CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage t_Jac vosstraat Vaststelling.Pdf

Commissie 3 februari 2022, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 6: Rvs Vaststelling bestemmingsplan Jacobus Vosstraat13.924 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

28 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

Uit de berekeningen blijkt dat de gebruiksfase een rekenresultaat oplevert dat 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Conclusie en voorwaarden Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar, bij de genoemde uitgangspunten. Bij een dergelijke projectbijdrage zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van deze uitgangspunten in het onderzoek blijkt dat er geen Wnb-vergunning nodig is voor het aspect stikstof. Op dit moment is nog geen aannemer in beeld en kunnen de exacte werkzaamheden nog lastig worden overzien. Indien ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen de ureninzet wezenlijk anders wordt ingeschat, wordt aanbevolen om een actualisatie te verrichten van de Aerius-berekening. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.5 Geluid Toetsingskader In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat voor locaties waar woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen kunnen worden gerealiseerd, de geluidbelasting wordt onderzocht binnen de zones behorende bij verkeerswegen, spoorwegen en industrieterreinen. Situatie ter plaatse Met de ontwikkeling worden woningen gerealiseerd. Woningen zijn geluidsgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geluidhinder. Wegverkeer Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de Burgemeester Freijterslaan, de Jan Vermeerlaan en de Hulsdonksestraat. Alle overige omliggende wegen kennen een snelheidsregime van 30 km/uur. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient echter wel een afweging gemaakt te worden in hoeverre de geluidsituatie van 30 kilometerwegen aanvaarbaar is. Daarom dient ook het akoestisch klimaat vanwege de direct aan de nieuwbouwlocatie gelegen 30 kilometerwegen te worden onderzocht. Een akoestisch onderzoek is uitgevoerd. Voor een beschrijving van de uitgangspunten en resultaten wordt verwezen naar het onderzoek, dat is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. In het onderstaande worden de conclusies benoemd. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ten aanzien van enkele nieuwe woningen sprake is van overschrijding van de geluidnormen op basis van de Wgh als gevolg van het wegverkeer op de gezoneerde Burgemeester Freijterslaan.

De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt 51 dB. Een hogere waardenprocedure is hiervoor noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is verder onderzocht in hoeverre de geluidsituatie van de direct aan het plangebied gelegen 30 kilometerwegen aanvaardbaar is. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de milieukwaliteit vanwege de 30 kilometerwegen op de te bouwen appartementen als goed is te beoordelen. De geluidbelastingen van de 30 kilometerwegen worden dan ook aanvaardbaar geacht. Railverkeer Het plangebied is niet gelegen binnen de onderzoekszone van een spoortraject. Gezoneerde industrieterreinen Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Een hogere waarden procedure is noodzakelijk. 29 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

4.6 Externe veiligheid Inleiding Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Binnen het vakgebied externe veiligheid wordt er onderscheid gemaakt in drie soorten risicobronnen, namelijk transportroutes (weg, water en spoor) inrichtingen met gevaarlijke stoffen en buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onderzoek gedaan worden naar het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de aanwezige risicobronnen. Het plaatsgebonden risico (PR10-6) is een (berekende) afstand vanaf een risicobron waarbinnen de kans om te overlijden vanwege een ongeval met de aanwezig gevaarlijke stoffen meer dan 1 op een miljoen jaar is. Binnen deze afstand mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden opgericht binnen het bestemmingsplan. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld grote kantoren, kinderdagverblijven e.d. Het groepsrisico is een berekende waarde die aangeeft of er mogelijk sprake is van veel slachtoffers bij een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Om het groepsrisico te berekenen is er inzicht noodzakelijk in de aanwezige populatie binnen het bestemmingsplan en de omgeving ervan. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het bevoegde gezag Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) – in dezen de gemeente en de provincie – afstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen, al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Voor de toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Voor de risico-inventarisatie is uitgegaan van de navolgende informatiebronnen: <0000> Professionele risicokaart provincie Noord-Brabant; <0000> Informatie gemeente Roosendaal (RRGS); <0000> Regeling Basisnet. In de volgende afbeelding is een deel van de EV-signaleringskaart weergegeven van gemeente Roosendaal. De ligging van het plangebied is hierin weergegeven.

30 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

Risicobronnen en plangebied (bron: EV-signaleringskaart)

Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, zijn het Register risicosituaties gevaarlijke stoffen (RRGS) en de professionele risicokaart geraadpleegd. Het RRGS is en centraal landelijk register met gegevens over risicosituaties die in Nederland bestaan rond het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. De professionele risicokaart laat zien waar risicobronnen liggen. Hieruit blijkt dat het plangebied buiten het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen is gelegen. Transportassen Met het in werking treden van de Wet basisnet is ook Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, water en de weg, vindt vanaf deze datum plaats aan de hand van de Wet basisnet. Hierin zijn grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico, en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Wat de berekening van het groepsrisico betreft, dient voor bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen e.d. die ter inzage worden gelegd en die betrekking hebben op de omgeving van de in de bijlagen van de in de Regeling basisnet genoemde transportassen, uit te worden gegaan van de in de bijlage vermelde vervoerscijfers.

Die vervoerscijfers zijn gebaseerd op een maximale benutting van de groeiruimte voor het vervoer. Bij de vaststelling van het ruimtelijke besluit dient het groepsrisico te worden verantwoord. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het basisnet weg, water en/of spoor, kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor basisnet weg geldt bijvoorbeeld dat daar waar in bijlage I de afstand ‘0’ is vermeld, het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. Vanaf het moment dat het Bevt in werking is getreden, moet voor sommige transportassen rekening worden gehouden met het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Voor bijvoorbeeld een rijksweg wordt de 30 meter voor het PAG gemeten vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook. In het Bouwbesluit is beschreven aan welke voorwaarden het bouwen binnen een PAG moet voldoen.

31 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

Als binnen het invloedsgebied van een transportas nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien en er een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico of een significante stijging van het groepsrisico optreedt, dient bij de vaststelling van het ruimtelijke besluit, het groepsrisico te worden verantwoord. Volgens het Bevt gelden geen beperkingen voor het ruimtegebruik voor het gebied dat verder ligt dan 200 m van de transportas. Ten aanzien van de verantwoording dient niet alleen het invloedsgebied van de maatgevende vervoersklasse (GF3: brandbaar gas) voor het groepsrisico te worden beschouwd, maar ook de effectafstand die wordt gegenereerd door overige stoffen die over het wegvak worden vervoerd. Het invloedsgebied kan dus verder reiken dan 200 meter. Als dat het geval is en het invloedsgebied reikt tot over het plangebied, dan moeten wel maatregelen worden overwogen. Bijvoorbeeld in het kader van zelfredzaamheid. Het Bevt is ook van toepassing op transportassen die niet onder het basisnet vallen. Het plaatsgebonden risico kan worden berekend of worden bepaald met toepassing van de vuistregels uit de Handleiding risicoanalyse transport (Hart). Ook hier gelden geen beperkingen voor ruimtegebruik voor het (plan)gebied dat verder ligt dan 200 meter van de transportas.

In de omgeving van het plangebied liggen de volgende relevante transportroutes: <0000> De Rijksweg A17 en A58; <0000> Het spoortraject Roosendaal - Bergen op Zoom/Essen. Alle transportroutes zijn gelegen op een afstand van meer dan 200 meter van het plangebied. Daarom zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en is het groepsrisico niet beschouwd. Omdat het plangebied wel is gelegen binnen het invloedsgebied van toxische scenario’s, kan volstaan worden met een zogenaamde beperkte verantwoording waarbij aandacht wordt besteed aan hulpverlening, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in geval van een calamiteit. Hiervoor wordt kortheidshalve verwezen naar de standaard verantwoording groepsrisico. Buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen is daarmee in lijn gebracht met het beleid voor inrichtingen en voor vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor. Buisleidingen Om te bepalen of er in het plangebied of in de directe omgeving buisleidingen zijn gelegen is de professionele risicokaart geraadpleegd. Hieruit is gebleken dat het plangebied niet gelegen is binnen het invloedsgebied van planologisch relevante leidingen met gevaarlijke stoffen.

Verantwoording groepsrisico Omdat het plangebied gelegen is binnen het invloedsgebied van drie transportroutes dient een verantwoording groepsrisico te worden opgesteld. Omdat voor de beschreven risicobronnen een beperkte verantwoordingsplicht volstaat, wordt kortheidshalve verwezen naar de standaard verantwoording, zoals opgenomen in de bijlage. Conclusie Vanuit externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan. C.1

Verantwoording groepsrisico

4.7 Bodem Toetsingskader De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van het bestemmingsplan speelt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging.

32 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

Situatie ter plaatse Voor dit bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat de grond vervuild is en dat een sanering dient te worden uitgevoerd. Ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan worden de resultaten van dit onderzoek toegevoegd. Conclusie Voor dit bestemmingsplan wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan worden de resultaten van dit onderzoek toegevoegd.

4.8 Archeologie Er is een archeologische paragraaf opgesteld in het kader van het bestemmingsplan Westrand uit 2013. Daaruiit is gebleken dat de ontwikkellocatie valt in een gebied dat een middelhoge archeologische verwachtingswaarde heeft. Behoudens sloop van de bebouwing hebben zich geen andere ontwikkelingen voorgedaan. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de archeologische verwachtingswaarde nu een andere zou zijn.

Archelogische verwachtingswaarde ter hoogte van ontwikkellocatie: middelhoog

4.9 MER Toetsingskader Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage (Besluit Mer) in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit Mer. Concreet betekent dit dat het bevoegd gezag dient te bepalen in hoeverre de activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen hebben, ook wanneer de activiteiten (ruimschoots) onder de drempelwaarden zijn gelegen. Voor deze toets wordt de term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling' gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: <0000> Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r-beoordeling noodzakelijk; <0000> Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een milieueffectrapportage. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. In deze bijlage staan drie hoofdcriteria centraal: <0000> De kenmerken van het project; <0000> De plaats van het project; <0000> De kenmerken van de potentiële effecten.

33 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

Situatie ter plaatse Met dit bestemmingsplan worden 26 woningen gerealiseerd. Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. 1. Het plan kan gerekend worden tot de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject (D11.2). In artikel 1.1.1, lid 1 onder i van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat het begrip stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. De bijbehorende drempelwaarde is 2.000 woningen of meer. 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied behoort niet tot een dergelijk gebied. 3. In de milieuparagraaf zijn de verschillende milieueffecten beschouwd. Hieruit blijkt dat er door onderhavig plan geen sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen.

Hoewel de drempelwaarde niet wordt gehaald, dient toch bepaald te worden of sprake is van relevante milieueffecten. Een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling is dus aan de orde. In het onderstaande wordt hier beknopt op ingegaan. Kenmerken van het project Het project betreft de realisatie van 26 appartementen. Met het project wordt met name een verkeersaantrekkende werking naar het plangebied gerealiseerd. Voor het overige gelden er geen noemenswaardige milieueffecten naar de omgeving toe. De verkeersaantrekkende werking betreft maximaal 208 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Plaats van het project Het plangebied is gelegen in binnenstedelijk gebied en ligt dus in een omgeving waar verstedelijking reeds heeft opgetreden. Het plangebied is reeds bebouwd en voorheen in gebruik als bedrijfsperceel. Het gebied heeft geen cultuurhistorische waarde. Gebieden, die deel uit maken van Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN) liggen op ruime afstand.

De kenmerken van de potentiële effecten Ten aanzien van de kenmerken van de potentiële effecten kan het volgende worden opgemerkt: <0000> De woningen belemmeren omliggende bedrijven en voorzieningen niet (zie hoofdstuk 2); <0000> Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging (zie hoofdstuk 4); <0000> Het plan kent vanuit stikstofdepositie geen significante effecten op Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 5); <0000> Het plan realiseert een verkeersaantrekkende werking die past binnen de omgeving en waarbij het omliggende weggennet toereikend is; <0000> Er zijn geen nadelige effecten op de waterhuishouding in de omgeving; <0000> Het plan maakt geen risicobron mogelijk in het kader van externe veiligheid of zorgt niet voor een significante toename van het groepsrisico; <0000> Het plan leidt niet tot significante effecten op beschermde flora- en faunasoorten in of in de omgeving van het plangebied; <0000> Het plan heeft geen onevenredige effecten op cultuurhistorie of archeologie; <0000> Een woning is geen bodembelastende functie voor de bodemkwaliteit. Uit de uitgevoerde onderzoeken en motiveringen blijkt dat het plan geen onevenredige milieueffecten heeft op de omgeving. Een m.e.r-beoordeling is derhalve niet noodzakelijk.

Conclusie Het plan, dat woningbouw mogelijk maakt, wordt gerekend tot de activiteiten genoemd in de D 11.2 van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Het plan ligt onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Derhalve is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van onevenredige milieueffecten op de omgeving. Er is derhalve geen m.e.r-beoordeling of milieueffectrapportage noodzakelijk.

34 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

4.10 Water Aanleiding Voor deze woningbouwontwikkeling wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen en is dus “watertoetsplichtig”. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Brabantse Delta. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk geregeld dat in alle ruimtelijke plannen een watertoets dient te worden uitgevoerd. Het doel van de Watertoets is in een vroeg stadium waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar te maken en evenwichtig mee te nemen bij ruimtelijke plannen. Aspecten waaraan plannen worden getoetst zijn: <0000> inzameling en afvoer van afvalwater; <0000> verwerking en/of afvoer van overtollige neerslag; <0000> relatie met grondwater en bodemeigenschappen; <0000> relatie met de waterhuishouding; <0000> risico’s en gevolgen voor de chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater (KRW); Plannen worden getoetst aan het beleid van de gemeente Roosendaal en van waterschap Brabantse Delta. De uitgangspunten van de gemeente zijn door de raad vastgesteld in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP). De regels ten aanzien van de waterhuishouding zijn vastgelegd in de Keur van het waterschap. Hierin is vastgelegd hoe om gegaan moet worden met retentie, verhard oppervlak en werkzaamheden nabij watergangen.

Proces Sinds het voorjaar van 2003 worden in de gemeente Roosendaal alle nieuwe gemeentelijke ruimtelijke plannen besproken in het “waterpanel Roosendaal”. De werkwijze van het waterpanel is vastgelegd in het “Handboek bij de watertoets bij de Gemeente Roosendaal”. Naast enkele gemeentelijke afdelingen nemen het waterschap en de vaste adviseurs van de Gemeente Roosendaal éénmaal per kwartaal deel aan het overleg. In dit overleg wordt algemene informatie uitgewisseld, complexe projecten doorgesproken, algemene beleidsuitgangspunten doorgenomen en procesafspraken bijgesteld. Op basis van het (gemeentelijk) beleid en aan de hand van opmerkingen en aanvullingen van de waterbeheerder formuleert de gemeente een waterparagraaf bij de RO-procedure. Ook wordt de waterbeheerder bij een bestemmingsplanprocedure (via overleg of e-mail) de mogelijkheid geboden om tijdig zijn overlegreactie te geven op concepten. Indien de gemeente in de definitieve waterparagraaf afwijkt van het advies van het waterschap, wordt deze afwijking in de waterparagraaf expliciet gemotiveerd. De woningbouwlocatie Jacobus Vosstraat In het bestemmingsplan Westrand is bij het opstellen van de bij dat bestemmingsplan behorende waterparagraaf al rekening gehouden met de invulling van de ‘inbreidingslocatie’ Kwik-Fit-locatie aan de Ettingstraat.

Daarbij is gesteld dat de hoeveelheid verhard oppervlak van deze en ook van de andere ontwikkellocaties in de Westrand niet (noemenswaardig) zal toenemen. Dat is inderdaad het geval bij de invulling van de Kwik-Fit locatie. De bedrijfsgebouwen zijn weliswaar op dit moment gesloopt, maar in de bebouwde toestand maakten met de verharding voor de bebouwing een groot deel van het perceel uit. Wel dient het plan besproken te worden in het waterpanel, teneinde nadere eisen te kunnen stellen ten aanzien van het zorgvuldig inbedden van het aspect water bij de onderhavige ontwikkeling. Riolering Er is gemengde riolering aanwezig. Toekomstige ontwikkelingen Bij toekomstige ontwikkelingen dient de neerslag die afvloeit van “schone” oppervlakken (daken, schone verharding) afzonderlijk ingezameld te worden. Op basis van de verkenning op de afkoppelkansenkaart kan worden geconcludeerd dat de bodem en grondwaterstand in het grootste gedeelte van het plangebied mogelijkheden biedt voor infiltratie van hemelwater. Om daadwerkelijk te kunnen bepalen of infiltratie van hemelwater in de bodem mogelijk is, is een bodemkundig/hydrologisch onderzoek noodzakelijk. Wanneer infiltratie mogelijk is, heeft het de voorkeur in het kader van duurzaam stedelijk waterbeheer om een infiltratievoorziening aan te eggen.

35 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

De infiltratievoorziening dient zodanig te worden aangelegd dat het hemelwater optimaal kan infiltreren in de bodem. De infiltratievoorziening dient een inhoud te krijgen van circa 780 m3/ha verhard oppervlak, met een overstort op het aanwezige oppervlaktewater of schoonwaterriool. Indien het verhard oppervlak met meer dan 2000 m2 toeneemt dient een retentievoorziening te worden gerealiseerd. De retentievoorziening dient een inhoud van circa 780 m3/ha verhard oppervlak te krijgen, met gestuurde afvoer op het oppervlaktewater. Bij deze woningbouwontwikkeling is dat niet het geval. Een Watervergunning is nodig voor: <0000> Werken in, aan in de nabijheid van oppervlaktewater bijvoorbeeld leggen van kabels, verlagen maaiveld). <0000> Het onttrekken en weer lozen van grondwater tijdens de bouwwerkzaamheden. <0000> Het lozen van regenwater van verhard dak- en terreinoppervlak > 2.000 m2 direct of via een retentie/infiltratievoorziening in oppervlaktewater. Ten aanzien van het materiaalgebruik dienen bij toekomstige ontwikkelingen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC te worden toegepast. Dit om verontreiniging van het hemelwater te voorkomen. Eén en ander dient langs privaatrechtelijke weg te worden geregeld.

Randvoorwaarden naar aanleiding van de waterparagraaf <0000> Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient de neerslag die afvloeit van ‘schone’ oppervlakken afzonderlijk ingezameld te worden. <0000> Indien uit bodemonderzoek blijkt dat infiltratie mogelijk is, dient het afzonderlijk ingezameld hemelwater middels een infiltratievoorziening in de bodem te worden geïnfiltreerd. <0000> Indien het verhard oppervlak met meer dan 2000 m2 toeneemt dient een retentievoorziening te worden gerealiseerd. De retentievoorziening dient een inhoud van circa 780 m3/ha verhard oppervlak te krijgen, met gestuurde afvoer op het oppervlaktewater. <0000> Ten aanzien van het materiaalgebruik dienen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC te worden toegepast. Dit om verontreiniging van het hemelwater te voorkomen. Eén en ander dient langs privaatrechtelijke weg te worden geregeld.

36 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

HOOFDSTUK 5 Visie op het plangebied Voor de woningbouwontwikkeling op deze locatie zijn randvoorwaarden opgesteld, die gebaseerd zijn op de volgende uitgangspunten: <0000> woonbebouwing geschiedt in twee lagen, georiënteerd op de Jacobus Vosstraat en de Frans Broosstraat; <0000> het terrein dat achter de bebouwing resteert, wordt benut ten behoeve van parkeren voor de bewoners van de nieuw op te richten woningen; <0000> waar straten samenkomen, kan een hoogteaccent (derde) bouwlaag komen; <0000> de woningen op de begane grond worden vanaf de straat ontsloten; <0000> er is aan de straatzijde een zone met voortuinen met een breedte van minimaal 2 m.; <0000> zowel een kernontsluiting (portieken) als galerijen aan de achterzijde zijn toegestaan; <0000> parkeren voor bewoners vindt plaats op eigen terrein; <0000> parkeerplaatsen voor bezoekers (0,3 parkeerplaats per woning) worden aangelegd als langsparkeren aan de noordzijde van de Jacobus Vosstraat. De initiatiefnemer wil gestapelde woningen bouwen, totaal 26 met een woonoppervlakte van 50 tot 70 vierkante meter. Het plan voorziet voor de woningen op de begane grond in een smalle voortuin en een ondiepe achtertuin. Ze worden ontsloten vanuit de straat. De woningen op de verdieping worden ontsloten via een of meerdere trapopgangen (portiekontsluiting of galerijontsluiting) en krijgen de voordeur op de verdieping.

Uitgangspunt is het volgende programma: <0000> 3-kamerwoningen van 65-70 m2 gebruiksoppervlak. Deze woningen zijn vooral geschikt voor senioren. Deze woningen krijgen een buitenruimte en in beginsel een individuele fietsenberging. <0000> 2-kamerwoningen van 49 m2 gebruiksoppervlak. Deze woningen krijgen in beginsel ook een eigen buitenruimte al kan hier in voorkomende gevallen van afgezien worden, mits een collectieve buitenruimte aanwezig is. De fietsenberging is collectief. Grondgebonden woningen zijn weliswaar mogelijk, maar horen in beginsel niet tot het gewenste programma. Ontsluiting Verkeerstechnisch ligt het voor de hand om de toegang tot dit terrein voor auto’s via de Jacobus Vosstraat te ontsluiten. Vanwege het eenrichtingsverkeer lijkt de Frans Broosstraat hiervoor minder geschikt. Dat zou er immers toe leiden dat auto’s bij het wegrijden ook door de Ettingstraat en de hele Jacobus Vosstraat zouden moeten rijden. Parkeren Het aantal parkeerplaatsen voldoet aan het parkeerbeleid en de normen (aantallen) zoals deze op het moment van aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen van kracht zijn. Die gaan er op het moment van tervisielegging van het bestemmingsplan van uit dat parkeerplaatsen voor bewoners in ieder geval op eigen terrein worden aangelegd.

Afgesproken is dat 7 parkeerplaatsen (vooral bedoeld voor bezoekers) als langsparkeerplaatsen worden aangelegd aan de Jacobus Vosstraat.

37 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

Structuur (Stek Architecten)

Maquette (Stek Architecten)

38 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

Maquette (Stek Architecten)

Maquette (Stek Architecten)

39 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

Begane grond situatie (Stek Architecten)

40 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

HOOFDSTUK 6 Juridische aspecten 6.1 Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) De Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (hierna SVBP 2012), die voortvloeit uit de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. SVBP 2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Dit om de gewenste vergelijkbaarheid zeker te stellen. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting van het bestemmingsplan. Wel dient het bestemmingsplan van een toelichting vergezeld te gaan. Het bestemmingsplan zelf bestaat uit een verzameling geografische bepaalde objecten, die zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan.

6.2 Opzet van de nieuwe bestemmingsregeling 6.2.1 Uitgangspunten en doelstellingen Het centrale onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemming. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de in het plan begrepen grond bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden. Aan de bestemmingen zijn regels gekoppeld over het gebruik van de in het plan begrepen grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Kenmerk van bestemmingen is dat het gehele plangebied ermee is bedekt. Elke bestemming is geometrisch bepaald. Een bestemmingsplan kan ook dubbelbestemmingen bevatten. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. De dubbelbestemmingen hoeven het gehele plangebied niet te bedekken. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor. Verklaringen zijn de overige in de verbeelding van het bestemmingsplan voorkomende zaken. Verklaringen hebben geen juridische betekenis. Zij zijn bedoeld om nadere informatie te verschaffen of om de duidelijkheid en raadpleegbaarheid te bevorderen.

Omdat verklaringen geen juridische betekenis hebben, wordt hierop niet nader ingegaan. Het uitgangspunt bij het opstellen van het bestemmingsplan is dat de van kracht zijnde regelingen zodanig worden geactualiseerd dat samenhangende, op actuele beleidsinzichten en gebruikerswensen afgestemde bestemmingsregelingen ontstaan. Als doelstellingen en uitgangspunten kunnen daarbij worden onderscheiden: <0000> Rechtszekerheid en klantgerichtheid, dat wil zeggen voor de burger een duidelijk, toegankelijk en op actuele behoeften en eisen afgestemd plan. <0000> Makkelijke toepasbaarheid en hanteerbaarheid voor de gemeentelijke diensten; een plan waaraan bouwaanvragen op heldere wijze kunnen worden getoetst met als resultaat een minimale bestuurslast. <0000> Duidelijkheid en inzichtelijkheid van hetgeen is toegestaan, dit houdt in dat de bestemmingen met hun bouw- en gebruiksmogelijkheden zoveel als mogelijk is via de verbeelding zichtbaar worden gemaakt. De aandacht richt zich in eerste instantie op de woonfunctie en de aard en de verschijningsvorm van de woonbebouwing in de plangebieden. Bij de opbouw van de regeling wordt uitgegaan van een collectieve doelstelling die van toepassing zal zijn bij alle woningen.

Deze doelstelling is om enerzijds een goede regeling voor de uitbreidingsmogelijkheden van de woningen te bieden ten behoeve van een maximaal woongenot voor de bewoners en anderzijds de bestaande ruimtelijke kwaliteit in het plangebied te handhaven.

41 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

6.2.2 Opbouw regels De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008. a. De opbouw van de regels is als volgt: <0000> Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels); <0000> De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels); <0000> Algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels); <0000> Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels). b. Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: <0000> Bestemmingsomschrijving; <0000> Bouwregels; <0000> Nadere eisen; <0000> Specifieke gebruiksregels; <0000> Afwijken van de gebruiksregels; <0000> Omgevingsvergunning; <0000> Wijzigingsbevoegdheid. De specifieke nadere eisenregelingen, bevoegdheden om af te wijken van de regels en wijzigingsbevoegdheden en mogelijk aanlegvergunningregels zullen zoveel mogelijk per bestemming worden opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en onnodig verwijzen naar andere artikelen voorkomen. Deze werkwijze bevordert de toegankelijkheid van het bestemmingsplan. Er wordt derhalve voor de volgorde van de regels een standaardindeling gehanteerd.

6.2.3 Flexibiliteitsregels Aan het bestemmingsplan kan flexibiliteit worden toegevoegd door met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels, het stellen van nadere eisen of een wijzigingsbevoegdheid. Dit flexibiliteitinstrumentarium kent zekere begrenzingen. Het is niet mogelijk om met een omgevingsvergunning een bestemmingswijziging tot stand te brengen. Een nadere eis mag slechts worden gesteld per afzonderlijk geval en geen algemene regel inhouden. Bovendien moet het bestemmingsplan al een regel bevatten omtrent het punt ten aanzien waarvan een nadere eis wordt gesteld. Op basis van het vorenstaande wordt voor het opnemen van flexibiliteitsregels de volgende benadering gehanteerd. <0000> Flexibiliteitregels alleen gebruiken als van een wezenlijke belangenafweging sprake kan zijn, voor de onderbouwing waarvan de toelichting de noodzakelijke bouwstenen bevat. <0000> Bij het besluit tot het opnemen van flexibiliteit planschade risico meewegen. <0000> Nadere eisen alleen stellen als er als regels zijn opgenomen met betrekking tot hetzelfde onderwerp.

6.3 Bestemming Wonen - 1 Binnen deze bestemming zijn aaneengebouwde en gestapelde woningen toegestaan, Daarnaast zijn ter plaatse ook aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijven toegestaan. Binnen deze bestemming mogen gebouwen en overige bouwwerken worden gebouwd, met in achtneming van de aanduidingen op de verbeelding en aanvullende voorwaarden in de regels.

42 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

HOOFDSTUK 7 Economische uitvoerbaarheid Op grond van de Wet ruimtelijke ordening is de gemeente verplicht om tegelijkertijd met het bestemmingsplan een exploitatieplan vast te stellen. Deze verplichting geldt niet als de situatie zoals genoemd in artikel 6.12 lid 2 Wro zich voordoet en het kostenverhaal anders is voorzien. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een anterieure overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de te verhalen kosten en planschade. Hiermee zijn de met dit bestemmingsplan samenhangende kosten op een andere wijze verzekerd en is het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk.

43 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

44 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

HOOFDSTUK 8 Procedure 8.1 Inspraak en overleg In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerp bestemmingsplan toegezonden aan diverse instanties, waaronder rijks- en provinciale instanties. Overeenkomstig het bepaalde in de Gemeentelijke Inspraakverordening zijn de bevolking en in de gemeente belanghebbende natuurlijke en rechtspersonen betrokken bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan. Met ingang van 1 maart 2021 heeft het voorontwerpbestemmingsplan op grond van de Inspraakverordening zes weken ter inzage gelegen. Het voorontwerp bestemmingsplan is tevens toegezonden aan diverse overheidsinstanties en andere overlegpartners in het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Er zijn drie schriftelijke inspraakreacties ingekomen. Uit het overleg ex artikel 3.1.1 Bro zijn reacties ingekomen van de provincie en van Waterschap De Brabantse Delta. De inspraakreacties en de overlegreacties zijn verwerkt en van een gemeentelijke reactie voorzien in een Inspraak- en overlegrapport dat onderdeel uitmaakt als bijlage bij dit bestemmingsplan.

45 van 45

NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1229/documents/32580