Bijlage t_NL.IMRO.1674.2128FLAVIADONK-0401.pdf
Tekst van het document
Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn
31/54
opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Brabant In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening.
Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wild zwijn en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied (zie figuur 4.1). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Brabantse Wal' op circa 8 km ten westen van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De gevolgen voor verzuring en vermesting zijn niet op voorhand uit te sluiten daarom is onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie. De memo met uitgangspunten en uitkomst is opgenomen in bijlage 2. Uit berekeningen voor de gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebied. Uit de berekeningen voor de aanlegfase blijkt dat er eveneens geen sprake is van enige stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden (zie hiervoor bijlage 2).
Dit betekent dat geen significante gevolgen optreden en dat de instandhoudingsdoelstelling van de omliggende Natura 2000-gebieden niet in gevaar komt. Voor projecten die niet leiden tot een toename van depositie is geen vergunning conform de Wet natuurbescherming nodig. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de natuurwaarden Natura-2000 gebieden.
32/54
Figuur 4.1 Ligging van de planlocatie (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebied Natuurnetwerk Brabant Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Brabant (BNZ). Het dichtstbijzijnde gebied is gelegen op ongeveer 400 meter. Dit is natuurgebied N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos. De geplande activiteit ligt op voldoende afstand van dit gebied. Het heeft geen negatief effect op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van het Natuurnetwerk Brabant.
33/54
Figuur 4.2 Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natuurnetwerk Brabant (bron: Provincie Brabant) Soortenbescherming Om de functie van het plangebied voor beschermde soorten te onderzoeken is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (bijlage 3). De conclusies van deze quickscan worden hierna kort weergegeven: Gelet op de potentiële ecologische waarde kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht worden genomen: Ten aanzien van vleermuizen dient nader (protocollair) onderzoek uit te wijzen of door de sloop van de school en de gymzaal mogelijk rust- of verblijfplaatsen van een vleermuissoort verdwijnen. Indien aanwezig dient een ontheffing aangevraagd te worden alvorens met de sloop kan worden begonnen. Ten aanzien van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.
Naar aanleiding van de resultaten uit de quickscan is nader onderzoek uitgevoerd (bijlage 4). Door de ingreep zal naast het schoolgebouw, eveneens de gymzaal gesloopt worden, en daarmee verdwijnt een vaste rust- of verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Hiervoor zullen in dat geval mitigerende maatregelen genomen moeten worden. Deze maatregelen dienen te worden beschreven in een mitigatieplan en/of ecologisch werkprotocol wat zal moeten worden voorgesteld aan de Provincie Noord-Brabant, en er dient een ontheffing te
34/54
worden aangevraagd voor de gewone dwergvleermuis. Er zijn mitigerende maatregelen getroffen door het plaatsen van 4 platte vleermuiskasten in de directe omgeving van de gymzaal. Deze kasten zijn onder ecologische begeleiding opgehangen. Het is echter van belang dat ter zijner tijd, in de toekomstige permanente bebouwing dezelfde hoeveelheid vervangende permanente verblijfplaatsen gerealiseerd wordt, ter vervanging van de huidige te verdwijnen paarplaats, d.w.z. vier te realiseren permanente paarplaatsen die op vergelijkbare manier geschikt zijn voor de gewone dwergvleermuis. Conclusie Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de 'Brabantse Wal' op circa 8 km ten westen. Uit AERIUS berekeningen voor de aanleg- en gebruiksfase blijkt dat er geen sprake is van relevante stikstofdeposities (hoger dan 0,00 mol/ha/j) in de omliggende Natura 2000-gebieden. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Op circa 400 m van de ontwikkeling ligt natuurgebied 'N15.02' dat behoort tot het Natuurnetwerk Brabant (figuur 4.2). Verder ligt het plangebied niet binnen een waterwin-, grondwaterbeschermings- of milieubeschermingsgebied. De Wnb en het beleid van de Provincie Noord-Brabant staan de ontwikkeling niet in de weg.
Soortenbescherming De Wnb en het beleid van de Provincie Noord-Brabant staan de ontwikkeling niet in de weg, mits het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen wordt uitgeveoerd of door middel van een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval uitgesloten wordt en algemene zorgplicht in acht genomen wordt. Daarnaast zal ten aanzien van vleermuizen ontheffing worden aangevraagd voor de gewone dwergvleermuis.
4.4
Cultuurhistorie en archeologie
Algemeen Beleidskader voor de cultuurhistorie vormt primair de sinds 1 september 2017 geldende Erfgoedwet. Er bestaat een wettelijke verplichting om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden en de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Facetten als historische (stede)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten worden daarin meegenomen. Daarmee is de bescherming van het cultuurhistorisch erfgoed (mede) een taak van de gemeente geworden. De bescherming van het archeologische erfgoed is een taak van de gemeente geworden. Er dient binnen bestemmingsplannen en bij ruimtelijke onderbouwingen aandacht te worden besteed aan archeologische aspecten. Provinciaal beleid De provincie Noord-Brabant ziet het Brabantse erfgoed als belangrijk onderdeel van haar identiteit en wil het een plaats geven in de verdere ontwikkeling van Brabant. Daarom heeft ze haar ruimtelijk erfgoed opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). De CHW is vastgesteld in 2010 en op kleine onderdelen aangepast in de herziening 2016. Op de CHW is het provinciaal cultuurhistorisch belang aangegeven. Het gaat hierbij om
35/54
erfgoed dat van belang is voor de regionale identiteit. Dit belang hangt nauw samen met het provinciaal ruimtelijk belang, zoals benoemd in de provinciale Structuurvisie ruimtelijke ordening. Het provinciaal belang is beperkt tot het landelijk gebied, waar de provincie haar belangrijkste taak heeft. De kaartlagen cultuurhistorische vlakken’ en ‘complexen van cultuurhistorisch belang’ zijn ook opgenomen in de Verordening ruimte Noord-Brabant. Onderstaand kaartbeeld uit de CHW geeft aan dat ten aanzien van archeologie en cultuurhistorie voor het plangebied geen provinciale belangen in het geding zijn.
Figuur 4.3 Cultuurhistorische waardenkaart waarbij het plangebied met een rode cirkel is aangegeven (bron: CHW Noord-Brabant) Gemeentelijk beleid Het plangebied is geen cultuurhistorisch of monumentaal erfgoed en de school die wordt gesloopt is geen beeldbepalend gebouw aan Langdonk. Toetsing archeologie en cultuurhistorie Het plan behelst de sloop van een gebouw en de nieuwbouw van woningen. Dat houdt in dat wel bodemingrepen worden gedaan, echter gegeven de verwachtingskaarten geen verwachting aan, en is daarbij geen schaden van archeologische waarden te verwachten. Archeologisch onderzoek voor dit bestemmingsplan is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Het plan schaadt geen archeologische en cultuurhistorische waarden.
4.5
Bodem- en grondwaterkwaliteit
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (art 3.1.6 Bro) wordt, in verband met de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, rekening gehouden met de bodemgesteldheid in het gebied. Bij een functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende
36/54
bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek Het bestemmingsplan maakt een functiewijziging mogelijk van 'Maatschappelijk' naar 'Wonen'. Vanwege deze functiewijziging is wordt verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek worden aan deze toelichting toegevoegd.
4.6
Verkeer en parkeren
Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de parkeerbehoefte berekend op basis van de Nota parkeernormen Beleidsregel gemeente Roosendaal van december 2011, hierna te noemen “parkeernormenbeleid” en CROW publicatie 381. Voor het te hanteren parkeerkencijfer wordt uitgegaan van een stedelijkheidsgraad van sterk stedelijk (CBS). In het parkeernormenbeleid wordt aangegeven dat de parkeernormen zijn gebaseerd op de gemiddelde parkeerkencijfers. Voor de functie wonen is een norm opgesteld voor verschillende gebieden en woonvormen. Onder bijzondere woonvormen wordt in het parkeernormenbeleid onderscheid gemaakt voor kamerverhuur/ 1 persoonswoning. Aangezien dit woningen zijn voor tijdelijke verhuur en deze geschikt zijn voor 1 persoonshuishoudens wordt voor de te hanteren parkeernorm uitgegaan van de bijzondere woonvorm, kamerverhuur/ 1 persoonswoning.
De verkeersgeneratie wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormenbeleid en kencijfers uit CROW publicatie 381 . Bestaande situatie Gemotoriseerd verkeer De planontwikkeling is gelegen in de wijk Langdonk in Roosendaal. Deze zal worden ontsloten door middel van een aansluiting op de Langdonk. De Langdonk betreft een gebiedsontsluitingsweg voor de wijk waar een maximum snelheid van 50 km/uur geldt. De kruisingen zijn niet gelijkwaardig vormgegeven en de wegen die hierop aantakken behoren tot een 30 km/uur zone. Het verkeer komend uit de wijk moet voorrang verlenen aan de autoverkeer op de Langdonk. De Langdonk komt in noordelijke richting via de Donkenweg en winkelcentrum Lindenburg uit op de Burgemeester Schneiderlaan. Dit is ter hoogte van de wijk Langdonk een 2x2 gebiedsontsluitingsweg die in verbinding staat met andere wijken van Roosendaal en de N262 richting centrum en de rijksweg A58 voor de richtingen Bergen op Zoom, Rotterdam en Breda. De Langdonk komt in zuidelijke richting via de Benedendonk uit op de Willem Dreesweg. Dit is een gebiedsontsluitingsweg die in verbinding staat met de wijk Tolberg en de provinciale weg N262 richting België. In figuur 4.4 is een overzicht weergegeven van de ontsluitingen.
37/54
Figuur 4.4 Overzicht ontsluitingen (bron: Rho Basisviewer) Langzaam verkeer Op de Langdonk deelt het fietsverkeer de rijbaan met het gemotoriseerde verkeer. Langs de Langdonk zijn fietssuggestiestroken rood gemarkeerd. Het winkelcentrum Lindenburg ligt op loop- en fietsafstand. Rondom het plangebied zijn voetpaden aanwezig en zijn looproutes intern in de wijk aangelegd. Openbaar vervoer Langs de Langdonk halteren twee lijndiensten, lijn 2 en 3 en een lijn die in de avond rijdt lijn 833. Lijn 2 en 3 halteren 2x in het uur en verbinden de wijk met andere wijken van Roosendaal, het centrum en het station. Lijn 833 rijdt alleen in de avonduren tussen 21:00 uur en 00:30 uur. Binnen 500 meter liggen er drie haltes. Verkeersgeneratie Huidige situatie De geplande uitbreiding van de nieuwbouw ligt op een locatie waar een school was gevestigd. Momenteel wordt de locatie nog gebruikt voor een tijdelijke school tot 2021. Vanaf 2021 genereert het schoolgebouw geen verkeer meer. Voor een worst-case benadering is de verkeersgeneratie van deze tijdelijke school niet in beeld gebracht. Toekomstige situatie In de beoogde ontwikkeling worden in de toekomstige situatie 30 studio's en 10 woningen met een aparte slaapkamer tijdelijk (namelijk voor een periode van 20 jaar) gepland. Dit zijn woningen voor 1 persoonshuishoudens die met spoed een woonruimte nodig hebben.
10 woningen verschillen in gebruik van de 30 studio's. Deze 10 woningen zijn 2-kamer woningen (een woning met één aparte slaapkamer). De andere 30 studio's zijn voor 1-2 persoonshuishouden, Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is uitgegaan van de kencijfers van CROW publicatie 381. In tabel 4.2 wordt de toekomstige verkeersgeneratie bepaald waarbij de verkeerstoename voor een gemiddelde werkdag voor de kamerverhuur / 1 persoonswoning 65 mvt/etmaal bedraagt en voor de kamerverhuur / 1 oudergezinnen 55 mvt/etmaal bedraagt. Tabel 4.2. Verkeersgeneratie toekomstige situatie
38/54
Functie
Aantal
Kencijfer
Verkeersgeneratie Weekdag Werkdag* 1,95 per woning 59 mvt/etmaal 65 mvt/etmaal
Kamerverhuur / 1 30 woningen persoonswoning* Kamerverhuur / 1 oudergezinnen 10 woningen 4,9 per woning 49 mvt/etmaal 55 mvt/etmaal Totaal 108 mvt/etmaal 120 mvt/etmaal * omrekening weekdag naar werkdag met standaardfactor 1,11 voor woongebieden (CROW-publicatie 381) De planontwikkeling van 40 woningen zorgt voor een verkeersgeneratie van 108 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Omrekening naar een gemiddelde werkdag vindt plaats met de standaard factor 1,11 voor woonfuncties. Op een gemiddelde werkdag genereert de ontwikkeling circa 120 mvt/etmaal. Dit is een verkeerstoename van 120 mvt/etmaal ten opzichte van de huidige situatie op een gemiddelde werkdag. Om de verkeersafwikkeling te beoordelen is de afwikkeling in het drukste spitsuur maatgevend. Als vuistregel hiervoor geldt een maximale intensiteit van 10% van de etmaalintensiteit. Bij een verkeersgeneratie van 120 mvt/etmaal op een werkdag betekent dit omgerekend 12 mvt in zowel de ochtend als avondspits. Verkeersafwikkeling De verkeersintensiteit via Langdonk zal met de nieuwe ontwikkeling toenemen. De woningbouwontwikkeling is vanuit noordelijk en zuidelijke richting bereikbaar. Dit wil zeggen dat de verdeling van het verkeer ongeveer 50% in de richting van de Burgemeester Schneiderlaan en 50% in de richting van Willem Dreesweg.
Aangezien de ontwikkeling woningen betreft zal de verkeersgeneratie zich vooral in de beide spitsen voordoen. Buiten deze spitsen is de verkeersgeneratie lager en meer gespreid. De spitsperioden zijn dan ook maatgevend in het beoordelen van de verkeersafwikkeling. Zoals eerder aangegeven gaat het in het drukste spitsuur om 12 mvt. Voor de verdeling van het verkeer betekent dit een toename in noordelijk en zuidelijke richting van circa 60 mvt/etmaal. Op de kruisingen komen er in beide spitsen 4 tot 5 motorvoertuigen bij en deze gaan op in het heersend verkeersbeeld. In figuur (4.5) is de verdeling van het verkeer weergegeven.
Figuur 4.5 Verdeling verkeer (bron: Rho Basisviewer)
39/54
Intensiteiten De intensiteit op de Langdonk bedraagt op een gemiddelde werkdag circa 2.700 mvt/etmaal. Inclusief de toename van de beoogde ontwikkeling wordt dit 2.820 mvt/etmaal. De Langdonk is een gebiedsontsluitingsweg met de uitstraling van een erftoegangsweg. De capaciteit van een dergelijke weg ligt doorgaans op maximaal 6.000 mvt/etmaal. De Langdonk kan met een restcapaciteit van 3.200 mvt/etmaal de verkeerstoename van 120 mvt/etmaal ruim voldoende verwerken. De 120 mvt/etmaal gaan op in het heersend verkeersbeeld. Verkeersveiligheid De Langdonk is een gebiedsontsluitingsweg en ingericht als erftoegangsweg. Dit wil zeggen dat er rode fietssuggestiestroken zijn aangebracht op de rijbaan en dat de fietser de rijbaan deelt met het gemotoriseerd verkeer. De kruisingen op de Langdonk zijn niet gelijkwaardig en de woonstraten die aan de Langdonk aantakken vallen binnen een 30 km/uur zone. Op de Langdonk zijn volgens duurzaam veilig snelheidsremmende verkeersmaatregelen uitgevoerd in de vorm van drempels. Op de kruisingen Langdonk-Donkenweg en Langdonk-Benedendonk de wijk in- en uitrijdend zijn verkeersplateaus uitgevoerd. Rondom de planontwikkeling liggen voetpaden en looproutes richting het winkelcentrum Lindenburg.
De Langdonk is veilig ingericht en de geringe toename van het verkeer door de beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot zorgen niet voor knelpunten op de omliggende wegen. Parkeren De beoogde woningbouwontwikkeling ligt op een locatie waar nu een leegstaand schoolgebouw staat. De parkeerbehoefte van de school werd voorheen op omliggende wegen opgevangen. Voor de beoogde 30 studio's en 10 woningen met een aparte slaapkamer heeft de gemeente Roosendaal parkeernormen voor kamerverhuur / 1 persoonswoning opgesteld. Echter verschillen de 10 woningen ten op zichte van de 30 studio's in grootte en gebruik. Deze 10 woningen zijn 2-kamer woningen (een woning met één aparte slaapkamer). Voor de 30 studio's 1-2 persoonshuishouden hanteert de gemeente een norm van 0,4 parkeerplaats per woning en voor de andere 10 studio's voor éénoudergezinnen wordt de norm van 1,2 parkeerplaats per woning gehanteerd. In tabel 4.3 wordt de parkeerbehoefte voor de 40 woningen weergegeven. Tabel 4.3 Parkeerbehoefte personenauto's Functie Aantal woningen Kamerverhuur/1-2 persoonshuishoudens Kamerverhuur / 1 oudergezinnen Totaal
30 10
Parkeernorm 0,4 per woning 1,2 per woning
Aantal Parkeerplaatsen 12 12 24
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dienen volgens de parkeernormen in ieder geval 24 parkeerplaatsen aanwezig te zijn. In het plan is voldoende ruimte om ten minste de benodigde 24 parkeerplaatsen te realiseren. Door de ligging van de parkeerplaatsen in het plan zijn deze alleen aantrekkelijk voor de bewoners en bezoekers van de 40 woningen. Er kan aan de parkeerbehoefte van de ontwikkeling worden voorzien op eigen terrein. Conclusie Het plan genereert in totaal 120 mvt/etmaal. De Langdonk en omliggende wegen hebben ruim voldoende
40/54
capaciteit om dit extra verkeer te kunnen verwerken, waardoor het niet zal leiden tot knelpunten op het omliggende wegennet. De Langdonk is een veilig ingerichte weg door middel van verschillende verkeersremmende maatregelen. Daarnaast zijn er goede fiets- en looproutes aanwezig rondom de beoogde ontwikkeling. De Langdonk kan volgens een duurzaam veilige inrichting het verkeer veilig afwikkelen. Er is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de berekende parkeerbehoefte op basis van de gemeentelijke parkeernormen. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.
4.7
Bedrijven en milieuhinder
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn.
Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft. Onderzoek De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 40 woningen. Hiermee wordt een milieugevoelige functie opgericht. In de directe omgeving van het plangebied zijn woningen aanwezig. De komst van nieuwe woningen zal geen gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. Op grotere afstand (minstens 150 meter) liggen enkele maatschappelijke en gemengde bestemmingen; basisschool het Talent, Evangelische Gemeenschap Roosendaal en woon-zorgcomplex 't Zand. Dit zijn functies in milieucategorie 2 waarvoor een maximale richtafstand geldt van 30 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Omliggende bedrijven worden niet in hun belangen geschaad en ook bij de nieuwe zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect milieuzonering staat de vaststelling van dit plan niet in de weg. Bestaande bedrijven worden niet in hun belangen geschaad en er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
41/54
4.8
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidsgevoelige functie aangemerkt. Indien in een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidszone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau. Als de Wgh van toepassing is, dan dient een nieuwe geluidsgevoelige functie te voldoen aan bepaalde wettelijke normen. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk (65 dB voor binnenstedelijke wegen en 53 dB voor een buitenstedelijke autoweg). De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB(A). Bovendien zal voor de betreffende geluidsgevoelige functie ten minste altijd één geluidsluwe gevel aanwezig moeten zijn, terwijl er gestreefd wordt het aantal 'dove gevels' per woning tot maximaal één te beperken.
Geluidszones Langs alle wegen – met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wgh geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidsbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Toetsing Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is noodzakelijk volgens de Wet geluidshinder (Wgh) indien de nieuwe woningen binnen de geluidszone van een weg worden gerealiseerd. De woningen worden gerealiseerd binnen de geluidszone van de Langdonk. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd conform de Standaard Rekenmethode II uit het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG 2012). Het overdrachtsmodel is opgesteld in het programma Geomilieu versie 2020.2 van DGMR. De berekeningen zijn opgenomen in bijlage 7. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ten gevolge van de Langdonk wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB. Het plan kan daarmee worden gerealiseerd binnen de randvoorwaarden van de Wet geluidshinder. Een hogere waarde is niet aan de orde.
4.9
Luchtkwaliteit
Toetsingskader
42/54
De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'Niet in betekenende mate' (het besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.4. weergegeven. Tabel 4.4. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van ) stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie
grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ 25 µg/m³
NIBM In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. Toetsing en conclusie Het plan voorziet in de realisatie van 40 woningen. Deze ontwikkeling valt binnen een vaste categorie (1.500 woningen aan een ontsluitingsweg) waarvan op voorhand al bekend is dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' zijn. Het plan is daardoor vrijgesteld van verdere toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan hoe het met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is gesteld. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde voor luchtkwaliteit relevante weg is Langdonk (zie figuur 4.6).
Hieruit blijkt dat zowel in 2020 als in 2030 voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.5. Aangezien direct langs de Langdonk aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie
43/54
verder van de weg af ligt. Tabel 4.5 Toetsing aan grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof grenswaarde maximale waarden in jaar 2020 stikstofdioxide (NO2) 40 µg/m³ 19,6 µg/m³ fijn stof (PM10) 40 µg/m³ 17,8 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 6,2 µg/m³ 50 µg/m³ Fijn stof (PM2,5) 25 µg/m³ 10,6 µg/m³
maximale waarden in jaar 2030 11,4 µg/m³ 14,4 µg/m³ 6,0 µg/m³ 8,0 µg/m³
Figuur 4.6 Luchtkwaliteit (bron: NSL-monitoringstool). Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.10 Externe veiligheid Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.
44/54
In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicorelevante inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.
Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar.
Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 -waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheid safstanden (PR 10-6 -contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen
45/54
hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Onderzoek Volgens de Risicokaart zijn er in de directe omgeving van het plangebied enkele risicovolle bedrijven en transportroutes gelegen (figuur 4.7).
Figuur 4.7 Fragment risicokaart met rood omcirkeld het plangebied (bron: risicokaart) Risicovolle inrichtingen Ten noorden van het plangebied is een LPG tankstation (vergunde doorzet <500 m3) gevestigd aan de Burgemeester Schneiderlaan. Het invloedsgebied reikt tot 150 meter buiten het vulpunt. Het plangebied ligt op ruim 580 meter en daarmee buiten het invloedsgebied. Transport gevaarlijke stoffen Ten noorden van het plangebied is sprake van vervoer van gevaarlijke stoffen over de A58. De PR 10-6 contour ligt niet buiten de weg (0 meter). Langs dit wegvak geldt een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. Op basis van de maatgevende vervoerde stofcategorie (GT4, toxische gassen) reikt het invloedsgebied tot >4 km. Het plangebied ligt op circa 1 km afstand en daardoor niet binnen de PR 10-6 contour of het PAG, maar wel binnen het invloedsgebied van de A58. Het plangebied ligt verder dan 200 meter van de transportroute, waardoor een berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Wel dient het groepsrisico te worden verantwoord. Ten westen van het plangebied is sprake van vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor. De PR 10-6 contour ligt op 11 meter en er geldt een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter. Het PR plafond 10-8 ligt op 687 meter. Op basis van de maatgevende vervoerde stofcategorie (D4, toxische vloeistoffen) reikt het invloedsgebied tot >4 km.
Het plangebied ligt op circa 2,2 km afstand en daardoor niet binnen de PR 10-6 contour of het PAG, maar wel binnen het invloedsgebied van de A58. Het plangebied ligt verder dan 200 meter van de transportroute, waardoor berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Wel dient het groepsrisico te worden verantwoord.
46/54
Standaard verantwoording groepsrisico Volgens het 'stroomschema standaard verantwoording' van de Omgevingsdienst is er sprake van een ontwikkeling of wijziging binnen een grijze zone (invloedsgebied). De standaard verantwoording van het groepsrisico daarom worden toegepast. Deze is toegevoegd als bijlage 5. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Uit de verantwoording van het groepsrisico blijkt dat de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid als voldoende worden beschouwd.
4.11 Duurzaamheid Toetsingskader Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij kan op verschillende manieren omgegaan worden met energie zuinigheid. Onderzoek en conclusie Zoals in paragraaf 2.2 is vermeld, is duurzaamheid erg belangrijk voor de realisatie van de woningen. Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De nieuwbouw zal hieraan voldoen. Daarnaast wordt momenteel nagegaan welke duurzame materialen en maatregelen aanvullend kunnen worden toegepast (zief paragraaf 2.2) De bouwmaterialen die gebruikt worden voor de beoogde ontwikkeling zullen een positieve werking hebben op het gebied van duurzaamheid.
4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologische relevantie Voor hoofdtransportleidingen en hoogspanningsverbindingen geldt dat deze in een (bestemmings)plan moeten worden geregeld. Deze leidingen hebben namelijk gevolgen voor het gebruik van gronden in de directe omgeving en zijn dus planologisch relevant. Ook niet-hoofdtransportleidingen met veiligheidscontour, kunnen planologisch relevant zijn. Als planologisch relevante leidingen worden aangemerkt (buis)leidingen voor het transport van: elektriciteit met een hoogspanning van meer dan 50 kV; brandbare gassen met een druk van 20 bar en hoger; brandbare vloeistoffen of giftige stoffen met een diameter van 4 inch en hoger; buisleidingen met een diameter van 400 mm en groter. Niet-planologisch relevante leidingen behoeven geen bescherming c.q. regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen kunnen dan ook zonder planologische regeling worden aangelegd.
47/54
Grondroeringsregeling De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen. Toetsing In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen, hoogspanningslijnen, straalpaden of telecomverbindingen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Voor deze leidingen zal nog wel een melding bij het kadaster worden gedaan. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
48/54
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.
5.2
Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP)
De Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP 2012), die voortvloeit uit de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. SVBP 2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Dit om de gewenste vergelijkbaarheid zeker te stellen. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting van het bestemmingsplan. Wel dient het bestemmingsplan van een toelichting vergezeld te gaan. Het bestemmingsplan zelf bestaat uit een verzameling geografische bepaalde objecten, die zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan.
5.3
Opzet van de nieuwe bestemmingsregeling
5.3.1 Uitgangspunten en doelstellingen Het centrale onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemming. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de in het plan begrepen grond bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden. Aan de bestemmingen zijn regels gekoppeld over het gebruik van de in het plan begrepen grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Kenmerk van bestemmingen is dat het gehele plangebied ermee is bedekt. Elke bestemming is geometrisch bepaald. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor. Verklaringen zijn de overige in de verbeelding van het bestemmingsplan voorkomende zaken. Verklaringen hebben geen juridische betekenis. Zij zijn bedoeld om nadere informatie te verschaffen of om de duidelijkheid en raadpleegbaarheid te bevorderen. Omdat verklaringen geen juridische betekenis hebben, wordt hierop niet nader ingegaan.
49/54
Het uitgangspunt bij het opstellen van het bestemmingsplan is dat de van kracht zijnde regelingen zodanig worden geactualiseerd dat samenhangende, op actuele beleidsinzichten en gebruikerswensen afgestemde bestemmingsregelingen ontstaan. Als doelstellingen en uitgangspunten kunnen daarbij worden onderscheiden: Rechtszekerheid en klantgerichtheid, dat wil zeggen voor de burger een duidelijk, toegankelijk en op actuele behoeften en eisen afgestemd plan. Makkelijke toepasbaarheid en hanteerbaarheid voor de gemeentelijke diensten; een plan waaraan bouwaanvragen op heldere wijze kunnen worden getoetst met als resultaat een minimale bestuurslast. Duidelijkheid en inzichtelijkheid van hetgeen is toegestaan, dit houdt in dat de bestemmingen met hun bouw- en gebruiksmogelijkheden zoveel als mogelijk is via de verbeelding zichtbaar worden gemaakt. 5.3.2 Opbouw regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008. a. De opbouw van de regels is als volgt: Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels); De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels); Algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels); Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels). b.
Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning; Wijzigingsbevoegdheid. De specifieke nadere eisenregelingen, bevoegdheden om af te wijken van de regels en wijzigingsbevoegdheden en mogelijk aanlegvergunningregels zullen zoveel mogelijk per bestemming worden opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en onnodig verwijzen naar andere artikelen voorkomen. Deze werkwijze bevordert de toegankelijkheid van het bestemmingsplan. Er wordt derhalve voor de volgorde van de regels een standaardindeling gehanteerd. In niet alle bestemmingen komen alle leden voor.
5.4
Gehanteerde bestemmingen
5.4.1 Wonen-1 In het geldende bestemmingsplan 'Langdonk' is de bestemming 'Wonen-1' opgenomen. Binnen de bestemming 'Wonen -1'mogen maximaal 40 aaneengebouwde woningen worden opgericht. Het gaat
50/54
hier om zogenaamde flexwoningen. Een flexwoning is een kleine, zelfstandige woning met een eigen keuken, badkamer en toilet. Flexwonen is speciaal voor mensen die snel een woning zoeken. Binnen de bestemming 'Wonen-1' wordt ook voorzien in parkeergelegenheid, buitenverblijfsruimte (privéterrassen) en groenvoorzieningen, alsmede ontsluitingsvoorzieningen. Ten behoeve van de flexwoningen worden daarnaast twee gebouwen gerealiseerd, die bedoeld zijn als bergingen ten behoeve van de flexwoningen. Deze bergingen zijn elk 60 m2. Dat betekent dat per woning 1,5 m2 aan bergingsruimte wordt gerealiseerd. Deze twee gebouwen hebben dezelfde hoogte als de woningen en worden geïntegreerd in het ontwerp van het woningbouwplan. Voorwaarden beroep aan huis De toenemende belangstelling voor zelfstandig ondernemerschap, telewerken en het hebben van een werkplek aan huis, hebben, naast de dalende gemiddelde woningbezetting en andere gewijzigde woonwensen, geleid tot de behoefte aan vestigingsmogelijkheden van beroepen aan huis in woonwijken. Beroepen aan huis kunnen tot op zekere hoogte stedenbouwkundig worden ingepast. In bestaande woonwijken zal zorgvuldig met vestiging dienen te worden omgegaan om te voorkomen dat de vrijheid van een individu de overlast voor velen kan betekenen. De bestemmingsregeling sluit aan op de regelingen die elders in de gemeente Roosendaal gebruikelijk zijn.
Hieruit volgt dat aan de volgende voorwaarden moet worden voldaan. De woning inclusief bijbehorende bouwwerken, die voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten nodig is, behoudt in overwegende mate de woonfunctie, met dien verstande dat maximaal 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw en maximaal 50 m² van de bijbehorende bouwwerken mag worden aangewend voor de uitoefening van de uitoefening van aan-huis-gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten; Het gebruik ten behoeve van aan-huis-gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten levert geen hinder voor het woonmilieu op en doet geen afbreuk aan het woonkarakter van de buurt, waarbij in ieder geval geen gebruik mag plaatsvinden dat nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken en als zodanig is opgenomen in Bijlage 1, behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dit van kracht is op het tijdstip van het in ontwerp terinzage leggen van dit bestemmingsplan; Het gebruik heeft geen nadelige invloed op de afwikkeling van het verkeer en/of leidt niet tot een onaanvaardbare parkeerdruk; Detailhandel is niet toegestaan met uitzondering van detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van aan-huis-gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten.
Bijzondere woonvormen Voor bijzondere woonvormen, zoals een gezinsvervangend tehuis of een hospice is een specifieke regeling opgenomen. Dit is noodzakelijk omdat dergelijke woonvormen afwijken van de reguliere bewoning door een gezin of een daarmee vergelijkbaar vast samenlevingsverband (samenwoning, eenpersoonshuishouden). Het onderscheid vloeit in de bijzondere woonvormen veelal voort uit de zorgcomponent die een essentieel onderdeel van de woonvorm uitmaakt. Dit heeft doorgaans twee effecten op de omgeving: extra verkeers- en parkeerdruk door personeel en bezoekers
51/54
en ander woonmilieu (hinder, gewenste rust). Om deze redenen is er sprake van afwijkende effecten op het woon- en leefmilieu dan bij reguliere bewoning en is een omgevingsvergunning nodig voor het toestaan van bijzondere woonvormen.
52/54
Hoofdstuk 6
6.1
Financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor deels een ontwikkeling van de gemeente en deels een particuliere ontwikkeling. Initiatiefnemer heeft aangegeven dat er budget beschikbaar is voor de realisatie van de woningen. Kostenverhaal Volgens artikel 6.12 van de Wro dient tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld voor de gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is. De initiatiefnemer heeft met de gemeente Roosendaal en anterieure overeenkomst afgesloten waardoor het kostenverhaal is verzekerd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Inspraak en overleg In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro en de inspraakverordening van de gemeente is het voorontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd en toegezonden worden aan de diverse overlegpartners. Uit het overleg ex artikel 3.1.1 Bro zijn reacties ingekomen van Waterschap Brabantse Delta, Provincie Noord-Brabant en de Brandweer Midden- en West-Brabant. Daarnaast is één inspraakreactie ingekomen. In het inspraak- en vooroverlegrapport opgenomen bijlage 8, zijn de vooroverlegreacties en de inspraakreactie samengevat en van beantwoording voorzien. Naar aanleiding van de provincie en het waterscahp is de toelichting op een aantal punten vooroverlegreactie van de 6.2.2 Omgevingsdialoog In het kader van de Omgevingswet heeft de gemeente Roosendaal de initiatiefnemer verzocht om – vooruitlopend op de informatiebijeenkomst - diverse eigenaren van (direct) aangrenzende percelen persoonlijk te informeren over de voorgenomen ontwikkeling. Zo kunnen evt. bezwaren / opmerkingen vroegtijdig worden gesignaleerd en – daar waar mogelijk – worden verwerkt in het plan.
53/54
54/54