CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage NL.IMRO.1674.1224BERGSESTRAAT57-0101 ruimtelijke onderbouwing.pdf

Gemeenteraad 25 februari 2021, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5a: Raadsvoorstel verklaring van geen bedenkingen Bergsestraat 57 in Wouw24.837 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Compositie 5 stedenbouw bv Boschstraat 35 4811 GB Breda telefoon

076 – 5225262

email

info@c5s.nl

internet

www.c5s.nl

kvk Breda

20083802

Gemeente Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

Project: Datum:

180336 16 oktober 2020

Gemeente Roosendaal Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

Opdrachtgever: Contactpersoon: Datum: Referentie: Projectverantwoordelijke: Projectmedewerker: Status:

Potterhoeck bv Dhr. F. Theuns 16 oktober 2020 180336ro15 Mevr. ing. T.J.C. van Wijnen MSc. Dhr. mr. M.J.A.B. Elsman Definitief

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

1

INHOUD 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

INLEIDING Aanleiding en doel Doel en reikwijdte omgevingsvergunning Ligging van het besluitgebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer

4 4 5 5 7 8

2 2.1 2.2 2.3

PLANBESCHRIJVING Huidige situatie Beoogde situatie Verkeer en parkeren

10 10 10 13

3 3.1 3.2 3.3 3.4

BELEID Inleiding Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

14 14 14 17 24

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13

PLANOLOGISCHE RELEVANTE (MILIEU) ASPECTEN Inleiding Bodem Waterhuishouding Cultuurhistorie Archeologie Natuur: gebiedsbescherming Natuur: soortenbescherming Akoestiek Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Luchtkwaliteit Kabels en leidingen Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling

26 26 26 27 31 33 35 36 37 39 40 42 43 44

5 5.1 5.2

EFFECTEN EN AFWEGING Algemeen Kostenverhaal

46 46 46

6 6.1 6.2

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Inleiding Procedure

48 48 48

7

CONCLUSIE

50

2

Gemeente Roosendaal

BIJLAGEN Bijlage 1. Onderbouwing ladder duurzame verstedelijking, 19 juni 2020; Bijlage 2. Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek, Econsultancy, 25 juni 2018; Bijlage 3. Voortoets stikstof, Dhondt, 16 juni 2020; Bijlage 4. Quickscan flora en fauna, Econsultancy, 9 mei 2018; Bijlage 5. Aanvullend ecologisch onderzoek, Econsultancy, 18 september 2018; Bijlage 6. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, De Roever Omgevingsadvies, 26 juni 2020.

Uitsnede van de topografische kaart van de kern Wouw en omgeving. Binnen de rode cirkel is het besluitgebied gelegen. Bron: topotijdreis.nl, 2020.

Luchtfoto van de bestaande situatie waarop het besluitgebied is weergegeven met een rood kader. Bron: Street Smart.nl, 2020. Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

3

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel Op de hoek van de Plantagebaan en Bergsestraat in de kern van het dorp Wouw is een aantal panden gelegen. Een aantal van deze panden was voorheen in gebruik ten behoeve van detailhandel en een horecagelegenheid. Nu zijn de panden incourant en worden zij verhuurd voor tijdelijke bewoning, om leegstand van de bebouwing te voorkomen. Initiatiefnemer is voornemens deze gebouwen te amoveren en de vrijkomende gronden te ontwikkelen als woningbouwlocatie. Beoogd wordt ter plaatse 16 appartementen te realiseren. Aan de achterzijde van het pand zullen parkeerplaatsen en bergingen voor de appartementen worden gerealiseerd. De parkeerplaatsen zullen te bereiken zijn via de Plantagebaan. Het initiatief is door de gemeente Roosendaal toegevoegd aan de woningvoorraad van Wouw.

Plattegrond van de toekomstige inrichting van het besluitgebied op de begane grond. Bron: Algra & Marechal Architecten b.v., 2020.

In het vigerend bestemmingsplan “Wouw”, vastgesteld d.d. 7 juli 2008, zijn aan de gronden de bestemmingen ‘Detailhandel’, ‘Horeca’ en ‘Wonen’ toegekend. Binnen deze bestemmingen is de realisatie van het wooncomplex niet mogelijk. Om het wooncomplex op het perceel mogelijk te maken is het noodzakelijk om af te wijken van het vigerende bestemmingsplan. In het kader van de afwijking van het vigerende bestemmingsplan is ten behoeve van de omgevingsvergunning voor planologisch afwijken een ruimtelijke onderbouwing benodigd, waarin omschreven wordt op welke wijze de situatie gewijzigd wordt en waarom dit passend is binnen het vigerende beleid (met uitzondering van het vigerende bestemmingsplan) en de

4

Gemeente Roosendaal

omgeving. De uitgebreide procedure wordt doorlopen op basis van artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

1.2

Doel en reikwijdte omgevingsvergunning In de Wabo is in artikel 2.1, eerste lid, onder c, bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden en bouwwerken, in strijd met een bestemmingsplan of beheersverordening. In artikel 2.12, eerste lid, onder a, is aangegeven dat een omgevingsvergunning in dat geval slechts kan worden verleend: 1. Met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, 2. In de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of 3. Indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. De beoogde ontwikkeling past niet binnen de afwijkingsregels van het vigerende bestemmingsplan “Wouw” van de gemeente Roosendaal, zoals vastgesteld d.d. 7 juli 2008. De ontwikkeling valt ook niet aan te merken als een (Wabo) kruimelafwijking conform artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 2. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien, conform artikel 2.12, eerste lid, onder a sub 3, de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

De onderhavige ruimtelijke onderbouwing voorziet in de motivering om een projectafwijkingsbesluit volgens de Wabo te nemen, aan de hand van het doorlopen van de uitgebreide procedure omgevingsvergunning. Het vigerende bestemmingsplan blijft geldig; door middel van deze omgevingsvergunning wordt enkel voor het onderhavige project van het bestemmingsplan afgeweken.

1.3

Ligging van het besluitgebied Het besluitgebied is gelegen in het bestaand stedelijk gebied van Wouw. Aan de noordwestzijde van het besluitgebied is de Bergsestraat gelegen. Dit is de doorgaande weg van het dorp. Aan de west- en zuidzijde wordt het besluitgebied ontsloten door bebouwing in de vorm van woningen. Daarnaast is aan de oostzijde van het besluitgebied de Plantagebaan gelegen. Deze straat loopt van de kern Wouw naar de Rijksweg A58. Via de Plantagebaan is de parkeerplaats aan de achterzijde van het wooncomplex te bereiken. Kadastraal zijn de gronden behorend tot het besluitgebied bekend als gemeente Roosendaal, sectie L, nummers 1510, 1747, 2091, 2101, 2252 en 2254.

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

5

Uitsnede kadastrale kaart Wouw met het besluitgebied rood omkaderd. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.

Uitsnede vigerend bestemmingsplan “Wouw” met besluitgebied rood omkaderd. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.

6

Gemeente Roosendaal

1.4

Geldend bestemmingsplan In het vigerend bestemmingsplan “Wouw”, vastgesteld d.d. 7 juli 2008, zijn aan de gronden de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Detailhandel’ en ‘Horeca’ toegekend. De op de plankaart aangewezen gronden voor ‘Detailhandel’ zijn uitsluitend bestemd voor detailhandel of dienstverlening op de begane grond. Het wonen is toegestaan behalve ter plaatse van de aanduiding ‘zonder wonen’. Deze aanduiding is binnen de bestemming ‘Detailhandel’ niet op het besluitgebied gelegen. Wel is ter plaatse de aanduiding ‘erf’ opgenomen, alwaar gebouwen zijn toegestaan met een plat dak. Dit deel mag voor 100% bebouwd worden. Ter plaatse van de aanduiding ‘zonder gebouwen’ zijn geen gebouwen toegestaan, maar is wel een verkooppunt van motorbrandstoffen toegestaan. Binnen het bouwvlak is een maximum goot- en bouwhoogte toegestaan van 4 respectievelijk 7 meter. Ter plaatse van de aanduiding ‘erf’ is een maximum goothoogte toegestaan van 3 meter. De gronden aangewezen voor ‘Horeca’ zijn bestemd voor horeca en bijbehorende voorzieningen zoals ontsluitingen, groen en water. Bovendien is het wonen binnen de bestemming toegestaan. Ter plaatse van het besluitgebied zijn horecabedrijven toegestaan voor zover deze voorkomen in categorie 1a, 1b, 1c en 2 van de Staat van Horecabedrijven. Daarnaast ligt op de achterzijde van het besluitgebied de aanduiding ‘zonder gebouwen’.

Ter plaatse van deze aanduiding dient het gebied onbebouwd te blijven. Daarnaast is de aanduiding ‘erf’ opgenomen, alwaar gebouwen zijn toegestaan met een plat dak tot een maximum hoogte van 3 meter. Ter plaatse van het bouwvlak is een maximum goot- en bouwhoogte toegestaan van 4 respectievelijk 9 meter. Ter plaatse van de aanduiding ‘erf’ is een maximum goothoogte toegestaan van 3 meter. Daarnaast is het meest westelijke deel van het besluitgebied bestemd voor het ‘Wonen’. Binnen het bouwvlak is een vrijstaande woning toegestaan met een maximum goothoogte van 3 en een maximum bouwhoogte van 9 meter. Binnen de aanduiding ‘erf’ zijn bijbehorende bouwwerken toegestaan. Het initiatief ziet toe op de realisatie van een woongebouw langs de zijde van de Plantagebaan. Ter plaatse van de huidige bestemming ‘Wonen’ worden bergingen voorzien. Daarboven wordt eveneens een appartement voorzien. De parkeerplaatsen behorende bij de te realiseren wooneenheden worden voorzien op het binnenterrein. De voorziene ontwikkeling voorziet bebouwing buiten de bestaande bouwvlakken. Daarnaast dient de maximum goot- en bouwhoogte te worden verruimd naar 6 en 9 meter voor de bebouwing gelegen aan de Plantagebaan. Verder ligt op het besluitgebied de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone - molenbiotoop’.

Binnen deze aanduiding mag niet hoger gebouwd worden dan de maximale bouwhoogte zoals opgenomen in de bijbehorende regeling. Voor onderhavig besluitgebied betreft dit voor het zuidelijke deel 9 meter. Voor het noordelijke deel van het besluitgebied geldt een maximum bouwhoogte op basis van de molenbiotoop van 10 meter. De realisatie van het wooncomplex is mogelijk binnen de regeling die is opgenomen in het vigerend bestemmingsplan. Met het plan wordt de maximum voorgeschreven bouwhoogte van 9 meter niet overschreden. De realisatie van het wooncomplex is niet mogelijk binnen het vigerende planologische regime. Teneinde het planvoornemen tot uitvoer te kunnen brengen dient van de

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

7

juridisch-planologische regeling te worden afgeweken. De onderbouwing voorziet in de argumentatie bij deze afwijking. 1.5

onderhavige ruimtelijke

Leeswijzer Hoofdstuk 2 van deze ruimtelijke onderbouwing bevat een beschrijving van de huidige en beoogde situatie van het besluitgebied. Hierbij wordt onder andere aandacht besteed aan de nieuwe locatie en situering van de bestaande horeca- en detailhandelsvoorziening. In hoofdstuk 3 wordt getoetst aan het vigerend rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid dat relevant is voor onderhavige ontwikkeling. In hoofdstuk 4 komen alle planologisch relevante (milieu) aspecten van het project aan de orde. In het laatste hoofdstuk worden de effecten van het planvoornemen op alle aspecten kort samengevat, waarna een afweging wordt gemaakt of het planvoornemen ruimtelijk aanvaardbaar is.

8

Gemeente Roosendaal

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

9

2

PLANBESCHRIJVING

2.1

Huidige situatie Het besluitgebied is gelegen op de hoek van de Plantagebaan en Bergsestraat binnen de bebouwde kern van Wouw. De Bergsestraat vormt een doorgaande weg van Roosendaal naar Bergen op Zoom via Wouw. Op de hoek van deze straten liggen een tweetal panden die voorheen in gebruik waren als horecagelegenheid en voor een detailhandelsfunctie. Achter dit pand ligt aan de Plantagebaan een pand dat voorheen werd gebruikt voor detailhandel. Deze panden zijn thans incourant en gedeeltelijk leegstaand. Naast de horecagelegenheid aan de Bergsestraat is één bestaande burgerwoning gelegen die momenteel leegstaat. De woning beschikt over een oprit met daarachter een tuin.

Luchtfoto van de bestaande situatie waarop het besluitgebied is weergegeven met een rood kader. Bron: Street Smart.nl, 2020.

2.2

Beoogde situatie In de beoogde situatie wordt de bestaande bebouwing gesloopt. Ter plaatse wordt een wooncomplex met 15 wooneenheden gerealiseerd. Ter plaatse van de bestaande burgerwoning worden 16 bergingen gerealiseerd behorende bij de appartementen. Daarboven wordt eveneens een appartement gerealiseerd. Het totaal komt hiermee uit op de realisatie van 16 appartementen. Aan de westzijde van het beoogde complex worden 26 parkeerplaatsen gerealiseerd op eigen terrein en 3 parkeerplaatsen in het openbaar gebied.

10

Gemeente Roosendaal

Beoogd bouwplan ter plaatse van het besluitgebied. Bron: Algra & Marechal Architecten BV, 2020.

Het wooncomplex is georiënteerd op de Plantagebaan en beschikt over zeven wooneenheden op de begane grond en acht wooneenheden op de eerste verdieping. Daarnaast wordt boven de bergingen gelegen aan de Bergsestraat één appartement gerealiseerd.

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

11

Het complex is hoofdzakelijk opgebouwd in twee lagen zonder kap. Op de hoeken bedraagt dit echter twee bouwlagen met kap. De bouwhoogte bedraagt op het hoogste punt circa 8,9 meter, wat overeen komt met de bouwhoogte van de aangrenzende bestaande woningen. Het complex is gesitueerd in de rooilijn van de aangrenzende bebouwing. De tweede woonlaag wordt terugliggend met galerij gerealiseerd. Het wooncomplex wordt hierdoor modern en onderscheidend vormgegeven en is toch passend binnen het profiel van de Plantagebaan en Bergsestraat. Hierdoor blijft het historische karakter van deze straten behouden.

Bouwplan Potterhoeck. Bron: Algra & Marechal Architecten BV, 2020. 12

Gemeente Roosendaal

2.3

Verkeer en parkeren Verkeer Aan de achterzijde van de appartementen zijn de parkeerplaatsen en bergingen gelegen. De appartementen worden hierdoor ontsloten via de Plantagebaan. Deze straat komt uit op de Bergsestraat, de doorgaande weg door Wouw. Teneinde de verkeersgeneratie te bepalen die gepaard gaat met de nieuwbouw, dienen de kengetallen uit de ASVV 2012 van het CROW te worden geraadpleegd. Het besluitgebied is aangewezen als ‘weinig stedelijk’ en behoort tot de ‘rest bebouwde kom’. Op basis hiervan genereert het plan in de bestaande situatie met één vrijstaande woning (1 x 8,6), de detailhandelsfunctie (rijwielwinkel) met een oppervlakte van 325 m² (3,25 x 17,7) en de horecafunctie met een oppervlakte van 630 m² (6,3 x 16,0) maximaal 8,6+57,53+100,8 = 166,93 verkeersbewegingen per etmaal. In de nieuwe situatie is sprake van 16 appartementen in het goedkope segment. De woningen creëren (16 x 6) = 96 verkeersbewegingen per etmaal. De hoeveelheid verkeersbewegingen neemt ter plaatse af, waardoor gesteld kan worden dat de ontsluiting ter plaatse de verkeersgeneratie afkomstig van het bouwplan aankan. Parkeren In december 2011 is de Nota Parkeernormen van de gemeente Roosendaal vastgesteld. In de nota zijn de parkeernormen en afwijkingseisen opgenomen.

Om ervoor te zorgen dat bij (ver)bouwplannen voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd, is het toepassen van parkeernormen noodzakelijk. Op die manier wordt de extra parkeervraag ten gevolge van een (ver)bouwplan niet zonder meer afgewenteld op het bestaand openbaar parkeeraanbod. Aan de hand van parkeernormen kan worden bepaald hoeveel parkeerplaatsen bij een ontwikkeling gerealiseerd moeten worden. De parkeernorm is afhankelijk van de functies en de locatie van de ontwikkeling. De parkeerplaatsen worden zoveel mogelijk op eigen terrein gerealiseerd. In onderhavige situatie worden er 16 koopappartementen gerealiseerd in het goedkope segment. Conform de Nota Parkeernormen 2011 van de gemeente Roosendaal dienen er ten behoeve van een koopappartement in een goedkope prijsklasse 1,20 parkeerplaats per woning te worden gerealiseerd. Op eigen terrein worden er 26 parkeerplaatsen gerealiseerd ten behoeve van het planvoornemen. Daarnaast voorziet initiatiefnemer in 3 openbare parkeerplaatsen ten behoeve van bezoekers. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de vereiste parkeerbehoefte van 16 x 1,20 = 20 parkeerplaatsen. Derhalve wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen.

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

13

3

BELEID

3.1

Inleiding De gemeente Roosendaal heeft te maken met de vigerende beleidskaders van de landelijke en provinciale overheid; ontwikkelingen dienen te voldoen aan dit beleid. Daarnaast dient de voorgenomen ontwikkeling zich eveneens te voegen binnen de marges van het gemeentelijke beleid. Het ruimtelijk beleid van de drie voorgenoemde overheden is per overheidslaag neergelegd in één of meerdere zogenoemde structuurvisies. Voor de realisatie van het beleid zetten de verschillende overheden een mix van instrumenten in; één van die instrumenten betreft het vertalen van het beleid uit de structuurvisie naar een juridisch bindende verordening. Hieronder zijn de voor dit project relevante structuurvisies en verordeningen per overheidslaag weergegeven en wordt getoetst of de onderhavige ontwikkeling passend is binnen het beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. Deze structuurvisie vormt de uitwerking van de ambities van het Rijk, op basis van haar verantwoordelijkheden, in Rijksdoelen en daarmee samenhangende nationale belangen op het gebied van een samenhangend ruimtelijk en mobiliteitsbeleid. Het Rijk heeft tot doel Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te maken in een periode van economische conjunctuurschommelingen, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen. Aanleiding voor het vaststellen van de visie is de constatering dat het voorheen geldende ruimtelijke Rijksbeleid onvoldoende bijdroeg aan het behalen van deze doelen, onder meer door het veroorzaken van bestuurlijke drukte, ingewikkelde regelgeving en een te sectorale blik op vraagstukken. Om dit te keren brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen; uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies.

Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet. Deze belangen zijn vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Eén van de belangen die niet leidt tot een ruimtereservering is het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. In het kader van dit belang heeft het Rijk besloten om, ten behoeve van het verminderen van de bestuurlijke drukte en het neerleggen van verantwoordelijkheden bij decentrale overheden, de verstedelijkingsstrategie te

14

Gemeente Roosendaal

wijzigen. Dit houdt in dat het bundelingsbeleid, verdichtingsbeleid, locatiebeleid voor bedrijven en voorzieningen, beleid voor basiskwaliteit, stedelijke netwerken, nationale landschappen en rijksbufferzones is afgeschaft en dat daar slechts één beleidslijn voor terug komt: de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder' heeft tot doel het principe van vraaggericht programmeren en het principe van zorgvuldig ruimtegebruik bindend voor te schrijven bij de afwegingen van gemeenten en provincies. Dit belang is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Grondgedachte van de 'ladder' is dat een activiteit op meerdere locaties zou kunnen plaatsvinden en dat vervolgens de planologisch meest juiste locatie gekozen moet worden. Dat gaat uit van de activiteit. Hiermee wordt beoogd om de voorheen bestaande praktijk, waarbij in veel gevallen een bestemming wordt gezocht voor een bepaalde locatie (bv. herbestemmen van een voormalige vuilstortplaats), om te vormen. Beoordeling Het voorliggende besluitgebied is niet gelegen in een gebied waarvoor van rijkswege een ruimtereservering geldt (met uitzondering van de ligging in een radarverstoringsgebied).

Uitsluitend het nationale belang van een ‘zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten’, als vervat in de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’, is van toepassing op onderhavige omgevingsvergunning. Aan dit belang wordt navolgend getoetst. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het onderhavige besluitgebied niet gelegen is in een gebied waarvoor van rijkswege een ruimtereservering geldt. Aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt navolgend getoetst. 3.2.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012 Toetsingskader Het Rijk heeft in de hiervoor genoemde SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op provinciaal en gemeentelijk niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming.

Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmings- en wijzigingsplannen.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

15

de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro). Beoordeling Op 1 juli 2016 is een wijziging van het Rarro (periodieke actualisatie en herstel van enkele gebreken 6e wijziging) in werking getreden. Volgens de kaarten behorende bij het Rarro is het besluitgebied gelegen binnen het radarverstoringsgebied van het radarstation op de locatie Herwijnen en Woensdrecht. In een gebied rondom deze radarstations moet rekening worden gehouden met de functionele bruikbaarheid daarvan. In het radarverstoringsgebied van het radarstation op de locatie Herwijnen is de maximale hoogte van windturbines gesteld op 90 meter ten opzichte van NAP. Met betrekking tot het radarverstoringsgebied van Woensdrecht geldt ter hoogte van Wouw (gelegen op circa 7,8 kilometer van het radarstation) een maximale bouwhoogte van 80 meter voor alle bouwwerken. In het onderhavige plan worden geen windturbines of bouwwerken met een dergelijke hoogte mogelijk gemaakt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkeling passend is binnen de regels zoals gesteld in het Barro en het Rarro.

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), 2017 Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat ‘de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden.

Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uit een worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast.

16

Gemeente Roosendaal

Beoordeling Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? b. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? In bijlage 1 van deze ruimtelijke onderbouwing is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de vereisten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan het vereiste van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant, Visie op de leefomgeving’, 2018 Toetsingskader Op 14 december 2018 hebben Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant de Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie is overheid bindend en loopt vooruit op de invoering van de Omgevingswet in 2021. In de omgevingsvisie verwoordt de provincie haar visie op de toekomst van Brabant tot aan 2050. Centraal staan hierbij de kernwaarden die de provincie geformuleerd heeft ten aanzien van haar handelen. De kernwaarden zijn: 1. Meerwaarde-creatie; 2. Technische- en sociale innovatie; 3. Kwaliteit voor kwantiteit; 4. Steeds beter; 5. Pro-actief. Beoordeling Met de omgevingsvisie kiest de provincie er voor om haar rol te veranderen. Waar zij eerst concreet richting en sturing gaf aan de hand van min of meer concrete regels en uitgangspunten, gaat het nu meer om het beoordelen van initiatieven in ruimer verband en gericht op het behalen van doelen voor de leefomgeving waarbij een belangrijke rol voor de gemeente is weggelegd. Het voorliggend initiatief betreft de herontwikkeling van leegstaande bebouwing binnen een bestaand bouwperceel binnen de kern Wouw. Hiermee wordt concentratie van bebouwing en nagestreefd en wordt toepassing

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

17

gegeven aan de voorkeur tot benutting van inbreidingslocaties. Het planvoornemen past daarmee binnen de omgevingsvisie. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie van de provincie NoordBrabant. 3.3.2 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 – partiële herziening 2014 Toetsingskader De Structuurvisie Ruimtelijke Ordening (SVRO) is vastgesteld door Provinciale Staten op 1 oktober 2010 en geeft de hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). Belangrijke beleidslijnen in de SVRO zijn het principe van concentratie van verstedelijking, zorgvuldig ruimtegebruik, verantwoord omgaan met de natuurlijke basis, het streven naar robuuste en aaneengeschakelde natuurgebieden. Sinds de vaststelling in 2010 hebben Provinciale Staten diverse besluiten genomen die een verandering brengen in de provinciale rol en sturing, of van provinciaal beleid. Deze besluiten zijn vertaald in de partiële herziening van de structuurvisie in 2014, vastgesteld op 7 februari 2014 en in werking op 19 maart 2014. De, met de partiële herziening ongewijzigde, provinciale sturingsfilosofie is gebaseerd op vijf rollen: ontwikkelen, ordenen, beschermen, regionaal samenwerken en stimuleren. Twee rollen zijn relevant voor onderhavig plan: de ordenende en de beschermende rol. De ordenende rol gaat uit van het behartigen van ruimtelijke belangen en keuzes.

Deze zijn geordend in vier ruimtelijke structuren. De structuren geven een hoofdkoers aan: een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor een combinatie van functies. Maar ook waar functies worden uitgesloten of welke randvoorwaarden de provincie aan functies stelt. Binnen de structuren is ruimte voor regionaal maatwerk. De vier onderscheidende structuren zijn: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur. Het uitgangspunt van de beschermende rol is zorgvuldig ruimtegebruik. Bij ruimtelijke afwegingen betekent dat eerst gekeken wordt naar mogelijkheden voor intensivering of hergebruik op of binnen bestaand bebouwd gebied. De provincie wil nieuw stedelijk ruimtebeslag zoveel mogelijk voorkomen. Beoordeling Het besluitgebied is in de SVRO gelegen binnen de stedelijke structuur, aangeduid als ‘Kernen in het landelijk gebied’. Op de gronden die aangewezen zijn als kern in het landelijk gebied wordt voorzien in de lokale behoefte voor verstedelijking inzake wonen, werken en voorzieningen. De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma. In de kernen in het landelijk gebied worden woningen gebouwd voor de eigen woningbehoefte volgens het principe van ‘migratiesaldo-nul’.

De provincie legt de nadruk op zorgvuldig ruimtegebruik waarbij de provincie de groei en de spreiding van het stedelijk ruimtebeslag wil afremmen. Dit betekent dat het voorkomen van verdere aantasting van het buitengebied centraal staat. Het accent ligt dan ook op inbreiden en herstructureren.

18

Gemeente Roosendaal

Uitsnede uit de structurenkaart van de SVRO – partiële herziening 2014 met het besluitgebied rood omkaderd. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.

Met voorliggend planvoornemen worden 16 wooneenheden in de vorm van appartementen mogelijk gemaakt binnen de stedelijke structuur van de kern Wouw. Het plan draagt, gezien de ligging van het besluitgebied, bij aan de concentratie van verstedelijking binnen de bestaande stedelijke structuur. Hierbij wordt voldaan aan het beleid van de provincie dat gericht is op inbreiden en herstructureren. Conclusie Voorliggend initiatief is passend binnen de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening – partiële herziening 2014 van de provincie Noord-Brabant. 3.3.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader In de Omgevingsvisie zijn de strategische doelen van het provinciale beleid voor de langere termijn aangegeven. Het beleid en de daartoe te treffen maatregelen zijn uitgewerkt in programma’s en waarden worden beschermd via een de omgevingsverordening. Per 25 oktober 2019 is de nieuwe Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (Iov N-B) vastgesteld. Provincies zijn verplicht om een omgevingsverordening te hebben voordat de Omgevingswet per 2021 ingaat. Met een Interim omgevingsverordening zet de provincie Noord-Brabant een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening bevat geen nieuwe regels, maar voegt bestaande regels uit zes bestaande verordeningen samen, waaronder de Verordening NoordBrabant.

De regels zijn eenvoudiger opgeschreven en omgezet naar een nieuw digitaal systeem, met een meer gebruiksvriendelijke opbouw. Met de Interim omgevingsverordening zet de provincie ook een eerste stap om de regels beter te laten

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

19

aansluiten bij de werkwijze van de Brabantse Omgevingsvisie en de Omgevingswet. De Interim omgevingsverordening zorgt ervoor dat de provincie en partijen waar ze mee samenwerkt ervaring kunnen opdoen met die nieuwe werkwijze. Waarbij er meer ruimte is om goede initiatieven van inwoners, ondernemers en andere overheden te ondersteunen en maatwerk toe te passen. Beoordeling Voorliggend besluitgebied is binnen de Omgevingsverordening gelegen binnen het ‘Stedelijk gebied’. Ten aanzien van onderhavig initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de Omgevingsverordening. Ten eerste moet worden voldaan aan de regels voor ontwikkeling binnen het ‘Stedelijk gebied’. Daarnaast moet worden voldaan aan de algemene regels voor de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit van de ruimtelijke kwaliteit uit artikel 22. De toetsing wordt hierna uitgevoerd.

Uitsnede kaartbeeld ‘stedelijke ontwikkeling en erfgoed’ van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Het besluitgebied is geduid met een rode contour. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2020.

Artikel 3.42: Duurzame stedelijke ontwikkeling Toetsingskader Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;

20

Gemeente Roosendaal

c.

geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. draagt bij aan een duurzame, concurrerende economie. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft het planologisch toevoegen van een wooncomplex met 16 wooneenheden in het bestaand stedelijk gebied van Wouw. De nieuwbouw van woningen is toegestaan binnen het Stedelijk gebied als bepaald in artikel 3.42 Iov, mits passend binnen de woningbouwafspraken zoals deze op regionaal niveau zijn bepaald en mits de beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw. Uit regionale woningbouwafspraken van het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) in de Regionale Agenda Wonen 2017 blijkt dat de woningbouwbehoefte tot 2030 blijft stijgen. De regionale woningbouwopgave bedraagt tot 2030 33.000 woningen. Deze woningen zullen voornamelijk in de steden terecht komen. Voor de gemeente Roosendaal is bepaalt dat circa 3.115 extra woningen benodigd zijn tot 2030. Dat betekent een benodigde toevoeging van circa 310 woningen per jaar. Het wooncomplex met 16 wooneenheden past daarmee ruimschoots binnen de regionale afspraken.

In de gemeentelijke woningbouwprogrammering 2017-2018 reguleert het college het aanbod van nieuwe woningen. Zoals onderstaande tabel laat zien heeft de gemeente Roosendaal onderhavig plan opgenomen in de woningbouwprogrammering behorende bij nieuwe projecten voor de periode 2017-2020. Daarmee heeft het college aangegeven dat de 16 appartementen passen binnen het woningbouwbeleid van de gemeente.

Woningbouwprogrammering 2017 – 2018 gemeente Roosendaal met onderhavig besluitgebied rood omkaderd. Bron: gemeente Roosendaal, 2018.

Onderhavige ontwikkeling betreft voorts een ‘duurzame stedelijke ontwikkeling’: de ontwikkeling bevordert zorgvuldig ruimtegebruik door gebruikmaking van een inbreidingslocatie. Tevens bevordert het plan een gezonde leefomgeving door woningen te realiseren binnen de kern van Wouw, alwaar voorzieningen per fiets te bereiken zijn. Bovendien verdwijnt als gevolg van het planvoornemen de mogelijkheid om een nieuwe horecagelegenheid of detailhandelsbedrijf te laten landen in het

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

21

plangebied, waar de directe omgeving die vooral bestaat uit reguliere woningen hinder van kan ondervinden. Tot slot wordt de mogelijkheid tot productie en gebruik van duurzame energie niet belemmerd. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden in artikel 3.42 Iov. Artikel 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies Toetsingskader In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (Paragraaf 3.1.2) is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie. Ad a) - Zorgvuldig ruimtegebruik: 1. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1) nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2) er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b.

bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. 2. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel. Ad b) - Toepassing van de lagenbenadering 1. De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. 2. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer. c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.

22

Gemeente Roosendaal

3. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. Ad c) - meerwaarderecreatie 1. Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. 2. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Beoordeling Voorwaarden ad a: a. De toedeling van functies dient in beginsel plaats te vinden binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing. Met onderhavig initiatief is hiervan sprake. b. Bij een stedelijke ontwikkeling dient toepassing te worden gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Hieraan is in paragraaf 3.2.3 getoetst. c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen dienen te worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. De begrenzing van het beoogde bouwvlak is zodanig afgestemd dat hieraan toepassing wordt gegeven. Voorwaarden ad b: a.

Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de ondergrond. In hoofdstuk 4 van onderhavige ruimtelijke onderbouwing wordt ingegaan op deze effecten. b. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de netwerklaag. Voor onderhavig initiatief behoeft geen nieuwe infrastructuur te worden aangelegd. Voor het overige heeft het planvoornemen geen effect op een natuurnetwerk, het energienetwerk en waterwegen. De afwikkeling van het verkeer is beschreven in hoofdstuk 2. c. Toepassing van de lagenbenadering omvat de effecten op de bovenste laag. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 4. Er wordt geen effect verwacht op de bovenste laag. Voorwaarden ad c: Er dient rekening te worden gehouden met meerwaardecreatie. Hiervoor geldt dat met onderhavig initiatief invulling wordt gegeven aan kwaliteitsverbetering door invulling te geven aan een locatie met daarop bebouwing die zijn voormalige bedrijfsfunctie heeft verloren en nu tijdelijk wordt bewoond. Door het realiseren van een nieuw wooncomplex met appartementen, in een gebied waar voornamelijk de directe omgeving vooral bestaat uit regulier woningen, wordt een kwaliteitsimpuls gegeven aan de directe omgeving. Verdere verloedering van de bestaande bebouwing wordt daarmee voorkomen en het gebied krijgt een nieuwe kwaliteitsimpuls. Bovendien wordt het woon-

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

23

en leefklimaat ter plaatse verbeterd, door het wegnemen van de mogelijkheid om naast het wonen horeca- of detailhandelsactiviteiten te vestigen. Conclusie Er wordt invulling gegeven aan een goede omgevingskwaliteit.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Roosendaal 2025 Toetsingskader De Structuurvisie Roosendaal 2025 is op 13 maart 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van Roosendaal. De gemeente hanteert daarbij de beleidsuitgangspunten dat er sprake moet zijn van een duurzame ontwikkeling van een compact, compleet en verbonden Roosendaal en van een haalbare en betaalbare lokale ruimtelijke ordening. Voor het aspect ‘wonen’ wordt daarnaast aangegeven dat er gebouwd dient te worden binnen de stedelijke contouren van de stad om zo bestaande infrastructuren te benutten. Ook wordt gerefereerd aan de provinciale prognoses waaruit blijkt dat Roosendaal tot 2025 nog ruimte heeft om extra woningen te realiseren. Daarbij wordt opgemerkt dat toevoegingen aan de voorraad strategisch van aard moeten zijn en noodzakelijke veranderingen in de voorraad niet in de weg mogen staan. In de bestaande voorraad dient een speciale focus te liggen op het aanpassen van de bestaande woningvoorraad op de toekomstige woningbehoefte. Het grootste deel daarvan is particulier woningbezit. Ook dienen bestaande wijken en dorpen een gevarieerd woningaanbod en gevarieerde woningmilieus te bieden. Verder staan toevoegingen aan de woningvoorraad in het teken van de versterking van de bestaande woningvoorraad en sluiten ze aan bij de wijkperspectieven.

Beoordeling Onderhavig initiatief betreft het toevoegen van een wooncomplex met 16 wooneenheden. Het initiatief is op zichzelf als kleinschalig aan te merken en wordt gerealiseerd binnen de bestaande stedelijke contouren. Met het toevoegen van de woningen wordt de bestaande woningvoorraad versterkt, aangezien op deze manier beter kan worden ingespeeld op de marktvraag. De omvang van het plan is dermate klein dat het overige initiatieven binnen de gemeente niet in de weg staat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkeling passend is binnen de Structuurvisie Roosendaal 2025.

24

Gemeente Roosendaal

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

25

4

PLANOLOGISCHE RELEVANTE (MILIEU) ASPECTEN

4.1

Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Volgens artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht dient een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit, zoals het verlenen van een omgevingsvergunning, de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de uitkomsten van dit onderzoek worden neergelegd in een toelichting bij dit besluit. Ten behoeve van onderhavig planvoornemen heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal planologische- en milieuaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. Achtereenvolgens worden de volgende aspecten behandeld: ▪ bodem; ▪ waterhuishouding; ▪ cultuurhistorie; ▪ archeologie; ▪ natuur; ▪ flora en fauna; ▪ akoestiek; ▪ bedrijven en milieuzonering; ▪ externe veiligheid; ▪ kabels en leidingen; ▪ luchtkwaliteit; ▪ vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2

Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem.

26

Gemeente Roosendaal

Beoordeling Door Econsultancy is in juni 2018 een verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in de bodem uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 1 van deze ruimtelijke onderbouwing. Uit het vooronderzoek blijkt dat er sprake is van voormalige en/of huidige bodembelasting op de locatie, waardoor het vermoeden van bodemverontreiniging aanwezig is. De bovengrond bestaat voornamelijk uit zwak tot matig humeus, zwak tot matig siltig, matig fijn zand. Plaatselijk is de bovengrond matig aardewerkhoudend, zwak betonhoudend en zwakt tot matig baksteenhoudend. De ondergrond bestaat uit zwak zandige klei en/of sterk zandige leem. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de bovengrond over het algemeen verontreinigd is met zware metalen en PAK. De ondergrond is licht verontreinigd met kwik. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en molybdeen. Deze metaalverontreinigingen zijn mogelijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. De sterke verontreiniging met lood kan een belemmering vormen voor het uitvoeren van de bouwwerkzaamheden op de onderzoekslocatie. Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bodem zijn zintuigelijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen.

Op basis van de onderzoeksresultaten kan gesteld worden dat er géén aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing. Conclusie Het aspect bodem is mogelijk een belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Voorgesteld wordt om in de voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het bouwen te waarborgen dat vervolgonderzoek noodzakelijk is.

4.3

Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro.

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

27

Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 (PWMP) van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor o.a. het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Beleid Waterschap Brabantse Delta Het besluitgebied is gelegen binnen het stroomgebied van waterschap Brabantse Delta. De visie van waterschap Brabantse Delta is vervat in het Waterbeheerplan 2016 – 2021 en kent een geldigheid vanaf 22 december 2015. Het waterschap richt zich hierbij op een doelmatig waterbeheer als motor voor een economische en ecologisch krachtige regio. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging.

Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten: ▪ het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren; ▪ het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte; ▪ inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen; ▪ helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem; ▪ het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen); ▪ afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater; ▪ een duurzame energiewinning. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.

De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de NoordBrabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels.

28

Gemeente Roosendaal

Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. d. de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c.

daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Gemeentelijk beleid Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2020-2023 is het bedrijfsplan voor het invullen van de zorgplichten voor afval-, hemel- en grondwater. In dit plan zijn de centrale thema’s: het beheer en onderhoud van de riolering en het voorkomen van wateroverlast. Het VGRP is een goed planinstrument om mee te kunnen bewegen met de trends en ontwikkelingen binnen dit vakgebied. Zo is er bijvoorbeeld sprake van meer extreme neerslag door klimaatverandering, een veranderende verhouding tussen overheid en burgers (burgerparticipatie en mondige burger) en verandering in wetgeving (Omgevingswet). Om mee te kunnen bewegen met de ontwikkelingen is het wenselijk om het VGRP periodiek te actualiseren. Het VGRP 2020 - 2023 betreft dan ook een actualisatie van het VGRP 2014-2019. Sinds het in werking treden van het Bestuursakkoord Water (2010) werken de gemeente Roosendaal samen met waterschap Brabantse Delta, gemeenten Bergen op Zoom, Halderberge, Moerdijk, Steenbergen en Woensdrecht en ook de waterbedrijven Brabant Water en Evides samen binnen het samenwerkingsverband Waterkring West. Door samen op te trekken en kennis te delen is het mogelijk om de waterketen zo optimaal mogelijk in te richten en kan worden geprofiteerd van elkaar expertise en capaciteit.

Er wordt gestuurd op Kwaliteit, Kwetsbaarheid en Kostenbesparing (de 3K’s). De K van Klimaatadaptatie is hier nog aan toegevoegd.

Ruimtelijke onderbouwing “Potterhoeck” te Wouw

29

In het VGRP 2020 - 2023 is opgenomen: • Hoe de gemeente de komende jaren het gemeentelijk rioleringsstelsel gaat beheren en onderhouden; • Welke maatregelen de gemeente neemt om wateroverlast door intensieve regenbuien (klimaatverandering) te voorkomen; • Hoe de gemeente omgaat met de zorg voor regenwater; • Hoe de gemeente omgaat met de zorg voor grondwater in het stedelijk gebied; • Hoe de gemeente invulling wil geven aan de samenwerking in de Waterkring West om uitvoering te geven aan het Nationaal Bestuursakkoord Water. In het VGRP 2020 - 2023 zijn doelstellingen voor de komende jaren vastgesteld. Daarbij is op basis van de gekozen strategie op hoofdlijnen aangegeven welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de gestelde doelen te bereiken en welke (financiële) middelen daarvoor nodig zijn. Hierbij worden ook de gevolgen voor de rioolheffing voor burgers en bedrijven aangegeven. Op welke wijze de noodzakelijke maatregelen, zoals rioleringsvervanging of hydraulische maatregelen, zullen worden uitgevoerd, worden in latere operationele plannen opgenomen. Beoordeling De Keur kent diverse verbodsbepalingen voor handelingen in het watersysteem. Deze handelingen mogen enkel worden verricht indien een waterwetvergunning is verleend, of indien wordt voldaan aan algemene regels.

Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 volgt dat de locatie enkel is gelegen binnen het invloedsgebied Natura 2000. Het desbetreffende invloedsgebied betreft een zeer ruim gebied en omvat grote delen van West-Brabant. Voor de invloedsgebieden Natura 2000 gelden de algemene regels niet, deze blijven vergunningplichtig op grond van de Keur. Dit zijn de gebieden rond Natura 2000-gebieden waar significante effecten van de verruiming van agrarische grondwateronttrekking niet kan worden uitgesloten. Voorliggend initiatief heeft geen betrekking op grondwateronttrekking. Derhalve is de ligging binnen dit invloedsgebied niet relevant voor het initiatief. Voor het overige is het besluitgebied niet gelegen binnen beschermde keurgebieden. Er gelden derhalve geen bijzondere regels hieromtrent.

Uitsnede keurkaart Keur waterschap Brabantse Delta 2015, waarop het besluitgebied is weergegeven met een gele ster.

30

Gemeente Roosendaal

Onderhavig initiatief voorziet in de sloop van een aantal panden die voorheen werden gebruikt ten behoeve van detailhandel en horeca en de realisatie van een nieuw wooncomplex van circa 1.800 m². De bestaande tuinen en achter terreinen worden in de nieuwe situatie ingericht als parkeervoorziening. Het percentage aan verharding neemt in de nieuwe situatie toe. De toename zal echter niet meer bedragen dan 1.200 m². Volgens de eisen van het waterschap Brabantse Delta dient in dat geval niet te worden voorzien in de aanleg en instandhouding van een retentievoorziening. De randvoorwaarden op basis van het gemeentelijk beleid zijn als volgt: • Voor nieuwe ontwikkelingen wordt uitgegaan van een vloerpeil van 0,30 m ten opzichte van de kruin van de weg; Hierdoor wordt een hogere bescherming tegen wateroverlast in de openbare ruimte gecreëerd; • Er wordt een berging verlangt van 60 mm ten opzichte van het perceelsoppervlak, waarbij de afvoer wordt beperkt en in minimaal 24 uur mag worden geloosd op de riolering; • Ten aanzien van materiaalgebruik dienen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC te worden toegepast. Dit om verontreiniging van het hemelwater te voorkomen. Eén en ander dient langs privaatrechtelijke weg te worden geregeld; Op deze manier kan de voorgenomen ontwikkeling waterneutraal ontwikkeld worden.

Met de voorgenomen herontwikkeling dient te worden voldaan aan deze randvoorwaarden. Conclusie Het aspect water is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4

Cultuurhistorie Toetsingskader Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg van de MoMo wijzigt het Bro (artikel 3.1.6, lid 5). Wat eerst voor alleen archeologie gold, geldt nu ook voor al het cultureel erfgoed. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1059/documents/26938