangebied in geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijke plannen) Strijdigheid Op basis van het geldende bestemmingsplan is de beoogde nieuwbouw niet toegestaan evenals de beoogde functies in de kerk. Daarnaast wijken de feitelijke bouwhoogte van de kerk af van de planologische situatie, namelijk het schip heeft een nokhoogte van 10 m in plaats van 9 m. Het Transept/de dwarsbeuk heeft een goothoogte van circa 15,7 m een nokhoogte van circa 18,9 m en dan staat daar nog een 'torentje' op van circa 22,5 m hoogte boven Peil. In de regels van dit bestemmingsplan is opgenomen dat de maximale goot- en bouwhoogte zijn toegestaan zoals bestaand, tenzij op de verbeelding anders is aangegeven.
1.4
Leeswijzer
De opbouw van de toelichting op dit bestemmingsplan is als volgt: Hoofdstuk 2 gaat in op de bestaande situatie van het plangebied en de beoogde ontwikkeling; Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de relatie met het beleidskader; Hoofdstuk 4 omvat de toetsing van de beoogde ontwikkeling aan de omgevingsaspecten; Hoofdstuk 5 bevat de juridische planbeschrijving; Hoofdstuk 6 gaat in op de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
8/60
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie en omgeving
De O.L. Vrouw van Fatimakerk en het Fatimahuis betreffen gemeentelijke monumenten, hier wordt in paragraaf 4.3 nader op ingegaan. De kerk is ontworpen door architect J. Hurks. De kerk is in 1952 in gebruik genomen, dus dateert deze uit de Wederopbouwperiode. Door de ligging en situering vormt de Fatimakerk binnen de wijk een gezichtsbepalend element. Tevens kan het perceel, met het omliggend groen, worden aangemerkt als het groene hart van de wijk. De kerk is sinds omstreeks 2004 aan de eredienst onttrokken. Derhalve wordt sindsdien gezocht naar een nieuwe passende en toekomstbestendige invulling. Het plangebied bestaat uit: Kerk, Priesterkoor en Sacristie; Devotiekapel. Op de figuren 2.1 en 2.2 is een fotoreportage van de huidige situatie weergegeven.
Figuur 2.1 De huidige status van het plangebied
9/60
Figuur 2.2 De omgeving
2.2
Toekomstige ontwikkeling
De toekomstige ontwikkeling is uitgewerkt in de presentatie aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (Hierna: CRK) zoals opgenomen in bijlage 1. Hierin is het stedenbouwkundig ensemble weergegeven.
10/60
Figuur 2.3 Impressie stedenbouwkundig ensemble (bron: Presentatie CRK) Kerk, Priesterkoor en Sacristie De kerk wordt inpandig verbouwd en er zal een gebruikswijziging plaatsvinden ten behoeve van 8 zorgappartementen. Deze zorgappartementen zullen worden gebruikt voor een (woon)zorg functie met bijbehorende ondersteunende voorzieningen en gemeenschappelijke ruimtes. Daarnaast worden er multifunctionele ruimtes voor dagbesteding gerealiseerd. De zorg-dagbesteding is daarbij gericht op cliënten die tevens in het complex woonachtig zijn. De concretisering van de inhoud van deze dagbesteding wordt te zijner tijd nog afgestemd met de vrijwilligers van het Fatimahuis en de buurt. Door de gekozen invulling is er sprake van maximaal behoud van het monumentale interieur en interne zichtlijnen in de kerk.
11/60
Figuur 2.4 Impressie voorplein(bron: presentatie CRK) Fatimahuis Het Fatimahuis zal worden gesloopt ten behoeve van nieuwbouw, deze nieuwbouw zal fungeren als financieel drager van het project. De nieuwbouw past bij het ensemble rondom de monumentale kerk. Het nieuwe gebouw zal bestaan uit 4 bouwlagen met een platte afdekking en voorziet in beginsel in het volgende programma: 1. begane grond: 17 zorgsuites met bijbehorende ondersteunende voorzieningen; 2. 1e verdieping: 17 zorgsuites met bijbehorende ondersteunende voorzieningen; 3. 2e verdieping: 12 (reguliere) appartementen t.b.v. wonen; 4. 3e verdieping: 12 (reguliere) appartementen t.b.v. wonen. De nieuwbouw is duidelijk ondergeschikt aan de kerk in stedenbouwkundige opzet, (zie ook figuur 2.4) massa en architectuur, en zorgt voor een ensemblewerking tezamen met de kerk en Pastorie. Door de gekozen situering achter de kerk, blijven omliggende waardevolle groenstructuren behouden en is er bovendien sprake van een ruimtelijke binnentuin. Door de gekozen uitvoering is en blijft het kerkgebouw het belangrijkste gebouw binnen het plangebied.
12/60
Figuur 2.5 Impressie Fatimahuis(bron: presentatie CRK) Het programma Het conceptprogramma bestaat dus in totaal uit 24 reguliere woningen en 42 zorgsuites en maatschappelijke functies. De zorg bestaat uit woongroepen van elk 8/ 9 zorgappartementen, met per zorgbehoevende een eigen kamer en daarnaast gemeenschappelijke ruimtes en bijbehorende ondersteunende voorzieningen. Deze zorg richt zich met name op de doelgroep cliënten met een verstandelijke beperking (al dan niet gecombineerd met zintuigelijke, of lichamelijke beperkingen). Op figuur 2.6 is het conceptprogramma weergegeven. Deze figuur is tevens in hoge(re) resolutie/kwaliteit opgenomen in bijlage 1.
13/60
Figuur 2.6 Conceptinvulling programma (bron: presentatie CRK) Bezonning Om de invloed van de beoogde nieuwbouw op omliggende woningen inzihtelijk te maken, is een bezonningsstudie uitgevoerd. De bezonningsstudie is opgenomen als Bijlage 2 bij deze toelichting. In het bezonningsonderzoek wordt bevestigd dat, gelet op de afstanden (11 meter tot de dichtstbijzijnde woning ten zuiden), de bouwhoogte en de zonnestand, er geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare afname van zonlicht. Gelet op de draaiing van de zon, valt de schaduw van de bebouwing gedurende de dag ten westen, ten noorden en uiteindelijk ten oosten van de nieuwbouw. In verband met de draaiing van de zon en de situering van de woningen ten opzichte van de beoogde bebouwing, is er geen schaduwval ten gevolge van de toekomstige bebouwing ter plaatse van de betreffende woningen te verwachten. Schaduwhinder voor de woningen ten zuiden van het plangebied is niet aan de orde. De woningen ten oosten, westen en noorden van de nieuwbouw zijn op voldoende afstand gelegen en hebben in geen geval last van schaduwhinder als gevolg van de nieuwbouw.
14/60
Figuur 2.7: Bezonningsstudie
15/60
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is.
Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten; dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.
Voor dit project relevante nationale belangen zijn: bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;
16/60
waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Keuzes De belangrijkste keuzes zijn: duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit; ruimte voor overgang naar een circulaire economie; woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden; landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden in Nederland. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing en conclusie Het mogelijk maken van nieuwe woningen in het bestaand stedelijk gebied van Roosendaal sluit aan bij de doelen uit het rijksbeleid.
Daarnaast blijft de cultuurhistorische waarde van de kerk in stand en blijven de maatschappelijke functies in de buurt behouden. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De NOVI bepaalt welke kader stellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kader stellende uitspraken. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening en de ladder voor duurzame ontwikkeling Toetsingskader Ieder bestemmingsplan dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, moet een verantwoording bevatten van de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6. lid 2 Bro).
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument met het doel efficiënt ruimtegebruik te bevorderen. Voor stedelijke projecten moet de behoefte worden beschreven. Indien het bestemmingsplan de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Toetsing
17/60
De ontwikkeling bestaat uit de transformatie van de Fatimakerk in Roosendaal naar 8 woonzorg woningen. Daarnaast wordt een nieuw woon(zorg)complex gerealiseerd met een conceptprogramma van 24 reguliere appartementen en 34 zorgappartementen. Ook zal een multifunctionele ruimte voor maatschappelijke functies worden gerealiseerd. Wel of geen stedelijke ontwikkeling De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit jurisprudentie blijkt dat het toevoegen van meer dan 12 woningen of een functiewijziging van meer dan 500 m² bvo wordt gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling. In dit geval is er met het toevoegen van in totaal 66 (zorg)woningen dus sprake van een stedelijke ontwikkeling. Er is ook sprake van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling, omdat het geldende bestemmingsplan geen woningen en zorgwoningen mogelijk maakt. De maatschappelijke functies zijn al mogelijk op basis van het bestemmingsplan, hierbij is dus geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Bestaand stedelijk gebied In de algemene bepalingen van het Besluit ruimtelijke ordening (1.1.1 lid 1 onder h) is de volgende definitie opgenomen voor bestaand stedelijk gebied: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. De beantwoording van de vraag of een plangebied als een bestaand stedelijk gebied kan worden aangemerkt, hangt volgens de Nota van toelichting (2017) af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Het begrip is in de jurisprudentie nader ingevuld. Gelet op de geldende maatschappelijke bestemming en de omliggende stedelijke functies maakt het plangebied onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. Beschrijving woningbehoefte Het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling bepaalt tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken. De begrenzing van de regio is dus afhankelijk van de aard en omvang van het programmaonderdeel dat als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. Voor wonen is dat de gemeente Roosendaal, binnen de regio West Brabant.
18/60
Figuur 3.1 Woonregio's (Bron: Brabantse Agenda Wonen, september 2017) De woningbehoefte in de gemeente Roosendaal blijkt uit diverse prognoses, onderzoeken en beleidsstukken. Deze worden hierna behandeld. Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant (2020) Voor het woningbouwprogramma van de gemeente Roosendaal is de provinciale 'Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant (2020) van de provincie Noord-Brabant richtinggevend. Hierin wordt de kwantitatieve woningbehoefte geraamd op het toevoegen van 2.945 woningen in de periode tot en met 2030. Figuur 3.2 is richtinggevend voor het maken van nieuwe regionale afspraken. Versnelling van de woningbouw en (vervolgens) vasthouden van het bouwtempo is een belangrijke doelstelling van de Brabantse Agenda Wonen.
Figuur 3.2 Indicatie toename woningvoorraad gemeente Roosendaal 2020-2030 Brabantse Agenda Wonen Voortgangsrapportage 2020/2021 In de Brabantse Agenda Wonen Voortgangsrapportage 2020/2021 wordt de voortgang van de woningbouwopgave in Brabant in beeld gebracht. Kwantitatief gezien zijn er voor de korte termijn – Brabant-breed gemeten – (ruim) voldoende plannen voor de benodigde woningbouwproductie en zal ook een deel doorschuiven naar de middellange termijn. Voor de wat langere termijn zal nog wel enige aanvullende capaciteit moeten worden gevonden en verdient ook het harde
19/60
planaanbod op enkele plekken nog aandacht. In de middelgrote steden (M7) waar Roosendaal onderdeel van uitmaakt zijn in de periode 2020-2030 nog 21.550 woningen nodig. Er is slechts harde plancapaciteit voor 9.800 woningen (figuur 3.3). De eerstkomende tijd zal de feitelijke realisatie van woonruimte in het betaalbare segment extra inspanningen (blijven) vragen. Hierbij zal ook de middenhuur, met huurprijzen net boven de liberalisatiegrens, moeten worden betrokken. Voor de gemeentelijke en (sub)regionale woningbouwplanning en -programmering en de mogelijkheden hier ook daadwerkelijk – bijvoorbeeld via volkshuisvestelijke en/of ruimtelijke instrumenten) – op te sturen, zijn dit belangrijke onderwerpen.
Figuur 3.3 Woningbouwcapaciteit en opgaven Perspectief op wonen West Brabant West 2021 (2020) Het 'Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West 2021' geeft een actueel beeld en visie van de subregio West-Brabant West op de toekomstige ontwikkelingen op de regionale woningmarkt. Ook geeft dit document het actuele bestuurlijke afsprakenkader weer, die een resultaat is van regionale samenwerking, afstemming en afweging. In het kader van een duurzaam verstedelijkingsbeleid legt de regio prioriteit bij zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik. Daarbij is het van belang om de gemeentelijke woningbouwprogramma's in te zetten op binnenstedelijke (transformatie)locaties en voor het herbestemmen van leegstaand vastgoed. Roosendaal werkt aan het versterken van het integrale woon- en leefmilieu in de gemeente. Nieuwe bouwprojecten staan vooral in het teken van het versterken van de totale woningvoorraad en het versterken van de identiteit van Roosendaal als woonstad. Het woningbouwprogramma wordt geheel binnenstedelijk gerealiseerd. Er is daarbij een grote focus op herstructurering en transformatie. De komende jaren wil Roosendaal de gemiddelde bouwproductie omhoog brengen. De harde plancapaciteit blijft nog achter bij de woningbehoefte (figuur 3.4).
20/60
Figuur 3.4 Woningbehoefte en woningbouwplannen Roosendaal Bovenstaande figuur is opgebouwd uit onderstaande onderdelen: 1. woningbehoefte prognose 2020-2030: 2.945 woningen; 2. woningbouwrealisatie/toevoeging: circa 125 woningen per jaar (gem. laatste 10 jaar); 3. woningprogrammering: totaal 2.510 woningen, waarvan hard 1.330 woningen; 4. binnenstedelijke mogelijkheden: circa 3.575 woningen, waarvan 2.420 woningen in programmering. Hieruit wordt geconcludeerd dat er behoefte is aan nieuwe harde plancapaciteit. Inmiddels heeft de gemeente Roosendaal recent (2022) een Woningbouwprogrammering opgesteld waarin de woningbouwplannen in de gemeente zijn gebundeld. Zie voor een toelichting hierna. Woonagenda 2021-2025 gemeente Roosendaal De woonagenda heeft als doel te komen tot een aantrekkelijke woningmarkt, toegankelijk voor elke Roosendaler, en aandacht voor alle inwoners, en doelgroepen in het bijzonder. Met woningmarkt wordt niet alleen bedoeld dat er voldoende (betaalbare) woningen beschikbaar zijn, maar ook een woonomgeving met goede voorzieningen, een aantrekkelijke openbare ruimte en een veilige leefomgeving spelen hierbij een heel belangrijke rol. Om dit doel te bereiken wordt de komende jaren ingezet op differentiatie, doorstroming en duurzaamheid. De uitgangspunten uit deze woonagenda worden vertaald naar een nieuwe bouwprogrammering.
Deze programmering zal flexibel zijn, zodat er ruimte is om bij te sturen als de woningmarkt daar om vraagt. De programmering wordt daarom jaarlijks geactualiseerd. Om de woningmarkt op gang te houden zullen woningbouwinitiatieven die in de bouwprogrammering zijn opgenomen binnen een redelijke termijn in ontwikkeling moeten worden genomen. De focus blijft vooralsnog liggen op binnenstedelijke ontwikkelingen, waarbij ook plannen in bestaand (leegstaand) vastgoed en plannen die passen binnen geldende bestemmingsplannen. Samenwerkingspartijen, zoals de woningcorporaties, (zorg)partners en marktpartijen, zullen om hun expertise worden gevraagd bij het opstellen van de nieuwe woningbouwprogrammering. Volgens de provinciale prognose is er in de gemeente Roosendaal tot 2040 ruimte voor het bouwen van 4.550 nieuwe woningen. Concreet betekent dit dat er gemiddeld zo'n 225 nieuwbouwwoningen per jaar kunnen worden opgeleverd. Roosendaal zal volgens het laatstgehouden woningmarktonderzoek in de komende jaren vooral te maken krijgen met een tekort aan huurappartementen in alle prijscategorieën en goedkope en
21/60
middeldure koopappartementen. Daarnaast zal er een overschot ontstaan aan middeldure en dure grondgebonden koopwoningen. Uit het woningmarktonderzoek wordt onder andere geconcludeerd dat verbetering van kwaliteit in bestaande buurten en wijken wordt bereikt door binnenstedelijke transformatie. Roosendaal heeft een tekort aan appartementen. Ook is er behoefte aan woningen en woonvormen voor kleine huishoudens, met name voor de groep ouderen, ook in relatie met zorg. Woningbouwprogrammering 2022 gemeente Roosendaal De woningbouwprogrammering 2022 geeft aan met welke nieuwbouwontwikkelingen er in de komende jaren een bijdrage wordt geleverd aan een evenwichtige en toekomstbestendige woningmarkt van de gemeente Roosendaal, en is één van de actiepunten uit de woonagenda 2021-2025. Volgens de recente woningbehoefteprognoses van de provincie, zal de komende 20 jaar in de gemeente Roosendaal behoefte zijn aan 4.550 woningen (peildatum 1-1-2020). Dit betekent een extra toevoeging van 12% aan de nu bestaande woningvoorraad. In dit prognosecijfer, welke leidend is bij het opstellen van het Roosendaalse nieuwbouwprogramma, is geen rekening gehouden met een extra ambitie; mogelijke woningbouwafspraken, die als gevolg van de Verstedelijkingsstrategie met het Rijk zullen worden gemaakt. De op te stellen Regionale Investeringsagenda (RIA West-Brabant) zal hier verder inzicht in geven.
Door de enorme druk op de woningmarkt is het nodig om eerder en nieuw geplande woningbouw versneld tot ontwikkeling te brengen. Met name op de korte termijn, maar natuurlijk ook op de langere termijn is een goede planning en directe sturing noodzakelijk om dit daadwerkelijk te kunnen realiseren. De woningbouwprogrammering 2022 is een evenwichtige planning van nieuwbouw, uitgesplitst per jaar tot en met 2026, en met een doorkijk naar 2027-2031 en de jaren daarna. Naast de kwantitatieve en kwalitatieve vraag is bij het opstelling van het programma gekeken naar locaties die het meest kansrijk zijn, zodat oplevering binnen geplande termijnen kan worden waargemaakt. Met een jaarlijkse update van het woningbouwprogramma wordt de planning van de toekomstige woningbouwontwikkelingen actueel gehouden. Op basis van de woningbouwprogrammering worden tot 2026 2.499 woningen opgeleverd, tot 2030 562 woningen en 250 woningen na 2030. De voorgenomen ontwikkeling van de Fatimakerk is als ontwikkellocatie opgenomen in het woningbouwprogramma. Het aantal woningen moet hier nog wel aan toegevoegd worden. Woonzorgvisie Gezond wonen en leven in Roosendaal (2021) In de woonzorgvisie schetst de gemeente hoe ervoor gezorgd kan worden dat inwoners van Roosendaal gezond kunnen wonen en leven en hoe zij oud kunnen worden in een geschikt huis.
De visie beschrijft de kaders die een opmaat zijn naar een inclusievere leefomgeving voor de inwoners. Met geschikte woningen waar mensen zich thuis kunnen voelen en waar mensen voldoende ondersteuning krijgen om mee te kunnen doen en een gezond en zinvol bestaan te kunnen leiden, daar heeft de gemeente een belangrijke rol in. Uitgangspunten als levensloopbestendige woningen, gelegenheid voor ontmoeting, en voorzieningen in de
22/60
buurt worden vertaald in woningbouwprogramma's en -plannen. Zo wordt ook het samenspel tussen gemeente, zorgaanbieders, woningbouwcorporaties, projectontwikkelaars, enz., geoptimaliseerd. Roosendaal is een gemeente waar iedereen zich thuis moet kunnen voelen. Dat vraagt om maatwerk dat inspeelt op specifieke wensen van inwoners. De opgave is enerzijds kwantitatief: genoeg aanbod van geschikte woningen. Maar ook kwalitatief. Inclusief samenleven geldt natuurlijk voor meer mensen dan alleen ouderen. Denk bijvoorbeeld aan inwoners die vanuit een instelling (weer) zelfstandig gaan wonen en alle kwetsbare doelgroepen die een passende woning nodig hebben. Dit zijn inwoners met een verstandelijke, zintuiglijke of lichamelijke beperking. Als er een cluster van ouderenwoningen of zorgwoningen is voorzien op een bepaalde locatie moeten er in de buurt genoeg faciliteiten zijn, zodat het goed wonen is voor ouderen. Denk hierbij aan medische voorzieningen en ontmoetingsplekken, zoals sportvoorzieningen, winkels en een OV-halte in de buurt. Conclusie De gemeente Roosendaal heeft een flinke woningbouwopgave. Tot 2040 is er behoefte aan toevoeging van 4.450 woningen. De toekomstige ontwikkeling kan met het toevoegen van 66 (zorg)woningen een bijdrage leveren aan de invulling van de woningbehoefte en het toevoegen van harde plancapaciteit.
Daarnaast wordt ook ingespeeld op de kwalitatieve behoefte. In Roosendaal is met name een tekort aan huurappartementen, in alle categorieën. Met de ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan deze invulling van de woningbehoefte. Daarnaast past de ontwikkeling bij de woonagenda door uit te gaan van een binnenstedelijke transformatie van cultuurhistorisch erfgoed. Daarbij wordt uitgegaan van woonruimte voor kwetsbare doelgroepen. Er wordt ruimte gerealiseerd voor intramuraal (zorg)wonen, in combinatie met regulier wonen (met desgewenst zorg nabij). Door in het concept gemeenschappelijke ruimtes, semipublieke en maatschappelijke functies te integreren wordt bijgedragen aan een meer inclusieve samenleving. Daarmee wordt invulling gegeven aan de ambities uit de woonzorgvisie. Met de ontwikkeling is sprake van zowel een kwantitatieve als kwalitatieve behoefte. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling voldoet aan de (uitgangspunten van de) ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zijn vier hoofdopgaven te onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: werken aan de Brabantse energietransitie; werken aan een klimaatproof Brabant; werken aan de slimme netwerkstad; werken aan een concurrerende, duurzame economie. Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die
23/60
passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt.
3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: Iov N-B) vastgesteld. Op 1 januari 2023 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Iov N-B is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de huidige Verordening ruimte. De Iov N-B is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van Iov N-B zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die nu nog zijn opgenomen in de Verordening ruimte. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd.
Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Voor het planvoornemen is met name relevant dat de projectlocatie op het kaartmateriaal als toebehorend aan de IOV is gelegen in 'Stedelijk gebied', 'Concentratiegebied'. In de IOV is een basisregeling geformuleerd voor een duurzame stedelijke ontwikkeling. Uitgangspunt is daarbij dat eerst de mogelijkheden in stedelijk gebied worden benut, of de mogelijkheden in leegkomend of leegstaand erfgoed elders in de gemeente. Als daarbinnen vanuit kwalitatieve of kwantitatieve overwegingen geen ruimte beschikbaar is, kan een afweging worden gemaakt voor nieuw ruimtebeslag (in de zoekgebieden verstedelijking / verstedelijking afweegbaar). 3.2.3 Toetsing Omgevingsvisie en omgevingsverordening Het voornemen ziet op de herbestemming van leegstaand cultuurhistorisch waardevol erfgoed, binnen het bestaand stedelijk concentratiegebied, voor het invullen van een behoefte, namelijk (woon)zorg, wonen en maatschappelijke functies. Dit is bij uitstek passend in de provinciale beleidsuitgangspunten. Het betreft bovendien een duurzame stedelijke ontwikkeling vanwege de intensivering van het bestaand stedelijk gebied.
24/60
3.3
Intergemeentelijk en regionaal beleid
De gemeente Roosendaal werkt bij het formuleren en uitvoeren van bepaalde beleidsthema's regionaal samen met andere gemeenten. Het samenwerkingsverband is de Regio West-Brabant. Het beleid van de Regio West-Brabant krijgt vorm binnen programma's. 3.3.1 Programma Ruimtelijke Ontwikkeling en Wonen Het programma Ruimtelijke Ontwikkeling en Wonen is één van die programma's. Het heeft tot doel: het op doelmatige wijze bewerkstelligen van beleidsinhoudelijke afstemming en samenwerking tussen de deelnemers op verschillende beleidsterrein van Ruimtelijke Ontwikkeling en Wonen; het voor de deelnemende gemeenten die dit wensen, binnen het Thema Wonen uitvoering geven aan de (sub)regionale volkshuisvestingstaken waarvan de betreffende gemeenten hebben besloten deze gezamenlijk uit te voeren.
Taken van het programma Ruimtelijke Ontwikkeling en Wonen zijn: het zorgdragen voor overleg en advies met betrekking tot de beleidsterreinen Ruimtelijke Ontwikkeling en Wonen; het dienen als platform voor informatie uitwisseling waarop de voortgang van lopende majeure projecten en programma's, voor lobby en het organiseren van netwerken in politiek en samenleving en voor de bepaling van inhoudelijke standpunten en advisering aan bestuur en colleges bij Ruimtelijke Ontwikkelingen en Wonen, zowel op regionaal, provinciaal en rijksniveau; het uitvoeren van de regionale agenda Wonen en het in opdracht van de betrokken gemeenten uitvoeren van het Besluit Woninggebonden Subsidies. Binnen het programma is een gezamenlijk (regionaal) visiedocument ontwikkeld en vastgesteld, de Ruimtelijke Visie West-Brabant 2030. 3.3.2 De Ruimtelijke Visie West-Brabant 2030 De Ruimtelijke Visie West-Brabant 2030 beschrijft – met een doorkijk naar 2040 – de koers van de regio in een ruimtelijk casco. Dat casco biedt een gemeenschappelijk kader voor de samenwerkingspartners in de aanpak van opgaven die uiteengezet zijn in de ruimtelijke agenda. Het is de koers van West-Brabant, waarin bestaande ambities gekoppeld zijn aan strategische keuzes ten aanzien van structurele veranderingen op langere termijn.
De visie schetst een toekomstperspectief, ontstaan vanuit de collectief gevoelde noodzaak om als gemeenten op ruimtelijk gebied meer samen te werken. Maar ook, om op te trekken met andere belanghebbenden zoals de betrokken provincies, waterschappen en maatschappelijke organisaties om een verdere, duurzame ontwikkeling van de regio gestalte te geven. De ruimtelijke visie is geen ruimtelijk plan in de zin van de Wet ruimtelijke ordening, maar een samenwerkingsprogramma van overheden. De visie krijgt dus geen formele juridische status, maar dient te worden beschouwd als een richtinggevend denkkader en gezamenlijke regionale koers die ook als bouwsteen is ingebracht in de nieuwe structuurvisie RO van de provincie Noord-Brabant. De ruimtelijke visie is daarnaast leidraad bij het opstellen van gemeentelijke structuurvisies en uitvoeringsplannen van de waterschappen.
25/60
De visie gaat over het samen werken aan het waarborgen van kwaliteiten, het oplossen van (toekomstige) knelpunten en het verantwoord uitnutten van potenties vanuit een actieve houding. De visie is opgetekend in twee delen: visie en inspiratie. Het visiedeel bevat de gezamenlijke wilsuitingen van de samenwerkingspartners, de 19 betrokken gemeenten, waterschappen en het sociaal economisch samenwerkingsverband West-Brabant (SES). Het verklaart, volgens het voorwoord, de koers van de regio in tien stellingen: 1. centraal wat moet, decentraal wat kan; 2. West-Brabant als zelfbewuste regio in een veranderend krachtenveld; 3. versterken van de regionale identiteit met gebiedsgerichte ontwikkelingsstrategieën; 4. ruimtelijke ontwikkeling volgt vanuit een visie op duurzaamheid; 5. water, natuur en landschapsambities zijn de basis voor een goed gefundeerde toekomst; 6. nieuwe verbindingen en het oplossen van knelpunten voor personen- en goederenvervoer; 7. economische structuur wordt versterkt door regionale specialisaties; 8. een aantrekkelijke woonregio door het profiel als tuin van de delta; 9. spreiding van voorzieningen, betere bereikbaarheid en de leefbaarheid op peil; 10. toeristisch recreatieve identiteit en meerwaarde van routes en nieuwe ontwikkelingen. De visie ziet de streek als een aantrekkelijke woonregio die zich actief open stelt voor nieuwe inwoners.
Hiermee wordt vooralsnog ingezet op groei van de bevolking, door arbeidsmigratie en het (extra) aantrekken van doelgroepen die passen bij het dubbelprofiel als hecht netwerk in de tuin van de delta. De unieke afwisseling van landelijke en stedelijke gebieden in onderlinge nabijheid en afhankelijkheid en een bijbehorende differentiatie naar nieuwe woon- en leefmilieus past daarbij. De bijbehorende woningbouwopgave wordt gezien als een kwalitatieve marktvraag, waarbij het onderscheid in verschillende subregionale woningmarkten met een eigen, herkenbare problematiek van belang is. De regio onderkent echter ook het vooruitzicht van demografische krimp, die op termijn voor grote delen van Nederland gevolgen zal hebben. Hiervoor wordt een actieplan regionale krimp/groei opgesteld. Toetsing Het onderhavig plan geeft invulling aan meerdere doelstellingen van de visie: het plan draagt bij aan de woningbouwopgave; zorg voor behoudt en versterking van cultureel erfgoed; houdt maatschappelijke voorzieningen in stand. Conclusie Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat het plan past binnen de doelstellingen van het regionale beleid.
26/60
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Roosendaal 2025 In de Structuurvisie Roosendaal 2025 wordt aangegeven dat Roosendaal in 2025 een stad van mensen, van wonen en van (net)werken zal zijn. Om dit te bereiken, zal Roosendaal de komende jaren moeten inspelen op trends als ontgroening, vergrijzing, globalisering, individualisering, informatisering, veranderingen in mobiliteit en bereikbaarheid en decentralisatie van overheidstaken én hier duurzame antwoorden op moeten dichten. Roosendaal kiest bij deze veranderingen voor 'behoud en versterken van de kwaliteit van stad en dorpen' door vernieuwing en transformatie. De identiteit van Roosendaal en de ontwikkeling naar een netwerksamenleving zijn hierbij leidende principes. Strategische keuzes voor het toekomstig ruimtegebruik worden onder andere beïnvloed door demografische ontwikkelingen van ontgroening en vergrijzing. Ook die ontwikkelingen leiden ertoe dat Roosendaal niet in de eerste plaats aan méér woningen en méér bedrijventerreinen moet denken, maar aan omvormingen, herstructurering en transformatie. Op het gebied van ruimtelijke ordening wil de gemeente een uitnodigende partij voor maatschappelijke partners zijn. Roosendaal heeft daartoe twee beleidsuitgangspunten geformuleerd: een duurzame ontwikkeling van een compact, compleet en verbonden Roosendaal; een haalbare en betaalbare lokale ruimtelijke ontwikkeling.
De duurzame ontwikkeling van een compacte, complete en verbonden stad leidt volgens de visie tot fundamentele keuzes, zoals: bouwen binnen de stedelijke contouren van de stad om zo bestaande infrastructuren optimaal te benutten; zuinig/duurzaam ruimtegebruik, waarbij efficiënt gebruik en hergebruik van bestaande ruimte en bebouwing het uitgangspunt is; gebruikmaken van de kwaliteit van de locatie; leefbaarheid van wijken en dorpen waarborgen door behoud en versterking van collectieve openbare ruimte, het behouden van de groenblauwe structuren en het wegnemen van infrastructurele barrières i.c. het uitplaatsen van de A58 en het goederenvervoer per spoor naar buiten het stedelijk gebied; de kwaliteit van de locatie is mede bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden of initiatieven; de identiteit van stad en dorpen versterken door het handhaven en versterken van de landschappelijke en cultuurhistorische basis structuren in het buitengebied en de bebouwde omgeving; groen/blauwe hoofdstructuren in het stedelijk gebied behouden als verbinding met het buitengebied; het sturen van nieuwbouw op basis van strategisch voorraadbeheer; bij ruimtelijke ingrepen de mogelijkheden voor energietransitie en bodemenergie optimaliseren; bijdragen aan sociale veiligheid door integratie van dit beleidsveld in het ruimtelijk ontwerp van gebouwen en openbare ruimte.
Toetsing Bouwen binnen de bestaande stedelijke contouren wordt gezien als een per definitie duurzame ruimtelijke ordening. Er wordt gebruikgemaakt van de cultuurhistorische bebouwing en kwaliteiten van het plangebied.
27/60
3.4.2 Welstandsnota De welstandsnota Roosendaal 2013 bevat het toe te passen kader voor de welstandstoets bij het aanvragen van een omgevingsvergunning. De nota benadrukt de eigen verantwoordelijkheid van de burger, die voldoende ruimte moet krijgen voor eigen initiatief. Een groot deel van de gemeente wordt minimaal getoetst op welstand. Het doel is in deze gebieden slechts het voorkomen van excessen. Tegelijkertijd leeft de wens enige grip te houden op de gebieden (en routes) die het gezicht van de gemeente bepalen en/of een cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen. Volgens de wet (Wro) moet een bouwplan voldoen aan redelijke eisen van welstand, tenzij de gemeente van oordeel is dat in afwijking hiervan de vergunning toch moet worden verleend. Deze redelijke eisen van welstand betreffen het bouwwerk op zichzelf en in zijn omgeving. In de welstandsnota is dit vertaald in een nadruk op de beleving van de bebouwing vanuit de openbare ruimte en het landschap. Bouwdelen in het zicht zijn belangrijker voor het algemeen belang dan bouwdelen die aan het oog onttrokken zijn. De gemeente heeft in het welstandsbeleid met name het algemeen belang op het oog. In de beschrijvingen en criteria wordt daarom in ieder geval de invloed van een plan op het straatbeeld en het aanzien van de gemeente als geheel gewogen.
Naarmate een plan meer invloed heeft op de identiteit van de gemeente zullen er meer aspecten worden betrokken bij de beoordeling en zal er zo nodig zorgvuldiger worden gewogen. Toetsing Er is veelvuldig overleg gevoerd met de CRK ten aanzien van de renovatie van de cultuurhistorische bebouwing en de nieuwbouw. De uitslag van dit overleg is opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting op het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om verslagen van 6 en 13 juli. Op basis van die verslagen is er nog geen definitief akkoord van de CRK. Ten behoeve van de bestemmingsplanprocedure is er echter ook geen definitief akkoord nodig. De CRK moet akkoord gaan met de definitieve omgevingsverguuning voor het bouwen die na het doorlopen van de bestemmingsplanwijziging zal worden ingediend. De uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan staat dan ook niet ter discussie. In het verslag van 13 juli 2022 is een belangrijk standpunt van de CRK opgenomen, namelijk: “De CRK is heeft waardering voor de presentatie en de ontwikkeling van het plan. In hoofdlijnen is het voorgestelde plan voorstelbaar, mits er op de hieronder benoemde aandachtspunten gereageerd wordt.” De CRK heeft aangegen in principe akkoord te zijn met het verder uitwerken van de plannen en dat zij bij formele indiening van de omgevingsvergunning voor het bouwen graag nogmaals overleggen.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het ontwerp in principeaansluit op de uitgangspunten van de welstandsnota maar in het kader van de omgevingsverguning voor het bouwen nog wel nadere uitwerking behoeft.
28/60
3.4.3 Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2020-2023 Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2020-2023 is een strategisch beheerplan waarin de zorgplichten van de Gemeente Roosendaal zijn vastgelegd voor het afval-, hemel- en grondwater. In de Wet milieubeheer en de Waterwet, zijn naast de traditionele gemeentelijke zorg voor afvalwater expliciet zorgplichten benoemd voor hemelwater en grondwater. In het Bestuursakkoord Water 2011 zijn afspraken opgenomen om in de afvalwaterketen de doelmatigheid en kwaliteit te verhogen en de kwetsbaarheid te verminderen. Binnen de afvalwaterketen zal de samenwerking met het waterschap en de regiogemeenten (Waterkring West) worden geïntensiveerd om beleidsuitgangspunten en ambities zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen. In het VGRP 2020-2023 is opgenomen: hoe de gemeente de komende jaren het gemeentelijk rioleringsstelsel gaat beheren en onderhouden; welke maatregelen de gemeente neemt om wateroverlast door intensieve regenbuien (klimaatverandering) te voorkomen; hoe de gemeente omgaat met de zorg voor regenwater; hoe de gemeente omgaat met de zorg voor grondwater in het stedelijk gebied; hoe de gemeente invulling wil geven aan de samenwerking in de Waterkring West om uitvoering te geven aan het Nationaal Bestuursakkoord Water. In het VGRP 2020-2023 zijn doelstellingen voor de komende jaren vastgesteld.
Daarbij is op basis van de gekozen strategie op hoofdlijnen aangegeven welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de gestelde doelen te bereiken en welke (financiële) middelen daarvoor nodig zijn. Hierbij worden ook de gevolgen voor de rioolheffing voor burgers en bedrijven aangegeven. Op welke wijze de noodzakelijke maatregelen, zoals riolering vervangen of hydraulische maatregelen, zullen worden uitgevoerd, worden in latere operationele plannen opgenomen. Met behulp van het VGRP 2020-2023 worden de volgende doelstellingen en maatregelen nagestreefd: doelmatige inzameling van binnen het stedelijk gebied geproduceerde stedelijk afvalwater; doelmatige inzameling en verwerking van overtollig hemelwater; doelmatig transport van het stedelijk afvalwater; voorkomen van vuiluitworp naar bodem, grond- en oppervlaktewater; invulling geven aan grondwaterzorgplicht; minimale overlast voor de omgeving; doelmatig en effectief rioleringsbeheer op basis van het Bestuursakkoord Water. Toetsing Toetsing van het watersysteem vindt plaats in paragraaf 4.1. Conclusie Het plan voldoet daarmee aan de doelstellingen van gemeentelijk (ruimtelijk) beleid.
29/60
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Waterparagraaf
Aanleiding De voorgenomen ontwikkeling van woningen, zorgwoningen en maatschappelijke functies past niet in het vigerende bestemmingsplan. Hiervoor is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld. Het plangebied ligt in het beheergebied van het waterschap Brabantse Delta. Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken, beheer van vaarwegen en nautisch beheer. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.
De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk geregeld dat in alle ruimtelijke plannen een watertoets dient te worden uitgevoerd.
Het doel van de Watertoets is in een vroeg stadium waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar te maken en evenwichtig mee te nemen bij ruimtelijke plannen. Aspecten waaraan plannen worden getoetst
30/60
zijn: inzameling en afvoer van afvalwater; verwerking en/of afvoer van overtollige neerslag; relatie met grondwater en bodemeigenschappen; relatie met de waterhuishouding; risico's en gevolgen voor de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater (KRW). Plannen worden getoetst aan het beleid van de gemeente Roosendaal en van waterschap Brabantse Delta. De uitgangspunten van de gemeente zijn door de raad vastgesteld in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP, zie ook paragraaf 3.4.3). Proces Sinds het voorjaar van 2003 worden in de gemeente Roosendaal alle nieuwe gemeentelijke ruimtelijke plannen besproken in het 'waterpanel Roosendaal'. De werkwijze van het waterpanel is vastgelegd in het 'Handboek bij de watertoets bij de Gemeente Roosendaal'. Naast enkele gemeentelijke afdelingen nemen het waterschap en de vaste adviseurs van de Gemeente Roosendaal éénmaal per kwartaal deel aan het overleg. In dit overleg wordt algemene informatie uitgewisseld, complexe projecten doorgesproken, algemene beleidsuitgangspunten doorgenomen en procesafspraken bijgesteld. Op basis van het (gemeentelijk) beleid en aan de hand van opmerkingen en aanvullingen van de waterbeheerder formuleert de gemeente een waterparagraaf bij de RO-procedure.
Ook wordt de waterbeheerder bij een bestemmingsplanprocedure (via een video-overleg of e-mail) de mogelijkheid geboden om tijdig zijn overlegreactie te geven op concepten. Indien de gemeente in de definitieve waterparagraaf afwijkt van het advies van het waterschap, wordt deze afwijking in de waterparagraaf expliciet gemotiveerd. Voorliggende waterparagraaf is in concept per e-mail voorgelegd aan het waterschap. Huidige situatie Tabel 4.1. Bodemopbouw diepte (m -NAP) 0 circa 10
circa 10-40 40-85 85-110 110 -> 150
31/60
laagaanduiding deklaag
lithologische omschrijving samenstelling veel storende klei/veenlagen met sterk wisselende diepteligging en dikte e 1 watervoerend pakket 'Middelste Fijn' fijn zand met klei, leem of (minder goed doorlatend) zandige kleilaagjes e 1 watervoerend pakket 'Onderste Grof' matig grof zand met (goed doorlatend) schelpen of schelpengruis scheidende laag afzetting van Kallo klei met schelpen of schelengruis e 2 watervoerende pakket zanden van Kattendijk matig fijn zand met schelpen of schelpengruis
Vanwege de ligging in bebouwd gebied is het plangebied niet gekarteerd op de bodemkaart van Nederland. Het maaiveld ligt op circa 4 m t.o.v. NAP. Rioolstelsel Het plangebied is gelegen in rioleringsgebied A3. In dit rioleringsgebied is gemengde riolering aanwezig. Het plangebied ligt niet in kwetsbaar gebied. Oppervlaktewater Er is geen oppervlaktewater aanwezig in of nabij het plangebied. Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszones zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen het plangebied. Grondwater Conform de milieuverordening van de provincie Noord-Brabant, ligt het plangebied niet in een grondwaterbeschermingsgebied of kwetsbaar gebied. Toekomstige situatie Er worden woningen, zorgwoningen en maatschappelijke functies gerealiseerd. Er is met de toekomstige ontwikkeling sprake van toename van verharding. Hierdoor zijn watercompenserende maatregelen nodig. Rekenregel uit Keur voor berekenen benodigde compensatie: Benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m). In de bestaande situatie is sprake van 1.276 m² aan verharding en bebouwing.
Deze verharding en bebouwing bestaat uit de bestaande parkeerplaatsen, bestaande paden en het Fatimahuis. Deze oppervlakte is exclusief de kerk zelf, de bestrating daaromheen en exclusief de pastorie. Deze onderdelen blijven in de nieuwe situatie namelijk behouden. In de nieuwe situatie worden de parkeerterreinen geoptimaliseerd en kimaatadaptief gemaakt. Het parkeerterrein wordt opnieuw ingericht met waterdoorlatende bestrating. De verharding ten behoeve van parkeren bedraagt in de beoogde situatie in totaal 1.287 m². Aangezien dit waterdoorlatende bestrating is telt die oppervlakte voor 50% mee in de berekening. Dat komt neer op 644 m² Daarnaast wordt een nieuw gebouw gerealiseerd. Dit gebouw heeft een oppervlak van 1.200 m². In deze berekening gaan we verder uit van een maximale oppervlakte van 500 m² aan verharding en bijbehorende bouwwerken in de binnentuin. In totaal is in de nieuwe situatie sprake van een bebouwd en verhard oppervlak van 2.344 m². Een toename van 1.068 m² dus. De benodigde compensatie bedraagt daarmee 1.068 x 0,06 = 64,08 m³. De groenvoorziening aan de zijkant van de kerk zal worden heringericht met een wadi met een minimale
32/60
capaciteit van 65 m³. Hier is voldoende ruimte voor een wadi met een dergelijke capaciteit. Daarmee wordt voldaan aan de eisen van de gemeente en het waterschap. Overigens wordt ook onderzocht of het hemelwater van de kerk kan worden afgekoppeld op deze wadi. De wadi zal in dat geval ook een grotere capaciteit moeten krijgen. Rioolstelsel Het regenwater van het dak- en terreinoppervlak van de nieuwbouw wordt apart ingezameld en zal worden afgekoppeld om ter plaatse te infiltreren door middel van een wadi in de gronezone naast de kerk. Het afvalwater wordt afzonderlijk ingezameld en afgevoerd naar de gemengde riolering. Oppervlaktewater Het plangebied bevindt zich niet in de beschermingszone van oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen. Risico's en gevolgen voor de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater (KRW) Conform het beleid van het waterschap wordt bij de ontwikkelende partij aandacht gevraagd voor het gebruik van milieuvriendelijke materialen en het achterwege laten van uitlogende materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Dit kan echter niet afgedwongen worden. De toe te passen bouwmaterialen moeten namelijk getoetst worden aan het Bouwbesluit. Dit is een landelijke regeling. De wetgever biedt geen mogelijkheden om vanwege de mogelijke uitloging van materialen, aanvullende eisen te stellen ter bescherming van bijvoorbeeld het milieu.
Bouwmaterialen Bij de realisatie van de nieuwbouw zullen milieuvriendelijke bouwmaterialen worden gebruikt en zullen geen uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC worden gebruikt. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Conclusie Vanuit de eisen van het waterschap is watercompensatie in het kader van de voorgenomen ontwikkeling noodzakelijk. Daarnaast is in het plangebied geen oppervlaktewater gelegen. Het plangebied bevindt zich ook niet in de beschermingszones van waterkeringen/oppervlaktewater. Ter compensatie van de extra verharding en bebouwing binnen het plangebied zal in de groenzone een wadi worden aangelegd met een minimale capaciteit van 65 m³. Daarmee wordt voldaan aan de eisen van de gemeente en het waterschap.
4.2
Ecologie
Ter voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat de vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.
33/60
Toetsingskader Bij de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantsoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Noord-Brabant uitgewerkt in het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten.