Bijlage Omgevingsvisie Roosendaal 14 mei.pdf
Tekst van het document
57
5.2.5 Bedrijventerreinen Roosendaal beschikt over een breed spectrum aan bedrijventerreinen, waarop een divers scala aan bedrijven is gehuisvest. Bekend zijn Borchwerf en Majoppeveld. Roosendaal kent daarnaast een aantal kleinere bedrijfslocaties, die gedeeltelijk binnen de bebouwde komt vallen. De groei van de bedrijvigheid werd de laatste jaren vooral gedomineerd door de bouw van distributiecentra bij de Roosendaalsebaan/ Nelson Mandelaweg aan weerszijden van de Rietschoten. Uitbreiding direct grenzend aan de bestaande terreinen is niet of maar heel beperkt aan de orde (met uitzondering van het zoekgebied “de Wig”). Voor de bestaande terreinen wordt ingezet op thema’s schoon, heel en veilig. Dat betekent een continue inzet op het behouden en verbeteren van de kwaliteit van de bedrijventerreinen. Als een terrein is verouderd volgt herstructurering. Voorbeelden van
geherstructureerde locaties zijn de terreinen van de Suikerunie en Rustoleum. Het terrein van Philips heeft een nieuwe invulling gekregen. Er zijn geen plannen om terreinen, zoals bijvoorbeeld Vijfhuizenberg, op te ruimen. Er zijn op korte termijn ook geen nieuwe plannen voor herstructurering. Voor de komende tijd is het aanbod van bedrijventerreinen beperkt. Er zijn nog kavels beschikbaar op de Meeten II, maar die worden vooral ingevuld met kleinschalige bedrijven. Volgens verwachting zijn we binnen enkele jaren 'uitverkocht’. Voor enkele bedrijven die binnen Roosendaal willen verplaatsen zijn nu al geen kavels beschikbaar. Roosendaal wil haar regionale economische functie blijven vervullen. Zowel om nieuwe bedrijven van buiten de stad en de regio te huisvesten als om schuifruimte te creëren voor het binnen Roosendaal verplaatsen van bedrijven die elders uit hun jasje groeien, ontwikkelen we nieuw bedrijventerrein. Omdat de gemiddelde doorlooptijd van het tot ontwikkeling brengen van een bedrijventerrein 5 tot 7 jaar bedraagt, gaan we daar snel mee aan de slag. Ruimte voor nieuwe bedrijven en herplaatsing en expansie van bestaande bedrijven zoeken we in noordoostelijke richting. Grote logistieke bedrijven (groter dan 10 ha) vinden hier geen plek. Voor de vestiging van deze bedrijven volgen we het regionaal beleid. Deze bedrijven kunnen in Moerdijk worden gevestigd.
Nieuwe bedrijvigheid is altijd schoon en gasloos. Het opwekken van ‘eigen’ duurzame energie wordt gestimuleerd (zonnepanelen op het dak) evenals het werken aan groen en natuurinclusief bouwen. Te denken valt daarbij aan groene daken of het maken van combinatie met waterberging. Roosendaal kent veel ‘rafelranden’. Dit zijn gebieden waar bedrijventerreinen en woongebieden aan elkaar grenzen, zoals bijvoorbeeld de grens van Borchwerf met het Vlietpark en de grens Kalsdonk-Majoppeveld. De vraag is hoe we hier aantrekkelijke overgangszones van kunnen maken. Aandacht voor beeldkwaliteit is hier van belang.
Afbeelding 5.2: Bedrijventerreinen in Roosendaal. 58
Bedrijvigheid in het buitengebied wordt beperkt mogelijk gemaakt. In vrijkomende agrarische bebouwing komen bij voorkeur functies die gerelateerd zijn aan recreatie of zorg. Wonen heeft echter de voorkeur. Samen met toekomstbestendige agrarische bedrijven zoeken we in overleg met de ZLTO naar nieuwe verdienmodellen.
59
5.3 Stadsrandzones 5.3.1 Noordoost Stadrandzone Noordoost ligt ingeklemd tussen spoorlijnen aan de noordkant van Roosendaal, en wordt aan de oostkant doorsneden door de verbindingsweg tussen bedrijventerreinen Borchwerf en Majoppeveld (Nelson Mandelaweg). Deze wig – ‘de Wig’ – in de bestaande bebouwing is een potentiële ontwikkellocatie tussen twee sporen aan de noordzijde van Roosendaal. Het merendeel van de aangrenzende bebouwde gebieden bestaat uit bedrijventerreinen, er zijn woonfuncties aanwezig in Kalsdonk en de Buuijenestraat en omgeving.
Dit gebied zal als strategische locatie ook een (sub)regionale rol gaan vervullen. Het gebied is een zoekgebied waar we onderzoeken hoe zal gefaseerd worden ontwikkeld, waarbij we functies als bedrijventerrein, waterberging en elektriciteitsinfrastructuur zoveel mogelijk kunnen worden gecombineerden of op elkaar kunnenlaten aansluiten. 5.3.2 Oost De stadrandzone Oost betreft een relatief klein gebied ten oosten van Roosendaal, en gaat over in het buitengebied van Rucphen. Het kenmerkt zich als een open en groen agrarisch gebied, met een enkele woonwijk (De Landerije). Het gebied wordt doorsneden door een enkele weg (Rucphensebaan). Het noordelijk deel grenst aan bedrijventerrein Majoppeveld. In deze oostelijke stadsrandzone zien we een potentiële zoeklocatie voor toekomstige woningbouw. Met name het zuidelijk deel lijkt geschikt voor ontwikkeling, bijvoorbeeld aangrenzend aan de bestaande woonwijk. Wel leggen we de prioriteit bij het Rondje Roosendaal, en daarnaast de stadsrandzone Zuidwest (Weihoek) in combinatie met kleinschalige landgoederen. Daarmee verwachten we ons voorgenomen woningbouwprogramma te kunnen faciliteren. Wanneer in de toekomst daar bovenop behoefte ontstaat aan aanvullende woningbouwlocaties, dan komt de stadsrandzone Oost in beeld.
5.3.3 Zuid De stadrandzone Zuid ligt aan de zuidzijde van Roosendaal, en wordt redelijk hard gescheiden van de stad door de Willem Dreesweg. Ten noorden hiervan liggen onder meer de bestaande woonwijken Tolberg, De Kroeven en Langdonk. Het gebied wordt doorsneden door de Antwerpseweg (N262) en de spoorlijn richting België. Het gebied ten oosten van Antwerpseweg is een mix van natuur, landgoederen en landbouw. Het gebied ten westen van de Antwerpseweg is landbouwgebied doorsneden door het beekdal van de Kleine Aa / Watermolenbeek met begeleidende natuurgebieden.
Afbeelding 5.3: Ligging van de stadsrandzones van Roosendaal. 60
Pas op termijn zien we – in beperkte mate – in het deel ten zuiden van Tolberg ruimte voor woningbouw, en met name kansen voor de toevoeging van landgoederen, kleinschalige hoogwaardige woonmilieus. Daarmee is stadsrandzone Zuid vooral geschikt als uitbreidingslocatie voor gezonde verstedelijking, met op kleinere schaal wonen in combinatie met zorg en/of recreatielandschap (kleinschalige landgoederen).
5.3.4 Zuidwest De stadsrandzone Zuidwest wordt begrensd door de snelweg A58 aan de noord- en westzijde en het spoor aan de zuid- en oostzijde. Aan de noord-, oost- en zuidkant wordt het gebied daardoor gescheiden van de stad, aan de westzijde van het buitengebied. Ten zuidwesten van het gebied ligt De Bulkenaar. Deze stadsrandzone bestaat uit vier deelgebieden. Centraal ligt de woonwijk Weihoek. Ten noordoosten daarvan bevindt zich het Bravis-ziekenhuis en ten oosten een sportveldencomplex. Aan de westzijde ligt een groen, landelijk, agrarisch deel. In de stadsrandzone Zuidwest zien wij goede mogelijkheden voor toekomstige (her) ontwikkeling, met name voor woningbouw. Na het Rondje Roosendaal, kan dit een geschikte locatie zijn voor invulling van een deel van onze woningbouwopgave. Daarbij kan de combinatie worden gezocht met het toekomstige lightrailstation bij De Bulkenaar. Zo ontwikkelen we verschillende woonmilieus rondom twee ov-knooppunten. Een hoogstedelijk woonmilieu rondom het station in het centrum, terwijl het nieuwe station bijdraagt aan de ontwikkeling van een stadsrandzone met zowel woningen als het nieuwe ziekenhuis. De woningbouwontwikkeling zou deels kunnen landen in verdichting van Weihoek, maar ook de op langere termijn vrijkomende Bravis-locatie of het westelijke deelgebied kan geschikt zijn voor herontwikkeling.
Bij deze herontwikkeling kan ook worden onderzocht of het geheel of gedeeltelijk verplaatsen van het sportveldencomplex mogelijk en wenselijk is. Het hele gebied is provinciaal al aangewezen als zoekgebied voor verstedelijking. Belangrijk aandachtspunt in het gebied is wel de mogelijke (milieu)hinder van de snelweg en/of het spoor. Een optimale invulling voor deze stadsrandzone zal nog worden gezocht. Mogelijk biedt het gebied in afwachting van de definitieve ontwikkeling ook ruimte voor de tijdelijke toevoeging van een zonneveld
5.4 Vitaal platteland
Het platteland als deelgebied bestaat uit de vijf dorpskernen van Roosendaal, met daarbuiten en -omheen het buitengebied. In de dorpen en op het platteland spelen verschillende opgaven. Zo zoekt de landbouwsector naar nieuwe verdienmodellen en
mogelijkheden voor verduurzaming. Met name op de zandgronden spelen aspecten als verdroging en waterberging daarbij een belangrijke rol. In de dorpen staat het voorzieningenniveau onder druk door teruglopende bevolkingsaantallen. Tegelijk is voor gemeentebrede opgaven de vraag welke functies we (waar) in het buitengebied willen toevoegen; te denken valt aan ruimte voor duurzame energieopwekking, klimaatadaptatie, recreatie en kleinschalige woningbouwlocaties of (zorg)landgoederen. Belangrijke vraag daarbij is ook hoe deze ontwikkelingen kunnen worden gecombineerd met de landbouwtransitie, en opgaven op het gebied van natuur en landschap, de waterhuishouding en bodemgesteldheid. Door hierop in te spelen dragen de dorpen en het buitengebied gezamenlijk bij aan een vitaal platteland. 5.4.1 Dorpen Roosendaal kent vijf dorpen: Nispen, Wouw, Wouwse Plantage, Heerle en Moerstraten. De dorpen zijn voor veel voorzieningen sterk verbonden met de stad, maar kennen ook een duidelijke eigen identiteit. We willen de dorpen ook in de toekomst vitaal en leefbaar houden. Dat houdt in ieder geval in het behoud van een supermarkt en de overige winkelvoorzieningen waar aanwezig; als beperkte uitbreiding van bestaande winkels daaraan bijdraagt maken we dit mogelijk. Ook ondersteunen we initiatieven die bijdragen aan de clustering van winkels.
Maar het behoud van leefbaarheid in brede zin is meer dan een supermarkt; we willen ook woningbouw mogelijk maken vooral gericht op het behouden van de jongere generatie voor de dorpen. De dorpskernen behandelen we in veel opzichten als gebiedstypologie vergelijkbaar met de Woonwijken. Dat houdt in dat het uitgangspunt is het behoud van sociaalmaatschappelijke en detailhandelsvoorzieningen, mits daarvoor voldoende draagvlak is. Net als in de woonwijken willen we in de dorpen een aantrekkelijkere en gezondere woonomgeving realiseren, met meer groen en water, en ontmoetingsplekken in de publieke ruimte. We faciliteren en stimuleren schone en deelmobiliteit. Bij nieuwe (her) ontwikkelingen in de dorpen zoeken we ook de koppeling met opgaven als warmtetransitie en klimaatadaptatie, en stimuleren we initiatieven voor betaalbare én duurzame woningbouw.
61
In de dorpen zien we mogelijkheden voor de uitbreiding of ontwikkeling van hoogwaardige kleinschalige woongebieden. Uitgangspunten daarbij zijn zoveel mogelijk: • Aansluitend op bestaande bebouwing; • Aansluitend op bestaande infrastructuur (mits niet overbelast); • Buiten, of ingepast in, bestaande natuurlijke, landschappelijke of cultuurhistorische waarden; • Met afstand of beperkende maatregelen rekening houdend met bestaande hinder. Naast het Rondje Roosendaal en de stadsrandzones van de stad lijkt uitbreiding in of aansluitend bij bestaande woonkernen en/of woonlinten logisch als zoeklocatie. Daarbij sluiten we allereerst aan bij de zoekgebieden voor verstedelijking die de provincie NoordBrabant heeft aangewezen. Vanuit de wens de sociaal-maatschappelijke structuur te versterken kan er een programma worden gestart voor het beperkte inbreidingen binnen de contouren van de dorpen om het vertrek van jongeren uit de dorpen tegen te gaan (zie ook buitengebied). In het provinciaal beleid zijn bij de dorpen nog zoekgebieden voor uitbreiding gedefinieerd. Het invullen van deze locaties is niet overgenomen in het gemeentelijk beleid en heeft in het kader van deze omgevingsvisie ook geen prioriteit. Nispen In Nispen is ten zuiden van het dorp een provinciaal zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling aangeduid.
Hier heeft nog geen invulling plaatsgevonden, en ligt mogelijk nog ruimte voor woningbouwontwikkeling in de toekomst. Wouw Het provinciaal aangeduide zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling ten zuiden van Wouw is voor een deel al ingevuld met de woonwijk De Hoogt. Binnen het zoekgebied is nog enige ruimte voor mogelijke verdere uitbreiding. Wouwse Plantage In Wouwse Plantage ligt met name aan de noordoostkant van het dorp ruimte voor uitbreiding. Deze locatie is nog niet ingevuld en zou mogelijk kunnen worden benut voor toekomstige woningbouwontwikkeling.
62
Heerle Ten noorden van Heerle is door de provincie een zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling aangeduid. Hieraan is nog geen invulling gegeven, dit gebied biedt daarom nog mogelijkheden voor de toevoeging van woningbouw. Moerstraten Aan de zuidkant van Moerstraten heeft recent een uitbreiding plaatsgevonden, in de wijk Gebrande Hoef. Deze ontwikkeling wordt binnenkort afgerond. Het provinciaal aangeduide zoekgebied in dit deel van Moerstraten biedt nog enige ruimte voor verdere uitbreiding. 5.4.2 Buitengebied Voor het buitengebied is een belangrijke opgave om zowel agrarische, recreatieve als natuurlijke dynamiek te faciliteren. Zo zien we ruimte voor agrarische ontwikkeling met name in het noordelijk deel van het buitengebied, en een combinatie van natuur en recreatie in gebieden als Brabantse Wal en Visdonk. Daarbij zien we op bepaalde plekken in het buitengebied ook mogelijkheden voor kleinschalige woningbouw. Daarbij hanteren we voor het buitengebied een aantal basisprincipes, die we bij deze opgaven altijd in het oog houden. In het algemeen streven we in het buitengebied naar zorgvuldig ruimtegebruik, en het beperken van verdere verstening. Ontwikkelruimte moet dan ook ‘verdiend’ worden. Per saldo zal er in alle gevallen sprake moeten zijn van een kwaliteitsverbetering van het buitengebied.
Een vitale, duurzame en klimaatadaptieve landbouwsector (zie ook hoofdstuk 4) Het aandeel van de primaire landbouw zal veranderen. Aan de noordkant van de stedenrij kan op goede bodem de innovatieve, intensieve en hoogwaardige landbouw behouden blijven en aansluiting gezocht worden met de benodigdheden voor de biobased industry. Aan de zuidkant c.q. op mindere bodems of in deelsectoren die onder druk staan zoeken we naar een meer natuurinclusieve bedrijfsvoering, circulaire landbouw, meer natuur en bosbouw en ook nog ruimte voor nieuwe kleinschalige stedelijke functies. De lokale opbrengst van de primaire landbouw aan de zuidflank kan daardoor verminderen en minder bijdragen aan het toeleveren van grondstoffen aan het biobased en agrofoodcluster.
Het gaat daarbij met name over de zandgronden en de gebieden grenzend aan de stad in het westen (De Bulkenaar / Weihoek). Het zoeken naar nieuwe verdienmodellen is een onverbrekelijk onderdeel van het stimuleren van transformatie van het buitengebied. Een optie is bijvoorbeeld CO2-opslag in de bodem gekoppeld aan de verplichting van bedrijven om CO2 te compenseren. Voor vrijkomende bedrijfsruimten van landbouwbedrijven is het beleidsuitgangspunt zoveel als mogelijk sloop (mogelijk met een sloopverplichting), om leegstand, verrommeling en ondermijnende criminele activiteiten te voorkomen. Eventueel kan vrijkomende bebouwing worden ingezet voor andere sectoren of wonen. Bij het zoeken naar alternatieve invulling moet een negatief (ruimtelijk) effect op de omgeving worden voorkomen. Voorbeelden van ontwikkelingen met een negatief effect op de kwaliteit van het landelijk gebied zijn de inzet van teeltondersteunende voorzieningen en de huisvesting van arbeidsmigranten. Deze zijn nu nog gebonden aan het agrarische bouwblok. Agrarische bouwblokken worden nu selectief opgekocht om deze voorzieningen mogelijk te maken. Hiervoor moet een oplossing worden gevonden. De transformatie van agrarische bedrijven gebeurt altijd op vrijwillige basis. De gemeente zet in op stimuleren en faciliteren en het voorkomen van ongewenste ontwikkelingen.
Versterken van natuurlijke waarden met mogelijkheden voor recreatie Belangrijke natuurwaarden in het buitengebied zijn te vinden in de Wouwse Plantage, als onderdeel van Natura 2000-gebied de Brabantse Wal, het landgoed Visdonk en de beekdalen. We zorgen voor bescherming en versterking van de ecologische en landschappelijke kwaliteiten van deze natuurgebieden. Zo dragen we bij aan de realisatie en instandhouding van Natuurnetwerk Brabant, bijbehorende ecologische verbindingszones en de Brabantse Wal als Natura 2000-gebied. De beekdalen vervullen ook een belangrijke functie in de waterhuishouding (kwantiteit en kwaliteit) en natuurontwikkeling. Voor het gebied waar het dekzand, de Brabantse Wal en de Delta elkaar ontmoeten is het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) De Zoom van West-Brabant opgesteld. Hierin worden de Brabantse Wal, de beken en vaarten en kreken in het deltalandschap als structuurdragers onderscheiden. Het agrarisch werklandschap manifesteert zich als open hoevelandschap, oude veenontginningen, jonge heideontginningen en het besloten
(park)landschap rondom Nispen. Ruimtelijke ontwikkelingen zouden het karakter van die deelgebieden moeten versterken. Hierop is een visie geformuleerd voor een viertal thema’s: • Reliëf, natuur en water ontwikkelen tot duurzame dragers van regio, stad en platteland. • De achteruitgang van de beeldkwaliteit van het agrarisch werklandschap en het verlies van ruimtelijke karakteristiek keren, door een groenblauwe dooradering van het landelijk gebied te realiseren, randvoorwaarden te stellen aan verdere schaalvergroting en nieuwe functies zoals “nieuwe landgoederen” invoegen. • De cultuurhistorische structuur weer herkenbaar maken in het landschap, door het accentueren en ontsluiten van de turfvaarten, het markeren van de verschillen tussen het hoevenlandschap, de veenontginningen, de jonge heideontginningen en de zeekleipolders. Daarnaast vraagt het LOP extra aandacht voor de cultuurhistorische eigenheid van de landgoederen Visdonk en Wouwse Plantage als onderdeel van de veenontginning geschiedenis van de streek. • De verweving van het landelijk gebied en de kernen door groene vingers in de stadsrand, blauwgroene dooradering van stad en platteland, laanstructuren, het doorwerken van het historisch landschap in de stedelijke groenstructuur, de rol van de parken en inpassing van nieuwe elementen in het landschap, zonder dat te versnipperen.
De doorgroeilocaties glastuinbouw zijn ingehaald door de ontwikkeling van het grootschalige glastuinbouwgebied bij Dinteloord. Inmiddels is het glastuingebied bij Dinteloord volgebouwd. De aandacht verschuift daarmee weer naar de solitaire glastuinbouwbedrijven. In nauwe afstemming met de provincie wordt gekeken naar de kans om aan deze glastuinbouwbedrijven doorgroeimogelijkheden te bieden. Voor het ruimtelijk beleid ten aanzien van Landgoed Visdonk blijft de Visie Visdonk van kracht. De visie geeft een samenhangend toekomstperspectief voor het landgoed, gebaseerd op behoud van de landschappelijke kwaliteiten (zoals de kamerstructuur, de turfvaart die het gebied doorsnijdt, de bossen, heiden en vennen), ontwikkeling van de recreatieve mogelijkheden dichter bij de stad en bescherming van de bijzondere natuurwaarden rondom het Rozenven. 63
Vervolgens wordt dit uitgewerkt in een ontwikkelingsvisie met vier pijlers: • Zoneren van het recreatieve gebruik; • Ontwikkelen van een recreatieve poort; • Meer ruimte voor fietsers en wandelaars; • Behoud en versterking van natuur en landschap. Het gebied is sinds 2010 in beheer van Natuurmonumenten. Natuurmonumenten heeft haar beleid ten aanzien van het gebied verwoord in de Natuurvisie Turfvaartse Landgoederen. Daarbij zien we in het buitengebied van Roosendaal ook de ruimte voor verdere ontwikkeling van recreatieve voorzieningen. We willen mogelijkheden blijven bieden voor (beperkte) uitbreiding van bestaande voorzieningen en nieuwe voorzieningen als (mini)campings, kamperen bij de boer en bed & breakfasts. De natuur-, cultuurhistorische en landschappelijke waarden bieden hiervoor kansen, maar geven zeker bij intensiever gebruikte recreatieve voorzieningen ook aandachtspunten. In en rond de natuurgebieden dient het behoud en de ontwikkeling van natuurwaarden centraal te staan. Combinatie met recreatie kan, mits gereguleerd door o.a. centrale parkeerplaatsen en voorzieningen aan de minder kwetsbare randen van de natuurgebieden, routegebonden recreatie op de paden en alleen recreatief gebruik tussen zonsopgang en zonsondergang.
Recreatief gebruik van het buitengebied wordt gezoneerd vanuit de dorpen; de twee belangrijkste natuurgebieden Wouwse Plantage en Visdonk zijn al ontsloten via recreatieve/ natuurpoorten. Ook het meest zuidelijke deel van het buitengebied is ontsloten en kent een aantal recreatieve voorzieningen, maar biedt mogelijkheden voor verdere recreatieve ontwikkeling. In het noordelijk deel van het buitengebied liggen met name rondom Heerle een aantal recreatieve voorzieningen, en zien we rond Wouw en verder noordelijk nog kansen voor recreatieve ontwikkeling. Wonen in het buitengebied: linten en landgoederen Op het gebied van wonen in het buitengebied sluiten we aan bij de mogelijkheden, randvoorwaarden en aandachtspunten voor ontwikkeling van woongebieden die we hebben bepaald in een lintenstudie en een beoordelingskader voor initiatieven in het buitengebied. 64
Onze visie daarbij is dat we hechten aan compact wonen en werken in de stad en de dorpen, en aan een overwegend agrarisch buitengebied, dooraderd met natuur en recreatieve mogelijkheden. Het toevoegen van nieuwe woningen in linten zien we op de volgende manier: • ‘opvullen’ van lege plekken; • ‘gedoseerd oprekken’ / verlenging van het lint; • een tweede rij bebouwing achter het bestaande lint; • herbestemmen/vervangen van bestaande (bedrijfs) bebouwing. Te veel verdichting kan daarbij ook negatieve effecten hebben, bijvoorbeeld door aantasting van de karakteristieke opbouw van het lint of van de begrenzing van het dorp. Duidelijke grenzen moeten dan ook niet ‘verrommelen’. Ook willen we het verdwijnen van waardevolle doorzichten voorkomen. Voor de stad Roosendaal is het vigerend beleid nog een compacte stad. De beleving van het contrast tussen stad en ommeland wordt zeer gewaardeerd. Buurtschappen rondom de stad zoals Vroenhout, Boeink, Vinkenbroek, Haiink, Kruisstraat/Passenberg mogen niet verrommelen of dichtlopen met nieuwe woningen of bedrijven. Consequentie is dat er in de buurtschappen rondom Roosendaal géén zones worden aangewezen voor ‘wonen aan de linten’. Naast de linten willen we in het buitengebied mogelijkheden bieden voor kleinschalige hoogwaardige woonmilieus, zogenaamde landgoederen.
In het beoordelingskader voor initiatieven in het buitengebied hebben we al enkele gebieden aangewezen waarin we openstaan voor de ontwikkeling van nieuwe landgoederen (en daarbuiten niet). Het gaat om Beekdal Rissebeek / Westflank Roosendaal, Beekdal Smalle Beek, de Jonge heideontginningen bij Nispen en Oude veenontginningen bij Moerstraten. Twee gebiedsdelen voor mogelijke landgoedontwikkeling binnen de grens van de stedelijke regio zijn tevens aangewezen voor de ontwikkeling van buitenplaatsen: het zuidelijk deel van het dal van de Smalle Beek en het noordelijk deel van het dal van het Rissebeekcomplex. Bij deze ontwikkelingen zien we ook meekoppelkansen op het gebied van onder andere recreatie, klimaatadaptatie en natuur- en landschapsontwikkeling.
Een aparte vorm van landgoederen zijn zorglandgoederen. Hiervoor gelden grotendeels dezelfde aandachtspunten als voor niet zorg-landgoederen, maar ook andere randvoorwaarden: zorglandgoederen zijn bij voorkeur goed bereikbaar en hebben bereikbare zorgvoorzieningen of liggen in de nabijheid van zorgvoorzieningen. Een zorglandgoed bij De Bulkenaar is hiervan een voorbeeld – goed bereikbaar en nabij het nieuwe Bravis-ziekenhuis. Betere verbindingen tussen stad en buitengebied Betere verbindingen tussen stad en buitengebied zorgen voor betere verwevenheid tussen de stad, de dorpen en het buitengebied. Daarnaast heeft het ook een recreatieve meerwaarde. Het wordt eenvoudiger om de stad achter je te laten en recreëren in het buitengebied. Daarbij wordt vooral gekeken naar de oostzijde, de zuidzijde, en de zuidwestzijde. Verbindingen naar het westen en het noorden zijn minder aantrekkelijk (noordkant) of lastig (westen). Aan de oostzijde van Roosendaal bestaan verbindingen van de stad met het buitengebied richting (bossen van) Rucphen via o.a. de Rucphensebaan, Langedijksestraat, Laagveldestraat. Aan de zuidzijde van Roosendaal bestaat een verbinding met het landgoed/natuurgebied Visdonk-Rozenven, en wordt al nagedacht over de verbinding van de stad met het buitengebied rekening houdend met de bestaande waarden en functies in het gebied (landbouw, natuur).
Daarnaast bestaan er kansen om Roosendaal beter met Nispen te verbinden, bijvoorbeeld via het beekdal van de Roosendaalse Molenbeek. Aandachtspunt aan de zuidzijde van Roosendaal is de oversteekbaarheid van de N262 Antwerpseweg. Aan de zuidwestzijde van Roosendaal ligt de wijk Tolberg direct aangrenzend aan het buitengebied en bestaan kansen om via de beekdalen van de Bieskensloop en Haijinkbeek het buitengebied verder te ontsluiten voor de stad. De ontwikkeling van een zorglandgoed rondom de beoogde nieuwe ziekenhuislocatie bij de Bulkenaar draagt bij aan verbinding van stad en (zuidwestelijk) buitengebied. Aan de westzijde wordt de verbinding tussen stad en buitengebied belemmerd door de A58/A17. Passage hiervan is lastig en maar op een paar locaties (Heierdreef, Westelijke Havendijk) mogelijk. Realisatie van nieuwe passages vragen om een forse inspanning.
Aan de noordzijde van Roosendaal is de verbinding van de stad met het buitengebied lastig door de ligging van bedrijventerreinen en infrastructuur tussen stad en buitengebied. Verbinding zou vragen om aantrekkelijke routes (bijvoorbeeld ingekleed in groen/blauw) over of langs de bedrijventerreinen, waarbij de passage van de infrastructuur een aandachtspunt is. Ruimte voor energie en klimaatadaptatie Het buitengebied biedt ruimte voor opwekking van duurzame energie. De gemeente heeft hierin al keuzes gemaakt en visie en beleid ontwikkeld (Visie zonne-energie, 2018). Roosendaal wekt extra duurzame energie op door de vervanging van de drie windturbines door moderne windturbines met een groter opwekkend vermogen en door 75 ha zonnepanelen. Roosendaal wil niet meer windturbines in het buitengebied. Voor zonne-energie hanteert de gemeente de zogenaamde zonneladder: bij voorkeur gebouwgebonden, op bestaande daken en gevels van woningen en bedrijven en pas als laatste in de vorm van zonneparken in het buitengebied. Er is in de visie zonne-energie ook een inventarisatie gemaakt van meer of minder geschikte locaties voor zonneparken. In deze inventarisatie is een groot deel van het buitengebied onder voorwaarden geschikt voor zonne-energie.
NNBgebieden (Wouwse Plantage, Visdonk-Rozenven, de grotere beekdalen en een aantal losse natuurgebieden) zijn conform provinciaal beleid uitgesloten. In het uiterste westen (omgeving Brabantse Wal), zuiden en oosten zijn alleen kleine zonneparken (< 2 ha) mogelijk. Gezien het beleid van de gemeente Roosendaal moet eerst ingezet worden op zonnepanelen op daken, binnen stedelijk gebied en op bedrijventerreinen. Daarna komen de stadsrandzones in beeld als mogelijke locatie. Hierbij heeft het gebied direct ten westen van Roosendaal en de A17/A58 (de ‘Energiestraat’) de voorkeur, mede gezien de mogelijkheden ter plaatse voor aansluiting op het net. Vanuit omgevingswaarden bezien heeft het de voorkeur om (de rest van) het buitengebied zolang en zoveel mogelijk te vrijwaren van zonneparken. Zonneparken hebben, ook al zijn ze goed landschappelijk ingepast, altijd effect op landschappelijke waarden. Met name beekdalen (meer dan in de inventarisatie in de visie zonne-energie), aardkundig waardevolle gebieden en open gebieden (bijvoorbeeld in het noordelijk deel van het buitengebied) zijn landschappelijk kwetsbaar. 65
Er liggen in het buitengebied diverse meekoppelkansen vanuit meerdere doelstellingen. Bijvoorbeeld verdere landschappelijke en ecologische ontwikkeling van de beekdalen en ecologische verbindingszones, waarmee tevens bijgedragen wordt aan doelstellingen op het gebied van klimaatadaptatie (meer ruimte voor groen en water), biodiversiteit, recreatie en gezondheid (meer ruimte voor bewegen in het groen). In het buitengebied is tot 2030 ruimte voor maximaal 75 hectare goed landschappelijk ingepaste zonneparken. Daarbij streven we naar 50% lokale participatie (= deelname van lokale bedrijven en inwoners) en een goede benutting van de elektriciteits-infrastructuur; voor zonnevelden in de omgeving van de bestaande windturbines benutten we de kabels en leidingen zoveel mogelijk om zowel de zonnevelden als de windturbines aan te koppelen (‘cable pooling’). In hoeverre er meekoppelkansen bestaan tussen de doelstellingen ten aanzien van landbouwtransitie en andere doelstellingen in het buitengebied, hangt sterk af van de landbouwsector zelf: op welke manier wil zij doorgaan met haar agrarische activiteiten en waar wil ze ruimte bieden of meewerken aan nieuwe functies in het buitengebied. Doorgaan met landbouwbedrijven op de ‘traditionele’ manier heeft waarschijnlijk geen toekomstperspectief.
De regels voor de landbouwsector worden steeds strenger om de negatieve effecten op aspecten als stikstof, geur, fijnstof, endotoxines, landschap en hydrologie te beperken. Het aantal agrarische bedrijven zal naar verwachting in de toekomst verder afnemen, deels door de strengere regels en hogere investeringskosten, deels door het ontbreken van opvolgers. De overblijvende agrarische bedrijven willen en kunnen naar verwachting alleen investeren als er groeiperspectief geboden kan worden. Er zijn in Nederland al diverse voorbeelden van bedrijven die door een combinatie van activiteiten een nieuw verdienmodel realiseren dat en perspectief biedt voor de agrarische ondernemer en de impact van de agrarische activiteiten op het buitengebied vermindert. Voorbeelden hiervan: • Natuurbeheer (“natuurboeren”); • Waterbeheer (“waterboeren”); • Opwek van duurzame energie (“energieboeren”); • Zorg: agrarische activiteiten gecombineerd met opvang van kinderen of van mensen met een beperking of afstand tot de arbeidsmarkt (“zorgboeren”); • Recreatie: kamperen bij de boer/ bed & breakfast, recreatieve activiteiten (“recreatieboeren”). 66
Combinatie van doelstellingen op meerdere gebieden (landbouw, klimaatadaptatie, energietransitie, recreatie en gezondheid) vergroot de mogelijkheden voor bijdragen aan al deze doelstellingen en draagt bij aan een duurzaam, toekomstgericht gebruik van het buitengebied. Combinatie van functies kan vanuit twee invalshoeken gestimuleerd worden: • Bij ontwikkelingsplannen van agrarische ondernemers actief zoeken naar (meerwaarde van) meekoppelkansen vanuit andere doelstellingen in het buitengebied; • Bij uitwerking van doelstellingen en maatregelen in het buitengebied actief zoeken naar de mogelijkheid om agrarische ondernemers hierbij te betrekken. Een combinatie van agrarische functies met nieuwe functies geeft ook een aantal aandachtspunten: • Natuur en waterbeheer gaat ten koste van de agrarische gebruiksmogelijkheden van het land; • Opwek van duurzame energie kan niet overal in het buitengebied en niet in gebieden met belangrijke (cultuurhistorisch)landschappelijke, natuur- of waterwaarden; • Een combinatie met zorgfuncties kan alleen op locaties waar de milieuhinder (geluid, geur, fijn stof) beperkt is en waar geen veiligheidsrisico’s spelen; • Combinatie met recreatie kan niet overal in het buitengebied: voorkomen moet worden dat de recreatie en bijkomend verkeer leidt tot negatieve effecten op omliggende woningen en natuurgebieden.
Algemeen aandachtspunt voor agrarische ontwikkelingen in het buitengebied is de groei in teeltondersteunende voorzieningen (tov) in relatie tot de effecten die dit kan hebben op de omgeving. De agrarische sector vraagt om verruiming van de mogelijkheden voor tov. Vanuit economisch perspectief (hogere opbrengsten door verlenging en beter controleerbaar zijn van het groeiseizoen), milieuperspectief (betere afstemming van gebruik water en gewasbeschermingsmiddelen) en arbeidsperspectief (betere arbeidsomstandigheden).
Tov kunnen echter negatieve effecten hebben op het landschap (aantasting openheid, zichtlijnen), de natuur en waterhuishouding / verdroging (minder infiltratie in de ondergrond). De meeste vormen van tov zijn tijdelijk en kleinschalig en hebben geringe effecten op de omgeving; ze worden echter steeds permanenter en grootschaliger, waardoor de kans op negatieve effecten groter wordt. De huidige bestemmingsplannen buitengebied bieden onder voorwaarden mogelijkheden voor uitbreiding van tov. Hierin zijn in gebieden met (cultuurhistorisch) landschappelijke en/of natuurwaarden voorwaarden opgenomen om negatieve effecten van de voorzieningen op deze waarden te voorkomen of te beperken, en deze vooraf te kunnen afwegen. Vanuit milieuoptiek is het gewenst dit beschermingsregime te handhaven en te controleren op volledigheid en dekkendheid.
67
68
6. Uitvoering 6.1 Sturingsfilosofie
Als we kijken naar het werken aan het realiseren van de in deze visie vastgelegde ambitie en de daaruit voortvloeiende opgaves, heeft de gemeente verschillende rollen. Dit zijn: 1 | Eigenaar en rolmodel Soms zijn we eigenaar. We pakken de activiteit zelf op en voeren haar uit. Denk aan het DER (Duurzaam Energiebedrijf Roosendaal). Soms ook zijn we co-eigenaar. Denk aan de prestatieafspraken die de gemeente maakt met de woningbouwcorporaties, aan gebiedsontwikkeling samen met publieke (bijvoorbeeld ziekenhuis) of private (bijvoorbeeld Stadsoevers) partners. De gemeente is altijd rolmodel. Wat we van andere partners verwachten zullen we ook zelf moeten doen. We geven het goede voorbeeld. 2 | Stimulator Een tweede rol is die van stimulator. Door voortdurend met (mogelijke) partners in gesprek te zijn, stimuleren we hen om mee te werken en te investeren in de ambities die we in deze visie te hebben vastgelegd. 3 | Facilitator Soms zijn we facilitator. Dan maken we (burger)initiatieven die door anderen uitgevoerd worden mogelijk door tijd, geld, netwerk en of middelen beschikbaar te stellen. 4 | Regisseur/kaderstellend De gemeente is ook regisseur. We zorgen er dan voor dat anderen onze doelen (mede) realiseren. We voeren de activiteiten niet zelf uit maar zorgen ervoor dat anderen dat doen.
Onder regisseur vallen ook alle regulerende rollen met betrekking tot wetgeving/ vergunning en handhaving. 5 | Netwerker/makelaar Een andere rol is die van makelaar. De gemeente brengt partijen bij elkaar en fungeert zoals smeerolie. Ook in dit geval zorgen anderen ervoor dat doelen worden bereikt.
Hoe werken we samen met partners? Basis voor de manier waarop wij samenwerken met partners en inwoners zijn de kernwaarden van de gemeente: Samen, Resultaatgericht en De ander centraal. De netwerksamenleving vraagt om deze samenwerkingsstijl en bestuursstijl. Op deze pijlers wil de gemeente actief samenwerken met inwoners, ondernemers, verenigingen, lokale en (sub)regionale samenwerkingspartner waaronder gemeentelijke samenwerkingsverbanden zoals RWB, D6 Sterke Steden en Netwerkstad. We kiezen daarbij voor een duidelijke, open bestuursstijl én voor een respectvolle bestuurscultuur. We creëren meerwaarde voor de omgeving door het combineren van opgaven en realiseren van meervoudig ruimtegebruik. Daarvoor houden we bij investeringen of het ontwikkelen van plannen rekening met doelstellingen uit meerdere beleidsvelden. We stellen ons omgevingsgericht op en kijken nadrukkelijk ook naar mogelijke bijdragen aan of effecten op onder andere gezondheid en omgevingskwaliteit. We kijken zowel binnen als buiten de gemeentegrens of en hoe we ontwikkelingen die gaande zijn slim kunnen combineren. We streven ernaar om de inzet en belangen van de gemeente zoveel mogelijk te bundelen met die van andere partijen (inwoners, bedrijven, medeoverheden).
We wentelen problemen niet af op andere gemeenten, tenzij dit op regionaal niveau doelmatiger is en we hierover in goed overleg afspraken kunnen maken.
6.2 Grondbeleid
In het huidige grondbeleid is uitgifte tegen marktconforme prijs het leidende principe. Het grondbeleid zal na vaststelling van deze omgevingsvisie worden geactualiseerd. Een belangrijk uitgangspunt daarbij wordt dat Roosendaal het grondbeleid situationeel vorm geeft. Niet per definitie actief, passief of facilitair, maar per (ruimtelijke) ontwikkeling wordt maatwerk geboden. Daarbij wordt de keuze gemaakt op basis van de verkenning van de opgave, de beleidsdoelen en het risicoprofiel van de betreffende (ruimtelijke) ontwikkeling. De maatschappelijke effecten komen onvoldoende tot hun recht. Door de keuze van het te voeren grondbeleid mede te bepalen aan de hand van de maatschappelijke meerwaarde kan een integrale afweging worden gemaakt door de maatschappelijke meerwaarde en bijbehorende kosten en opbrengsten af te zetten tegen de (directe) financiële resultaten. Hiermee is het financiële resultaat niet meer leidend maar een integraal onderdeel van het afwegingsproces. 69
6.3 Financiën
Financiële bijdragen Dit zijn bijdragen aan maatregelen voor de verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving buiten het plangebied. Het kan daarbij gaan om bijvoorbeeld de aanleg of herinrichting van een stadspark. Dergelijke ontwikkelingen moeten zijn vastgelegd in de omgevingsvisie of programma. Er moet een functionele samenhang bestaan tussen de (bouw)activiteit en de ontwikkeling waar een bijdrage voor wordt gevraagd.
Partijen die bouwen in de stad en daarmee inkomsten verdienen, dragen op twee manieren bij aan de stad. Direct door invulling te geven aan de stedelijke opgaven (zoals in de bovenstaande paragrafen beschreven) en indirect via financiering van kwaliteitsimpulsen die wij als gemeentelijk organisatie geven aan onze stad. Hiervan kennen we diverse voorbeelden. Via (bouw)leges en anterieure overeenkomsten worden de ambtelijk apparaatskosten afgedekt en wordt bijgedragen aan een kwaliteitsimpuls van onder andere de openbare ruimte in de directe omgeving.
Voor het verhalen van een financiële bijdragen kan de gemeente met een ontwikkelaar een overeenkomst sluiten. De Omgevingswet maakt deze bijdrage ook publiekrechtelijk afdwingbaar via het omgevingsplan.
De gemeente zal de kosten en investeringen inpassen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Bekostiging is vooral gekoppeld aan programma’s en projecten. We bestuderen de mogelijkheid tot meer integrale sturing. Samenwerken en gezamenlijk uitvoering geven aan en investeren in de opgaven door diverse partijen is daarom noodzakelijk.
6.4 Beleid en de ruimtelijke kringloop van Roosendaal
De uitvoering van projecten en programma’s moet worden gefinancierd. Een belangrijke bron hiervan vormt het kostenverhaal op grond van de Omgevingswet. De Omgevingswet maakt onderscheid tussen kostenverhaal en financiële bijdragen.
Onder de Omgevingswet krijgt de beleidscyclus veel aandacht. De beleidcyclus kent vier fases: 1. beleidsontwikkeling; 2. beleidsdoorwerking; 3. uitvoering; 4. terugkoppeling.
Kostenverhaal Kostenverhaal gaat, onder andere, over het betalen van kosten voor publieke voorzieningen, bouwrijp maken en plankosten. Daarbij gaat het om gebiedseigen kosten ten behoeve van het kostenverhaalgebied. Het kan ook gaan om gebiedsoverstijgende kosten. Dit zijn bestedingen die betekenis hebben voor meerdere kostenverhaalgebieden. De samenhang tussen de gebiedsoverstijgende kosten en de meerdere kostenverhaalsgebieden moet duidelijk worden vastgelegd in beleid.
De omgevingsvisie valt onder de fase ‘beleidsontwikkeling’. De beleidscyclus wordt in de praktijk echter vaak niet goed doorlopen. Beleid wordt nu niet alleen vooral sectoraal opgesteld, maar er wordt vaak ook geen afstemming gezocht met medewerkers op het tactische en/of operationele niveau. Beleid of beleidsambities hebben namelijk ook gevolgen voor deze niveaus. Het afstemmen van beleid met de medewerkers op deze niveaus en het in beeld brengen van consequenties voor deze niveaus helpt om betere beleidskeuzes te maken of om te kijken of beleid in de praktijk wel haalbaar blijkt.
Voor het verhalen van gebiedseigen en gebiedsoverstijgende kosten is het uitgangspunt dat de gemeente daarvoor anterieure overeenkomsten met initiatiefnemers overeenkomsten sluit. Als er geen overeenkomst gesloten kan worden moet het kostenverhaal publiekrechtelijk, via het omgevingsplan of via de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, plaatsvinden.
70
Om de beleidsdoelen uit de omgevingsvisie te bereiken, kan de overheid verschillende beleidsinstrumenten inzetten. Deze kunnen zowel juridisch (zoals instrumenten van de Omgevingswet) als niet-juridisch van aard zijn. Voorbeelden van die laatste categorie zijn: • de inzet van communicatie- of informatie-instrumenten; • de inzet van financiële instrumenten, bijvoorbeeld gerichte inzet van overheidsinvesteringen; • de (regionale) grondbank; • strategisch aankoopbeleid vastgoed; • afspraken met organisaties. • Het gaat erom, de meest effectieve van instrumenten (instrumentenmix) te kiezen voor het bereiken van beleidsdoelen, waarbij ook de sturingsstijl belangrijk is. De sturingsstijl bestaat uit de overheidsrol (reguleren, samenwerken of ondersteunen) plus de instrumentenmix die gekozen wordt. Dit noemen we ook wel sturingsfilosofie. In de omgevingsvisie kan de overheid vastleggen hoe ze de taken invult om haar ambities en beleidsdoelen te behalen. De overheid legt dan vast welke rol ze zelf speelt. Zo wordt duidelijk voor welke zaken een overheidslaag verantwoordelijk is en wat ze aan anderen overlaat. Monitoring is een stap die vaak slechts deels wordt uitgevoerd bij gemeenten. Toch is dit een essentiële stap in de beleidscyclus. Zonder monitoring of terugkoppeling is niet duidelijk waarom beleidsdoelen niet gehaald worden.
Zo is bij het opstellen van (verplichte) programma’s onder de Omgevingswet deze stap nu wel wettelijk verplicht, omdat deze essentieel om te controleren of de gestelde beleidsdoelen gehaald worden. Daarmee heeft de wetgever benadrukt hoe belangrijk deze stap is binnen de beleidscyclus. Bij het opstellen van de visie is het daarom noodzakelijk om vooruit te kijken: hoe worden de doelen uit de omgevingsvisie gehaald en gemonitord en hoe wordt de haalbaarheid van de visie bepaald. Door het continu doorlopen van de kringloop is monitoring ook in dit proces geborgd, ook al wordt deze fase in de afbeelding van de ruimtelijke kringloop niet expliciet benoemd.
71