Bijlage toelichting-langendijksestraat-36-roosendaal-v5-1-c.pdf
Tekst van het document
5.4
Cultuurhistorie
Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. De Cultuurhistorische waardenkaart is al vanaf 2002 een belangrijke pijler van het provinciale beleid voor behoud, herstel en ontwikkeling van ruimtelijk erfgoed en versterking van de regionale identiteit. In de Cultuurhistorische waardenkaart 2010 (CHW 2010) benoemt de provincie haar provinciaal cultuurhistorisch belang en geeft ze informatie over cultuurhistorische waarden van bovenlokaal belang. De CHW 2010 is opgebouwd uit meerdere groepen kaartlagen.
Deze kaartlagen zijn een uitwerking van het provinciaal cultuurhistorisch belang zoals verwoord in de Structuurvisie RO en de Verordening ruimte. Beleid gemeente De Erfgoedkaart van de gemeente Roosendaal (2011) biedt een overzicht van de aanwezige cultuurhistorische aspecten, structuren en gebieden in de gemeente Roosendaal. Op de gemeentelijke cultuurhistoriekaart is onder andere de locatie van bouwkunst binnen de gemeente weergegeven. Eveneens zijn op de erfgoedkaart de historisch-geografische structuren in de gemeente in kaart gebracht. Het beleid van de gemeente is erop gericht de belangrijke cultuurhistorische waarden in de gemeente te beschermen. Daarbij gaat het niet alleen om bouwkundige en archeologische waarden, maar ook om historische
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
29
NL.IMRO.1674.2116LANGENDIJK36-0401 01157-bptoe-Langendijksestraat-36-v5-1
30 03 2021
landschappen en nederzettingen. Op de erfgoedkaart (historische geografie) is het plangebied gelegen binnen een zone die is aangeduid als "turfwinning" (zie hierna). Beoordeling Ondergrond Kenmerkend voor het landschap in deze omgeving is de ligging op relatief arme dekzanden. In het verleden waren deze zanden op diverse plaatsen bedekt met veengronden. Het veen is sinds de middeleeuwen geleidelijk afgegraven en de onderliggende zandgronden werden in gebruik genomen als landbouwgrond. De veld- en laarpodzolgronden die in deze omgeving liggen2, zijn ontstaan na het afgraven van de veenlagen. Ontwikkeling van het gebied
Figuur 17 - Situatie van het plangebied omstreeks 1900. De bebouwing van Roosendaal was nog bescheiden van omvang. Het plangebied bestond uit kleine, door houtwallen omgeven akkerlandjes, zg. kampen.
In deze omgeving werd van omstreeks 1300 tot 1500 turf gewonnen, waarna het veen uitgeput raakte en de streek in armoede verviel. Toen het veen rond het einde van de middeleeuwen uitgeput raakte, bleef er slechts arme zandgrond over, waarop marginale landbouw mogelijk was. Ondertussen bleven de restanten van de turfwinning in de vorm van turfvaarten en jaagpaden in het landschap liggen. Het onbruikbare veenlaagje dat was overgebleven werd in het 2
Stiboka (1982): Bodemkaart van Nederland 1:50.000, blad 49 Oost,
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
30
NL.IMRO.1674.2116LANGENDIJK36-0401 01157-bptoe-Langendijksestraat-36-v5-1
30 03 2021
zand gewerkt en zo ontstond op de gronden vlakbij de kern akkergrond. De wat verder weg gelegen gronden en de erg onvruchtbare gronden bleven onbewerkt liggen en raakten begroeid met heide of werden beplant met bossen (zoals de Rucphense bossen). Monumenten en karakteristieke bebouwing De bestaande woning Langendijksestraat is gebouwd in 1979 en heeft geen monumentale of karakteristieke waarde. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Evenmin zijn panden aangewezen als MIP-object. Beoordeling In het plangebied zelf zijn geen overwegende cultuurhistorische waarden aanwezig. De Langendijksestraat is aangemerkt als "overige oude wegen". Door de planvorming wordt deze weg niet verlegd of anderszins aangetast in zijn cultuurhistorische waarde. Conclusie Voorliggend planvoornemen heeft geen negatieve invloed op cultuurhistorische waarden.
5.5
Archeologie
Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Deze wet is sinds 1 juli 2016 deels opgegaan in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht een archeologisch beleid te voeren. Daarbij hoort ook dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt moeten worden. Gemeente moeten daarnaast archeologieparagrafen opnemen in bestemmingsplannen. Het doel hiervan is om het ‘bodemarchief’ zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. In het bijzonder voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven of waarover niet of nauwelijks is geschreven. Beleid gemeente Volgens het vigerende bestemmingsplan rust er op het gehele plangebied de dubbelbestemming: Waarde - archeologie 1 (WR-A1). Deze bestemming wordt in de thans voorliggende herziening overgenomen.
In een deel van het plangebied (ter plaatse van de ruimte voor ruimtewoning) zijn graaf- en bouwwerkzaamheden gepland, zodat er sprake is van potentiële bodemverstoringen. Volgens de regels van het bestemmingsplan moet bij een grotere oppervlakte dan 500 m2 en een grotere diepte dan 0,50 m een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Omdat de oppervlakte van de nieuwe ruimte voor ruimtewoning met bijgebouw ruim onder de 500 m2 zal blijven behoeft er geen archeologisch onderzoek te worden ingesteld.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
31
NL.IMRO.1674.2116LANGENDIJK36-0401 01157-bptoe-Langendijksestraat-36-v5-1
30 03 2021
Conclusie In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen ter bescherming van potentiële archeologische waarden. In dit geval behoeft geen archeologisch onderzoek ingesteld te worden.
5.6
Natuur
Toetsingskader De Wet natuurbescherming, bevat regels ter bescherming van natuur en landschap. Deze wet regelt aanwijzing, beheer en bescherming van gebieden die vanwege bijzondere natuurwaarden zijn aangewezen als Natura 2000-gebied of Beschermd Natuurmonument. De Beschermde Natuurmonumenten zijn natuurgebieden die vanwege nationale belangen als beschermd natuurgebied zijn aanwezen. Voor het plan moet worden aangetoond dat er geen significant negatieve effecten optreden bij Natura-2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is de Brabantse wal, dat op circa 10 km afstand ligt. Beoordeling gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is de Brabantse wal, dat op circa 10 km afstand ligt. De gemeente Roosendaal gaat uit van het standpunt dat alles op meer dan 5 km van een Natura 2000 netwerk uitkomt op 0,00 zodat er geen Aerius-berekening opgesteld hoeft te worden. Daarbij komt nog eens dat het hier slechts om 1 nieuwe woning gaat. Deze ruimtelijke ingreep is dan ook niet als bezwaarlijk te beoordelen. Wat betreft het dichtstbijzijnde natuurwerk Nederland en of EHS ligt op circa 70 meter afstand. De effecten van de werkzaamheden het slopen van een schuur en bouwen van een nieuwe woning, zijn van dusdanige kleine aard dat zij geen negatief effect hebben op de bestaande waarden van het natuurnetwerk.
Toetsingskader flora en fauna Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantsoorten niet worden verwond, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting of vast rust- of verblijfplaatsen mogen niet worden beschadigd, vernield of verstoord. Beschermde planten mogen op geen enkele wijze van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. Ook legt de wet de zorgplicht van de burger voor de flora en fauna vast. Afwijkingen van de verbodsbepalingen zijn mogelijk indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Beoordeling flora en fauna Om te beoordelen of de voorgenomen werkzaamheden een negatieve invloed kunnen hebben op beschermde soorten, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (zie bijlage 4). In de betreffende rapportage wordt het volgende geconstateerd: “Tijdens het veldonderzoek is een nestlocatie van een duif aangetroffen in de coniferenbomen aan de noordzijde van het perceel. Nestlocaties van andere vogelsoorten zijn niet aangetroffen binnen de bebouwing, ondanks invliegmogelijkheden voor kleinere vogels. Nestlocaties van kleinere zangvogels zijn wel aangetroffen in een meer oostelijk deel van de tuin, welke behouden blijft.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
32
NL.IMRO.1674.2116LANGENDIJK36-0401 01157-bptoe-Langendijksestraat-36-v5-1
30 03 2021
De daken en ruimtes van de beide gebouwen zijn onderzocht op de aanwezigheid van vleermuizenactiviteiten. In de bebouwing zijn geen sporen gevonden van langdurig gebruik door vleermuizen, zoals vleermuiskeutels en prooiresten (afgebeten vleugels van [nacht]vlinders of chitine resten en urinesporen). Fysieke exemplaren zijn niet aangetroffen op de locatie. Het merendeel van de bebouwing wordt gedeeltelijk niet geschikt bevonden voor vleermuizen vanwege het ontbreken van aanhechtingsplaatsen door een te gladde ondergrond en door mogelijke frequente klimaatschommelingen in de muren. De sloop van de schuren is uitvoerbaar mits er bepaalde maatregelen in acht worden genomen. De sloop moet plaatsvinden buiten het broedseizoen in verband met mogelijke nieuwe aanwezige beschermde vogelnesten net als het verwijderen van de coniferenbomen. Met de sloop en de bouw mag er geen verstoring van licht optreden in verband met foeragerende en/of overvliegende vleermuizen in de schemer -en nachtperiode. De ontwikkeling van het nieuwe woonhuis wordt tevens mogelijk geacht. Rondom het nieuwe woonhuis blijft het agrarisch gebied beschikbaar voor de aanwezige soorten.
De nieuwe tuin kan eventueel bijdragen aan en vergroting van het habitat van de al aanwezige soorten, mits goed ingepast.” Conclusie Uit de ecologische quickscan blijkt dat de voorgenomen werkzaamheden geen negatieve invloed op beschermde soorten en/of gebieden zullen hebben, mits daarbij de hiervoor genoemde regels in acht worden genomen.
5.7
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ● ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu wordt gegarandeerd; ● rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Omgevingstype Het plangebied is te kenschetsen als ‘rustig buitengebied'. In de directe omgeving van de geprojecteerde voorziening is geen interlokale verbindingsweg aanwezig.
De gevoeligheid van het rustige buitengebied komt overeen met die van een 'rustige woonwijk', het toetsingskader van de publicatie Bedrijven en milieuzonering.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
33
NL.IMRO.1674.2116LANGENDIJK36-0401 01157-bptoe-Langendijksestraat-36-v5-1
30 03 2021
Beoordeling In de omgeving zijn enkele niet-agrarische bedrijfsbestemmingen aanwezig. Volgens de VNG-publicatie worden de bedrijven als volgt geklasseerd:
63, 69 t/m 71
Langendijksestraat 13
Categorie
Langendijksestraat 15
omschrijvin g
adres
SBI-code 2008 552/553
Recreatiebedrijf (chaletpark) kampeerterreinen, vakantiecentra e.d. Kantoor (< 170 m2) overige zakelijke dienstverlening: kantoren
3.1
1 *)
De dichtstbijzijnde niet-agrarische bedrijven zijn gelegen aan de Langendijksestraat 13 en 15. Beide bedrijven hebben volgens volgens het vigerende bestemmingsplan maximaal milieucategorie 1, dat wil zeggen dat de afstand tot een gevoelige bestemming minimaal 10 m moet bedragen. Volgens de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant heeft het recreatiebedrijf milieucategorie 3.1., waarbij de afstand tot een gevoelige bestemming minimaal 50 m moet bedragen. De afstand van de geprojecteerde ruimte voor ruimtewoning tot het recreatiebedrijf Langendijksestraat 15 bedraagt 309 m (50 vereist). De afstand tot het kantoor Langendijksestraat 13 bedraagt 439 m. (10 vereist). Hieruit valt af te leiden dat de geprojecteerde ruimte voor ruimtewoning op ruim voldoende afstand van beide bedrijfsmatige bestemmingen gelegen is. Dat betekent dat voldaan wordt aan de zonering volgens de VNG-systematiek. Dat betekent dat ter plaatse een voldoende woon en leefmilieu aanwezig is. Omdat uitgegaan is van de maximale categorieën uit het bestemmingsplan, betekent dit tevens dat de geprojecteerde woning bovendien geen belemmering zal vormen voor de ontwikkeling van de besteffende bedrijven. Verder moet worden opgemerkt dat tussen de nieuw op te richten woning en de bestaande bedrijven in alle gevallen bestaande woningen aanwezig zijn.
Voor het beoordelen van een gewenste ontwikkeling van die bedrijven is de nieuwe woning dus nooit maatgevend. De nieuwe ruimte voor ruimtewoning kan dus geen negatieve invloed hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van de betreffende bedrijven. Conclusie De conclusie is dat er voldaan wordt aan de eisen met betrekking tot milieuzonering.
5.8
Geluid
Toetsingskader Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn woningen geluidgevoelige functies. Bij de bouw van nieuwe woningen dient aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een acceptabel akoestisch klimaat. Onderzoek De geprojecteerde ruimte voor ruimtewoning wordt gerealiseerd in de omgeving van de Langendijksestraat, een verharde weg in het buitengebied van Roosendaal. Volgens de Wet geluidhinder betreft het hier een nieuwe
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
34
NL.IMRO.1674.2116LANGENDIJK36-0401 01157-bptoe-Langendijksestraat-36-v5-1
30 03 2021
woonbestemming binnen een geluidzone. Een akoestisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de nieuwe woning voldoet aan de normen van de wet. Verder moet bepaald worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning. Daartoe is een akoestisch onderzoek ingesteld3. Daarin wordt het volgende geconcludeerd: “Het voornemen is om ten zuiden van de bestaande woning op het perceel van het adres Langendijksestraat 36 in Roosendaal één nieuwe woning te realiseren. Dit past niet binnen het vigerend bestemmingsplan, waardoor een bestemmingsplanprocedure wordt doorlopen om de realisatie van de nieuwe woning juridisch-planologisch mogelijk te maken. Aangezien de nieuwe woning is gelegen binnen de geluidzone van de Langendijksestraat is vanuit de Wet geluidhinder een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Voor het onderzoek is een rekenmodel opgesteld en zijn de geluidbelastingen berekend volgens Standaardrekenmethode 2 overeenkomstig het Rmg 2012. De berekeningen zijn uitgevoerd met het rekenprogramma Geomilieu, versie 5.21. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidbelasting vanwege het verkeer op de Langendijksestraat maximaal 43 dB bedraagt. De voorkeurswaarde van 48 dB wordt niet overschreden, waardoor het vaststellen van een hogere waarde is niet benodigd is.
Daarnaast is de milieukwaliteit vanuit akoestisch oogpunt als ‘goed’ te beschouwen, waardoor sprake is van een akoestisch goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woning. Omdat het vaststellen van een hogere waarde niet benodigd is, wordt het uitvoeren van een nader onderzoek naar de geluidwering van de nieuwe woning niet nodig geacht. Op grond van artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 is wel een minimale geluidweringseis van toepassing van 20 dB. Geconcludeerd wordt dat het aspect wegverkeerslawaai geen belemmering oplevert voor de realisatie van de extra woning op het perceel van het adres Langendijksestraat 36.” Voorlopige conclusie Op grond van het onderzoek mag er van uit worden gegaan dat de akoestische situatie geen belemmering zal vormen voor de realisering van het planvoornemen.
5.9
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: ● bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; ● vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.
3
Agel Adviseurs, bijlage 3.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
35
NL.IMRO.1674.2116LANGENDIJK36-0401 01157-bptoe-Langendijksestraat-36-v5-1
30 03 2021
Risicorelevante inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten. De belangrijkste plichten voor de gemeente die een bestemmingsplan opstelt zijn: -
-
Ruimtelijke reservering opnemen voor plaatsgebonden risico (PR) en verantwoording van groepsrisico (GR). Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Ruimtelijke reservering opnemen voor de belemmeringenstrook met aanlegvergunningenstelsel: de voor onderhoud gereserveerde ruimte bedraagt ten minste 5 meter aan beide zijden van de leiding. De ruimtelijke reserveringen zijn binnen 5 jaar verwerkt in bestemmingsplannen.
In de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn de aanwijzing van buisleidingen, de risicoafstanden en de rekenmethodiek opgenomen. De regeling bevat de rekenmethodieken voor hogedruk aardgasleidingen, voor buisleidingen met aardolieproducten en voor chemicaliënleidingen. De rekenmethodiek voor chemicaliënleidingen is per 1 juli 2014 aan de regeling toegevoegd. In deze handleiding staat alle technische en inhoudelijke informatie die nodig is om het plaatsgebonden risico en het groepsrisico te bepalen. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De risicokaart toont geen inrichtingen die een belemmering vormen voor voorliggende ontwikkeling. Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. De rijkswegen, vaaren spoorwegen zijn beoordeeld. De risicokaart geeft binnen en in de directe omgeving van het plangebied geen transportassen weer die risicorelevant kunnen zijn voor het planvoornemen.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
36
NL.IMRO.1674.2116LANGENDIJK36-0401 01157-bptoe-Langendijksestraat-36-v5-1
30 03 2021
Figuur 18 – risicocontouren leidingen (plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar) (bron: risicokaart.nl), met locatie nieuwe woning (rood).
Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. In het plangebied is een gasleiding en parallel daaraan een aardolieleiding aanwezig. De woningen worden aangemerkt als beperkt kwetsbaar object. Voor het plaatsgebonden risico geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar (artikel 11, tweede lid van het Besluit externe veiligheid buisleidingen). De nieuwe woning wordt buiten de veiligheidszone van de gasleiding, zoals die op de risicokaart is weergegeven, gerealiseerd. Aan de richtwaarde wordt daardoor voldaan. Omdat de woningen verspreid liggen, met twee woningen op 1,5 hectare, worden deze aangemerkt als beperkt kwetsbaar object. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Advies Veiligheidsregio Geadviseerd wordt om ten aanzien van het aspect externe veiligheid het advies van de Veiligheidsregio te vragen.
5.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven. Tabel 3 - Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde grenswaarde Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde grenswaarde 24-uurgemiddelde grenswaarde Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde grenswaarde
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
Grenswaarde 40 μg/m3 40 μg/m3 Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3 25 μg/m3
37
NL.IMRO.1674.2116LANGENDIJK36-0401 01157-bptoe-Langendijksestraat-36-v5-1
30 03 2021
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. NIBM In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: ● een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 μg/m³); ● een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek Het plan betreft de bouw van één nieuwe woning. De (negatieve) effecten van onderhavig plan op de luchtkwaliteit zijn onderzocht met behulp van de NIBMrekentool. Aan de hand van de toename van het aantal verkeersbewegingen is beoordeeld of het plan in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van genoemde stoffen in de lucht. In tabel 4 is het resultaat van de berekening weergegeven.
Daarbij is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 7,8 tot 8,6 mvt./woning/etm (C.R.O.W.: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 2012, kenmerken: koop, vrijstaand, ligging: rest bebouwde kom, niet stedelijk). Tabel 4 - Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2019
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,01
PM10 in μg/m3
0,00
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
9
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Uit de berekening volgt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van stoffen in de lucht. Verder is met het oog op een beoordeling van het woon- en leefmilieu ter plaatse gekeken naar de situatie van de luchtkwaliteit ter plaatse. Er is sprake van een bestaande woonfunctie en een nieuwe woonfunctie ten zuiden daarvan. Er heeft een beoordeling plaats gevonden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht gegeven in de heersende concentraties. De coördinaten van de nieuwe ruimte-voor-ruimte woning aan de Langendijksestraat 36 zijn x = 94.300, y = 392.800. Gegevens van het RIVM tonen ter hoogte van de nieuwe woning, de volgende achtergrondconcentraties:
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
38
NL.IMRO.1674.2116LANGENDIJK36-0401 01157-bptoe-Langendijksestraat-36-v5-1
Tabel 5 - Achtergrondconcentraties luchtkwaliteit jaar PM10 (μg/m3) PM2,5 (μg/m3) 3 2018 17,93 μg/m 11,03 μg/m3 2025 (gegevens 2019) 15,63 μg/m3 9,12 μg/m3 3 2030 (gegevens 2019) 14,09 μg/m 8,15 μg/m3 grenswaarde 40,00 μg/m3 25,00 μg/m3
30 03 2021
NO2 (μg/m3) 17,16 μg/m3 12,35 μg/m3 10,67 μg/m3 40,00 μg/m3
Deze waarden liggen ruim beneden de grenswaarde van PM10 en NO2 van 40 μg/m3. Tevens wordt voldaan aan de PM2,5 grenswaarde van 25 μg/m3, zodat er sprake is van een kwalitatief voldoende woon- en leefmilieu ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.
5.11 Geurhinder Toetsingskader Het aspect geur speelt in de nabijheid van het landelijk gebied een belangrijke rol. Bij de beoordeling van dit aspect wordt onderscheid gemaakt tussen: de algemeen geldende vaste afstanden, de vaste afstanden voor niet intensieve veehouderijen en geur individuele veehouderijen (Wet geurhinder en veehouderij; Wgv). Verder moet het woon- en leefklimaat ter plaatse van de planlocatie en de eventuele beperkingen voor omliggende veehouderijen in beeld te worden gebracht (Wet ruimtelijke ordening; Wro). Beoordeling Een nader onderzoek naar de geurhinder ter plaatse van de nieuwe woning is ingesteld4. In de rapportage wordt het volgende geconcludeerd: “Voor de realisatie van een nieuwe woning aan de Langendijksestraat 36 te Roosendaal is een onderzoek geur en veehouderij uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de nieuwe woning voldaan wordt aan de Wet geurhinder en veehouderij. Daarnaast blijkt dat ter plaatse van de nieuwe woning sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en dat de omliggende veehouderijen niet aanvullend worden beperkt in hun mogelijkheden. Geconcludeerd kan worden dat de nieuwe ruimtelijke ontwikkeling niet stuit op beperkingen ten aanzien van het milieuaspect geur en veehouderij”. In het advies van de Omgevingsdienst wordt aangegeven dat de voorgrondbelasting bepalend is voor het woon- en leefklimaat.
De omgevingsdienst concludeert voor het bepalen van het woon- en leefklimaat de voorgrondbelasting van belang is. Zoals in de memo d.d. 21 januari 2020 van Agel adviseurs is aangegeven is op basis voorgrondbelasting te concluderen dat het woon en leefklimaat redelijk goed is. Conclusie Uit het ingestelde geuronderzoek wordt geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk goed woon en leefklimaat ter hoogte van de nieuwe woning.
4
Agel Adviseurs: bijlage 2.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
39
NL.IMRO.1674.2116LANGENDIJK36-0401 01157-bptoe-Langendijksestraat-36-v5-1
30 03 2021
5.12 Kabels en leidingen Toetsingskader Sommige soorten leidingen zijn planologisch relevant, omdat zij een beperking kunnen inhouden voor de ruimtelijke ontwikkeling in de omgeving: a. hoogspanningsverbindingen (50 kV en hoger); b. buisleidingen: voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig, met uitzondering van de gasleiding en de olietransportleiding, die reeds behandeld zijn in paragraaf 5.9. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.
5.13 Milieueffectrapportage Toetsingskader planMER Gemeenten en provincies moeten per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen en is het opstellen van een MER noodzakelijk. Grensoverschrijdende milieugevolgen Op 25 februari 1991 is het VN-verdrag over grensoverschrijdende milieueffectrapportage tot stand gekomen. Het verdrag is op 10 september 1997 in werking getreden. Kern van het verdrag is dat, in het geval van mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen, het publiek en autoriteiten in het buurland op dezelfde wijze en tijd worden betrokken bij de m.e.r.-procedure als de autoriteiten en het publiek in Nederland. Aanmeldnotitie Vormvrije MER-beoordeling Sinds 16 mei 2017 is een aanmeldnotitie bij een vormvrije MER-beoordeling nodig wanneer sprake is van een zg. vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMERplichtig zijn). Het heeft niet alleen betrekking op een bestemmingsplan, maar ook op bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking. Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf; dat betekent dat ook bij het ontwikkelen van een klein ruimtelijk plan een aanmeldnotitie nodig kan zijn.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
40
NL.IMRO.1674.2116LANGENDIJK36-0401 01157-bptoe-Langendijksestraat-36-v5-1
30 03 2021
Indien de gemeente zelf initiatiefnemer is, hoeft deze geen aanmeldnotitie op te stellen. Beoordeling Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied wordt één nieuwe woonfunctie mogelijk gemaakt. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan activiteit D 11.2 uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Deze activiteit betreft strikt genomen een stedelijk ontwikkelingsproject. In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om de bouw van 2.000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied of als de activiteit een omvang heeft van 100 hectare. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Bovendien gaat het om de ontwikkeling van één enkele woning in het buitengebied. Dit kan moeilijk aangemerkt worden als een stedelijk ontwikkelingsproject.. Het plan hoeft niet aangemerkt te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r., waardoor ook geen aanmeldnotitie vormvrije mer-beoordeling behoeft te worden opgesteld.
Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt en maakt het geen onderdeel uit van een Belvédèregebied. Er is derhalve geen sprake van een landschappelijk waardevol gebied. In dit hoofdstuk zijn tevens de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling inderdaad geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Het plangebied ligt op een afstand van 4,250 km van de grens met België. Omdat het voorgenomen plan niet MER-plichtig is, is er ook geen sprake van grensoverschrijdende effecten. Conclusie Er zijn geen 'belangrijke nadelige milieugevolgen’ te verwachten en daarom is het niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren of een aanmeldnotitie op te stellen.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
41
NL.IMRO.1674.2116LANGENDIJK36-0401 01157-bptoe-Langendijksestraat-36-v5-1
6
30 03 2021
HET BESTEMMINGSPLAN
Het Bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding. Een en ander is opgesteld overeenkomstig de standaarden die daarvoor gelden en de gemeentelijke afspraken.
6.1
Plangrens
Het plangebied van dit bestemmingsplan omvat het gehele perceel waarop de huidige woning en het huidige voormalige bedrijfsgebouw staat en de plaats waar de nieuwe ruimte voor ruimtewoning zal worden gebouwd. Het deel van het plangebied waarbinnen de bestaande burgerwoning staat, behoudt de bestemming “Wonen-2”, overeenkomstig de systematiek van het Handboek actualisering bestemmingsplannen van de gemeente Roosendaal. De begrenzing van dat bestemmingsvlak wordt gewijzigd, zodat de begrenzingen logischer wordt. Verder wordt het deel van dat bestemmingvlak dat achterop het perceel lag waar het voormalige bedrijfsgebouw staat, geschrapt, zodat daar een agrarische bestemming op komt te rusten. De locatie van de ruimte voor ruimtewoning krijgt de bestemming 'Wonen-2'. De rest van het plangebied krijgt de bestemming 'Agrarisch', dan wel 'Groen'.
6.2
De verbeelding
De opzet van het bestemmingsplan is afgestemd op de opzet van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied. Op de verbeelding zijn aangegeven: de grens van het plangebied van dit bestemmingsplan de bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden. overige aanduidingen, waarnaar in de regels wordt verwezen.
6.3
De regels
Omdat het een partiële herziening van het bestemmingsplan betreft, kunnen de regels van het moederplan, het bestemmingsplan buitengebied, blijven gelden.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
42
NL.IMRO.1674.2116LANGENDIJK36-0401 01157-bptoe-Langendijksestraat-36-v5-1
7
HAALBAARHEIDSASPECTEN
7.1
Financieel-economische haalbaarheid
30 03 2021
Onderzoek Deze planwijziging omvat een juridische regeling voor de oprichting van een ruimte voor ruimtewoning. Het aanwezige voormalige agrarische bedrijfsgebouw wordt afgebroken en het daarop berustende deel van het bestemmingsvlak Wonen-2 wordt geschrapt. Verder wordt de mogelijkheid geopend om een ruimte voor ruimtewoning te bouwen. De kosten omvatten de kosten van het opstellen van het bestemmingsplan en de procedurekosten. Dit is geregeld in de anterieure overeenkomst. Verder wordt een bouwtitel gekocht bij de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte. Er zijn geen andere omstandigheden bekend die bijzondere kosten met zich meebrengen, noch voor de betreffende initiatiefnemer, noch voor de gemeente. Daarom moet het plan op voorhand financieel-economisch haalbaar worden geacht. Conclusie De financieel-economische uitvoerbaarheid is in het kader van de opstelling van het bestemmingsplan getoetst. Er zijn geen aspecten gevonden die de uitvoerbaarheid onevenredig negatief beïnvloeden.
7.2
Grondexploitatie
Toetsingskader De centrale doelstelling van de grondexploitatieregelingen zoals opgenomen als afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. Het uitgangspunt van de regeling is dan ook dat gemeenten een verplichting hebben tot kostenverhaal. Dit betekent dat een gemeente de gemaakte kosten op de particuliere grondeigenaar moet verhalen in het geval deze eigenaar zelf tot ontwikkeling van de gronden overgaat. Op grond van artikel 6.12 tweede lid Wro kan van de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan worden afgezien, indien (globaal) sprake is van de volgende factoren: -
het verhaal van de kosten van de grondexploitatie is anderszins verzekerd; het bepalen van een fasering en/of het vastleggen van locatie-eisen is niet noodzakelijk.
Beoordeling De gemeente Roosendaal heeft in een anterieure exploitatieovereenkomst met de particuliere eigenaar bindende afspraken gemaakt over de bijdrage van de ontwikkelaars in de kosten. Daarmee is het kostenverhaal voldoende verzekerd en hoeven geen aanvullende afspraken gemaakt te worden over de werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 6.13 Wro, tweede lid, onder b en c.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
43
NL.IMRO.1674.2116LANGENDIJK36-0401 01157-bptoe-Langendijksestraat-36-v5-1
30 03 2021
Conclusie Het verhalen van de kosten die de gemeente moet maken voor dit plan is geregeld in de anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer.
7.3
Maatschappelijke haalbaarheid
De maatschappelijke haalbaarheid wordt getoetst door de gebruikelijke inspraakprocedure van een bestemmingsplan te volgen. Deze procedure is aangegeven in artikel 36.2 van de regels van het bestemmingsplan Buitengebied Roosendaal-Nispen. 7.3.1
Procedure
Omdat het planvoornemen de oprichting van een ruimte voor ruimtewoning omvat, is de procedure van planherziening (hoofdstuk 3 Wet ruimtelijke ordening) noodzakelijk. 7.3.2
Overleg en inspraak
Het voorontwerp van het bestemmingsplan is toegezonden aan diverse instanties. Er zijn geen inspraakreacties binnengekomen op het voorontwerpbestemmingsplan (zie ook 7.3.3 onder a.) 7.3.3
Vaststellingsprocedure
Het ontwerp-bestemmingsplan heeft van 15 februari 2021 t/m 28 februari 2021 ter inzage gelegen, waarbij eenieder in de gelegenheid was om zienswijzen in te dienen. Daarvan heeft de Gasunie, beheerder van een van de leidingen in het gebied, bij schrijven van 10 maart 2021 gebruik gemaakt. Daarbij werden de volgende punten naar voren gebracht. a.
De Gasunie geeft aan dat op 8 oktober 2020 een inspraakreactie verzonden is, die niet vermeld staat in paragraaf 7.3.2. De navolgende punten zijn dan ook een kopie van de voorontwerpreactie. Reactie: Volgens de gemeentelijke administratie is de genoemde vooroverlegreactie niet ontvangen. Bij de behandeling van de zienswijzen zijn de inhoudelijke punten vervolgens wel verwerkt.
b.
Verbeelding Binnen het plangebied ligt een aardgastransportleiding A-530-03 die bij de Gasunie in beheer is. De verbeelding geeft weer dat er naast die leiding nog een gasleiding en een olieleiding aanwezig zijn binnen de plangrenzen. Dit is niet correct. In het op 2 november 20216 vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied Roosendaal Nispen en ook op de risicokaart is er slechts sprake van een gas- en een olieleiding. Reactie: deze opmerking is terecht is; de verbeelding zal overeenkomstig het bestemmingsplan buitengebied worden gecorrigeerd.
c.
Toelichting – externe veiligheid In paragraaf 5.9 Externe veiligheid is aangegeven dat de nieuwe woning buiten de veiligheidszone van de gasleiding zoals die op de risicokaart is weergegeven, moet worden gerealiseerd. De actuele situatie van de risicocontouren ter weerszijden van het plangebied zijn zodanig, dat deze
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
44
NL.IMRO.1674.2116LANGENDIJK36-0401 01157-bptoe-Langendijksestraat-36-v5-1
30 03 2021
niet gelegen zijn over het plangebied. Er is wat de Gasunie betreft dan ook geen belemmering om de te bouwen woning meer richting leidingen te realiseren, mits voldaan wordt aan de regels omtrent het plaatsgebonden risico en de verantwoording van het groepsrisico. Reactie: Deze opmerking wordt voor kennisgeving aangenomen. De initiatiefnemer heeft aangegeven met de nieuwe woning zoveel mogelijk buiten de op de bestemmingsplankaart aangegeven risicocontouren te willen blijven. Uit een oogpunt van ruimtelijke ordening heeft de gemeente daar geen bezwaar tegen. Daarom blijft de locatie van de geplande ruimte voor ruimtewoning gehandhaafd. d.
Toelichting – kabels en leidingen In paragraaf 5.12 Kabels en leidingen is aangegeven dat er met uitzondering van de gasieiding geen relevante kabels en leidingen aanwezig zijn ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving. Dit is niet correct, immers er is ook een olieleiding gelegen binnen het plangebied. Reactie: Dit is een terechte opmerking; deze passage in de toelichting zal worden gecorrigeerd.
Bijlagen bij dit bestemmingsplan: Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5:
Terra Milieu: Verkennend bodemonderzoek Langendijksestraat naast huisnr. 36 te Roosendaal, Den Dungen, 2020. Agel Adviseurs: Onderzoek geurhinder en veehouderij; Langendijksestraat 36 te Roosendaal; Agel Adviseurs: Akoestisch Onderzoek wegverkeerslawaai, Bestemmingsplan ‘Langendijksestraat 36’ te Roosendaal. Drieweg Advies: Ecologisch onderzoek Wet natuurbescherming Langendijksestraat 36 te Roosendaal. Definitieve overeenkomst bouwtitel ruimte voor ruimte.
’s-Hertogenbosch, april/ mei/ oktober 2019/ februari/april/ september 2020/ januari/maart 2021.
CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING B.V.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
45