Bijlage t_Jac vosstraat Vaststelling.Pdf
Tekst van het document
TOELICHTING
1 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
2 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 Inleiding 5 1.1 Aanleiding 5 1.2 Doel 5 1.3 Ligging plangebied 5 1.4 Geldende bestemmingsregeling 6 1.5 Leeswijzer 6 HOOFDSTUK 2 Beleidskader 7 2.1 Rijksbeleid 7 2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) 7 2.1.2 Besluit ruimtelijke ordening 7 2.2 Provinciaal beleid 8 2.2.1 Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant', Visie op de Brabantse leefomgeving 8 2.2.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening - Partiele herziening 20148 2.2.3 Verordening ruimte Noord-Brabant (geconsolideerde versie 2019) 8 2.2.4 Concept Interim Omgevingsverordening 9 2.3 Beleid waterschap 9 2.4 Gemeentelijk beleid 11 2.4.1 Structuurvisie Roosendaal 2025 11 2.4.2 Woonagenda Roosendaal 2021-2025 13 2.4.3 Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan 2015 - 2025 'Knooppunt Roosendaal' 14 HOOFDSTUK 3 Beschrijving plangebied 17 HOOFDSTUK 4 Onderzoeken 23 4.1 Bedrijven en milieuzonering 23 4.2 Geur veehouderij 25 4.3 Luchtkwaliteit 26 4.4 Stikstofdepositie 27 4.5 Geluid 29 4.6 Externe veiligheid 30 4.7 Bodem 32 4.8 Archeologie 33 4.9 MER 33 4.10 Water 35 HOOFDSTUK 5 Visie op het plangebied 37 HOOFDSTUK 6 Juridische aspecten 41 6.1 Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 41 6.2 Opzet van de nieuwe bestemmingsregeling 41 6.2.1 Uitgangspunten en doelstellingen 41 3 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
6.2.2 Opbouw regels 6.2.3 Flexibiliteitsregels 6.3 Bestemming Wonen - 1 HOOFDSTUK 7 Economische uitvoerbaarheid HOOFDSTUK 8 Procedure 8.1 Inspraak en overleg
4 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
42 42 42 43 45 45
HOOFDSTUK 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Woningcorporatie Stichting Alwel Wonen heeft het planvoornemen op de locatie Jacobus Vosstraat/Frans Broosstraat 26 (gestapelde) woningen te realiseren. Hiervoor heeft Alwel een stedenbouwkundig plan en een verkavelingsplan opgesteld. De locatie valt binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Westrand'. In dit bestemmingsplan werd al voorzien in een woningbouwontwikkeling op deze locatie. Omdat op het moment van vaststelling van het plan Westrand de kringloopwinkel nog in functie was, werd de wenselijk gedachte woningbouw mogelijk gemaakt in de vorm van een (binnenplanse) wijzigingsbevoegdheid. Deze wijzigingsbevoegdheid voorzag in de mogelijkheid om de bedrijfsbestemming te wijzigen in een Gemengd-2 bestemming onder de navolgende voorwaarden: a. de hoofdgebouwen mogen uitsluitend aan de Jac. Vosstraat en Frans Broosstraat worden gebouwd en dienen daarop geöriënteerd te zijn; b. de afstand van de voorgevelrooilijn van de hoofdgebouwen tot de Jac. Vosstraat en de Frans Broosstraat dient tenminste 4 m. te bedragen; c. bebouwing mag zowel grondgebonden als gestapeld worden opgericht; d. er geldt een bebouwingspercentage van maximaal 60 %; e. de diepte van de hoofdgebouwen mag maximaal 12 m. bedragen; f. de bouwhoogte mag maximaal 10 m. bedragen; g.
er mogen niet meer dan 17 woningen worden gerealiseerd, tenzij het zorgwoningen betreft waarvoor geen maximum aantal geldt; h. er dienen voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein in relatie tot de functie te worden gerealiseerd; daarbij gelden de parkeernormen zoals opgenomen in de bijlage bij dit bestemmingsplan; i. uit een uit te voeren quick scan dient te worden aangetoond dat er vanuit milieukundig oogpunt geen belemmeringen zijn om deze wijziging toe te passen; j. uit een uit te voeren watertoets dient te blijken dat er geen nadelige effecten voortvloeien voor de waterhuishouding; k. uit onderzoek dient te worden aangetoond dat er geen aantasting plaatsvindt van de aanwezige archeologische waarden. Het door Alwel ontwikkelde plan past echter niet binnen de voorwaarden van de in het bestemmingsplan Westrand opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Omdat het nieuwe woningbouwplan wel beantwoordt aan het criterium 'een goede ruimtelijke ordening' is ervoor gekozen om voor de locatie een nieuw bestemmingsplan op te stellen.
1.2 Doel Doel van dit bestemmingsplan is om op de locatie Jacobus Vosstraat een woningbouwontwikkeling mogelijk te maken.
1.3 Ligging plangebied Het plangebied is gesitueerd in de woonwijk Westrand en wordt omringd door de Jacobus Vosstraat en de Frans Broosstraat en de Ettingstraat.
5 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
Ligging en begrenzing plangebied
1.4 Geldende bestemmingsregeling Voor het perceel geldt het bestemmingsplan Westrand, dat is vastgeste;ld door de gemeenteraad bij besluit van 26 juni 2013..
Bestemmingsplan Westrand, vastgesteld in 2013
1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het beleidskader geschetst waarbinnen de planvorming plaatsvindt - voor zover relevant. In hoofdstuk 3 wordt de bestaande situatie beschreven. Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de onderzoeken. Hoofdstuk 5 bevat een beschrijving van het plan. Hoofdstuk 6 bevat de juridische planbeschrijving. In hoofdstuk 7 wordt kort ingegaan op de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 8 is plaats ingeruimd voor een korte toelichting over de procedure.
6 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
HOOFDSTUK 2 Beleidskader 2.1 Rijksbeleid 2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. In deze structuurvisie schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 rijksdoelen geformuleerd: <0000> de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat; <0000> de bereikbaarheid verbeteren; <0000> zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Beoordeling De structuurvisie benoemt uitsluitend rijksdoelen en nationale belangen. De (boven) lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking wordt overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen de provinciale kaders. De sturing op verstedelijking, zoals afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering, laat het Rijk los. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, heeft het Rijk een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking dient doorlopen te worden bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen.
Dit is het enige onderdeel dat relevant is voor voorliggende locatieontwikkeling en wordt in de volgende paragraaf beschreven.
2.1.2 Besluit ruimtelijke ordening Toetsingskader De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Per 1 juli 2017 is het besluit ruimtelijke ordening geactualiseerd. In de nieuwe 'ladder' is vastgelegd dat een bestemmingsplan dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient het bestemmingsplan te voorzien in een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De ladder hoeft alleen te worden doorlopen indien sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Art 1.1.1 van het Bro beschrijft een stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Om te bepalen of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, dient te worden beoordeeld of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte.
Beoordeling en conclusie De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt is geen nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Op de locatie aan de Jacobus Vosstraat was op basis van het bestemmingsplan Westrand al een woningbouwontwikkeling mogelijk, die opgenomen was in de woningbouwprogrammering. Omdat op basis van het vigerende bestemmingsplan de realisatie van woningen (na toepassing van de wijzigingsbevoegdheid) al tot de mogelijkheden behoorde, wordt de ontwikkeling die in nu in het onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, niet aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een nadere verantwoording in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking is voor dit plan niet nodig.
7 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
2.2 Provinciaal beleid 2.2.1 Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant', Visie op de Brabantse leefomgeving Toetsingskader De nieuwe Omgevingswet bundelt de wetten en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, cultureel erfgoed en water. De wet regelt zo het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. De provincie wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. Daarom is in december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.
2.2.2 Structuurvisie ruimtelijke ordening - Partiele herziening 2014 Toetsingskader Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 (hierna: de structuurvisie) vastgesteld. Deze structuurvisie is opgebouwd uit twee onderdelen. In onderdeel A wordt de kern van de visie verwoord op ruimtelijke ontwikkelingen van Noord-Brabant. Het landschap en de wijze waarop dit moet worden versterkt, staan in dit onderdeel voorop. Deel B beschrijft de wijze waarop de provincie de visie uitwerkt in vier robuuste ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Beoordeling Het plangebied ligt volledig in de stedelijke structuur, meer in het bijzonder het deel daarvan dat is aangeduid als stedelijk concentratiegebied. In deze gebieden wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgaven opgevangen. Dit plan dat voorziet in een woningbouwontwikkeling op een braakliggend terrein in een woonwijk is in overeenstemming met het bepaalde in de structuurvisie. Conclusie De ontwikkeling past binnen het beleid van structuurvisie. In de Verordening ruimte is dit beleid verder uitgewerkt in bindende regels die in acht genomen moeten worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Hierop wordt in de volgende paragraaf nader ingegaan.
2.2.3 Verordening ruimte Noord-Brabant (geconsolideerde versie 2019) Toetsingskader Provinciale Staten hebben in juli 2015 de Verordening ruimte 2014 geheel opnieuw vastgesteld. De laatste wijziging van de Verordening is in januari 2019. In de tussentijd is tevens de naam gewijzigd in 'Verordening ruimte Noord-Brabant' (hierna: de verordening). De verordening is één van de instrumenten die de provincie kan inzetten om de doelen uit de Structuurvisie RO (SVRO) te realiseren. De gemeenteraad moet bij het vaststellen van een bestemmingsplan of bij het verlenen van een omgevingsvergunning de regels uit deze verordening toepassen. De verordening onderscheidt vier structuren (gekoppeld aan de Structuurvisie RO) die Brabant dekkend zijn. Ieder ruimtelijk oppervlak in Brabant valt onder één van deze structuren en kan niet onder meerdere structuren tegelijk vallen. Per structuur is uitgewerkt welke functies, onder welke voorwaarden, ontwikkeld kunnen worden. Aanvullend zijn er 25 aanduidingen in de verordening opgenomen. Deze aanduidingen kunnen over één of meerdere structuren heen liggen. Beoordeling Het plangebied ligt volledig binnen de structuur 'bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied'. Het beleid van de provincie is er al decennia lang op gericht om stedelijke ontwikkeling in stedelijke concentratiegebieden te bundelen. Het doel daarvan is om voldoende
8 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
draagvlak voor de steden als economische en culturele motor te creëren en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. Hoofdregel van het beleid is dat stedelijke ontwikkeling binnen het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Binnen het bestaand stedelijke gebied is de gemeente in beginsel vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de regels die in de verordening zijn gesteld.
2.2.4 Concept Interim Omgevingsverordening Toetsingskader Op 10 september 2019 hebben Gedeputeerde Staten het concept van de Interim omgevingsverordening vastgesteld en aangeboden aan Provinciale Staten. De besluitvorming over de Interim omgevingsverordening heeft op 25 oktober 2019 plaatsgevonden. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau. De beleidsneutrale omzetting betekent niet dat er helemaal geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt. De wijzigingen zijn in de toelichting van de verordening toegelicht en zijn schematisch weergegeven in het Nu-Straks overzicht, dat als bijlage in de toelichting is opgenomen. Op hoofdlijnen gaat het om: <0000> een meer gebruikersvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder bijlagen; <0000> aanpassingen waardoor de regels beter passen in het systeem van de omgevingswet, bijvoorbeeld voor de grondwaterbeschermingsgebieden; <0000> aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit.
Beoordeling In de Interim omgevingsverordening is het plangebied aangeduid als 'stedelijk gebied'. Dit betreft dus geen verandering ten opzichte van hetgeen bepaald is in de Verordening ruimte. Conclusie Het plan is in overeenstemming met de regels die in de Interim omgevingsverordening zijn gesteld.
2.3 Beleid waterschap Het plangebied behoort tot het beheergebied van het waterschap Brabantse Delta. Dit waterschap zorgt voor veilige dijken en kades, zuivert rioolwater, verbetert en bewaakt de kwaliteit van het oppervlaktewater en regelt de hoogte van het water in Midden- en West-Brabant. Bij de uitvoering van deze taken werkt het waterschap samen met inwoners, agrariërs, bedrijven, de gemeenten en anderen. Hierbij houdt het rekening met de belangen van de samenleving en bereid het zich voor op toekomstige ontwikkelingen. Keur Waterschap Brabantse Delta 2015 De keur van het waterschap is een verordening met wettelijke voorschriften die gelden voor alle oppervlaktewaterlichamen en keringen, op het gebied van waterkwantiteit en –kwaliteit, die in beheer zijn bij het waterschap. De keur is een aanvulling op de Waterwet met verschillende gebods- en verbodsbepalingen. Bij het beoordelen van vergunningaanvragen hanteert het waterschap beleidsregels, waaronder de Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater (2016). Hierin staat aangegeven in welke situaties een watervergunning kan worden verleend, waarop een aanvraag wordt getoetst en welke voorwaarden aan de watervergunning worden verbonden.
Zo zijn er regels met betrekking tot: <0000> handelingen in waterkeringen en de daarbij behorende beschermingszones; <0000> handelingen in rivieren, beken en sloten en de daarbij behorende onderhoudsstrook; <0000> waterstaatkundige werken als gemalen, sluizen, stuwen et cetera; <0000> de scheepvaart; <0000> uitbreidingen met een toename van > 500 m2 verhard oppervlak.
9 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
Op planniveau is het van belang om rekening te houden met eventuele compensatie voor de uitbreiding van verhard oppervlak. Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam voor zover: 1. Het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m2 is, of; 2. De toename van verhard oppervlak maximaal 500 m2 is, of; 3. De toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. 4. De toename van verhard oppervlak groter dan 500 m2 tot en met 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale compensatie conform de rekenregel: benodigde compensatie (in m3 ) = toename verhard oppervlak (in m2 ) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m) De voorziening voldoet aan de volgende eisen: 1. De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG); 2. De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van minimaal 4 cm te hebben; 3.
Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen. Waterbeheerplan 2016-2021 In het Waterbeheerplan staan doelen en maatregelen voor de periode van 2016 tot en met 2021. Ook beschrijft het waterschap hoe ze inspeelt op de veranderende omstandigheden, zoals het klimaat. In vijf jaar tijd kan er veel veranderen. Daarom controleert het waterschap tijdens de planperiode regelmatig of doelen en maatregelen nog steeds goed gekozen zijn of dat aanpassing nodig is. Het Waterbeheerplan geeft de basis voor dit continue proces van plannen. Het plan is opgezet vanuit de maatschappelijke toegevoegde waarde van het waterbeheer. Bij de beschrijving van de doelen van het waterbeheer komen de volgende invalshoeken aan bod: <0000>
<0000>
<0000>
<0000>
Risico's beheersen: Het werk van het waterschap is gericht op het beheersen van risico's voor de mensen, de bedrijven en het (water)milieu en zo de kwaliteit van leven te behouden en waar nodig te verbeteren voor de huidige en toekomstige generaties. Deze invalshoek gaat - 24 - uit van de huidige gebruiksfuncties en van de gemaakte afspraken over acceptabele risico's (vastgelegd in wet- en regelgeving of in convenanten). Duurzame ontwikkeling: Het waterbeheer is ook gericht op het ondersteunen van een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. Het gaat dan om het gebruik van de openbare ruimte en economische en natuurontwikkelingen. Werken aan een robuust beheer van het watersysteem en de afvalwaterketen is van toegevoegde waarde voor al deze ontwikkelingen. Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend: Er zijn diverse maatschappelijke ontwikkelingen die om verantwoorde keuzes vragen. Dit plan geeft aan welke rol het waterschap kiest in verschillende maatschappelijke thema's, zoals energie en de ontwikkelingen in de gezondheidszorg. Ook wil het waterschap de maatschappelijke betrokkenheid vergroten. Effectief en efficiënt: Het waterschap streeft naar een goede kwaliteit van het werk tegen zo laag mogelijke kosten en een minimale kwetsbaarheid. Samenwerking met diverse partnerorganisaties en het stimuleren van initiatieven van burgers en ondernemers zijn daarbij van groot belang.
De langetermijnstrategie uit het voorgaande beheerplan wordt voortgezet voor de verschillende thema's, zoals waterkwaliteitsverbetering, vermindering van de kans op wateroverlast en verdrogingsbestrijding. Daarnaast geven diverse ontwikkelingen aanleiding tot nieuwe accenten, waaronder het Deltaprogramma. Nieuwe accenten in het plan zijn: <0000> de versterking van de primaire en regionale keringen (de dijken langs de Rijkswateren en langs de regionale rivieren); <0000> inzet op waterbewustwording van watergebruikers: het waterschap wil investeren in het vergroten van inzicht in eigen handelingsperspectief; <0000> helder zijn over de beperkingen en mogelijkheden die er vanuit het watersysteem zijn voor de gebruiksfuncties; <0000> een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van optimaliseren peilbeheer en inrichtingsmaatregelen); 10 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
<0000>
dynamisch waterbeheer: flexibel beheer op basis van actuele informatie over de situatie in het gebied en de regionale verschillen daarin.
Anders dan het vorige waterbeheerplan beschrijft dit plan niet alleen het beheer van het watersysteem, maar ook het beheer van de zuiveringen en de bijbehorende transportstelsels. De algemene term 'waterbeheer' kan daarbij dus breed worden opgevat. Via het uitvoeren en opstellen van een watertoets worden de diverse beleidskaders gewaarborgd. Ook voor het onderliggende plan is een watertoets uitgevoerd. Toetsing Op basis van het bestemmingsplan Westrand is het mogelijk het perceel binnen het bouwvlak volledig te bebouwen en buiten het bouwvlak voor 20%. Daarbij komt dat de gronden gelegen vóó'r de inmiddels gesloopte bedrijfsbebouwing al grotendeels verhard waren. Het woningbouwplan voorziet eveneens in bebouwing binnen een op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Er wordt geen fundamentele wijziging aangebracht in de maximale hoeveelheid verhard oppervlak van het perceel ten opzichte van de oorspronkelijke situatie met de bedrijfsbebouwing. Integendeel, het totale verharde oppervlak zal afbnemen. Het plan heeft dan ook geen invloed op de waterhuishouding ter plaatse. Voor een nadere beschrijving zie paragraaf 4.10 van deze toelichting.
2.4 Gemeentelijk beleid 2.4.1 Structuurvisie Roosendaal 2025 In de Structuurvisie Roosendaal 2025 wordt aangegeven dat Roosendaal in 2025 een stad van mensen, van wonen en van (net)werken zal zijn. Om dit te bereiken, zal Roosendaal de komende jaren moeten inspelen op trends als ontgroening, vergrijzing, globalisering, individualisering, informatisering, veranderingen in mobiliteit en bereikbaarheid en decentralisatie van overheidstaken én hier duurzame antwoorden op moeten dichten. Roosendaal kiest bij deze veranderingen voor ‘behoud en versterken van de kwaliteit van stad en dorpen’ door vernieuwing en transformatie. De identiteit van Roosendaal en de ontwikkeling naar een netwerksamenleving zijn hierbij leidende principes. De Structuurvisie 2025 van de gemeente Roosendaal is in meerdere opzichten een trendbreuk met het verleden. In de eerste plaats is de structuurvisie sinds de Wet ruimtelijke ordening 2008 een wettelijke verplichting. Roosendaal moet een structuurvisie hebben die aangeeft wat het ruimtelijk beleid is en op welke wijze het ruimtelijk beleid zal worden uitgevoerd. Ten tweede is deze structuurvisie opgesteld in een tijd van economische crisis. Die heeft ertoe geleid dat de haalbaarheid en de betaalbaarheid van de ruimtelijke ordening centrale begrippen in het ruimtelijk beleid zijn geworden.
De vanzelfsprekendheid dat er vraag is naar gronden voor woningen, winkels en kantoren, is er niet meer. In 2012 heeft Roosendaal te maken met een overschot aan bijvoorbeeld kantoor- en winkelruimte. Strategische keuzes voor het toekomstig ruimtegebruik worden onder andere beïnvloed door demografische ontwikkelingen van ontgroening en vergrijzing. Ook die ontwikkelingen leiden ertoe dat Roosendaal niet in de eerste plaats aan méér woningen en méér bedrijventerreinen moet denken, maar aan omvormingen, herstructurering en transformatie. Tot slot is er maatschappelijk een fundamenteel ander idee ontstaan over het functioneren van de gemeente. De gemeente is niet langer de dominante partij in maatschappelijke ontwikkelingen, maar onderdeel van een netwerkmaatschappij waarin de gemeente een rol op zich neemt. Op het gebied van ruimtelijke ordening wil de gemeente een uitnodigende partij voor maatschappelijke partners zijn. Het antwoord van Roosendaal op al deze ontwikkelingen formuleren we in deze structuurvisie op twee beleidsuitgangspunten: <0000> Een duurzame ontwikkeling van een compact, compleet en verbonden Roosendaal; <0000> Een haalbare en betaalbare locale ruimtelijke ontwikkeling. De duurzame ontwikkeling van een compacte, complete en verbonden stad leidt tot fundamentele keuzes: 11 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
<0000> <0000> <0000> <0000>
<0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000>
Bouwen binnen de stedelijke contouren van de stad om zo bestaande infrastructuren optimaal te benutten; Zuinig/duurzaam ruimtegebruik, waarbij efficiënt gebruik en hergebruik van bestaande ruimte en bebouwing het uitgangspunt is; Gebruik maken van de kwaliteit van de locatie; Leefbaarheid van wijken en dorpen waarborgen door behoud en versterking van collectieve openbare ruimte, het behouden van de groen-blauwe structuren en het wegnemen van infrastructurele barrières i.c. het uitplaatsen van de A58 en het goederenvervoer per spoor naar buiten het stedelijk gebied; De kwaliteit van de locatie is mede bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden of initiatieven; De identiteit van stad en dorpen versterken door het handhaven en versterken van de landschappelijke en cultuurhistorische basisstructuren in het buitengebied en de bebouwde omgeving; Groen/blauwe hoofdstructuren in het stedelijk gebied behouden als verbinding met het buitengebied; Het sturen van nieuwbouw op basis van strategisch voorraadbeheer; (regionaal) Ruimte creëren voor speerpunten/topsectoren van economisch beleid; Het aanbod van sociaal-maatschappelijke en detailhandelsvoorzieningen in wijken en dorpen behouden, waar mogelijk door concentratie en bundeling van voorzieningen; Het optimaliseren van infrastructurele verbindingen en het beter benutten van de multimodale ontsluitingsmogelijkheden (weg, water, spoor,
buis) van Roosendaal; Benutten van de strategische ligging van Roosendaal en West-Brabant in de Vlaams Nederlandse Delta; Bij ruimtelijke ingrepen de mogelijkheden voor energietransitie en bodemenergie optimaliseren; Bijdragen aan sociale veiligheid door integratie van dit beleidsveld in het ruimtelijk ontwerp van gebouwen en openbare ruimte.
Afbeelding Integratiekaart Structuurvisie Roosendaal 2025
12 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
De haalbare en betaalbare locale ruimtelijke ontwikkeling wordt ondersteund door de volgende keuzes: <0000> niet meer programma in ontwikkeling nemen dan dat de markt kan opnemen; <0000> economische druk op de markt genereren door voorzichtig te programmeren; <0000> eerst bestaande programma’s benutten en pas daarna aan nieuwe beginnen. Nieuwe ontwikkelingen van kantoren en winkels voorlopig bevriezen; <0000> flexibel en kleinschalig programmeren en faseren; <0000> intensiveren en beter benutten van de bestaande voorraad van stedelijke functies (woningen, bedrijventerreinen, kantoren, maatschappelijk vastgoed); <0000> toepassen van de SER/ duurzaamheidsladder bij ruimtelijke ontwikkelingen. <0000> uitnodigen, samenwerken en regisseren in plaats van voorschrijven. Verruim de mogelijkheden van bestemmingsplannen (plan vooruit). De ruimtelijke keuzes en uitgangspunten zijn in deze structuurvisie vertaald naar de verschillende onderdelen van de ruimtelijke ordening en ondersteund door kaarten met de hoofdstructuren. In de uitvoeringsparagraaf wordt vervolgens aangegeven op welke manier het beleid en de voorgenomen ruimtelijke programma’s kan worden gerealiseerd. Daarbij zijn de bovengenoemde uitgangspunten meegenomen.
2.4.2 Woonagenda Roosendaal 2021-2025 In de Woonagenda 2021-2025 wordt de ingezette koers vanuit de woonagenda 2015 voortgezet. Tegelijkertijd is duidelijk dat de gemeente door de huidige trends en ontwikkelingen op de woningmarkt, voor andere opgaven staat. In 2015 was het door de economische recessie een uitdaging om de woningbouw weer op gang te brengen en waren de doelstellingen in de woonagenda vooral daarop gericht. Sinds 2015 zijn er in Roosendaal ruim 1200 woningen opgeleverd in de vorm van diverse projecten van hoge kwalitatieve waarde. Stedelijke transformatie staat hoog in het vaandel. Er staan ook de komende jaren diverse (grote) projecten op stapel. Anno nu heeft de woningmarkt te maken met nieuwe, belangrijke opgaven. Deze ontwikkelingen zijn niet echt “Roosendaals” maar vragen wel om een lokale oplossing, vaak in nauwe samenwerking met betrokken partners. Volgens de provinciale prognoses is er in Noord-Brabant tot 2050 een enorme groei van het aantal één- en tweepersoonshuishoudens te verwachten. De groei van kleine huishoudens is het gevolg van het toenemend aantal oudere alleenstaanden en de individualisering van de samenleving. Tegelijkertijd moet geconstateerd worden dat het voor starters lastig is om hun intrede te doen op de woningmarkt.
Het gemeentelijk beleid is erop gericht Roosendaalse inwoners in elke levensfase de mogelijkheid te geven, te kunnen verhuizen naar een type woning, passend bij hun woonwens en bestedingsmogelijkheden. De gemeente kan hier samen met andere partijen een bijdrage aan leveren, door goed te overwegen welke nieuwbouwplannen welke verhuisbewegingen op gang brengen en dus vraag en aanbod uiteindelijk beter op elkaar aan te laten sluiten. Geconstateerd moet worden dat de leefbaarheid van enkele wijken en buurten op dit moment onder druk staat en dat er een forse duurzaamheidsopgave ligt. Zoals in de vorige woonagenda is aangegeven gaat het om een continu proces van verbetering van het woon- en leefklimaat en zijn concrete resultaten hiervan afhankelijk van een brede integrale aanpak. Roosendaal staat de komende jaren voor een aantal nieuwe uitdagingen. In de woonagenda komen onderwerpen aan bod, die te maken hebben met Roosendaal als woongemeente. De gemeente houdt ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en speelt hier, waar nodig en mogelijk, al vroeg op in. Een voorbeeld hiervan is een mogelijke extra woningbouwopgave naar aanleiding van de landelijke versnellingsopgave, overloop vanuit de Randstad en veranderingen op de woningmarkt als gevolg van de coronacrisis.
13 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
2.4.3 Gemeentelijk verkeers- en vervoersplan 2015 - 2025 'Knooppunt Roosendaal' Algemeen Het gemeentelijke verkeer- en vervoersbeleid is het beleids- en toetsingskader voor de gewenste ontwikkelingen op het gebied van verkeer en vervoer in de gemeente Roosendaal tot 2025. Het geeft de kaders waarbinnen verkeersprojecten worden gedefinieerd en geprioriteerd en verkeersbeleid in de dagelijkse praktijk wordt uitgevoerd. In 2025 is het verkeer en vervoer in de gemeente Roosendaal schoner, stiller, zuiniger en slimmer. Onze positie in het landelijke netwerk is sterker en robuuster. Voor onze inwoners, ondernemers en bezoekers zijn wij optimaal bereikbaar, waarbij wordt ingezet op een breed palet aan vervoerswijzen. Multimodaal is een sleutelbegrip en een voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van Roosendaal. De inhoudelijke hoofddoelstelling van het GVVP is: ‘Het bevorderen van een goede en veilige afwikkeling van het verkeer dat noodzakelijk is voor sociaaleconomische activiteiten, waarbij alle vormen van verkeershinder zoveel mogelijk worden beperkt’. Deze algemene hoofddoelstelling wordt aangescherpt door drie kaders: A. verduurzaming; B. innovatie; C. regionale netwerk versterking. Deze drie kaders geven sturing aan de wijze waarop de hoofddoelstelling wordt ingevuld. Hieronder een korte toelichting op de beleidskoers. Ad.
A: Verduurzaming Lopen en fietsen zijn de meest schone en stille manieren om te verplaatsen. Het lokale leefklimaat en de bereikbaarheid verbetert door hier meer op in te zetten. Deze focus op duurzame mobiliteit wordt concreet vertaald door hier prioriteit aan te geven bij opgaven en ontwikkelingen in de stad en dorpen. Daarnaast is het wenselijk dat het gemotoriseerde verkeer schoner, stiller en zuiniger wordt. Door het elektrisch rijden beter te faciliteren kan de verduurzaming lokaal worden versterkt. Ad. B: Innovatie Door toepassing van nieuwe slimme (‘smart’) technieken kunnen verkeersproblemen in de toekomst worden voorkomen. Het weggennet wordt beter en efficiënter benut waardoor fysieke en kostbare maatregelen niet noodzakelijk (meer) zijn. Deze ict-technieken worden zowel bij voertuigen als in de infrastructuur toegepast. Auto’s gaan meer en meer ‘communiceren’, zowel onderling als met hun omgeving. Deze slimme mobiliteitsoplossingen zorgen voor beter doorstroming van het verkeer, voor toename van de verkeersveiligheid (afname ongevallen) en voor verbetering van het leefmilieu. Ad.
C: Regionale versterking De positie van Roosendaal in het (boven)regionale en landelijke netwerk moet worden versterkt door het ontwikkelen en verbinden van economische toplocaties, hoog stedelijke zones en multimodale knooppunten en het verbeteren van de fysieke en/of functionele verbindingen met andere stedelijke regio’s. Het gaat hierbij over de afstemming binnen de thema’s als ruimte, verstedelijking, werken, natuur en verkeer en vervoer. Dit is goed voor de werkgelegenheid en het woonklimaat. Bedrijven vestigen zich immers op plekken die goed ontsloten zijn en daar waar veel potentiële arbeidsplaatsen binnen bereik liggen. En, mensen wonen graag op een plek waar werkgelegenheid en goede voorzieningen binnen acceptabele afstand en tijd bereikbaar is. Knooppunten in het netwerk, zoals bijvoorbeeld het stationsgebied en multimodale overslagpunten aan water en spoor (logistiek) hebben in het netwerk een belangrijke positie. Het is voorwaardelijk is dat de bovenstaande hoofddoelstellingen leiden tot eem BTB-proof Roosendaal. Dat wil zeggen een Bereikbaar, Toegankelijk en Bruikbaar Roosendaal voor alle verkeersdeelnemers van de openbare ruimte zoals fietsers, rolstoelrijders, scootmobiels, doven, slechtzienden of mensen met een andere lichamelijke beperking.
14 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
Bovenstaande doelstellingen, beleidskaders, procestappen en participatietraject hebben geleid tot de formulering van 18 concrete hoofdopgaven. Deze hoofdopgaven zijn benoemd in het GVVP 2015 – 2025.
15 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
16 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
HOOFDSTUK 3 Beschrijving plangebied De planlocatie maakt onderdeel uit van de naoorlogse wederopbouwwijk 'Westrand'. De Westrand is tot stand gekomen in diverse uitbreidingsplannen in de periode 1954-1962. De locatie is gelegen in het het uitbreidingsplan 'Centrum West', dat in 1958 door de raad werd vastgesteld. De Ettingstraat, overgaand in de Perenboomstraat zijn oude wegen die al voor de bouw van de Westrand aanwezig waren.
Situatie circa 1948
Eind jaren vijftig: uitbreidingsplan Centrum west
Op de locatie werd een garagebedrijf gebouwd, later werd het een autoservicebedrijf. Toen dit bedrijf verplaatst werd naar een meer geëigende locatie aan de rand van een bedrijventerrein, werd het leegkomende pand in gebruik genomen als kringloopwinkel. Na beëindiging van deze functie werd de bebouwing gesloopt in afwachting van een invulling die meer passend is te beschouwen.
17 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
Luchtfoto plangebied anno 1979
Kwikfitvestiging Jacobus Vosstraat
Het terrein ligt midden in een woongebied en wordt aan twee zijden begrensd door straten met woningen: de Jacobus Vosstraat en de Frans Broosstraat. Aan de oostzijde grenst het terrein aan de achterzijde van de Ettingstraat. De locatie ligt weliswaar dicht bij uitvalswegen, maar is slechts via één smalle toegang te bereiken met de auto. De Frans Broosstraat en de Ettingstraat zijn beide straten 18 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
met eenrichtingsverkeer, de Jacobus Vosstraat heeft met tweerichtingsverkeer. Aan de zuidzijde van het plangebied is het mogelijk het gebied met de fiets en lopend te verlaten.
Zicht op ontwikkellocatie en de omgeving, bezien vanuit het zuiden
De bestaande bebouwing rondom het perceel is wisselend van karakter. Op de kruising van de Frans Broosstraat en de Jacobus Vosstraat, daar waar de locatie met de auto bereikbaar is vanuit de stad, staat een drielaags kantoorgebouw, met een parkeerterrein aan de straat. Dit kantoorgebouw is geörienteerd op de Jan Vermeerlaan.
Kantoorgebouw, bezien vanuit de ontwikkellocatie
Aan de Frans Broosstraat (eenrichtingsverkeer naar Ettingstraat) staan rijwoningen. Deze zijn begin jaren zestig gebouwd, twee lagen met een lage kap. De woningen hebben een voortuin. Dit geeft enige vergroening aan de straat. Parkeren kan op straat in een aangegeven parkeerstrook.
19 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
Woningen Frans Broosstraat
Aan de Jacobus Vosstraat staat een rij drive-in woningen uit het begin van de jaren zeventig met een oprit en parkeerplaats. De tuinen en de voordeuren zijn gesitueerd aan de zijde van de Burgemeester Freijterslaan. Dit betekent dat de achterzijden van de betreffende woningen aan de Jacobus Vosstraat gericht zijn. Dit zorgt op straatniveau in de Jacobus Vosstraat voor een gesloten en steenachtig straatbeeld. de gevelinvulling van de woningen bestaat uit gevelbrede puien als dichte gevelelementen. De woningen zijn individueel door bewoners aangepakt. Dat zorgt voor een diversiteit aan kleuren in de gevels.
Achterzijde drive-in woningen, Jacobus Vosstraat
De Ettingstraat is een oudere straat in het plangebied. Deze straat was er al voordat de planmatige woonwijk Westrand tot ontwikkeling werd gebracht. De zijde aangrenzend aan het perceel bestaat uit individueel gebouwde woningen, zeer divers in uitstraling. De woningen hebben geen voortuin, wel een achtertuin. De toegang vindt aan de straat plaats. Aan de overzijde staat een rij woningen, één laag met kap, uit de jaren vijftig. Deze woningen hebben wel een voortuin. Ook is er een drielaags appartementengebouw gerealiseerd, met bedrijfsruimte in de plint en appartementen op de verdiepingen. Aan de kruising van de Ettingstraat en de Jacobus Vosstraat ligt een parkeerterrein en openbaar groen. Vanuit deze hoek is de wijk vanuit het centrum gemakkelijk toegankelijk met de fiets en te voet. De overwegende bouwhoogte is 2 tot 3 bouwlagen. Parkeren gebeurt op eigen terrein en op straat, in de vorm van langsparkeren. Aan de zuidzijde is er een parkeerterrein voor 30 auto’s.
20 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
Groen De omgeving van de ontwikkellocatie is erg steenachtig. Dat geldt vooral voor de Jacobus Vosstraat waar de woningen een eigen parkeerplaats op eigen terrein aan de straat hebben. In de Frans Broosstraat hebben de woningen een eigen voortuin, hetgeen zoprgdraagt voor een vriendelijker straatbeeld. Er zijn twee plekken met openbaar groen, tegenover elkaar op de kop aan de zuidzijde van het terrein. Het openbaar groen aan de Burgemeester Freijterslaan is wel zichtbaar vanaf het terrein, over het parkeerterrein van het kantoorgebouw heen. Verkeer en parkeren De locatie ligt dicht bij uitvalswegen. De locatie is echter slechts met één smalle toegang te bereiken met de auto. De Frans Broosstraat en de Ettingstraat zijn beide ingericht met eenrichtingsverkeer, de Jaciobus Vosstraat met tweerichtingsverkeer. Aan de zuidzijde is het wel mogelijk de buurt met de fiets en lopend te verlaten. Tegenover de ontwikkellocatie ligt de inrit naar het parkeerterrein van het kantoorgebouw. In de Frans Broosstraat en de Ettingstraat wordt op straat geparkeerd met een parkeervergunning (sector 3) door middel van langsparkeren aan één zijde van de weg. Aan de zuidzijde ligt een parkeergebied met circa 30 parkeerplaatsen. De woningen aan de Jacobus Vosstraat en het kantoor parkeren op eigen terrein . Het braaklihggende terrein wordt nu veelvukldig gebruikt voor (grtis) parkeren.
Huidige situatie
21 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
22 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
HOOFDSTUK 4 Onderzoeken 4.1 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich in het algemeen tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven wordt gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (VNG, uitgave 2009). Richtafstanden In de VNG-publicatie is een richtafstandenlijst opgenomen in relatie tot het omgevingstype rustige woonwijk. In deze lijst zijn bedrijven op grond van hun potentiële milieubelasting ingedeeld in zes categorieën. In tabel 1 zijn de milieucategorieën en richtafstanden uit de VNG-publicatie overgenomen. Tabel: Milieucategorieën en richtafstanden Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype ‘rustige woonwijk’* in meters 1 10 2 30 3.1 50 3.2 100 4.1 200 4.2 300 5.1 500 5.2 700 5.3 1000 6 1500 * indien de omgeving is te typeren als ‘gemengd gebied’, gelden kleinere richtafstanden, namelijk één afstandstap kleiner (Zie de VNG-publicatie, paragraaf 2.3.).
De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: <0000> Het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied, (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. <0000> Het omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
Wijze van meten De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie) die volgens het (bestemming)plan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.
23 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
Situatie ter plaatse Woningen zijn op basis van de VNG-brochure gevoelige objecten. Om die reden dient beschouwd te worden in hoeverre omliggende bedrijven of voorzieningen door de woningbouwontwikkeling worden beperkt in hun bedrijfsvoering en of het woon- en leefklimaat ter plaatse aanvaardbaar is. Het plangebied wordt gekenmerkt als een gemengd gebied. Het gebied is gelegen in de directe invloedsfeer van hoofdinfrastructuur. De Burgemeester Freijterslaan, die op circa 60 meter afstand van het plangebied ligt, betreft een gebiedsontsluitingsweg met een relatief hoge verkeersintensiteit van circa 16.000 – 18.000 motorvoertuigen per etmaal. Om die reden is het aanvaardbaar om uit te gaan van gemengd gebied en de richtafstanden met één stap te reduceren. In de omgeving het plangebied komen enkele inrichtingen en voorzieningen voor. Het gaat om de volgende percelen: <0000> Jan van Eijkplein 2; <0000> Burgemeester Freijterslaan 39-41a; <0000> Burgemeester Freijterslaan 45; <0000> Ettingstraat 3; <0000> Diverse adressen aan de Ettingstraat. Jan van Eijkplein 2 Deze gronden hebben de bestemming ‘Kantoor’ en maken in de vigerende situatie juridisch-planologisch uitsluitend kantoren mogelijk. Kantoren behoren tot milieucategorie 1. Hiervoor geldt een gereduceerde richtafstand van 0 meter in gemengd gebied.
De feitelijke afstand tussen het bestemmingsvlak en de nieuwe woningen bedraagt circa 15 meter. Er wordt voldaan aan richtafstand. Burgemeester Freijterslaan 39-41a Op deze gronden vigeert de bestemming ‘Maatschappelijk’. Deze bestemming maakt functies mogelijk tot maximaal milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. Omdat de werkelijk afstand tot het plangebied circa 80 meter betreft, wordt voldaan aan de richtafstand. Burgemeester Freijterslaan 45 Aan de Burgemeester Freijterslaan 45 zijn gronden gelegen met de bestemming ‘Bedrijf – 3’. Op deze gronden wordt milieucategorie 3.2 mogelijk gemaakt, middels een aanduiding. Voor deze milieucategorie geldt een richtafstand van 50 meter in gemengd gebied. Omdat de werkelijke afstand circa 125 meter betreft, wordt voldaan aan deze afstand. Ettingstraat 2 – 10 Op deze gronden met de bestemming ‘Gemengd – 5’ worden diverse functies toegelaten die behoren tot milieucategorie 1 en 2. Hiervoor geldt een gereduceerde richtafstand van maximaal 10 meter. Omdat de werkelijke afstand circa 35 meter bedraagt, wordt voldaan aan de richtafstanden. Ettingstraat 3 Aan de Ettingstraat 3 is een kleinschalig bedrijfsperceel gelegen met bestemming ‘Bedrijf – 2’. Op deze gronden wordt maximaal milieucategorie 2 mogelijk gemaakt. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter.
De werkelijke afstand tot de woningbouw bedraagt circa 10 meter. Omdat het een kleinschalig volledig bebouwd bedrijfsperceel betreft, met direct aangrenzend woningen in de huidige situatie, kan gesteld worden dat het bedrijf niet beperkt wordt in de bedrijfsvoering. Reeds bestaande woningen zijn bepalend voor de milieuruimte van dit bedrijfsperceel. Omdat de achtergevel een blinde muur betreft, wordt ook niet verwacht dat er relevante geluidsemissie uitgaat van dit perceel wat het woon- en leefklimaat onevenredig beïnvloedt. Ettingstraat 18 Aan de Ettingstraat 18 zijn gronden gelegen met bestemming ‘Bedrijf – 2’. Op deze gronden wordt maximaal milieucategorie 2 mogelijk gemaakt. Hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. De werkelijke afstand tot de woningbouw bedraagt minimaal 35 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan.
24 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
Conclusie Vanuit bedrijven en milieuzonering gelden er geen belemmeringen voor de haalbaarheid. Het woonen leefklimaat kan worden gegarandeerd en omliggende bedrijven of voorzieningen worden niet onevenredig beperkt.
4.2 Geur veehouderij Toetsingskader De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) beschermt geurgevoelige objecten tegen geurhinder uit dierverblijven van veehouderijen. De Wgv vormt dan ook het toetsingskader voor dit aspect bij aanvragen van veehouderijen om een omgevingsvergunning (activiteit milieu). Deze aanvragen worden getoetst aan geurbelastings- en/of afstandsnormen. De Wgv maakt daarbij onderscheid tussen dieren met geuremissiefactoren en dieren zonder geuremissiefactoren. Voor dieren met geuremissiefactoren gelden normen voor geurbelasting en minimumafstanden voor (voormalige) bedrijfswoningen bij andere veehouderijen. Voor dieren zonder geuremissiefactoren gelden alleen minimumafstanden. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat vergelijkbare bepalingen voor veehouderijen die geen omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig hebben. Daarnaast is de Wgv van belang bij de beoordeling van ruimtelijke plannen (de zogenaamde omgekeerde werking). Bij deze beoordeling moeten twee aspecten bekeken worden. Ten eerste moet gemotiveerd worden dat er niemand onevenredig in zijn belangen geschaad wordt (belang omliggende veehouderijen). Ten tweede is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang dat ter plaatse een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (belang geurgevoelig object).
De Wgv stelt gemeenten in staat om middels gemeentelijk geurbeleid te sturen op geuremissies afkomstig uit stallen bij veehouderijen en daarmee op de geurbelasting op de omgeving. Dit geurbeleid bestaat uit een geurverordening en een geurgebiedsvisie. De geurverordening bevat de geur- en afstandsnormen waaraan getoetst wordt in het kader van vergunningverlening. De geurgebiedsvisie bevat de onderbouwing bij deze normen en de uitgangspunten van het gemeentelijke geurbeleid. Gemeentelijk geurbeleid De gemeente Roosendaal heeft geen eigen geurbeleid vastgesteld. Dat betekent dat de geurnormen en –afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing zijn. Het plangebied is conform de wet gelegen buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom. Ter plaatse geldt dan een geurnorm van 2,0 odour units per kubieke meter lucht en een afstandsnorm van 100 meter voor veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden. Situatie ter plaatse Met het bestemmingsplan worden woningen gerealiseerd. Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij. Belang omliggende veehouderijen In het plangebied bevinden zich geen veehouderijen of inrichtingen waar landbouwhuisdieren worden gehouden. De dichtstbijzijnde veehouderij is gelegen aan de Heirweg 2A op circa 1.750 meter van het plangebied.
Gelet op de afstand in relatie tot de geuremissie kan gesteld worden dat ter plaatse van het plangebied voldaan wordt aan de geurnorm van 2,0 odour units per kubieke meter lucht. Agrarische bedrijven worden bovendien niet beperkt in hun bedrijfsvoering, mede omdat andere geurgevoelige objecten op kortere afstand zijn gelegen. Woon- en leefklimaat In de volgende afbeelding (bron: Atlas Leefomgeving) is de GES score (gezondsheidseffectscreening-score) voor geur in beeld gebracht. Het plangebied heeft een GES score 1 (goed). Hieruit blijkt dat 0-5% van de mensen die gevraagd wordt in een enquête aangeeft dat zij soms of vaak last hebben van geurhinder. Hieruit blijkt dat het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting geur ter plaatse van het plangebied als goed te kwalificeren is.
25 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
GES-score geur (Atlas Leefomgeving)
Conclusie Het aspect geur veehouderij vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.3 Luchtkwaliteit Toetsingskader Het wettelijke kader voor de luchtkwaliteit is gegeven in de volgende documenten: <0000> de Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen), hierna te noemen de Wm; <0000> het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’, hierna te noemen het Besluit nibm; <0000> de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’, hierna te noemen de Regeling nibm; <0000> de ‘Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007’; <0000> de ‘Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007’; <0000> het ‘Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)’. Een vaststelling van een bestemmingsplan betreft de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, van de Wet milieubeheer (Wm) die gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit.
Op grond van artikel 5.16, eerste lid, van de Wm is vaststelling van het bestemmingsplan mogelijk, indien aannemelijk is gemaakt dat: <0000> als gevolg van het plan, al dan niet nadat maatregelen zijn getroffen, de grenswaarden niet worden overschreden (artikel 5.16, eerste lid, sub a, van de Wm); <0000> als gevolg van het plan de concentratie van stoffen in de buitenlucht per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (artikel 5.16, eerste lid, sub b1 van de Wm); <0000> als gevolg van het plan bij een beperkte toename van de concentratie van stoffen in de buitenlucht, door een met de activiteiten samenhangende maatregel of optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (artikel 5.16, eerste lid, sub b2 van de Wm); <0000> als gevolg van het plan, al dan niet nadat maatregelen zijn getroffen, de toename van stoffen waarvoor grenswaarden zijn gesteld ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de concentratie in de buitenlucht (artikel 5.16, eerste lid, sub c van de Wm); of <0000> het te nemen besluit een besluit is dat genoemd of beschreven is in of betrekking heeft op een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is met een door de Minister of andere bestuursorganen vastgesteld programma dat is gericht op het bereiken van de grenswaarden (artikel 5.16, eerste lid, sub d van de Wm).
Voor de kwaliteit van de buitenlucht gelden de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO2), stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2.5), lood,
26 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
koolmonoxide en benzeen. Voor de toegestane hoeveelheid PM10, PM2,5 en NO2 in de lucht zijn in de Wm de volgende grenswaarden gesteld die in acht genomen moeten worden: <0000> voor NO2 geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 18 dagen per jaar mag het uurgemiddelde concentratie van NO2 groter zijn dan 200 microgram per kubieke meter lucht; <0000> voor fijn stof (PM10) geldt een grenswaarde van 40 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie en maximaal 35 keer per jaar mag de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter zijn dan 50 microgram per kubieke meter lucht; <0000> voor ultra fijn stof (PM2.5) geldt een grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie. In het Besluit gevoelige bestemmingen is bepaald dat bepaalde bestemmingen niet mogen worden gerealiseerd binnen een zone van 300 meter langs rijkswegen en binnen een zone van 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg, indien in een dergelijke zone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. Het gaat om gebouwen die geheel of gedeeltelijk zijn bestemd of in gebruik zijn ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis.
Situatie ter plaatse Met het bestemmingsplan worden 26 appartementen mogelijk gemaakt. Woningen vallen rechtstreeks onder de categorieën die genoemd zijn in de Regeling ‘Niet in betekenende mate’. Een nieuwbouwplan met 1.500 woningen met één ontsluitingsweg draagt niet in betekenende mate bij. Om die reden zullen 26 appartementen ook niet in betekenende bijdragen aan de verontreiniging van de luchtkwaliteit. Vanuit het aspect luchtkwaliteit geldt daarmee geen nadere onderzoeksplicht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer. Uit de monitoringstool volgt dat ter plaatse van het plangebied zowel in de huidige situatie als voor 2020 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar.
De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM 2,5 wordt eveneens niet overschreden. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.4 Stikstofdepositie Toetsingskader Natura 2000-gebieden zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden in Nederland zijn gevoelig voor stikstofdepositie en overbelast door een teveel aan stikstof. Het is verboden zonder vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming (Wnb-vergunning) projecten te realiseren die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. In 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in werking getreden. Dit programma heeft tot doel de effecten van stikstofdepositie op beschermde waarden weg te nemen en ruimte voor ontwikkeling te creëren door: • emissie van stikstof (ammoniak en stikstofoxiden) te verminderen (bronmaatregelen), en • (herstel)maatregelen in de Natura 2000-gebieden.
27 van 45
NL.IMRO.1674.2125JACVOSSTRAAT-0401
Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan dat het PAS niet als basis gebruikt mag worden voor toestemming voor activiteiten. De passende beoordeling van het PAS bevat niet de vereiste motivering om depositieruimte uit te geven voor toestemmingsbesluiten en om activiteiten toe te staan zonder toestemmingsbesluit. Daarom dient voor nieuwe of gewijzigde projecten onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een mogelijk significant effect door depositie van stikstof op relevante Natura 2000-gebieden. Een project dat meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op een overbelast stikstofgevoelig habitattype of leefgebied heeft in potentie een significant effect waarvoor een Wnb-vergunning moet worden aangevraagd. Situatie ter plaatse Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is gelegen op circa 7,4 kilometer. Het gaat om het Natura-2000 gebied Brabantse Wal. Het plan genereert in twee fases stikstof. In de aanlegfase en in de gebruiksfase. Aanlegfase In de aanlegfase veroorzaakt het gebruik van mobiele werktuigen, zoals bouwkranen, graafmachines, vrachtwagens en dergelijke stikstof. Het gehanteerde rekenjaar is 2021. Worst-case wordt ervan uitgegaan dat alle bouwwerkzaamheden in 2021 worden uitgevoerd.
Wanneer een deel van de bouw plaatsvindt in een ander jaar, is dit alleen maar gunstiger voor de hoogste hoeveelheid emissie in een jaar. Voor de aanlegfase (bouwfase) is rekening gehouden met een geschat verbruik van 22.500 liter brandstof per jaar. Als uitgangspunt wordt aangehouden dat de mobiele werktuigen uit stageklasse IIIA komen, hetgeen reëel wordt geacht gezien economische en technische levensduur van de mobiele werktuigen. Het verbruik van 22.500 liter is als volgt verdeeld: <0000> 130-560 kW, bouwjaar 2006, 10.000 liter brandstof. Uitgaande van een gemiddeld verbruik van 20 liter brandstof per uur, kunnen deze werktuigen worden ingezet voor in totaal 500 uur. <0000> 75- 130 kW, bouwjaar 2007, 7.500 liter brandstof. Uitgaande van een gemiddeld verbruik van 15 liter per uur, kunnen deze werktuigen worden ingezet voor in totaal 500 uur. <0000> 37-75 kW, bouwjaar 2008, 5.000 liter brandstof. Uitgaande van een gemiddeld verbruik van 10 liter per uur, kunnen deze werktuigen worden ingezet voor in totaal 500 uur. Deze mobiele werktuigen zijn ingevoerd als vlakbron. De totale emissie bedraagt ruim 250 kg NOx in het rekenjaar 2021. In werkelijkheid worden mogelijk ook stageklasse IV mobiele werktuigen ingezet, die ook een lager gemiddelde brandstofverbruik kennen.
Daarnaast is rekening gehouden met 200 vrachtwagenbewegingen per jaar voor het afleveren en ophalen van materiaal en materieel en 20 motovoertuigbewegingen licht verkeer per etmaal voor het bouwpersoneel. De rijroute is ingevoerd tot de Burgemeester Freijterslaan, daar waar het (vracht)verkeer met zekerheid zal opgaan in het heersende verkeersbeeld. Dit is een worst-case benadering. Uit de berekeningen blijkt dat de aanlegfase een rekenresultaat oplevert dat 0,00 mol/ha/jaar bedraagt voor het rekenjaar 2021. De Aerius-berekening is als bijlage bij deze notitie gevoegd. Gebruiksfase De gebruiksfase is de fase waarin de woningen worden bewoond. De woningen zullen niet worden aangesloten op het gasnetwerk, waardoor de emissie van stikstof uitsluitend veroorzaakt wordt door de verkeersaantrekkende werking. Worst-case is uitgegaan van een verkeersaantrekkende werking van 8 motorvoertuigbewegingen per etmaal, in totaal dus 26 x 8 = 208 motorvoertuigbewegingen. De berekening is uitgevoerd voor het rekenjaar 2021. De rijroute is tot de Burgemeester Freijterslaan ingevoerd, omdat de personenauto’s daar op zullen gaan in het heersende verkeersbeeld. De totale emissie NOx als gevolg van deze verkeersaantrekkende werking bedraagt circa 8 kg NOx per jaar. Daarmee is duidelijk dat de aanlegfase de maatgevende fase is.