Bijlage Bijlagenboek_BP Moerstraatseweg 16.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Moerstraatseweg 16 Gemeente Roosendaal Bijlagenboek
Bestemmingsplan Moerstraatseweg 16 Gemeente Roosendaal Bijlagenboek
Rapportnummer:
P00698_bijlagen
IMRO-code:
NL.IMRO.1674.2119MOERSTRWEG16-0401
Datum:
18 januari 2021
Projectteam BRO:
CVe, TA
Trefwoorden:
--
Bron foto kaft:
www.brabantwater.nl
Beknopte inhoud:
Modernisering waterproductiebedrijf Brabant Water Moerstraatseweg 16 te Heerle.
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
Moerstraatseweg 16
Inhoudsopgave
Bijlagen bij toelichting
3
Bijlage 1
Quickscan Flora en fauna
4
Bijlage 2
Vervolgonderzoek Flora en fauna
20
Bijlage 3
Waterparagraaf
41
Bijlage 4
Bodemonderzoek
67
Bijlage 5
Vooroverlegreactie Provincie Noord-Brabant
129
Bijlage 6
MER-besluit
131
2
Bestemmingsplan "Moerstraatseweg 16" (vastgesteld)
Bijlagen bij toelichting
Bestemmingsplan "Moerstraatseweg 16" (vastgesteld)
3
Bijlage 1 Quickscan Flora en fauna
4
Bestemmingsplan "Moerstraatseweg 16" (vastgesteld)
Notitie
: Quickscan flora en fauna ‘Waterproductiebedrijf Wouw’ te Heerle
Datum Opdrachtgever Projectnummer Opgesteld door Interne controle:
: 18 januari 2019 : Brabant Water : P00698 : ir. M.J.I.C. van de Schoot : ing. M. Koen
Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van de realisatie van een nieuw waterproductiestation en de sloop van het oude station, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Werkwijze quickscan flora en fauna In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen de aanwezige natuurwaarden vanuit de Wet Natuurbescherming en planologisch beschermde natuurwaarden.
Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016. Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 5 oktober 2018 tussen 14.00 en 16.00 uur door een ecoloog van BRO1 een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. Het was circa 18°C, half bewolkt, zonder neerslag, met een zuidenwind van 2 Bft. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiele aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke beschermde planten- en 1
BRO is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek.
1
diersoorten er voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden. Planbeschrijving Het plangebied is gelegen ten noorden van het dorpje Heerle, gemeente Roosendaal, circa 2,5 km ten noorden van de A58. In figuur 1 is de topografische ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1. Topografische kaart ligging van het plangebied (1:25.000)
Huidige en toekomstige situatie Het plangebied bestaat momenteel uit het waterproductiebedrijf Wouw van Brabant Water. In het zuidelijk deel staan enkele van de gebouwen. In het noorden zijn twee calamiteitenbekkens aanwezig. Het plangebied is volledig omringd door bosgebied, en ook binnen het plangebied is een vrij grote hoeveelheid bos en bomenrijen aanwezig. In figuur 2 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven. De figuren 4 t/m 9 geven een impressie van het plangebied, middels foto’s die zijn genomen tijdens het verkennende veldbezoek. Opdrachtgever is voornemens om het waterproductiebedrijf te vernieuwen. Om de levering van drinkwater te kunnen garanderen zal eerst nieuwe bebouwing gerealiseerd worden, in het noordelijke en mogelijk ook centrale deel van het gebied, en een tijdelijke aanrijroute/bouwweg voor vrachtverkeer zal worden gerealiseerd (figuur 3). Hiervoor zullen een bosschage en enkele bomenrijen gekapt worden. In een later stadium worden de bestaande gebouwen verwijderd.
2
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving
Figuur 3. Toekomstige situatie: nieuwe bebouwing (rood), bestaande weg (blauw), en tijdelijke bouwweg (oranje)
3
Figuur 4. Centrale te slopen gebouw
Figuur 5. Te slopen gebouw zuidwesten plangebied
Figuur 6. Noordelijk deel met calamiteitenbekken en bosschage
Figuur 7. Te kappen bosschage noordwesten plangebied
Figuur 8. Te verwijderen calamiteitenbekken
Figuur 9. Locatie route bouwverkeer
4
Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Brabantse Wal”, bevindt zich op circa 3,2 kilometer afstand ten zuidwesten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Daar de voorgenomen ontwikkeling de nieuwbouw van een waterwinbedrijf betreft welke de oude zal vervangen, is in de nieuwe situatie geen toename aan stikstofuitstoot te verwachten. Tijdens de werkzaamheden zal vrachtverkeer wel een piektoename aan stikstofuitstoot veroorzaken.
Een significante toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied is gezien de afstand en kortstondigheid redelijkerwijs uitgesloten. Vervolgonderzoek met betrekking tot Natura 2000-gebieden wordt niet noodzakelijk geacht. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Binnen de provincie Noord-Brabant bestaat het NNN uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Ecologische Verbindingszones (EVZ). Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Daarnaast bestaat binnen de provincie Noord-Brabant de Groenblauwe Mantel, waarbinnen het beleid gericht is op behoud en ontwikkeling van natuur, watersystemen en landschap. Het plangebied is bijna volledig omringd door NNB (zie figuur 10). Het plangebied zelf, daar waar de werkzaamheden zijn voorzien, is echter aangeduid ‘gemengd landelijk gebied’. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zal er een tijdelijke toename zijn aan verstoring op het NNB tijdens de realisatie. Het betreft natuur met beheertype N16.04 Vochtig bos met productie. Externe effecten als licht, geluid en trillingen kunnen mogelijk tijdelijk een negatief effect hebben op de natuurwaarde. In de toekomstige situatie zal de verstoring echter niet groter zijn dan in de huidige situatie het geval is. In de directe
5
omgeving van het plangebied zijn geen verstoringsgevoelige natuurwaarden aangetroffen. Indien de volgende maatregelen worden opgevolgd, zowel tijdens de werkzaamheden in de toekomstige situatie, zullen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden relatief klein zijn: 1. Starten en zoveel mogelijk uitvoeren van werkzaamheden buiten broedseizoen; 2. Vermijden van licht gericht en uitschijnend op het opgaande groen. Vervolgonderzoek in het kader van het NNB wordt niet noodzakelijk geacht. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen de groenblauwe mantel.
Figuur 10. Ligging NNB (groen), groenblauwe mantel (blauw) en EVZ (paars) ten opzichte van perceel plangebied (rood omlijnd)
Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. De te kappen bomen binnen het plangebied maken onderdeel uit van houtopstanden. Voor de kap van deze bomen geldt herplantplicht van minimaal dezelfde oppervlakte. Hiervoor dient minstens 4 weken voor de kap een melding ingediend te worden bij Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN). In het geval dat de herbeplanting op andere grond plaatsvindt kan hiervoor een ontheffing worden aangevraagd. Herbeplanting dient binnen 3 jaar na de kap te worden uitgevoerd volgens de regels van de provinciale Verordening en Beleidsregel.
6
Toetsing soortenbescherming De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:
Vogels (artikel 3.1 Wet Natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet Natuurbescherming) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet Natuurbescherming)
Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. Tabel 1.
Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten Vogels (artikel 3.1 Wnb) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb) Art 3.1 lid 1 Art 3.5 lid 1 Het is verboden in het wild levende vo- Het is verboden soorten in hun natuurgels opzettelijk te doden of te vangen lijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen Art 3.5 lid 4 Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rust- Het is verboden de voortplantingsplaatplaatsen en eieren van vogels te vernie- sen of rustplaatsen van dieren te belen of te beschadigen, of nesten van vo- schadigen of te vernielen gels weg te nemen Art 3.1 lid 3 Art. 3.5 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze Het is verboden eieren van dieren in de onder zich te hebben natuur opzettelijk te vernielen of te rapen Art 3.1 lid 4 en lid 5 Art 3.5 lid 2 Het is verboden vogels opzettelijk te Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren, tenzij de storing niet van wezen- storen lijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb) Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen -
-
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
7
De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan aanpassen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde soorten (art. 3.10 WNB) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot de meeste provincie, de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) binnen de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen.
De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Vogels Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken.
Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’). De bebouwing op het terrein bevat geen geschikte nestlocaties voor gebouwbewonende soorten als huismus en gierzwaluw. Tijdens het veldbezoek zijn twee buizerds waargenomen welke aan het rusten en rondvliegen waren op en rond het terrein. In de te kappen, goed controleerbare, bomen is geen potentieel nest voor een soort met jaarrond beschermd nest als buizerd, sperwer, ransuil of havik aan-
8
getroffen. Het is echter wel mogelijk dat in zich in de directe omgeving van het plangebied een nestlocatie van een dergelijke soort bevindt. Ook kunnen in het te verwijderen groen mogelijk “algemene” soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning, grasmus, tjiftjaf en houtduif tot broeden komen. Ook kan in de calamiteitenbekken mogelijk een soort als meerkoet of wilde eend tot broeden komen. Subconclusie Bij uitvoering van de werkzaamheden kan mogelijk verstoring optreden indien een jaarrond beschermd nest zich in de directe omgeving van de werkzaamheden bevindt, waardoor het nest als tijdelijk ongeschikt kan worden beschouwd. Een onderzoek in de winter (wanneer er geen bladeren meer aan de bomen zitten) dient uit te wijzen of binnen circa 75 meter van de werkzaamheden een (potentiele) nestlocatie van een soort met jaarrond beschermd nest aanwezig is. Is dit het geval dan dient daaropvolgend onderzoek uit te wijzen of deze in gebruik is en welke soort hier gebruik van maakt, en/of dient er te worden gekeken of verstoring kan worden voorkomen door hier met de planning rekening te houden. Mocht verstoring niet te voorkomen zijn, zal een ontheffing van verbodsbepaling art 3.1 lid 2 (en 4) moeten worden verkregen.
Voor de vogelsoorten zonder jaarrond beschermd nest geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, meervleermuis en watervleermuis. De te slopen gebouwen binnen het plangebied bevatten doorgangen naar de spouwmuren in de vorm van open stootvoegen, en ruimtes achter de beplating van de dakrand.
In de te kappen bomen zijn geen potentiele verblijfplaatsen als boomholtes of loshangend schors waargenomen. De calamiteitenbekken en het te verwijderen groen is mogelijk in gebruik als foerageergebied voor vleermuizen. Gezien de grote hoeveelheid groen in de omgeving is het echter niet te verwachten dat de functie hiervan essentieel is. Daarmee is er geen sprake van het aantasten van (essentieel) foerageergebied en/of vliegroutes, mits er geen verlichting uitschijnt of wordt gericht op het opgaande groen en de oppervlaktewateren. Verlichting kan namelijk een verstorend effect hebben op zowel foerageer- als vliegroutefuncties.
9
Subconclusie De te slopen gebouwen bevatten potentiele verblijfplaatsen. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling gaat mogelijk de verblijfplaats van een of meerdere soorten vleermuizen verloren. Vervolgonderzoek naar de functie van de gebouwen voor vleermuizen is noodzakelijk om de te bepalen of bij de sloop sprake is van het overtreden van verbodsbepaling art. 3.5 lid 2 en 4. Bij aanwezigheid dient een ontheffing op de Wet natuurbescherming te worden verkregen alvorens met de sloop kan worden gestart. Er zal geen sprake zijn van aantasting van vliegroutes of (essentieel) foerageerhabitat voor vleermuizen, indien verlichting op opgaand groen en de oppervlaktewateren wordt vermeden. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt gezien de beboste omgeving geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Het plangebied is echter wel goed onderhouden en niet verrommeld. Soorten als egel, konijn, ree, vos, aardmuis, bosmuis, dwergspitsmuis en veldmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling.
In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde soorten waterspitsmuis, hermelijn, wezel, bunzing en boommarter voor. Het plangebied bevat echter geen potentiele verblijfplaatsen. Er zijn geen holen of nesten in de grond of in de bomen aangetroffen die zouden kunnen dienen als schuil- of nestplaats voor deze soorten. Het terrein kan wel deel van het foerageergebied van de marterachtigen uitmaken. De hoeveelheid habitatverlies is echter beperkt, gezien de hoeveelheid geschikt leefgebied in de omgeving zal dit niet essentieel zijn. Daarbij worden de slooplocatie weer natuurlijk ingericht.
Binnen het plangebied zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen dan wel burchten, loop- of eetsporen, latrines of wissels die duiden op de aanwezigheid en/of het gebruik van het plangebied door de das. De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten Subconclusie Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaat geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de ruime omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis en hazelworm. Beide soorten zijn binnen 1-5 km van het
10
plangebied waargenomen. Het plangebied biedt geen geschikt habitat voor levendbarende hagedis. De hazelworm is gezien de geïsoleerde ligging hier niet te verwachten, mede omdat deze soort niet in de directe omgeving (binnen 1 kilometer) is waargenomen. Het voorkomen van deze soort, met realtief verborgen bestaan, is binnen het plangebied daarmee niet aannemelijk. Voor alle zekerheid zou er middels de plaatjesmethode, kunnen uitwijzen dat de soort hier daadwerkelijk niet voorkomt. Subconclusie Negatieve effecten op reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Tijdens de quickscan zijn bruine kikkers in de poel aangetroffen. Volgens de verspreidingsgegevens is in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde rugstreeppad, poelkikker, alpenwatersalamander en vinpootsalamander bekend. Het te verwijderen oppervlaktewater biedt geschikt leefgebied voor alpenwatersalamander, vinpootsalamander en poelkikker. In de huidige situatie is de calamiteitenbekken niet geschikt voor rugstreeppad, mogelijk is de bekken echter zeer dynamisch, waardoor bijvoorbeeld na grote stortingen geschikt habitat kan ontstaan. Daarnaast kan het te kappen bosje mogelijk landhabitat zijn voor aanwezige soorten.
Subconclusie Vervolgonderzoek naar poelkikker, alpenwatersalamander en vinpootsalamander dient uit te wijzen of de calamiteitenbekken in gebruik is als voortplantingshabitat door deze soorten en of de plannen een overtreding van de Wet natuurbescherming veroorzaken. Indien de situatie in het voorjaar geschikt is voor rugstreeppad dient ook deze soort mee onderzocht te worden. Voor de soorten die aangetroffen worden kan ook worden aangenomen dat deze van de bosschage gebruik maken als landhabitat. Vissen In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote modderkruiper. In de omgeving van het plangebied kan deze soort zich in de sloten en beken bevinden. De calamiteitenbekken binnen het plangebied is echter niet te bereiken voor deze soort. Subconclusie Negatieve effecten op beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten Op circa 3 km afstand van het plangebied zijn waarnemingen bekend van gevlekte witsnuitlibel. Deze soort komt in vegetatierijke vennen en plassen voor. Het is niet uitgesloten dat deze soort van de calamiteitenbekken gebruikt maakt als voortplantingshabitat. Aantasting van (deel)populaties van de overige beschermde libellen- of vlindersoorten is met zekerheid niet aan de orde.
De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig.
11
Subconclusie Vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van de gevlekte witsnuitlibel is vereist om de aan- of afwezigheid van deze soort in de calamiteitenbekken te bepalen en of er sprake is van overtreding van de Wet natuurbescherming. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten bekend als wolfskers en drijvende waterweegbree. Drijvende waterweegbree is niet in de te dempen calamiteitenbekken aangetroffen, en daarmee redelijkerwijs uit te sluiten. Wolfskers is bekend van een enkele waarneming van een verwilderd exemplaar aangetroffen in het dorp Wouw. Het is niet te verwachten dat deze soort binnen het plangebied voorkomt. Subconclusie Negatieve effecten voor beschermde vaatplanten worden op voorhand uitgesloten.
12
Conclusie en vervolgstappen Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen:
Onderzoeken per fase: o Bij de realisatie van de nieuwbouw en aanleg van de tijdelijke bouwweg zijn negatieve effecten op roofvogelnesten, voortplantings- en landhabitat van Alpenwatersalamander, vinpootsalamander, poelkikker en (indien geschikt in het voorjaar) rugstreeppad, en voortplantingswater van de gevlekte witsnuitlibel niet uitgesloten. Soortgerichte (protocollaire) veldonderzoeken naar de functionaliteit van het plangebied voor deze soort(groep)en dient te bepalen of bij uitvoering van de werkzaamheden sprake is van overtreding van verbodsbepalingen uit de wet natuurbescherming. Tevens kan onderzoek naar de hazelworm de afwezigheid extra bekrachtigen. o Bij de sloop van de huidige gebouwen zijn negatieve effecten op vaste verblijfplaatsen van een vleermuizensoort niet uitgesloten. Protocollair veldonderzoek naar de aanwezigheid van rust- of verblijfplaatsen van een vleermuizensoort is benodigd om te bepalen of bij de sloop sprake is van overtreding van verbodsbepalingen uit de wet natuurbescherming. Bij aanwezigheid van en of meerdere van deze soorten, is het treffend van maatregelen aan de orde om de functionaliteit te behouden en het doden van dieren te voorkomen. Daarnaast dient voor het verwijderen van een huidige verblijfplaats of voortplantingsplaats officieel een ontheffing te worden aangevraagd bij de Omgevingsdienst Brabant-Noord (ODBN).
Een ontheffingsaanvraag dient te worden onderbouwd met een activiteitenplan waar juridische en ecologische aspecten als de specifieke maatregelen en werkzaamheden, de gunstige staat van instandhouding, het wettelijk belang, een alternatievenafweging en de planning in zijn opgenomen. Na het verkrijgen van de ontheffing kunnen de werkzaamheden worden uitgevoerd, mits aan alle voorwaarden uit de ontheffing wordt voldaan. De provincie neemt normaliter binnen 13 weken een besluit over de aanvraag. Indien nodig kan de provincie deze termijn met 7 weken verlengen. Ten aanzien van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dient het verwijderen van opgaand groen en de calamiteitenbekken buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; Ten aanzien van vleermuizen dient op voorhand licht gericht of uitschijnend op het opgaande groen en oppervlaktewater te worden vermeden; Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen.
Om negatieve effecten op de NNB te voorkomen dient met de werkzaamheden gestart te worden in de winter, en dient licht gericht of uitschijnend op het NNB voorkomen te worden. Daarnaast dient voor de kap en herbeplanting een melding gedaan te worden, en bij herbeplanting op andere grond een ontheffing te worden aangevraagd. Vervolgonderzoek ten behoeve van Natura 2000-gebieden is bij dit plan verder niet aan de orde.
13
Samenvatting In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen Potentieel aanwezig
Soortgroep
Algemeen
Ja
Sprake van verstoring
Vervolgtraject / maatregelen
Bijzonderheden / opmerkingen
Mogelijk
Buiten broedseizoen opgaand groen en calamiteitenbekken verwijderen of controle vooraf
Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus
Broedvogels Jaarrond beschermd
Ja
Mogelijk
Vervolgonderzoek naar Indien nest aanwezig in het nesten van jaarrond bevoorjaar bezetting onderzoek schermde soort binnen 75m van werkzaamheden
Verblijfplaatsen
Ja
Mogelijk
Vervolgonderzoek naar gebruik van gebouwen door vleermuizen
Foerageerhabitat
Ja
Mogelijk
Vliegroutes
Ja
Mogelijk
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Mogelijk
Zorgplicht
Heeft betrekking op een soort als de egel
Reptielen
Niet aannemelijk
Niet aannemelijk
-
Voor extra zekerheid kan onderzoek met plaatjesmethodiek worden uitgevoerd Rugstreeppad enkel indien situatie in voorjaar geschikt is voor deze soort
Vleermuizen
Bij aanwezigheid is voor de sloop een ontheffing nodig
Licht gericht en uitVoldoende alternatief aanwezig schijnend op het opgaand groen en open water ver- Geen potentiele vliegroutes vermijden stoord
Amfibieën
Ja
Mogelijk
Vervolgonderzoek naar poelkikker, alpenwatersalamander, vinpootsalamander en mogelijk rugstreeppad
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Ja
Mogelijk
Vervolgonderzoek t.b.v. gevlekte witsnuitlibel
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
14
Gebiedsbescherming
Afstand tot gebied
Sprake van aantasting
Maatregelen
Bijzonderheden / opmerkingen
Natura 2000
ca. 3.2 km
Nee
-
Geen externe verstorende factoren
Natuurnetwerk Nederland
Tegen plangebied aan
Minimaal en tijdelijk
Licht gericht en uitschijnend op opgaand Wezenlijke ecologische waarde groen voorkomen; en kenmerken blijven gelijk start/uitvoer werkzaamheden buiten broedseizoen
Houtopstanden
-
Nee
-
Niet van toepassing
Geraadpleegde bronnen Algemene Literatuur
Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht.
Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbe-
SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5.
scherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden. Literatuur Noord-Brabant
dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in Noord-Brabant)
Bouwens, S. 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot Soortbescherming. Provincie Noord-Brabant
Algemene websites
bij12.nl (kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten)
eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden)
floron.nl (soortgegevens planten)
ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen)
sovon.nl (soortgegevens vogels)
synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden)
verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten)
vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen)
wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-03-01 (wettekst Wet natuurbescherming)
www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)
Provinciale bronnen
brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant)
kaartbank.brabant.nl/viewer/app/Kaartbank (grenzen beschermde gebieden)
15
Bijlage 2 Vervolgonderzoek Flora en fauna
20
Bestemmingsplan "Moerstraatseweg 16" (vastgesteld)
Resultaten vervolgonderzoek Wnb Waterproductiebedrijf Wouw - Brabant Water Definitieve rapportage
Resultaten vervolgonderzoek Wnb Waterproductiebedrijf Wouw- Brabant Water Definitieve rapportage
Rapportnummer:
P00698
Datum:
4 november 2019
Contactpersoon opdrachtgever:
Dhr. R. Luising, Brabant Water
Projectteam BRO1:
Corianne Verberne, Marcel Koen, Martijn van de Schoot
Bron foto kaft:
BRO, abstract
BRO is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus en heeft als doel kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging. Onze werkzaamheden voeren wij dan ook uit volgens de door het NGB vastgestelde gedragscode (versie juni 2008, aangevuld in februari 2010). De medewerkers binnen de discipline ecologie voldoen aan de door het Ministerie van EZ genoemde voorwaarden voor ter zake deskundigen op het gebied van ecologisch onderzoek. Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde protocollen en richtlijnen voor onderzoek. BRO accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek neemt.
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5931 PK Boxtel T +31 (0) 411 850 400 E info@bro.nl
Inhoudsopgave
pagina
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding 1.2 Doel
2 2 2
2. OMSCHRIJVING PLANGEBIED 2.1 Huidige situatie
3 3
3. WERKWIJZE 3.1 Roofvogels 3.2 Poelkikker, Alpenwatersalamander en vinpootsalamander 3.3 Gevlekte witsnuitlibel 3.4 Hazelworm
6 6 6 7 7
4. RESULTATEN 4.1 Roofvogels 4.2 Poelkikker, Alpenwatersalamander en vinpootsalamander 4.3 Gevlekte witsnuitlibel 4.4 Hazelworm
9 9 9 9 9
5. TOETSING AAN WET NATUURBESCHERMING 5.1 Roofvogels 5.2 Poelkikker, Alpenwatersalamander en vinpootsalamander 5.3 Gevlekte witsnuitlibel 5.4 Hazelworm
10 10 10 10 10
6. CONCLUSIE
11
7. BRONNEN
12
8. VERKLARENDE WOORDENLIJST
13
Inhoudsopgave
1
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding Opdrachtgever is voornemens een calamiteitenbekken en een deel van het bosgebied binnen het waterproductiebedrijf verwijderen, om hier een nieuwe installatie te realiseren welke de huidige installatie vervangt. Tijdens een ecologisch onderzoek (quickscan) in oktober 2018 is geconstateerd dat het plangebied nestlocaties kan hebben van roofvogels, dat het voortplantingshabitat kan zijn van poelkikker, Alpenwatersalamander en vinpootsalamander, en dat het leefgebied van hazelworm kan zijn. Naar aanleiding hiervan is protocollair onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de genoemde soort(groep)en. Het protocollaire onderzoek is in het seizoen van 2019 uitgevoerd.
1.2 Doel Dit onderzoek zal antwoord geven op de volgende vragen: Zijn er nestlocaties aanwezig van roofvogels? Zo ja, zijn deze in gebruik? Is het calamiteitenbekken in gebruik als voortplantingshabitat voor gevlekte witsnuitlibel, poelkikker, alpenwatersalamander of vinpootsalamander? Is hazelworm aanwezig binnen het plangebied? Leiden de werkzaamheden tot verlies of verstoring van nest- en/of voortplantingsplaatsen, of essentieel habitat van een beschermde soort? Leidt de uitbreiding tot overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming en is een ontheffingsaanvraag noodzakelijk? Indien bij aanwezigheid van beschermde soorten het treffen van maatregelen noodzakelijk is, omdat de huidige nest/verblijfplaats komt te vervallen/wordt verstoord, dan zullen deze (mede ten behoeve van een mogelijke ontheffingsaanvraag) voldoende moeten worden onderbouwd middels een activiteitenplan/mitigatieplan, omdat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vast moet komen te staan dat de maatregelen ook daadwerkelijk de functie die het gebouw heeft voor de soort(en), doen behouden. Ook dient te worden getoetst of de huidige staat van instandhouding van de soort niet in het geding is. Ten behoeve van het eventueel indienen van een ontheffingsaanvraag dienen ook aspecten als doel, (wettelijk) belang en alternatievenafweging behandeld te worden.
Ook deze aspecten zullen in een later stadium, indien van toepassing, worden uitgewerkt.
Hoofdstuk 1
2
2.
OMSCHRIJVING PLANGEBIED 2.1 Huidige situatie Het plangebied is gelegen ten noorden van het dorpje Heerle, gemeente Roosendaal, circa 2,5 km ten noorden van de A58. In figuur 1 is de topografische ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1. Topografische kaart ligging van het plangebied (1:25.000)
Huidige en toekomstige situatie Het plangebied bestaat momenteel uit het waterproductiebedrijf Wouw van Brabant Water. In het zuidelijk deel staan enkele van de gebouwen. In het noorden zijn twee calamiteitenbekkens aanwezig. Het plangebied is volledig omringd door bosgebied, en ook binnen het plangebied is een vrij grote hoeveelheid bos en bomenrijen aanwezig. In figuur 2 is een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving weergegeven. De figuren 4 t/m 9 geven een impressie van het plangebied, middels foto’s die zijn genomen tijdens het verkennende veldbezoek. Opdrachtgever is voornemens om het waterproductiebedrijf te vernieuwen. Om de levering van drinkwater te kunnen garanderen zal eerst nieuwe bebouwing gerealiseerd worden, in het noordelijke en mogelijk ook centrale deel van het gebied, en een tijdelijke aanrijroute/bouwweg voor vrachtverkeer zal worden gerealiseerd (figuur 3). Hiervoor zullen een bosschage en enkele bomenrijen gekapt worden. In een later stadium worden de bestaande gebouwen verwijderd.
Hoofdstuk 2
3
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving
Figuur 3. Toekomstige situatie: nieuwe bebouwing (rood), bestaande weg (blauw), en tijdelijke bouwweg (oranje)
Hoofdstuk 2
4
Figuur 4. Centrale te slopen gebouw
Figuur 5. Te slopen gebouw zuidwesten plangebied
Figuur 6. Noordelijk deel met calamiteitenbekken en bosschage
Figuur 7. Te kappen bosschage noordwesten plangebied
Figuur 8. Te verwijderen calamiteitenbekken
Figuur 9. Locatie route bouwverkeer
Hoofdstuk 2
5
3.
WERKWIJZE 3.1 Roofvogels 28 februari is een uitgebreide controle uitgevoerd ten behoeve van de aanwezigheid van roofvogelnesten (horsten). Hierbij is een geschikte nestlocatie aangetroffen op circa 100 meter afstand van de werkzaamheden, en 75 meter afstand van de bouwweg (figuur 10). Omdat prooiresten onder het nest zijn aangetroffen is het niet uitgesloten dat deze nestlocatie in gebruik is. De prooiresten zijn echter niet recent en hier zijn geen roofvogels aangetroffen waardoor deze tijdens dit veldbezoek nog niet in gebruik was. Hieropvolgend zijn 2 veldbezoeken gebracht in het broedseizoen van de buizerd. Deze onderzoeksinspanning voldoet aan het Kennisdocument Buizerd (BIJ12, versie 1.0 juli 2017)
Datum
Type onderzoek
02-04-2019
Bezetting nest beoor-
Tijdsduur
Weer
Temp.
Wind gemiddeld 3 Bft
15 ºC
onderzoek 10.00-12.00
delen
Vrijwel geheel bewolkt Geen neerslag
25-04-2019
Bezetting nest beoor-
12.00-14.00
delen
Wind gemiddeld 3 Bft
17 ºC
Vrijwel geheel bewolkt Geen neerslag
3.2 Poelkikker, Alpenwatersalamander en vinpootsalamander Om de aanwezigheid van poelkikker, Alpenwatersalamander en vinpootsalamander te toetsen zijn meerdere bezoeken gebracht aan de calamiteitenbekken binnen het plangebied. Om aanwezigheid van poelkikker, Alpenwatersalamander en vinpootsalamander te toetsen is in de periode mei – augustus driemaal met schepnet geschept naar volwassen en jonge individuen. Deze inspanning voldoet aan de kennisdocumenten van poelkikker van BIJ12, versie 1.0 juli 2017 en de Soortinventarisatieprotocollen van de soorten in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017) van het Netwerk Groene Bureaus. Tabel I. Bezoeken i.v.m. inventarisaties amfibieën Datum
Type onderzoek
Tijdsduur
Weer
Temp.
Wind gemiddeld 4 Bft
21 ºC
onderzoek 07-06-2019
Scheppen naar adulten
10.00-12.00
en juvenielen
Vrijwel geheel bewolkt Geen neerslag
18-07-2019
Scheppen naar adulten en juvenielen
12.00-14.00
Wind gemiddeld 2 Bft
22 ºC
Geheel bewolkt Geen neerslag
Hoofdstuk 3
6
08-08-2019
Scheppen naar adulten
11.00-13.00
en juvenielen
Wind gemiddeld 2 Bft
23 ºC
Half bewolkt Geen neerslag
22-08-2019
Scheppen naar adulten
11.00-13.00
en juvenielen
Wind gemiddeld 2 Bft
21 ºC
Zwaar bewolkt Geen neerslag
3.3 Gevlekte witsnuitlibel De vliegtijd van de gevlekte witsnuitlibel loopt van eind april tot en met eind juli. Voor het waarnemen van de libellen is op 2 momenten op zicht in combinatie met een verrekijker gezocht naar imago’s van libellen. Tabel II. Bezoeken i.v.m. inventarisaties gevlekte witsnuitlibel Datum
Type onderzoek
Tijdsduur
Weer
Temp.
Wind gemiddeld 4 Bft
21 ºC
onderzoek 07-06-2019
Libellen zoeken op
10.00-12.00
zicht
Vrijwel geheel bewolkt Geen neerslag
18-07-2019
Libellen zoeken op
12.00-14.00
zicht
Wind gemiddeld 2 Bft
22 ºC
Geheel bewolkt Geen neerslag
3.4 Hazelworm Voor het onderzoek naar de hazelworm zijn 10 herpetoplaten (groene damwandplaat, circa 120x50cm) gebruikt, welke op 2 april gelegd zijn. Hierbij is tegelijkertijd een onderzoeksronde met enkel zichtwaarnemingen uitgevoerd. Hierna zijn nog 4 controlerondes uitgevoerd in de maanden juni tot september, waarbij platen werden gelicht, maar ook op zichtwaarnemingen werd gelet (tabel III). Rondes zijn uitgevoerd volgens het Kennisdocument Levendbarende Hagedis van BIJ12, versie 1.0 juli 2017 en de Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017) van het Netwerk Groene Bureaus. Tabel III. Bezoeken i.v.m. inventarisaties hazelworm Datum
Type onderzoek
07-06-2019
Controleren herpetop-
Tijdsduur
Weer
Temp.
Wind gemiddeld 4 Bft
21 ºC
onderzoek 10.00-12.00
laten en zichtcontrole
Vrijwel geheel bewolkt Geen neerslag
18-07-2019
Controleren herpetoplaten en zichtcontrole
12.00-14.00
Wind gemiddeld 2 Bft
22 ºC
Geheel bewolkt Geen neerslag
Hoofdstuk 3
7
08-08-2019
Controleren herpetop-
11.00-13.00
laten en zichtcontrole
Wind gemiddeld 2 Bft
23 ºC
Half bewolkt Geen neerslag
22-08-2019
Controleren herpetop-
11.00-13.00
laten en zichtcontrole
Wind gemiddeld 2 Bft
21 ºC
Zwaarbewolkt Geen neerslag
Figuur 10. Locaties herpetoplaten (rood) en nestlocatie (geel)
Hoofdstuk 3
8
4.
RESULTATEN 4.1 Roofvogels De potentiele nestlocatie is meerdere keren gecontroleerd op activiteit van broedende vogels. Een buizerdpaar is enkele keren waargenomen in de omgeving van het nest, overvliegend of rustend in de bossen. Er is echter geen binding waargenomen met het nest. Ook onder het nest zijn geen nieuwe sporen van bezetting waargenomen zoals krijtstrepen of prooiresten. Gebruik van het nest door een roofvogel is daarmee redelijkerwijs uitgesloten. Bij de werkzaamheden worden geen nestlocaties van een roofvogel met jaarrond beschermd nest verstoord of verwijderd.
4.2 Poelkikker, Alpenwatersalamander en vinpootsalamander Tijdens de veldbezoeken is meerdere keren geschept naar amfibieën. Hierbij zijn enkele groene kikkers gevangen, welke allen bastaardkikkers waren. Enkele salamanders zijn gevangen. Dit bleken allen larven van de kleine watersalamander of vinpootsalamander. Larven van deze soorten zijn niet te onderscheiden. Aangezien er geen volwassen dieren zijn gevangen en maar enkele salamanderlarven kan niet worden uitgesloten dat vinpootsalamander in de calamiteitenbekken aanwezig is. De dichtheid van salamanders is erg laag bevonden, de individuen zijn enkel in de noordoosthoek gevangen. Bastaardkikker zat vrijwel rondom de gehele vijver.
4.3 Gevlekte witsnuitlibel Boven en rond het calamiteitenbekken zijn geen individuen van de gevlekte witsnuitlibel waargenomen. Er zijn enkel individuen van de bloedrode en steenrode heidelibel, gewone oeverlibel, keizerlibel, azuurwaterjuffer, lantaarntje en watersnuffel aangetroffen.
4.4 Hazelworm De platen zijn meerdere malen bij geschikte weersomstandigheden gecontroleerd, en er is gezocht op zicht naar individuen. Hazelworm is niet binnen het plangebied waargenomen. Door het niet aantreffen van deze soort kan redelijkerwijs worden gesteld dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de hazelworm.
Hoofdstuk 4
9
5.
TOETSING AAN WET NATUURBESCHERMING 5.1 Roofvogels De aangetroffen horst is in het seizoen van 2019 niet in gebruik als nestlocatie voor een soort met jaarrond beschermd nest. Het is wel waarschijnlijk dat er nestlocaties van de buizerd aanwezig zijn in de omgeving. Het nest bevindt zich echter niet binnen 100 meter van de werkzaamheden of de route voor het bouwverkeer.
5.2 Poelkikker, Alpenwatersalamander en vinpootsalamander Poelkikker en Alpenwatersalamander zijn niet in het plangebied aangetroffen. De salamanderlarven die zijn aangetroffen kunnen van zowel kleine watersalamander als vinpootsalamander zijn. Geadviseerd wordt om in het voorjaar wanneer de volwassen salamanders weer het water in trekken nogmaals te scheppen, om hierbij te kunnen bepalen om welke soort het hier gaat.
5.3 Gevlekte witsnuitlibel Er zijn geen waarnemingen gedaan van gevlekte witsnuitlibellen. Aanwezigheid hiervan binnen het plangebied is daarmee redelijkerwijs uitgesloten. Een overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking tot gevlekte witsnuitlibel is niet aan de orde.
5.4 Hazelworm Er zijn binnen het plangebied geen waarnemingen gedaan van hazelworm. Een overtreding van de Wet natuurbescherming, met betrekking tot hazelworm is redelijkerwijs uitgesloten.
Hoofdstuk 5
10
6. CONCLUSIE Aanwezigheid van Poelkikker, Alpenwatersalamander, gevlekte witsnuitlibel en hazelworm is conform protocollair onderzoek uitgesloten. Verstoring van een roofvogelnest in de directe omgeving is eveneens uitgesloten. Omtrent de vinpootsalamander dient in het voorjaar een extra ronde te worden uitgevoerd om te kunnen bepalen of de salamanderlarven kleine watersalamander of vinpootsalamander betroffen.
Tabel IV. Overzicht aanwezigheid beschermde soorten en te nemen type maatregelen Soortgroep
Aanwezig
Overtreding
Maatregelen Buizerd aanwezig en nestelt in de omgeving, echter op
Roofvogels
Ja
Nee
meer dan 100 meter afstand van de werkzaamheden en de route van het bouwverkeer. Verstoring van het nest is daarmee uitgesloten.
Poelkikker, alpenwatersalamander en vinpootsala-
Controleronde in het voorjaar om vinpootsalaman-
Mogelijk
Mogelijk
Gevlekte witsnuitlibel
Nee
Nee
Geen nesten aanwezig en geen waarnemingen
Hazelworm
Nee
Nee
Werkprotocol voor alpenwatersalamander
mander
Hoofdstuk 5
der/kleine watersalamander te kunnen onderscheiden
11
7.
BRONNEN
Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht.
Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, versie 1.0 BIJ12 juli 2017
Kennisdocument Gierzwaluw, versie 1.0 BIJ12 juli 2017
Kennisdocument Huismus, versie 1.0 BIJ12 juli 2017
Kennisdocument Ruige dwergvleermuis, versie 1.0 BIJ12 juli 2017
Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen.
Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Soortenstandaard Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 2.0, december 2014
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Soortenstandaard Gierzwaluw Apus apus. Versie 2.0, december 2014
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Soortenstandaard Huismus Passer domesticus. Versie 2.0, december 2014
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, Soortenstandaard Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii. Versie 2.0, december 2014
SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.
Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017) Vleermuisprotocol 2017, maart 2017.
Hoofdstuk 5
12
8.
VERKLARENDE WOORDENLIJST Activiteitenplan Een activiteitenplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het activiteitenplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn/haar kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of verblijfplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype.
Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kun oplopen tot meerdere honderden exemplaren.
Hoofdstuk 5
13
Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren. Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing De Flora- en faunawet is gemaakt om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Flora- en faunawet een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt. Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken.
Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Flora- en faunawet. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie. Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Vaste rust- of verblijfplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Flora- en faunawet omschrijft niet exact wat een vaste rust- of verblijfplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden.
Hoofdstuk 5
14
Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Is een vleermuisverblijfplaats anders dan een kraamverblijf. Buiten de kraamperiode worden deze door vrouwtjes gebruikt, binnen de kraamperiode door individuele mannetjes.
Hoofdstuk 5
15
BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Tegelen www.bro.nl
Hoofdstuk 5
16
Bijlage 3 Waterparagraaf
Bestemmingsplan "Moerstraatseweg 16" (vastgesteld)
41
Beknopte waterparagraaf Moerstraatseweg 16 te Heerle
Opdrachtgever BRO Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel Projectnummer Aeres Milieu projectnummer AM19348
Status rapport Concept
Contactgegevens
Autorisatie
Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl
Opsteller rapport:
paraaf
Dhr. M. Vrolix, bc.
Kwaliteitscontrole: Ing. J.M.G. Reuver
datum 25 oktober 2019
paraaf
datum 25 oktober 2019
Beknopte waterparagraaf Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING
3
2.
WATERPARAGRAAF
6
2.1 2.2 2.3
INLEIDING ............................................................................................................................................. 6 WATERSYSTEMEN ................................................................................................................................. 8 ANDERE ASPECTEN ............................................................................................................................. 10
3.
SAMENVATTING REALISATIE
11
4.
OVERIGE AANDACHTSPUNTEN EN RANDVOORWAARDEN
13
Bijlagen: 1 Topografische overzichtskaart en kadastrale situatie 2 Concepttekening toekomstige inrichting plangebied 3 Geraadpleegde literatuur
Pagina 2 van 13
Beknopte waterparagraaf Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348
1.
INLEIDING
In opdracht van BRO heeft Aeres Milieu een beknopte waterparagraaf opgesteld ten behoeve de uitbreiding van het waterproductiebedrijf aan de Moerstraatseweg 16 te Heerle. Voor de voorgenomen nieuwbouw zal ook een tijdelijke bouwweg aangelegd worden. Momenteel is de uitbreidingslocatie onbebouwd en in gebruik als waterbassin, grasland. Ter plaatse van de tijdelijke bouwweg zijn bomen/bos aanwezig. De onderzoekslocatie wordt aan de zuidzijde begrensd door een weg, greppel en overige gebouwen van het waterpompstation, aan de noordzijde door een greppel en bos, aan de westzijde door een calamiteitenbekken en oostzijde door gras en een infiltratievijver. Hieronder is de locatie van de gewenste nieuwbouw met rood aangegeven. Met blauw is de aan te leggen tijdelijke weg voor het bouwverkeer aangegeven. Het planvoornemen is opgenomen in afbeelding 2 en in bijlage 2.
Afbeelding 1: globale begrenzing onderzoekslocatie op luchtfoto en BGT achtergrondkaart (Bron: opdrachtgever en PDOK-viewer)
Algemeen Coördinaten (RD stelsel) Oppervlakte studiegebied Peil maaiveld Peil grondwater Waterschap Huidig gebruik plangebied Toekomstig gebruik plangebied
: X = 91.808 / Y = 393.964 : circa 2.850 m2 : circa 4,5-5 meter +NAP : circa 2 m-mv : Brabantse Delta : onbebouwd, bos en waterbassin : uitbreiding waterproductiebedrijf (nieuwbouw hoofdgebouw met naderhand sloop bestaand hoofdgebouw) en aanleg tijdelijke bouwweg
Pagina 3 van 13
Beknopte waterparagraaf Moerstraatseweg 16 te Heerle / AM19348
Aanleiding De aanleiding voor het onderzoek en het opstellen van deze waterparagraaf is de voorgenomen herontwikkeling van het plangebied en de verplichting hierbij hydrologisch neutraal te ontwikkelen. Doel Het doel van deze rapportage is een beschrijving te geven van de manier waarop rekening wordt gehouden met de gevolgen van de voorgenomen herinrichting van het plangebied voor de waterhuishouding. Onderzoek Aeres Milieu werkt voor de opdrachtgever als onafhankelijk onderzoek- en adviesbureau, en heeft geen binding met de onderzoekslocatie. Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De waterhuishoudkundige situatie van het plangebied is gezien het planvoornemen beknopt onderzocht in het kader van de watertoets. Het onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. De adviezen in dit rapport voldoen aan vigerende wet- en regelgeving van lokaal tot en met Europees niveau. Zie ook bijlage 3. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden.