Brief wethouder Van Ginderen - Rapport Eigenwijs Transformeren en doorbraakaanpak Kwestbare Kinderen.pdf
Tekst van het document
Opvallend was bovendien dat in een aantal gemeenten deze visie ook expliciet vanuit de backoffice werd benoemd. Sterker nog, het onderscheid tussen beleid en backoffice was in deze gemeenten min of meer afwezig. De backoffice, soms ook regionaal georganiseerd, kon ook een bijdrage leveren aan het versoepelen van administratieve processen en voorkomen dat dit teveel tijd vroeg van de professionals in de toegang.
19
Gemeenten zijn opdrachtgever en hebben een sterke positie in het netwerk Het merendeel van de gemeenten (en in sommige gevallen de regio waarin de gemeenten samenwerken) wordt door aanbieders en professionals gezien als betrouwbare, rechtvaardige en soms veeleisende opdrachtgever. De sturing is echter niet alleen maar hiërarchisch vanuit een zogenaamde principaal-agent relatie gedacht, d.w.z. dat aanbieders niet slechts gevraagd wordt om een taak uit te voeren. Deze gemeenten realiseren zich dat zij voor inhoudelijke kennis en kunde afhankelijk zijn van professionele aanbieders en volgen daarmee veel meer een principaal-steward model. Ze voelen zich met name procesverantwoordelijk, vertrouwen professionals in hun kunde en kennis en kijken ook naar de langere termijn (Van Thiel & Hendriks, 2014). Eén van de gemeenten gaf treffend aan: wij zorgen dat professionals het werk kunnen uitvoeren waar zij goed in zijn. Verder hebben de gemeenten een sterke positie in het netwerk. Zowel op niveau van het constitueren van het netwerk als op het niveau van interactie- en procesmanagement De gemeente wordt niet alleen gezien als opdrachtgever, maar ook als belangrijke partner in het netwerk. Men vertrouwt erop dat je er nooit alleen voorstaat en weet wie te bellen. Er is een bepaalde laagdrempeligheid en toegankelijkheid en die is er door alle niveaus heen in deze gemeenten.
Er wordt mandaat gegeven of georganiseerd waar dat nodig is. De lijnen zijn kort, ook met de backoffice. Dit vraagt dus ook een veranderende organisatie van de gemeente zelf. Ambtenaren geven aan dat zij zich bewust zijn van de grenzen van hun kennis en informatie. In een aantal gemeenten zien we dat er bijvoorbeeld personele uitwisseling is tussen gemeente en het professionele veld (over en weer). Dat draagt bij aan kennis van elkaars’ mogelijkheden en kennis van zaken. De praktijken van de deelnemende gemeenten staan hiermee haaks op de veel gehoorde risico-regelreflex waar gemeenten inschieten zodra ze zien dat tekorten oplopen. De geportretteerde gemeenten kiezen ervoor niet in die reflex te schieten, maar vanuit vertrouwen in elkaars toegevoegde waarde en in gezamenlijkheid naar oplossingen te zoeken.
Cyclisch proces van monitoren, sturen en verantwoording De geportretteerde gemeenten monitoren allemaal, maar ook hier weer op eigen wijze en met zeer uiteenlopende mate van intensiteit. De gemene deler is dat ze zorgen voor hun eigen informatievoorziening en de monitoringsinformatie, die bestaat uit zowel cijfers als verhalen (tellen en vertellen), ook regelmatig met aanbieders bespreken. Zo houden ze de vinger aan de pols, kunnen tijdig bijsturen waar nodig en bouwen alsmaar meer kennis op. In de loop van de jaren is de informatiepositie sterk verbeterd. ‘Afwijkingen’ van prognoses of ontwikkelingen zijn de aanleiding tot gesprek en leiden tot interventies gericht op aanpassingen in uitvoering, organisatie of beleid. In al deze gemeenten wordt die kennis tevens met regelmaat gedeeld met de verantwoordelijke wethouder(s) en de gemeenteraad. Er zijn weinig tot geen formele klachten over de jeugdhulp bij de deelnemende gemeenten. Professionals geven aan dat zij ontevredenheid bij inwoners meestal vroegtijdig opmerken en hierop inspelen, zodat het vrijwel nooit escaleert naar formele klachten. Goed contact met inwoners is hierbij belangrijk. Wanneer er toch een formele klacht wordt ingediend, wordt deze benut om ervan te leren met elkaar. Verantwoording is in deze gemeenten gericht op leren in plaats van afrekenen.
Het betrekken van de gemeenteraad versterkt de democratische legitimatie van het beleid en de uitvoering. De gemeentelijke organisatie van deze gemeenten kan worden getypeerd als een open bureaucratie, een bureaucratie die nauwe relaties onderhoudt met het veld. Interessant in dit kader is ook om te horen hoe deze gemeenten omgaan met landelijke richtlijnen en onderzoeksrapporten. Ook hier zie je terug dat hun eigen visie, waarden of leidraden waarlangs gewerkt wordt leidend zijn. Ze kijken welke elementen uit landelijke rapporten bij hen passen en nemen dat mee. Deze gemeenten zijn niet voor een Rijk dat regels voorschrijft, zijn daar zelfs beducht voor, maar ziet wel een faciliterende en stimulerende rol voor het Rijk. Vraag blijft wat te doen met gemeenten waarbij het onvoldoende lukt 20
om tot een beheersbare transformatie te komen. De door ons onderzochte gemeenten geven aan dat zij bevreesd zijn voor van bovenaf opgelegde generieke maatregelen die eigenlijk gericht zouden moeten zijn op de ‘achterblijvende’ gemeenten (ook in de eigen regio) maar ook hen raken. Het opleggen van verplichte regionale samenwerking kan bijvoorbeeld de huidige samenwerkingsverbanden verstoren en voordelen van kleinschaligheid en lokale identiteit in beleid wegnemen. Gemeenten staan sterk in hun regio De verhouding tussen de geportretteerde gemeenten en de regio’s waarin ze samenwerken en hoe die processen zijn ingericht lijken op het eerste gezicht sterk van elkaar te verschillen. Ook in de bekostigings- en sturingsmodellen zien we een verscheidenheid. Het specifieke model lijkt er dus niet zoveel toe te doen. Wat we wel zien is dat alle vijf de gemeenten werken vanuit een relationeel netwerkperspectief. Er wordt een duurzame relatie opgebouwd met (in ieder geval de grootste) aanbieders. Vaak is er een lange contractduur met aanbieders. Meerdere gemeenten hanteren een open house constructie, wat de zekerheid biedt aan aanbieders dat ze voorlopig meedoen.
Gemeenten met open house constructie hebben geregeld contact met de belangrijkste aanbieders en overleggen niet alleen over operationele en/of contractuele zaken maar ook over meer constitutionele aspecten van het zich ontwikkelende lokale jeugdzorgstelsel. Ze vragen zich bijvoorbeeld af hebben we het goed geregeld met elkaar en welke ruimte is er binnen de jeugdwet om gewenste ontwikkelingen door te voeren. Alle deelnemende gemeenten houden ruimte voor kleine aanbieders, vrijgevestigde praktijken, die specifieke deskundigheid en zorg kunnen leveren. Deels zijn van oorsprong kleinere aanbieders ook gegroeid. Schaal doet er toe. En daarmee ook de regionale verhoudingen en de wijze waarop gemeenten zich tot hun regio verhouden. Dat doen ze op eigen wijze,
voor waar het toegang betreft en voorliggend veld. Deze gemeenten houden niet van veel gesteggel over het juiste inkoopmodel, juist ook omdat ze daarin vaak een duidelijke keuze hebben gemaakt. Vanuit één van de gemeenten kwam zelfs een stevig pleidooi voor één nationaal inkoopmodel. Daarbinnen is dan nog voldoende mogelijk voor het inrichten van contractuele relaties, zo gaf men daar aan. Deze gemeenten kiezen liever voor het door ontwikkelen vanuit de inhoud zoals in hun eigen stelsel/systeem (vanuit preventie en toegang gedacht: Zaltbommel, Deventer, Peel en Maas). Daar waar regio en gemeente samenvallen (Utrecht, Deventer voor Passend onderwijs) of waar een gemeenschappelijke visie is in regiogemeenten, worden verrassend snelle en succesvolle ontwikkelingen gerealiseerd. Soms gaat het denken van gemeenten samen, maar dan is het de eigen gekozen en positief ervaren schaal (Roosendaal). Het is belangrijk voor deelnemende gemeenten dat er congruentie is in ideeën tussen hen en de regio; met andere woorden het regionale beleid dient passend te zijn bij dat van de gemeente. Achterover leunen is het gevaar dat dreigt De geportretteerde gemeenten leren nog elke dag en vinden het ook belangrijk te blijven leren. Echte faalfactoren hebben we in deze gemeenten niet gehoord, maar er zijn wel degelijk zaken waar ze nog mee worstelen of die ze ervaren als knelpunten.
Al zijn die punten heel verschillend in de gemeenten. Waar de één zoekende is naar hoe burgers meer te betrekken bij beleid, of ziet dat de knip tussen een afzonderlijk jeugd- en volwassenenteam misschien toch niet goed werkt, wil de ander verder ontschotten, de samenwerking met scholen en huisartsen verder versterken of meer consistentie creëren op de beleidsafdeling. Allemaal geven ze aan, en dat horen we ook terug in de praktijk, dat achterover leunen op de loer ligt. Als de aandacht even verslapt, dat gaat vanzelf als dingen goed gaan en je er niet alert op bent, dan bestaat het risico dat oud gedrag of denken terugkeert, dat organisatiebelangen of geld weer 21
belangrijker worden dan inhoud en mensen. En dat voorkomen, blijft dus hard werken en in gesprek blijven met elkaar. Om de ontwikkeling richting een beheersbare transformatie van de jeugdhulp ook in niet-deelnemende gemeenten verder te brengen, zijn de beschreven resultaten in dit hoofdstuk hieronder ook handelingsgericht opgeschreven en visueel samengebracht.
10. Monitor op zo’n manier dat er diep(er) inzicht ontstaat bij alle betrokken partijen (dus tellen en vertellen) en doe dat op populatie en op casus niveau. 11. Bespreek en duid die opbrengsten van monitoring met betrokken partijen; betrek Raad en College hierbij. Ontkokeren: 12. Ga door met het verder ontschotten van het sociaal domein.
Betekenis geven / kennis ontwikkelen en delen: 1. 2. 3.
Visie ontwikkelen en uitdragen in samenspraak met strategische partners. Cultiveer die visie in alles wat je doet. Operationaliseer de transformatiedoelen uit de Jeugdwet via concrete experimenten en projecten. 4. Evalueer die experimenten en projecten serieus. De Basis op orde krijgen: 5. 6. 7.
Ontwikkel een sterke toegang waarin lichte ambulante ondersteuning kan worden geleverd. Organiseer liaison posities tussen toegang of lokale teams en huisartsen (POH-jeugd), scholen, etc. Organiseer specialistische expertise nabij de basis, lokale teams of de toegang.
Besturen en verantwoorden: 8. 9.
(Relationeel) contracteren van aanbieders voor een langere tijd met afspraken over gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de transformatie. Positioneer de Backoffice binnen de gemeente als een Frontoffice; zorg dus dat je ook als gemeente toegankelijk bent.
22
Het transformatieschip een voortdurende lerende route Iedereen nog aan boord?
Samen koers bepalen
Blijven ontwikkelen in de praktijk
ERVARE
EN
BIJSTUR
N
Lorem ipsum Lorem ipsum
Terug op koers, visie in zicht!
Consistente
Visie
Altijd in zicht, leidend voor de koers
Obstakels, daar sturen we omheen!
KENNIS
DELEN
Uitwisseling kennis & expertise bespreken & verantwoorden
REN
MONITO
Tellen, vertellen en dialoog
Op het transformatieschip... staat een betrokken gemeente aan het roer is er een nauw verbonden bemanning van professionals is een cultuur van vertrouwen en leren aan boord raakt de visie nooit uit beeld 23
5
Beschouwing
“Under volatile conditions, when no one can know the whole answer to the design question we face, the response to bounded rationality is to find actors who are already solving (part of) the problem we will turn out to be trying to solve.” – Sabel, 2006: 124 In het rapport Sociaal domein op koers? wordt een somber beeld geschetst van een nog altijd gefragmenteerd sociaal domein met een wirwar aan routes en loketten (SCP, 2020). De hoge verwachtingen waarmee zes jaar geleden het ‘transformatieschip’ vertrok, uitgezwaaid door het rijk, moeten volgens het SCP worden getemperd. Het is overigens niet één schip, maar een vloot van om en nabij 350 schepen die onderweg is naar een nog onbekende bestemming. De titel van het SCP rapport leest als een retorische vraag. Een groot aantal gemeenten lijkt aan lager wal te raken of op drift te zijn. Het is zwaar weer en er dreigt een hele armada van gemeenten ten onder te gaan. Hoe moeten we onze bevindingen wegen ten opzichte van de vaak sombere conclusies van eerdere rapporten. Ons onderzoek was er op gericht om lokale mechanismen (zie ook SCP, 2020: 17) op het spoor te komen die kunnen verklaren waarom het in deze vijf gemeenten wel lijkt te lukken. We kunnen uiteraard geen uitspraken doen over andere gemeenten of alle gemeenten. Het is zeer waarschijnlijk dat er in andere gemeenten eveneens inspirerende voorbeelden te vinden zijn.
De conclusie in het AEF rapport Stelsel in groei (2020) dat gemeenten structureel tussen de 1,3 en 1,5 miljard euro tekort komen (AEF, 2020: 37) zullen we in dit rapport niet weerleggen, noch bevestigen. We kunnen ook geen uitspraken doen over welke kosten beheersende maatregelen (zoals genoemd in het AEF rapport) nu een generiek te effect hebben of niet. Noch
doen wij uitspraken over welke preventieve interventies in de jeugdhulpverlening nu bewezen effectief zijn en in hoeverre de inzet van deze verschil maakt. De essentie van onze bevindingen is dat er niet één of meerdere geïsoleerde maatregelen of interventies zijn die het verschil hebben gemaakt in de door ons onderzochte gemeenten. Het gaat veeleer om de complementariteit van maatregelen en interventies en de samenhang daartussen. De lokale mechanismen die wij op het spoor zijn gekomen hangen met elkaar samen en kunnen niet los worden gezien van de context waarin ze werkzaam zijn (Pawson en Tilley, 1997). Recht doen aan de context waarin maatregelen worden genomen behelst het stellen van vragen als: wat werkt voor wie, onder welke omstandigheden, in welke mate, in welke context, en hoe werkt het dan? Dat zijn overigens vragen die gemeenten en hun strategische partners zich keer op keer ook zelf moeten stellen. De transformatie gaat immers met veel normatieve, cognitieve, institutionele en strategische onzekerheden gepaard. Hoe dan ook, het feit dat deze gemeenten hun koers hebben gevonden is niet een kwestie van geluk of toeval. Ze zijn al vroeg aan de gang gegaan met zich voor te bereiden op de transitie (omstreeks 2010) en hebben vanuit een heldere visie vervolgens consistente inrichtingskeuzes gemaakt.
Zo hebben zij een lokaal jeugdstelsel weten te ontwikkelen waarin de jeugdhulp wezenlijk anders wordt georganiseerd en aangestuurd, waarin ruimte is gecreëerd voor professionals om anders (samen) te werken en waarin preventie en vroegsignalering wel degelijk een positief effect hebben. Volgens de analyse van AEF wordt het budgettaire tekort van gemeenten vooral veroorzaakt doordat jeugdigen langer in jeugdhulptrajecten zitten door de stijging van het aantal cliënten jeugdhulp zonder verblijf. De stijging komt volgens AEF niet door een (tijdelijk) stijgende instroom (de boeggolf) maar door een achterblijvende uitstroom en langere jeugdhulp trajecten (een structureel hoger waterpeil). Daardoor zijn de kosten per cliënt gestegen. In het AEF rapport en ook in het SCP rapport worden kanttekeningen geplaatst 24
bij een aantal ‘assumpties’ die achter de beleidstheorie van de transitie schuil gingen. De belangrijkste kanttekening is dat het positieve effect van preventie en vroegsignalering beperkt is en ook dat de verwachtingen van ‘eigen kracht’ moeten worden getemperd. Dat er maar weinig effectief bewezen interventies zijn heeft enerzijds te maken met de specifieke en gedifferentieerde vraag naar jeugdhulp en de aard van jeugdhulpverlening (AEF, 2020) maar ook met de grote latente vraag naar jeugdhulp (op basis van geschatte prevalentie van verschillende DSM-classificaties). Preventie en vroegsignalering hebben zelfs eerder een kostenverhogend effect, aldus AEF. We moeten er echter voor waken om het kind met badwater weg te spoelen. Preventie en vroegsignalering zouden volgens AEF namelijk wel een positief effect kunnen hebben wanneer de toegang tot jeugdhulp in de nabijheid van vindplaatsen van problematiek is georganiseerd, wanneer er in lokale teams lichte ambulante ondersteuning wordt geleverd, ondersteund door specialistische jeugdzorgprofessionals, er verbindingen zijn gerealiseerd tussen onder andere onderwijs en generalistische jeugdhulp teams en wanneer het jeugdhulpgebruik voortdurend wordt gemonitord en geanalyseerd om zo de gerichte inzet steeds weer te kunnen verbeteren (AEF, 2020: 18). Ons onderzoek bevestigt deze aanname.
Het in economische termen gedefinieerde volumeprobleem is tegelijkertijd een besturings- en organisatieprobleem. Dat besturings- en organisatieprobleem begint met het op orde krijgen van de basis. De vijf gemeenten, die wij belichten in dit rapport, hebben ieder hun eigen inrichtingskeuzes gemaakt, afhankelijk van historische omstandigheden en lokale voorkeuren, maar ook van bijvoorbeeld de schaal van de gemeente (in relatie tot de regio) en de naar wijken of dorpen gedifferentieerde bevolkingsopbouw. Maar ieder voor zich hebben deze gemeenten wel steeds consistente inrichtingskeuzes gemaakt en de door KPMG (2019 )genoemde basisfuncties, langs de lijn van de geformuleerde inzichten, voor lokale teams weten te organiseren en te borgen (1) er is inhoudelijke specialistische expertise aan de voorkant (ook wel eerste lijn genoemd) beschikbaar; (2) de lokale teams reflecteren de individuele en collectieve vraagstukken van de gemeente
en de wijk; (3) de lokale teams leveren zelf (kortdurende) ondersteuning. We hebben laten zien dat het bestaan van verschillende toegangen binnen één gemeente geen probleem hoeft te zijn zolang er liaison posities bestaan die deze toegangen kunnen verbinden (via bijvoorbeeld jeugdconsulenten op scholen of POH-jeugd bij huisartsen). Onze bevindingen ondersteunen ook het belang van de nabijheid van specialistische expertise bij lokale toegangs- of basisteams. Generalistische jeugdzorgprofessionals hebben baat bij de expertise van specialistische jeugdzorgprofessionals en specialistische jeugdzorgprofessionals leren zo om ambulant vanuit hun toegevoegde specialisme te werken. Zo ontstaat er in deze gemeenten inderdaad ruimte voor professionals om anders te werken. De gemeenten werken vanuit een heldere visie (KPMG, 2019; Expertiseteam, 2020) welke vervolgens consequent is doorgevoerd bij de organisatie, inkoop, sturing en uitvoering. Een continue monitorings- en kwaliteitscyclus op de verschillende niveaus houdt alle betrokken partijen scherp. Zo zijn beleid, controle en uitvoering voortdurend op elkaar betrokken en ontstaat er binnen de gemeente en tussen de gemeente en strategische partners een gemeenschappelijk perspectief op hoe het lokale jeugdstelsel moet worden ingericht.
Dit gemeenschappelijk gedeelde kennis- en referentiekader geeft vervolgens richting aan nieuw te maken keuzes en nieuwe ordenings- en sturingsvragen op lokaal en regionaal niveau. Het helpt deze gemeenten en uitvoerende partijen in het steeds verder verbeteren en operationaliseren van de eigen beleidstheorie. Daarin volgen zij min of meer de Ontwikkelagenda zoals bepleit door het Expertiseteam Reikwijdte Jeugdhulpplicht: inzicht krijgen in de gedifferentieerde vraag naar jeugdhulp; aandacht voor ontzorgen, consistente inrichtingskeuzes maken, duurzame strategische partnerschappen aangaan en inzetten op het verder ontschotten van het sociaal domein. Ons onderzoek heeft laten zien dat de transformatie een complex ordeningen besturingsvraagstuk is en dat er vele inrichtingskeuzes te maken zijn. Leren staat of valt met het expliciet maken van de zogenaamde ‘tacit’ kennis 25
van betrokken professionals, ambtenaren en bestuurders zodat de daaruit volgende intuïtieve keuzes en acties verhelderd en geëxpliciteerd kunnen worden en onderdeel uit kunnen maken van deliberatie met de perspectieven en zienswijzen van andere betrokkenen. Inzicht in de gedifferentieerde vraag naar jeugdhulp en de aard van veel voorkomende problematieken op wijkniveau wordt in deze gemeenten ondersteund met data op populatie en casusniveau. Het intensief monitoren van zich ontwikkelende praktijken op populatie en op casus-niveau heeft in deze gemeenten veel waardevolle kennis opgeleverd. Evenzo belangrijk is dat de hiermee verkregen kennis voortdurend wordt gedeeld met alle betrokken partijen. Dat kan gaan van regelmatige multidisciplinaire casus-overleggen tussen betrokken professionals, kwartaalgesprekken tussen de gemeente als opdrachtgever en gecontracteerde aanbieders tot het aangaan van nieuwe allianties met partijen in aanpalende domeinen. Zo worden beleid, controle en het uitvoerend veld in deze gemeenten voortdurend op elkaar betrokken. Het lerend jeugdstelsel is in deze gemeenten geen abstract of mythisch verschijnsel maar onderdeel van de alledaagse werkpraktijk en actief georganiseerd.
Leren staat of valt bij de gratie van het organiseren van feedback en een reflexieve, open houding, vanuit de erkenning dat geen van betrokken partijen de wijsheid en kennis in pacht heeft. In het actief organiseren van kennisdeling en uitwisseling, ligt de sleutel tot succesvol transformeren. We troffen in deze gemeenten een grote mate van eensgezindheid tussen bestuurders, beleidmakers, controllers en uitvoerende professionals en aanbieders. Het besef dat gemeente en uitvoerende partijen strategische partners zijn in de transformatie ligt aan de basis van succesvolle samenwerkingsrelaties. Op het meest fundamentele niveau zijn er een drietal elkaar versterkende sociologische mechanismen die in samenhang de basis vormen voor succesvolle samenwerkingsrelaties (Ostrom, 1998): een zekere mate van vertrouwen in de wederpartij (en het bouwen aan vertrouwen) in combinatie met het erkennen van wederkerigheid in relaties en wederzijdse afhankelijkheden, en het realiseren dat een goede reputatie ten opzichte van de ander belangrijk is, leidt over
het algemeen tot een betere samenwerking, welke op zijn beurt weer leidt tot grotere gemeenschappelijke opbrengsten, hetgeen weer leidt tot meer onderling vertrouwen, een nog groter belang van de eigen reputatie en besef van wederkerigheid en wederzijdse afhankelijkheden in de relaties. Daarbij geldt overigens de disclaimer dat vertrouwen te voet komt en te paard gaat. Maar het besef dat gemeenten en uitvoerende partijen niet zonder elkaar kunnen in het realiseren van de transformatie zou voldoende aansporing moeten zijn om een dergelijk analytisch en relationeel perspectief aan te nemen in de transformatie. De vijf gemeenten die in dit onderzoek centraal hebben gestaan lijken hun koers te hebben gevonden en bevinden zich, budgettair gezien zeker, in veiliger vaarwater. Ze lijken er daadwerkelijk in te slagen om: (1) de juiste hulp op maat te bieden door meer inzet op preventie, de-medicaliseren, en het uitgaan van de eigen kracht of het versterken van het normale leven; (2) meer samenhang binnen de jeugdhulp te realiseren door middel van samenwerking en innovaties in ondersteuning, jeugdhulp en zorg; en (3) meer ruimte te creëren voor generalistische en specialistische professionals om de juiste hulp te bieden.
Een krachtig geformuleerde visie en daarvan afgeleide ontwikkelagenda, het voortdurend monitoren van, en reflecteren op, zich ontwikkelende praktijken, hebben deze gemeenten en uitvoerende partijen veel gebracht. Ook in deze gemeenten is de transformatie nog niet voltooid en het is zelfs de vraag of dat stadium ook bereikt kan worden. Het AEF schat dat de transitie gemiddeld ongeveer tien jaar in beslag zal nemen (AEF, 2020: 17). Daarmee wordt waarschijnlijk het ontwikkelen van de basis bedoeld. Transformeren is waarschijnlijk een kwestie van een nog langere adem. Het sociaal domein een dynamisch complex sociaalecologisch systeem, de omstandigheden zijn iedere keer weer anders en er dienen zich voortdurende nieuwe sociale vraagstukken aan. Dat vraagt van gemeenten en uitvoerende partijen om veel kennis van de eigen lokale context. Tot slot, goede voorbeelden zoals in deze gemeenten dienen ter inspiratie maar zijn zelden één op één transfereerbaar naar een andere context. Het is ook niet een kwestie van ‘uitrollen’ of ‘opschalen’. Iedere gemeente zal op eigen wijze moeten transformeren. 26
Wel kunnen gemeenten elkaar helpen om tot een beheersbare transformatie te komen, door de aanpak die wij hebben gehanteerd in dit onderzoek te benutten bijvoorbeeld in de vorm van een meer systematisch te organiseren peer-review. Dan hebben we het dus niet over het delen van een visie of een keer aansluiten bij een casusoverleg om van elkaar te leren, maar over een diepgaande, systematische analyse van elkaars praktijk en organisatie aan de hand van documenten, cijfers, casuïstiek en verhalen. De Zelfevaluatietool toegang sociaal domein en samenhang hulp (https://www.integraalwerkenindewijk.nl/zelfevaluatietool-toegang-en-samenhang-hulp) zou onderdeel kunnen uitmaken van een dergelijke peer-review. Om dit succesvol te laten zijn voor alle gemeenten, is het wel nodig een dergelijke aanpak te borgen binnen een landelijk te ontwikkelen kwaliteitsstandaard.
27
Deel B
28
6 6.1.
Vergelijkende analyse per gemeente Inleiding
De gemeenteportretten bevatten kwalitatieve informatie over de wijze waarop de geselecteerde gemeenten jeugdhulpverlening organiseren en sturen. Dat biedt een basis voor ideeën en praktijken die als inspiratie voor andere gemeenten kunnen dienen. Daarbij geldt overigens wel dat wat in de ene gemeente of regio werkt, in een andere regio niet zondermeer succesvol hoeft te zijn. Een kwalitatieve benadering in een onderzoek zegt veel over houding, gedrag en werkwijzen van de onderzochte populatie, maar geeft nog geen zekerheid over of beleid daadwerkelijk succesvol is. De vraag is dan of de geselecteerde gemeenten ook in termen van bereiken van de doelgroep en financiële beheersing er beter voor staan dan andere gemeenten. Dat vergt een vergelijking met referentiegroepen van gemeenten.
6.2.
Vergelijking lasten en gebruik jeugdhulpverlening
Voor de vergelijking van gegevens zijn gemeenten gezocht die grenzen aan de gemeente waar onderzoek plaatsvond. Voor de grotere gemeenten is in de aangrenzende regio’s gezocht naar gemeenten met min of meer vergelijkbare schaalgrootte. Tabel 1 geeft een overzicht van de selectie. Daarnaast is er een vergelijking met landelijke cijfers en cijfers naar gemeentegrootteklasse.
Tabel 1 In vergelijking betrokken gemeenten
grootteklasse
DEVENTER
ZALTBOMMEL
ROOSENDAAL
PEEL EN MAAS
UTRECHT
100.000150.000
20.000-50.000
50.000100.000
20.000-50.000
150.000300.000
Apeldoorn
Altena
Bergen op Zoom
Beesel
Amersfoort
Arnhem
Buren
Breda
Horst a/d Maas
Hilversum
Zutphen
Heusden
Goes
Leudal
Gouda
Zwolle
Maasdriel
Dordrecht
Nederweert
Amsterdam
West Betuwe
Den Haag Rotterdam
Elementen voor vergelijking Uitgaande van de veronderstelling dat we spreken over succesvolle aanpak van jeugdhulpverlening zou in de combinatie tussen lasten van gebruik en aantallen gebruikers een ontwikkeling zichtbaar moeten zijn die duidt op ofwel afwijkende werkelijke lasten, ofwel een afwijkende volume-ontwikkeling ten opzichte van andere gemeenten. Gemeenten zouden kunnen sturen op zorggebruik door minder actief op zoek te gaan naar jongeren met een hulpvraag of via wachtlijsten waardoor gebruik of kosten beheersbaar lijken. Daar kan een gemeente die actief de wijken ingaat en jongeren opzoekt en waar nodig hulp biedt tegenover staan, waarbij de enkelvoudige indicator ‘aantal jongeren met jeugdhulpverlening’ een signaal van een hoog aandeel jongeren met jeugdhulpverlening geeft. Daarnaast is het mogelijk dat een gemeente die actief op preventie stuurt, relatief meer kosten voor wijkteams en algemene voorzieningen heeft dan andere gemeenten. In de volgende twee tabellen staan financiële gegevens respectievelijk gebruiksgegevens naast een rangschikking van de geselecteerde gemeenten op basis van kenmerken die verband houden met de algemene sociaal economische status van de gemeente. 29
Gemeenten zondermeer vergelijken heeft beperkingen, omdat er verschillen in sociaal economische structuur en bevolkingssamenstelling kunnen zijn. Die verschillen blijven bestaan, ook wanneer gemeenten zoals vaak gebruikelijk naar grootteklasse of stedelijkheid zijn ingedeeld en op die grondslag worden vergeleken. In dit onderzoek zijn daarom naast gegevens over lasten en gebruik van jeugdhulpverlening indicatoren rondom de sociaal economische positie van gemeenten meegenomen vanuit de veronderstelling dat zelfredzaamheid niet altijd opgaat bij bevolkingsgroepen die in sociaal economische zin zwakker voor staan (zie bijvoorbeeld de oratie van Bussemaker, 2019, p. 7. https://www. lumc.nl/over-het-lumc/hoo/oraties-redes/2019/Oratie-Bussemaker/). Hierna volgt een korte bespreking per casus, gemeente, met een aantal kerngegevens.
6.3.
Resultaten vergelijkende analyses per gemeente
Een toelichting op de gebruikte kengetallen en verwijzing naar de bronbestanden is te vinden in bijlage 3 van dit rapport. 6.3.1.
Tabel 3 Ontwikkeling gebruik jeugdzorg en sociaal economische status in Deventer en bij referentiegroep SESdeciel*
Kinderen >1 jaar armoede deciel**
% jeugdigen % jeugdigen met jeugdhulp met jeugdhulp zonder verblijf 1e zonder verblijf 1e hj 2017 hj 2020
Index % jeugdigen hulp zonder verblijf 2017 1e hj=100
DEVENTER
2
3
8,1%
6,7%
83
Nederland
x
x
7,1%
7,2%
101
IJsselland
x
x
6,9%
6,4%
93
Apeldoorn
4
3
7,4%
7,4%
100
Arnhem
1
1
6,7%
7,1%
106
Zutphen
2
2
8,4%
8,2%
98
Zwolle
4
4
7,4%
7,1%
96
* SES-deciel op basis van mediaan gestandaardiseerd inkomen huishoudens 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel is laag inkomen. ** Kinderen in armoede deciel op basis van laag en langdurig laag inkomen 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, lage deciel duidt op veel kinderen in armoede
Figuur 1 Index % jongeren met jeugdzorg zonder verblijf (halfjaarbasis) Deventer e.a.
Deventer
Tabel 2 Bevindingen Deventer en referentiegroep: lasten jeugdzorg en sociaaleconomische status SESdeciel*
Kinderen >1 jaar armoede deciel**
Lasten per gebruiker 2019
Lasten per inwoner Rekening 2019
Index lasten/inw. 2019 (rekening) (begr2017=100)
DEVENTER
2
3
€ 10.143
€ 240
108
100-150K
x
x
x
€ 375
192
Nederland
x
x
€ 11.409
€ 293
151
Apeldoorn
4
3
€ 13.706
€ 366
163
Arnhem
1
1
€ 12.319
€ 332
121
Zutphen
2
2
€ 13.358
€ 392
126
Zwolle
4
4
€ 13.009
€ 368
137
* SES-deciel op basis van mediaan gestandaardiseerd inkomen huishoudens 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel is laag inkomen. ** Kinderen in armoede deciel op basis van laag en langdurig laag inkomen 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, lage deciel duidt op veel kinderen in armoede
30
Toelichting bij casus Deventer Op basis van de ontwikkeling van het aantal jongeren dat een beroep op jeugdhulp zonder verblijf doet, valt op dat vanaf 2018 een daling en vervolgens een stabilisatie van het aantal jongeren dat een beroep op jeugdhulp doet is vast te stellen. De neergaande lijn in 2020 die bij alle gemeenten valt waar te nemen heeft waarschijnlijk te maken met de doorwerking van Covid19 op de zorgvraag. Opvallend is hierbij wel dat de daling in het beroep op jeugdhulp in Deventer in 2020 duidelijk lager is dan in andere gemeenten (ca 4% tegenover 10% elders). Dat kan duiden op relatief makkelijke en laagdrempeliger (niet gemedicaliseerde) toegang dan elders. Omdat Deventer ten opzichte van de referentiegemeenten zeker niet beter scoort op SES en Armoede is de dalende lijn in gebruik van jeugdzorg ook opvallend. Tegelijkertijd geldt dat in Deventer het beroep op jeugdhulp met verblijf met 1% iets hoger ligt dan het landelijk gemiddelde en in aantallen een licht neerwaartse lijn vanaf eerste halfjaar 2017 laat zien. Deventer wijkt hier af van de andere in het onderzoek betrokken gemeenten omdat in die vier gemeenten het percentage jeugdhulp met verblijf op ongeveer ½% of daar iets onder ligt.
In financiële termen valt op dat Deventer zowel in kosten per gebruiker als in kosten per inwoner duidelijk onder de niveaus van de referentiegemeenten zit en zelfs onder het landelijk gemiddelde blijft. De kostenontwikkeling tussen begroting 2017 en rekening 2019 is met een indexcijfer van 108 niet wezenlijk boven normale prijsontwikkeling. De gemeentelijke documenten laten een gemengd beeld zien. Er is geen directe koppeling te maken tussen wat in het jaarverslag van de gemeente staat en wat er in de jaarrekening staat. Afgaande op de jaarrekeningen 2017 tot en met 2019 zijn in 2017 en 2018 opwaartse begrotingsbijstellingen te constateren, in 2019 neerwaarts. De werkelijke lasten1 lagen volgens de gemeentelijke jaarreke-
1
ningen in 2018 en 2019 onder de begrotingsramingen. Onderliggende cijfers die de gemeente heeft aangeleverd laten zien dat na overschrijdingen ten opzichte van de door het rijk beschikbaar gestelde middelen (orde grootte 4% per jaar) in 2018 sprake is van een onderschrijding in dezelfde orde van grootte (ruim € 1 miljoen). Opvallend is dat vanaf 2019 in de begrotingen doelstellingen zijn geformuleerd over het aantal jongeren dat een beroep op jeugdzorg doet. In eerste instantie negatief geformuleerd: wie doet beroep op jeugdzorg, vanaf 2020 omgekeerd: wie doet geen beroep op jeugdzorg. Materieel is de ambitie gelijk: > 90% geen beroep op jeugdzorg. Formuleren van doelstelling kan ook een perverse prikkel inhouden. 6.3.2. Utrecht Tabel 4: Bevindingen Utrecht en referentiegroep: lasten jeugdzorg en sociaaleconomische status SESdeciel*
Kinderen >1 jaar armoede deciel**
Lasten per gebruiker 2019
Lasten per inwoner Rekening 2019
Index lasten/inw. 2019 (rekening) (begr2017=100)
UTRECHT
6
2
€ 6.626
€ 237
118
150-300K
x
x
X
€ 375
127
Nederland
x
x
€ 11.409
€ 293
151
Amersfoort
8
4
€ 10.250#
-
-
Hilversum
6
3
€ 8.627
€ 201
123
Gouda
4
2
€ 10.096
€ 338
129
Amsterdam
1
1
€ 11.690
€ 281
160
1
1
€ 9.420
€ 277
144
1
1
€ 9.548
€ 256
129
Den Haag Rotterdam
* SES-deciel op basis van mediaan gestandaardiseerd inkomen huishoudens 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel is laag inkomen. ** Kinderen in armoede deciel op basis van laag en langdurig laag inkomen 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel duidt op veel kinderen in armoede # cijfer afkomstig uit jaarrekening gemeente Amersfoort i.v.m. niet plausibele data 2019 in Findo
Gebaseerd op gegevens over de taakvelden <6.72> en <6.82>.
31
De referentiegroep voor Utrecht is 150.000-250.000 gemeenten. De drie andere grote steden (G4) staan afzonderlijk genoemd. Tabel 5 Ontwikkeling gebruik jeugdzorg en sociaal economische status in Utrecht en bij referentiegroep % jeugdigen % jeugdigen met jeugdhulp met jeugdhulp zonder verblijf 1e zonder verblijf 1e hj 2017 hj 2020
Index % jeugdigen hulp zonder verblijf 2017 1e hj=100
SESdeciel*
Kinderen >1 jaar armoede deciel**
UTRECHT
6
2
9,1%
10,2%
112
Nederland
x
x
7,1%
7,2%
101
Amersfoort
8
4
7,5%
6,6%
88
Hilversum
6
3
6,1%
6,8%
111
Gouda
4
2
6,8%
9,0%
132
Amsterdam
1
1
8,1%
7,5%
93
Den Haag
1
1
9,7%
7,8%
80
Rotterdam
1
1
8,6%
5,6%
65
* SES-deciel op basis van mediaan gestandaardiseerd inkomen huishoudens 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel is laag inkomen. ** Kinderen in armoede deciel op basis van laag en langdurig laag inkomen 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel duidt op veel kinderen in armoede
Figuur 2 Index % jongeren met jeugdzorg zonder verblijf (halfjaarbasis) Utrecht e.a.
Toelichting bij casus Utrecht In de eerste plaats valt op dat Utrecht als geheel in termen van SES er duidelijk beter voorstaat dan de andere drie grote steden. Dat mediaan inkomen alleen onvoldoende zegt blijkt hier overigens ook. Het aantal kinderen dat in armoede opgroeit is hoog; Utrecht valt op deze variabele in het tweede deciel. Dat gezegd hebbende valt op dat kosten van beroep op jeugdzorg per inwoner in Utrecht laag ligt en dat de kostenontwikkeling ook niet heel hoog uitvalt. Utrecht slaagt er ook in de gemiddelde kosten per gebruiker van jeugdzorg laag te houden en moet slechts één gemeente (Heusden, in cluster Zaltbommel) voor zich laten. Een verklaring daarvoor is de benadering met taakgerichte bekostiging (‘vierkantfinanciering’ in het Utrechtse jargon). Het kan ook een indicatie zijn voor laagdrempelige toegang en het sturen op minder specialistische oplossingsrichtingen. Een tweede indicator daarvoor is dat het percentage jongeren dat in Utrecht een beroep op jeugdzorg doet relatief hoog is. Het aantal gebruikers van jeugdhulp zonder verblijf in Utrecht ligt in het eerste halfjaar 2020 ongeveer 30% hoger dan in de andere G4 steden terwijl daar het aantal kinderen in armoede en de algemene SES-status duidelijk ongunstiger is. Alleen Gouda blijft nog enigszins in de buurt van het beroep op jeugdhulp zonder verblijf in vergelijking met Utrecht.
Onderliggende data van CBS laten ook zien dat bij een vergelijking van jeugdhulp via wijkteams onder alle 100.000+ gemeenten Utrecht, samen met Alphen aan den Rijn en Zaanstad, de hoogste percentages jeugdhulp via wijkteams aanbiedt. In de G4 groep verloopt in Utrecht ten minste twee keer zo veel jeugdhulp via wijkteams als in de andere drie steden. Een derde aanwijzing voor laagdrempelige toegang is te vinden in de cijfers over het eerste halfjaar 2020. Onder invloed van Corona doen minder mensen een beroep op jeugdzorg, iets dat door onze gesprekspartners ook expliciet spontaan werd benoemd. De onderliggende cijfers laten zien dat die daling in Utrecht maar 0,2%-punt is ten opzichte van het tweede halfjaar 2019, terwijl dat in de andere gemeenten die in de vergelijking zijn meegenomen minstens twee keer zo groot is en landelijk 0,6%-punt lager uitkomt.
32
Waar het gaat om jeugdhulp met verblijf betreft dat in Utrecht 0,5% van de totale populatie jongeren. Alhoewel dat percentage in de tijd (2017 eerste halfjaar tot en met 2019 tweede halfjaar) stabiel blijft is er in absolute aantallen sprake van een daling van ongeveer 10%. Utrecht hoort samen met Zaltbommel tot de gemeenten die enerzijds het hoogste aantal jongeren met jeugdhulp zonder verblijf kennen en anderzijds tot de gemeenten die het laagste aantal jongeren met jeugdhulp met verblijf kennen. De drie andere grote steden rapporteren percentages jeugdhulp met verblijf tussen 0,7% en 0,9% en scoren daarmee landelijk gezien in de middenmoot. De begrotingen en jaarrekeningen van de gemeente Utrecht laten voor de kosten van jeugdzorg een nagenoeg consistent beeld in de kostenstructuur zien. Met ingang van 2020 is er wel een wijziging in de programma-indeling, maar de onderliggende omschrijvingen zijn vergelijkbaar met de omschrijvingen van kostenposten in de jaren ervoor. Voor deze analyse ligt het accent op de kosten die anno 2020/2021 nog in het programma <Ondersteuning op maat> over jeugdzorg zijn opgenomen. Dat betreft de kosten voor buurtteams, aanvullende zorg en jeugdbescherming. In de jaren 2015 en 2016 is op realisatiebasis onder uitputting te zien ten opzichte van de oorspronkelijke meerjarenbegroting van € 77,8 miljoen. uit 2015, oplopend tot € 10 miljoen. in 2016.
In de jaren 2017 en 2018 ligt de realisatie nog steeds ongeveer op dat niveau. In 2019 verandert het niveau van de lasten doordat het Rijk meer geld beschikbaar stelde (de 300 miljoen. incidentele middelen 2019-2022). Utrecht heeft dat geld ingezet voor extra inspanningen op transformatie. Ten opzichte van de oorspronkelijke meerjarenraming uit 2015 is in 2019, gecorrigeerd voor die extra middelen een overschrijding ten opzichte van de oorspronkelijke uitgangspunten uit 2015 vast te stellen van circa € 2 miljoen. die de gemeente verklaart door grotere instroom dan verwacht. Anders gezegd: de aanpak van Utrecht is zichtbaar in de financiële verantwoording en de geconstateerde meerkosten tot en met 2019 zijn beperkt. In de begroting 2021 is overigens wel een verdere toename van kosten verwacht in de orde van grootte van nog eens € 2,5 miljoen. (3%) ten opzichte van de cijfers uit de jaarrekening 2019.
6.3.3. Zaltbommel Tabel 6 Bevindingen Zaltbommel en referentiegroep: lasten jeugdzorg en sociaal-economische status SESdeciel*
Kinderen >1 jaar armoede deciel**
Lasten per gebruiker 2019
Lasten per inwoner Rekening 2019
Index lasten/inw. 2019 (rekening) (begr2017=100)
ZALTBOMMEL
5
7
€ 6.748
€ 236
180
20-50K
X
X
X
€ 262
153
Nederland
X
X
€ 11.409
€ 293
151
Altena
6
9
€ 8.028
€ 199
147
Buren
8
6
€ 9.643
€ 227
159
Heusden
7
9
€ 6.336
€ 183
110
Maasdriel
7
6
€ 8.734
€ 203
146
West-Betuwe
9
9
€ 9.223
€ 209
149
* SES-deciel op basis van mediaan gestandaardiseerd inkomen huishoudens 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel is laag inkomen. ** Kinderen in armoede deciel op basis van laag en langdurig laag inkomen 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel duidt op veel kinderen in armoede
Tabel 7 Ontwikkeling gebruik jeugdzorg en sociaal economische status in Zaltbommel en bij referentiegroep SESdeciel*
Kinderen >1 jaar armoede deciel**
% jeugdigen met jeugdhulp zonder verblijf 1e hj 2017
% jeugdigen met jeugdhulp zonder verblijf 1e hj 2020
Index % jeugdigen hulp zonder verblijf 2017 1e hj=100
ZALTBOMMEL
5
7
8,0%
8,8%
110
Nederland
x
x
7,1%
7,2%
101
Rivierenland
x
x
7,0%
7,0%
100
Altena
6
9
6,5%
5,8%
89
Buren
8
6
5,8%
5,9%
102
Heusden
7
9
5,6%
8,7%
155
Maasdriel
7
6
5,7%
6,0%
105
West-Betuwe
9
9
6,1%
5,6%
92
* SES-deciel op basis van mediaan gestandaardiseerd inkomen huishoudens 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel is laag inkomen. ** Kinderen in armoede deciel op basis van laag en langdurig laag inkomen 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel duidt op veel kinderen in armoede
33
Figuur 3 Index % jongeren met jeugdzorg zonder verblijf (halfjaarbasis) Zaltbommel e.a.
Toelichting bij casus Zaltbommel Zaltbommel en omstreken is een relatief welvarend gebied vanuit het perspectief van mediane inkomens en armoede onder kinderen. Relatief gezien is Zaltbommel in de regio de wat ‘armere’ gemeente. Dat gezegd hebbende is de relatieve welvaart ook terug te zien in de percentages jongeren die een beroep doen op jeugdhulp. Van de zes hier geselecteerde gemeenten zijn er vier die zeker 10% onder het landelijk gemiddelde beroep op jeugdhulp zonder verblijf uitkomen. Zaltbommel en Heusden komen daarentegen juist meer dan 10% boven het landelijk gemiddelde beroep op jeugdhulp zonder verblijf uit. Ook valt op dat de kosten per gebruiker van jeugdzorg in alle geselecteerde gemeenten laag zijn met tenminste 20% onder het landelijk gemiddelde. In Zaltbommel zijn de kosten per gebruiker van jeugdzorg zelfs circa 40% onder het landelijk gemiddelde. Tegelijkertijd valt op dat de totale kosten per inwoner in Zaltbommel harder stijgen dan de landelijk gemiddelde cijfers. Dat lijkt vooral een prijseffect te zijn omdat uit de onderliggende cijfers ook blijkt dat de kostenontwikkeling per gebruiker tussen 2017 en 2019 voor Zaltbommel
ongeveer 25% is, in lijn met wat er een aantal buurgemeenten gebeurt en circa 10% boven de landelijke kostenontwikkeling. Bovendien is de toename van het aantal jongeren dat tussen 2017 en 2019 een beroep op jeugdzorg doet niet meer dan circa 10%. Dit is een aanwijzing dat een succesvolle aanpak in termen van bereiken van jongeren niet altijd betekent dat een gemeente met de oorspronkelijk geraamde budgetten uitkomt. Opvallend bij Zaltbommel is dat, alhoewel de gemeente in termen van SES en kinderen in armoede landelijk tot de gemeenten behoort die aan de betere kant van het midden lijkt te staan, de gemeente in het tweede halfjaar van 20192 (2019H2) tot het deciel gemeenten behoort met het hoogste percentage jongeren dat een beroep op jeugdhulp zonder verblijf doet. Dat kan een aanduiding zijn voor laagdrempelige toegang en korte lijnen in de zorg. Verder valt op dat Zaltbommel tot de groep gemeenten behoort met het hoogste percentage jongeren met jeugdhulp zonder verblijf en het laagste percentage jongeren met jeugdhulp zonder verblijf. Die combinatie kan een aanduiding zijn dat vroegsignalering tot positieve resultaten leidt. Een soortgelijk patroon van lage percentages jeugdhulp met verblijf in combinatie met hoge percentages jeugdhulp met verblijf is ook in Utrecht en in iets mindere mate in Roosendaal zichtbaar.
Hierbij zij wel opgemerkt dat bij de vijf andere gemeenten waar Zaltbommel mee is vergeleken in vier gevallen ook sprake is van lage percentages jeugdhulp met verblijf. Begrotings- en rekeninggegevens zoals die op de raadsagenda’s van de gemeente Zaltbommel zijn gepubliceerd zijn minder consistent dan die in bijvoorbeeld Peel en Maas. Cijfers voor jeugdzorg specifiek zijn pas vanaf de jaarrekening 2017 vergelijkbaar.
2 Dit ijkpunt is gekozen om eventuele effecten van corona op een beroep op jeugdzorg uit te filteren.
34
Vanaf de jaarrekening 2017 volgt de programmabegroting op het terrein van het sociaal domein de taakvelden. Dat betekent dat lasten op taakveldniveau inzichtelijk zijn gemaakt, exclusief overhead. Het betekent ook dat er geen uitsplitsing van kosten wijkteams en preventie naar jeugd respectievelijk WMO mogelijk is. In die zin is de presentatie vergelijkbaar met de basis van de analyse van AEF (2020). Verder valt op dat de verhouding tussen lasten voor reguliere jeugdzorg en geëscaleerde jeugdzorg in de loop van 2017 leek te veranderen, waarbij de gemeente Zaltbommel het budget geëscaleerde zorg verviervoudigde. De realisatiecijfers laten evenwel een daling van kosten geëscaleerde zorg zien van circa € 0,6 miljoen in 2017 naar € 0,4 miljoen in 2019. Dat is een indicatie dat de gemeente er in slaagt het beroep op complexere jeugdzorg te beperken.
Tabel 9 Ontwikkeling gebruik jeugdzorg en sociaal economische status in Peel en Maas en bij referentiegroep SESdeciel*
Kinderen >1 jaar armoede deciel**
% jeugdigen met jeugdhulp zonder verblijf 1e hj 2017
% jeugdigen met jeugdhulp zonder verblijf 1e hj 2020
Index % jeugdigen hulp zonder verblijf 2017 1e hj=100
PEEL EN MAAS
6
9
7,8%
5,9%
102
Nederland
x
X
7,1%
7,2%
101
Noord Limburg
x
X
7,6%
7,5%
99
Beesel
2
5
7,8%
9,2%
118
Horst a/d Maas
6
10
6,9%
7,5%
109
Leudal
7
8
9,7%
10,6%
109
Nederweert
6
9
8,3%
9,3%
112
* SES-deciel op basis van mediaan gestandaardiseerd inkomen huishoudens 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel is laag inkomen. ** Kinderen in armoede deciel op basis van laag en langdurig laag inkomen 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel duidt op veel kinderen in armoede
6.3.4. Peel en Maas Tabel 8 Bevindingen Peel en Maas en referentiegroep: lasten jeugdzorg en sociaal-economische status SESdeciel*
Kinderen >1 jaar armoede deciel**
PEEL EN MAAS
6
9
Lasten per gebruiker 2019
Lasten per inwoner Rekening 2019
Index lasten/inw. 2019 (rekening) (begr2017=100)
€ 11.239
€ 201
114
20-50K
X
X
X
€ 262
153
Nederland
X
X
€ 11.409
€ 293
151
Beesel
2
5
€ 9.406
€ 250
130
Horst a/d Maas
6
10
€8.811
€ 218
168
Leudal
7
8
€ 10.736
€ 318
194
Nederweert
6
9
€ 8.263
€ 209
158
Figuur 4 Index % jongeren met jeugdzorg zonder verblijf (halfjaarbasis) Peel en Maas e.a.
* SES-deciel op basis van mediaan gestandaardiseerd inkomen huishoudens 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel is laag inkomen. ** Kinderen in armoede deciel op basis van laag en langdurig laag inkomen 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel duidt op veel kinderen in armoede
35
Toelichting bij de case Peel en Maas De plattelandsgemeenten in Noord Limburg die als referentie dienen voor Peel en Maas zijn behoudens Beesel, op de onderwerpen mediane inkomens en armoede bij kinderen nagenoeg vergelijkbaar. Wat hier vooral opvalt is dat de kostenontwikkeling jeugdzorg per inwoner in Peel en Maas duidelijk lager is dan in de andere gemeenten maar dat de kosten per jongere die een beroep op jeugdzorg doet duidelijk hoger ligt. Een mogelijke verklaring die uit de gesprekken voortkomt is dat in Peel en Maas veel activiteiten niet zozeer als zorg maar als maatschappelijke ondersteuning worden beschouwd waardoor het aantal jongeren dat voor jeugdzorgtrajecten ‘telt’ laag is en ook de moeilijker gevallen omvat. Dat is ook zichtbaar in de landelijk beschikbare cijfers: het aantal jongeren dat een beroep doet op jeugdzorg zonder verblijf is laag. Verder valt op dat het aantal jongeren dat een beroep doet op jeugdhulp met verblijf met 0,4% laag is en in absolute aantallen sinds 2018 nagenoeg stabiel is gebleven. De begrotingen en jaarrekeningen van de gemeente Peel en Maas bevatten een door de tijd heen consistent overzicht van producten waar het product ‘jeugdhulp’ afzonderlijk in is opgenomen, naast een product ‘jeugd & gezin’. Dat maakt een vergelijking van kosten in de tijd mogelijk, waarbij hier de focus ligt op het product jeugdhulp.
De gemeente Peel en Maas ging bij de begroting 2015 uit van een bestedingsniveau van € 6,4 miljoen. op basis van de beschikbaar gestelde rijksmiddelen. In de jaarrekening 2019 ligt het uitgavenniveau op € 10,1 miljoen., een stijging van ruim 55 % in de lasten. Tussentijdse begrotingswijzigingen laten in alle jaren een onderschatting van de uiteindelijke lasten zien. In de toelichtingen bij de jaarstukken zijn aanwijzingen te vinden dat de gemeente beperkt grip heeft op facturering en dat er problemen zijn met de beheersing van GGZ-trajecten (o.a. Jaarrekeningen 2018, p. 66 en 2019, p. 66). Men is inmiddels bezig die grip terug te krijgen en het aantal directe verwijzingen naar de GGZ terug te dringen. De inzet van gezinscoaches lijkt hierbij goed te werken. Zowel in het terug dringen van het aantal als van de duur van de trajecten.
6.3.5. Roosendaal Tabel 10 Bevindingen Roosendaal en referentiegroep: lasten jeugdzorg en sociaal-economische status SESdeciel*
Kinderen >1 jaar armoede deciel**
Lasten per gebruiker 2019
Lasten per inwoner Rekening 2019
Index lasten/inw. 2019 (rekening) (begr2017=100)
ROOSENDAAL
3
1
€ 10.079
€ 280
114
50-100K
X
X
X
€ 290
118
Nederland
X
X
€ 11.409
€ 293
151
Bergen op Zoom
3
1
€ 9.616
€ 269
152
Breda
5
2
€ 19.105
€ 411
123
Dordrecht
3
2
€ 11.022
€ 304
141
Goes
3
4
€ 10.489
€ 287
176
* SES-deciel op basis van mediaan gestandaardiseerd inkomen huishoudens 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel is laag inkomen. ** Kinderen in armoede deciel op basis van laag en langdurig laag inkomen 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel duidt op veel kinderen in armoede
Tabel 11 Ontwikkeling gebruik jeugdzorg en sociaal economische status in Roosendaal en bij referentiegroep SESdeciel*
Kinderen >1 jaar armoede deciel**
% jeugdigen % jeugdigen met jeugdhulp met jeugdhulp zonder verblijf zonder verblijf 1e hj 2017 1e hj 2020
Index % jeugdigen hulp zonder verblijf 2017 1e hj=100
ROOSENDAAL
3
1
7,2%
8,6%
119
Nederland
X
X
7,1%
7,2%
101
West Brabant-w
X
X
6,8%
7,9%
116
Bergen op Zoom
3
1
6,6%
8,9%
135
Breda
5
2
5,0%
6,2%
124
Dordrecht
3
2
7,6%
8,3%
109
Goes
3
4
7,3%
8,1%
111
* SES-deciel op basis van mediaan gestandaardiseerd inkomen huishoudens 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel is laag inkomen. ** Kinderen in armoede deciel op basis van laag en langdurig laag inkomen 2019 volgens gemeenten 2020 CBS, laag deciel duidt op veel kinderen in armoede
36
Figuur 5 Index % jongeren met jeugdzorg zonder verblijf (halfjaarbasis) Roosendaal e.a.
Toelichting bij de case Roosendaal Voor Roosendaal geldt, net als bij Utrecht en Deventer dat een directe vergelijking met omliggende gemeenten vanwege schaalverschillen lastig kan zijn. In de directe vergelijking met Bergen op Zoom, de tweede gemeente in de regio en sociaal economisch vergelijkbaar met Roosendaal blijkt dat de twee gemeenten elkaar niet veel ontlopen op lasten en percentage jongeren dat een beroep op jeugdhulp zonder verblijf doet, met die kanttekening dat het er op lijkt dat het beroep op jeugdzorg zonder verblijf zich in Roosendaal op een lager niveau stabiliseert. Roosendaal en Bergen op Zoom werken, zoals uit de portretschets blijkt, intensief samen in de regio West Brabant West. Dat speelt waarschijnlijk een rol bij het vergelijkbare beeld van beide gemeenten. In zowel Roosendaal als Bergen op Zoom en de gehele regio West Brabant West valt op dat in 2019 het aantal jongeren dat een beroep op jeugdzorg met verblijf doet nagenoeg halveert. Deze forse daling is gerelateerd aan de sluiting van Juzt waardoor voor jeugdigen deels andere oplossingen zijn gezocht en gerealiseerd.
In de stukken die het onderzoeksteam beschikbaar zijn gesteld is een publieksgericht document met kerngegevens over de jeugdzorg in de regio als geheel opgenomen. In dat document zijn gegevens over gebruik en lasten voor de regio als geheel opgenomen. Die cijfers laten een dalende trend in lasten per inwoner zien. De cijfers uit 2017 en 2018 zijn reconstrueerbaar, voor 2019 is dat niet het geval, mogelijk omdat de regio voorlopige cijfers gebruikte. In de regionale gemiddelden die in dat overzicht zijn opgenomen speelt mee dat Roosendaal en Bergen op Zoom samen ongeveer 40% van de inwoners hebben en de overige gemeenten door hun karakter lagere lasten hebben. Zo vallen vijf van de zeven overige gemeenten in de regio op basis van hun gestandaardiseerde mediane inkomens in de decielen 6 en hoger en geldt voor de indicator kinderen in armoede dat de overige gemeenten in deciel 3 of hoger classificeren. De gegevens in begrotingen en jaarrekeningen zijn in Roosendaal niet altijd even consistent van jaar op jaar weergegeven. Uitgaande van de verantwoordingen op taakveldniveau (maatwerk dienstverlenining en geëscaleerde zorg 18-) in de jaarrekeningen 2017 tot en met 2019 is vertoont het lastenniveau tussen 2017 en 2019 op realisatiebasis een daling van circa € 0,9 miljoen. op € 22 miljoen. voor het totaal van die lasten. Dat bedrag ligt nog wel ruim € 3 miljoen.
boven de niveaus die in de begrotingen voor 2020 en 2021 zijn opgenomen. Opvallend is dat de ingezette neerwaartse trend tussen 2017 en 2018 in 2019 zich niet doorzet. In de begrotingen 2017 tot en met 2019 heeft jaarlijks een opwaartse tussentijdse bijstelling plaatsgevonden. In 2017 en 2018 bleek dat op realisatiebasis ook nodig te zijn, in 2019 bleek de raming van de oorspronkelijke begroting vrijwel gelijk te zijn aan de werkelijke lasten.
37
7
Gemeenteportretten
In hoofdstuk 6 is te lezen dat de onderzochte gemeenten het in vergelijking met omliggende, vergelijkbare gemeenten, relatief goed doen als het gaat om het bereiken van de doelgroep en/of financiële beheersing. Ook voor deze in dit onderzoek betrokken gemeenten geldt dat ze er zeker nog niet zijn en het leerproces verder gaat. Daarnaast blijft voorzichtigheid bij interpretatie van cijfers evenwel geboden, omdat vanaf 2020 door COVID-19 vertekeningen ontstaan. Zo zijn er meerdere signalen zijn dat de uitstroom uit de jeugdzorg trager verloopt dan verwacht (AEF, 2020, p. 14, beleidsmedewerker Utrecht). In dit hoofdstuk is per gemeente een portret gemaakt van de wijze waarop zij jeugdhulpverlening organiseren en sturen. We hebben dat gedaan aan de hand van de verzamelde documentatie, informatie uit de zelfevaluatie en gevoerde gesprekken per gemeente.
7.1.
Deventer: Van Wieg naar Netwerk
Auteurs: Renske van der Gaag; Marije Voorwinden en Jan-Kees Helderman Jeugdhulp in Deventer in cijfers De inwoners van Deventer Deventer is een middelgrote gemeente met iets meer dan 100.000 inwoners (CBS, 2020) bestaande uit zeven kernen (Deventer, Colmschate, Schalkhaar, Bathmen, Diepenveen, Lettele, Okkenbroek) (Atlas Leefomgeving, 2011). De gemeente maakt deel uit van de jeugdhulpregio IJsselland (Dalfsen, Deventer, Hardenberg, Kampen, Olst-Wijhe, Ommen, Raalte, Staphorst, Steenwijkerland, Zwartewaterland en Zwolle).
Bijna een kwart van de Deventer bevolking is tussen de 0 en 18 jaar oud (24%), ongeveer de helft tussen de 18 en 65 (48%) en iets meer dan een kwart is ouder dan 65 (28%)3. De bevolking van Deventer krimpt met 0.3% per jaar. Deventer is een gemeente met relatief lage sociaaleconomische status, ook ten opzichte van gemeenten van vergelijkbare grootte (CBS, 2018). Het aandeel van de bevolking met een relatief laag opleidingsniveau (basisonderwijs, VMBO en eerste drie leerjaren HAVO / VWO) ligt met 158 op 1000 inwoners iets hoger dan het landelijk gemiddelde van 145 op 1000 inwoners (CBS, 2019). Het gemiddeld huishoudinkomen in Deventer ligt met €40.100 iets lager dan het Nederlandse gemiddelde van €43.000 (CBS, 2018). Bijna één op de zes kinderen groeit op in een eenoudergezin (17% tegenover 16% landelijk) en één op de zeventien kinderen leeft in een gezin dat moet rondkomen van een uitkering (6% tegenover 7% landelijk)4. Het percentage vroegtijdig schoolverlaters is met 2% vergelijkbaar met het landelijk gemiddelde (2%)5. De gemeente hoort bij de 20% gemeenten met de laagste gestandaardiseerde mediaan inkomens (middelste inkomen) van alle gemeenten in Nederland en bij de 30% gemeenten met het hoogste percentage kinderen dat in armoede een jaar of langer in armoede leef (CBS, 2019).
Gebruik van jeugdhulp Deventer is qua beroep op de jeugdhulp redelijk vergelijkbaar met het Nederlands gemiddelde. In 2020 had bijna één op de tien jeugdigen in Deventer jeugdhulp (10% tegenover 11% in Nederland) en één op de honderd jeugdigen maakt gebruik van jeugdhulp met verblijf (1% zowel in Deventer als landelijk)6.
3 www.waarstaatjegemeente.nl, 2020a. 4 www.waarstaatjegemeente.nl, 2018. 5 www.waarstaatjegemeente.nl, 2015. 6 www.waarstaatjegemeente.nl, 2019a.
38
Iets minder dan vier op de vijf gezinnen maakt geen gebruik van voorzieningen in het sociaal domein (78% tegenover 80% landelijk). Huisartsen zijn met 1.217 verwijzingen de grootste verwijzers, gevolgd door de Gemeente (1.073) (Regio IJsselland Monitor (RIJM), 2021). Een aantal aanbieders ziet dat vormen van zwaardere hulpverlening vanuit de Gemeente Deventer minder gebruikt worden. Ook hier geldt weer dat deze cijfers nog niet zoveel zeggen. Onderzocht moet worden of dit veroorzaakt wordt door te stringent doorverwijzen of dat daadwerkelijk door via preventie en goed georganiseerde lichte ambulante ondersteuning minder doorverwijzing nodig is.
(wijk)netwerk, bestond dit in Deventer al veel langer. De transformatie van de Deventer jeugdhulp, waar reeds in 2009 aan werd begonnen, bouwde hierop voort. De bedoeling van de Jeugdwet sloot in die zin dan ook naadloos aan op wat men in Deventer al deed. Het ontwikkelen van de gemeentelijke toegang tot jeugdhulp werd consequent beredeneerd vanuit een reeds sterk ontwikkelde preventieve aanpak van jeugd- en gezinsproblematiek. Preventie moet hier in de brede betekenis worden opgevat. Het aanbieden van lichte ambulante ondersteuning kan preventief zijn voor het beroep op zwaardere vormen van gespecialiseerde jeugdzorg (actieve preventie).
Tevredenheid en resultaten Stichting Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) noteert dat vertrouwenspersonen van het AKJ in 2019 contact hadden met 11 individuele cliënten.7 Negen cliënten kwamen met in totaal 11 klachten over de jeugdhulpverlening in de gemeente Deventer. Deze klachten gingen met name over bejegening, genomen beslissingen, de uitvoering van jeugdhulp en de bereikbaarheid van hulpverleners. Deze klachten zijn wel bij het AKJ geregistreerd, maar het is onduidelijk in hoeverre klachten ook bekend waren bij de gemeente (doorgegeven door cliënt) en of hier iets mee gedaan is. Het beeld over cliënttevredenheid lijkt gemengd, deels tevreden, deels niet. Aantekening hierbij is dat de respons wel laag is, dus dat mogelijk echt zicht op tevredenheid ontbreekt.
Al ver voor de invoering van de Jeugdwet in 2015 stond er in Deventer een stevig netwerk van buurthuizen, buurtzorg en kinder- en jongerenwerk. Het ontwikkelen van de gemeentelijke visie ‘Van Wieg naar Werk’ startte in 2009/2010 en bouwde voort op de ontwikkeling van het CJG als netwerkorganisatie pur sang. Het Deventer CJG was een netwerkorganisatie, bestaande uit het Bureau Jeugdzorg, onderwijspartijen (PO en VO), de politie, de Jeugd Gezondheidzorg, welzijnsorganisaties, huisartsen, zorgaanbieders en de Kraamzorg. Anders dan in veel andere gemeenten had Deventer al in vroeg stadium besloten om organisaties binnen het CJG niet samen te brengen op één fysieke locatie of binnen één organisatie, maar om zich vooral te richten op een netwerk van samenwerkende organisaties op basis van korte lijnen. Daarbij werd zorgvuldig gekeken naar de samenstelling van deze netwerken. De keuze voor netwerkpartijen werd afgeleid van de kenmerken of componenten van maatschappelijke problemen die moeten worden aangepakt en niet van het toevallig beschikbare institutionele aanbod. Ook de eerste monitor Jeugd in Beeld stamt uit deze beginperiode (2010) en deze had destijds al een belangrijke functie om zicht te krijgen op de belangrijkste aandachtspunten en karakteristieken van vraag naar jeugdhulp.
Jeugd in Beeld is een populatie monitor en heeft nog altijd een belangrijke functie in het signaleren en monitoren van de gezondheids- en welzijnssituatie van de Deventer jeugd in al zijn facetten (van consultatiebureau tot uiteindelijk jeugdzorg). Over het belang daarvan merkt de Teammanager Toegang Jeugd op:
De Deventer visie op de jeugdhulp: van wieg naar werk Deventer voor de transitie De gemeente Deventer kent reeds een lange geschiedenis van wijkgericht werken welke terug gaat tot de stadsvernieuwing in de jaren tachtig van de vorige eeuw en de sociale vernieuwing van de jaren negentig. Waar we nu spreken over het zogenaamde ‘voorliggend veld’ of het informele of sociale