CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Toelichting bestemmingsplan Thorbeckelaan 237 Roosendaal.pdf

Commissie 9 september 2021, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 4: Raadsvoorstel Herstelbesluit bestemmingsplan Thorbeckelaan 23715.824 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

26

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Uit de tabel blijkt, dat de totale verharde oppervlakte in het plangebied in de toekomst zal toenemen tot 450 m2. Gezien deze omvang (minder dan 2000 m2) zijn geen extra voorzieningen vereist. Huishoudelijk afvalwater (vuil water) Het huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd middels een nieuwe aansluiting op de aanwezige riolering in de Thorbeckelaan, overeenkomstig de voorwaarden van en in overleg met de rioolbeheerder. Het relatief schone hemelwater wordt ter plaatse opgevangen en geïnfiltreerd. Watertoets Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan (dus ook in een bestemmingsplan) gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen. In het voorafgaande is al aangegeven dat de beoogde planherziening een verandering op watergebied inhoudt en op welke wijze dit gepland is. Het overleg met de waterbeheerder(s) is onderdeel van deze watertoets. De watertoets wordt uitgevoerd tijdens het overleg met het waterschap. Het waterschap heeft een positief wateradvies gegeven (zie bijlage 6).

5.4

Cultuurhistorie

Toetsingskader erfgoedbeleid Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen roerend en onroerend cultureel erfgoed. Zij vervangt een aantal wetten zoals de Monumentenwet (deels met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) en de Wet tot behoud van cultuurbezit. Ruimtelijk relevante onderdelen zijn onder het overgangsrecht geplaatst tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Tot die tijd dient rekening te worden gehouden met de Modernisering Monumentenzorg, die tot een wijziging heeft geleidt van het Bro (artikel 3.1.6, lid 5). Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Beleid provincie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. De Cultuurhistorische waardenkaart is al vanaf 2002 een belangrijke pijler van het provinciale beleid voor behoud, herstel en ontwikkeling van ruimtelijk erfgoed en versterking van de regionale identiteit. In de Cultuurhistorische waardenkaart 2010 (CHW 2010) benoemt de provincie haar provinciaal cultuurhistorisch belang en geeft ze informatie over cultuurhistorische waarden van bovenlokaal belang. De CHW 2010 is opgebouwd uit meerdere groepen kaartlagen.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

27

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Deze kaartlagen zijn een uitwerking van het provinciaal cultuurhistorisch belang zoals verwoord in de Structuurvisie RO (vastgesteld PS 1 oktober 2010) en de Verordening ruimte . Het plangebied wordt niet aangemerkt als een gebied met cultuurhistorische waarden van provinciaal niveau. Beleid gemeente De Cultuurhistoriekaart van de gemeente Roosendaal biedt een overzicht van de aanwezige cultuurhistorische aspecten, structuren en gebieden in de gemeente Roosendaal. Op de gemeentelijke cultuurhistoriekaart is onder andere de locatie van historische bouwkunst en historische stedenbouw binnen de gemeente weergegeven. Het plangebied wordt niet aangemerkt als terrein met cultuurhistorische waarde. Evenmin wordt er historisch groen of historische bebouwing in of nabij het plangebied gesignaleerd. De Thorbeckelaan wordt aangemerkt als lijnstructuur van redelijk hoge waarde. Door het planvoornemen worden geen veranderingen aan de Thorbeckelaan aangebracht, of althans geen veranderingen die van invloed zouden kunnen zijn op de cultuurhistorische waarde van deze straat. Ruimtelijke ontwikkeling De omgeving van Roosendaal is waarschijnlijk in de Hoge Middeleeuwen (10001200) ontgonnen. Het vestigingspatroon bestond uit kleine buurtschappen van enkele boerderijen. Het plangebied behoorde tot het buurtschap Rietgoor.

Dit buurtschap bestond uit enkele boerderijen langs de Rietgoorsestraat, die zich uitstrekte over een dekzandrug ten oosten van de Haiinksebeek.

Figuur 14 - Topografische situatie in 1900 (links) en 1968 (rechts) - duidelijk is te zien dat ten tijde van de eeuwwisseling nog vrijwel geen bebouwing aanwezig was ten noorden van de Hoekstraat. In 1968 waren wel enkele woningen aanwezig.

Door de realisering van de woonwijk Tolberg is de situatie van het buurtschap ingrijpend veranderd. Niet alleen kwam het in de periferie van de stadsbebouwing te liggen, maar het beloop van de wegen werd ook sterk gewijzigd. In het plangebied zijn geen relicten van de oude situatie overgebleven. Monumenten en karakteristieke bebouwing In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Evenmin zijn er panden in het kader van het MIP (Monumenten Inventarisatie Project) aangewezen als karakteristiek.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

28

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Figuur 15 - Topografische situatie in 1990 (links) en 2000 (rechts) - duidelijk is de invloed van de bouw van de wijk Tolberg op de omgeving te zien.

Beoordeling In het plangebied zelf zijn geen (overwegende) cultuurhistorische waarden aanwezig. Conclusie Voorliggend planvoornemen heeft geen negatieve invloed op cultuurhistorische waarden.

5.5

Archeologie

Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Deze wet is sinds 1 juli 2016 deels opgegaan in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht een archeologisch beleid te voeren. Daarbij hoort ook dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt moeten worden. Gemeente moeten daarnaast archeologieparagrafen opnemen in bestemmingsplannen. Het doel hiervan is om het ‘bodemarchief’ zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. In het bijzonder voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven of waarover niet of nauwelijks is geschreven.

Beleid gemeente Om het aspect archeologie goed mee te wegen in de gemeentelijke ruimtelijke besluitvorming heeft de gemeente Roosendaal in 2010 een Erfgoedverordening opgesteld, waarin tevens het archeologisch beleid is vastgelegd. Dit beleid is vertaald naar het geldende bestemmingsplan.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

29

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Figuur 16 - Hoogtebestand (rood = hoog; groen=laag) van het maaiveld - shaded relief; te zien is dat het bouwterrein lager ligt dan zijn omgeving; dit heeft te maken met afgravingen in het verleden; daardoor zijn eventueel voorheen aanwezige archeologische gegevens verloren gegaan; de afgravingen zijn ook weergegeven op de archeologische beleidskaart van de gemeente.

Beoordeling Op basis van de beleidskaart van de gemeente kan worden vastgesteld dat het perceel gesitueerd is in een zone met een lage archeologische verwachting; voor dergelijke locaties bestaat alleen een onderzoeksverplichting wanneer het gaat om een MER-plichtig projecten of projectontwikkeling met een oppervlakte van meer dan 1,0 hectare. Er is wel een meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische vondsten conform de nationale archeologie wetgeving. Er is echter ook sprake van een bekende bodemverstoring van het perceel. Daarom wordt de kans dat archeologie een rol van betekenis zal spelen in het vergunningstraject erg klein geacht2. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voorliggend planvoornemen geen negatieve invloed heeft op de archeologische waarden.

5.6

Natuur

Toetsingskader De Wet natuurbescherming, bevat regels ter bescherming van natuur en landschap. Deze wet regelt aanwijzing, beheer en bescherming van gebieden die vanwege bijzondere natuurwaarden zijn aangewezen als Natura 2000-gebied of Beschermd Natuurmonument. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is een doorvertaling van de Europese Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG, 2 april 1979) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992). Beide Europese richtlijnen hebben tot doel de leefgebieden van in het wild levende dieren en planten in stand te houden. De Beschermde Natuurmonumenten zijn natuurgebieden die vanwege nationale belangen als beschermd natuurgebied zijn aanwezen. Per 1 juli 2015 is het Programma Aanpak Stikstof 2015 - 2021 (PAS) in werking getreden. Tevens heeft reeds een partiële herziening van het programma 2

e-mail door Alexander Zagkotsis, Projectmanager, Archeoloog MA bij Transect.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

30

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

plaatsgevonden, welke in werking is getreden op 15 december 2015. Het PAS betreft een programma op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen, de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen. Beoordeling Ten behoeve van de voorbereiding van dit bestemmingsplan is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage is als bijlage bij deze toelichting gevoegd (bijlage 3). Daarin worden de volgende conclusies getrokken ten aanzien van de gebiedsbescherming: "Het plangebied bevindt zich niet in de nabijheid van een gebied dat is aangewezen in het kader van de Europese Natura 2000-gebieden. Op een afstand van 5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied “Brabantse Wal”. Het Natura 2000-gebied betreft een vogel- en habitatrichtlijngebied en PAS-gebied. Verstorende factoren zoals oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verdroging en verstoring door trilling, licht en geluid zijn, gezien de tussenliggende afstand, met de voorgenomen planontwikkeling niet van toepassing. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Nationaal natuurnetwerk of Natuurnetwerk Brabant (NNB).

Het dichtstbijzijnde gebied dat behoort tot het NNB is aangeduid als het type ‘Beek en Bron (N03.01)’ en betreft het stroomgebied van de Rissebeek Met de voorgenomen planontwikkeling is er geen sprake van directe vernietiging van het NNB. Aangezien het beoogde plan geen directe relatie heeft met een gebied dat is aangewezen als NNB en geen verbindende functie vervult zijn negatieve effecten uit te sluiten. Van negatieve uitstralingseffecten door geluid, licht en verdroging op het Nationaal Natuurwerk of Natuurnetwerk Brabant is geen sprake. In het plangebied staan geen beschermde houtopstanden." Toetsingskader soortenbescherming Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantsoorten niet worden verwond, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting of vast rust- of verblijfplaatsen mogen niet worden beschadigd, vernield of verstoord. Beschermde planten mogen op geen enkele wijze van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. Ook legt de wet de zorgplicht van de burger voor de flora en fauna vast. Afwijkingen van de verbodsbepalingen zijn mogelijk indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Beoordeling In de quickscan (bijlage 3) worden de volgende conclusies getrokken ten aanzien van de soortenbescherming: "In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen.

Dit houdt in dat voorafgaand aan de ingreep alle maatregelen dienen te worden getroffen om nadelige gevolgen op flora en fauna voor zover mogelijk te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Deze zorgplicht geldt altijd en voor alle soorten, ook als ontheffing of vrijstelling is verleend. Binnen het plangebied zijn geen potentiële natuurlijke groeiplaatsen voor beschermde (vaat)planten aanwezig. Beschermde (vaat)planten worden dan ook niet binnen het plangebied verwacht. Aangeplante of gezaaide exemplaren van beschermde soorten zijn niet beschermd in de Wet natuurbescherming (Wnb), omdat het geen natuurlijke groeiplaatsen betreft. Een ontheffing van de Wnb en/of compensatie is daarom niet noodzakelijk.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

31

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Er zijn tijdens het oriënterende veldbezoek geen zoogdieren waargenomen. Gedurende het veldbezoek is grondig gezocht naar sporen zoals uitwerpselen, vraatsporen zoals afgebeten veren of loopsporen van onder andere marterachtigen en eekhoorn. Deze sporen zijn niet waargenomen of te verwachten gezien het ontbreken van geschikte habitat voor deze soorten. Verwacht wordt dat enkele soorten waarvoor door de provincie Noord-Brabant vrijstellingen is verleend zoals haas, egel en aantal muissoorten voor kunnen komen binnen de onderzoeklocatie. Tijdens het veldbezoek zijn mogelijke rust- en verblijfplaatsen van boom- en gebouwbewonende vleermuizen, op basis van de checklist inschatting vooronderzoek vleermuizen (vleermuisprotocol), onderzocht. Gezien het ontbreken van bebouwing en (geschikte) bomen is het voorkomen van vaste rust, verblijf-, kraam of paarplaats van gebouw- en boom bewonende vleermuissoorten niet aan de orde. Naast verblijfplaatsen zijn ook essentiële vliegroutes en foerageergebieden beschermd. Vliegroutes zijn lijnvormige elementen, vaak een bomenrij, waaraan vleermuizen zich oriënteren. Vleermuizen hebben deze oriëntatie nodig om zich van hun verblijfplaats naar hun foerageergebied te verplaatsen. Foerageergebieden kunnen onder ander bestaan uit bomen, opgaande gewassen en open water.

Binnen het plangebied zijn geen groenstructuren of elementen aanwezig die een functie kunnen vervullen als essentiële vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen. Ten tijde van het oriënterend veldbezoek zijn geen vogels waargenomen. In het plangebied is het mogelijk dat algemene vogelsoorten tot broeden komen. Broedende vogels in en direct rond het plangebied mogen niet verstoord worden met de voorgenomen planontwikkeling. Verstorende activiteiten zoals rooiwerkzaamheden dienen daarom gestart te worden buiten de broedperiode. Als deze vogels bij het zoeken van een nestlocatie merken dat het plangebied en/of de directe omgeving te verstorend is door activiteiten, zullen ze elders een geschikte nestlocatie zoeken. Indien binnen de broedperiode gestart dient te worden met de voorgenoemde werkzaamheden, is dit mogelijk als aantoonbaar is vastgesteld dat er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Tijdens het veldbezoek is specifiek aandacht besteed aan de aanwezigheid van roofvogels en rust- en verblijfplaats van deze roofvogels. Nesten (of nesten van voorgaande jaren) van in bomen broedende jaarrond beschermde (roof)vogels zijn ten tijde van het oriënterende veldbezoek niet waargenomen.

Nesten van gebouwbewonende jaarrond beschermde vogelsoorten (zoals kerkuilen) en eventuele sporen (braakballen, roestplaats etc.) zijn door de afwezigheid van geschikte gebouwen en bomen niet aangetroffen in het plangebied. De mogelijkheid bestaat dat (roof)vogels op een andere manier gebruik maken van het plangebied, bijvoorbeeld als foerageergebied en/of als vaste aanvliegroute tussen verblijfplaats en foerageergebied. Direct buiten het plangebied zijn meerdere groene elementen aanwezig welke met de voorgenomen planontwikkeling ongewijzigd blijven. Het aantasten van het foerageergebied en/of groene elementen zal gezien de aard van de voorgenomen ruimtelijke ingreep, ligging tegen de bebouwde kom en het omliggend groen geen negatieve invloeden uitoefenen op het leefgebied van (roof)vogels. Daarnaast is er voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de omgeving van het plangebied.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

32

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Het plangebied vormt een zeer marginaal leefgebied voor reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelde. Specifiek geschikte leefbiotopen voor zwaar beschermde soorten ontbreken. Het mogelijk aantasten van de leefomgeving van deze soortgroepen is met de voorgenomen planontwikkeling niet aan de orde." Conclusie Voorliggend planvoornemen heeft geen negatieve invloed op de natuurwaarden.

5.7

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningen) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-publicatie) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). Voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de VNG van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ in 2009 een geheel herziene uitgave opgesteld. In de VNG-publicatie is een richtafstandenlijst opgenomen in relatie tot het omgevingstype rustige woonwijk. In deze lijst zijn bedrijven op grond van hun potentiële milieubelasting ingedeeld in zes categorieën. In onderstaande tabel zijn de milieucategorieën en richtafstanden uit de VNG-publicatie overgenomen. milieucategorieën en richtafstanden Milieucategorie

Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype "rustige woonwijk" "gemengd gebied" *) 1 10 0 2 30 10 3.1 50 30 3.2 100 50 4.1 200 100 4.2 300 200 5.1 500 300 5.2 700 500 5.3 1000 700 6 1500 1000 *) indien de omgeving is te typeren als ‘gemengd gebied’, gelden kleinere richtafstanden, namelijk één afstandstap kleiner (Zie de VNG-publicatie, paragraaf 2.3.).

De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie) die volgens het (bestemmings)plan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Omgevingstype Het plangebied is te kenschetsen als ‘rustige woonwijk’. In de directe omgeving van de geprojecteerde woning is geen interlokale verbindingsweg of meerdere niet-wonenfuncties aanwezig. Daarom is er geen sprake van een gemengd gebied, maar van een rustige woonwijk.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

33

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Beoordeling In de omgeving zijn enkele (agrarische) bedrijfsbestemmingen aanwezig. De zonering van agrarische bedrijven wordt beschreven in paragraaf 5.11 (Geurhinder). Er zijn volgens het vigerende bestemmingsplan geen nietagrarische bedrijven in de omgeving van het plangebied aanwezig. Conclusie De conclusie is dat voldaan wordt aan de eisen met betrekking tot milieuzonering.

5.8

Geluid

Toetsingskader wegverkeerslawaai Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkingsof wijzigingsbevoegdheid). Beoordeling Ten behoeve van de voorbereiding van dit bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage is als bijlage bij deze toelichting gevoegd (bijlage 4). Daarin wordt het volgende geconcludeerd: 'Omdat sprake is van een nieuwe geluidsgevoelige ontwikkeling is op grond van de Wro, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het akoestische klimaat ter plaatse van de ontwikkeling inzichtelijk gemaakt en beoordeeld.

Uit deze beoordeling blijkt dat de kwaliteit van de akoestisch omgeving geclassificeerd kan worden als matig tot goed. Deze classificatie past binnen de bandbreedte van de Wet geluidhinder en daarmee is sprake van een aanvaardbaar woon en leefklimaat. Daarnaast is er ook sprake van de aanwezigheid van een geluidluwe gevel. De geluidsbelastingen als gevolg van wegverkeerslawaai overschrijden de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de Wet geluidhinder. Uit onderzoek blijkt dat het terugbrengen van de geluidsbelasting als niet doelmatig aangemerkt kan worden. Ontheffing van de hogere waarde is mogelijk omdat geluidsbeperkende maatregelen als niet doelmatig aangemerkt kunnen worden. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning activiteit bouw zal middels een berekening van de geluidwering van de gevel aangetoond moeten worden dat voldaan wordt aan de geluidweringseisen van het Bouwbesluit 2012.' Conclusie Op basis van de rekenresultaten kan gesteld worden dat voor het onderdeel wegverkeerslawaai sprake is van een matige tot goede akoestische omgeving.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

34

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Wel is het noodzakelijk dat vóór de vaststelling van het bestemmingsplan een hogere grenswaarde wordt aangevraagd.

5.9

Externe veiligheid

5.9.1

Inrichtingen en externe veiligheid

Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven.

Figuur 17 – Externe veiligheid – binnen en nabij het plangebied zijn geen bronnen van potentieel risico aanwezig (bron: www.brabant.nl – risicokaart); het plangebied (omcirkeld met zwart rondje) ligt buiten risicozones.

In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De risicokaart toont geen inrichtingen die een belemmering vormen voor voorliggende ontwikkeling. Conclusie Het aspect inrichtingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

35

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

5.9.2

25 06 2020

Transport en externe veiligheid

Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage 2, 3 en 4 van het Bevt zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. De rijkswegen, vaaren spoorwegen zijn beoordeeld.

De risicokaart geeft binnen en in de directe omgeving van het plangebied de volgende transportassen weer die risicorelevant zouden kunnen zijn voor het planvoornemen: Tabel 2- Transportassen Onderdeel basisnet Rijksweg A17, afrit 21 tot knp De Stok Spoorroute 11 Bergen op ZoomRoosendaal West Spoorroute 35 Roosendaal-WestEssen

10-6 contour 19 m 0

Gemeten afstand tot plangebied 1601 m 1160 m

16 m

557 m

Conclusie Gezien de afstanden tot de transportassen, vormt het aspect transport en externe veiligheid geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen. 5.9.3

Externe veiligheid en buisleidingen

Toetsingskader Wanneer sprake is van relevante buisleidingen in een gebied, dient de gemeente een ruimtelijke reservering op te nemen in het bestemmingsplan voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR). Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval bekeken worden. De ruimtelijke reserveringen ten behoeve van de buisleidingen dienen binnen vijf jaar opgenomen te worden in het bestemmingsplan. De voor onderhoud gereserveerde ruimte bedraagt minimaal 5 meter aan beide zijden van de leiding. De leidingbeheerder beoordeelt of de veiligheid met betrekking tot de in de belemmeringenstrook gelegen buisleiding niet wordt geschaad en of er geen kwetsbaar object wordt toegelaten. De leidingbeheerder geeft daarmee advies over een aanvaardbaar woon- en leefklimaat dat daarmee wordt gegarandeerd.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

36

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Er is geen transportleiding in de nabijheid van het plangebied gelegen. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

5.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 μg/m 3. Het 24uursgemiddelde van 50 μg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 μg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 μg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2).

Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

37

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; 100.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 200.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Beoordeling Het plan betreft de bouw van één nieuwe woning. Er is sprake van toename van het aantal woningen, maar ruim onder de grens zoals die hiervoor is weergegeven. Dat betekent dat het plan niet in betekenende mate negatief bijdraagt aan de lokale luchtkwaliteit. Verder is met het oog op een beoordeling van het woon- en leefmilieu ter plaatse gekeken naar de situatie van de luchtkwaliteit ter plaatse. Er heeft een beoordeling plaats gevonden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht gegeven in de heersende concentraties.

De coödinaten van de geplande woning aan de Thorbeckelaan naast 235 zijn x = 89.100, y = 391.400. De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM toont ter hoogte van de vervangende woning, de volgende achtergrondconcentraties: 2016 2020 (gegevens 2017) 2025 (gegevens 2017)

: PM 10 : 17,145 μg/m3 ; PM 2,5: 10,37 μg/m3; : PM 10 : 18,92 μg/m3 ; PM 2,5: 11,7 μg/m3; : PM 10 : 17,36 μg/m3 ; PM 2,5: 10,41 μg/m3;

NO2 : 18,41 μg/m3 NO2 : 16,24 μg/m3 NO2 : 14,08 μg/m3

Deze waarden liggen ruim beneden de grenswaarde van PM10 en NO 2 van 40 μg/m3. Tevens wordt voldaan aan de PM2,5 grenswaarde van 25 μg/m3, zodat sprake is van een kwalitatief voldoende woon- en leefmilieu ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.

5.11 Geurhinder Toetsingskader Het aspect geur speelt in de nabijheid van het landelijk gebied een belangrijke rol. Bij de beoordeling van dit aspect wordt onderscheid gemaakt tussen: de algemeen geldende vaste afstanden, de vaste afstanden voor niet intensieve veehouderijen en geur individuele veehouderijen (Wet geurhinder en veehouderij; Wgv). Verder moet het woon- en leefklimaat ter plaatse van de planlocatie en de eventuele beperkingen voor omliggende veehouderijen in beeld te worden gebracht (Wet ruimtelijke ordening; Wro). Onderzoek Gelet op de functiewijziging naar wonen moet worden aangetoond dat de locatie geschikt is voor de beoogde geurgevoelige functie. Vanuit dat oogpunt is voor het projectgebied een geuronderzoek uitgevoerd. De rapportage is als bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd. De uitkomst van het onderzoek luidt:

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

38

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

'In het kader van de RO procedure voor een ruimtelijke ontwikkeling aan de Thorbeckelaan 237 te Roosendaal is een onderzoek geur veehouderijen uitgevoerd. Het plan betreft de functiewijziging van agrarisch naar wonen ten behoeve van de realisatie van een woning. Aarts Totaal B.V. heeft AGEL adviseurs opdracht gegeven voor het uitvoeren van het onderzoek geur veehouderijen. Uit het onderzoek blijkt dat voldaan wordt aan de algemeen geldende vaste afstanden, de vaste afstanden ten behoeve van de niet-intensieve veehouderijen en de geurbelasting ten gevolge van de intensieve veehouderijen. Uit de beoordeling in het kader van de Wro blijkt dat ter plaatse van de woning sprake is van goede ruimtelijke ordening.' Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen functiewijziging en realisatie van de woning binnen het perceel niet stuit op beperkingen ten aanzien van het milieuaspect geur veehouderijen.

5.12 Kabels en leidingen Toetsingskader Sommige soorten leidingen zijn planologisch relevant, omdat zij een beperking kunnen inhouden voor de ruimtelijke ontwikkeling in de omgeving: a. hoogspanningsverbindingen (50 kV en hoger); b. buisleidingen: voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.

5.13 Milieueffectrapportage Toetsingskader planMER Gemeenten en provincies moeten per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen en is het opstellen van een MER noodzakelijk.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

39

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Grensoverschrijdende milieugevolgen Op 25 februari 1991 is het VN-verdrag over grensoverschrijdende milieueffectrapportage tot stand gekomen. Het verdrag is op 10 september 1997 in werking getreden. Kern van het verdrag is dat, in het geval van mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen, het publiek en autoriteiten in het buurland op dezelfde wijze en tijd worden betrokken bij de m.e.r.-procedure als de autoriteiten en het publiek in Nederland. Aanmeldnotitie Vormvrije MER-beoordeling Sinds 16 mei 2017 is een aanmeldnotitie bij een vormvrije MER-beoordeling nodig wanneer sprake is van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMERplichtig zijn). Het heeft niet alleen betrekking op een bestemmingsplan, maar ook op bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking. Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf; dus ook bij het ontwikkelen van een klein ruimtelijk plan (bijvoorbeeld één woning) is een aanmeldnotitie nodig. Indien de gemeente zelf initiatiefnemer is, hoeft deze geen aanmeldnotitie op te stellen. Beoordeling Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r.

overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied worden de plaatsing van een woonfunctie mogelijk gemaakt. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan activiteit D 11.2 uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Deze activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om de bouw van 2.000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied of als de activiteit een omvang heeft van 100 hectare. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Uit paragraaf 5.6, waaraan de resultaten van de toetsing juncto art. 3.1.6 Bro worden weergegeven, blijkt dat het plangebied niet ligt in of nabij een gebied dat beschermd wordt ten gevolge van de natuurwaarden.

Het plan ligt volgens het betreffende onderzoek daarnaast zodanig ver verwijderd van de Ecologische Hoofdstructuur, een Vogel- of Habitatrichtlijngebied of overig beschermd natuurgebied, dat van externe werking geen sprake kan zijn. Het plangebied behoort tevens niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt en maakt het geen onderdeel uit van een Belvédèregebied. Er is derhalve geen sprake van een landschappelijk waardevol gebied. In dit hoofdstuk zijn tevens de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling inderdaad geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

40

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Het plangebied ligt op een afstand van 4,250 km van de grens met België. Omdat het voorgenomen plan niet MER-plichtig is, is er ook geen sprake van grensoverschrijdende effecten. Omdat de gemeente zelf geen initiatiefnemer is, is een aanmeldnotitie bij een vormvrije MER-beoordeling verplicht. Deze notitie is opgesteld en opgenomen als bijlage 1 bij deze toelichting. Conclusie Er zijn geen 'belangrijke nadelige milieugevolgen' te verwachten en daarom is het niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. In de aanmeldnotitie wordt geconcludeerd: "De toetsing aan de selectiecriteria uit de bijlage 3 EUrichtlijnen 85/337/EEG maakt duidelijk dat er geen sprake is van belangrijke nadelige effecten op het milieu die het opstellen van een MER of m.e.r.beoordeling noodzakelijk maken."

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

41

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

6

25 06 2020

JURIDISCHE PLANTOELICHTING

6.1 Inleiding Dit hoofdstuk gaat over de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de beoogde ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt, met inachtneming van de aanwezige waarden en van het woon- en leefmilieu in de omgeving. Bij de opbouw en inhoud van de regels is zoveel mogelijk aangesloten op de regels van het geldende bestemmingsplan Groot-Tolberg.

6.2 Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit (bestemmings)planregels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De planregels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De planregels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij het gemeentelijk handboek en het vigerende bestemmingsplan in de omgeving. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De bestemmingsplanregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De bestemmingsplanregels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels.

6.3 Bestemmingsplanregels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

42

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Het stramien voor de bestemmingsplanregels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. Wonen Het plandeel waarop de woning komt en de daarbij behorende tuin, heeft de bestemming 'Wonen', net als de bestaande naastgelegen woning. Binnen het plangebied is één nieuw bouwvlak geprojecteerd, zodat er een extra woning binnen het plangebied gebouwd kan worden. Voor het overige wordt zoveel mogelijk aangesloten op de bestaande regels van het bestemmingsplan GrootTolberg. Tuin De voorzijde van de te bouwen woning heeft de bestemming 'Tuin', overeenkomstig de systematiek van de rest van het bestemmingsplan Tolberg. Binnen deze bestemming mag in beginsel niet worden gebouwd, met uitzondering van kleine aanbouwen aan de voorgevel van de betreffende woning en kleinere bouwwerken geen gebouwen zijnde die bij de woning behoren.

geen bestemming "Waarde - Archeologie" Het plangebied maakt deel uit van een groter gebied in de kern Roosendaal, dat in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - archeologie' heeft. Uit het archeologisch onderzoek (paragraaf 5.5), blijkt dat er op deze locatie geen archeologische resten verwacht worden en dat daarom deze dubbelbestemming hier niet langer opgenomen hoeft te worden. Hoofdstuk 3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven. Algemene bouwregels In dit artikel zijn nadere eisen gesteld in het geval bestaande situaties afwijken van de regels. Verder wordt bepaald dat voor ondergeschikte bouwdelen overschrijding van de bouwgrenzen mogelijk is. Algemene gebruiksregels In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod gegeven voor gebruik in strijd met de bestemming.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

43

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn enkele algemene afwijkingen opgenomen. Ten eerste is een afwijkingsbevoegdheid volgens de Wabo opgenomen betreffende het overschrijden van de in het plan opgenomen maatvoeringen met maximaal 10%. De afwijkingen zijn enkel mogelijk indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de samenhang in straat- en bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken. Ook zijn geringe afwijkingen mogelijk, die in het belang zijn van een ruimtelijke of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de bestemming niet wijzigt en een bouwgrens maximaal 2,50 meter verschuift. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een algemene wijzigingsregel opgenomen voor geringe afwijkingen die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken, geen gebouwen zijnde of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Algemene Procedureregels In dit artikel zijn de procedureregels opgenomen voor de wijziging van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan. Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan Thorbeckelaan 237.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

44

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

7

25 06 2020

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

7.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan.

7.2 Toepassing Grondexploitatiewet De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is, staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig als het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.

7.3 Economische uitvoerbaarheid Met onderhavig bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Er is met de initiatiefnemer, de ontwikkelende partij, een anterieure overeenkomst gesloten, zoals is bepaald in artikel 6.24 Wro, zodat de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan niet geldt. In deze anterieure overeenkomst zijn de gemaakte afspraken over het verhalen van kosten op afdoende wijze vastgelegd. De verdere uitvoering op de ontwikkelingslocatie is voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Op grond van de anterieure overeenkomst kan de gemeenteraad afzien van het vaststellen van een exploitatieplan, omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

45

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

8

25 06 2020

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

8.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan beschreven. Daarbij wordt aandacht besteed aan de reacties van omwonenden en van ambtelijke organisaties ten aanzien van de bestemmingsplanherziening.

8.2 Overleg en inspraak procedure Het voorontwerpbestemmingsplan Thorbeckelaan 237 heeft vanaf 1 juni 2018 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Daarnaast is een inspraakbijeenkomst gehouden op 6 november 2018. Naar aanleiding van het voorontwerpbestemmingsplan zijn meerdere inspraakreacties binnengekomen. Verwezen wordt naar de Nota inspraak en vooroverleg (bijlage 6 bij deze toelichting). vooroverleg Het voorontwerpbestemmingsplan is toegezonden aan diverse ambtelijke instanties. Er werd een reactie ontvangen van het waterschap Brabantse Delta. Verwezen wordt naar de Nota inspraak en vooroverleg (bijlage 6 bij deze toelichting).

Bijlagen bij deze Bestemmingsplantoelichting: Bijlage 1:

Cuijpers Advies: Aanmeldnotitie vormvrije MER-beoordeling Thorbeckelaan 237, 's-Hertogenbosch, 2018. Bijlage 2: Agel Adviseurs: Verkennend bodemonderzoek Plangebied Thorbeckelaan te Roosendaal, Oosterhout, 2017. Bijlage 3: Agel Adviseurs: Quickscan natuurwetgeving Thorbeckelaan 237 te Roosendaal, Oosterhout, 2018 Bijlage 4: Agel Adviseurs: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Plangebied Thorbeckelaan 237 te Roosendaal, Oosterhout, 2018. Bijlage 5: Agel Adviseurs: Onderzoek geur veehouderijen, Thorbeckelaan 237 te Roosendaal, Oosterhout, 2018. Bijlage 6: Nota inspraak en vooroverleg Bijlage 7: Nota zienswijzen Bijlage 8: Verslag hoorzitting Bijlage 9: Aanpassingen bestemmingsplan Bijlage 10: Raadsvoorstel Bijlahe 11: Raadsbesluit.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1170/documents/30341