CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Toelichting bestemmingsplan Thorbeckelaan 237 Roosendaal.pdf

Commissie 9 september 2021, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 4: Raadsvoorstel Herstelbesluit bestemmingsplan Thorbeckelaan 23715.824 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

GEMEENTE ROOSENDAAL

BESTEMMINGSPLAN "THORBECKELAAN 237" TOELICHTING INHOUD 1

INLEIDING ............................................................................... 3 1.1 Aanleiding en doel .............................................................. 3 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ............................................ 3 1.3 Vigerend bestemmingsplan .................................................... 4 1.4 Leeswijzer ........................................................................ 5

2

GEBIEDSPROFIEL ....................................................................... 6 2.1 Inleiding .......................................................................... 6 2.2 Gemeente Roosendaal .......................................................... 6 2.3 De kern Roosendaal ............................................................. 6 2.4 De huidige situatie in het plangebied ........................................ 7

3

PROJECTPROFIEL ...................................................................... 9 3.1 Inleiding .......................................................................... 9 3.2 Ruimtelijke structuur ........................................................... 9 3.3 Verkeer en parkeren ............................................................ 9

4

BELEIDSKADER ........................................................................ 11 4.1 Inleiding ......................................................................... 11 4.2 Rijksbeleid ...................................................................... 11 4.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012 ............... 11 4.2.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012 .......................................... 12 4.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), 201213 4.3 Provinciaal beleid .............................................................. 14 4.3.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening – partiële herziening ......... 14 4.3.2 Verordening ruimte (actualisatie 2017)............................. 16 4.4 Gemeentelijk beleid ........................................................... 17 4.4.1 Structuurvisie Roosendaal 2025 ........................................ 17 4.4.2 Thuis in Roosendaal, woonvisie 2010-2020 ........................... 18 4.4.3 Woningbouwprogrammering 2012-2020 'Balans op de woningmarkt' . .............................................................................. 19 4.4.4 Welstandsnota Roosendaal 2013 .......................................

20 4.4.5 Groen- en landschapsplan voor de Brabantse buitensteden: De Zoom van West-Brabant ................................................. 21

5

PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN .................................. 23 5.1 Inleiding ......................................................................... 23 5.2 Bodem ........................................................................... 23 5.3 Water ............................................................................ 24

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

1

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

5.4 Cultuurhistorie .................................................................. 27 5.5 Archeologie ..................................................................... 29 5.6 Natuur ........................................................................... 30 5.7 Bedrijven en milieuzonering .................................................. 33 5.8 Geluid ............................................................................ 34 5.9 Externe veiligheid .............................................................. 35 5.9.1 Inrichtingen en externe veiligheid ..................................... 35 5.9.2 Transport en externe veiligheid ........................................ 36 5.9.3 Externe veiligheid en buisleidingen ................................... 36 5.10 Luchtkwaliteit .................................................................. 37 5.11 Kabels en leidingen ............................................................ 39 5.12 Besluit m.e.r. ................................................................... 39

6

JURIDISCHE PLANTOELICHTING ..................................................... 42 6.1 Inleiding ......................................................................... 42 6.2 Opbouw van de regels ......................................................... 42 6.3 Bestemmingsplanregels ....................................................... 42

7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ................................................. 45 7.1 Inleiding ......................................................................... 45 7.2 Toepassing Grondexploitatiewet ............................................. 45 7.3 Economische uitvoerbaarheid ................................................ 45

8

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ........................................... 46 8.1 Inleiding ......................................................................... 46 8.2 Overleg en inspraak ............................................................ 46

Bijlagen bij deze Bestemmingsplantoelichting: Bijlage 1:

Cuijpers Advies: Aanmeldnotitie vormvrije MER-beoordeling Thorbeckelaan 237, 's-Hertogenbosch, 2018. Bijlage 2: Agel Adviseurs: Verkennend bodemonderzoek Plangebied Thorbeckelaan te Roosendaal, Oosterhout, 2017. Bijlage 3: Agel Adviseurs: Quickscan natuurwetgeving Thorbeckelaan 237 te Roosendaal, Oosterhout, 2018 Bijlage 4: Agel Adviseurs: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Plangebied Thorbeckelaan 237 te Roosendaal, Oosterhout, 2018. Bijlage 5: Agel Adviseurs: Onderzoek geur veehouderijen, Thorbeckelaan 237 te Roosendaal, Oosterhout, 2018. Bijlage 6: Nota inspraak en vooroverleg Bijlage 7: Nota zienswijzen Bijlage 8: Verslag hoorzitting Bijlage 9: Aanpassingen bestemmingsplan Bijlage 10: Raadsvoorstel Bijlahe 11: Raadsbesluit.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

2

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

GEMEENTE ROOSENDAAL

BESTEMMINGSPLAN "THORBECKELAAN 237" TOELICHTING 1

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel

De initiatiefnemer is eigenaar van twee percelen gelegen naast de woning Thorbeckelaan 235 te Roosendaal. Het geheel is aansluitend aan een woonwijk gelegen, te midden van diverse woonpercelen. De eigenaar is voornemens één woning te realiseren op de betreffende percelen. De locatie is gelegen in het bestemmingsplan "Groot Tolberg" en heeft daarin de bestemming Agrarisch. Er is geen bouwvlak aangegeven. Vandaar dat navolgende bestemmingsplanherziening is opgesteld waarin op de betreffende locatie een nieuwe woning is geprojecteerd.

Figuur 1 - Situering plangebied - de locatie ligt aan de zuidwestkant van de kern Roosendaal.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen ten westen van de Thorbeckelaan, een weg aan de zuidzijde van de kern Roosendaal (zie Figuur 1).

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

3

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Figuur 2 - Luchtfoto van het plangebied; het plangebied is rood omrand (bron: Google earth, geraadpleegd 16 maart 2017).

Figuur 3 - Begrenzing plangebied

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Binnen het plangebied vigeert thans het bestemmingsplan "Groot-Tolberg".

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

4

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Figuur 4 - Vigerende bestemmingsplan Groot-Tolberg; het plangebied heeft de enkelbestemming 'Agrarisch'; ter plaatse is geen bouwvlak aangegeven. Verder geldt er de dubbelbestemming "Waarde - archeologie".

Binnen het plangebied gelden twee bestemmingen: de enkelbestemming "Agrarisch" en de dubbelbestemming "Waarde - archeologie". Omdat geen bouwvlak is aangegeven, mag er volgens het geldende bestemmingsplan niet gebouwd worden en dus zeker geen nieuwe woning. Om de gewenste woning te kunnen realiseren is het nodig dat de bestemming veranderd wordt in "Wonen" en dat er een bouwvlak aangegeven wordt.

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt het gebiedsprofiel beschreven van de omgeving waarin het planvoornemen plaats gaat vinden. In hoofdstuk 3 wordt het projectprofiel van het planvoornemen toegelicht. In hoofdstuk 4 is het planvoornemen getoetst aan het beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 5 heeft betrekking op de planologisch relevante (milieu)aspecten. In hoofdstuk 6 wordt het juridisch plan beschreven. In hoofdstuk 7 worden de financieel-economische haalbaarheidsaspecten beschreven. In Hoofdstuk 8 komt de maatschappelijke haalbaarheid aan de orde.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

5

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

2

GEBIEDSPROFIEL

2.1

Inleiding

25 06 2020

In dit hoofdstuk wordt de ruimtelijke structuur van het plangebied beschreven, aan de hand van een korte (historische) beschrijving van de gemeente Roosendaal. Daarnaast wordt een beschrijving gegeven van de huidige inrichting en het gebruik van het plangebied.

2.2

Gemeente Roosendaal

Het plangebied is gelegen aan de rand van de stad Roosendaal in de gemeente Roosendaal, een stedelijke gemeente in het westen van de provincie NoordBrabant. De gemeente telt 77.069 inwoners (CBS, 30 april 2017). De gemeente bestaat uit de kernen Roosendaal, Nispen, Wouw, Heerle, Moerstraten en Wouwse Plantage. Binnen de gemeente Roosendaal zijn veel verschillen in het ruimtelijk structuurbeeld aanwezig; iedere stads- en dorpskern heeft zijn eigen karakter. De gemeente Roosendaal had in augustus 2017 77.127 inwoners en een oppervlakte van 107,16 km2.

2.3

De kern Roosendaal

De geschiedenis van Roosendaal gaat terug tot de dertiende eeuw. Er was toen nog geen centrale nederzetting aanwezig, alleen enkele verspreid liggende buurtschappen. De bewoners van de buurtschappen Langdonk, Hulsdonk en Kalsdonk verzochten In 1266 om centraal tussen de buurtschappen een eigen kapel te mogen bouwen omdat de kerk van Nispen, waartoe de buurtschappen behoorden, te ver weg lag. De kapel was in 1268 gereed "in Rosendale", ook bekend als "Haviksdonk. Ïn 1510 werd Roosendaal verheven tot een zelfstandige parochie, gewijd aan Sint-Jan. Een belangrijke economische impuls kreeg de nederzetting toen in 1451 de Roosendaalse Vliet bevaarbaar werd gemaakt. Zo kreeg Roosendaal een haven en konden schepen naar de Dintel of de Steenbergse Vliet varen en via deze wateren verder. De turfwinning in de wijde omgeving van Roosendaal ging gepaard met het graven van een netwerk van turfvaarten, waarvan de Roosendaalse Vaart de belangrijkste was. De turf werd via de Roosendaalse haven uitgevoerd naar de Hollandse, Zeeuwse en Vlaamse steden. Het hoogtepunt van de turfwinning lag in de 16e en 17e eeuw. Van oudsher maakte Roosendaal deel uit van de Land van Breda, waarin het met Nispen een van de vijftien schepenbanken vormde. Het vormde, na de afsplitsing van Land van Bergen op Zoom in 1290, een Bredase enclave binnen het Bergse gebied.

Onder Lodewijk Napoleon werd Roosendaal in 1809 tot stad verheven. De stadsrechten werden echter weer ingetrokken in 1815, nadat het Koninkrijk der Nederlanden tot stand was gekomen. Nadat in 1854 de spoorwegverbinding met Breda, Antwerpen en Lage Zwaluwe tot stand was gebracht, kreeg Roosendaal een internationale transportfunctie. Later kwamen er ook rechtstreekse spoorwegverbindingen met Rotterdam en Vlissingen tot stand. Daardoor vestigde zich allerlei industriële bedrijven in Roosendaal en de stad kreeg een belangrijke industriële functie. Het plangebied maakt deel uit van het buurtschap "Rietgoor", een agrarisch buurtschap dat door de bouw van de nieuwbouwwijk Tolberg sinds begin jaren 90 aan de rand van de stad is komen te liggen. De bebouwing aan de Thorbeckelaan

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

6

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

stamt overwegend uit de jaren 60. Het agrarisch karakter van het buurtschap is door de nieuwbouw van burgerwoningen en ontwikkelingen in de agrarische sector tegenwoordig vrijwel geheel verdwenen.

2.4

De huidige situatie in het plangebied

Het onderhavige plangebied is gelegen aan de rand van de kern Roosendaal. De Thorbeckelaan is een oude agrarische verbinding die bij de realisering van de wijk Tolberg is opgenomen in het stedelijk ontsluitingsstelsel. Tegenover het plangebied ligt een parkachtige groene ruimte die bij de realisering van de woonuitbreiding is uitgespaard.

Figuur 5 – Situatie plangebied aan de Thorbeckelaan.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

7

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Figuur 6 – Zicht op het plangebied vanuit het zuidoosten (bron: Google Earth juli 2009). Links is de bestaande woning Thorbeckelaan 235 zichtbaar. Centraal daarachter ligt het plangebied. De opgaande begroeiing op de achtergrond behoort bij de wijk Tolberg.

Bebouwingsstructuur Het plangebied grenst aan de lintbebouwing langs de Thorbeckelaan, die deel uitmaakt van de relatief recente woonuitbreiding van Roosendaal. De locatie bestaat thans voor het grootste deel uit weiland, behorende bij het pand Thorbeckelaan 235. Er bevindt zich thans nog geen bebouwing in het plangebied.

Figuur 7 – Zicht op de bestaande bebouwing aan de Thorbeckelaan, ten zuiden van het plangebied. Centraal is de woning Thorbeckelaan 235 zichtbaar. Verder naar links overige woonbebouwing van het buurtschap Rietgoor, waarvan de bebouwing overwegend uit de jaren 60 stamt.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

8

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

3

PROJECTPROFIEL

3.1

Inleiding

25 06 2020

In dit hoofdstuk wordt de planopzet van voorliggende ontwikkeling uiteengezet, evenals de stedenbouwkundige structuur. Als laatste wordt in dit hoofdstuk nader ingegaan op het aspect verkeer en parkeren.

Figuur 8– Toekomstige situatie; op de locatie wordt één vrijstaande woning gebouwd.

3.2

Ruimtelijke structuur

De initiatiefnemer is eigenaar van de beide percelen naast Thorbeckelaan 235. De totale frontbreedte van deze percelen bedraagt 41,91 m. Dat is ruim voldoende om een woning te bouwen, in de ritmiek van de rest van deze zijde van de Thorbeckelaan. De achterlijn van het toekomstige woonperceel ligt in het verlengde van de woonpercelen ten zuiden daarvan. De diepte bedraagt 69 m. Binnen dit gebied wordt in het bestemmingsplan een bouwvlak ingetekend.

3.3

Verkeer en parkeren

Toetsingskader De gemeente Roosendaal heeft in haar ‘Nota Parkeernomen’ (dec. 2011) uniforme parkeernormen vastgelegd die een duidelijke richting geven aan de mate van faciliteren van parkeervoorzieningen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De basis van de parkeernormennota is gevonden in de door het CROW uitgegeven publicatie over parkeercijfers. Deze publicatie maakt onderscheid in soorten gebieden, te weten: zeer stedelijk, sterk stedelijk, matig stedelijk, weinig stedelijk en niet-stedelijk. De door de CROW gehanteerde gebiedsindeling is voor het gehele grondgebied van de gemeente Roosendaal toegepast. Voor elke functie geldt een eigen kader van parkeernormen. In de Nota Parkeernomen wordt onderscheid gemaakt naar functies die gegroepeerd kunnen

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

9

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

worden naar een viertal hoofdfuncties, namelijk wonen, werken, detailhandel en overig. Beoordelingskader De kern Roosendaal is gelegen in het gebied “Buiten de centrumring”. Voor dat gebied is de norm voor koopwoningen in de hoge prijsklasse (waarvan hier sprake is): 2,00 parkeerplaatsen per woning. Dat betekent dat bij de woning 2 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd moeten worden. Daarvoor is voldoende ruimte aanwezig op het bouwperceel1. Verkeersgeneratie Volgens de CROW-publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" bedraagt de verkeersgeneratie van de woningen (koop, vrijstaand, sterk stedelijke omgeving, rest bebouwde kom) 7,8 to 8,6 verkeersbewegingen per woning per etmaal. Dat betekent voor het plan 8 tot 9 verkeersbewegingen per etmaal meer. Deze extra verkeersbelasting kan gemakkelijk worden verwerkt door de huidige verkeersstructuur. De autobereikbaarheid van de nieuwe woning kan worden geborgd, zodanig dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening Fietsstructuur Aan de straatzijde van het perceel is een fietspad gelegen met twee rijrichtingen. In verband met de verkeersveiligheid is het noodzakelijk het aantal doorsnijdingen van dit pad zoveel mogelijk te beperken. Daarom is niet meer dan één toerit tot de woning gewenst. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Een garage met oprit geldt als 1,0 parkeerplaats. Biedt de oprit voldoende plaats voor meerdere voertuigen dan geldt een oprit als 2,0 parkeerplaatsen (bron: Nota parkeernormen, gemeente Roosendaal). 1

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

10

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

4

BELEIDSKADER

4.1

Inleiding

25 06 2020

De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale, en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat.

4.2 Rijksbeleid 4.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012

Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen; uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies. Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet.

Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder' heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Grondgedachte van de 'ladder' is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit.

Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie (bv. herbestemmen van een voormalige vuilstortplaats), om te vormen.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

11

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Beoordeling Voorliggend plangebied is gesitueerd binnen de bebouwde kom van Roosendaal en buiten een gebied waar van rijkswege een ruimtereservering geldt. Het planvoornemen betreft het oprichten van een nieuwe woning binnen de bestaande bebouwde kom. Dat is niet strijdig met het rijksbeleid. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het onderhavige plangebied niet gelegen is in een gebied waarvoor van rijkswege een relevante ruimtereservering geldt. Aan de ‘ladder voor duurzame verstelijking’ wordt hierna getoetst. 4.2.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012 Toetsingskader Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming.

Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsen wijzigingsplannen.

Figuur 9 - Radarverstoringsgebieden; het plangebied (aangeduid met een rood sterretje) is gelegen binnen het gebied ex art. 2.2, lid 1.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

12

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Beoordeling In het plangebied is een nationaal ruimtelijk belang aanwezig in de vorm van een vrijwaringszone radar. Binnen deze zone mogen geen hoge bouwwerken worden opgericht in verband met de nabijheid van het radarstation Woensdrecht. Binnen de vrijwaringszone moeten bouwwerken lager zijn dan 48 m +NAP, oplopend met 0,25 graden tot een hoogte van 113 m op een afstand van 15 km van de radarantenne. Het plangebied ligt ongeveer 10 km van het radarstation Woensdrecht. De maximale bouwhoogte bedraagt er dus 91 m +NAP. Het terrein ligt op 11,00 m +NAP. Dat wil dus zeggen dat de maximale bouwhoogte voor de vrijwaringszone 80 m is. In de bestemmingsvoorschriften is de maximale bouwhoogte gesteld op 8,00 m zonder ontheffingsmogelijkheid. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan deze regel. De vrijwaringszone moet wel in het bestemmingsplan worden opgenomen. Conclusie De maximaal toegestane bouwhoogte vanuit het radarverstoringsgebied vormt geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied.

Geconcludeerd kan worden dat onderhavige ontwikkeling passend is binnen de regels zoals gesteld in het Barro en het Rarro. 4.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), 2012 Toetsingskader Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van art. 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) – de 'ladder voor duurzame verstedelijking' – geldt voor alle juridisch bindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologisch) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken, een bijzonder procesvereiste. Dit procesvereiste is gebaseerd op één van de nationale belangen als opgenomen in de SVIR, opgesteld door het Rijk. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. Het Rijk heeft er voor gekozen om, gedeeltelijk gebaseerd op de al langer geldende SER-ladder uit 1999, het procesvereiste vorm te geven als een determinerend-cumulatief werkende motivatieverplichting.

De motivatieverplichting voor ruimtelijke besluiten, die geldt voor de maximale planologische mogelijkheden inclusief flexibiliteitsinstrumenten (waarbij planologische saldering niet per definitie is toegestaan), bestaat uit drie eisen (treden): a. b.

c.

er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

13

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld. Beoordeling In de definitiebepaling voor ‘stedelijke ontwikkeling’, als opgegeven in art. 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i Bro, luidende een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’ is geen ondergrens opgenomen. Hieruit volgt dat elke stedelijke ontwikkeling, hoe kleinschalig dan ook, in beginsel is onderworpen aan de toepassing van de ladder. De ABRvS heeft daarentegen ten aanzien van een aantal typen (kleinschalige) ontwikkelingen een ondergrens aangenomen. De ondergrens hangt daarbij af van de ‘omstandigheden van het geval’ en wordt mede bepaald op basis van de aard en omvang van de ontwikkeling, de structuur van de omgeving en de ruimtelijke uitstraling van de ontwikkeling. Recente jurisprudentie toont aan dat een ruimtelijke ontwikkeling van tien nieuwe woningen, niet dient te worden aangemerkt als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’.

Dat betekent dat het oprichten van één nieuwe woning zeker niet is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in het kader van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ (ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3542). Conclusie De planontwikkeling is getoetst aan de uitgangspunten voor de ladder voor duurzame verstedelijking en wordt niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor verdere toetsing achterwege kan blijven.

4.3

Provinciaal beleid

4.3.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening – partiële herziening Toetsingskader De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) is vastgesteld door Provinciale Staten op 1 oktober 2010 en geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040) weer. Belangrijke beleidslijnen in de SVRO zijn het principe van concentratie van verstedelijking, zorgvuldig ruimtegebruik, verantwoord omgaan met de natuurlijke basis en het streven naar robuuste en aaneengeschakelde natuurgebieden. Sinds de vaststelling in 2010 hebben Provinciale Staten diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn vertaald in de partiële herziening van de structuurvisie in . Op onder andere de volgende onderdelen vindt bijsturing van het beleid plaats: transitie van stad en platteland, intrekken reconstructie- en gebiedsplannen, groenbeleid, samenhangend beleid voor de ondergrond en de transitie naar een zorgvuldige veehouderij. De ongewijzigde provinciale sturingsfilosofie is gebaseerd op vijf rollen: ontwikkelen, ordenen, beschermen, regionaal samenwerken en stimuleren. Twee rollen zijn met name van belang voor onderhavig plan: de ordenende en de beschermende rol. De ordenende rol gaat uit van het behartigen van ruimtelijke belangen en keuzes.

Deze zijn geordend in vier ruimtelijke structuren. De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De vier onderscheidende structuren zijn:

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

14

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Figuur 10 - Structuurvisie 2010 partiële herziening , NL.IMRO.9930.sv2010ph-va01; Het plangebied is aangegeven als bestaande kern in het landelijk gebied.

1. 2. 3.

4.

de groenblauwe structuur: gebieden waar natuur- en waterfuncties behouden en ontwikkeld worden; de agrarische structuur: een breed georiënteerde plattelandseconomie, waar landbouw een belangrijke drager is en waar de landbouwfunctie goed is afgestemd op de omgeving; de stedelijke structuur: alle grote locaties voor wonen, werken en voorzieningen zoals steden, dorpen en bedrijventerreinen, waar de nadruk ligt op concentratie, zorgvuldig ruimtegebruik, ruimtelijke kwaliteit, verknoping aan infrastructuur en versterking van kennisinnovatieve economie; infrastructuur: samenhangend netwerk van wegen, spoorlijnen, vaarwegen, luchthavens en buisleidingen waarbij de nadruk ligt op betere verknoping, bevorderen bereikbaarheid, aandacht voor landschap en goede verdeling over verschillende netwerken.

Het uitgangspunt van de beschermende rol is zorgvuldig ruimtegebruik. Bij ruimtelijke afwegingen betekent dit dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. De provincie wil nieuw ruimtebeslag zoveel mogelijk voorkomen. Bij ontwikkelingen buiten bestaand bebouwd gebied wil de provincie dat de initiatiefnemer zorgt voor een investering in het landschap om daarmee het verlies aan omgevingskwaliteit te beperken. Beoordeling Het plangebied is aangeduid als onderdeel van een bestaande kern in het landelijk gebied. Het planvoornemen bestaat uit het oprichten van een nieuwe woning binnen de bestaande bebouwde kom. Dit past in het beleid van de provincie, zoals neergelegd in de structuurvisie.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

15

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Conclusie De gewenste ontwikkeling is passend binnen het provinciaal beleid als neergelegd in de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening . 4.3.2

Verordening ruimte Noord-brabant (actualisatie 2017)

Inleiding In de SVRO zijn de hoofdlijnen van het provinciale beleid voor de komende periode aangegeven. Daarin is voor de doelen en ambities die bereikt moeten worden per onderwerp aangegeven welke instrumenten de provincie wil inzetten. In een aantal gevallen is gekozen voor het instrument 'planologische verordening', bekend als Verordening ruimte Noord-Brabant (hierna te noemen: Vr). Deze stelt regels aan onder meer de bundeling van stedelijke ontwikkeling, natuurontwikkeling, de ontwikkeling van intensieve veehouderijen, waterberging, cultuurhistorie en het agrarisch gebied. Een geactualiseerde Vr is vastgesteld op 8 juli 2017. De Vr is opgebouwd volgens het principe van een bestemmingsplan. Dit houdt in dat er zowel 'gebiedsgerichte regels' zijn gesteld als 'algemene regels'. Bij de gebiedsgerichte regels is vervolgens een onderscheid gemaakt naar 'structuren' (basisregels) en 'aanduidingen' (aanvullende of afwijkende regels ten opzichte van de basisregels of andere aanduidingen). Tenslotte zijn er ook een aantal ‘procedurele bepalingen’. Aan de hand van deze systematiek wordt onderstaand het plan voor de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de relevante onderdelen uit de Vr.

Figuur 11 - Verordening ruimte Noord-Brabant (detail); het plangebied is aangeduid als 'Bestaand stedelijk gebied – stedelijk concentratiegebied'.

Beoordeling

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

16

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Voorliggend plangebied is gelegen binnen de structuur 'Bestaand stedelijk gebied – stedelijk concentratiegebied'. In de verordening is in artikel 4.3 (nieuwbouw woningen bepaald: 1.

2.

De toelichting bij een bestemmingsplan gelegen in bestaand stedelijk gebied dat voorziet in nieuwbouw van woningen bevat een verantwoording over de wijze waarop: a. de afspraken die daarover zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg bedoeld in artikel 37.4, onder b, worden nagekomen; b. de beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de afspraken bedoeld onder a, en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw. Onder harde plancapaciteit voor woningbouw als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan de capaciteit voor nieuw te bouwen woningen waarover een gemeente beschikt, die: a. wordt uitgedrukt in aantallen woningen; b. is opgenomen in een vastgesteld bestemmingsplan waarvan de bestemming nog niet is verwezenlijkt.

Het planvoornemen voorziet in de bouw van één nieuwe woning. Omdat het provinciaal ruimtelijk beleid erop gericht is de noodzakelijke plancapaciteit zoveel mogelijk te concentreren in het bestaand stedelijk gebied, past het planvoornemen goed in het provinciaal beleid. Verwezen wordt naar paragraaf 4.4.3 ten aanzien van de afspraken in het regionaal overleg. Conclusie Het planvoornemen is niet in strijd met het bepaalde in de Vr ten aanzien van het bestaand stedelijk gebied.

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1 Structuurvisie Roosendaal 2025 Toetsingskader In 2012 heeft de gemeenteraad de ‘Structuurvisie Roosendaal 2025’ vastgesteld. In deze structuurvisie geeft de raad zijn visie op de ruimtelijke ontwikkelingen in de toekomst. Hoe moet ons landschap er in de toekomst uit zien? Waar mag worden gebouwd, of herontwikkeld? Wat moet worden beschermd? De gemeente Roosendaal kan en zal niet alle plannen uit de ‘Structuurvisie Roosendaal 2025’ zelf uitvoeren, maar zal zich uitnodigend en faciliterend opstellen naar initiatiefnemers. Roosendaal kiest bij deze veranderingen voor ‘behoud en versterken van de kwaliteit van stad en dorpen’ door vernieuwing en transformatie. De identiteit van Roosendaal en de ontwikkeling naar een netwerksamenleving zijn hierbij leidende principes. Beoordeling In de structuurvisie is o.m. bepaald: - Omwille van een duurzame woningvoorraad worden er in nieuwbouwprojecten in principe alleen nog levensloopgeschikte woningen en woningen met een energielabel A gebouwd; - Om de samenleving de ruimte te geven om in de eigen woonomgeving te investeren maken we bestemmingsplannen flexibeler en ruimer, de gemeente zal op het gebied van regelgeving en gebiedsontwikkeling op hoofdlijnen gaan acteren.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

17

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

Figuur 12 - Structuurvisie Roosendaal 2025 (uitsnede); het plangebied (binnen het rode cirkeltje) is aangeduid als "Wonen".

Het planvoornemen past binnen het beleid ten aanzien van het bestaand stedelijk gebied in de functie-aanduiding “Wonen”. 4.4.2 Thuis in Roosendaal, woonvisie 2010-2020 Roosendaal wil bestaande inwoners sterker aan de stad verbinden, door te anticiperen op de effecten van de vergrijzing op de woningmarkt, door het aanbieden van differentiatie in woonmilieus en leefstijlen en door inwoners perspectief te bieden op een goede woon- en leef”carrière” binnen de wijken; door de Roosendaler trots te laten zijn op zijn / haar stad. Hiervoor is het nodig goede woningen in goede woonomgevingen te hebben en te behouden, waarin een sterke samenhang is tussen de woning, de fysieke en de sociale woonomgeving; een inwoner heeft niets aan een goede woning in een verloederde omgeving, aan een mooie omgeving zonder sociale kansen, of aan sterke opleidings- en werkmogelijkheden zonder de juiste woning om in te wonen en door te groeien. Bij het aantrekken van nieuwkomers ligt de focus op het bieden van kansen aan jonge gezinnen. Kort en krachtig is de visie voor wonen te omschrijven als: Roosendaal is de woonstad, die haar inwoners boeit en bindt. De woonvisie is vertaald in drie thema’s, waaraan doelstellingen en ambities zijn gekoppeld. Thema I: Binden en perspectief bieden a. Roosendaal is de Woonstad. b. Roosendaal weet inwoners aan de gemeente te binden. c.

De woonomgeving in Roosendaal biedt perspectief. Thema II: Leefbare Wijken en Buurten a. De inwoners zijn verbonden met en geboeid door hun woonbuurt. b. Gedifferentieerde wijken, harmonieuze buurten. c. Wijken en dorpen zijn veilig en vertrouwd. Thema III: Samenwerking a. Van overheid naar partnerschap. De vertaling van de visie in thema’s en doelstellingen maakt het concreter. Doelstellingen omzetten in kaders voor beleid vormt de basis voor het

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

18

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

waarmaken van de visie. Onderstaande beleidskaders richten zich op de speerpunten van het Roosendaalse woonbeleid namelijk: • verruiming van de woningvoorraad; • de bestaande voorraad; • slaagkansen van doelgroepen; • leefbaarheid en sociale cohesie. De woonvisie wordt vertaald in een tweetal sturingsinstrumenten. Ten eerste is dat een kaderovereenkomst tussen de corporaties en de gemeente waarin afspraken gemaakt worden over het partnerschap en de woonconvenant, waarin weer concrete prestatieafspraken zijn vastgelegd. De gemeente kan nooit alleen alle ambities uit de woonvisie realiseren. Daarvoor zoekt zij partnerschap met verschillende partijen. Met corporaties in de vorm van het maken van prestatieafspraken, met bewoners als gesprekspartner in concrete gebiedsontwikkelingen en met ontwikkelaars /beleggers in de vorm van overeenkomsten. Het tweede sturingsinstrument is de woningbouwprogrammering. De woonvisie beschrijft de ambities van Roosendaal op het terrein van wonen. Om van visie naar uitvoering te komen hanteert de gemeente het instrument van de woningbouwprogrammering. Daarnaast worden kwalitatieve opgaven verwerkt in verschillende programma's (veiligheid, leefbare wijken en dorpen, wonen). De woonvisie kent een beleidscyclus van 4 jaar.

Dat wil zeggen dat met het opstellen van de uitgangspunten voor de evaluatie van de woonvisie, de resultaten van deze evaluatie het vertrekpunt zijn voor de herijking van de woonvisie. Voor Roosendaal is als fysieke opgave opgenomen het realiseren van nieuwbouw van bijzondere woonvormen, grondgebonden seniorenwoningen en een proef met een collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO). 4.4.3 Woningbouwprogrammering 2012-2020 'Balans op de woningmarkt' Met de meest actief zijnde woningcorporaties binnen de gemeente zijn, voor de periode 2010- prestatieafspraken gemaakt en is een woonconvenant vastgesteld. Eén van de afspraken is geweest om een woningmarktonderzoek uit te laten voeren. Door de corporaties is daarnaast een woonlasten en doelgroepenonderzoek uitgevoerd. De resultaten van beide onderzoeken leveren tezamen met de woonvisie, het woonconvenant en de onlangs door de provincie Noord-Brabant geactualiseerde bevolkings- en woningbehoefteprognose, een belangrijke input voor de herijking van de woningbouwprogrammering in zowel kwantitatieve als kwalitatieve zin. De gemeente heeft hiermee een instrument in handen om in het totale woondossier voor de periode 2012-2020 richtinggevende kaders te stellen, en hiermee dus de woningbouwprogrammering te actualiseren en nadrukkelijk te monitoren.

Op basis van de planning 2008 is er een eerste analyse uitgevoerd van de woningbouwlocaties in de programmering. Hierbij zijn verschillende projecten de revue gepasseerd en is er op basis van de huidige actuele ontwikkelingen een bijstelling uitgevoerd. De analyse van de in de programmering opgenomen woningbouwlocaties heeft geresulteerd in een overzicht van te realiseren initiatieven voor de termijn t/m 2015 en de periode 2016 t/m 2020. Uitgangspunt is, dat nieuwe woningbouwinitiatieven de komende jaren (voorlopig t/m 2015) alleen onder strikte voorwaarden worden toegevoegd aan de nu te hanteren overzichtslijst van woningbouwlocaties. Het is belangrijk een flexibele

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

19

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

aanpak van de woningbouwprogrammering 2012-2020 te kunnen hanteren. In de komende periode zijn de ontwikkelingen in de woningmarkt bepalend en in eerste instantie moet er geconcentreerd worden op de plannen met de grootste realiteitswaarde (harde plancapaciteit). Hierbij is de marktvraag leidend en zijn de uitkomsten uit het woningmarktonderzoek en de geformuleerde randvoorwaarden richtinggevend. Op basis van monitoring wordt de bouwprogrammering continu gevolgd. In dit geval moet gesproken worden van een zeer reëel plan voor één woning op een terrein dat vrij eenvoudig bouwrijp te maken is. 4.4.4 Welstandsnota Roosendaal 2013 Toetsingskader De gemeente Roosendaal heeft sinds 2004 een welstandsnota zoals aangegeven in de Woningwet. Deze nota is in 2008 geactualiseerd. Met de herziening van 2013 heeft de gemeente het welstandsbeleid wederom geactualiseerd en versoepeld. In de kernen, enkele linten, vroege uitbreidingen en het buitengebied acht de gemeente het redelijk om welstand in te zetten vanwege het belang voor het aanzien van de gemeente. Dit geldt ook voor erfgoed in en bovengemiddeld zichtbare delen van de gebieden, zoals langs spoor en snelweg, waar verder weinig welstandseisen gelden. beoordeling

Figuur 13 – Welstandsnota – Welstandsniveaus; het plangebied is gelegen in de welstandsniveau-aanduiding “gewoon”.

Het plangebied is in de welstandsnota gelegen in de aanduiding “Buitengebied”. Ten aanzien van dit gebied geldt het uitgangspunt: “Het buitengebied is gewoon welstandsgebied. Het beleid is gericht op het behoud van de oorspronkelijke structuurelementen, de cultuurhistorische bebouwing en het karakteristieke profiel van de lintwegen. Bij de beoordeling zal onder meer aandacht geschonken worden aan afwisseling en individualiteit in combinatie met een enigszins terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren.” In dit gebied gelden de volgende welstandscriteria, voor zover betrekking hebbend op de geplande woning: “Criteria Bij de beoordeling van bouwplannen wordt in samenhang met de beschrijving getoetst aan de hand van de volgende criteria: Ligging • de hoofdbebouwing staat aan de straatzijde • de rooilijnen van de hoofdmassa’s verspringen ten opzichte van elkaar • de bebouwing met de voorgevel op de weg richten

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

20

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

• •

25 06 2020

doorzichten naar het landschap behouden bijgebouwen, bedrijfsgebouwen en opslag spelen een onnadrukkelijke rol in het straatbeeld

Massa • gebouwen zijn individueel en afwisselend en hebben in beginsel een eenduidige opbouw met een eenvoudige rechthoekige plattegrond • woningen hebben in beginsel een onderbouw van één laag met kap • uitbreidingen zoals aanbouwen en dakkapellen vormgeven als toegevoegd ondergeschikt element of opnemen in de hoofdmassa • bijgebouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa en eenvoudig van vorm, met in beginsel een kap met de nok dwars op de weg. Architectonische uitwerking • de architectonische uitwerking en detaillering zijn evenwichtig en afwisselend • bedrijfsgebouwen eenvoudig en zorgvuldig detailleren • elementen in de gevel zoals deuren en ramen in een logische verhouding tot elkaar en de gevel als geheel plaatsen • kozijnen, dakgoten en dergelijke uitvoeren met oog voor detail • zijgevels van woningen hebben vensters • wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op hoofdvolume Materiaal en kleur • materialen en kleuren zijn degelijk en duurzaam • kleuren zijn terughoudend en afgestemd op de omgeving • gevels in beginsel uitvoeren in baksteen (eventueel gekeimd) • hellende daken dekken met matte keramische pannen of natuurlijk riet • grote vlakken bestaan uit kleine elementen of hebben een duidelijke textuur • aan- en bijgebouwen in materiaal en kleur afstemmen op de hoofdmassa en aan de voorkant traditioneel uitvoeren • erfafscheidingen zijn open van

karakter en terughoudend van kleur” Met name de eerste groep criteria heeft een link met het bestemmingsplan. Zoals in hoofdstuk 3 aangegeven, is de geplande woning in het bestaande stedenbouwkundig patroon geprojecteerd met de voorgevel naar de straat. De ritmiek van de bebouwing sluit aan op die van de omringende bebouwing. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de geprojecteerde stedenbouwkundige structuur aansluit op de uitgangspunten van de welstandsnota. 4.4.5 Groen- en landschapsplan voor de Brabantse buitensteden: De Zoom van West-Brabant Toetsingskader De gemeenten Bergen op Zoom en Roosendaal hebben gezamenlijk de beleidsnota voor groen- en landschapsbeleid, onder de titel 'De Zoom van West Brabant' opgesteld (november 2004). Dit landschapsontwikkelingsplan (LOP) richt zich zowel het buitengebied als op de kernen. De opgave voor het landschapsontwikkelingsplan is een samenhangende beleidsvisie te geven op het landschap - inclusief het groen in het stedelijke landschap- van Bergen op Zoom en Roosendaal. In de visie worden de bestaande ruimtelijke beleidsvisies en lopende projecten geïntegreerd. Het LOP geeft antwoord op de vraag hoe de landschappelijke kwaliteiten belevingswaarde cultuurhistorie, natuur, recreatieve waarde- gewaarborgd

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

21

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

kunnen worden. Ook geeft het aan hoe het ruimtelijk beleid en de ontwikkelingen voor een vitaal platteland kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van het landschap. Beoordeling Binnen de grenzen van de kern Roosendaal zijn weinig mogelijkheden voor ontwikkeling van het versterken van het besloten hoevenlandschap. Binnen het plangebied zijn geen mogelijkheden aanwezig om het landschap te versterken. Conclusie Het planvoornemen is niet strijdig met het Groen- en landschapsplan voor de Brabantse buitensteden: De Zoom van West-Brabant.

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

22

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

.

5

PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN

5.1

Inleiding

Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: ‘bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen’. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Tevens moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van de voorgenomen realisatie van het beoogde planvoornemen heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Met het planvoornemen wordt aangesloten op de al gerealiseerde ruimtelijke en functionele structuur, zoals de ontsluitingsstructuur, groenstructuur en de waterhuishouding. In hoofdstuk 3 zijn deze in hun samenhang toegelicht. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. Eventuele onderzoeksrapporten zijn als (separate) bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: bodem; waterhuishouding; natuur; cultuurhistorie; archeologie; flora en fauna; akoestiek; bedrijven en milieuhinder; externe veiligheid; luchtkwaliteit; kabels en leidingen. Vervolgens wordt ingegaan op de toetsing aan het Besluit me.r.

5.2 Bodem Toetsingskader Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan vervolgens worden nagegaan of er vervolgmaatregelen getroffen moeten worden, zoals een nader onderzoek of eventueel een (functiegerichte) sanering. Beoordeling Ter voorbereiding van de opstelling van dit bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Agel Adviseurs. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage (bijlage 2) bij deze toelichting gevoegd. In de rapportage wordt de volgende conclusie getrokken:

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

23

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

"

25 06 2020

In mengmonsters MM01 en MM02 van de zintuiglijk niet verontreinigde zandige bovengrond en ondergrond zijn geen overschrijdingen van de achtergrondwaarden aangetoond. Bij indicatieve toetsing van de grondmonsters aan het Besluit bodemkwaliteit zijn beide mengmonsters (MM01 & MM02) beoordeeld als altijd toepasbaar. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan koper en kwik aangetoond. Een bron voor de licht verhoogde concentratie aan kwik is niet bekend. Koper wordt regionaal vaker zonder aanwijsbare bron in het grondwater aangetoond. Mogelijk betreft het een licht verhoogde achtergrondwaarde. Er zijn geen aanwijsbare bronlocaties aangetroffen. Middels onderhavig verkennend bodemonderzoek is de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in voldoende mate vastgesteld. De resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding voor het verrichten van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen bezwaar voor het voorgenomen gebruik van de locatie en de voorgenomen bouwactiviteiten."

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de haalbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

5.3

Water

Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.6 lid 1, sub b Bro. Het beleid is erop gericht om het watersysteem op orde te brengen en vervolgens op orde te houden. Dit betekent dat er zo min mogelijk wateroverlast ontstaat en dat de waterkwaliteit voldoende is. Het beleid van het waterschap Brabantse Delta is gericht op het voorkomen van rechtstreekse lozingen op het oppervlaktewater. De voorkeursvolgorde voor het omgaan met hemelwater is ‘vasthouden, bergen, afvoeren’. Ten aanzien van de waterkwaliteit is de voorkeursvolgorde: ‘schoonhouden, scheiden en zuiveren’.

Voor nieuwbouwinitiatieven is het uitgangspunt dat deze ‘waterneutraal’ dienen te zijn. Dit betekent dat de ontwikkelingen niet mogen leiden tot verslechteringen aan het watersysteem. Voorkomen moet worden dat het water versneld afgevoerd wordt ten gevolge van een toename van het verhard oppervlak. Schone oppervlakken worden indien mogelijk niet op een gemengd rioleringssysteem aangesloten. De voorkeur gaat uit naar een aansluiting van het hemelwater op een afzonderlijk hemelwaterstelsel. Voor daken, goten en overige regenwatervoorzieningen en wegverhardingen dienen bij voorkeur nietuitlogende bouwmaterialen te worden gebruikt. Om de waterkwaliteit te verbeteren, wordt ook in bestaande situaties waar mogelijk schoon verhard oppervlak afgekoppeld van het rioolstelsel. Deze oppervlakken krijgen een eigen

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

24

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

afvoervoorziening, waardoor het gemengd stelsel minder wordt belast. Hiermee wordt het aantal overstortgebeurtenissen met vervuild water vanuit het gemengde stelsel verminderd. Beleid provincie Noord-Brabant en Waterschap Brabantse Delta Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Provinciale Waterplan 2016-2021. Het PWP is de structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Behalve dat het PWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Voor het beheer van het oppervlaktewater is in onderhavig plangebied het Waterschap Brabantse Delta verantwoordelijk. Uniformering Keuren De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen.

Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde Keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme Keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. d. de toename van verhard oppervlak tussen de 2.000 m 2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x Gevoeligheidsfactor x 0,06. De norm voor de retentie bedraagt 600 m3/hectare). Waterplan Roosendaal Het Waterplan is een samenwerkingsproduct van de gemeente Roosendaal, Waterschap Brabantse Delta, Waterleidingmaatschappij Brabant Water en provincie Noord-Brabant.

Het plan vormt de opstap naar een intensieve en efficiënte samenwerking vanuit het besef dat alleen op deze manier de veelal integrale waterproblemen aangepakt kunnen worden. Het Waterplan is een vrijwillige planvorm die geen wettelijke verankering kent. De doelstellingen uit dit Waterplan dienen dan ook vertaald te worden in de gemeentelijke plannen die wel een juridische grondslag kennen. Het Waterplan vervult in dat opzicht de functie van Koepelplan op gemeentelijk niveau. In het Waterplan wordt vooruit geblikt op de wijze waarop in de toekomst met water binnen Roosendaal wordt omgegaan. De doelen van het Waterplan zijn: • inzicht in het functioneren van het watersysteem en de wijze waarop dit bepalend is voor functies als groen, wonen, werken en recreatie;

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

25

t-NL.IMRO.1674.2103THORBECKELN237.0402 01153-bptoe-thorbeckelaan-237-v3-3

25 06 2020

• het ontwikkelen van een gezamenlijke visie op het waterhuishoudkundig beleid binnen de gemeente Roosendaal; • het benoemen van ingrepen gericht op het verbeteren van de Roosendaalse waterhuishouding. Deze doelen dragen bij aan het realiseren van de hoofddoelstelling van het nieuwe waterbeheer: "Het creëren van een duurzaam en veerkrachtig watersysteem met een daarop afgestemd water- en landgebruik tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten". Vanuit een brede participatie waarin niet alleen de verschillende overheidsinstanties maar ook belangengroepen hebben meegewerkt, worden in dit Waterplan doestellingen, beleidsregels en maatregelen uitgewerkt die toewerken naar het bereiken van dit gewenste eindbeeld. Beoordeling Gebiedsbeschrijving De locatie is gelegen aan de zuidwestzijde van de stad Roosendaal. De locatie is als weiland in gebruik en er is (nog) geen bebouwing aanwezig. Volgens de bodemkaart (Stiboka, blad 49 Oost, 1982) bestaat de ondergrond ter plaatse uit laarpodzolgronden in leemarm en zwak lemig fijn zand. Deze grondsoort is ontstaan door eeuwenlange begroeiing van (dek)zandgronden met bos of heide. Oppervlaktewater In en in de omgeving van het plangebied zijn geen waterlopen gelegen die zijn aangemerkt als een categorie A of B waterloop op de Legger van het waterschap.

Grondwater Volgens de milieuverordening van de provincie Noord-Brabant, ligt het plangebied niet in een waterbergingsgebied of grondwaterbeschermingsgebied. Op de bodemkaart (Stiboka, blad 49 Oost, 1982) is ter plaatse van het plangebied de watertrap VI aangegeven, hetgeen staat voor een gemiddelde hoogste grondwaterstand van 40-80 cm onder maaiveld en een gemiddelde laagste grondwaterstand van meer dan 120 cm onder maaiveld. Er zijn in de bestaande situatie geen gevallen van wateroverlast bekend. Verharding Het plangebied is gelegen in bestaand stedelijk gebied en is geheel onverhard. Geplande veranderingen Het beoogde plan voorziet in de bouw van een nieuwe woning. De locatie is thans geheel onverhard. Relevant zijn de mutaties in de oppervlakten verharding in het plangebied. Tabel 1 – verharding plangebied Oppervlakte (m2)

Oppervlakte (m2)

bestaand -

nieuw +

Bijgebouwen

0 0

250 100

Overige terreinverharding (toeritten, paden, parkeervoorzieningen)

0

100

Totaal

0

Woning Hoofdgebouwen (woning)

Toename/afname

CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING BV

450 2

+ 450 m

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1170/documents/30341