CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage NL.IMRO.1674.1224BERGSESTRAAT57-0101 ruimtelijke onderbouwing.pdf

Gemeenteraad 25 februari 2021, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5a: Raadsvoorstel verklaring van geen bedenkingen Bergsestraat 57 in Wouw24.837 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

31

Uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant, waarop het besluitgebied is weergegeven met een gele ster. Bron: CHW-kaart, 2020.

Beoordeling Het besluitgebied ligt in de regio ‘West-Brabantse Venen’. Een van de doelstellingen voor dit gebied is “het duurzaam en in samenhang behouden van het bodemarchief (o.a. door afstemming van het gemeentelijk archeologiebeleid) van het archeologisch landschap ‘Dekzandrug Bosschenhoofd-Hoeven’”. De relatief lage ligging van grote delen van de gemeente, de aanwezigheid van slecht doorlatende en slecht wateropnemende (leem-)lagen dicht aan de oppervlakte en de veelal haaks op de natuurlijke afwateringsrichting gelegen dekzandruggen, zorgden ervoor dat het gemeentelijk grondgebied sterk vernatten. Daardoor ontstonden omvangrijke veenpakketten. Deze veenbedekking is door natuurlijke erosie vrijwel volledig verdwenen. Onderhavig initiatief is kleinschalig van aard en kent niet het schaalniveau waarop de cultuurhistorische waarden ontwikkeld behouden of versterkt kunnen worden ter verwezenlijking van de regionale ambitie. Er zijn geen andere cultuurhistorische waarden in de directe omgeving van het besluitgebied gelegen, behoudens een molenbiotoop. Hierop wordt navolgend ingegaan. Molenbiotoop Ter bescherming van de windvang van functionele historische windmolen stelt het vigerende bestemmingsplan regels ter bescherming van de vrije windvang. Op de plankaart behorend bij het vigerende bestemmingsplan is de molenbiotoop met bijbehorende toegestane bouwhoogten opgenomen.

32

Gemeente Roosendaal

Uitsnede vigerend bestemmingsplan “Wouw” met besluitgebied rood omkaderd. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.

Voor het zuidelijk deel van het besluitgebied geldt op basis van het vigerende bestemmingsplan een maximum toegestane bouwhoogte van 9 meter. Voor het noordelijk deel van het besluitgebied betreft dit 10 meter. Het bouwplan blijft onder de toegestane bouwhoogte van 9 meter. De ontwikkeling past daarmee binnen de regels geldend voor de molenbiotoop en hindert aldus de vrije windvang van de molen niet. Conclusie Het voorliggend initiatief heeft geen gevolgen voor het aspect cultuurhistorie.

4.5

Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

33

tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. In de afgelopen vijf jaar zijn diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd en zijn er door amateurs vondsten gemeld, zowel binnen als buiten het de kom van Wouw. De archeologische begeleiding van de waterleiding Roosendaal-Wouw leverde tientallen nieuwe vindplaatsen op, daterend van de IJzertijd tot late middeleeuwen. Het onderzoek van het kasteel van Wouw maakte duidelijk dat er ook in het beekdal prehistorische vondsten te verwachten zijn.

In de Doeldreef werden resten gevonden van de middeleeuwse hoeve Smallebeke. Deze resten strekken zich uit onder de sportvelden. Bij de Donken en bij de Spellestraat bevinden zich vindplaatsen uit de Romeinse tijd. Een recent bouwplan tussen de Nieuwstraat en Kasteelstraat heeft echter geen bewoningssporen opgeleverd. Dat geldt ook voor recente nieuwbouw in de Boomhoefstraat. Op beide locaties bevond zich veel leem in de ondergrond. Het overgrote deel van het plangebied vertegenwoordigt een hoge archeologische trefkans. Hier zijn in beginsel sporen te verwachten uit alle cultuurperioden.

Uitsnede archeologische kaart waarop het gebied wordt aangegeven met een De trefkans wordt mede bepaald door de verstoring van de bodem vanaf (met name) hoge archeologische trefkans.

het laatste kwart van de 20ste eeuw door de machinale aanleg van grote bouwputten. Deze kan echter vanwege de dichte bebouwing niet in detail voorspeld worden en moet dus per bodemverstorende activiteit nader in beeld worden gebracht. Uitzonderingen op de hoge archeologische trefkans zijn de reeds onderzochte gebieden aan de Nieuwstraat en de Boomhoefstraat. Tevens heeft een groot gebied aan de zuidoostelijke zijde van het centrum, ten oosten van de Molensingel, een lage archeologische trefkans. Deze gebieden vallen buiten de dekzandruggen en maken

34

Gemeente Roosendaal

deel uit van de terrasafzettingswelvingen. Grote delen van deze gronden waren in het verleden met veen bedekt en dus niet geschikt voor bewoning. Beoordeling Ter plaatse van het besluitgebied is in het voorontwerp bestemmingsplan “Wouw” op de gronden de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’ opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor het behoud van hoge archeologische waarden. Voor het bouwen van bouwwerken, met een grotere oppervlakte dan 50 m2 en een grotere diepte dan 0,50 meter benden maaiveld waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, geldt dat een archeologisch onderzoek benodigd is, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld. Met een omgevingsvergunning is het mogelijk om hiervan af te wijken. Immers is in de huidige situatie ter plaatse nog bebouwing aanwezig. Voorgesteld wordt om archeologisch onderzoek plaats te laten vinden ten tijde of na de sloop van de bestaande bebouwing. Dit dient als voorwaarde aan de omgevingsvergunning te worden verbonden. De regeling zoals opgenomen in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Wouw” maakt dit mogelijk op basis van artikel 24.2.2 onder e. Conclusie Ter plaatse van onderhavig plan bevinden zich mogelijk sporen met een hoge archeologische waarden.

Een archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd ten tijde of na sloop van de bestaande bebouwing.

4.6

Natuur: gebiedsbescherming Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Onderdeel van deze gebiedsbescherming wordt gevormd door het Programma Aanpak Stikstof 2015 – 2021 (PAS), welke in werking is getreden per 1 juli 2015. Het PAS betreft een programma, voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en gecontinueerd onder de Wnb, en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen, de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen.

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

35

Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000 gebied betreft ‘Brabantse Wal’ op een afstand van 3 kilometer. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavig project wordt de bouw van een wooncomplex met 16 appartementen mogelijk gemaakt in de kern van Wouw. Om inzichtelijk te maken of er negatieve effecten optreden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is een voortoets stikstof uitgevoerd. De rapportage van deze voortoets stikstof, opgesteld door Dhondt met behulp van AERIUS, is opgenomen in bijlage 2 van deze ruimtelijke onderbouwing. Zowel de stikstofdepositie volgend uit de aanlegfase als de gebruiksfase is inzichtelijk gemaakt in de berekening. Uit de berekening kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen rekenresultaten op Natura 2000-gebieden naar voren komen die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Onderhavige ontwikkeling heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming inzake gebiedsbescherming.

4.7

Natuur: soortenbescherming Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen.

Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het besluitgebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste

36

Gemeente Roosendaal

jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Door Econsultancy is in mei 2018 een quickscan uitgevoerd in het kader van de Wet natuurbescherming. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als bijlage 3 van deze ruimtelijke onderbouwing. Uit de bevindingen van het veldonderzoek, het literatuur en bronnenonderzoek en toetsing van de resultaten van dit onderzoek aan de Wet natuurbescherming, blijkt dat bij de uitvoering van de ingreep negatieve effecten te verwachten zijn voor de huismus, gierzwaluw en gebouwbewonende vleermuizen. Voor gebouwbewonende vleermuizen dient ook het pand naast de voormalige rijwielwinkel geïnspecteerd te worden. Hierop volgend heeft daarom tot en met september 2018 ecologisch vervolgonderzoek plaatsgevonden. Het vervolgonderzoek is verricht door Econsultancy. Rapportage daarvan is als bijlage 4 toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. Navolgend worden kort de resultaten beschouwd: Functie onderzoekslocatie voor huismus en gierzwaluw De onderzoekslocatie zelf heeft geen functie voor streng de beschermde huismus of gierzwaluw. Huismussen werden helemaal niet waargenomen in de buurt van de onderzoekslocatie. Gierzwaluwen werden alleen overvliegend waargenomen.

Functie onderzoekslocatie voor vleermuizen De onderzoekslocatie zelf heeft geen functie voor de streng beschermde vleermuissoorten. Wel werden in twee panden in de buurt van de onderzoekslocatie twee verblijfplaatsen aangetroffen, deze zullen echter geen hinder ondervinden van de voorgenomen werkzaamheden. Verder werden er foeragerende dieren waargenomen, de voorgenomen ingreep heeft echter geen effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen. Conclusie Uit ecologisch onderzoek blijkt dat het besluitgebied geen functie heeft voor beschermde soorten. Het plan is daarmee uitvoerbaar in het kader van de Wen natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming. 4.8

Akoestiek

4.8.1 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76a van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken de waarden als bedoeld in de artikelen 82, 83, 85, 100 en 100a van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/of een reconstructie van een bestaande weg;

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

37

•

functiewijzigingen van een geluidsgevoelige functie wijzigingsbevoegdheid).

niet-geluidsgevoelige (bijvoorbeeld via

functie in afwijkings-

een of

De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. De tabel op de volgende pagina geeft hier een overzicht van:

Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Stedelijk Buitenstedelijk Aantal meter aan weerszijden van de weg 350 m 600 m 350 m 400 m 200 m 250 m

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/h geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Het besluitgebied is gelegen aan wegen met een snelheidsregime van 30 km/u. Het besluitgebied valt niet binnen een geluidzone van een weg. Om echter te bepalen of ter plaatse van de te ontwikkelen woningen sprake is van een goede ruimtelijke ordening heeft De Roever Omgevingsadvies een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing.

De cumulatieve geluidbelasting door alle wegen in de omgeving is berekend (exclusief aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder). De geluidbelastingen zijn berekend zonder reflectie door de achterliggende gevel (invallend geluidsniveau).De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 62 dB. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 62 - 33 = 29 dB. Het bevoegd gezag dient te bepalen of een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk is. Voor de gevels met een geluidbelasting van 53 dB of lager kan worden volstaan met de standaard karakteristieke geluidwering Ga;k van 20 dB uit het Bouwbesluit. De cumulatieve geluidbelasting staat door middel van het nemen van deze maategel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

38

Gemeente Roosendaal

4.8.2 Railverkeerslawaai Toetsingskader De regels voor de projectie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen binnen de geluidzones van spoorwegen zijn opgenomen in artikel 106 en 107 van de Wet geluidhinder. Hierbij wordt doorverwezen naar het Besluit geluidhinder. Artikel 4.1 van dit besluit bepaalt dat, indien bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of van een wijzigings- of uitwerkingsplan, geluidsgevoelige gebouwen worden gerealiseerd, rekening moet worden gehouden met de in het Besluit geluidhinder opgenomen waarden ten aanzien van spoorweglawaai. Indien er sprake is van het realiseren van dergelijke objecten binnen de geluidszones van geluidgezoneerde spoorwegen zal met een akoestisch onderzoek aangetoond moeten worden dat aan de normstelling kan worden voldaan, of dat hiervoor een ontheffing kan worden verleend. Beoordeling Onderhavig plan is gelegen op circa 550 meter afstand van de spoorlijn Breda – Roosendaal. Gezien de ruime afstand wordt voldaan aan de richtafstand voor spoorwegen. Conform de Wet geluidhinder is een onderzoek railverkeerlawaai niet benodigd. Conclusie Het aspect raillawaai vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.9

Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG uit 2009. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk of bij afwijkende bedrijven. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. Beoordeling In het vigerende bestemmingsplan is de Bergsestraat aangeduid als gebied dat ligt binnen de invloedssfeer van diverse bedrijven, voorzieningen en functies waardoor sprake is van een zekere verstoring ten opzichte van een rustige woonwijk.

Daarnaast behoort de Bergsestraat tot de hoofdinfrastructuur van Wouw. Hierdoor kan het besluitgebied worden aangeduid als gemengd gebied. De dichtstbijzijnde milieuinrichting is toegestaan aan de Plantagebaan 1, 3, 5 en 7 op 8 meter afstand van het

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

39

besluitgebied. Voor dit perceel geldt de bestemming ‘Gemengd – 2’. De gemengde bestemming bevat de mogelijkheid om ter plaatse te voorzien in detailhandel, dienstverlening, wonen en maatschappelijke voorzieningen als bibliotheken, gezondheidszorg, jeugd-/kinderopvang en onderwijs. Binnen deze bestemming is gezien de maximaal planologische mogelijkheden een inrichting van milieucategorie 2 mogelijk. Feitelijk zijn er ter plaatse van de Plantagebaan 1, 3 en 5 woningen aanwezig. Aan de Plantagebaan 7 is een schade regie centrum gevestigd. Voor zakelijke dienstverlening geldt een richtafstand van 10 meter. Doordat het gebied is gelegen in gemengd gebied kan deze richtafstand een stap worden teruggebracht tot 0 meter. Op basis van de ligging van de gemengde functie naast reguliere woonbestemmingen ligt het niet in de lijn der verwachting dat zich hier een activiteit kan vestigen met een milieucategorie 2, vanwege zijn weerslag op de directe omgeving. Verderop in de Bergsestraat vigeert ook de bestemming ‘Gemengd – 2’. Binnen deze bestemming zijn inrichtingen mogelijk met milieucategorie 2. Voor deze zwaarste inrichtingen (milieucategorie 2) geldt een minimaal te hanteren afstand van 10 meter tot omliggende gevoelige objecten (gebiedstype: gemengd gebied). De afstand van de bestemming ‘Gemengd – 2’ tot het bouwvlak voor onderhavig woningbouwplan bedraagt meer dan 10 meter.

Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief.

4.10 Externe veiligheid 4.10.1 Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Toetsingskader Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Ten aanzien van het aspect inrichtingen zijn in de directe omgeving van het besluitgebied twee gasdrukregel- en meetruimten gelegen. Doordat deze inrichting op circa 520 meter afstand ligt wordt er voldaan aan de risiconormen van het Bevi.

40

Gemeente Roosendaal

Uitsnede risicokaart, waarop het besluitgebied is aangegeven met een gele ster. Bron: nederland.risicokaart.nl, 2020.

Conclusie Het aspect Bevi-inrichtingen vormt geen belemmering voor onderhavig project.

4.10.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden en daarmee het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, water en de weg vindt vanaf deze datum plaats aan de hand van de Wet Basisnet. Hierin zijn grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Wat de berekening van het groepsrisico betreft dient voor ruimtelijke besluiten e.d. die ter inzage worden gelegd en die betrekking hebben op de omgeving van de in de bijlagen van de in de regeling Basisnet genoemde transportassen, uit te worden gegaan van de in de bijlage vermelde vervoerscijfers. Bij de vaststelling van het ruimtelijke besluit dient het groepsrisico te worden verantwoord. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling Basisnet zijn opgenomen. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het besluitgebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd.

In de directe omgeving van het besluitgebied is de spoorweg van Roosendaal naar Bergen op Zoom gelegen.

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

41

Doordat deze spoorweg op circa 550 meter afstand ligt wordt er voldaan aan de risiconormen van het Bevt. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.10.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buileidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het besluitgebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit volgt dat in de directe omgeving van het besluitgebied een aardgasleiding is gelegen.

De leiding is op circa 550 meter van het besluitgebied gelegen waardoor voldaan wordt aan de risiconormen van het Bevb. De leiding is niet van invloed op het planvoornemen. Conclusie Het planvoornemen wordt niet belemmerd door het aspect buisleidingen en externe veiligheid.

4.11 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de ‘Wet luchtkwaliteit’ (Wlk) in werking getreden. Met de Wlk wordt de wijziging van de Wet milieubeheer op het gebied van luchtkwaliteitseisen (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Stb. 2007, 414) bedoeld. In de Wlk zijn luchtkwaliteiteisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) worden beleidsmatig relevant geacht. Het luchtkwaliteitonderzoek beperkt zich dan ook tot deze twee stoffen.

42

Gemeente Roosendaal

Een ruimtelijke plan kan worden vastgesteld indien aannemelijk kan worden gemaakt dat: ▪ door de vaststelling (van het besluit), al dan niet in combinatie met maatregelen, de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechtert (maximaal 1,2 μg/m³) (Wm artikel 5.16.1.c), ofwel dat; ▪ de luchtkwaliteit door de vaststelling (van het besluit), al dan niet in combinatie met de maatregelen, per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft (Wm artikel 5.16.1.b.1°), ofwel dat; ▪ bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit vanwege de vaststelling (van het besluit), de luchtkwaliteit in een gebied rondom de inrichting per saldo verbetert (Wm artikel 5.16.1.b.2°). De verbetering en verslechtering zullen beide moeten gelden voor overschrijdingssituaties en dienen te worden betrokken op de concentraties van NO2 en/of PM10, ofwel dat; ▪ er geen grenswaarden worden overschreden. In het Besluit ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Hierin is bepaald dat de concentratiebijdragen NO2 en PM10 als NIBM mogen worden beschouwd wanneer deze het jaargemiddeld maximaal 1,2 μg/m³ bedragen.

Wanneer hiervan sprake is, wordt voldaan aan artikel 5.16 eerste lid, onder c van de Wm en kan een uitgebreid luchtonderzoek achterwege blijven. Beoordeling Het onderhavige plan bestaat uit de realisatie van wooncomplex met 16 wooneenheden. De ondergrens van NIBM, vergelijkbaar met de realisatie van 1500 woningen, wordt niet gehaald. De ontwikkeling is als NIBM aan te merken. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1 1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom;

1

Leidingen die deel uitmaken van een inrichting zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (Laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer).

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

43

e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2. Beoordeling Binnen of in de directe omgeving van het besluitgebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.

4.13 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor projecten de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Er is sprake van een besluit dat voorziet in één of meerdere activiteiten boven de grenswaarden uit de C-lijst van het Besluit m.e.r. Een dergelijk besluit is aangewezen als MER-plichtig. 2. Er is sprake van een besluit dat voorziet in één of meerdere activiteiten boven de (indicatieve) grenswaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van een m.e.r.-plicht; het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Naar aanleiding van de m.e.r.beoordeling kan volgen dat er alsnog een MER moet worden opgesteld, of dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen zijn.

3. Activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europees Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor de eerste twee criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar (natuur)gebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van

2

Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

44

Gemeente Roosendaal

2011 ook bij ‘kleine projecten’ (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de ‘vormvrije m.e.r.beoordeling’ genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Beoordeling In onderhavige situatie is er sprake van de nieuwbouw van een wooncomplex van zeventien wooneenheden. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen; of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er geldt derhalve geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling, waardoor enkel een vormvrije m.e.r.beoordeling resteert. Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft er een vormvrije m.e.r.beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig project geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r. of de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010.

Uit de vormvrije m.e.r.beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

45

5

EFFECTEN EN AFWEGING

5.1

Algemeen In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien een project voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.

5.2

Kostenverhaal Conform artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is wat mogelijk wordt gemaakt met dit ruimtelijke plan aan te merken als een bouwplan. Hiervoor dient een exploitatieplan vastgesteld te worden, tenzij het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden op een andere manier verzekerd is. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is, staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): ▪ de bouw van een of meer woningen; ▪ de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; ▪ de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen; ▪ de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; ▪ de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt; ▪ de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Het onderhavige bouwplan voorziet in de bouw van 16 nieuwe wooneenheden met bijbehorende (parkeer)voorzieningen, zodat het plan in principe exploitatieplanplichtig is.

Het kostenverhaal wordt in het kader van het onderhavige plan echter anderszins verzekerd. De gemeente Roosendaal zal hiertoe met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten, waarin de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten (waaronder tevens planschade) is vastgelegd. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen.

46

Gemeente Roosendaal

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

47

6

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

6.1

Inleiding Wettelijk kader In artikel 3.10 Wabo is bepaald dat op de voorbereiding van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In afdeling 3.4 Awb is bepaald dat het ontwerp van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken ter visie zal liggen. Tijdens deze periode kan een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen kenbaar maken aan burgemeester en wethouders omtrent hun voornemen om medewerking te verlenen aan de onderhavige omgevingsvergunning. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 6.18 Bor (Besluit omgevingsrecht) dient bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning, waar nodig, overleg gepleegd te worden conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

6.2

Procedure Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Bro geeft aan dat, voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning, burgemeester en wethouders overleg plegen met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Vóór het opstarten van de procedure wordt deze ruimtelijke onderbouwing ter vooroverleg opgestuurd naar de diverse instanties Tervisielegging P.M.

48

Gemeente Roosendaal

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

49

7

CONCLUSIE Onderhavig project ziet toe op het mogelijk maken van 16 wooneenheden op de hoek van de Plantagebaan en Bergsestraat. De bestaande bebouwing ter plaatse wordt gesloopt. Om de bouw van de 16 wooneenheden mogelijk te maken dient te worden afgeweken van het vigerende bestemmingsplan. Door middel van de onderhavige ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat de betreffende afwijking niet stuit op overwegende bezwaren van ruimtelijke, functionele, beleidsmatige of milieukundige aard. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat onderhavig project planologisch te verantwoorden is.

50

Gemeente Roosendaal

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

51

Bijlagen

52

Gemeente Roosendaal

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

53

Bijlage 1. Onderbouwing ladder voor duurzame verstedelijking

54

Gemeente Roosendaal

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

55

Memo onderwerp

Ladder voor duurzame verstedelijking Potterhoeck

bestemd voor

Gemeente Roosendaal

opgesteld door

Tine van Wijnen

datum referentie projectnummer

19 juni 2020 180336_M_TVWN_0173 180336

Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat ‘de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden.

Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uit een worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast. Beoordeling Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?

P 1/7

a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van ander vormen van gebruik van gronden van ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m2, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Het onderhavige ruimtelijk besluit maakt ter plaatse van het plangebied de bouw van 16 wooneenheden mogelijk. De ontwikkeling is daarom gelet op de omvang als een ‘stedelijke ontwikkeling’ te classificeren. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ moet verder doorlopen worden. b.

Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Uit de 'overzichtsuitspraak' van de ABRvS blijkt dat van een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling kan worden gesproken als uit een onderling samenhangende beoordeling van het ruimtelijke besluit, in vergelijking met het voorgaande planologische regime, blijkt dat sprake is van een functiewijziging en dat sprake is van een groter planologisch beslag op de ruimte. Een bestemmingsplan dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, voorziet in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken indien die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hierbij komt betekenis toe aan de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functie en die van hetgeen onder het vorige plan mogelijk was. Het besluitgebied heeft thans ter plaatse van de bestaande bebouwing de bestemming ‘Detailhandel’, ‘Horeca’ en ‘Wonen’. Binnen de bestemming ‘Detailhandel’ is een bouwvlak gelegen langs de Plantagebaan alwaar een maximum goot- en bouwhoogte is toegestaan van 4 en 7 meter.

Op het bijbehorende erf, aangeduid op het achterliggende terrein, zijn bijbehorende bouwwerken toegestaan met een plat dak en een bouwhoogte van maximaal 3 meter. Dit erf mag voor 100% worden bebouwd. Binnen de bestemming ‘Detailhandel’ zijn detailhandel en dienstverlening toegestaan op de begane grond. Daarnaast is het wonen toegestaan. Ter plaatse van de bestemming ‘Horeca’ zijn horecabedrijven toegestaan voor zover deze voorkomen in categorie 1a, 1b, 1c en 2 van de Staat van Horeca-activiteiten. Het betreft lichte en middelzware horeca, zoals een bar, café of shoarma/grillroom. Daarnaast is het wonen ter plaatse toegestaan. Hoofdgebouwen zijn toegestaan ter plaatse van het bouwvlak, gelegen op de hoek van de Plantagebaan en de Bergsestraat. Ter plaatse is een maximum goot en bouwhoogte toegestaan van en 9 meter. Ten zuiden van het bouwvlak is de aanduiding ‘erf’ opgenomen, alwaar bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan met een maximum bouwhoogte van 3 meter en een plat dak. Dit gebied mag voor 100% worden bebouwd. De bestemming ‘Wonen’ is opgenomen ter plaatse van de bestaande woning aan de Bergsestraat 61 in Wouw. Hier is een vrijstaande woning toegestaan ter plaatse van het datum referentie

19 juni 2020 180336_M_TVWN_0173

P 2/7

bouwvlak met een maximum goot- en bouwhoogte van 3 en 9 meter. In de bijbehorende tuin gelegen op de achterzijde van het perceel zijn bijbehorende bouwwerken toegestaan met een oppervlakte van 60 m2 (oppervlakte bouwperceel circa 650 m2). Ten behoeve van de voorgenomen woningbouwontwikkeling dient een functiewijziging naar ‘Wonen’ plaats te vinden. Binnen alle bestemmingen is het wonen reeds toegestaan. Met onderhavig bouwplan wordt het planologisch beslag op de ruimte echter groter, aangezien de goot- en bouwhoogte langs de Plantagebaan wordt verruimd en het hoofdgebouw wordt voorzien op gronden die momenteel geen bouwvlak hebben. Wel zijn ter plaatse reeds bebouwingsmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken aanwezig tot een bebouwingsoppervlakte van 100%, maar uitsluitend toegestaan met een plat dak en voor met een maximum bouwhoogte van 3 meter. De beoogde bebouwing omvat een groter planologisch ruimtebeslag dan de bestaande bouwmogelijkheden op basis van de vigerende bestemmingen. De gehele ontwikkeling in beschouwende nemend is er sprake van een functiewijziging en vindt tevens een vergroting van het planologisch beslag op de ruimte plaats. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ moet verder worden doorlopen. c.

Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat, indien sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling in het ruimtelijk besluit dient te worden beschreven. Het kan hierbij zowel gaan om een kwantitatieve behoefte als een kwalitatieve behoefte. De beschrijving van de behoefte dient te worden gebaseerd op voldoende actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens. Het is niet in strijd met art. 3.1.6, lid 2 Bro als voor de onderbouwing van de behoefte in het ruimtelijk besluit wordt verwezen naar een of meer onderzoeksrapporten of beleidsdocumenten. Uit jurisprudentie blijkt dat de actuele behoefte aan woningen kan worden onderbouwd met gebruikmaking van regionale woningbouwafspraken (o.m. 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2908, r.o. 10.2). De behoefte aan woningen wordt in Noord-Brabant bepaald aan de hand van de provinciale “Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant”. De uitkomsten van de prognose zijn onderwerp van afspraken tussen provincie en gemeenten in het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO). Deze afspraken worden vastgelegd in de Regionale Agenda Wonen. In het document ‘Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West 2019’ zijn de meest recente woningbouwafspraken gemaakt in de regio West-Brabant West opgenomen.

In dit document zijn de woon- en woningbouwopgave per gemeente opgenomen. In dit document is opgenomen dat het beleid van de gemeente Roosendaal al jaren primair gericht is op het versterken van het bestaand stedelijk gebied. In haar woningbouwopgave staan dan ook vrijwel uitsluitend binnenstedelijke (her)ontwikkellocaties. Vanuit de actuele woningbehoefteprognose bestaat er flexibiliteit voor nieuwe initiatieven, aanvullend op de huidige programmering. Binnenstedelijk zijn hiervoor nog ruime mogelijkheden en potenties aanwezig.

datum referentie

19 juni 2020 180336_M_TVWN_0173

P 3/7

Woningbouwbehoefte en plancapaciteit van de gemeente Roosendaal. Bron: Perspectief op Wonen en Woningbouw West-Brabant West, 2019.

Conform bovenstaande tabel is er voor de gemeente Roosendaal voor de periode 2018 - 2028 een prognose van 2.070 woningen. De woningbouwprogrammering ziet toe op de ontwikkeling van 2.530 woningen, waarvan er 1.465 woningen onderdeel uitmaken van de harde plancapaciteit. Onderhavig plan is nog geen onderdeel van de harde plancapaciteit, maar ter plaatse is wel sprake van een binnenstedelijke locatie met mogelijkheden voor herontwikkeling tot woningbouw. Achter de regionale cijfers schuilt een gemeentelijke woningbouwprogrammering, waarvan het meest actuele document voor de gemeente Roosendaal ‘Woningbouwprogrammering 2017 - 2018’ betreft. Ook in dit document is duidelijk ingezet op het inbreiden, herstructureren en transformeren van binnenstedelijke locaties. In bijlage 1 van de woningbouwprogrammering is de harde en zachte plancapaciteit opgenomen. Onderhavig plan is onder de naam ‘Plantagebaan Wouw’ met 18 wooneenheden opgenomen als nieuw project in de woningbouwprogrammering. Onderhavige ontwikkeling is gepland voor de periode 2017 - 2020 als zijnde de ontwikkeling van appartementen. Ten aanzien van de realisatie van de appartementen kan op basis van deze gegevens geconcludeerd worden dat er een kwantitatieve behoefte bestaat aan de voorgenomen ontwikkeling.

Woningbouwprogrammering 2017 - 2018 gemeente Roosendaal. Het schema toont de nieuwe plannen binnen de programmering. Onderhavig plan is aangeduid met het rode kader. Bron: Perspectief op Wonen en Woningbouw West-Brabant West, 2019.

datum referentie

19 juni 2020 180336_M_TVWN_0173

P 4/7

De kwalitatieve behoefte is lokaal uitgewerkt in de Structuurvisie Roosendaal 2025. Hierin zijn de uitgangspunten en ambities voor het wonen vastgelegd en beschreven. In dit document wordt onderschreven dat de gemeente zich inzet om haar burgers een passende woning en woonomgeving te bieden en om burgers binnen de wijken en dorpen mogelijkheden voor een wooncarrière te bieden. Voor het wonen zet de gemeente in op strategisch voorraadbeheer, ofwel het op langere termijn in overeenstemming brengen van de wensen van de woonconsument met de woningvoorraad. De bestaande voorraad is hierin de basis. Toevoegingen aan de voorraad zijn strategisch en moeten noodzakelijke veranderingen in de voorraad niet in de weg staan. Bestaande wijken en dorpen dienen een gevarieerd woningaanbod en gevarieerde woonmilieus te bieden. Gegeven de demografische ontwikkeling is er een toenemende vraag van de doelgroep ouderen naar levensloop- en zorggeschikte woningen die mogelijk zowel in het nieuwbouwprogramma als in de bestaande voorraad te vinden is. Vrijkomende locaties van commercieel, sociaal-maatschappelijk en cultuur-historisch vastgoed vragen om extra aandacht. Het is belangrijk verloedering te voorkomen en een invulling van dergelijke locaties met woningen is een serieuze optie conform de gemeente structuurvisie.

In de structuurvisie staat daarnaast dat omwille van een duurzame woningvoorraad in nieuwbouwprojecten in principe alleen nog levensloopgeschikte woningen en woningen met een energielabel A gebouwd. Het begrip levensloopgeschikt wil zeggen dat de woning geschikt is om in te blijven wonen op het moment dat men meer zorg nodig heeft.

Bron: Provinciale bevolkingsprognose 2017.

De provinciale bevolkingsprognose 2017 maakt duidelijk dat vergrijzing overal speelt in Brabant. Wel is duidelijk zichtbaar dat de vergrijzing in het landelijke gebied zich naar verhouding sterker zal voordoen dan in het stedelijke gebied. Ouderenhuisvesting is een beleidsterrein waarvoor de aandacht steeds meer toeneemt. Een aantal ontwikkelingen is daarvoor verantwoordelijk. In de eerste plaats is dat de vergrijzing van de bevolking waardoor simpelweg een grotere vraag naar woningen voor ouderen ontstaat. Naast de kwantitatieve uitbreiding zal de vraag ook in kwalitatieve zin veranderingen ondergaan. Ouderen blijken steeds fitter, hoger opgeleid en hebben zodoende steeds meer wensen ten aanzien van het wonen. De ‘markt’ voor ouderenhuisvesting wordt ook sterk datum referentie

19 juni 2020 180336_M_TVWN_0173

P 5/7

beïnvloed door het beleid van de centrale overheid. Het bewuste beleid mensen met een (lichte) zorgvraag langer zelfstandig te laten wonen en de daarmee gepaard gaande veranderingen in het zorgaanbod, hebben grote gevolgen voor de vraag naar huisvesting. Onderhavige ontwikkeling voorziet in 16 appartementen die levensloopgeschikt zijn, daar alle voorzieningen in de woning op één verdieping zijn gelegen en het gebouw daarnaast is uitgerust met een lift om de woningen op de verdieping te kunnen bereiken. De woningen zijn aldus uitermate geschikt voor de doelgroep ouderen. Daarnaast groeit het aantal alleenstaanden. Volgens de provinciale bevolkingsprognose wordt verwacht dat in 2050 van alle huishoudens 42% een eenpersoonshuishouden is. Door de vergrijzing zal vooral het aantal oudere alleenstaanden (75+) sterk toenemen. Daarnaast is zichtbaar dat bij de jongvolwassenen veel eenpersoonshuishoudens zijn te vinden. Jongeren die uit huis gaan wonen eerst een tijdje alleen. Uitstel van (langdurige) relatievorming en de tijd dat men - al dan niet tussen twee relaties in - alleen woont neemt toe. Tegenover de groei van het aantal alleenstaanden staat een afname van het aantal (al dan niet gehuwde) paren. Ook voor alleenstaande huishoudens biedt onderliggende ontwikkeling een passende woonruimte in de vorm van goedkope appartementen.

Bron: Provinciale bevolkingsprognose 2017.

Met het beoogde programma wordt aldus een brede doelgroep aangesproken die in onderhavige ontwikkeling gepaste woonruimte kan vinden. Onderhavige ontwikkeling kan bijdragen aan het behouden van jongvolwassen en het bieden van passende huisvesting aan senioren. In de Structuurvisie van de gemeente Roosendaal staat dat de gemeente zich blijft inzetten om haar burgeres een passende woning en woonomgeving te bieden en om burgers binnen de wijken en dorpen voldoende mogelijkheden te bieden voor een wooncarrière. Bestaande wijken en dorpen dienen en gevarieerd woningaanbod en gevarieerde woonmilieus te bieden. Ook in dit document wordt gesteld dat de demografische ontwikkeling leidt tot een toenemende vraag van de doelgroep ouderen naar levensloopgeschikte woningen. Onderhavig planvoornemen draagt bij aan de woonvoorraad die geschikt is voor meerdere doelgroepen op de woningmarkt, zoals alleenstaande huishoudens en senioren. datum referentie

19 juni 2020 180336_M_TVWN_0173

P 6/7

Ook de kwalitatieve behoefte aan deze woningen wordt door de structuurvisie van de gemeente Roosendaal en op basis van het provinciale en regionale beleid bevestigd. Er bestaat aldus een behoefte aan onderhavige ontwikkeling. d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? Uit de wetstekst en de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat indien de ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ buiten ‘bestaand stedelijk gebied’ is gelegen, de verantwoording in het ruimtelijke besluit een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het onderhavige plangebied is gelegen binnen het ‘bestaand stedelijk gebied’ van Wouw. De “ladder” hoeft niet verder te worden doorlopen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ruimtelijke ontwikkeling is aan te merken als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. De ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ voorziet in een behoefte aan wonen en is daarnaast gelegen binnen het ‘bestaand stedelijk gebied’ van de kern Wouw. Daarmee past het initiatief binnen de kaders van de ladder voor duurzame verstedelijking.

datum referentie

19 juni 2020 180336_M_TVWN_0173

P 7/7

Bijlage 2. Verkennend bodemonderzoek

56

Gemeente Roosendaal

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

57

VERKENNEND BODEMONDERZOEK EN EEN VERKENNEND ONDERZOEK ASBEST IN BODEM PLANTAGEBAAN/ BERGSESTRAAT TE WOUW

Rapportage verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek asbest in bodem Plantagebaan/ Bergsestraat te Wouw Opdrachtgever

Potterhoeck B.V. Schoolstraat 3 4724 BJ WOUW

Rapportnummer Versienummer

6119.001 D1

Status

Eindrapportage

Datum

25 juni 2018

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

ing. J. van de Weijer

Paraaf

Kwaliteitscontrole

dr. ir. P.J.M. Middeldorp

Paraaf Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). De VKB is een vereniging van bodemadviesen -onderzoeksbureaus en heeft als doel kwaliteitsborging en continue verbetering van de dienstverlening van haar leden op het gebied van bodembeheer. Het VKB keurmerk geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de VKB aan haar leden stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteitssysteem, zoals beschreven in het kwaliteitshandboek. Ons kwaliteitssysteem is gecertificeerd volgens de kwaliteitsborgingsnormen van de NEN-EN-ISO 9001:2008. Betrouwbaarheid Dit bodemonderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een bodemonderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Daarnaast betreft het bodemonderzoek een momentopname.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde bodemonderzoek neemt. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

VOORONDERZOEK................................................................................................................... 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9 2.10 2.11

Geraadpleegde bronnen ................................................................................................... 1 Afbakening onderzoekslocatie vooronderzoek ................................................................. 2 Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie ............................................................... 2 Calamiteiten ...................................................................................................................... 3 Uitgevoerde bodemonderzoeken op de onderzoekslocatie ............................................. 3 Belendende percelen/terreindelen.................................................................................... 3 Terreininspectie ................................................................................................................ 4 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 4 Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten ......................................................... 4 Bodemopbouw .................................................................................................................. 4 Geohydrologie .................................................................................................................. 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1059/documents/26938