CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Bijlagenboek_BP Moerstraatseweg 16.pdf

Commissie 24 maart 2021, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 4: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Moerstraatseweg 1619.488 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning. Gemeenten en provincies wordt gevraagd het generieke beleid lokaal en regionaal te vertalen en vast te leggen in structuurvisies, bestemmingsplannen en waterplannen. De planuitwerking dient rekening te houden met de waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn, gericht op duurzaam waterbeheer. De mate waarin water bepalend is, hangt af van de wateropgave in relatie tot andere opgaven, aanwezige functies en bodemgesteldheid en andere kenmerken in dat gebied. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. De beleidsnotitie 'Ontwikkelen met duurzaam wateroogmerk’ maakt inzichtelijk welke hydrologische consequentie(s) ruimtelijke ontwikkelingen kunnen hebben op het watersysteem. Het bevat beleidsuitgangspunten, voorwaarden en normen om negatieve hydrologische consequenties te compenseren. Sinds maart 2015 is een gezamenlijke Keur door de Brabantse Waterschappen De Dommel, Aa en Maas en Brabantse Delta van toepassing.

Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Iedereen die werkzaamheden uitvoert of activiteiten plant in en om waterlopen of dijken, heeft met de Keur te maken. Afhankelijk van de werkzaamheden en bij het niet voldoen aan de Algemene Regel moet een vergunning aanvragen. In de overige gevallen volstaat een melding. De uitzonderingen staan beschreven in de ‘Algemene regels waterschap Brabantse Delta’ en de aanvullende ‘Beleidsregels voor waterkering, waterkwantiteit en grondwater’. Voor o.a. het afvalwaterstelsel werken waterschap Brabantse Delta, zes gemeenten in West-Brabant waaronder Roosendaal en de waterbedrijven Brabant Water en Evides, samen in de waterketen Waterkring West. De samenwerkingsovereenkomst verbindt partijen tot 2022. Hiermee geven de partners invulling aan een kostenbesparing in de afval- en drinkwaterketen en het verder verbeteren van de kwaliteit van de dienstverlening aan inwoners van West-Brabant. Pagina 4 van 13

Beknopte waterparagraaf Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

De afvalwaterketen is verantwoordelijk voor het inzamelen en afvoeren van afvalwater, overtollig regenwater en grondwater door de gemeenten, en het transporteren en zuiveren van dit afvalwater door de waterschappen. De waterbedrijven zuiveren en leveren het drinkwater in West-Brabant. Waterbeheersing is in tijden van klimaatveranderingen vooral in West-Brabant onontbeerlijk. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toenemend verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Bij kleine verhardingstoenames zijn geen retentie-eisen van toepassing. Voor een toename van het verhard oppervlak van tenminste 2.000 m2 en maximaal 10.000 m2 is een rekenregel uitgewerkt. Middels de Algemene Regel (Artikel 15: Afvoer hemelwater door verhard oppervlak), behorend bij de vernieuwde Keur, kan de vereiste compensatie voor een specifieke locatie berekend worden. Eventuele compensatie dient plaats te vinden volgens de voorkeursvolgorde: Infiltreren, retentie binnen plangebied, retentie buiten plangebied of berging in bestaand watersysteem. Inrichtingen van waterhuishoudingen voor nieuw(her/ver)bouwplannen worden door het bevoegd gezag getoetst en gekeurd. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het waterhuishoudkundig systeem ten behoeve de planontwikkeling kort beschreven en in hoofdstuk 3 is een samenvatting opgenomen.

In hoofdstuk 4 tenslotte worden nog enkele aandachtspunten opgesomd.

Pagina 5 van 13

Beknopte waterparagraaf Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

2.

WATERPARAGRAAF

2.1

Inleiding

Deze waterparagraaf is opgesteld voor het plangebied aan de Moerstraatseweg 16 te Heerle (gemeente Roosendaal). De onderzoekslocatie ligt in het buitengebied ten westen van Wouw en noorden van Heerle in een bosrijke omgeving. Ter plaatse wordt door Brabant Water het ruw opgepompte water gezuiverd voordat het op het drinkwaternet aangeleverd wordt. Deze waterproductielocatie dient gemoderniseerd te worden. Hierbij is sprake van een overgangssituatie. Het is van belang dat de huidige bebouwing blijft bestaan in verband met de drinkwaterproductie tot de nieuwe bebouwing opgericht en in bedrijf is. De oppervlakte van de nieuwbouw bedraagt maximaal 2.850 m² met een bouwhoogte van 17 meter. Voor de uitbreiding is een tijdelijke vergroting van het huidige maximale bebouwingsoppervlak van 3.400 m2 benodigd. Om tijdens de bouw de huidige drinkwaterproductie en routing zo min mogelijk te verstoren heeft Brabant Water de wens een tijdelijk weg buiten de locatie aan te leggen ten behoeve van de bouwwerkzaamheden. De oudbouw en tijdelijke bouwweg worden vervolgens geamoveerd. Voor het planvoornemen is het doorlopen van een ruimtelijke procedure noodzakelijk. Afbeelding 1 geeft een luchtfoto met globale afbakening van het onderzoeksgebied weer. Onderstaande afbeelding 2 geeft de gewenste toekomstige situatie weer.

Afbeelding 2: Planvoornemen onderzoekslocatie (bron: opdrachtgever)

Pagina 6 van 13

Beknopte waterparagraaf Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

In onderstaande tabel zijn volgende (toekomstige) gegevens van het planvoornemen opgenomen. Een toekomstige situatietekening is opgenomen in bijlage 2. Bruto (verharde) oppervlakten Bestemd bebouwd oppervlak plangebied, circa Dakoppervlak, totaal, circa

Huidige situatie [m2]

Toekomstige situatie [m2]

3.400 Hoofdgebouw 867 RWkelders 1440 Overig 308

Overig verhard oppervlak (parkeren en overige verhardingen), circa Totaal dakoppervlak, circa

4.500

Hoofdgebouw 1893 RWkelders 1437 Overig 308+286 Chemicaliëngebouw 38 6.070

2615

3962

Totaal verhard oppervlak, circa

7.115

10.032 (+2917)

Tabel 1: Toe- of afname verhard oppervlak binnen het plangebied

Uit de tabel is af te leiden dat het verhard oppervlak door de voorgenomen ontwikkeling met ca. 2917 m2 toeneemt. Voor de herontwikkeling dient hiervoor op eigen terrein een voorziening aangelegd te worden. Net als bestaand wordt de nieuwbouw van een gescheiden stelsel voorzien. De mogelijke waterverwerking staat beschreven bij het aspect Hemelwater. Van belang voor de drooglegging en het voorkomen van grondwateroverlast is de bestaande hoogteligging van het plangebied tegenover de optredende grondwaterstanden. Het plangebied ligt op een hoger plateau en kent een hoogteverschil door de aangelegde productielocatie en het aanwezige waterbassin op de uitbreidingslocatie. Het maaiveld bevindt zich op een hoogte van circa 4,5-5 meter +NAP. Rondom is een grondwal tot ca. 5,5 m +NAP aanwezig. Noord- en zuidelijk van het bassin is een watergang zichtbaar (slootbodem ca. 3,7 m +NAP). Genoemde hoogteverschillen zijn duidelijk zichtbaar op onderstaande afbeelding 3.

Afbeelding 3: Uitsnede hoogtekaart met afbakening plangebied [Bron: Hoogtekaart Nederland]

Pagina 7 van 13

Beknopte waterparagraaf Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

2.2

Watersystemen

De (water)systemen zoals die in het plangebied en omgeving voorkomen, worden onderverdeeld in grondwater, oppervlaktewater, regenwater en afvalwater. Grondwater Uit gegevens van het Dinoloket en de provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied geomorfologisch gezien op een terrasafzettingswelving met dekzand ligt. West- en oostelijk van de onderzoekslocatie bevindt zich een denkzandrug. In het bos zijn enkele komvormige laagtes aanwezig. Verder oostelijk is een beekdalglooiing aanwezig waarin de Smalle Beek stroomt. De bodem bestaat naar verwachting uit een zeer tot zwak fijn, kleiig zand. Op de bodemkaart van Nederland is het plangebied deels lager gelegen waarbij een laarpodzolgrond aanwezig is (sterk lemig zand). In de toplaag komen naar verwachting dunne kleilagen voor. Op ca. 4,5-8 m-mv is een zwak zandige kleilaag te verwachten. Volgens gegevens uit “Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO)” en de Wateratlas van de provincie Noord-Brabant is het grondwater te verwachten op gemiddeld 3,5 meter +NAP. De stroming van het freatische grondwater is noordelijk gericht. De geldende grondwatertrap is volgens de provincie Noord-Brabant VI. Het grondwater is hierbij binnen 60-80 cm-mv en in de zomer dieper als 250 cm-mv te verwachten. Op het perceel en in de directe omgeving zijn diverse grondwatermeetpunten bekend bij het Dino-loket.

Hieruit blijkt dat het freatisch grondwater ter plaatse tussen de 2,6 en 4,1 meter +NAP voorkomt (ca. 0,9-2,4 m-mv afhankelijk van de maaiveldhoogte). Het uitgangspunt bij nieuwbouw is hydrologisch neutraal ontwikkelen, waarbij de huidige grondwaterstanden en het oppervlaktewatersysteem in het gebied worden gehandhaafd of gecompenseerd. Zover bekend is ter plaatse geen (grond)wateroverlast bekend. Bij aanhouden van een vloerpeil zoals bij de bestaande bebouwing (minimaal hoger dan 5,1 m +NAP) vormt het grondwater geen belemmering voor het bouwplan (voldoende drooglegging). Oppervlaktewater Door de ligging in het buitengebied en de bodemopbouw/-samenstelling is er in de omgeving van het plangebied veel oppervlaktewater aanwezig. Binnen het waterproductiebedrijf zijn diverse greppels en watergangen aanwezig ten behoeve de ontwatering van het gebied. Het oppervlaktewater binnen de waterproductielocatie voert in (noord)west- en oostelijk water af (zie afbeelding 4). Het meeste water vanuit het perceel stroomt via de infiltratievijver en de oude gracht af naar de oostelijke Awatergang. Een gedeelte van het water stroomt in westelijke richting af via de greppel langs de weg nabij de voorgenomen nieuwbouw. De kleinere watergangen zijn zichtbaar op afbeelding 1. Oostelijk van de tijdelijke bouwweg is een B-watergang gelegen. Bij de aanleg dient hiermee rekening gehouden te worden.

Ter plaatse van de B-watergang vinden geen wijzigingen plaats. Wel zal in een Cwatergang richting de B-watergang een brug of dam met duiker aangelegd worden voor de bouwweg. Voor de gewenste nieuwbouw wordt een C-watergang deels gedempt. Voorts zal de bestaande spoelwaterberging ter plaatse verwijderd worden. Ter verwerking van het toekomstige spoelwater is door Brabant Water een “Advies inrichting spoelwaterberging” opgesteld voor de verwijdering van het bekken voor het nieuwe hoofdgebouw. Dit advies is opgenomen in bijlage 3. Voor de verwerking van het spoelwater wordt op dit moment uitgegaan van 0% lozing op de A-watergang(en) van het Waterschap en is de bedoeling dat al het spoel- en hemelwater op het terrein van Brabant Water infiltreert. Naast de verwerking van het spoelwater kan hierin tevens de benodigde waterberging voor de toename aan verhard oppervlak (zie Hemelwater) verwerkt worden. Op basis van bodemtype en hydrologisch omstandigheden is het niet aannemelijk dat al het spoelwater via de huidige vijverbodem oostelijk van de nieuwbouw kan infiltreren. Om die reden is gekozen voor een terreininrichting waarbij zowel de berging en verblijftijd van het spoelwater in het gebied vergroot wordt. Pagina 8 van 13

Beknopte waterparagraaf Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

Een voorstel met stromingsrichtingen en stuwen is opgenomen in bijlage 3. Hiervoor dienen binnen het gebied enkele sloten geherprofileerd te worden en zijn enkele stuwen op eigen perceel benodigd. De noordelijk van de nieuwbouw gelegen sloot dient opgewaardeerd te worden tot een watervoerende sloot richting de infiltratievijver. Deze heeft een overloop naar het noord- en oostelijk oppervlaktewater waarin ook een stuw voorzien wordt zodat optimaal gebruik gemaakt kan worden van het bestaande slotenstelsel. De bergingscapaciteit kan verder vergroot worden door de aanleg van ecologische oevers. Op dit moment is niet bekend hoeveel water er kan infiltreren in het gebied. Uitgangspunt is dat de waterberging in elk geval aangelegd wordt waarbij nog nader onderzocht wordt of infiltratie hiervoor toereikend is. Met de genoemde aspecten kan, tevens in overleg met het waterschap, een nadere detailuitwerking van de terreininrichting ontworpen worden. Hierbij kunnen dan tevens de eventueel benodigde aspecten voor de Omgevings- en/of watervergunning afgestemd worden.

Afbeelding 4: uitsnede leggerkaart met aanduiding onderzoekslocatie (bron: waterschap Brabantse Delta)

Hemel- en afvalwater Door de ligging in het buitengebied is in de huidige situatie reeds een gescheiden stelsel aanwezig. Het afvalwater binnen het bedrijfsperceel is aangesloten op een drukrioolstelsel. Zuidelijk van het perceel nabij de Moerstraatseweg is een afvalwatertransportleiding aanwezig welke afvalwater vanaf Moerstraten richting Wouw (en uiteindelijk de RWZI Bath te Rilland) transporteert. De neerslag van de bestaande daken en omliggende verhardingen wordt via verdamping, inzijging en afstroming naar de nabijgelegen zaksloot verwerkt. Doordat het overschakelen van een hoofdgebouw naar een nieuw hoofdgebouw waarna de oudbouw gesloopt wordt, is geen toename aan de hoeveelheid (sanitair) afvalwater te verwachten. Het personeelsbeleid blijft zover bekend gelijk. Wel is een wijziging aan het bestaande DWA-stelsel benodigd voor de aansluiting van de nieuwbouw en chemicaliënopslag. Eventuele wijzigingen aan de aansluiting dienen ten tijde in overleg met de gemeente Roosendaal plaats te vinden. Ten gevolge van de gewenste nieuwbouw zal het verhard oppervlak op de locatie toenemen. Het regenwater van de daken zal net als bestaand samen met het hemelwater van de verhardingen verwerkt worden op eigen terrein. Voor de verwachte toename aan verharding (voornamelijk omliggende verharding) dient compensatie aangelegd te worden. Pagina 9 van 13

Beknopte waterparagraaf Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

Aan de (milieuhygiënische) randvoorwaarden kan en zal worden voldaan (zie ook hoofdstuk 4). Conform de Keur dient hiervoor minimaal ca. (2.917 m2 x 60 mm zonder vermindering=) 175 m3 retentie op eigen terrein aangelegd te worden. Dit kan op het eigen terrein samen met de verwerking van het spoelwater eenvoudig opgevangen worden in het bestaande slotenstelsel. Op dit moment is niet bekend hoeveel water er kan infiltreren in het gebied. Uitgangspunt is dat de waterberging in elk geval aangelegd wordt waarbij nog nader onderzocht wordt of infiltratie hiervoor toereikend is. Indien niet dient in een stuw met leegloopvoorziening aangelegd te worden. Dit dient ten tijde nader met het waterschap afgestemd te worden.

2.3

Andere aspecten

Ecosystemen De locatie van het waterproductiebedrijf ligt niet in het Natuur Netwerk Brabant, maar in het gemengd landelijk gebied. Echter de tijdelijke bouwweg ligt tegen het Natuur Netwerk Brabant aan. Daarom zal extra aandacht worden besteed aan het aspect ‘flora en fauna’ in verband met de geplande bouwwerkzaamheden ten behoeve van de tijdelijke weg, de nieuwbouw en de sloop van de oudbouw. Voorts ligt het plangebied binnen een beschermd Keurgebied van waterwingebied Wouw. Voor wijzigingen is afstemming en goedkeuring met het waterschap benodigd. Overige gestelde randvoorwaarden: - Bepaalde handelingen zoals opgenomen in de planontwikkeling zijn vergunning- of meldingsplichtig bij het waterschap of de gemeente. - Eventuele retentie dient te worden gerealiseerd boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG). In de retentie dient een stuw aangebracht te worden waarbij de bovenkant stuw gelijk is aan de bovenkant van het bergingspeil. - Bij de bouw worden geen milieuvervuilende of uitlogende bouwmaterialen of stoffen gebruikt. - Het afstromende water van de overige verharde oppervlakken dient best een zuiverende stap te ondergaan alvorens bovengronds te infiltreren en/of af te vloeien naar een voorziening, om zo eventuele verontreinigingen te vermijden.

Pagina 10 van 13

Beknopte waterparagraaf Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

3.

SAMENVATTING REALISATIE

In opdracht van BRO heeft Aeres Milieu een beknopte waterparagraaf opgesteld ten behoeve de uitbreiding/modernisering van het waterproductiebedrijf aan de Moerstraatseweg 16 te Heerle. Voor de voorgenomen nieuwbouw zal een tijdelijke bouwweg aangelegd worden. De oppervlakte van de nieuwbouw bedraagt maximaal 2.850 m² met een bouwhoogte van 17 meter. Om tijdens de bouw de huidige drinkwaterproductie en routing zo min mogelijk te verstoren heeft Brabant Water de wens een tijdelijk weg buiten de locatie aan te leggen ten behoeve van de bouwwerkzaamheden. De oudbouw en tijdelijke bouwweg worden vervolgens geamoveerd. Een concepttekening is opgenomen in bijlage 2. Op basis hiervan is het toekomstig verhard oppervlak bepaald. In tabel 1 is een overzicht opgenomen. Hieruit blijkt dat de herontwikkeling een toename aan verharding van ca. 2917 m2 oplevert (voornamelijk door de bijkomende omliggende verharding). De benodigde waterretentie hiervoor bedraagt ca. 175 m3 en wordt bij voorkeur op eigen perceel verwerkt. Binnen het perceel is voldoende ruimte aanwezig om de benodigde waterberging voor de uitbreiding te realiseren. Ten behoeve van de nieuwbouw zijn de maaiveldhoogte en optredende grondwaterstanden van belang. De grondwaterstand ter plaatse is op ca. 2,6 tot 4,1 m +NAP (max ca. 0,4 m-mv). Derhalve dient de nieuwbouw op minimaal 5,1 m +NAP te liggen.

Net als bestaand zal hierbij een gescheiden stelsel aangelegd worden waarbij het hemelwater naar de bestaande greppels afstroomt en infiltreert in de bodem. Ter plaatse is geen verontreiniging van het hemelwater te verwachten. Het afvalwater zal net als bestaand afvoeren naar het drukrioolstelsel. Doordat het overschakelen van een hoofdgebouw naar een nieuw hoofdgebouw waarna de oudbouw gesloopt wordt, is geen toename aan de hoeveelheid (sanitair) afvalwater te verwachten. Het personeelsbeleid blijft zover bekend gelijk. Wel is een wijziging aan het bestaande DWA-stelsel benodigd voor de aansluiting van de nieuwbouw en chemicaliënopslag. Eventuele wijzigingen aan de aansluiting dienen ten tijde in overleg met de gemeente Roosendaal plaats te vinden. Bij een herontwikkeling dient in eerste plaats het verhard oppervlak zoveel mogelijk beperkt te worden. Bji de nieuwbouw kan geopteerd worden voor de aanleg van een groendak. Dit draagt bij aan een duurzamere invulling en beperking van de waterafvoer en hittestress. Aanvullende maatregelen zijn het gebruik van waterpasserende bestrating of grind. Door de planontwikkeling vinden er enkele wijzigingen in het bestaande watersysteem plaats. Oostelijk van de tijdelijke bouwweg is een B-watergang gelegen. Bij de aanleg dient hiermee rekening gehouden te worden. Ter plaatse van de B-watergang vinden geen wijzigingen plaats.

Wel zal in een C-watergang richting de Bwatergang een brug of dam met duiker aangelegd worden ten behoeve de bouwweg. Voor de gewenste nieuwbouw wordt een C-watergang deels gedempt. Voorts zal de bestaande spoelwaterberging ter plaatse verwijderd worden. Ter verwerking van het toekomstige spoelwater is door Brabant Water een “Advies inrichting spoelwaterberging” opgesteld voor de verwijdering van het bekken voor het nieuwe hoofdgebouw. Dit advies is opgenomen in bijlage 3. Voor de verwerking van het spoelwater wordt op dit moment uitgegaan van 0% lozing op de A-watergang(en) van het Waterschap en is de bedoeling dat al het spoelwater op het terrein van Brabant Water infiltreert. Naast de verwerking van het spoelwater kan tevens de benodigde waterberging van ca. 175 m3 voor de toename aan verhard oppervlak hierin verwerkt worden. Op basis van bodemtype en hydrologisch omstandigheden is het niet aannemelijk dat al het spoelwater via de huidige vijverbodem oostelijk van de nieuwbouw kan infiltreren. Om die reden is gekozen voor een terreininrichting waarbij zowel de berging en verblijftijd van het water in het gebied vergroot wordt over het gehele perceel. Een voorstel met stromingsrichtingen en stuwen is opgenomen in bijlage 3.

Pagina 11 van 13

Beknopte waterparagraaf Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

De noordelijk van de nieuwbouw gelegen sloot dient opgewaardeerd te worden tot een watervoerende sloot richting de infiltratievijver. Deze heeft een overloop naar het noord- en oostelijk oppervlaktewater waarvan enkele sloten geherprofileerd dienen te worden. Middels enkele stuwen wordt optimaal gebruik gemaakt van het bestaande slotenstelsel op eigen perceel. De bergingscapaciteit kan verder vergroot worden door de aanleg van ecologische oevers. Op dit moment is niet bekend hoeveel water er kan infiltreren in het gebied. Uitgangspunt is dat de waterberging in elk geval aangelegd wordt waarbij nog nader onderzocht wordt of infiltratie hiervoor toereikend is. Indien noodzakelijk kan dan in overleg met het waterschap alsnog een leegloopvoorziening aangelegd worden. Met de genoemde aspecten kan in overleg met het waterschap een nadere detailuitwerking van de terreininrichting ontworpen worden. Hierbij kunnen dan tevens de eventueel benodigde aspecten voor de Omgevings- en/of watervergunning afgestemd worden. Door rekening te houden met de genoemde aandachtspunten, de afstroomrichtingen en bijkomende retentie op eigen perceel vindt de ontwikkeling waterneutraal plaats. Opgemerkt wordt dat genoemde hoeveelheden berekend zijn op een concepttekening en aannames. Hierbij is geen rekening gehouden met aanvullende vertragende maatregelen/voorzieningen.

Bij de definitieve bouwplannen dient ten tijde een herberekening uitgevoerd te worden voor het uiteindelijk verhard oppervlak waarbij de uiteindelijke voorziening tevens opgenomen is in de bouwplannen. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Wanneer een bronnering nodig is voor de bouwwerkzaamheden of bij andere ingrepen op de plaatselijke waterhuishouding (lozing / infiltratie of werkzaamheden in de buurt van een watergang), moeten in het kader van de Waterwet vergunningen/meldingen worden aangevraagd via de reguliere procedure.

Pagina 12 van 13

Beknopte waterparagraaf Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

4.

OVERIGE AANDACHTSPUNTEN EN RANDVOORWAARDEN

Bij het voldoen aan de milieuhygiënische randvoorwaarden (dubo-materialen etc.) kan de afgekoppelde afstromende neerslag rechtstreeks via (mol)goten, lijnafwatering of ander traditioneel afvoermateriaal naar een aan te leggen voorziening stromen om in de bodem te infiltreren. Wel moeten in de afvoersystemen voorzieningen worden gerealiseerd die blad, zand e.d., die verstoppingen kunnen veroorzaken, achterhouden. Deze voorzieningen moeten goed bereikbaar blijven ten behoeve het reinigen en het onderhoud. Regelmatig onderhoud van de aanvoerzijde van de voorzieningen zal noodzakelijk zijn om te garanderen dat de systemen blijven functioneren. Ook moet de (nood)overloop regelmatig worden onderhouden. Toe te passen duurzame materialen: - Hellende daken: dakbedekking van natuurlijk, beton of keramisch materiaal. - Platte daken: beton of bekleed met EPDM rubber; APP en/of SBS gemodificeerd bitumen. - Dakgoten en afvoerpijpen; PVC/PP/PE/ staal, aluminium of zink, alle gecoat. - Ontsluitingspaden / wegen / terrassen; voorzien van natuurlijke of niet-uitloogbare materialen zoals keramische of betonproducten. Indien onvoldoende aandacht wordt gegeven aan het ontwerp en dimensionering, kan wateroverlast ontstaan. Het moet ten alle tijden worden voorkomen dat wateroverlast bij de woning en bij derden ontstaat.

Het gebruik en het overlopen van een hemelwatervoorziening mag niet leiden tot schade aan in de nabijheid liggende percelen, gewassen en opstallen. Schade, direct en/ of indirect, die eventueel ontstaat is en blijft voor rekening van de ontwikkelaar/eigenaar van het plangebied. In geen geval mag de afvalwaterriolering op een hemelwaterstelsel worden aangesloten. Op de afgekoppelde “buitenverhardingen” mogen geen handelingen worden uitgevoerd die vervuiling van het oppervlak veroorzaken. Wil men toch buitenactiviteiten verrichten waarbij vervuiling van verhard oppervlak ontstaat zoals bijvoorbeeld door het reinigen van voertuigen of het schoonmaken van onderdelen, dan moet het gedeelte waar deze activiteit(en) plaatsvindt voorzien worden van de juiste bodembeschermende maatregelen (Nederlandse Richtlijn voor Bodembescherming). Dit betekent dat het vrijkomende afvalwater al dan niet via een olie/benzine-afscheider of andere noodzakelijke (reiniging)voorziening naar het afvalwaterriool moet worden getransporteerd of geloosd, en niet in de bodem mag worden geïnfiltreerd of op oppervlaktewater worden geloosd. Het is onwenselijk chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen of agressieve reinigingsmiddelen te gebruiken op de verharde oppervlakken. Geadviseerd wordt alternatieve middelen te gebruiken.

Daarnaast is toepassing van gladheidsbestrijding middels zout minder gewenst, aangezien zout met het hemelwater afstroomt naar een infiltratievoorziening en de bodem ter plaatse kan verontreinigen. Indien toepassing van zout benodigd is, wordt geadviseerd dit zo effectief mogelijk te doen. Communicatie Het is belangrijk om de (aanstaande) eigenaar/gebruiker(s) te informeren ten aanzien van de waterhuishouding en het milieu. Zo zal uitgelegd moeten worden waarom geen auto’s mogen worden gewassen op de parkeerplaatsen, geen chemische onkruidbestrijdingsmiddelen mogen worden toegepast en liefst geen of zo effectief mogelijk zout te gebruiken bij gladheidbestrijding etc.. De eigenaar van het perceel is verantwoordelijk voor eventuele voorzieningen en eventuele schade die ontstaat door wateroverlast op zijn terrein.

Pagina 13 van 13

Beknopte waterparagraaf Moerstraatseweg te Heerle / AM19348

BIJLAGE 1 Topografische overzichtskaart en kadastrale situatie

Omgevingskaart

Klantreferentie: AM19348-BF

0m

125 m

Deze kaart is noordgericht. Hier bevindt zich Kadastraal object Wouw P 122 Moerstraatseweg 14d, Heerle CC-BY Kadaster.

625 m

Schaal 1: 12500

r aa t ek st ef h o

Uw referentie: AM19348-BF

Di

Uittreksel Kadastrale Kaart

kstr aat D iefh oe

132

140

8

97

1005

Di efh oekstraat

4a

4

96

131

1007 1006

99

1003

138

128

6

125

127

98 100

137 6a

112

124 126

107 M oerstraatseweg

109

122

123

22

M oerstr

g aatsew e 16

116

159

1123

115 113

189

20a

120

114 1124

18

16c

1080 121

356 355

1008 357

358

360

1212

1082 1 6b

17

118

155 1200 16d

1083

1199 185

1046

158

1213

M 23 oer st r aat s ew eg 19359

16a

1084

14d

361

14a

Mo

10

362

er st r

1

aat 14c 4b sew154 eg Mo

er s tr

364 373 0m

Deze kaart is noordgericht Perceelnummer 25 Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens Bebouwing Overige topografie Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 6 september 2019 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers

12345

50 m

aat sew14 15 eg 372

250 m

Schaal 1:5000 Kadastrale gemeente Sectie Perceel

Wouw P 122

Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.

184

363

156

182

354

301

Herel sestraat

1045

H er e 1 l sest 87 r aat

23a

413 412 414 10

Beknopte waterparagraaf Moerstraatseweg te Heerle / AM19348

BIJLAGE 2 Concepttekening onderzoekslocatie

Beknopte waterparagraaf Moerstraatseweg te Heerle / AM19348

BIJLAGE 3 Geraadpleegde literatuur

Beknopte waterparagraaf Moerstraatseweg te Heerle / AM19348

Wet- en regelgeving - Gemeentelijk RioleringsPlan, Gemeente Roosendaal (waterkring West); - Verbindend water gemeente Roosendaal, 2017; - Handreiking watertoets en Keur, Brabantse Waterschappen; - Waterbeheerplan 2016-2021, Waterschap Brabantse Delta; - Provinciaal Milieu- en Waterplan Noord-Brabant, 2016-2021; - Provinciale Milieuverordening Noord-Brabant; - Nationaal Bestuurakkoord Water, Publicatie Nederland leeft met water, 2003 en actualisatie 2008; - Beleidsbrief regenwater, VROM, 2004/2008; - Waterwet, 2009; - Het Nationaal Waterplan, 2016-2021; - Kader Richtlijn Water, Stroomgebied beheerplannen KRW; - Wet en Besluit op de ruimtelijke ordening;

Overige literatuur - Handleiding alternatieve materialen voor bouwmetalen, DuBo Consulenten, 2006; - WebViewer Waterschap Brabantse Delta; - Bodematlas Noord-Brabant; - Ruimtelijkeplannen Nederland.

http://www.roosendaal.nl http://www.brabantsedelta.nl http://www.brabant.nl

Memo Van

Productie Advies, Mark Bartels, Joost Tuithof

Datum

15 oktober 2019 Advies inrichting spoelwaterberging Wouw

Onderwerp

Aan

Ingenieursbureau, Korné Jansen, Harm Kampen, Leon van der Wulp

Pagina 1/5

Inleiding In het kader van het project Nieuwbouw waterproductiebedrijf Wouw wordt gezocht naar mogelijkheden voor spoelwaterberging in het waterwingebied. Dit advies omvat een beknopte gebiedsanalyse van bestaande terreinomstandigheden zoals morfologie, bodemtypen en het lokaal freatisch oppervlaktewatersysteem. In dit advies is een concept opgenomen voor de herinrichting van het terrein in relatie tot de nieuwbouwlocatie en verwacht spoelwatervolume. Huidige situatie terrein Morfologie Waterwingebied en productiebedrijf Wouw liggen op een dekzandrug in het landschap (afbeelding 1: hoogtekaart). In het gebied zijn ook komvormige laagtes zichtbaar. Deze laagtes worden ontwaterd via gegraven sloten en wateren af richting het beekdal (Smalle beek) aan de oostkant en de lage landbouwgronden in het noordwesten. Eén van de laagtes is omgraven met een gracht van de voormalige hoeve Altena. De maaiveldhoogte van het waterwingebied ligt gemiddeld op 4,5 meter +NAP. Bodem De bodem onder het voorzien bouwvlak bestaat1 uit laarpodzolgronden met lemig fijn zand (afbeelding 2, bodemkaart). Laarpodzolgronden zijn oude ontginningen (veldpodzolen) die lang bemest zijn met plaggen, waardoor ze een dikke teelaarde laag hebben (30-50cm). Een kenmerk van deze gronden zijn roestvlekken (gley) hoog in het bodemprofiel (ondiep onder maaiveld).

Dit betekent dat er al decennia lang een fluctuatie van de grondwaterstand plaatsvindt, waarbij grondwater bijna tot aan maaiveld komt. In de ondiepe ondergrond zijn, relatief dicht aan het maaiveld (1,5 m –mv), kleilagen aanwezig die zorgen voor schijngrondwaterspiegels en lokaal natte omstandigheden. Freatisch grondwater De gemiddeld laagste grondwaterspiegel (GLG1) treedt op in de winter ligt op 2,1 m -mv. De gemiddeld hoogste grondwaterspiegel (GHG2) treedt op in de zomer en ligt op 1 m -mv. De grondwaterstand in Wouw fluctueert jaarrond met 1, 1 meter. Dit komt overeen met de roestvlekken zoals beschreven in bovenstaande paragraaf ‘bodem’. Uit recente bodemonderzoek2 blijkt dat het grondwater in de zomer nog veel verder wegzakt tot 2,5 m-mv. Deze waarneming sluit aan een regionaal verschijnsel wat in meerdere terreinen met (dekzand)zandbodems wordt gemeten; circa 0,8m lager dan de historisch gemiddelde3 laagste grondwaterstanden.

1

De schaal van de bodemkaart is 1:50.000 en de grenzen van de bodemtypen kunnen lokaal afwijken.

2

Verkennend bodemonderzoek Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

3

Gemiddelde genomen over de afgelopen 5 jaar

Pagina 2/5

Afbeelding 1: hoogtekaart (AHN3 - 50cm) met voormalige locatie van Hoeve Altena en gracht.

Legenda Eigendom outline Veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand Laarpodzolgronden; lemig fijn zand Laarpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand Afbeelding 2: Bodemkaart 1:50.000

Pagina 3/5

Oppervlaktewater Het waterwingebied wordt via twee drainagesystemen ontwaterd; via het noordwesten en naar het noordoosten (zie afbeelding 3: leggerwatergangen). Op schaalniveau van het bedrijfsterrein wordt er in drie richtingen water afgevoerd; naast de bovengenoemde is er ook afvoer in zuidelijke richting naar de voormalige hoeve Altena. Water uit laagten van het bedrijfsterrein komt voornamelijk samen in de oostelijke A-watergang via de infiltratievijver en de oude gracht. Het overige deel stroomt westelijke af.

Afbeelding 3: leggerwatergangen (Blauw = A watergang, Roze = B watergang, pijlen = stroomrichting), waterschap Brabantse Delta - oktober 2019. Ster= locatie voormalige hoeve Altena.

Berging spoelwatervolume De huidige spoelwaterlozing bedraagt circa 33000 m3. Op dit moment wordt uitgegaan van 0% lozing op de Awatergangen van het Waterschap en is de bedoeling dat al het spoel en hemelwater op terrein van Brabant Water infiltreert. Naar verwachting zal het bestaande spoelwatervolume, met een nieuwe installatie, worden teruggebracht tot circa 21000 m3. Dit geeft een reductie van 36% ten opzichte van de huidige situatie. Om een veilige marge in te bouwen voor het bergend vermogen van sloten is uitgegaan van historische grondwaterstanden van 2010-2015. Voor de berekening van het netto bergend vermogen is uitgegaan van een situatie waarbij de oppervlaktewaterlichamen jaarrond gemiddeld 30% watervoerend zijn. Berging onderdeel

volume m3

netto berging m3

Spoelwater

m3

Spoelwatervijver

1645

494

Lozing / jaar

21000

Infiltratievijver

2950

885

Gemiddeld / maand

1750

Slotenstelsel*

2994

898

Dal / maand

1225

2277

Piek / maand

2275

* Sloot berging

Pagina 4/5

Voorstel nieuwe situatie Op basis van bodemtype en hydrologisch omstandigheden is het niet aannemelijk dat al het spoelwater via de huidige vijverbodem kan infiltreren. Om die reden is gekozen voor een terreininrichting waarbij zowel de berging en verblijftijd van het spoelwater in het gebied wordt vergroot; zie afbeelding 4 en 5. Met pijlen is de huidige en gewenste stromingsrichting van het oppervlaktewater aangegeven.

Afbeelding 4: overzicht concept nieuwe situatie watersysteem 1:5000

Legenda

( !

Stuw

Sloot

Nieuwbouw zuivering

Sloot Berging

Vijver

Sloot te vervallen

Duiker

Spoelwaterleiding

Overstortleiding

Afbeelding 5: concept nieuwe situatie watersysteem detail 1:1500

Pagina 5/5

De ligging van de nood overstort van de reinwaterkelders is maatgevend voor het optimaliseren van het huidige slotenstelsel. De sloot die nu zorgt voor afwatering wordt door de projectie van de voorgenomen nieuwbouw onderbroken en verliest daarmee zijn werking. Dit probleem kan worden verholpen door het aanleggen van een verbinding met het westelijk slotenstelsel en het opnieuw profileren van de slootbodem. Op deze manier kan water van de kelders worden geloosd in omgekeerde richting. De ligging van het nieuwe zuiveringsgebouw en calamiteitenbekken bieden ruimte voor het optimaliseren van de bestaande greppel aan de noordzijde tot een watervoerende sloot met ecologische oever. Deze kan aansluitend lozen op de bestaande infiltratievijver. Er is voorzien in een nood overstort van de infiltratievijver naar het noordelijk slotenstelsel. De gangbare afvoer is zuidoostelijk en wordt via een stuw geleid naar het westen. Hierdoor kan optimaal gebruik worden gemaakt van het bergend vermogen van het bestaande slotenstelsel. In afbeelding 4 en 5 is dit aangeduid met ‘Sloot Berging’. Het overige slotenstelsel dient voor drooglegging van het huidige bos, wegen en paden.

Advies    

Borg de afwatering van de nood overstort van de reinwaterkelders. Verleng de verblijftijd van spoelwater in het bestaande slotenstelsel door middel van dammen en stuwen Vergroot de bergingscapaciteit van het gebied door aanleg van ecologisch oevers Bereken het infiltratievermogen van het gebied en toets dit aan het beschikbaar bergend volume

Op dit moment is niet bekent hoeveel water er kan infiltreren in het gebied. Daarmee geeft dit advies geeft slechts een richting voor een nader te ontwerpen detailuitwerking van de terreininrichting. De recent gemeten laagste grondwaterstanden lijken een (tijdelijke) afwijking van historisch gemiddelde metingen. Met de berekening van het infiltrerend vermogen is het raadzaam rekening te houden met zowel de extreem natte zomer van 2016 als met de extreem droge zomers van 2018 en 2019.

Bijlage 4 Bodemonderzoek

Bestemmingsplan "Moerstraatseweg 16" (vastgesteld)

67

RAPPORT Verkennend bodemonderzoek Moerstraatseweg 16 te Heerle

Opdrachtgever BRO Bosscheweg 107 5282 WV BOXTEL Projectnummer Aeres Milieu projectnummer AM19348 Status rapport Definitief

Autorisatie Opsteller rapport:

paraaf

Ing. J.M.G. Reuver Kwaliteitscontrole: Ing. T.K.P.G. Thijssen

datum 30 september 2019

paraaf

datum 30 september 2019

Contactgegevens Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl 2001 + 2002

INHOUDSOPGAVE

1. INLEIDING

3

2. VOORONDERZOEK 4 2.1 Inleiding............................................................................................................................................ 4 2.2 Topografische beschrijving .............................................................................................................. 5 2.3 Historisch overzicht en omgeving .................................................................................................... 5 2.4 Dossieronderzoek ............................................................................................................................ 6 2.5 Bodemopbouw en geo(hydro)logie .................................................................................................. 6 2.6 Beschrijving van de onderzoekslocatie ........................................................................................... 6 2.7 Asbest .............................................................................................................................................. 7 2.8 Bodemkwaliteitskaart regio Midden- en West Brabant .................................................................... 7 2.9 Onderzoekshypothese ..................................................................................................................... 7 3.

ONDERZOEKSSTRATEGIE 8 3.1 Inleiding............................................................................................................................................ 8 3.2 Onderzoeksstrategie ........................................................................................................................ 8 4. VELDWERKZAAMHEDEN 9 4.1 Algemeen ......................................................................................................................................... 9 4.2 Grondbemonstering ......................................................................................................................... 9 4.3 Grondwatermonstername ................................................................................................................ 9 5. LABORATORIUMONDERZOEK 11 5.1 Algemeen ....................................................................................................................................... 11 5.2 Grond(meng)monster(s) ................................................................................................................ 11 5.3 Grondwatermonster(s) ................................................................................................................... 12 5.4 Toetsing van de gestelde hypothese ............................................................................................. 12 6.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

13

1. INLEIDING

4

2. VOORONDERZOEK 2.1 Inleiding 2.2 Topografische beschrijving 2.3 Historisch overzicht en omgeving 2.4 Dossieronderzoek 2.5 Bodemopbouw en geo(hydro)logie 2.6 Beschrijving van de onderzoekslocatie 2.7 Asbest 2.8 Bodemkwaliteitskaart regio Midden- en West Brabant 2.9 Onderzoekshypothese

5 5 6 6 7 7 7 8 8 8

3. ONDERZOEKSSTRATEGIE 3.1 Inleiding 3.2 Onderzoeksstrategie

9 9 9

4. VELDWERKZAAMHEDEN 4.1 Algemeen 4.2 Grondbemonstering 4.3 Grondwatermonstername

10 10 10 10

5. LABORATORIUMONDERZOEK 5.1 Algemeen 5.2 Grond(meng)monster(s) 5.3 Grondwatermonster(s) 5.4 Toetsing van de gestelde hypothese

12 12 12 13 13

6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

14

Verkennend bodemonderzoek Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

Bijlagen: 1 2 3 4 5 6 7 8

Topografische en kadastrale overzichtskaart Foto’s onderzoekslocatie Situatietekening onderzoekslocatie met boorpunten Boorprofielen en zintuiglijke waarnemingen Verklaring veldmedewerker Analyseresultaten grond(meng)monster(s) met achtergrond- en interventiewaarden Analyseresultaten grondwatermonster(s) met streef- en interventiewaarden Omgevingsrapportage bodem

Pagina 3 van 13

Verkennend bodemonderzoek Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

1.

INLEIDING

In opdracht van BRO heeft Aeres Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie : Moerstraatseweg 16 te Heerle Gemeente : Roosendaal Kadastrale registratie : Wouw, sectie P, nr. 122 (ged.) Oppervlakte : circa 2.850 m2 Huidig gebruik van de locatie : onbebouwd, bos en waterbassin Toekomstig gebruik : uitbreiding waterproductiebedrijf en aanleg tijdelijke bouwweg Dit bodemonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de NEN 5740. Het verkennend bodemonderzoek bestaat uit een vooronderzoek naar de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie en aanvullend hierop een bodemonderzoek op het perceel. Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit bodemonderzoek is een uitbreiding van het waterproductiebedrijf. Om de nieuwbouw mogelijk te maken zal een tijdelijke weg worden gerealiseerd voor het bouwverkeer. Voor deze tijdelijke weg wordt alleen een vooronderzoek in het kader van de NEN 5725 worden uitgevoerd, zie hoofdstuk 2. Doel Het doel van het verkennend onderzoek is, middels een steekproef, het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit ter plaatse. Het onderzoek is niet bedoeld om een exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven. Onderzoek Aeres Milieu B.V. heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau.

In hoofdstuk 2 is het vooronderzoek en de daaruit volgende onderzoekshypothese beschreven. Naar aanleiding van de opgestelde hypothese wordt in hoofdstuk 3 de onderzoeksstrategie opgesteld. In hoofdstuk 4 worden de veldwerkzaamheden (grond- en grondwateronderzoek) beschreven. Hoofdstuk 5 beschrijft de laboratoriumwerkzaamheden en de onderzoeksresultaten. Het rapport wordt afgesloten met hoofdstuk 6, waarin de conclusies en enkele aanbevelingen staan beschreven. Bemonstering en laboratoriumonderzoek vonden plaats in september 2019. De chemische analyses zijn uitgevoerd door Synlab BV te Rotterdam. Synlab is geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie gestelde criteria voor Testlaboratoria conform ISO/IEC 17025. Alle analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatie Schema 3000 (AS3000). Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden (opzet conform NEN5740 en interpretatie aan de hand van de Leidraad Bodembescherming). Opgemerkt wordt dat bij een verkennend bodemonderzoek sprake is van een steekproefsgewijze bemonstering en het nemen van een beperkt aantal monsters. De mogelijkheid blijft daarom bestaan dat puntverontreinigingen, welke niet voortkomen uit het historisch onderzoek, niet door het onderzoek worden aangetoond.

Daarnaast blijft het mogelijk dat lokale afwijkingen in de samenstelling van het bodemmateriaal voorkomen. Tot slot wordt erop gewezen dat het uitgevoerde bodemonderzoek een momentopname is. Het bovenstaande betekent dat Aeres Milieu op voorhand geen aansprakelijkheid accepteert voor maatregelen of mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Aeres Milieu uitgevoerde bodemonderzoek neemt. Tevens wordt opgemerkt dat Aeres Milieu voor het verkrijgen van de voor het historisch onderzoek noodzakelijke informatie (mede) afhankelijk is van externe bronnen. Voor Aeres Milieu is niet te verifiëren of deze bronnen altijd volledig en zonder fouten zijn. Hierdoor kan Aeres Milieu niet instaan voor de juistheid en volledigheid van de verzamelde historische informatie.

Pagina 4 van 13

Verkennend bodemonderzoek Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

2. VOORONDERZOEK 2.1

Inleiding

Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de bepaling van de onderzoeksstrategie op onderhavige locatie een vooronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit vooronderzoek zijn opgenomen in voorliggend hoofdstuk. De in paragraaf 2.1 t/m 2.6 opgenomen informatie is afkomstig van/uit: • Terreininspectie; • Het kadaster; • Archiefonderzoek gemeente Roosendaal; • Het Bodemloket; • Topotijdreis.nl. In principe richt het vooronderzoek zich op alle percelen waarop het onderzoek betrekking heeft én de direct hieraan grenzende percelen. Indien een direct aangrenzend perceel smal (< 10 m breed) is, worden ook de percelen hier weer aan grenzend meegenomen. Indien de aangrenzende percelen groot zijn, wordt alleen het gedeelte van deze percelen binnen 25 meter vanaf de grens van de bodemonderzoekslocatie in beschouwing genomen, tenzij er aanleiding bestaat toch het gehele perceel te onderzoeken. Op afbeelding 1 is de globale begrenzing van de onderzoekslocatie met rood weergegeven. Met blauw is de aan te leggen tijdelijke weg voor het bouwverkeer aangegeven.

Afbeelding 1: globale begrenzing onderzoekslocatie (Bron luchtfoto: Google maps)

Pagina 5 van 13

Verkennend bodemonderzoek Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

2.2

Topografische beschrijving

De onderzoekslocatie ligt aan de Moerstraatseweg 16 te Heerle, gemeente Roosendaal. Kadastraal is de locatie bekend als Wouw, sectie P, nr. 122 (ged.). De coördinaten volgens het R.D. stelsel zijn X = 084.043 / Y = 394.074. Zie bijlage 1 voor een topografisch overzicht en kadastrale kaart.

2.3

Historisch overzicht en omgeving

Uit kaartmateriaal van de geraadpleegde historische kaarten is af te leiden dat de onderzoekslocatie nooit bebouwd is geweest. Het rode kader betreft de uitbreidingslocatie van het waterproductiebedrijf. Het blauwe kader betreft de tijdelijke weg voor het bouwverkeer. Op de kaart uit 1998 is in het rode kader een waterbassin zichtbaar. Op de kaart uit 1987 zijn de gebouwen van het waterpompstation te zien. De kaart uit 1998 komt overeen met de huidige situatie.

1900

1979

1987 1998 Afbeelding 2: geraadpleegde historische kaarten (Bron kaarten: topotijdreis.nl)

Pagina 6 van 13

Verkennend bodemonderzoek Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

2.4

Dossieronderzoek

Op 6 september 2019 is per e-mail een verzoek gericht aan de gemeente Roosendaal voor het verkrijgen van de historische informatie. Via de Omgevingsdienst West- en Midden-Brabant is een omgevingsrapportage gegenereerd (zie bijlage 8). In het gemeentelijk archief waren echter geen, voor het verkennend bodemonderzoek relevante, bouw-, sloop- en milieudossiers, bodemonderzoeken of tankgegevens beschikbaar van de uitbreidingslocatie en van de locatie waar de tijdelijke weg voor het bouwverkeer wordt aangelegd. Op de locatie zijn voor zover bekend niet eerder bodemonderzoeken uitgevoerd. Op de onderzoekslocatie heeft, voor zover bekend, geen bovengrondse of ondergrondse opslag van oliehoudende producten plaatsgevonden. Voor zover bekend hebben er behalve het oprichten van het waterbassin, op de locatie geen ophogingen, opvullingen of dempingen plaatsgevonden.

2.5

Bodemopbouw en geo(hydro)logie

De bodemopbouw van de onderzoekslocatie wordt schematisch weergegeven in tabel 2.1. Diepte [m-mv]

Lithostratigrafie

Lithologie

0-3

Formatie van Stramproy

3-5

Formatie van Peize en Formatie van Waalre

5-9

Formatie van Waalre

9 - 27

Formatie van Peize en Formatie van Waalre

27 - 30

Formatie van Waalre

30 - 73

Formatie van Peize en Formatie van Waalre

Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden, fijn en grof zand, weinig klei en zandige klei en een spoor veen, bruinkool en grind Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, weinig veen, fijn en grof zand en een spoor grind Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en midden zand, weinig veen, fijn en grof zand en een spoor grind Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei en veen

Tabel 2.1: Geo(hydro)logische indeling (bron: Dinoloket, identificatienr.: B49E0301)

De stroming van het freatisch grondwater is globaal westelijk tot noordwestelijk gericht en bevindt zich op een hoogte van circa 2,4 m+ NAP. De onderzoekslocatie bevindt zich binnen de grenzen van waterwingebied Wouw.

2.6

Beschrijving van de onderzoekslocatie

Op 11 september 2019 is een veldinspectie uitgevoerd, hierbij is gelet op het terreingebruik en de aanwezigheid van ondergrondse tanks, stookplaatsen, (half)verhardingslagen, ophogingen, storthopen, dempingen, afgravingen en asbestverdacht materiaal op het terrein. Ter plaatse van de locatie waar de uitbreiding van het waterproductiebedrijf is voorzien bevindt zich een waterbassin. Het terrein grenzend aan het waterbassin is in gebruik als grasland. Het terrein waar de tijdelijke weg voor het bouwverkeer zal worden aangelegd is in gebruik als bos/natuur. Tijdens de veldinspectie is op het terrein geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Er zijn geen waarnemingen gedaan welke wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen of bronnen van verontreinigingen. Een fotoreportage van de onderzoekslocatie is opgenomen in bijlage 2. Pagina 7 van 13

Verkennend bodemonderzoek Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

De onderzoekslocatie wordt aan de zuidzijde begrensd door een weg en gebouwen van het waterpompstation, aan de oost- en noordzijde door akkerland, aan de westzijde door een weg en een waterbassin.

2.7

Asbest

Uit het dossieronderzoek en de uitgevoerde veldinspectie is geen informatie naar voren gekomen dat bovengenoemde activiteiten ter plaatse van de onderzoekslocatie hebben plaatsgevonden.

2.8

Bodemkwaliteitskaart regio Midden- en West Brabant

Uit de geactualiseerde bodemkwaliteitskaart regio Midden- en West-Brabant blijkt dat de onderzoekslocatie is gelegen in zone 1. Voor zowel de bovengrond- als de ondergrond is de ontgravingsklasse ‘Landbouw/Natuur’ van toepassing.

2.9

Onderzoekshypothese

Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek is de onderzoekslocatie als “onverdacht” beschouwd. Het onderzoek is dan ook uitgevoerd conform de NEN 5740 norm voor onverdachte locaties. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht (niet verdacht).

Pagina 8 van 13

Verkennend bodemonderzoek Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

3. ONDERZOEKSSTRATEGIE 3.1

Inleiding

Op basis van de verzamelde informatie uit het vooronderzoek (NEN 5725) en de gestelde onderzoekshypothese(n) voor de onderzoekslocatie, is voor de uitbreidingslocatie van het waterproductiebedrijf een onderzoeksstrategie opgesteld conform de richtlijnen van de onderzoeksnorm NEN 5740 (Bodem-Landbodem; Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond) van het Nederlands Normalisatie-Instituut.

3.2

Onderzoeksstrategie

In principe worden boringen willekeurig verspreid over de gehele onderzoekslocatie. Voor het vaststellen van de milieuhygiënische conditie van de bodem (grond en grondwater) van de onderzoekslocatie zal volgens onderstaande strategie veldwerk en monstername voor laboratoriumanalyse plaatsvinden. ONDERZOEKSNORM NEN 5740 'onverdacht' Aantal boringen oppervlakte (m²)

tot 0,5 m

èn tot 2m

2.850

9

2

Aantal te nemen monsters èn met peilbuis 1

grondwater

grond 0-0,5 m

0,5-2,0 m

12

9

Analysepakket

Aantal te onderzoeken (meng)monsters

1

1

bovengrond

ondergrond

grondwater

2 NEN-grond incl. lutos

1 NEN-grond incl. lutos

1 NENgrondwater

Tabel 3.1: Veldwerk, monstername en analysestrategie volgens NEN 5740 “onverdacht” 1) Uit elke boring van 0,5 tot 2,0 diepte worden drie monsters in trajecten van ten hoogste 0,5 m genomen.

Legenda bij tabel 3.1 m: meter beneden maaiveld lutos: lutum en organische stofgehalte De bovengrond en de ondergrond worden onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: • drogestof-bepaling • 9 zware metalen • 10 polycyclische aromatische koolwaterstoffen • 7 Polychloorbifenylen (PCB) • minerale olie Tevens bepaalt het laboratorium het gehalte aan organische stof en lutumgehalte voor het vaststellen van een toetsingskader voor de lokale bodemkwaliteit. Het grondwater wordt onderzocht op de stoffen uit het NEN 5740 ‘standaardpakket’: • 9 zware metalen • 8 vluchtige aromatische koolwaterstoffen (incl. naftaleen) • 21 vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen • minerale olie

Pagina 9 van 13

Verkennend bodemonderzoek Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

4. VELDWERKZAAMHEDEN 4.1

Algemeen

Conform de onderzoeksstrategie, zoals beschreven in hoofdstuk 3, is op de onderzoekslocatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 2000 conform protocollen 2001 en 2002 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. Voor het traceren van de kabels en leidingen is voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden een KLIC melding verricht.

4.2

Grondbemonstering

De werkzaamheden zijn op 11 september 2019 uitgevoerd door de heer H. van den Tillaar, erkend monsternemer in het kader van de BRL SIKB 2000 voor de protocollen 2001, 2002 en 2018. Assistentie is verleend door de heer L. Koomen. De boringen zijn verricht met behulp van de Edelmanboor ( 7 of 10 cm). Zie voor de boorpuntlocaties bijlage 3. Het opgeboorde bodemmateriaal is volgens de classificatienorm voor onverharde bodems (NEN 5104) beoordeeld. Daarnaast is vastgesteld in hoeverre het opgeboorde materiaal mogelijke aanwijzingen biedt voor de aanwezigheid van visueel zichtbare verontreiniging. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen en de bodemopbouw heeft laagsgewijze bemonstering plaatsgevonden. De uitkomende grond en alle zintuiglijk waargenomen bijzonderheden zijn per boring beschreven in de profielbeschrijvingen (zie bijlage 4). In het kader van dit onderzoek is geen specifiek onderzoek (conform NEN 5707) verricht naar het voorkomen van asbest in de grond en op het maaiveld. Wel heeft een inspectie van het terrein plaatsgevonden. Op het maaiveld en in de vrijkomende grond zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Het voorliggende onderzoek doet echter geen bindende uitspraak over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem binnen de onderzoekslocatie.

Gebaseerd op de diepte en stroming van het freatisch grondwater is een boring afgewerkt met een peilbuis (zie bijlage 2). Deze is zover als mogelijk benedenstrooms op de onderzoekslocatie geplaatst, ter plaatse van boorpunt 1. De bovenkant van het peilbuisfilter is onder de aangetroffen grondwaterstand geplaatst. Tijdens de installatie van de peilbuis is geen werkwater gebruikt.

4.3

Grondwatermonstername

De peilbuis is een week na plaatsing op 18 september 2019 bemonsterd conform protocol 2002 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. De bemonstering is uitgevoerd door erkend veldwerker van Aeres Milieu, de heer H. van den Tillaar.

Pagina 10 van 13

Verkennend bodemonderzoek Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

Voorafgaand aan de bemonstering is de grondwaterstand opgenomen en zijn de zuurgraad (pH) en het elektrische-geleidingsvermogen (Ec) van het grondwater bepaald. Deze waarden waren constant bij monstername. De geleidbaarheid is gecorrigeerd voor de grondwatertemperatuur. De geleiding is een maat voor de concentratie aan opgeloste stoffen in het water, terwijl de pH de zuurgraad van het water aangeeft (pH<7: zuur, pH = 7: neutraal, pH>7: basisch). De grondwatermonsters zijn in het veld, voor zover noodzakelijk gefiltreerd en geconserveerd. De in het veld gemeten parameters zijn in onderstaande tabel samengevat. Peilbuisnummer Pb 1 filterstelling [m-mv] 2,90 - 3,90 grondwaterpeil [m-mv] 2,50 toestroming slecht zuurgraad [pH] 4,26 elektrisch geleidingsvermogen [µS/cm] 182 troebelheid [NTU] 985 drijflaag geen geur geen waargenomen afwijkingen geen Tabel 4.1: Resultaten veldmetingen tijdens grondwatermonstername

De meetresultaten wijken niet af van natuurlijk of regionaal voorkomende waarden. In het grondwater uit alle peilbuizen is sprake van een verhoogde troebelheid (>10 NTU). Een verhoogde troebelheid kan in sommige gevallen leiden tot een overschatting van de gehalten aan organische parameters in het grondwater. Bij het voorliggende onderzoek is de index van geen enkele organische parameter groter dan 0,5. De eventuele overschatting van de gehalten als gevolg van een verhoogde troebelheid heeft geen gevolgen voor de interpretatie van de onderzoeksgegevens en de conclusies van dit rapport. Aanvullend onderzoek naar de verhoogde troebelheid is daarom niet uitgevoerd. De overige waarden geven geen aanleiding tot opmerkingen.

Pagina 11 van 13

Verkennend bodemonderzoek Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

5. LABORATORIUMONDERZOEK 5.1

Algemeen

De analyses zijn uitgevoerd door het onderzoekslaboratorium van Synlab BV te Rotterdam. Synlab is geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie gestelde criteria voor Testlaboratoria conform ISO/IEC 17025, waar verdere conservering en (voor)behandeling van de monsters plaats heeft gevonden.

5.2

Grond(meng)monster(s)

In het laboratorium zijn voor het chemisch onderzoek van de grondmonsters uit de boven- en ondergrond al dan niet mengmonsters samengesteld volgens onderstaande tabel. De keuze voor het samenstellen van deelmonsters tot een mengmonster of het analyseren van individuele monsters is gebaseerd op de zintuiglijke waarnemingen in het veld en op de onderzoeksstrategie. (Meng)monsternummer

Grondmonster(s) 1)

MM1

1-1 3-1 9-1 10-1 11-1 12-1 MM2 2-2 4-1 5-1 6-1 7-1 8-1 MM3 1-4 2-4 2-5 3-3 3-4 Tabel 5.1: schema grond(meng)monsters

Bodemlaag [m-mv] 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0,2 – 0,7 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,5 0 – 0,2 1,5 – 2,0 1,3 – 1,7 1,7 – 2,0 1,0 – 1,5 1,5 – 2,0

Zintuiglijke waarnemingen Geen bijzonderheden Geen bijzonderheden Geen bijzonderheden Geen bijzonderheden Geen bijzonderheden Geen bijzonderheden Geen bijzonderheden Geen bijzonderheden Geen bijzonderheden Geen bijzonderheden Geen bijzonderheden Geen bijzonderheden Geen bijzonderheden Geen bijzonderheden Geen bijzonderheden Geen bijzonderheden Geen bijzonderheden

1) Het eerste cijfer geeft het boorpunt aan, het tweede cijfer het monsternametraject (zie bijlage 3).

De analyseresultaten van de grond(meng)monsters worden in de volgende tabel samengevat, waarbij door middel van onderstaande sterrencodering de mate van verontreiniging is aangegeven. * ** ***

Het gehalte is groter dan de achtergrondwaarde en kleiner dan of gelijk aan de het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde; het gehalte is groter dan het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde en kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde; het gehalte is groter dan de interventiewaarde.

In de Regeling bodemkwaliteit (RBK) is vastgelegd dat de toetsing moet plaatsvinden door het gevonden gehalte in een monster eerst te corrigeren met het lutum en organisch stof gehalte (=berekende concentratie) en vervolgens te vergelijken met de grenswaarden van de Regeling Bodemkwaliteit. In de kolommen zijn alleen die stoffen vermeld waarvan de analyseresultaten na toetsing hoger zijn dan de bijbehorende achtergrondwaarde voor duurzame bodemkwaliteit. Zie bijlage 6 voor het analyserapport met nummer 13103608. (Meng)monsternummer

Bodemlaag [m-mv]

Zintuiglijke waarnemingen

MM1 0 – 0,5 Geen bijzonderheden MM2 0 – 0,7 Geen bijzonderheden MM3 1,0 – 2,0 Geen bijzonderheden Tabel 5.2: Toetsingsresultaten van de grond(meng)monsters

Verhoogde component --Koper ---

Berekende concentratie [mg/kg d.s.] en toetsing ----46,3 * -----

Pagina 12 van 13

Verkennend bodemonderzoek Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348

Uit de analyseresultaten blijkt dat grondmengmonster MM2 (dieptetraject 0 – 0,7 m-mv.) licht verhoogd is met koper. In grondmengmonster MM1 (dieptetraject 0 – 0,5 m-mv.) en grondmengmonster MM3 (dieptetraject 1,0 – 2,0 m-mv.) zijn geen gehalten gemeten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarde. Zware metalen, zoals koper, bezitten een geringe mobiliteit in de bodem en hechten zich met name aan sliben kleideeltjes. Zware metalen komen van nature in bepaalde concentraties in de bodem voor. Deze concentraties kunnen verhoogd voorkomen in het stedelijk milieu. De afgifte vindt onder andere plaats door dakpannen, dakgoten, kabels en leidingen, verkeer en afval. Ook depositie van zware metalen op de bodem door industriële activiteiten is een mogelijke oorzaak van verhoogde concentraties. Tot de bedrijfsactiviteiten die verontreiniging van de bodem met zware metalen kunnen veroorzaken worden onder andere gerekend galvanische bedrijven, grafische industrie, sloperijen en metaalbewerkende industrie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1106/documents/27962