CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 NL.IMRO.1674.1238GENESTETlAAN16-0301 ruimtelijke onderbouwing compressed.pdf

Commissie 20 februari 2025, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 4a: Raadsvoorstel Afgifte verklaring van geen bedenkingen De Genestetlaan 16 te Roosendaal28.777 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

,

,

,

,

Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Dit beleid is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken infrastructuur en mobiliteit landbouw en voedsel natuur en biodiversiteit erfgoed een concurrerende en duurzame economie en de energietransitie. Behalve dat het RWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

Beleid waterschap Brabantse Delta Met het Waterbeheerprogramma 2022–2027 bepaalt Brabantse Delta de doelstellingen en strategie. Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer voor Midden- en West-Brabant voor de middellange (2027/2030) en lange termijn (2050). Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Die kerntaken zijn: bescherming tegen

datum referentie

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

P 23/45

overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven. Het besluitgebied is gelegen binnen het stroomgebied van waterschap Brabantse Delta. De waterschappen Aa en Maas Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: de waterparagraaf schriftelijke instemming heeft verkregen van het waterschap en de maatregelen in de a. waterparagraaf zijn uitgevoerd of voor zover; b. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10. 000 m 2 is of; c. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m 2 is of; d. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. e. de toename aan verhard oppervlak tussen 500 m 2 en 10.

000 m 2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: ,

,

,

,

,

,

Benodigde retentiecapaciteit (in m)3

= toename

verhard oppervlak (in m)2 x gevoeligheidsfactor x 006 ,

Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. ,

,

Beleid gemeente Roosendaal Het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2020-2023 is een strategisch beheerplan waarin de zorgplichten van de Gemeente Roosendaal zijn vastgelegd voor het afval- hemel- en grondwater. In het VGRP 2020-2023 zijn doelstellingen voor de komende jaren vastgesteld. Daarbij is op basis van de gekozen strategie op hoofdlijnen aangegeven welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de gestelde doelen te bereiken en welke (financiële) middelen daarvoor nodig zijn. Hierbij worden ook de gevolgen voor de rioolheffing voor burgers en bedrijven aangegeven. Op welke wijze de noodzakelijke maatregelen zoals vervanging van de riolering of hydraulische maatregelen zullen worden uitgevoerd wordt in latere operationele plannen opgenomen. ,

,

,

,

In het VGRP 2020‐2023 is opgenomen: • Hoe de gemeente de komende jaren het gemeentelijk rioleringsstelsel gaat beheren en onderhouden; Welke maatregelen de gemeente neemt om wateroverlast door intensieve regenbuien (klimaatverandering) • te voorkomen; • Hoe de gemeente omgaat met de zorg voor regenwater; • Hoe de gemeente omgaat met de zorg voor grondwater in het stedelijk gebied; • Hoe de gemeente invulling wil geven aan de samenwerking in de Waterkring West om uitvoering te geven aan het Nationaal Bestuursakkoord Water. Met behulp van het VGRP 2020‐2023 worden de volgende doelstellingen en maatregelen nagestreefd: Doelmatige inzameling van het binnen het stedelijk gebied geproduceerde stedelijk afvalwater. • Doelmatige inzameling en verwerking van overtollig hemelwater. •

datum referentie

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

P 24/45

• • • • •

Doelmatig transport van het stedelijk afvalwater. Voorkomen van vuiluitworp naar bodem grond‐ en oppervlaktewater. Invulling geven aan grondwaterzorgplicht. Minimale overlast voor de omgeving. Doelmatig en effectief rioleringsbeheer op basis van het Bestuursakkoord Water. ,

Beoordeling Keur Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 volgt dat de locatie niet is gelegen binnen de beschermde gebieden. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing.

Figuur 13. Uitsnede Keurkaart met in rood aanduiding van het initiatief (bron: Waterschap Brabantse Delta)

Verharding Het project betreft de realisatie van drie woningen op een locatie die al voor een deel verhard is. De fundering van de voormalige woning is nog aanwezig en een deel van de locatie tuin is verhard. De locatie wordt herontwikkeld met nieuwbouw. Mitigerende maatregelen (zoals retentievoorzieningen) zijn op grond van de Keur pas nodig indien er sprake is van een toename van het verhard oppervlak boven de 500 m.2 Dit is bij voorliggende ontwikkeling niet van toepassing. VGRP 2020‐2023 Vanuit het beleid van de Gemeente Roosendaal volgen geen besluitspecifieke voorwaarden of verplichtingen ten aanzien van het thema Waterhuishouding.

Conclusie Het aspect waterhuishouding heeft geen gevolgen voor het voorgenomen initiatief. 5. 4

Cultuurhistorie Toetsingskader In een ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6 lid 5 Bro). Het is dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. ,

datum referentie

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

P 25/45

Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.

,

Beoordeling Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt dat de locatie gelegen is in de cultuurhistorische regio WestBrabantse Venen. Het initiatief heeft echter geen invloed op de cultuurhistorische waarden van deze regio. In de nabije omgeving bevindt zich het cultuurhistorisch waardevolle object ‘molen De Hoop’ met bijbehorende molenbiotoop. Het initiatief doet geen afbreuk aan deze waarde aangezien de locatie zich buiten de molenbiotoop bevindt. Voor het overige zijn er geen cultuurhistorische waardevolle elementen gelegen in de directe omgeving van het besluitgebied. ,

Figuur 14: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart , besluitgebied aangeduid in het rood

Conclusie Het initiatief doet besluitgebied.

afbreuk

geen

aan

de cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving

van

het

Archeologie Toetsingskader 5. 5

In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1 lid 1 van de Erfgoedwet welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt bepaald dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V paragraaf 1 van de inmiddels vervallen ,

,

,

,

,

datum referentie

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

P 26/45

Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w. o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102 r. o. 2. 9. 7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. ,

,

,

Beleid gemeente Het gemeentelijk archeologiebeleid is vervat in een archeologische verwachtingskaart en beleidskaart. Daarnaast kan er een archeologische dubbelbestemming in het bestemmingsplan zijn opgenomen ter bescherming van archeologische waarden in het plangebied.

Beoordeling Op basis van de ‘Archeologische beleidskaart’ van de gemeente Roosendaal ligt het besluitgebied binnen een gebied aangemerkt met een ‘lage verwachting’. Voor gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde geldt dat bodemingrepen in principe zijn toegestaan. Archeologisch onderzoek is uitsluitend noodzakelijk bij MERplichtige projecten en/of een oppervlak behelzen van 1 hectare of meer. Wel geldt voor deze gebieden de meldingsplicht bij het aantreffen van archeologische vondsten bij bodemingrepen overeenkomstig artikel 56 uit de Monumentenwet 1988 met daarin besloten de Wet op Archeologische monumentenzorg 2007. ,

Figuur 14. Uitsnede Archeologische beleidskaart gemeente Roosendaal met besluitgebied in rode cirkel (bron: Oranjewoud)

Daarnaast is er ter plaatse van het besluitgebied geen archeologische dubbelbestemming opgenomen in het bestemmingsplan wat aanduidt dat er geen archeologische waarden verwacht worden binnen het plangebied. ,

Conclusie Het initiatief doet geen afbreuk aan de archeologische waarden binnen het besluitgebied.

datum referentie

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

P 27/45

5. 6 Ecologie 5. 6. 1 Natuurgebieden

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015 houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998 de Flora- en faunawet en de Boswet. ,

,

,

De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. ,

,

,

De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Onderdeel van deze gebiedsbescherming wordt gevormd door het Programma Aanpak Stikstof 2015 - 2021 (PAS) welke in werking is getreden per 1 juli 2015. Het PAS betreft een programma voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en gecontinueerd onder de Wnb en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen. ,

,

,

,

Beoordeling Het besluitgebied is niet gelegen binnen de grenzen of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen tevens stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Brabantse Wal bevindt zich op circa 64 kilometer afstand ten zuidwesten van het besluitgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht trilling en geluid als door de voorgenomen plannen zijn gezien de afstand niet te verwachten. Op het aspect stikstofdepositie wordt navolgend ingegaan. ,

,

,

,

,

,

,

,

Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming. 5. 6. 2

Stikstof Toetsingskader Het besluitgebied is gelegen op circa 64 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied ‘Brabantse Wal’. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve dient aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald. ,

Beoordeling Voor onderhavige ontwikkeling is een AERIUS-calculatie uitgevoerd voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase bijgevoegd als bijlage bij deze toelichting. Uit de berekeningen blijkt dat zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebied niet hoger is dan 000 mol/a/jaar. Er is geen sprake van een vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming.

,

,

In de omgevingsvergunning zal worden geborgd dat voor de bouw naast handgereedschap uitsluitend gebruik mag worden gemaakt van de mobiele bronnen zoals opgenomen in de berekeningen. ,

datum referentie

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

,

P 28/45

Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten natuurgebieden.

de Wet natuurbescherming ten aanzien

van

van

beschermde

5. 6. 3

Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. ,

Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het besluitgebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Beoordeling Voor onderhavige ontwikkeling is door Econsultancy in november 2023 een quickscan Wet natuurbescherming afgerond. Rapportage daarvan is als bijlage gevoegd bij deze toelichting. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van het ontwikkelen van de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig - of te verwachten zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. ,

Ten aanzien van de huismus wordt geadviseerd de sloop en bouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren om verstoring van potentiële nesten naast de onderzoekslocatie te voorkomen. Globaal kan voor het broedseizoen van de huismus de periode van maart tot en met 15 september worden aangehouden (algemene zorgplicht). Tijdens de inspectie zijn in het schuurtje in de achtertuin en in de zijgevel van de woning aan De Genestetlaan 14 potentieel geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen. Zodoende is nader onderzoek benodigd naar de gewone dwergvleermuis ruige dwergvleermuis kleine dwergvleermuis laatvlieger en meervleermuis om verblijfplaatsen aan te tonen dan wel uit te sluiten. ,

,

,

Het onderzoek naar vleermuizen heeft plaatsgevonden in 2024 en is uitgevoerd door Buro Maerlant. Het onderzoek is toegevoegd als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. Middels het seizoensbrede onderzoek is een goed beeld ontstaan over de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. De volgende resultaten volgen uit het onderzoek: Tijdens het veldonderzoek werden drie soorten vleermuizen aangetroffen: de gewone dwergvleermuis de ruige dwergvleermuis en de laatvlieger. De meervleermuis werd niet waargenomen. ,

Gewone dwergvleermuis: Verblijfplaatsen: Twee gewone dwergvleermuizen werden waargenomen die uitvlogen vanuit een • huizenblok ten noordwesten van het plangebied. In het plangebied zelf werden geen verblijfplaatsen of zwermgedrag vastgesteld. Een tijdelijke zomerverblijfplaats van een individuele gewone dwergvleermuis

datum referentie

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

P 29/45

•

werd ten noorden van het plangebied gevonden. Effecten op de aangetroffen verblijfplaats zijn in principe niet aan de orde daar de woning geen onderdeel uitmaakt van het plangebied en op voldoende ruime afstand nieuwbouw (herbouw) plaatsvindt. Jachtgebied: Er werd gejaagd door 1 tot 3 dieren nabij een boomgroep ten westen van het plangebied. Boven het water bij het park (Kleine Aa) werd door een groot aantal dieren gejaagd vooral in mei en september. De wijk zelf speelt een beperkte rol als jachtgebied. ,

Ruige dwergvleermuis en laatvlieger: • Deze soorten werden incidenteel en voor korte duur waargenomen. Belangrijke functies werden niet vastgesteld. Meervleermuis: • Deze soort werd niet waargenomen in het plangebied of de relevante omgeving. Verblijfplaatsen of andere belangrijke functies kunnen worden uitgesloten. Voor de ingrepen wordt geadviseerd om tijdens de werkzaamheden de bouwverlichting te beperken tot de bouwplaats en uitstraling naar de omgeving te voorkomen. Op deze manier worden negatieve effecten voorkomen en wordt rekening gehouden met vleermuizen in de omgeving. In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen of andere belangrijke functies voor vleermuizen aangetroffen en daarmee is een omgevingsvergunning voor flora- en fauna activiteit niet aan de orde.

Conclusie De omgevingsvergunning is aangevuld met een jaarrond onderzoek naar vleermuizen (gewone dwergvleermuis ruige dwergvleermuis kleine dwergvleermuis laatvlieger en meervleermuis). Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen verblijfsplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn in het plangebied. Een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is derhalve niet benodigd.

,

,

5. 7

,

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3. 6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt

,

,

voor: • • •

de realisatie van woningen andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1. 2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). ,

De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:

Stedelijk Aantal rijstroken

datum referentie

Buitenstedelijk

Aantal meter aan weerszijden van de weg

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

P 30/45

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de

bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. ,

Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. ,

,

Beoordeling Het besluitgebied is gelegen aan De Genestetlaan en de Pootlaan voor beide wegen geldt een snelheidsregime van 30 km/u. Conform de Wet geluidhinder geldt voor deze weg geen onderzoekszone. Alle wegen in Nederland met een snelheidsregime van 50 km/u of hoger zijn wel gezoneerd. Het besluitgebied valt echter niet binnen een onderzoekszone van een gezoneerde weg. Conform de Wet geluidhinder bestaat daarmee geen noodzaak tot het doen van akoestisch onderzoek. ,

Ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat geldt dat het besluitgebied niet is gelegen aan een doorgaande weg. De aan het besluitgebied grenzende wegen zijn ter hoogte van het besluitgebied ingericht als typische 30km/u weg. Gelet hierop en het feit dat het vigerende bestemmingsplan reeds woningbouw langs De Genestetlaan en Pootlaan toestaat kan worden aangenomen dat een goed woon- en leefklimaat niet wordt belemmerd door lawaai afkomstig van wegverkeer. ,

Conclusie Op basis van de Wet geluidhinder geldt geen verplichting tot het doen van akoestisch onderzoek. Geluidbelasting afkomstig van wegverkeer staat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet in de weg. 5. 8

Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNGbrochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen woongebieden ziekenhuizen scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen). ,

,

,

Beoordeling De VNG-brochure onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het besluitgebied ligt in een gebied dat kan worden gekenmerkt als rustige woonwijk. Richtafstanden gelden derhalve onverkort. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van de gevoelige functie nieuwe woningen moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ,

,

datum referentie

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

P 31/45

ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende inrichtingen. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De omgeving van het initiatief bestaat voornamelijk uit woningen. In de nabije omgeving zit nagenoeg geen bedrijvigheid wel bevindt de projectlocatie zich nabij een basisschool en een peuteropvang. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. In de huidige situatie is een woonbestemming toegestaan dit betreft dus reeds een milieugevoelige functie. De toekomstige woningen worden gerealiseerd binnen het bestaande bouwvlak. Er worden geen nieuwe woningen dichterbij de maatschappelijke bestemming gesitueerd. De beoogde plannen vormen dus geen extra belemmering voor eventuele uitbreidingsmogelijkheden van de maatschappelijke bestemming. ,

,

Gelet op de afstand en de meerdere woonbestemmingen tussen het besluitgebied en de maatschappelijke bestemming kan worden gesteld dat een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd wordt. Omgekeerd hindert het onderhavig planvoornemen omliggende inrichtingen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden.

Conclusie Binnen het besluitgebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woonOnderhavig initiatief belemmert omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering.

en

leefklimaat verzekerd.

5. 9 Externe veiligheid 5. 9. 1 Inrichtingen en externe veiligheid

Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o. a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR). Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2 lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. ,

,

Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is is de Signaleringskaart EV geraadpleegd. De dichtstbijzijnde relevante inrichting ligt ten noordoosten van het besluitgebied op een afstand van circa 1400 meter. Het besluitgebied bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van deze inrichting. Gelet op de beperkte omvang van de ontwikkeling en de afstand tot de risicobronnen kan geconcludeerd worden dat externe veiligheid op het gebied van inrichtingen geen belemmering zal zijn voor onderhavig initiatief. ,

Conclusie Het aspect inrichting en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5. 9. 2

Transport en externe veiligheid

Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ,

,

datum referentie

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

P 32/45

ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10 -6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10 -6 per jaar. ,

,

Indien binnen het invloedsgebied van een transportas nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien en er een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico of een significante stijging van het groepsrisico optreedt dient bij de vaststelling van het ruimtelijke besluit het groepsrisico te worden verantwoord. Volgens het Bevt gelden geen beperkingen voor het ruimtegebruik voor het gebied dat verder ligt dan 200 meter van de transportas. Ten aanzien van de verantwoording dient niet alleen het invloedsgebied van de maatgevende vervoersklasse (GF3: brandbaar gas) voor het groepsrisico te worden beschouwd maar ook de effectafstand die wordt gegenereerd door overige stoffen die over het wegvak worden vervoerd. Zodoende kan het invloedsgebied verder reiken dan 200 meter. Indien dat het geval is en het invloedsgebied reikt tot over het plangebied moeten wel maatregelen worden overwogen bijvoorbeeld in het kader van zelfredzaamheid. ,

,

,

,

,

Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het besluitgebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de Signaleringskaart EV geraadpleegd. Op een afstand van circa 710 meter ten westen van het besluitgebied is de spoorlijn Antwerpen – Lage Zwaluwe gelegen. Over dit spoor vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het besluitgebied ligt echter niet binnen de directe risicocontour of het plasbrandaandachtsgebied van de spoorlijn. ,

Figuur 3. Uitsnede Signaleringskaart EV , besluitgebied aangeduid in het rood

Echter zoals uitgewerkt in het vigerend invloedsgebieden van diverse risicobronnen. ,

datum referentie

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

bestemmingsplan

Kroeven

,

ligt het besluitgebied

binnen

de

P 33/45

Figuur 4: Risicobronnen in de omgeving van het besluitgebied (bron: Bestemmingsplan Kroeven , 2010

In bovenstaande figuur gaat het om de volgende risicobronnen: 1. Het transport van gevaarlijke stoffen over het spoortraject Sloehaven - Roosendaal West; 2. Het transport van gevaarlijke stoffen over het spoortraject Roosendaal West - Essen (B); 3. Het transport van gevaarlijke stoffen over de A17/A58 (tussen knooppunt de Stok en afrit 25 Wouwse Plantage); 4. Het transport van gevaarlijke stoffen over de A58 (tussen knooppunt de Stok en afrit 24 Roosendaal); 5. Transport over de gemeentelijke routes Willem Dreesweg en Antwerpseweg (N262); Ten aanzien van het vervoer van (zeer) toxische vloeistoffen en gassen ligt het plangbied binnen het invloedsgebied van deze transportassen. In het bestemmingsplan Kroeven is een verantwoording van het groepsrisico opgenomen ten aanzien van deze risicobronnen. In vergelijking van het bestemmingsplan Kroeven leidt onderhavig initiatief niet tot een vergaande verhoging van het aantal personen in het plangebied. Deze personen zijn niet beperkt zelfredzaam en er is geen reden om aan te nemen dat de bestrijdbaarheid van een calamiteit door onderhavig initiatief verslechtert ten opzichte van de huidige situatie. Daarnaast is er met oog op brandveiligheid aandacht besteed aan de vluchtroutes uit het pand.

Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5. 9. 3

Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het ,

datum referentie

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

P 34/45

plaatsgebonden risico en een verantwoording van het groepsrisico van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10 6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden. ,

Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving buisleidingen zijn gelegen waarop de circulaire van toepassing is is de Signaleringskaart EV geraadpleegd. Ten noordwesten op een afstand van circa 1700 meter is een hogedruk aardgasleiding gelegen. Het besluitgebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van de buisleiding. Gelet hierop zijn risicoberekeningen niet noodzakelijk en zijn er geen beperkingen voor het ruimtegebruik binnen het besluitgebied. ,

,

,

Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5. 10

Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. ,

De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007 opgenomen in hoofdstuk 5 onder titel 5. 2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO)2 fijn stof (PM)10 benzeen (CH) zwaveldioxide (SO)2 lood (Pb) 66 en koolmonoxide (CO). ,

,

,

,

,

,

Voor PM 10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m.3 Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m 3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor PM 25 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 25 µg/m.3 Voor NO 2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m.3 Het 24uursgemiddelde van 200 µg/m 3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. ,

De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c. q. artikel 5. 16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • een project al dan niet per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; • • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. ,

,

,

,

,

In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de

datum referentie

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

P 35/45

grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM)10 of stikstofdioxide (NO).2 Dit komt overeen met 12 µg/m 3 voor zowel PM 10 als NO.2 ,

In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: • 1. 500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 3. 000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling;

Beoordeling De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van drie woningen. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek gelegen op de bouw van 1500 woningen niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het besluitgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van kaarten van Atlasleefomgeving. Dit is een instrument voor de ondersteuning van monitoring van verschillende milieuthema’s zoals de luchtkwaliteit nu in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en later onder de Omgevingswet (Ow). ,

,

,

,

De kaarten van Atlasleefomgeving geven slechts indicaties van de luchtkwaliteit. Deze zijn weergegeven in Figuur 16 t/m 18. Ter verificatie zijn de waarden van de dichstbijzijnde specifieke wegverkeerreceptor (rekenpunt) uit het NSL opgenomen. Dit is een rekenpunt aan de President Kennedylaan op een afstand van circa 200 meter. Op deze locatie geldt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg 154 NO 2 164 PM 10 en 94 PM 25 bedragen. Er wordt ter plaatse voldaan aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Daarmee vormt luchtkwaliteit ook vanuit een goede ruimtelijke ordening geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling op de locatie. ,

,

Figuur 16. Uitsnede kaart NO2 (bron: www. atlasleefomgeving. nl , 2021)

datum referentie

,

,

,

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

Figuur 17. Uitsnede kaart PM10 (bron: www. atlasleefomgeving. nl , 2021)

P 36/45

Figuur 18. Uitsnede kaart PM25, (bron: www. atlasleefomgeving. nl , 2021)

Conclusie Geconcludeerd kan worden ontwikkeling. 5. 11

dat het aspect luchtkwaliteit

geen

belemmering vormt

voor

de onderhavige

Kabels en leidingen

Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.1 A. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; a. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; b. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; d. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2. ,

,

Beoordeling Ter plaatse van het besluitgebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd.

Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen. 5. 12

Milieueffectrapportage en vormvrije m. e. r. -beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m. e. r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER) en de bijbehorende procedure (m.e.r.) is een ,

,

1 'Leidingen

die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting , zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta , waterstof , koolstofdioxide , stikstof , zuurstof , ethyleen en propyleen.

datum referentie

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

P 37/45

hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor projecten de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Er is sprake van een besluit dat voorziet in één of meerdere activiteiten boven de grenswaarden uit de C-lijst van het Besluit m. e. r. Een dergelijk besluit is aangewezen als MER-plichtig. 2. Er is sprake van een besluit dat voorziet in één of meerdere activiteiten boven de (indicatieve) grenswaarden uit de D-lijst van het Besluit m. e. r. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van een m. e. r. -plicht; het besluit is dan m. e. r. -beoordelingsplichtig. Naar aanleiding van de m. e. r. -beoordeling kan volgen dat er alsnog een MER moet worden opgesteld of dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen zijn. 3. Activiteiten die o. g. v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. ,

Per 1 april 2011 is het Besluit m. e. r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m. e. r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europees Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009 zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor de eerste twee criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m. e. r. (-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar (natuur)gebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij ‘kleine projecten’ (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m. e. r. (-beoordeling) nodig is. Dit wordt de ‘vormvrije m. e. r. -beoordeling’ genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m. e. r. -richtlijn (2011/92/EU) welke o. a. de omvang van het project de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.

,

,

,

,

,

Beoordeling In onderhavige situatie is sprake van de toevoeging van drie woningen in het bestaand stedelijk gebied. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een m. e. r. De activiteit komt wel voor op de D-lijst namelijk onder de categorie D 11.2 de aanleg wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingstraject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op o. a. een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2. 000 of meer woningen omvat. Het initiatief heeft slechts betrekking op de realisatie van drie woningen. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst ligt zoals opgenomen in het Besluit m. e. r. Er geldt derhalve geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling waardoor enkel een vormvrije m. e. r. -beoordeling resteert. Door middel van de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m. e. r. -beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een m. e. r. ,

,

,

,

Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. ,

Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als m. e. r. -plichtig op grond van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

datum referentie

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

P 38/45

Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een m. e. r. en het doorlopen van de m. e. r. -procedure op grond van het Besluit m.e.r. de Wet natuurbescherming of de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Uit de vormvrije m. e. r. -beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent. ,

datum referentie

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

P 39/45

6

Economische uitvoerbaarheid

6. 1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien een project voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.

6. 2

Kostenverhaal

Conform artikel 6. 2. 1 van het Besluit ruimtelijke ordening is wat mogelijk wordt gemaakt met dit ruimtelijke plan aan te merken als een bouwplan. Hiervoor dient een exploitatieplan vastgesteld te worden tenzij het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden op een andere manier verzekerd is. ,

De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6. 2. 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): • de bouw van een of meer woningen; • de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1. 000 m² of met een of meer woningen; • de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of • ingericht waren voor woondoeleinden mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of • ingericht waren voor detailhandel dienstverlening kantoor of horecadoeleinden mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1. 000 m² bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1. 000 m². • ,

,

,

,

,

,

,

Het onderhavige initiatief voorziet in het realiseren van 3 sociale huurwoningen zodat het plan in principe exploitatieplanplichtig is. Het kostenverhaal wordt in het kader van het onderhavige plan echter anderszins verzekerd. De gemeente Roosendaal zal hiertoe met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten waarin de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten (waaronder tevens planschade) is vastgelegd. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen. ,

,

datum referentie

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

P 40/45

7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7. 1

Inleiding

Wettelijk kader In artikel 3. 10 Wabo is bepaald dat op de voorbereiding van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.12 lid 1 onder a onder 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) afdeling 3. 4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In afdeling 3. 4 Awb is bepaald dat het ontwerp van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken ter visie zal liggen. Tijdens deze periode kan een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen kenbaar maken aan burgemeester en wethouders omtrent hun voornemen om medewerking te verlenen aan de onderhavige omgevingsvergunning. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 6. 18 Bor (Besluit omgevingsrecht) dient bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning waar nodig overleg gepleegd te worden conform artikel 3. 1. 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). ,

,

,

,

,

,

,

7. 2

,

Procedure

7. 2. 1 Participatie Tijdens de procedure van de omgevingsvergunningaanvraag wordt een participatietraject gevolgd. De resultaten daarvan zullen worden gedeeld met het bevoegd gezag. 7. 2. 2 Vooroverleg Artikel 3. 1. 1 van het Bro geeft aan dat voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning burgemeester en wethouders overleg plegen met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten met de provincie de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. ,

,

,

,

Vóór het opstarten van de procedure wordt deze ruimtelijke onderbouwing ter vooroverleg opgestuurd naar de diverse instanties. 7. 2. 3 Zienswijzen resultaten van de De onderbouwing.

datum referentie

tervisielegging zullen te zijner

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

tijd worden

verwerkt

in onderhavige

ruimtelijke

P 41/45

Bijlage 1

datum referentie

Verkennend bodemonderzoek

18 december 2024 232765_AdB_RAP_0001_v. 3. 0

P 42/45

RAPPORTAGE

Verkennend bodemonderzoek De Genestetlaan 16

Roosendaal

ze

Econsultancy

Rapport verkennend bodemonderzoek De

Genestetlaan 16, Roosendaal

Opdrachtgever

(geanonimiseerd) | (geanonimiseerd) 4311 G8

(geanonimiseerd) EM

Rapportnummer Versienummer

23970.001

Status

Definitief

Datum

13 september 2024

Opsteller“

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Ns:

Kwaliteitscontrole

1

D2

(geanonimiseerd) | (geanonimiseerd) |} MSc

VRIJGAVE

In onze rapportages en offertes wordt niet rapporten aantoonbaar vrijgegeven.

gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Middels ons kwaliteitssysteem worden offertes

en

KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). De VKB is een vereniging van bodemadvies- en -onderzoeksbureaus en heeft als doel kwaliteitsborging en continue verbetering van de dienstverlening van haar leden op het gebied van bodembeheer. Het VKB keurmerk geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de VKB aan haar leden stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. ,

BETROUWBAARHEID Dit bodemonderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van de bodem waardoor het op basis van de resultaten van een bodemonderzoek onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. ,

,

,

GELDIGHEID ONDERZOEK Het bodemonderzoek betreft een momentopname. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde bodemonderzoek neemt. Onze rapportage is opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet NEN en BRL protocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving waaronder KWALIBO regelgeving uit het de regeling bodemkwaliteit prevaleert boven de AVG. ,

,

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze hetzij elektronisch mechanisch door fotokopieën opnamen of enige andere manier zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. ,

,

,

,

,

,

,

,

,

,

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING

2

AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE

3

MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM 3. 1 3. 2 3. 3 3. 4 3. 5 3. 6 3. 7 3. 8 3. 9

. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

.. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

Geraadpleegde bronnen Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie Toekomstige situatie Calamiteiten Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie Aangrenzende terreindelen/percelen Terreininspectie Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten Bodemopbouw en geohydrologie

.. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

.. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

.. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

.. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

4

CONCLUSIES MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM (ONDERZOEKSOPZET)

5

VELDWERK 5. 1 5. 2 5. 3

6

7

2 3 3 3 4 4 4 4 5 5 6

. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

7

.. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

8

Algemeen Grondonderzoek Grondwateronderzoek

.. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

LABORATORIUMONDERZOEK 6. 1 6. 2 6. 3

1

. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

.. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

Uitvoering analyses Toetsingskader Resultaten grond- en grondwatermonsters

.. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

14

.. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

,

10 10 11 12

.. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

SAMENVATTING CONCLUSIES EN ADVIES

8 8 9

BIJLAGEN: 1. 2a. 2b. 3. 4a. 4b. 5.

Topografische ligging van de locatie - Locatieschets - Foto's onderzoekslocatie - Boorprofielen - Analysecertificaten - Getoetste analyseresultaten Circulaire bodemsanering - Toetsingskader Circulaire bodemsanering -

23970. 001

rd

Econsultancy

1

INLEIDING

heeft aan Econsultancy opdracht verleend voor het uitvoeren (geanonimiseerd) | derzoek op de locatie

De Genestetlaan

Het bodemonderzoek

is uitgevoerd in het kader

Het verkennend

bodemonderzoek

of op de onderzoekslocatie

een

van

het

naar

advies

PFAS,

Het

milieuhygiënisch

Strategie form

voor

de

derzoek

NEN -

de

van

het

vooronderzoek

uitvoeren

Onderzoek

Het veldwerk

en

de

(D2)

versie

Midden-

bodem

“Bodem

de

naar

bij milieuhygiënisch

onderzoeksinspanning

Het

-

conform

Strategie

kwaliteit

van

de

NEN

bepalen

te

bodem

Het

of

er

op basis

5725:2017

“Bodem

bodemonderzoek van

is

herzien.

Landbodem

-

uitgevoerd

verkennend

-

con-

bodemon-

grond”.

en

protocollen

dat is aangepast

vooronderzoek

het uitvoeren

voor

onder certificaat op

waterbodemonderzoek",

te stellen

vast

rapport bevat aanvullend onderzoek

milieuhygiënisch

vooronderzoek".

Landbodem

-

bemonstering zijn uitgevoerd en

Tevens is het

is verricht

milieuhygiënische

bodem-

op de onderzoekslocatie.

bodemonderzoek,

West-Brabant.

en

milieuhygiënisch

van

bodemon-

op de onderzoekslocatie.

het verkennend

van

analyses zijn uitgevoerd.

5740+A1:2016

nieuwbouw

relatief geringe

een

de nieuwbouw

voor

Omgevingsdienst

twee

waarvoor

verkennend

een

grond- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is, teneinde

betreft de tweede

rapportage

de voorgenomen

van

heeft tot doel met

milieuhygiënische belemmeringen zijn De

van

16 te Roosendaal.

grond

de

van

2001

2002

en

BRL SIKB 2000 "Veldwerk de daarin

en

gestelde

ei-

2020)” voor

het

sen.

Tevens

is

rekening gehouden

bemonsteren

van

de

met

“Handreiking welke

PFAS-verbindingen,

is

PFAS

bemonsteren door

opgesteld

het

(versie 1.0,

d.d. 25 juni

Expertisecentrum

PFAS,

de

VVMA

en

aan

en

het

VKB.

De

analyseresultaten zijn getoetst

grondwaarden De

voor

grond

analyseresultaten

toepassen

gebruik

van

van

grond

uit de

betrekking

en

baggerspecie

Econsultancy

is onder

der verklaart

Econsultancy

23970.001

versie

D2

Regeling

met

PFAS-houdende

meer

het

aan

grond

en

tot

uit de Circulaire

1).

PFAS-verbindingen zijn getoetst

aan

op de

landbodem

(bijlage

bodemsanering

B, tabel

zoals opgenomen

de

toepassingswaarden

in het

de achter-

voor

het

“Handelingskader

voor

her-

de BRL

In dat

ka-

baggerspecie”.

gecertificeerd geen eigenaar

IJ Ò

toetsingskader bodemkwaliteit

voor van

G

de

protocollen

2001

en

2002

van

SIKB 2000.

de onderzoekslocatie te zijn of te worden.

DG uw

& Zr ©)

B

2

AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE

Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem omvat de onderzoekslocatie delen binnen een afstand van 25 meter.

direct hieraan grenzende terrein-

en

De onderzoekslocatie (± 200 m²) is gelegen aan de De Genestetlaan 16 te Roosendaal (zie bijlage 1). De onderzoekslocatie is kadastraal bekend gemeente Roosendaal en Nispen sectie D ,

,

nummer

10387 (ged. ).

Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 45 m +NAP en zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 90.490 Y = 392. 110. ,

,

23970. 001 versie D2

2 / 15

3

MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM

3. 1

Geraadpleegde bronnen

Voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem uitgevoerd op basis van de NEN 5725. In tabel 3. 1 zijn de in het kader van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem geraadpleegde bronnen weergegeven. Van de locatie en de directe omgeving zijn uit verschillende informatiebronnen gegevens verzameld over het historische huidige en toekomstige gebruik eventuele calamiteiten eventueel eerder uitgevoerde bodemonderzoeken de bodemopbouw en geohydrologie verhardingen kabels en leidingen. ,

,

,

,

,

,

Tabel 3. 1

Geraadpleegde bronnen

Onderdeel

Bron

Historisch , huidig en toekomstig gebruik

Opdrachtgever , d. d. 6 november 2023

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1742/documents/46722