Bijlage t_NL.IMRO.1674.2128FLAVIADONK-0401.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan
Flaviadonk Roosendaal Roosendaal
DATUM IMRO IDN
20-01-2022 NL.IMRO.1674.2182FLAVIADONK-0201
PROJECT PROJECTLEIDER
J.A. van Broekhoven
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
Alwel 20201477
AUTEUR STATUS
J. Dingemanse, L. ten Braak ontwerp
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Ligging plangebied
6
1.3
Geldend bestemmingsplan
7
1.4
Leeswijzer
8
Planbeschrijving
9
2.1
Huidige situatie en omgeving
9
2.2
Beoogde ontwikkeling
10
Hoofdstuk 3
Beleidskader
13
3.1
Rijksbeleid
13
3.2
Provinciaal beleid
15
3.3
Intergemeentelijk- en regionaal beleid
16
3.4
Gemeentelijk beleid
20
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
26
4.1
Milieueffectrapportage
26
4.2
Waterparagraaf
26
4.3
Ecologie
31
4.4
Cultuurhistorie en archeologie
35
4.5
Bodem- en grondwaterkwaliteit
36
4.6
Verkeer en parkeren
37
4.7
Bedrijven en milieuhinder
41
4.8
Wegverkeerslawaai
42
4.9
Luchtkwaliteit
42
4.10
Externe veiligheid
44
4.11
Duurzaamheid
47
4.12
Kabels en leidingen
47
Juridische planbeschrijving
49
5.1
Inleiding
49
5.2
Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP)
49
5.3
Opzet van de nieuwe bestemmingsregeling
49
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 5
3/54
Gehanteerde bestemmingen
50
Financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid
53
6.1
Financiële uitvoerbaarheid
53
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
53
5.4
Hoofdstuk 6
4/54
Toelichting
5/54
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Binnen de gemeente Roosendaal hebben woningcorporatie Alwel en de gemeente Roosendaal behoefte aan woningen voor spoedzoekers. Dit zijn flexwoningen voor bewoners die door omstandigheden per snel een woonlocatie nodig hebben. Aan dit type woningen is nu binnen de gemeente een tekort. De voormalige schoollocatie op Flaviadonk 1 te Roosendaal raakt per 1 januari 2021 buiten gebruik. Woningcorporatie Alwel gaat op deze locatie 40 woningen voor spoedzoekers realiseren. Op deze manier kan voorzien worden in een deel van de behoefte aan deze woonruimte. De ontwikkeling van de 40 woningen voor spoedzoekers past niet binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan 'Langdonk'. Hierbinnen heeft het gebied de bestemming Maatschappelijk en is wonen niet toegestaan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, zal een passende bestemming moeten worden toegekend. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Alwel neemt de gronden bouwrijp over van de gemeente Roosendaal. Over 20 jaar zal de gemeente Roosendaal de 40 woningen voor spoedzoekers evalueren. Hierin wordt onderzocht of de woningen voor spoedzoekers door geëxploiteerd worden of dat er een andere invulling voor de locatie komt.
1.2
Ligging plangebied
De locatie - hierna ook aangegeven met plangebied - ligt ten zuiden van het centrum van Roosendaal in het zuidoosten van de wijk Langdonk. Het perceel op Flaviadonk 2 was voorheen in gebruik voor basisschool De Sponder. De ligging van het plangebied is op figuur 1.1 weergegeven.
6/54
Figuur 1.1 Ligging plangebied in Roosendaal (bron: Basisviewer Rho)
1.3
Geldend bestemmingsplan
Het geldende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is het op 12 maart 2012 vastgestelde bestemmingsplan 'Langdonk'. Het plangebied heeft hierin de enkelbestemming 'Maatschappelijk'. Daarnaast is de gebiedsaanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' aanwezig. Verder is een bouwvlak aanwezig met een maximum goothoogte van 4 meter en een bouwhoogte van 8 m. Gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' zijn bestemd voor bibliotheken, gezondheidszorg, jeugd-/kinderopvang, onderwijs, openbare dienstverlening, verenigingsleven, zorg en welzijn, speel-, spel- en daarmee vergelijkbare sportvoorzieningen, niet zijnde sportvoorzieningen in clubverband, bijbehorende voorzieningen zoals ontsluitingswegen, parkeervoorzieningen, groen en water. Binnen de bestemming 'Maatschappelijk' zijn woningen niet toegestaan. Het perceel heeft een groot bouwvlak, met een bebouwingspercentage van 75% en een maximum goothoogte van 4 meter. De bebouwing van de beoogde ontwikkeling past binnen deze bouwregels. Omdat de functie wonen niet is toegestaan is onderliggend bestemmingplan opgesteld.
7/54
Figuur 1.2 Aanduiding plangebied in geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijke plannen)
1.4
Leeswijzer
De opbouw van de toelichting op dit bestemmingsplan is als volgt: Hoofdstuk 2 gaat in op de bestaande situatie van het plangebied en de beoogde ontwikkeling; Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de relatie met het beleidskader; Hoofdstuk 4 omvat de toetsing van de beoogde ontwikkeling aan de omgevingsaspecten; Hoofdstuk 5 bevat de juridische planbeschrijving; Hoofdstuk 6 gaat in op de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
8/54
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie en omgeving
Het plangebied betreft een oud schoolgebouw met lage bijgebouwen en een wat hogere gymzaal van twee bouwlagen. De is momenteel tijdelijk in gebruik als woongebouw (anti-kraak). De randen van het perceel zijn groen ingericht met o.a. opgaande struiken en hoge bomen. In het plangebied is een vijver aanwezig die momenteel leeg staat. Naast het schoolgebouw is een bestraat schoolplein aanwezig. Aan de westzijde grenst het plangebied aan rijwoningen (Isabelladonk). Tussen de beoogde ontwikkeling en de rijwoningen ligt een groenstrook met hoge bomen en struiken. Ook aan de noordzijde (Elisadonk) zijn rijwoningen aanwezig waar een groenstrook tussen aanwezig is. Aan de oost- en zuidzijde, in het verlengde van het plangebied ligt de Langdonk. Hieraan zijn vrijstaande woningen gelegen, waar ook de groenstrook met hoge bomen en struiken aanwezig zijn. In de omgeving van het plangebied is kleinschalige detailhandel aanwezig en op ongeveer een kilometer afstand zijn de Evangelische Gemeenschap Roosendaal en de Rooms-Katholieke Basisschool 'Het Talent' aanwezig. Het plangebied wordt begrensd door: in het westen: Isabelladonk; in het zuiden Langdonk, met een gedeelte Egbertdonk; in het oosten: Langdonk, met een gedeelte Clovisdonk;
9/54
Figuur 2.1 Luchtfoto plangebied (Bron: basisviewer Rho)
Figuur 2.2 De huidige status van het plangebied (Bron: Taharo)
2.2
Beoogde ontwikkeling
Op dit voormalige onderwijscluster wil Alwel acht woongebouwen realiseren. Het gaat hierbij om 40 woningen voor spoedzoekers, flexwoningen, die voor een periode van 20 jaar worden geplaatst op het terrein. Het bestaande gebouw wordt hiervoor gesloopt.
10/54
Er worden twee verschillende typen flexwoningen gebouwd, daarmee kan worden ingespeeld op de behoefte van verschillende toekomstige bewoners. Het gaat om de volgende twee typen: 30 studio's en 10 woningen met een aparte slaapkamer. Dit laatste type heeft een oppervlakte van circa 35 m² en is met een gescheiden woon- en leefruimte geschikt voor bijvoorbeeld éénoudergezinnen. De studio's hebben een oppervlak van circa 28 m2 en zijn geschikt voor 1-2 persoonshuishoudens. De bebouwing wordt gerealiseerd in acht woonblokken waardoor een riante binnenplaats ontstaat. De flexwoningen bestaan uit één bouwlaag van 3 meter hoog met een plat dak. 'Flaviadonk' beschikt over een eigen ingang. Er zullen tenminste 24 parkeerplaatsen gerealiseerd worden, op de binnenplaats is ruim voldoende plaats voor het parkeren. Elke flexwoning heeft een privé terras die uitmondt aan het gemeenschappelijke groen en tuinen die op het complex aanwezig zijn. Alle nieuwe woningen komen binnen het bouwvlak voor de school in het geldende bestemmingsplan. De hoogte is ongeveer 3 meter en de totale hoeveelheid bebouwing neemt iets af. De hoofdentree voor verkeer komt aan de oostzijde, op de Langdonk (ter hoogte van de huidige gymzaal). Duurzaamheid Duurzaamheid is belangrijk bij de realisatie van de woningen. Voor de realisatie worden duurzame vormen van bouwen nagestreefd.
Zo wordt gekeken of de bebouwing uitgevoerd kan worden in houtbouw en of bij de bouw gebruik gemaakt kan worden van hergebruikte (bouw)materialen, hierbij kan gedacht worden aan de bestrating, maar ook bijvoorbeeld kozijnen. Daarnaast wordt bij de uitvoering van de gebouwen rekening gehouden klimaatadaptatie door bijvoorbeeld het gebruik van een lichte kleur dakbedekking, warmtewerend glas, zonwering aan de buitenzijde, warmtepompen etc. De bomen in het plangebied zullen behouden blijven wat ook zorgt schaduw in en om de woningen. De groene stroken, met de opgaande struiken en hoge bomen worden waar mogelijk betrokken in de omgeving. Dit zorgt ervoor dat het groen betrokken en toegankelijk is voor de omgeving. Doordat er gebruik wordt gemaakt van prefab woningen zal de bouwtijd gering zijn.
11/54
Figuur 2.3 Voorlopig ontwerp Flaviadonk Roosendaal (bron: LA architecten)
12/54
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050 Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land: dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water; met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap; waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland; met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast; waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren; waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water; dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving. Nationale belangen Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voor dit project relevante nationale belangen zijn: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving.
13/54
Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. Keuzes De belangrijkste keuzes zijn: Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit Ruimte voor overgang naar een circulaire economie Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd. Toetsing en conclusie Het mogelijk maken van nieuwe woningen in het bestaand stedelijk gebied van Roosendaal sluit aan bij de doelen uit het rijksbeleid.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De NOVI bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening en de ladder voor duurzame ontwikkeling Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) is geregeld dat voor stedelijke ontwikkelingen - waaronder het bouwen van woningen - een onderbouwing in het bestemmingsplan noodzakelijk is (artikel 3.1.6. van het Bro). De toelichting bij een bestemmingsplan dat een stedelijke ontwikkeling (zoals woningbouw) mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling.
Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet ook worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Toetsing Uit jurisprudentie blijkt dat de grens van een nieuwe stedelijke ontwikkeling ligt vanaf 12 woningen. Dat
14/54
betekent dat moet worden getoetst zoals hiervoor beschreven. Op 3 juli 2017 heeft de VLP een verzoek ingediend aan de voorzitter van de Raad van de gemeente Roosendaal. In dit verzoek heeft de VLP een verzoek ingediend om haar controlerende rol inzake het 'Project tijdelijke goedkope huurwoningen' op een verantwoordelijke manier uit te voeren. Hieruit werd het volgende geconcludeerd: "De opgave voor tijdelijke goedkope huurwoningen is dusdanig groot dat de huidige specifieke woonvoorraad niet alleen onvoldoende is, maar dat ook het tempo waarin uitvoering moet plaatsvinden hoger moet dan normaal gesproken gangbaar is. De opgave noodzaakt tot meer onconventionele maatregelen. De gemeente Roosendaal wilt vasthouden aan de kaders van de woonagenda voor wat betreft duurzaamheid, kwaliteit van wonen, kwaliteit leefomgeving, enz. Naar inschatting is er behoefte aan ruim 100 woningen die snel kunnen worden gerealiseerd en veelal een semipermanent karakter hebben." Voor meer informatie zie bijlage 6. Conclusie Het project voor het realiseren van tijdelijke goedkope huurwoningen is één van de acties uit de Woonagenda 2015. Onder tijdelijke goedkope huurwoningen, vallen ook de beoogde flexwoningen. De ervaring is dat er momenteel druk op het goedkope huurmarksegment is voor één en tweepersoonshuishoudens.
De woningbouwlocatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied en voorziet in een regionale behoefte waarmee in de regionale woningmarktafspraken rekening mee is gehouden. De ontwikkeling voldoet daarmee aan de ladder van duurzame verstedelijking.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zijn vier hoofdopgaven te onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen: Werken aan de Brabantse energietransitie; Werken aan een klimaatproof Brabant; Werken aan de slimme netwerkstad; Werken aan een concurrerende, duurzame economie.. Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt. De realisatie van 40 woningen voor spoedzoekers op de bestaande locatie aan de Flaviadonk past binnen de omgevingsvisie van de provincie. De realisatie vindt plaats binnen het bestaande stedelijke netwerk en zorgt voor versterking van de bestaande woningvoorraad in de stad.
Met de nieuwbouw wordt tevens aangesloten bij de laatste eisen ten aanzien van duurzaamheid en energie-neutraal bouwen, waarmee de ontwikkeling past binnen de visie van energietransitie.
15/54
3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: Iov N-B) vastgesteld. Op 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Vanwege de Omgevingswet moet de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Iov N-B is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening, waaronder de huidige Verordening ruimte. De Iov N-B is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. In hoofdstuk 3 van Iov N-B zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen. Hierin staan de regels die nu nog zijn opgenomen in de Verordening ruimte. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd.
Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Het plangebied is qua rechtstreeks werkende regels gelegen binnen de aanduidingen 'grondwaterbeschermingsgebied (maximale boordiepte 80 m.) en 'waterwinning voor menselijke consumptie'. Volgens de instructieregels in hoofdstuk 3 is het plangebied tevens gelegen binnen de aanduiding ‘grondwaterbeschermingsgebied’. Het bestemmingsplan dient daarom regels te bevatten voor het verbod op het gebruik van schadelijk uitloogbare bouwmaterialen. In het bestemmingsplan zijn regels opgenomen die deze belangen beschermen. In de verordening zijn voor het overige geen specifieke regels opgenomen ten aanzien van de locatie van het bestemmingsplan. Ten aanzien van wonen is opgenomen dat met het oog op de aantrekkelijkheid van Brabant een vitale en toekomstbestendige woning structuur van groot belang is.
3.3
Intergemeentelijk- en regionaal beleid
De gemeente Roosendaal werkt bij het formuleren en uitvoeren van bepaalde beleidsthema's regionaal samen met andere gemeenten. Het samenwerkingsverband is de Regio West-Brabant. Het beleid van de Regio West-Brabant krijgt vorm binnen Programma's. 3.3.1 Programma Ruimtelijke Ontwikkeling en Wonen Het programma Ruimtelijke Ontwikkeling en Wonen is één van die programma's. Het heeft tot doel: Het op doelmatige wijze bewerkstelligen van beleidsinhoudelijke afstemming en samenwerking tussen de deelnemers op verschillende beleidsterrein van Ruimtelijke Ontwikkeling en Wonen.
16/54
Het voor de deelnemende gemeenten die dit wensen, binnen het Thema Wonen uitvoering geven aan de (sub)regionale volkshuisvestingstaken waarvan de betreffende gemeenten hebben besloten deze gezamenlijk uit te voeren. Taken van het programma Ruimtelijke Ontwikkeling en Wonen zijn: Het zorgdragen voor overleg en advies met betrekking tot de beleidsterreinen Ruimtelijke Ontwikkeling en Wonen. Het dienen als platform voor informatie uitwisseling waarop de voortgang van lopende majeure projecten en programma’s, voor lobby en het organiseren van netwerken in politiek en samenleving en voor de bepaling van inhoudelijke standpunten en advisering aan bestuur en colleges bij Ruimtelijke Ontwikkelingen en Wonen, zowel op regionaal, provinciaal en rijksniveau. Het uitvoeren van de regionale agenda Wonen en het in opdracht van de betrokken gemeenten uitvoeren van het Besluit Woninggebonden Subsidies. Binnen het programma is een gezamenlijk (regionaal) visiedocument ontwikkeld en vastgesteld, de Ruimtelijke Visie West-Brabant 2030. 3.3.2 De Ruimtelijke Visie West-Brabant 2030 De Ruimtelijke Visie West-Brabant 2030 beschrijft – met een doorkijk naar 2040 - de koers van de regio in een ruimtelijk casco. Dat casco biedt een gemeenschappelijk kader voor de samenwerkingspartners in de aanpak van opgaven die uiteengezet zijn in de ruimtelijke agenda.
Het is de koers van West-Brabant, waarin bestaande ambities gekoppeld zijn aan strategische keuzes ten aanzien van structurele veranderingen op langere termijn. De visie schetst een toekomstperspectief, ontstaan vanuit de collectief gevoelde noodzaak om als gemeenten op ruimtelijk gebied meer samen te werken. Maar ook, om op te trekken met andere belanghebbenden zoals de betrokken provincies, waterschappen en maatschappelijke organisaties om een verdere, duurzame ontwikkeling van de regio gestalte te geven. De ruimtelijke visie is geen ruimtelijk plan in de zin van de Wet ruimtelijke ordening, maar een samenwerkingsprogramma van overheden. De visie krijgt dus geen formele juridische status, maar dient te worden beschouwd als een richtinggevend denkkader en gezamenlijke regionale koers die ook als bouwsteen is ingebracht in de nieuwe structuurvisie RO van de provincie Noord-Brabant. De ruimtelijke visie is daarnaast leidraad bij het opstellen van gemeentelijke structuurvisies en uitvoeringsplannen van de waterschappen. De visie gaat over het samen werken aan het waarborgen van kwaliteiten, het oplossen van (toekomstige) knelpunten en het verantwoord uitnutten van potenties vanuit een actieve houding. De visie is opgetekend in twee delen: visie en inspiratie.
Het visiedeel bevat de gezamenlijke wilsuitingen van de samenwerkingspartners, de 19 betrokken gemeenten, waterschappen en het sociaal economisch samenwerkingsverband West-Brabant (SES). Het verklaart, volgens het voorwoord, de koers van de regio in tien stellingen: 1. Centraal wat moet, decentraal wat kan. 2. West-Brabant als zelfbewuste regio in een veranderend krachtenveld. 3. Versterken van de regionale identiteit met gebiedsgerichte ontwikkelingsstrategieën.
17/54
4. Ruimtelijke ontwikkeling volgt vanuit een visie op duurzaamheid. 5. Water, natuur en landschapsambities zijn de basis voor een goed gefundeerde toekomst. 6. Nieuwe verbindingen en het oplossen van knelpunten voor personen- en goederenvervoer. 7. Economische structuur wordt versterkt door regionale specialisaties. 8. Een aantrekkelijke woonregio door het profiel als tuin van de delta. 9. Spreiding van voorzieningen, betere bereikbaarheid en de leefbaarheid op peil. 10. Toeristisch recreatieve identiteit en meerwaarde van routes en nieuwe ontwikkelingen. De visie ziet de streek als een aantrekkelijke woonregio die zich actief open stelt voor nieuwe inwoners. Hiermee wordt vooralsnog ingezet op groei van de bevolking, door arbeidsmigratie en het (extra) aantrekken van doelgroepen die passen bij het dubbelprofiel als hecht netwerk in de tuin van de delta. De unieke afwisseling van landelijke en stedelijke gebieden in onderlinge nabijheid en afhankelijkheid en een bijbehorende differentiatie naar nieuwe woon- en leefmilieus past daarbij. De bijbehorende woningbouwopgave wordt gezien als een kwalitatieve marktvraag, waarbij het onderscheid in verschillende subregionale woningmarkten met een eigen, herkenbare problematiek van belang is. De regio onderkent echter ook het vooruitzicht van demografische krimp, die op termijn voor grote delen van Nederland gevolgen zal hebben.
Hiervoor wordt een actieplan regionale krimp/groei opgesteld. Toetsing Het onderhavig plan geeft invulling aan meerdere doelstellingen van de visie: Door een divers woningprogramma te bieden draagt het plan bij aan een aantrekkelijke woonregio. Het plangebied krijgt een hoogwaardige invulling, waarmee een kwaliteitsslag voor het plangebied en de omgeving tot stand komt. De ontwikkeling geeft op een duurzame manier invulling aan de opgave van de ontwikkeling van flexwoningen (zie ook paragraaf 4.11. Conclusie Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat het plan past binnen de doelstellingen van het regionale beleid. 3.3.3 Regionale Agenda Wonen 2016 De Regionale Agenda Wonen van de regio West-Brabant (vastgesteld 8 december 2015) is het product van samenwerking van de provincie Noord-Brabant met de Regio West-Brabant. De Agenda is opgedeeld in 2 delen, deel A en deel B. In deel A is het regiospecifieke gedeelte opgenomen, in de Regionale Agenda Wonen – deel B is een algemeen Brabants beeld geschetst van de woningmarkt en de opgaven die daar de komende jaren liggen. In deel A (hoofdstuk 3) wordt ingegaan op de ontwikkelingen in de regionale woningvoorraad, de verwachtingen op basis van de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose, alsook de kwantitatieve en kwalitatieve samenstelling van de gemeentelijke woningbouwprogramma’s.
Uit de Agenda volgt: De opgave voor tijdelijke goedkope huurwoningen is groot. De specifieke woonvoorraad is onvoldoende.
18/54
De woningbouwlocatie ligt binnen bestaand stedelijk gebied en voorziet in een regionale behoefte waarmee in de regionale woningmarktafspraken rekening mee is gehouden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling sluit aan bij de punten die in de agenda benoemt staan. 3.3.4 Regionaal convenant duurzaam bouwen De gemeenten in West-Brabant hebben duurzaam bouwen hoog in het vaandel staan. Door inspanningen in alle gemeenten op dat gebied zijn er al vele energiezuinige woningen gebouwd. De ambitie van de gemeenten in de regio is het verder verduurzamen van de gebouwde omgeving. Niet alleen op het gebied van energiebesparing, maar ook bijvoorbeeld in het gebruik van materialen. Het regionaal convenant duurzaam bouwen draagt hieraan bij. Duurzaam bouwen is meer dan alleen energiebesparing. In het convenant Duurzaam Bouwen West-Brabant worden ook ambities uitgesproken voor het gebruik van materialen, levensloopbestendigheid van woningen, gezondheid, etc. In het convenant zijn de volgende afspraken gemaakt: De introductie van GPR (Gemeentelijke Praktijk Richtlijn) als toetsingsinstrument maakt alle thema’s van duurzaam bouwen meetbaar. GPR Gebouw meet op vijf verschillende duurzaamheidsthema’s de prestatie van een gebouwontwerp: energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde.
Het hanteren van eenzelfde ambitie voor duurzaam bouwen, zodat initiatiefnemers in de regio weten waar ze aan toe zijn. Er wordt uitgegaan van een GPR score 8 voor energie en gemiddeld een 7,5 op de andere thema’s. Vanaf 2015 wordt uitgegaan van een 10% scherpere EPC dan is genoemd in het Bouwbesluit. Daarmee lopen de convenantpartners vooruit op landelijke ontwikkelingen. Het convenant zet ook in op verduurzaming van bestaande woningen. Op deze manier wordt er een koppeling gelegd met andere afspraken die regionaal zijn gemaakt, zoals de levensloopbestendigheid van woningen. Toetsing Er is sprake van woningtoevoeging; het gaat om 40 wooneenheden. De Regionale Agenda Wonen toont dat er behoefte is aan dit type woningen. Het plan voldoet aan de regionale afspraken duurzaam bouwen. Een uitgebreidere toetsing over duurzame bouw en energie staat bij paragraaf 4.11. Conclusie Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat het plan niet in strijd is met regionaal beleid.
19/54
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Structuurvisie Roosendaal 2025 In de Structuurvisie Roosendaal 2025 wordt aangegeven dat Roosendaal in 2025 een stad van mensen, van wonen en van (net)werken zal zijn. Om dit te bereiken, zal Roosendaal de komende jaren moeten inspelen op trends als ontgroening, vergrijzing, globalisering, individualisering, informatisering, veranderingen in mobiliteit en bereikbaarheid en decentralisatie van overheidstaken én hier duurzame antwoorden op moeten dichten. Roosendaal kiest bij deze veranderingen voor ‘behoud en versterken van de kwaliteit van stad en dorpen’ door vernieuwing en transformatie. De identiteit van Roosendaal en de ontwikkeling naar een netwerksamenleving zijn hierbij leidende principes. Strategische keuzes voor het toekomstig ruimtegebruik worden onder andere beïnvloed door demografische ontwikkelingen van ontgroening en vergrijzing. Ook die ontwikkelingen leiden ertoe dat Roosendaal niet in de eerste plaats aan méér woningen en méér bedrijventerreinen moet denken, maar aan omvormingen, herstructurering en transformatie. Op het gebied van ruimtelijke ordening wil de gemeente een uitnodigende partij voor maatschappelijke partners zijn. Roosendaal heeft daartoe twee beleidsuitgangspunten geformuleerd: Een duurzame ontwikkeling van een compact, compleet en verbonden Roosendaal; Een haalbare en betaalbare lokale ruimtelijke ontwikkeling.
De duurzame ontwikkeling van een compacte, complete en verbonden stad leidt volgens de visie tot fundamentele keuzes, zoals: Bouwen binnen de stedelijke contouren van de stad om zo bestaande infrastructuren optimaal te benutten; Zuinig/duurzaam ruimtegebruik, waarbij efficiënt gebruik en hergebruik van bestaande ruimte en bebouwing het uitgangspunt is; Gebruik maken van de kwaliteit van de locatie; Leefbaarheid van wijken en dorpen waarborgen door behoud en versterking van collectieve openbare ruimte, het behouden van de groenblauwe structuren en het wegnemen van infrastructurele barrières i.c. het uitplaatsen van de A58 en het goederenvervoer per spoor naar buiten het stedelijk gebied; De kwaliteit van de locatie is mede bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden of initiatieven; De identiteit van stad en dorpen versterken door het handhaven en versterken van de landschappelijke en cultuurhistorische basis structuren in het buitengebied en de bebouwde omgeving; Groen/blauwe hoofdstructuren in het stedelijk gebied behouden als verbinding met het buitengebied; Het sturen van nieuwbouw op basis van strategisch voorraadbeheer; Bij ruimtelijke ingrepen de mogelijkheden voor energietransitie en bodemenergie optimaliseren. Bijdragen aan sociale veiligheid door integratie van dit beleidsveld in het ruimtelijk ontwerp van gebouwen en openbare ruimte.
Doorwerking plangebied Bouwen binnen de bestaande stedelijke contouren wordt gezien als een per definitie duurzame ruimtelijke ordening. Er wordt gebruik gemaakt van de kwaliteiten van de omgeving van het plangebied. Zo is er veel groen
20/54
aanwezig, wordt dit uitgebreid en is dit openbaar voor de gehele buurt. Ook wordt grotendeels gebruik gemaakt van de bestaande stedelijke infrastructuur. Onderliggend planvoornemen is dus in lijn met de gemeentelijke structuurvisie. 3.4.2 Thuis in Roosendaal, woonvisie 2010-2020 Roosendaal wil bestaande inwoners sterker aan de stad verbinden, door te anticiperen op de effecten van de vergrijzing op de woningmarkt, door het aanbieden van differentiatie in woonmilieus en leefstijlen en door inwoners perspectief te bieden op een goede woon- en leef carrière binnen de wijken; door de Roosendaler trots te laten zijn op zijn / haar stad. Hiervoor is het nodig goede woningen in goede woonomgevingen te hebben en te behouden, waarin een sterke samenhang is tussen de woning, de fysieke en de sociale woonomgeving. Een inwoner heeft niets aan een goede woning in een verloederde omgeving, aan een mooie omgeving zonder sociale kansen, of aan sterke opleidings- en werkmogelijkheden zonder de juiste woning om in te wonen en door te groeien. Bij het aantrekken van nieuwkomers ligt de focus op het bieden van kansen aan jonge gezinnen. Kort en krachtig is de visie voor wonen te omschrijven als: Roosendaal is de woonstad, die haar inwoners boeit en bindt. De woonvisie is vertaald in drie thema’s, waaraan doelstellingen en ambities zijn gekoppeld. Deze worden hierna weergegeven.
Thema I: Binden en perspectief bieden Roosendaal is de Woonstad. Roosendaal weet inwoners aan de gemeente te binden. De woonomgeving in Roosendaal biedt perspectief. Thema II: Leefbare Wijken en Buurten De inwoners zijn verbonden met en geboeid door hun woonbuurt. Gedifferentieerde wijken, harmonieuze buurten. Wijken en dorpen zijn veilig en vertrouwd. Thema III: Samenwerking Van overheid naar partnerschap. De vertaling van de visie in thema’s en doelstellingen maakt het concreter. Doelstellingen omzetten in kaders voor beleid vormt de basis voor het waarmaken van de visie. De volgende beleidskaders richten zich op de speerpunten van het Roosendaalse woonbeleid namelijk: verruiming van de woningvoorraad; de bestaande voorraad; slaagkansen van doelgroepen; leefbaarheid en sociale cohesie. De woonvisie wordt vertaald in een tweetal sturingsinstrumenten. Ten eerste is dat een kaderovereenkomst tussen de corporaties en de gemeente waarin afspraken gemaakt worden over het partnerschap en de woonconvenant, waarin weer concrete prestatieafspraken zijn vastgelegd. De gemeente kan nooit alleen alle ambities uit de woonvisie realiseren. Daarvoor zoekt zij partnerschap met verschillende partijen. Met corporaties in de vorm van het maken van prestatieafspraken, met bewoners als gesprekspartner in concrete
21/54
gebiedsontwikkelingen en met ontwikkelaars/beleggers in de vorm van overeenkomsten. Het tweede sturingsinstrument is de woningbouwprogrammering. De woonvisie beschrijft de ambities van Roosendaal op het terrein van wonen. Om van visie naar uitvoering te komen hanteert de gemeente het instrument van de woningbouwprogrammering. Daarnaast worden kwalitatieve opgaven verwerkt in verschillende programma's (veiligheid, leefbare wijken en dorpen, wonen) De woonvisie kent een beleidscyclus van 4 jaar. Dat wil zeggen dat met het opstellen van de uitgangspunten voor de evaluatie van de woonvisie, de resultaten van deze evaluatie het vertrekpunt zijn voor de herijking van de woonvisie. Doorwerking plangebied Met onderliggend initiatief wordt bestaande bebouwing gesloopt en komt hiervoor nieuwbouw in de plaats. De bestaande groene inrichting wordt uitgebreid waardoor de inrichting bijdraagt aan het groene karakter van de wijk. Door de herstructurering en de transformatie van het gebied draagt het plan bij aan de ruimtelijke kwaliteit van het woongebied. Het plan is dan ook in lijn met de Woonvisie. 3.4.3 Woningbouwprogrammering 2016 Op 18 oktober 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal de Woningbouwprogrammering 2016 vastgesteld. Met de woningbouwprogrammering reguleert het college het aanbod van nieuwbouwwoningen.
In samenhang met de woningbouwprogrammering onderschrijft het college 5 leidende principes in de regionale samenwerking (het Regionaal Woonperspectief en Woonagenda 2015). Te weten: Denken en handelen als belegger; Een zekere marktspanning is nodig, alsmede flexibiliteit in woningbouwprogramma’s; Kwaliteit gaat boven kwantiteit; Koppel woonbeleid en programmering aan geld; Denk groot, doe klein. Volgens deze programmering is er de komende 5 tot 15 jaar nog voldoende vraag naar nieuwe woningen in Roosendaal. Volgens de recente cijfers van het PBL/CBS groeit de bevolking van Roosendaal tot 2030 met zo’n 5,2%. De woningbouwprogrammering helpt om te bepalen wie er waar, wanneer kan bouwen. 3.4.4 Welstandsnota De welstandsnota Roosendaal 2013 bevat het toe te passen kader voor de welstandstoets bij het aanvragen van een omgevingsvergunning. De nota benadrukt de eigen verantwoordelijkheid van de burger, die voldoende ruimte moet krijgen voor eigen initiatief. Een groot deel van de gemeente wordt minimaal getoetst op welstand. Het doel is in deze gebieden slechts het voorkomen van excessen. Tegelijkertijd leeft de wens enige grip te houden op de gebieden (en routes) die het gezicht van de gemeente bepalen en/of een cultuurhistorische waarde vertegenwoordigen.
Volgens de wet (Wro) moet een bouwplan voldoen aan redelijke eisen van welstand, tenzij de gemeente van oordeel is dat in afwijking hiervan de vergunning toch moet worden verleend. Deze redelijke eisen van welstand betreffen het bouwwerk op zichzelf en in zijn omgeving. In de welstandsnota is dit vertaald in een nadruk op de beleving van de bebouwing vanuit de openbare ruimte en het landschap. Bouwdelen in het zicht zijn
22/54
belangrijker voor het algemeen belang dan bouwdelen die aan het oog onttrokken zijn. De gemeente heeft in het welstandsbeleid met name het algemeen belang op het oog. In de beschrijvingen en criteria wordt daarom in ieder geval de invloed van een plan op het straatbeeld en het aanzien van de gemeente als geheel gewogen. Naarmate een plan meer invloed heeft op de identiteit van de gemeente zullen er meer aspecten worden betrokken bij de beoordeling en zal er zo nodig zorgvuldiger worden gewogen. Het plangebied behoort tot het gebied ‘stedelijke uitbreidingen’, zie volgend kaartbeeld uit de Gebiedenkaart bij de welstandsnota.
Figuur 3.1 Bijlage Gebiedenkaart Welstandsnota 2013 gemeente Roosendaal Toetsingskader Stedelijke uitbreidingen In de stedelijke uitbreidingen worden rijen woningen afgewisseld met enkele clusters individuele woningen en appartementenblokken in een hoofdzakelijk sobere baksteenarchitectuur langs veelal groene straten. De woningbouw heeft een samenhangende compositie door herhaling van rijen en blokken. De rijwoningen hebben in beginsel één tot twee lagen met een kap of drie lagen met een plat dak. De veelal rechte rooi- en noklijnen zorgen per rij voor een samenhangend beeld en lopen evenwijdig aan de straat. Voorgevels zijn in principe georiënteerd op de straat. De rijwoningen hebben een eenvoudige opbouw, waarbij hoekwoningen vrijwel gelijk zijn aan tussenwoningen. De herhaling van gevelelementen geeft ritme aan het straatbeeld. Appartementenblokken hebben veelal eenvoudige vormen en zijn middelhoog. Detaillering en materialen zijn in het algemeen eenvoudig en seriematig. Daarnaast komen architectonische ensembles met een meer uitgesproken architectuur voor. Samenhangend kleurgebruik is standaard. Recente inbreidingen zijn veelal meer verzorgd in uitwerking en detaillering. Bijzondere elementen zijn de verspreid voorkomende gebouwen met andere functies zoals scholen, kerken en buurtwinkelcentra.
Deze gebouwen en complexen staan vrij op de kavel en wijken af in massa, opbouw en vorm.
23/54
De stedelijke uitbreidingen zijn soepel, gewoon of bijzonder welstandsgebied. De indeling volgens de niveaukaart komt globaal neer op: plannen binnen de invloedssfeer van de Van Beethovenlaan vergen een bijzondere inzet, recent woongebied De Landerije en de randen van woongebieden langs enkele hoofdwegen zijn gewoon welstandsgebied, de overige uitbreidingen zijn soepel welstandsgebied. Het beleid is gericht op het beheer van de rust in het straatbeeld en het aanzien vanuit de omringende gebieden. Bij de beoordeling zal onder meer aandacht geschonken worden aan het behoud van het straatbeeld met herhaling in rooilijnen en gevelindeling en samenhang in zowel de architectonische uitwerking als het materiaalgebruik.
Bij de beoordeling van bouwplannen wordt in samenhang met de beschrijving getoetst aan de hand van de volgende criteria: gebouwen maken deel uit van een stedenbouwkundig patroon, waarin vooral de voorgevel-rooilijnen en hoeken van belang zijn: gebouwen met de voorgevel richten op de belangrijkste openbare ruimte de bouwmassa is evenwichtig en afgestemd op de samenhang in rij of cluster bezien vanuit het openbaar toegankelijk gebied: uitbreidingen indien zichtbaar vanuit het openbaar toegankelijk gebied vormgeven als ondergeschikt element of opnemen in de hoofdmassa; de architectonische uitwerking en detaillering zijn eenvoudig maar degelijk; bij rijen en blokken aan voorkanten de herhaling behouden; wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op het hoofdvolume en de rij of het cluster; materialen en kleuren zijn degelijk en terughoudend en aan voorkanten in samenhang met de rij of het cluster uitzonderingen als vrijstaande woningen of gebouwen met bijzondere functies: kunnen een meer vrije positie innemen en een meerzijdige oriëntatie krijgen harmoniëren met het karakter van het gebied en kunnen afhankelijk van hun ligging afwijken van de gebruikelijke massa, opbouw, vorm en uitwerking. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het ontwerp aansluit op de uitgangspunten van de welstandsnota.
3.4.5 Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2020-2023 Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2020-2023 is een strategisch beheerplan waarin de zorgplichten van de Gemeente Roosendaal zijn vastgelegd voor het afval-, hemel- en grondwater. In de Wet milieubeheer en de Waterwet, zijn naast de traditionele gemeentelijke zorg voor afvalwater expliciet zorgplichten benoemd voor hemelwater en grondwater. In het Bestuursakkoord Water 2011 zijn afspraken opgenomen om in de afvalwaterketen de doelmatigheid en kwaliteit te verhogen en de kwetsbaarheid te verminderen. Binnen de afvalwaterketen zal de samenwerking met het waterschap en de regiogemeenten (Waterkring West) worden geïntensiveerd om beleidsuitgangspunten en ambities zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen. In het VGRP 2020-2023 is opgenomen: Hoe de gemeente de komende jaren het gemeentelijk rioleringsstelsel gaat beheren en onderhouden; Welke maatregelen de gemeente neemt om wateroverlast door intensieve regenbuien (klimaatverandering)
24/54
te voorkomen; Hoe de gemeente omgaat met de zorg voor regenwater; Hoe de gemeente omgaat met de zorg voor grondwater in het stedelijk gebied; Hoe de gemeente invulling wil geven aan de samenwerking in de Waterkring West om uitvoering te geven aan het Nationaal Bestuursakkoord Water. In het VGRP 2020-2023 zijn doelstellingen voor de komende jaren vastgesteld. Daarbij is op basis van de gekozen strategie op hoofdlijnen aangegeven welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de gestelde doelen te bereiken en welke (financiële) middelen daarvoor nodig zijn. Hierbij worden ook de gevolgen voor de rioolheffing voor burgers en bedrijven aangegeven. Op welke wijze de noodzakelijke maatregelen, zoals rioleringvervanging of hydraulische maatregelen, zullen worden uitgevoerd, worden in latere operationele plannen opgenomen. Met behulp van het VGRP 2020-2023 worden de volgende doelstellingen en maatregelen nagestreefd: Doelmatige inzameling van het binnen het stedelijk gebied geproduceerde stedelijk afvalwater. Doelmatige inzameling en verwerking van overtollig hemelwater. Doelmatig transport van het stedelijk afvalwater. Voorkomen van vuiluitworp naar bodem, grond- en oppervlaktewater. Invulling geven aan grondwaterzorgplicht. Minimale overlast voor de omgeving. Doelmatig en effectief rioleringsbeheer op basis van het Bestuursakkoord Water.
Toetsing Het plan behoudt het ‘natuurlijke’ stedelijke karakter van het gebied. Het past qua functies in een gebied direct ten zuiden van het centrum van Roosendaal. Parkeren vindt plaats op het binnenterrein en wordt daarmee zoveel mogelijk aan het zicht onttrokken. Binnen het langebied wordt een wadi aangelegd voor het opvangen van overtollig hemelwater. Het plan wordt ter beoordeling aangeboden aan de welstandscommissie in het kader van de omgevingsvergunningsaanvraag. Conclusie Het plan voldoet daarmee aan de doelstellingen van gemeentelijk (ruimtelijk) beleid.
25/54
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Milieueffectrapportage
In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Wanneer niet voldaan wordt aan de drempelwaarden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarbij lettend op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. (D11.2) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. Ten aanzien van woningen ligt de drempelwaarde op een aantal van 2.000 of meer. Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van slechts 40 woningen en is dus niet rechtstreeks planmer-, projectmer of mer-beoordelingsplichtig. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval. Onder meer de aard, de omvang en de milieugevolgen van de stedelijke ontwikkeling zijn relevant. Als een ontwikkeling aanzienlijke negatieve milieugevolgen heeft dan wijst dit op een stedelijk ontwikkelingsproject.
Het ruimte beslag van de voorgenomen ontwikkeling is beperkt. Op basis van het geldende bestemmingsplan heeft de locatie een groot bouwvlak waarbinnen het mogelijk is om verschillende vormen van maatschappelijk gebruik te realiseren. De impact van dergelijke functies richting de omgeving is groter dan de beoogde woningen. De ontwikkeling past naar zijn aard binnen de omgeving, het sluit aan op de bestaande woonwijk en wordt ontsloten door de Langdonk, een belangrijke ontsluitingsweg. Ook de omvang vormt geen aanleiding om uit te gaan van een stedelijk ontwikkelingsproject. De verharde oppervlakten zal niet toenemen op het perceel en de bebouwing wordt op een verantwoorde wijze ingepast in de omgeving. De ruimtelijke uitstraling is beperkt. Daarnaast wordt in de volgende paragrafen de mogelijke milieugevolgen nader toegelicht. Hieruit blijkt dat er geen significante effecten ontstaan als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Met dit bestemmingsplan is sprake van een veranderend gebruik waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt. Voor de beoogde ontwikkeling kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkeling zoals in het Besluit Milieueffectrapportage is beschreven. Een 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' wordt daardoor niet noodzakelijk geacht.
4.2
Waterparagraaf
Aanleiding De voorgenomen ontwikkeling van woning voor spoedzoekers aan de Flaviadonk past niet in het vigerende
26/54
bestemmingsplan Langdonk uit 2013. Hiervoor is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld. Het plangebied ligt in het beheergebied van het waterschap Brabantse Delta. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk geregeld dat in alle ruimtelijke plannen een watertoets dient te worden uitgevoerd. Het doel van de Watertoets is in een vroeg stadium waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar te maken en evenwichtig mee te nemen bij ruimtelijke plannen. Aspecten waaraan plannen worden getoetst zijn: inzameling en afvoer van afvalwater; verwerking en/of afvoer van overtollige neerslag; relatie met grondwater en bodemeigenschappen; relatie met de waterhuishouding; risico's en gevolgen voor de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater (KRW); Plannen worden getoetst aan het beleid van de gemeente Roosendaal en van waterschap Brabantse Delta. De uitgangspunten van de gemeente zijn door de raad vastgesteld in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP). De regels ten aanzien van de waterhuishouding zijn vastgelegd in de Keur van het waterschap. Hierin is vastgelegd hoe om gegaan moet worden met retentie, verhard oppervlak en werkzaamheden nabij watergangen. Proces Sinds het voorjaar van 2003 worden in de gemeente Roosendaal alle nieuwe gemeentelijke ruimtelijke plannen besproken in het “waterpanel Roosendaal”.
De werkwijze van het waterpanel is vastgelegd in het “Handboek bij de watertoets bij de Gemeente Roosendaal”. Naast enkele gemeentelijke afdelingen nemen het waterschap en de vaste adviseurs van de Gemeente Roosendaal éénmaal per kwartaal deel aan het overleg. In dit overleg wordt algemene informatie uitgewisseld, complexe projecten doorgesproken, algemene beleidsuitgangspunten doorgenomen en procesafspraken bijgesteld. Op basis van het (gemeentelijk) beleid en aan de hand van opmerkingen en aanvullingen van de waterbeheerder formuleert de gemeente een waterparagraaf bij de RO-procedure. Ook wordt de waterbeheerder bij een bestemmingsplanprocedure (via een video-overleg of e-mail) de mogelijkheid geboden om tijdig zijn overlegreactie te geven op concepten. Indien de gemeente in de definitieve waterparagraaf afwijkt van het advies van het waterschap, wordt deze afwijking in de waterparagraaf expliciet gemotiveerd. Voorliggende waterparagraaf is in concept per e-mail voorgelegd aan het waterschap. Huidige situatie Bodemopbouw De regionale bodemopbouw van de diepere ondergrond ziet er ter plaatse van het plangebied op basis van kaartblad 49 Oost (Grondwaterkaart van Nederland) globaal als volgt uit: Tabel 4.1 Diepte (m –NAP)
27/54
Laagaanduiding
Lithologische omschrijving
Samenstelling
0- ca. 10
deklaag
ca. 10-40
85-110
1e watervoerend pakket “Middelste Fijn” (minder goed doorlatend 1e watervoerend pakket “Onderste Grof” (goed doorlatend Scheidende laag Afzetting van Kallo
110-> 150
2e watervoerende pakket Zanden van Kattendijk
40-85
Veel storende klei/veenlagen met sterk wisselende diepteligging en dikte Fijn zand met klei, leem of zandige kleilaagjes Matige grof zand met schelpen of schelpengruis Klei met schelpen of schelengruis Matig fijn zand met schelpen of schelpengruis
Vanwege de ligging in bebouwd gebied is het plangebied niet gekarteerd op de bodemkaart van Nederland. Het maaiveld ligt op circa 4.50 meter t.o.v. NAP. Rioolstelsel Het plangebied ligt in het rioleringsgebied D2. Op de locatie is een verbeterd gemengd rioleringsstelsel aanwezig. Ter plaatse van de Langdonk ligt een overstort en een uitstroomconstructie. Oppervlaktewater Uit de Legger van waterschap Brabantse Delta blijkt dat er binnen het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig. Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Er bevinden zich ook geen natte ecologische verbindingszones zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Grondwater In het plangebied zijn op basis van het provinciaal Waterplan van de provincie Noord-Brabant geen regionale waterbergingsgebieden of reserveringsgebieden voor waterberging aangewezen. Daarnaast is in het plangebied geen waterwingebieden gelegen, maar wel een grondwaterbeschermingsgebied (25-jaar zone en 100-jaar zone). In het 'Interim omgevingsverordening Noord-Brabant' (geconsolideerd d.d. 01-03-2020) is het volgende opgenomen omtrent grondwaterbeschermingsgebieden: Artikel 2.7 Verboden activiteiten Grondwaterbeschermingsgebied Lid 1.
De volgende activiteiten of handelingen zijn in Grondwaterbeschermingsgebied verboden: a. een locatiegebonden milieubelastende activiteit als bedoeld in Artikel 2.9; b. het bedrijfsmatig gebruik of aanwezig hebben van voor het grondwater schadelijke stoffen; c. de toepassing van IBC-bouwstoffen; d. de aanleg van een buisleiding; e. opslag van dierlijke mest zonder bodembeschermende maatregelen;
28/54
een begraafplaats of uitstrooiveld als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats of uitstrooiveld voor dierlijke as; g. activiteiten waarvan de werking berust op het direct of indirect onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater, waaronder bodemenergiesystemen. Lid 2. Als voor het grondwater schadelijke stof wordt aangemerkt een zeer zorgwekkende stof zoals vastgesteld door het RIVM.
f.
Artikel 2.8 Meldingsplichtige activiteiten Grondwaterbeschermingsgebied Lid 1. De volgende activiteiten of handelingen zijn in Grondwaterbeschermingsgebied toegestaan als wordt voldaan aan de bepalingen in Artikel 2.10 tot en met Artikel 2.17: a. het bedrijfsmatig gebruik of aanwezig hebben van een potentieel schadelijke stof; b. het verrichten van werkzaamheden in de bodem op een diepte van drie meter of meer; c. het lozen van afstromend hemelwater van gebouwen op of in de bodem; d. het lozen van afstromend hemelwater van verharde wegen op of in de bodem; e. het inrichten of hebben van een parkeerterrein; f. het (laten) gebruiken van gronden voor een evenement; g. het toepassen van grond of baggerspecie. Lid 2. In afwijking van het eerste lid zijn werkzaamheden die worden uitgevoerd ter controle van het grondwater voor de winning voor menselijke consumptie toegestaan. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op het grondwaterbeschermingsgebied. Ook zijn er op basis van de keur van het waterschap Brabantse Delta geen beperkt en volledig beschermde gebieden in het plangebied gelegen. Uit grondwaterstanden gemeten door Inpijn-Blokpoel Ingenieursbureau (bijlage 1) blijkt dat de grondwaterstand van het plangebied ten tijde van het onderzoek varieerde van 6,5 m +NAP tot 6,8 m +NAP.
Uit het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Roosendaal 2020-2023 (05-09-2019) blijkt dat de ontwatering ter plaatsen van het plangebied >1.5 meter is. Toekomstige situatie Zoals eerder genoemd heeft Inpijn-Blokpoel Ingenieursbureau een onderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Dit onderzoek is in zijn geheel opgenomen in bijlage 1. De huidige bebouwing bestaat uit een school. In de toekomstige situatie zal de school gesloopt worden. Op de locatie waar de school wordt gesloopt worden acht woongebouwen gerealiseerd waarin 40 woningen voor spoedzoekers worden geplaatst met binnenterrein/parkeerterrein. Het plangebied heeft een oppervlak van 7.000 m2. De totale verharding bedraagt in de huidige situatie reeds 4.300 m2. In de toekomstige situatie bedraagt de verharding circa 3.000 m2. Het niet verhard oppervlak is in de huidige situatie 2.700 m2 en in de toekomstige situatie en in de toekomstige situatie bedraagt het niet verhard oppervlak 4.000 m2 af. Omdat het verhard oppervlakte afneemt, zijn compenserende maatregelen niet nodig. Infiltratiegeschiktheid In het eerder genoemde onderzoek (bijlage 1) is ook de infiltratiegeschiktheid van het plangebied onderzocht.
29/54
Volgens de richtlijn 'Hemelwater binnen de perceelgrens', ISSO publicatie 70-1 is infiltratie van hemelwater haalbaar indien: de doorlatendheid groter is dan 0,4 m/dag; de gemiddeld hoogste grondwaterstand dieper is dan 0,7 m-mv; het in te leiden neerslagwater niet is verontreinigd. De gemeten doorlatendheden zijn groter dan 0,4 m/d. De gemiddelde hoogste waterstand op de locatie is naar verwachting ondieper dan 0,7 m-mv. Ondanks het feit dat de gemeten doorlatendheden niet direct een beperking vormen, is de bodem op de locatie, conform deze richtlijnen vanwege de ingeschatte grondwaterstanden niet geschikt voor de infiltratie van hemelwater. Daarnaast is op een diepte van ca. 0,8 m à 1,7 m-mv een kleilaag aanwezig, waarop het te infiltreren hemelwater mogelijk zal kunnen stagneren. Hemelwater zou op het terrein verwerkt kunnen worden middels het principe bergen en vertraagd afvoeren. Dit wordt in het plangebied door een klimaatbestendige maatregel, een wadi. Het huishoudelijk afvalwater wordt afzonderlijk ingezameld en afgevoerd. Er is geen gescheiden systeem, maar Alwel gaat dit wel gescheiden aanbieden om zo op de toekomst voorbereid te zijn. Oppervlaktewater Voor werkzaamheden in, op, onder of naast oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen en het brengen van water naar en onttrekken uit oppervlaktewaterlichamen dient een watervergunning te worden aangevraagd.
Omdat er geen oppervlaktewater in of nabij het plangebied is gelegen, hoeft er geen watervergunning te worden aangevraagd. Risico's en gevolgen voor de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater (KRW) Conform het beleid van het waterschap wordt bij de ontwikkelende partij aandacht gevraagd voor het gebruik van milieuvriendelijke materialen en het achterwege laten van uitlogende materialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Dit kan echter niet afgedwongen worden. De toe te passen bouwmaterialen moeten namelijk getoetst worden aan het Bouwbesluit. Dit is een landelijke regeling. De wetgever biedt geen mogelijkheden om vanwege de mogelijke uitloging van materialen, aanvullende eisen te stellen ter bescherming van bijvoorbeeld het milieu. Bij de ontwikkeling zal rekening gehouden worden met het grondwaterbeschermingsgebied waar de locatie zich in bevindt. Er zal ebruik gemaakt worden van milieuvriendelijke bouwmaterialen en niet uitlogende bouwmaterialen. Conclusie Vanuit de eisen van het waterschap is watercompensatie in het kader van de voorgenomen ontwikkeling niet noodzakelijk. Daarnaast is in het plangebied geen oppervlaktewater gelegen. In het kader van de watertoets is overleg gevoerd met het waterschap en is deze waterparagraaf opgesteld.
Hieruit volgen voor de ontwikkeling de volgende randvoorwaarden: Ten aanzien van het materiaalgebruik dienen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC te worden toegepast. Dit om verontreiniging van het hemelwater te voorkomen. Hemelwater wordt op het plangebied verwerkt middels het principe bergen en vertraagd afvoeren. Dit wordt gedaan door middel van een wadi. Er is geen gescheiden systeem, maar Alwel gaat het water gescheiden aanbieden om zo op de toekomst voorbereid te zijn.
30/54
4.3
Ecologie
Ter voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat de vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Toetsingskader Bij de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantsoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden: Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natura 2000-gebieden. De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Het NNN is in Noord-Brabant uitgewerkt in het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.