Bijlage Rapport Rekenkameronderzoek Doorwerking rekenkameronderzoeken gemeente Roosendaal.pdf
Tekst van het document
Aan: Gemeenteraad van Roosendaal Datum: 4 december 2020 Behandeld door: L. Maas Telefoon: 140165 E-mail: l.maas@roosendaal.nl Onderwerp: Eindrapportage rekenkameronderzoek Doorwerking rekenkameronderzoek
Geachte leden van de gemeenteraad, De Rekenkamer West-Brabant heeft onderzoek gedaan in uw gemeente naar het onderwerp ‘Doorwerking van rekenkameronderzoek’. Hierbij bieden wij u de eindrapportage aan van het onderzoek.
Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet, namens de Rekenkamer West-Brabant
drs. R.J.A. Clayden, Voorzitter Rekenkamer West-Brabant
Onderzoek naar de doorwerking van rekenkameronderzoeken gemeente Roosendaal Eindrapportage
Datum: december 2020
Postbus 500 4700 KA Roosendaal www.rekenkamerwestbrabant.nl
Inhoudsopgave Samenvatting
1
Aanleiding tot het onderzoek
1
Doel van het onderzoek naar doorwerking
1
Centrale onderzoeksvraag
1
1.
Inleiding
2
1.1 Aanleiding
2
1.2 Doel
2
1.3 Afbakening
2
1.4 Onderzoeksvraag
2
1.5 Specifieke aandachtspunten gemeenteraad
3
1.6 Analysekader
3
1.7 Kwaliteitscriteria Rekenkamer West-Brabant
4
1.8 Onderzoeksopzet
4
1.9 Methode van onderzoek
5
1.10 Communicatie
5
1.11 Rapportage
5
1.12 Leeswijzer
5
2. Aanleiding voor de rekenkameronderzoeken en wel/niet overnemen van aanbevelingen
6
2.1 Hoe is de keuze van de onderzoeken tot stand gekomen c.q. wat is de aanleiding geweest?
6
2.2
8
Welke aanbevelingen van de Rekenkamer zijn door de gemeenteraad overgenomen?
2.3 Welke aanbevelingen van de Rekenkamer zijn door de gemeenteraad niet overgenomen en waarom niet? 10 3.
Uitvoering en Doorwerking
11
3.1 Welke door de gemeenteraad overgenomen aanbevelingen zijn door het college van B en W en de ambtelijke organisatie aantoonbaar opgevolgd en welke resultaten zijn bereikt? 11 3.2 Welke door de gemeenteraad overgenomen aanbevelingen zijn door het college van B en W niet opgevolgd en waarom niet? 15 4.
Monitoring en aantoonbare effecten c.q. verbeteringen
17
4.1 Op welke wijze is de monitoring van de uitvoering van de aanbevelingen geborgd door het college van B en W en de gemeenteraad? 17 4.2 Welke factoren, die de doorwerking van rekenkameronderzoek beïnvloeden, hebben een rol gespeeld? 18 5. Conclusies en aanbevelingen
25
5.1
Conclusies
25
5.2
Aanbevelingen
26
6. Reactie college op conceptrapport
28
7.
Nawoord
Bijlagen
29 30
Bijlage 1
Analysekader
31
Bijlage 2
Factoren die van invloed zijn op doorwerking
32
Bijlage 3
Digitale vragenlijst
34
Bijlage 4 Bestudeerde documenten
42
Colofon Rekenkamer West-Brabant in samenwerking met BMC.
Samenvatting Aanleiding tot het onderzoek De Rekenkamer West-Brabant voert, zoals vastgelegd in het convenant 2017-2020, ieder jaar een onderzoek uit binnen de deelnemende gemeenten. De Rekenkamer onderzoekt, binnen het gekozen thema, of het beleid van de gemeente doelmatig, doeltreffend en/of rechtmatig is. De eindrapportage hiervan bevat conclusies en aanbevelingen en een reactie van het College van burgemeester en wethouders in hoeverre zij deze conclusies en aanbevelingen overneemt. Doel van het onderzoek naar doorwerking Het doel van het onderzoek naar de ‘doorwerking van rekenkameronderzoeken’ is vast te stellen of de aanbevelingen uit de rekenkameronderzoeken daadwerkelijk het afgesproken vervolg hebben gekregen, inzicht te bieden in verklaringen voor eventuele afwijkingen en de gemeenteraad plusen leerpunten mee te geven bij toekomstig rekenkameronderzoek. Centrale onderzoeksvraag De centrale onderzoekvraag luidt: In hoeverre werken de aanbevelingen van de Rekenkamer door in het gemeentelijk beleid en wat zijn hierbij relevante factoren die van invloed kunnen zijn op (de mate van) doorwerking? Conclusies Vanuit het onderzoek hebben wij de volgende conclusies getrokken. In hoofdstuk 5 van dit rapport zijn de conclusies verder uiteengezet. 1. De keuze van een onderwerp voor onderzoek wordt bepaald door de voorkeur van de fracties in de gemeenteraad.
Er is hierbij sprake van urgentie, politieke voorkeur of van actualiteit. Aansluiting op beleidscyclus vindt nog onvoldoende plaats. 2. Aanbevelingen worden over het algemeen overgenomen door de raad en het college. 3. De aanbevelingen worden overwegend opgevolgd, maar de uitvoering gebeurt niet volgens een systematisch proces. 4. Er is geen vaste systematiek van monitoren en verantwoorden richting het college en vervolgens naar de raad. 5. De factoren ‘timing’ en ‘kwaliteit van het onderzoek’ hebben de grootste impact op de doorwerking gehad. 6. De raad stuurt niet actief op de verdere opvolging. Aanbevelingen Op basis van de conclusies doet de Rekenkamer West-Brabant de volgende aanbevelingen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen aanbevelingen gericht aan de raad van Roosendaal en aan het college van B en W. In hoofdstuk 5 van dit rapport zijn de aanbevelingen verder uiteengezet. Aanbevelingen aan de raad van Roosendaal 1. Versterk het belang van rekenkameronderzoek. 2. Versterk de adviserende rol van de griffier. 3. Sluit aan bij de beleidscyclus. Aanbeveling aan het college van B en W van de gemeente Roosendaal 4. Verbeter de monitoring van opvolging van de aanbevelingen.
1
1. Inleiding Rekenkameronderzoek is een belangrijk instrument voor raden om invulling te geven aan hun kaderstellende en controlerende rol. Het adequaat inzetten van dit instrument kan van substantiële waarde zijn voor raden. Rekenkameronderzoek toetst de doelmatigheid, doeltreffendheid en rechtmatigheid van gemeentelijk beleid en geeft handvatten voor raadsleden, maar ook het college van B en W en de ambtelijke organisatie om (bij) te sturen, te verbeteren en te leren. Een belangrijk element van rekenkameronderzoek is doorwerking. 1.1 Aanleiding De Rekenkamer West-Brabant voert, zoals vastgelegd in het convenant 2017-2020, ieder jaar onderzoeken uit binnen de deelnemende gemeenten. De raad van Roosendaal heeft hierbij gekozen voor het onderwerp ‘Doorwerking van rekenkameronderzoeken’. 1.2 Doel Het doel van het onderzoek naar de ‘doorwerking van rekenkameronderzoeken’ is vast te stellen of de aanbevelingen uit de rekenkameronderzoeken daadwerkelijk het afgesproken vervolg hebben gekregen, inzicht bieden in verklaringen voor eventuele afwijkingen en de gemeenteraad plus- en leerpunten meegeven bij toekomstig rekenkameronderzoek. 1.3 Afbakening Het onderzoek richt zich op de periode 2014-2018. Uit deze periode is een representatieve selectie gemaakt van een vijftal onderzoeken. 1. Onderzoek naar risicomanagement (mei 2014)1 2.
Onderzoek naar verbonden partijen (februari 2015)2 3. Langer zelfstandig wonen voor ouderen (februari 2016)3 4. Onderzoek armoedebeleid Roosendaal (januari 2017)4 5. Onderzoek onderhoud en beheer openbare ruimte (november 2017)5 Voor de selectie van deze onderzoeken zijn de volgende criteria gehanteerd: • Datum van publicatie – er dient een voldoende spreiding over de tijd van de onderzoeken te zijn. • Spreiding over verschillende domeinen. • Eén of meer onderzoeken die bij de gemeenten Roosendaal en Bergen op Zoom gelijktijdig zijn uitgevoerd. 1.4 Onderzoeksvraag De centrale onderzoeksvraag luidt: In hoeverre werken de aanbevelingen van de rekenkameronderzoeken door (in het gemeentelijk beleid) en wat zijn hierbij relevante factoren die van invloed kunnen zijn op (de mate van) doorwerking? Deze centrale vraagstelling is uitgewerkt in acht deelvragen: 1. Hoe is de keuze van de onderzoeken tot stand gekomen c.q. wat is de aanleiding geweest? 2. Welke aanbevelingen van de Rekenkamer zijn door de gemeenteraad overgenomen?
Rekenkamer West-Brabant, 2014, Risicomanagement Gemeente Roosendaal, mei 2014, gemeente Roosendaal, p. 1-75. 2 Rekenkamer West-Brabant, 2015, Onderzoek Verbonden Partijen gemeente Roosendaal, februari 2015, Gemeente Roosendaal, p. 1-82. 3 Rekenkamer West-Brabant, 2016, Onderzoek Ouderenhuisvesting gemeente Roosendaal, februari 2016, gemeente Roosendaal, p. 1-54. 4 Rekenkamer West-Brabant, 2017, Onderzoek Armoedebeleid Gemeente Roosendaal, Januari 2017, gemeente Roosendaal, p. 1-74. 5 Rekenkamer West-Brabant, 2017, Onderzoek Onderhoud en beheer openbare ruimte gemeente Roosendaal, november 2017, gemeente Roosendaal, p. 1-80. 1
2
3. Welke aanbevelingen van de Rekenkamer zijn door de gemeenteraad niet overgenomen en waarom niet?
4. Welke door de gemeenteraad overgenomen aanbevelingen zijn door het college van B en W en de ambtelijke organisatie aantoonbaar opgevolgd en welke resultaten zijn bereikt?
5. Welke door de gemeenteraad overgenomen aanbevelingen zijn door het college van B en W niet opgevolgd en waarom niet?
6. Op welke wijze is de monitoring van de uitvoering van de aanbevelingen geborgd door het college van B en W en de gemeenteraad?
7. Welke factoren, die de doorwerking van rekenkameronderzoek beïnvloeden, hebben een rol gespeeld?
8. Welke verbeteringen zijn mogelijk om doorwerking te bevorderen? 1.5 Specifieke aandachtspunten gemeenteraad Tijdens een bijeenkomst op 30 oktober 2019 is door raadsleden aandacht gevraagd voor: ● De afweging die het college van B en W maakte om aanbevelingen al dan niet op te volgen. Dit onderwerp is behandeld in de paragrafen 3.1 en 3.2. ● Of aanbevelingen daadwerkelijk zijn opgevolgd en of de uitvoering is geborgd. Dit onderwerp staat in de paragrafen 3.1, 3.2 en 4.2. ● Of er verschil in opvolging is tussen de ene en de andere gemeente waar dezelfde onderzoeken zijn gedaan. Dit onderwerp zal behandeld worden in de koepelnotitie. 1.6 Analysekader Voor de beoordeling van de uitkomsten van het onderzoek zijn indicatoren vastgesteld en opgenomen in een analysekader. Dit kader is opgenomen als bijlage 1. De doorwerking van rekenkameronderzoek wordt door verschillende factoren beïnvloed. Figuur 1 maakt dit schematisch inzichtelijk. In bijlage 2 is een omschrijving van deze factoren opgenomen. Bij onderzoeksvraag 7 wordt ingegaan op deze factoren per onderzocht rekenkameronderzoek.
Figuur 1: Factoren die de doorwerking van rekenkameronderzoek beïnvloeden6
6
Bron: https://wiki.nvrr.nl/doorwerking
3
1.7 Kwaliteitscriteria Rekenkamer West-Brabant De Rekenkamer West-Brabant hanteert voor het doen van onderzoek een onderzoeksprotocol7. Voor zover relevant voor dit onderzoek is getoetst aan de hierin opgenomen criteria voor de selectie van onderzoeken en de kwaliteitseisen die aan rekenkameronderzoek worden gesteld. 1.8 Onderzoeksopzet Het onderzoek is uitgevoerd in de periode januari 2020 tot en met mei 2020 bij de gemeente Roosendaal. De gehanteerde onderzoeksaanpak kent schematisch de volgende stappen:
Figuur 2: Schematische weergave van het stappenplan
De analyse van het onderzoek is inhoudelijk conform onderstaand schema opgebouwd: Input
Analyse
Bevindingen aan de hand van de deelvragen
Resultaten
Documenten (zie bijlage 4)
Nadere analyse aan de hand van de onderzoeksvragen
Bevindingen ten aanzien van de aanleiding van de rekenkameronderzoeken en het wel of niet overnemen van aanbevelingen (onderzoeksvragen 1, 2 en 3)
Conclusies ten aanzien van de centrale onderzoeksvraag (Deel I van het rapport)
Interviews Digitale vragenlijst (zie bijlage 3)
Bevindingen ten aanzien van uitvoering en doorwerking (onderzoeksvragen 4 en 5)
Conclusies per onderzoeksdeelvraag (Deel I van het rapport)
Analysekader Indicatoren per soort doorwerking (bijlage 1)
Bevindingen ten aanzien van monitoring en aantoonbare effecten c.q. verbeteringen (onderzoeksvragen 6, 7 en 8)
Aanbevelingen voor de gemeente (Deel I van het rapport)
Figuur 3: Schematische weergave van de opbouw van de analyse van het onderzoek
7
https://www.rekenkamerwestbrabant.nl/docs/alg/rkwb-alg-03-ondrzkprot.pdf
4
1.9 Methode van onderzoek De volgende methodologie is gehanteerd voor de uitvoering van het onderzoek naar de doorwerking van rekenkameronderzoek (zie ook figuur 3). • Documentenanalyse – De rekenkameronderzoeken, relevante beleidsdocumenten, relevante uitvoeringsprogramma’s en raadsverslagen zijn bestudeerd (zie bijlage 4). Op basis daarvan zijn eerste bevindingen geformuleerd. • Analysekader – De eerste bevindingen zijn afgezet tegen het analysekader (zie bijlage 1). Op basis daarvan zijn verwonderpunten (afwijkingen van het analysekader) opgesteld. Deze zijn vertaald naar interviewvragen. De interviewvragen zijn vervolgens geclusterd naar de betrokkenheid van de geïnterviewden bij de onderzoeken. • Interviews – Voor het onderzoek zijn semigestructureerde interviews gehouden met functionarissen en bestuurders van de gemeente Roosendaal. In deze gesprekken is ingegaan op de verwonderpunten (zie basis voor de interviewvragen). Van de gesprekken zijn gespreksverslagen gemaakt, die voor eventueel commentaar zijn aangeboden aan de geïnterviewden. • Digitale vragenlijst – Door de coronacrisis heeft geen persoonlijk gesprek kunnen plaatsvinden met raadsleden van de gemeente Roosendaal. Er is daarom voor gekozen om een digitale vragenlijst uit te zetten bij de raadsleden (zie bijlage 3). De basis voor de gestelde vragen vormen de eerdergenoemde verwonderpunten.
Uiteindelijk hebben, na een reminder, zes raadsleden de digitale vragenlijst ingevuld. De uitkomsten van de digitale vragenlijst zijn vervolgens gebruikt om de bevindingen in te kleuren. • Bevindingen – De eerste bevindingen zijn aangevuld met de bevindingen vanuit de interviews en de digitale vragenlijst. Deze bevindingen zijn weer afgezet tegen het analysekader en op basis daarvan zijn constateringen gedaan. Deze zijn in de volgende hoofdstukken expliciet (cursief) weergegeven. 1.10 Communicatie Voorafgaand aan de start van het onderzoek is in januari 2020 aan de gemeente Roosendaal een plan van aanpak verstrekt met informatie over de achtergrond van het onderzoek en de aanpak. De leden van de raad zijn in januari 2020 geïnformeerd middels een nieuwsbulletin. 1.11 Rapportage De Nota van Bevindingen is voor ambtelijk wederhoor (toets op feitelijke juistheden) voorgelegd aan de ambtelijke organisatie van de gemeente Roosendaal. Op basis van de uitkomsten is de rapportage op relevante onderdelen aangepast en – voorzien van conclusies en aanbevelingen aangeboden voor bestuurlijk wederhoor aan het college van B en W van de gemeente Roosendaal. Nadat de rapportage is vastgesteld zal deze ter behandeling worden aangeboden aan de raad van de gemeente Roosendaal. 1.12 Leeswijzer Hierna presenteren de onderzoekers door middel van een schema de feitelijke bevindingen per onderzoek.
Vervolgens benoemen zij hun bevindingen en constateringen. Dit laatste geven ze door middel van cursieve alinea’s weer. Onderzoeksvraag 8 is beantwoord in het hoofdstuk met de conclusies en aanbevelingen. Per onderwerp kijken de onderzoekers steeds naar de vijf rekenkameronderzoeken. De hoofdstukindeling van het rapport is ingericht langs de volgende onderwerpen: ● Aanleiding van de rekenkameronderzoeken en het wel of niet overnemen van aanbevelingen (onderzoeksvragen 1, 2 en 3). ● Uitvoering en doorwerking (onderzoeksvragen 4 en 5). ● Monitoring en aantoonbare effecten c.q. verbeteringen (onderzoeksvragen 6 en 7).
5
2.
Aanleiding voor de rekenkameronderzoeken en wel/niet overnemen van aanbevelingen
In dit hoofdstuk wordt naar aanleiding van de vijf rekenkameronderzoeken beschreven in hoeverre de gedane aanbevelingen door de gemeenteraad zijn overgenomen. De volgende onderzoeksvragen worden in dit hoofdstuk behandeld. 1. Hoe is de keuze van de onderzoeken tot stand gekomen c.q. wat is de aanleiding geweest? 2. Welke aanbevelingen van de Rekenkamer zijn door de gemeenteraad overgenomen? 3. Welke aanbevelingen van de Rekenkamer zijn door de gemeenteraad niet overgenomen en waarom niet? Voor de beantwoording van de onderzoeksvragen zijn de indicatoren van het analysekader leidend geweest. In het onderzoeksprotocol is weergegeven hoe de keuze van een onderwerp bij de Rekenkamer West-Brabant tot stand komt. Er wordt hierbij begonnen met een inventarisatie. De inventarisatie is een verzameling van onderwerpen die door de Rekenkamercommissie zijn aangedragen (op grond van monitoring of als uitvloeisel van eerdere onderzoeken) of die zijn gesuggereerd door vertegenwoordigers of bestuurders van gemeentelijke organen (raad, college, burgemeester,) en burgers en belangengroeperingen. De door hen ingediende verzoeken worden betrokken bij de afwegingen die de Rekenkamercommissie maakt bij de samenstelling van het onderzoeksprogramma. Het onderzoeksprogramma maakt onderdeel van het jaarplan van de Rekenkamer. Dit jaarplan wordt voorgelegd aan de gemeenteraden. 2.1
Hoe is de keuze van de onderzoeken tot stand gekomen c.q. wat is de aanleiding geweest?
Hoe is de keuze van de onderzoeken tot stand gekomen c.q. wat is de aanleiding geweest? Onderzoek Feitelijke bevindingen Indicatoren analysekader • Actualiteit • Politieke relevantie • Gedragen door raadsleden • Voldoen aan criteria Rekenkamer RisicoDe keuze voor dit onderwerp was door de auditcommissie in een gesprek met de Rekenkamer aangegeven. Hierdoor is management er sprake van politieke relevantie en is het gedragen door de raadsleden. Er was geen specifieke aanleiding aanwezig (2014) (beperkte actualiteit). Doel: Beleid rondom risicomanagement van de gemeente in kaart te brengen, waarbij niet alleen een retroperspectief beeld werd geschetst maar ook praktische en bruikbare toekomstgerichte aanbevelingen te doen. Er is daarom voor een normenkader gekozen dat gericht is op modern risicomanagement: het bereiken van (gemeentelijke) doelen en het managen van risico’s die dat in de weg staan.
Verbonden partijen (2015)
Het onderzoek voldeed aan de criteria van de Rekenkamer. Het onderzoek is een follow-up van een eerder rekenkameronderzoek in 2006/2007 naar het onderwerp verbonden partijen. De keuze voor dit onderwerp is ingegeven door: • Een landelijke enquête in 2014 onder raadsleden over samenwerking, gemeenschappelijke regelingen, herindeling, uitgevoerd in opdracht van Raadslid.nu, de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden. De uitkomsten wezen op knelpunten rond verbonden partijen. • De veranderende rol van gemeenten en verkrijgen van extra taken. Hierdoor is er een zekere mate van actualiteit van het onderwerp aanwezig. Doordat er sprake is van een follow-up van een eerder onderzoek, is er sprake van politieke relevantie. Het onderwerp leeft bij de raad. Hierdoor is er ook sprake van een gedragen onderwerp door de raadsleden. Doel: inzicht bieden in de stand van zaken met betrekking tot de sturing en controle op verbonden partijen.
Langer zelfstandig wonen voor ouderen (2016)
Het onderzoek voldeed aan de criteria van de Rekenkamer. De keuze voor dit onderwerp is ingegeven door demografische ontwikkelingen (vergrijzing) en veranderingen in het overheidsbeleid (extramuralisering, decentralisatie verantwoordelijkheden in het sociaal domein naar gemeenten), waarbij het beleid voor ouderenhuisvesting in belang toeneemt (actualiteit). De Rekenkamer heeft dit onderwerp aangedragen, waarop de gemeenten Roosendaal en Geertruidenberg dit een interessant onderwerp vonden (politieke relevantie en gedragen door raadsleden).
6
Hoe is de keuze van de onderzoeken tot stand gekomen c.q. wat is de aanleiding geweest? Onderzoek Feitelijke bevindingen Uit de gevoerde ambtelijke gesprekken voor het onderhavige onderzoek blijkt achteraf een aanvullende aanleiding, namelijk dat de gemeente Roosendaal in 2015 een woonagenda had opgesteld. In deze woonagenda kreeg het onderwerp ouderenhuisvesting te weinig specifieke aandacht. Doel: inzicht bieden in hoeverre het beleid omtrent ouderenhuisvesting doeltreffend, doelmatig en actueel is.
Armoedebeleid (2017)
Het onderzoek voldeed aan de criteria van de Rekenkamer. De raad heeft om het onderzoek gevraagd omdat voor het minimabeleid een integrale nota ontbrak. Er was op dat moment dus een actuele reden om voor dit onderzoek te kiezen. Daarnaast was de gemeenteraad niet tevreden over de informatievoorziening (politieke relevantie en gedragen door raadsleden). De achterliggende maatschappelijke reden was dat als gevolg van de financiële crisis bij veel huishoudens ingrijpende veranderingen zijn opgetreden in de inkomenssituatie (actualiteit en politieke relevantie). Vanuit dit laatste aspect was er dus politieke relevantie. Doel: inzicht bieden in hoeverre het armoedebeleid doeltreffend en doelmatig is.
Onderhoud en beheer openbare ruimte (2017)
Het onderzoek voldeed aan de criteria van de Rekenkamer. De Rekenkamer heeft bij de voorbereiding van het onderzoeksprogramma 2017 het onderwerp “Onderhoud en beheer openbare ruimte” voorgesteld als relevant onderzoeksthema. In reactie daarop is door de raden van de gemeenten Roosendaal, Halderberge, Geertruidenberg en Etten-Leur de interesse voor dit onderwerp kenbaar gemaakt (gedragen door raadsleden) en is dit door de Rekenkamer voor deze gemeenten in het onderzoeksprogramma voor 2017 opgenomen. Er was op dat moment in de gemeente Roosendaal beperkte politieke relevantie, al stond het onderwerp wel regelmatig op de raadsagenda. Doel: voor de raad van Roosendaal was het belangrijk om meer zicht te krijgen op de specifieke lokale context betreffende de financiën en de kwaliteit (onderhoudsniveaus) van de objecten in de openbare ruimte. Het onderzoek voldeed aan de criteria van de Rekenkamer.
Constateringen Via het onderzoeksprogramma en jaarplan van de Rekenkamer, stelt de Rekenkamer onderwerpen voor die onderzocht kunnen worden. De raad maakt een keuze uit deze voordracht of kan ook zelf onderwerpen van onderzoek aandragen. Bij de keuze van een onderwerp voor onderzoek door de raad, constateren wij dat dit is bepaald door de voorkeur van de fracties in de gemeenteraad. Er is hierbij sprake van urgentie, politieke voorkeur of van actualiteit. Bij de keuze van het onderwerp van onderzoek is de actualiteit niet dominant. Met andere woorden, er wordt nog beperkt gekeken of het onderzoek kan bijdragen aan in ontwikkeling zijnd beleid of actuele vraagstukken. Uit de bestuurlijke en ambtelijke gesprekken vernamen de onderzoekers dat wanneer het onderzoek een hoge mate van urgentie8 (actualiteit en relevantie van het onderwerp) heeft en dit ook door de vakafdeling onderkend wordt, de doorwerking groter is, zoals bijvoorbeeld bij het onderzoek naar Langer Zelfstandig Wonen voor ouderen en Armoedebeleid (zie paragraaf 3.1). Daarnaast draagt de Rekenkamer onderwerpen voor onderzoek aan, bijvoorbeeld wanneer een onderzoek tegelijk bij meerdere gemeenten uitgevoerd gaat worden, waarop kan worden ingetekend. De keuze om deel te nemen aan een onderzoek dat tegelijk bij andere gemeenten wordt uitgevoerd, lijkt willekeurig tot stand te komen.
De geënquêteerde raadsleden in Roosendaal hebben het idee dat de onderzoekskeuze vooral tot stand komt op basis van politieke relevantie en actualiteit, zo blijkt uit de antwoorden op de digitale vragenlijst aan de raadsleden9. Na de keuze voor een onderwerp vindt afstemming plaats met de auditcommissie door de Rekenkamer over de scope en de vraagstelling van het onderzoek. Uit de antwoorden op de digitale vragenlijst onder raadsleden, blijkt dat de raadsleden het gevoel hebben dat ze voldoende zijn betrokken voorafgaand aan het onderzoek en bij de start. Tijdens het onderzoek ervaren ze weinig betrokkenheid. Bij de behandeling van het rapport zijn ze wel goed aangehaakt, bemerken raadsleden. Urgentie is een term die veelvuldig naar voren kwam uit de gevoerde bestuurlijke en ambtelijke gesprekken voor dit onderzoek. Onder urgentie wordt verstaan dat het onderwerp van onderzoek actueel is en relevantie heeft voor de gemeente. In deze formulering kan urgentie ook gekoppeld worden aan het begrip timing, als factor die doorwerking beïnvloedt (zie hiervoor figuur 1 en bijlage 2). 9 De vragenlijst is door zes raadsleden ingevuld. 8
7
2.2
Welke aanbevelingen van de Rekenkamer zijn door de gemeenteraad overgenomen?
Welke aanbevelingen van de Rekenkamer zijn door de gemeenteraad overgenomen? Onderzoek Feitelijke bevindingen Indicatoren analysekader • Er is voldoende aandacht door de raad genomen voor bespreking van het rapport. • De hoofdlijnen van het rapport zijn niet/deels/volledig gesteund door de raad. • De bevindingen van het rapport zijn niet/deels/volledig gesteund door de raad. • De conclusies van het rapport zijn niet/deels/volledig gesteund door de raad. • De aanbevelingen van het rapport zijn niet/deels/volledig overgenomen door de raad. • Er is door de raad op een andere manier een vervolg gegeven aan het rapport, bijvoorbeeld door het aannemen van een amendement of motie RisicoAlle aanbevelingen zijn door de gemeenteraad overgenomen: management 1. Organiseer (naast bestaande (formele) ijkmomenten) een aantal additionele c.q. informele sessies met de (2014) gemeenteraad waarin risico’s over specifieke thema’s, bijvoorbeeld de invoering van de decentralisaties in het sociaal domein, met elkaar worden gedeeld. 2. Organiseer structurele actualisatie van risico’s en beheersmaatregelen binnen de reguliere jaarplancyclus aan ‘de voorkant’ door in de begrotingscyclus doelstellingen en programma’s consequent te koppelen aan risico’s en door bij de identificatie van doelen en programma’s gelijk de risico’s te inventariseren.
En aan ‘de achterkant’ door rond het jaarrekeningproces de werking van risicomanagement (geïdentificeerde risico’s en beheersmaatregelen) te evalueren. 3. Maak de rapportage over de geïdentificeerde risico’s en risicomaatregelen onderdeel van de reguliere managementrapportages. 4. Maak risicomanagement (het beleid, de inventarisatie en beheersing van risico’s en maatregelen én de rapportage over de voortgang) onderdeel van het reguliere managementoverleg, zowel op afdelingsniveau als op het niveau van directie en college van B en W. 5. Stel beleid op ten aanzien van de zachte kant van risicomanagement in termen van noodzakelijke cultuur en competenties. Vertaal dit beleid in functie-eisen voor management en medewerkers én in instrumenten op het gebied van communicatie en informatie, training en scholing. Dit betekent ook dat de raad de bevindingen en conclusies van het rapport steunt.
Verbonden partijen (2015)
Langer zelfstandig wonen voor ouderen (2016)
Er is door de raad geen verder vervolg gegeven aan de aanbevelingen door middel van een amendement of motie. Het raadsvoorstel behorende bij het rekenkameronderzoek was een hamerstuk. Alle aanbevelingen zijn door de gemeenteraad overgenomen, te weten: 1. Zorg voor een effectieve inbreng bij de actualisatie van de regionale kadernota. 2. Stel in aanvulling op de regionale kadernota een eigen notitie verbonden partijen op waarin voor de gemeente specifieke afspraken worden vastgelegd. 3. Waarborg in het beleidskader dat de raad vroegtijdig in het besluitvormingsproces over de vorming van verbonden partijen wordt betrokken. 4. Ga een verbonden partij niet aan voor onbepaalde tijd, maar neem een horizonbepaling op, op basis waarvan ten minste eenmaal in een vooraf vast te stellen periode een herijking plaatsvindt die kan leiden tot aanpassing van de voorwaarden waarbinnen de verbonden partij functioneert, of indien de situatie daar aanleiding toe geeft, uittreding uit de verbonden partij. 5. Draag, conform de uitgangspunten van de nieuwe Wgr, de verbonden partijen op om een meerjarig beleidskader op te stellen. 6. Vraag het college de verbonden partijen te verplichten om terugkoppeling te geven over ingediende zienswijzen, zowel van de eigen gemeente als van andere partijen. 7.
Vraag het college in de jaarstukken inzicht te geven in de maatschappelijke effecten van de werkzaamheden van de verbonden partij. 8. Vraag het college de informatievoorziening te differentiëren al naar gelang het risicoprofiel van de verbonden partij. 9. Agendeer de behandeling van de jaarrekeningen in de gemeenteraad. Behandel ook de jaarrekeningen tijdens één vergadering. Onderzoek of het mogelijk is om binnen het besluitvormingsproces tot vaststelling van de jaarrekening te voorzien in een zienswijze vanuit de gemeenteraden. 10. Draag er zorg voor dat in de op te stellen regionale kadernota een periodieke evaluatie van verbonden partijen wordt opgenomen. Tijdens de raadsvergadering op 25 maart 2015 nam de raad de motie Vinger aan de pols II unaniem aan. Deze motie droeg het college op om binnen de planning-en-controlcyclus telkens expliciet te rapporteren over de voortgang en realisatie van de begroting en de beleidsdoelstellingen van gemeenschappelijke regelingen. Alle aanbevelingen zijn door de gemeenteraad overgenomen, te weten: 1. Visie: Geadviseerd wordt de verantwoordelijkheden met betrekking tot de huisvesting van ouderen duidelijk vast te leggen, op elkaar af te stemmen en met inwoners te communiceren. 2.
Doelgroep: Geadviseerd wordt om de doelgroep nader te definiëren en te specificeren naar leeftijdsgroepen en huidige woonsituatie, waarbij specifieke aandacht wordt gevraagd voor inwoners van gevorderde leeftijd die nog niet in een aangepaste of aanpasbare woning wonen.
8
Welke aanbevelingen van de Rekenkamer zijn door de gemeenteraad overgenomen? Onderzoek Feitelijke bevindingen 3. Definitie en ordening: Geadviseerd wordt om aan te sluiten op de begripsbepaling zoals die door de Ministeries van BZK en VWS wordt gehanteerd. Hierdoor kan tot een gedifferentieerd inzicht gekomen worden in de aard van de benodigde woningen. Daarnaast maakt een aansluiting het mogelijk om gebruik te maken van ervaringen elders. 4. Prognose van de vraag: Geadviseerd wordt om tot twee typen prognoses te komen: a. Prognose lange termijn. Op basis van kengetallen inzicht verkrijgen in verwachte ontwikkelingen. Risico is dat er sprake is van aannames met een onzekerheidsmarge. b. Prognose korte termijn. Geadviseerd wordt om een marktonderzoek uit te voeren om zo inzicht te krijgen in de ontwikkelingen op korte termijn. Op basis daarvan kan met maatschappelijke partners tot concrete realisatie gekomen worden. 5. Inzicht in aanbod: Richt de monitoring van het aantal levensloopbestendige woningen dusdanig in dat wordt aangesloten bij de genoemde definitie en ordening van het begrip ‘geschikte woning’. Bij de monitoring dient gekeken te worden naar de beschikbaarheid per wijk (of deel van) voor de huisvesting van ouderen. 6. Vrije sector: Geadviseerd wordt om ook de ontwikkeling van levensloopbestendige woningen in de vrije sector te monitoren, stimuleren en faciliteren. 7.
Woonservicezones: Geadviseerd wordt om te verduidelijken in hoeverre het beleid met betrekking tot de woonservicezones nog uitgangspunt is in de ouderenhuisvesting. 8. Gemeenteraad: Geadviseerd wordt om in het kader van zowel de kaderstellende, controlerende als vertegenwoordigende rol meer aandacht te geven aan de vraag of de gemeentelijke woningvoorraad voldoende geschikt is om tegemoet te komen aan de vraag van de vergrijzende bevolking in Roosendaal. 9. Leereffecten uit onderzoek in Geertruidenberg: In de formulering van beleid verdient het aanbeveling uit te gaan van een integrale benadering, waarin de koppeling wordt gezocht tussen wonen – welzijn – zorg en toegankelijkheid, zoals daar onder meer in Geertruidenberg over wordt nagedacht.
Armoedebeleid (2017)
Onderhoud en beheer openbare ruimte (2017)
Naar aanleiding van het rekenkameronderzoek heeft de raad een motie aangenomen, waarin het college werd opdragen: • Een woononderzoek te doen onder ouderen om meer inzicht te krijgen in specifieke woonwensen en behoeften van ouderen zelf, met name ook in de kleine kernen en onder allochtone ouderen en dit te betrekken bij de verdere uitwerking van de woonagenda; • De raad hierover voor eind december 2016 te informeren. De aanleiding van deze motie is gelegen in de lijn met de conclusies en aanbevelingen van het rekenkamerrapport: er is inzicht nodig in de wensen en behoeften van ouderen ten aanzien van wonen. Alle aanbevelingen zijn door de gemeenteraad overgenomen, te weten: 1. De diverse vormen van inkomensondersteuning in de gemeente Roosendaal hebben een positief effect op de bestedingsruimte van de inwoners. Het Nibud adviseert om bovenstaande regelingen en mogelijkheden op dezelfde manier voort te zetten. 2. Het Nibud raadt de gemeente Roosendaal dan ook aan om te kijken naar de mogelijkheden om een algemene peuterspeelzaal vergoeding te verstrekken voor minima, zodat zij eerder geneigd zijn om hun kinderen naar de peuterspeelzaal te brengen. 3. Het Nibud adviseert het bestaan van inkomensondersteunende regelingen actief naar buiten te brengen.
Ook verstrekkingen vanuit de individuele bijzondere bijstand (niet in dit onderzoek meegenomen) kunnen dergelijke gezinnen helpen om hun tekorten te beperken. 4. Er wordt geadviseerd om te inventariseren of het mogelijk is om binnen de individuele inkomenstoeslag rekening te houden met het verschil in kosten tussen paren met jonge en oudere kinderen. 5. Er wordt geadviseerd de mogelijkheid te onderzoeken om ook een tegemoetkoming voor sportieve en/of sociaalculturele activiteiten aan volwassenen te verstrekken. Met name paren, die met een bijstandsnorm de kosten van twee volwassenen moeten dragen, zullen veel baat hebben bij een bijdrage voor elke volwassene binnen het huishouden. Er is door de raad geen verder vervolg gegeven aan de aanbevelingen door middel van een amendement of motie. Het raadsvoorstel behorende bij het rekenkameronderzoek was een hamerstuk. Alle aanbevelingen zijn door de gemeenteraad overgenomen, te weten: 1. Wees consistent en realistisch in de normering. Het verdient aanbeveling om prioriteit te geven aan de discussie over een realistische hoogte van de nagestreefde kwaliteitsniveaus en deze zo te formuleren dat ze over een langere periode te handhaven zijn. Werk daarna aan het wegwerken van het achterstallig onderhoud (in vergelijking met de streefwaarden).
Het is verstandig om uit te gaan van realiseerbare streefwaarden in plaats hogere, maar onrealistische streefwaarden. 2. Breng consistentie aan in de informatie die aan de gemeenteraad wordt voorgelegd. Om de raad beter in positie te brengen zou ofwel de productbegroting aan de raad verstrekt kunnen worden ofwel een separaat financieel overzicht betreffende de openbare ruimte. 3. Kies een voor de raad meer toegankelijke wijze van presenteren van de te hanteren normering en stem daar ook de monitoring en evaluatie op af. De CROW-kwaliteitsbeelden zijn een bruikbaar middel om met raadsleden en inwoners te communiceren. Geadviseerd wordt om dat vaker en beter te doen. Inzicht in de normering en vervolgens ook de rapportages over monitoring daarop inrichten maakt het vervolgens ook mogelijk om op basis daarvan het beleid bij te stellen.
9
Welke aanbevelingen van de Rekenkamer zijn door de gemeenteraad overgenomen? Onderzoek Feitelijke bevindingen 4. Breng consistentie aan in de financiële kaderstelling en het daarbij behorende financieel management voor de openbare ruimte. Dit geeft inzicht in de reden voor afwijkingen tussen begroting en realisatie en geeft het management de mogelijkheid om budgettair te sturen. Tevens kan de raad door een dergelijke rapportage beter invulling geven aan zijn kaderstellende en controlerende rol. 5. Zie bewonersparticipatie vooral als instrument om van norm gestuurd naar effect gestuurd beleid voor de openbare ruimte te komen. 6. Rust de ambtelijke organisatie toe met voldoende middelen om de gestelde ambities te realiseren. Er is door de raad geen verder vervolg gegeven aan de aanbevelingen door middel van een amendement of motie. Het raadsvoorstel behorende bij het rekenkameronderzoek was een hamerstuk.
Constateringen Alle aanbevelingen zijn door de gemeenteraad overgenomen. Hierop kan van invloed zijn dat de bestuurlijke reactie van het college van B en W overwegend positief was, maar op enkele punten een aanmerking plaatste. De conclusies en aanbevelingen bij een enkel onderzoek (risicomanagement) waren een bevestiging van de ingeslagen weg qua beleid. Hierdoor was het eenvoudig om de aanbevelingen over te nemen. De behandeling van het rekenkameronderzoek was in een aantal gevallen (Verbonden Partijen en Ouderenhuisvesting) aanleiding om één of meer moties in te dienen. De onderzoekers constateren dat de moties in lijn zijn met de conclusies en aanbevelingen in de rekenkamerrapporten, maar er vooral op gericht zijn om het college van B en W een duidelijke opdracht ten aanzien van de opvolging te geven. 2.3
Welke aanbevelingen van de Rekenkamer zijn door de gemeenteraad niet overgenomen en waarom niet?
Welke aanbevelingen van de Rekenkamer zijn door de gemeenteraad niet overgenomen en waarom niet? Onderzoek Feitelijke bevindingen Indicatoren analysekader • Er is voldoende aandacht door de raad genomen voor bespreking van het rapport. • De hoofdlijnen van het rapport zijn niet/deels/volledig gesteund door de raad. • De bevindingen van het rapport zijn niet/deels/volledig gesteund door de raad. • De conclusies van het rapport zijn niet/deels/volledig gesteund door de raad. • De aanbevelingen van het rapport zijn niet/deels/volledig overgenomen door de raad. • Er is door de raad op een andere manier een vervolg gegeven aan het rapport, bijvoorbeeld door het aannemen van een amendement of motie. Risicomanagement (2014) De hoofdlijn van het onderzoek is overgenomen. De conclusies in het onderzoek worden ondersteund. Alle aanbevelingen zijn overgenomen. Verbonden partijen (2015) De hoofdlijn van het onderzoek is overgenomen. De conclusies in het onderzoek worden ondersteund. Alle aanbevelingen zijn overgenomen. De motie Vinger aan de pols II is unaniem aangenomen – zie paragraaf 2.2. Langer zelfstandig wonen voor ouderen (2016) De hoofdlijn van het onderzoek is overgenomen. De conclusies in het onderzoek worden ondersteund. Alle aanbevelingen zijn overgenomen. Er is een motie aangenomen – zie paragraaf 2.2. Armoedebeleid (2017) De hoofdlijn van het onderzoek is overgenomen.
De conclusies in het onderzoek worden ondersteund. Alle aanbevelingen zijn overgenomen. Onderhoud en beheer openbare ruimte (2017) De hoofdlijn van het onderzoek is overgenomen. De conclusies in het onderzoek worden ondersteund. Alle aanbevelingen zijn overgenomen.
Constateringen Zoals geconstateerd in paragraaf 2.2 zijn alle conclusies en aanbevelingen uit de onderzochte rekenkameronderzoeken door de raad van Roosendaal overgenomen.
10
3.
Uitvoering en Doorwerking
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de volgende twee onderzoeksvragen: 4. Welke door de gemeenteraad overgenomen aanbevelingen zijn door het college van B en W en de ambtelijke organisatie aantoonbaar opgevolgd en welke resultaten zijn bereikt? 5. Welke door de gemeenteraad overgenomen aanbevelingen zijn door het college van B en W niet opgevolgd en waarom niet? Voor de beantwoording van de onderzoeksvragen zijn de indicatoren van het analysekader leidend geweest. 3.1
Welke door de gemeenteraad overgenomen aanbevelingen zijn door het college van B en W en de ambtelijke organisatie aantoonbaar opgevolgd en welke resultaten zijn bereikt?
Welke door de gemeenteraad overgenomen aanbevelingen zijn door het college van B en W en de ambtelijke organisatie aantoonbaar opgevolgd en welke resultaten zijn bereikt? Onderzoek Feitelijke bevindingen Indicatoren analysekader • De conclusies en/of redeneertrant zijn overgenomen in beleid(svoornemens). • De aanbevelingen zijn niet/deels/volledig geïmplementeerd. • Als gevolg van het product is een aantoonbare verandering opgetreden in: o de beleidsvorming door ambtelijke organisatie, college en/of raad; o de meningsvorming door het college en/of de raad; o de (wijze van) besluitvorming door het college en/of de raad; o de beleidsuitvoering; o de verantwoording over het gevoerde bestuur. • Veranderingen in de beleidsuitvoering hebben geleid tot verbeterde resultaten in termen van besluiten en beleidsplannen en/of maatschappelijke effecten. RisicoIn de bestuurlijke reactie is aangegeven hoe het college van B en W aankeek tegen de aanbevelingen: management • Aanbeveling 1: “Het college beschouwt de auditcommissie, net als in het verleden, ook de komende periode als (2014) het natuurlijke overlegorgaan om de ontwikkelingen in risico’s periodiek met elkaar te bespreken. Daarnaast komen bij informele sessies, bijvoorbeeld in het kader van de drie decentralisaties, de risico’s aan de orde. Dat betekent dat wij, conform uw aanbeveling, de ingeslagen weg continueren.
• Aanbeveling 2: In de praktijk is deze aanbeveling reeds overgenomen. Tijdens het proces van het opstellen van de programmabegroting worden risico’s geïnventariseerd. Daarnaast wordt de begroting tegen het licht gehouden om te analyseren of hier nieuwe risico’s uit voortvloeien. Verder volgen wij de ontwikkeling bij de bestuursrapportages. • Aanbevelingen 3 en 4: Geïnventariseerde risico’s zijn onderdeel van adviesnota’s, raadsvoorstellen, bestuursrapportages, begroting en jaarrekening. Dat betekent dat ontwikkelingen in risico’s op verschillende momenten op de tafels van teams, directie, college en raad komen. Wij nemen uw aanbeveling over en gaan, naast de genoemde momenten, risicomanagement nog meer managementaandacht geven door dit ook op andere momenten als onderwerp te agenderen. Bij die managementaandacht richten wij ons ook op de cultuuraspecten. • Aanbeveling 5: Wij delen uw conclusie dat een juiste cultuur en competenties belangrijke succesbepalende factoren zijn voor goed risicomanagement. U concludeert daarbij terecht dat ten aanzien van die zachte kant van risicomanagement de belangrijkste bouwstenen aanwezig zijn en er een omslag waarneembaar is van systeemdenken naar aandacht voor gedrag.
Wij zullen volgend jaar, bij het herijken van het beleid, afwegen of dit ook moet leiden tot een harde vertaling in beleid en instrumenten of dat andere methoden passender zijn om het risicobewustzijn van onze organisatie nog verder te vergroten.” In de koepelnotitie10 staat het volgende over de opvolging van de aanbevelingen 2, 3, 4 en 5: • In 2013 is een risicosessie decentralisatie AWBZ georganiseerd waarin uiteenlopende risico’s van politieke, financiële en juridische aard zijn besproken met en door medewerkers uit diverse teams (invulling aanbeveling 2). • Er is een traject ‘beter adviseren’ gestart. In dit traject komen de adviesnota’s aan college en gemeenteraad aan de orde. Risico’s maken expliciet deel uit van deze nota’ (invulling aanbeveling 3) en komen dus in het opleidingstraject, waarbij 120 medewerkers zijn betrokken, aan de orde (invulling aanbevelingen 4 en 5). • Bij de organisatieontwikkeling staan resultaatgerichtheid en eigenaarschap centraal. Projectleiders, projectmanagers en teamleiders zijn integraal verantwoordelijk voor doelstellingen maar ook voor de bijbehorende risico’s. Risico-eigenaren worden vervolgens ondersteund door control (invulling aanbevelingen 4 en 5).
Rekenkamer West-Brabant, 2014, Risicomanagement Bergen op Zoom, Etten-Leur, Geertruidenberg, Halderberge, Moerdijk, Oosterhout en Roosendaal - Koepelnotitie, juli 2014, p. 1-32. 10
11
Welke door de gemeenteraad overgenomen aanbevelingen zijn door het college van B en W en de ambtelijke organisatie aantoonbaar opgevolgd en welke resultaten zijn bereikt? Onderzoek Feitelijke bevindingen In 2019 is de actuele nota risicomanagement11 vastgesteld. Daarin wordt verwezen naar de aanbevelingen in het rekenkamerrapport en is onder andere ingegaan op verwoording van risico’s in de planning-en-controldocumenten (invulling aanbeveling 2). In de nota heeft de gemeente de volgende doelstellingen opgenomen: ● De raad geeft invulling aan zijn kaderstellende rol. ● De gemeentelijke risico’s worden beheerst, zodat de realisatie van strategische en operationele doelstellingen wordt bevorderd. ● Gemeentebreed wordt gestuurd op risico’s. ● De planning-en-controlrapportages worden voorzien van informatie over risico’s. Hierbij is het van belang dat er voldoende risicobewustzijn, kennis en vaardigheden op het vlak van risicomanagement bij bestuur, management en medewerkers (invulling aanbeveling 5) is. Hierbij wil de gemeente in een vroegtijdig stadium risico-overwegingen in besluitvorming betrekken, kunnen onzekerheden worden ingeschat en worden uitgewerkt in mogelijke scenario’s. Toepassing vindt plaats op diverse niveaus, van strategisch tot en met operationeel niveau.
Het gemeentebreed sturen op risicomanagement houdt in dat risicomanagement zich uitstrekt over het handelen van het totale gemeentelijke apparaat. Op alle niveaus van besluitvorming is risico-informatie een factor van belang om afgewogen besluiten te kunnen nemen, respectievelijk om verantwoording over af te leggen. Relevante risico-informatie dient dan ook onderdeel uit te maken van beleidsmatige documenten (zoals raadsbesluiten, collegebesluiten en programmabegroting) en verantwoordingsdocumenten (zoals tussentijdse rapportages en de jaarrekening) (invulling aanbeveling 3). Belangrijk voor het succesvol uitvoeren van risicomanagement is vooral dat alle participanten zich bewust worden van risico’s in hun werkomgeving. Dat gaat niet vanzelf. Bewustzijn, kennis en vaardigheden op dat vlak dienen gestimuleerd en ondersteund te worden door dialogen, agendering, voorlichting, opleiding en training (invulling aanbeveling 5). Een volgend voorbeeld van opvolging van aanbeveling 2 betreft het subsidiebeleid. Er is een sessie belegd met de beleidsmedewerkers om samen met de concerncontrollers na te denken over het beleid en daarbij de risico’s te inventariseren. Een voorbeeld van opvolging van aanbeveling 4 is het rapporteren op milestones van de voortgang op grote projecten. Risicobeheersing vormt een vast onderdeel van deze voortgangsrapportages.
Verbonden partijen (2015)
Aanbeveling 1 was vanuit het onderzoek ook gericht op sessies met de gehele gemeenteraad. Uiteindelijk is het onderwerp ‘risicomanagement’ neergelegd bij de auditcommissie, die fungeert als a-politieke klankbordgroep. Alle aanbevelingen zijn opgevolgd en verwerkt in de regionale nota Verbonden Partijen, die parallel aan het rekenkameronderzoek werd opgesteld. De gemeenteraad stelde deze nota vast in december 2015. (Aanbeveling 3.) De nota is opgesteld door een vertegenwoordiging van de 19 RWB (regio West Brabant) gemeenten en vastgesteld door 19 gemeenteraden. De werkgroep Grip op Samenwerking heeft een coördinerende taak bij de uitvoering van de regionale nota. (Aanbeveling 1.) De kadernota bouwt verder op het rekenkameronderzoek. Er staat onder andere waarom gekozen kan worden voor een bepaalde vorm van samenwerking, hoe de gemeentelijke vertegenwoordiging wordt vormgegeven en hoe de verschillende rollen van de gemeente als klant en eigenaar worden ingevuld. (Aanbevelingen 4 en 10.) Ter uitvoering van de nota zijn door de samenwerkende gemeenten specifieke spelregels opgesteld, zoals het jaarlijks behandelen van de kaders voor de begroting van de verbonden partijen, het opstellen van zienswijzen en het opstellen en vaststellen van richtlijnen voor de ontwerpbegroting van verbonden partijen.
(Aanbevelingen 2 en 6.) Eén van de spelregels betreft een vierjaarlijkse evaluatie van de verbonden partijen waaraan gemeenten deelnemen, zodat gemeenteraden zicht krijgen en houden op de werking, het nut en de noodzaak van een verbonden partij in relatie tot de beoogde maatschappelijke doelen. Een regionale ambtelijke werkgroep heeft in 2017 een QuickScan uitgevoerd naar elf verbonden partijen en koos daarbij voor een risicobenadering. (Aanbevelingen 4, 5 en 9.) Naar aanleiding van deze QuickScan en om ervaring op te doen is een externe evaluatie van de Gemeenschappelijke Regeling West-Brabant (RWB) uitgevoerd in 2018. Een belangrijke conclusie was dat het formele kader voldoende mogelijkheden biedt voor grip en sturing, maar dat het nog niet optimaal functioneert. De betrokkenheid van de raadsleden is een aandachtspunt. De adviezen zijn onder andere daarop gericht. (Aanbevelingen 3, 7 en 8.)
Gemeente Roosendaal, 2019, Beleid risicomanagement en weerstandsvermogen 2019 gemeente Roosendaal, april 2019, p. 1-15. 11
12
Welke door de gemeenteraad overgenomen aanbevelingen zijn door het college van B en W en de ambtelijke organisatie aantoonbaar opgevolgd en welke resultaten zijn bereikt? Onderzoek Feitelijke bevindingen Dit heeft er onder andere toe geleid dat er regionale bijeenkomsten zijn voor raadsleden om aanwezig te zijn bij de gesprekken met verbonden partijen over de kaderbrieven. Verder is een Regionaal Informatiesysteem West-Brabant (RIS WB) van en voor gemeenteraden ingesteld met als doel het verbeteren van de informatievoorziening voor raadsleden in de regio en het mogelijk maken van onderlinge kennisuitwisseling over verbonden partijen. Het RIS WB biedt de raadsleden de mogelijkheid om te beschikken over actuele informatie en een betrouwbaar archief van de verbonden partijen en regelingen waarbij de gemeenten zijn aangesloten. Om de raadsleden te informeren zijn in 2019 twee nieuwsbrieven verschenen. (Aanbeveling 3.) Langer In het onderzoek is ook de Woonagenda uit 2015 geëvalueerd. Op dat moment was de ambtelijke organisatie samen zelfstandig met de verschillende maatschappelijke partners druk bezig met het leggen van de verbinding tussen wonen en zorg.
wonen voor ouderen (2016) Er valt volgens respondenten niet te zeggen of het rekenkameronderzoek an sich heeft geleid tot opvolging, omdat het college van B en W naar aanleiding van de motie direct is gestart met aanvullend onderzoek. Indirect zijn de aanbevelingen wel opgevolgd. Als gevolg van de ingediende motie (zie paragraaf 2.2) heeft het college van B en W bureau Springco en Fakton een onderzoek laten doen naar ouderenhuisvesting. Het onderzoek sloot aan bij het woningmarktonderzoek dat voor de Woonagenda werd gehouden door het college. De adviezen en aanbevelingen vanuit de onderzoeken van Springco en Fakton liggen in het verlengde van het rekenkameronderzoek, bemerken respondenten, waardoor het geheel als één in elkaar overlopend proces wordt gezien. Door de opvolging van de aanbevelingen uit het rekenkameronderzoek zijn de volgende documenten opgesteld: • Woononderzoek ouderen van Springco en Fakton. • Onderzoek woonwensen migrantenouderen van Turkse en Marokkaanse afkomst in de gemeente Roosendaal. • Woningmarktonderzoek voor de Woonagenda.
Armoedebeleid (2017)
Met bovenstaande stukken en onderzoeken zijn de aanbevelingen 1 tot en met 7 duidelijk opgevolgd. Aanbeveling 8 is gericht aan de raad, door in zijn kaderstellende en controlerende rol meer aandacht te geven aan de vraag of de gemeentelijke woningvoorraad voldoende geschikt is om tegemoet te komen aan de vraag van de vergrijzende bevolking. Aanbeveling 9 betrof de leereffecten uit het onderzoek in Geertruidenberg door uit te gaan van een integrale benadering, waarbij de koppeling wordt gezocht tussen wonen – welzijn – zorg en toegankelijkheid. Hieraan is onder andere opvolging gegeven door te starten met een kennisgroep ‘Ouderenhuisvesting’ waarin partijen bij elkaar werden gebracht die te maken hebben met ouderen: zorgpartijen, makelaars, woningcorporaties, projectontwikkelaars, et cetera. Tijdens deze bijeenkomsten is ook het rekenkamerrapport besproken. Vanuit de kennisgroep kwam naar voren dat er een ‘Ouderen bewustzijncampagne’ opgestart moest worden rondom huisvesting. De campagne richtte zich met name op de ouderen zelf. De kennisgroep bestaat nog. De campagne ligt in verband met corona stil en is nog niet volledig afgerond. In de dorpen en in Tolberg is de campagne afgerond. De rest van de wijken volgt nog. Uit de bestuurlijke reactie op het rekenkamerrapport blijkt een genuanceerde opvolging van de aanbevelingen: 1. De reeds bestaande regelingen continueren.
Deze aanbeveling onderschrijven wij van harte. 2. Een algemene peuterspeelzaal vergoeding voor minima verstrekken. In 2016 is vanuit de gelden voor onderwijsachterstandsbeleid de bijdrage voor minima voor peuterspeelzalen verlaagd. 3. Het bestaan van inkomensondersteunende maatregelen actief naar buiten brengen. 4. Binnen de individuele inkomenstoeslag rekening houden met verschil in kosten tussen paren met jonge en oudere kinderen. Wij zullen dit in overweging nemen. 5. Aan volwassenen een tegemoetkoming verstrekken in de kosten van sportieve en/of sociaal-culturele activiteiten. Ook dit zullen wij in overweging nemen, aangezien we dit zelf ook al hadden geconstateerd. In 2017 is het Integraal Armoedebeleid opgesteld. Hierbij is expliciet rekening gehouden met de aanbevelingen uit het rekenkameronderzoek. Een paar voorbeelden: • Het rekenkamerrapport oppert de volgende preventieve maatregel: het aanbieden van cursussen voor het aanleren van financiële vaardigheden. Hoewel deze cursussen in Roosendaal door verschillende aanbieders (WijZijn, Humanitas en MEE) worden gegeven, is het de vraag of ze de doelpopulatie voldoende bereiken. Er moet meer aandacht komen voor de vraag hoe je (ook werkende) mensen binnenhaalt die hun voordeel kunnen doen met een dergelijke cursus. Het bieden van online schuldhulpverlening en budgetcursussen/coaching zou hier een uitkomst kunnen bieden.
• In het verlengde van dit voorbeeld. Voor huishoudens die moeite hebben met financieel beheer, kunnen budgetcursussen worden aangeboden voor het aanleren van financiële vaardigheden. Hoewel deze cursussen in Roosendaal door verschillende aanbieders (WijZijn Traverse, Humanitas en MEE) worden gegeven is het de vraag of deze de doelpopulatie voldoende bereiken. Er moet meer aandacht komen voor de vraag hoe je (ook werkende) mensen binnenkrijgt die hun voordeel kunnen doen met een dergelijke cursus.
13
Welke door de gemeenteraad overgenomen aanbevelingen zijn door het college van B en W en de ambtelijke organisatie aantoonbaar opgevolgd en welke resultaten zijn bereikt? Onderzoek Feitelijke bevindingen
Onderhoud en beheer openbare ruimte (2017)
Door de opvolging van de aanbevelingen uit het rekenkameronderzoek zijn de volgende regelingen opgesteld: • Uitbreiding kindpakket • Project vroeg eropaf - Vroegsignalering betalingsachterstanden • Aanstelling armoederegisseur Aanbeveling 1 is opgevolgd door het college door de bestaande regelingen, zoals aanbevolen wordt, aan te houden. Door het uitbreiden van het kindpakket is ook opvolging gegeven aan de tweede aanbeveling. Aanbeveling 5 heeft gestalte gekregen via ketenpartners en aanbieders die cursussen hebben gegeven voor de doelpopulatie in de preventieve sfeer. Aanbeveling 3 heeft gestalte gekregen via een voorlichtingscampagne in samenwerking met de afdeling communicatie en het Werkplein. Over aanbeveling 4 heeft het college aangegeven deze aanbeveling in overweging te nemen. Uit de Beleidsnota Integraal Armoedebeleid (blz. 17) blijkt dat deze aanbeveling niet op te volgen is omdat dit niet mogelijk is vanuit de landelijke wet- en regelgeving. De bestuurlijke reactie op de aanbevelingen was als volgt:
1. Wij onderschrijven deze aanbeveling. Overigens hebben wij niet de indruk dat in het (recente) verleden onrealistische streefwaarden zijn gesteld.
2. In het kader van “sturen op hoofdlijnen” wordt aan de raad slechts de programmabegroting verstrekt; de
productenraming is bedoeld voor het college. De hiervoor reeds aangehaalde paragraaf “Onderhoud kapitaalgoederen” bevat stuurinformatie voor de raad. Sinds medio dit jaar zetten wij een financieel dashboard in om meer zicht te krijgen op een zo efficiënt mogelijke uitvoering van de planning. Wij geven via de bestuursrapportage inzicht in de stand van zaken en eventuele verschuivingen in de planning.
3. Na installatie van de nieuwe gemeenteraad wordt wederom een introductie voor nieuwe raadsleden gehouden. Wij zullen daarin ook uitleg geven over deze problematiek.
4. Wij geven reeds invulling aan de suggestie om vrijkomende financiële ruimte op een andere wijze binnen de
openbare ruimte in te zetten. Zie ter illustratie het Onderzoek Onderhoud en beheer openbare ruimte gemeente Roosendaal, Raadsmededeling van vorige maand inzake aanpassing van de beheerkalender als logisch uitvloeisel van het hanteren van het hiervoor onder 2 genoemde dashboard.
5. Inwoners en ondernemers maken, bouwen en onderhouden samen met ons de leefomgeving. Wij stemmen in met deze aanbeveling en zullen die dan ook zeker ter harte nemen.
6. Voor de gestelde ambities zijn thans voldoende financiële middelen. De realiteit leert echter dat de beschikbare middelen onvoldoende zijn om aan alle individuele wensen en verwachtingen tegemoet te komen. Het applicatielandschap bij de gemeente wordt continu bekeken en geanalyseerd. We brengen zoveel mogelijk functionaliteiten logisch bij elkaar, zodat het aantal applicaties beperkt – en daarmee beheersbaar – blijft en informatie eenvoudiger uit systemen te halen.
De aanbevelingen 1 t/m 4 zijn gericht op een betere en consistente informatievoorziening aan de raad. Uit de gevoerde gesprekken blijkt dat de raad wordt geïnformeerd via: voorjaars- en najaarsbrieven, de Berap, de beheerkalender en kwaliteitscatalogus. In 2019 is een raadsinformatieavond georganiseerd om uitleg te geven over de beheerkalender, kwaliteitsniveaus (CROW) en de consequenties van de door de gemeenteraad gemaakte keuzes. De animo voor deze avond was gering. Het effect van de bijeenkomst was wel dat de aanwezige raadsleden de materie rondom het onderhoud openbare ruimte beter begrijpen. Dit is af te leiden doordat er sindsdien minder moties en raadsvragen zijn ingediend. Aanbeveling 5 was door middel van de nota’s ‘Verbindend Beheren’ en ‘Verbindend Groen’ (beide 2013) al ingevuld. De eerste nota gaat over een nieuwe manier van werken, waarbij het beheer meer vraaggericht zal worden uitgevoerd en meer in overleg met de bewoners (bewonersparticipatie). De tweede nota gaat over het toepassen van inwonersparticipatie voor dagelijks onderhoud (buurtteams) en buurtgebonden inrichtingsvraagstukken (buitenmakelaars). Opvolging aanbeveling 6 (het toerusten van ambtenaren met voldoende middelen om de gestelde ambities te verwezenlijken): Dit is niet vast te stellen vanuit een hard criterium.
Uit het gesprek met een betrokken ambtenaar blijkt wel dat deze zich geëquipeerd voelt om de gestelde ambities te verwezenlijken, zowel in financiële zin als in het gebruik van informatiesystemen en instrumenten. Inmiddels is er discussie binnen de gemeente gestart over de schaarste aan middelen in relatie tot het doen van vervangingsinvesteringen.
Constateringen Hoewel de overgenomen aanbevelingen zijn opgevolgd, gebeurde dit ad hoc en lijkt dit afhankelijk te zijn van de betrokken beleidsmedewerkers en de actuele context. Met dit laatste doelen de 14
onderzoekers op de aansluiting op de beleidscyclus. Indien de ambtelijke organisatie bezig is met beleidsontwikkeling op het terrein van het rekenkameronderzoek, is de kans op doorwerking groter. Dit geldt ook als er sprake is van veranderende wet- en regelgeving. De opvolging wordt met name ingegeven door de mate van urgentie (relevantie en actualiteit) van de conclusies en aanbevelingen (zie eerder benoemd in paragraaf 2.1). De onderzoeken Langer zelfstandig wonen voor ouderen en Verbonden Partijen zijn voorbeelden waarbij deze hoog is en dat is terug te zien in de opvolging. Bij het onderzoek naar het risicomanagement is er een lage urgentie (lage relevantie): er was een bevestiging van de ingezette beleidslijn. Hierdoor was de doorwerking in eerste instantie nihil. In 2019 is de nota risicomanagement geactualiseerd en op dat moment is teruggegrepen op de uitkomsten van het rekenkamerrapport. Deze uitkomsten bleken nog steeds actueel te zijn en zijn vervolgens in de beleidsontwikkeling van het risicomanagement meegenomen. Een aantal rekenkameronderzoeken is aanleiding geweest voor het college van B en W en de ambtelijke organisatie om nog tijdens het onderzoek acties of maatregelen te treffen. De uitkomsten van het rekenkameronderzoek waren dan een bevestiging van een al ingeslagen weg qua beleidsontwikkeling en -uitvoering.
Dit was bijvoorbeeld het geval bij het onderzoek naar armoedebeleid, maar ook bij onderhoud openbare ruimte. Uit het onderzoek en de genoemde voorbeelden blijkt dat de opvolging van de conclusies en aanbevelingen nu niet systematisch geborgd is binnen de gemeente Roosendaal en wordt dan ook niet actief gemonitord. Het rekenkameronderzoek naar Langer zelfstandig wonen voor ouderen is een voorbeeld, waarbij de aanbevelingen nauwgezet zijn opgevolgd. Dit heeft te maken met de keuze van de desbetreffende functionarissen en met het feit dat men aan de vooravond stond van een nieuwe beleidsontwikkeling (zie paragraaf 4.2) In een aantal andere gevallen, zoals bij het onderzoek naar verbonden partijen, is de opvolging van de aanbevelingen onderhevig aan gewijzigde wetgeving, nieuwe bestuurlijke en professionele inzichten of gemeentelijke samenwerking, zoals De6 en RWB. Dit heeft dan ook een positief effect op de doorwerking, doordat de urgentie wordt vergroot. 3.2