CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 NL.IMRO.1674.1227ROOSENDSTR60-0101 Ruimtelijke onderbouwing.pdf

Gemeenteraad 8 juli 2021, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5c: Raadsvoorstel 33 afgifte van ontwerpverklaring van geen bedenkingen Roosendaalsestraat 56-62 Wouw21.447 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Conclusie Ter plaatse van het besluitgebied wordt een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd.

4.3

Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 (PWMP) van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor o.a. het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit

Gemeente Roosendaal

33

plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater. Beleid Waterschap Brabantse Delta Het besluitgebied is gelegen binnen het stroomgebied van waterschap Brabantse Delta. De visie van waterschap Brabantse Delta is vervat in het Waterbeheerplan 2016 – 2021 en kent een geldigheid vanaf 22 december 2015. Het waterschap richt zich hierbij op een doelmatig waterbeheer als motor voor een economische en ecologisch krachtige regio. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging.

Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten: ▪ het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren; ▪ het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte; ▪ inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen; ▪ helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem; ▪ het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen); ▪ afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater; ▪ een duurzame energiewinning. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.

De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de NoordBrabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen.

34

Ruimtelijke onderbouwing “Roosendaalsestraat 56 - 62” te Wouw

Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. d. de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; b. de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; c. daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.

Gemeentelijk beleid Sinds het in werking treden van het Bestuursakkoord Water (2010) werken de gemeente Roosendaal samen met waterschap Brabantse Delta, gemeenten Bergen op Zoom, Halderberge, Moerdijk, Steenbergen en Woensdrecht en ook de waterbedrijven Brabant Water en Evides binnen het samenwerkingsverband Waterkring West. Door samen op te trekken en kennis te delen kunnen we de waterketen zo optimaal mogelijk inrichten en profiteren van elkaars expertise en capaciteit. Vanuit de Waterkring West wordt gestuurd op kwaliteit, kwetsbaarheid, kostenbesparing en klimaatadaptatie. Op 5 september 2019 heeft de gemeente Roosendaal haar Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) 2020 - 2023 vastgesteld, tot stand gekomen met de diverse waterpartners. Dit strategisch beheerplan betreft een actualisatie van het VGRP 2014 - 2019 op basis van gezamenlijke wensen, ambities en beleidskeuzes. Ook de financiële aspecten zijn herzien op basis van nieuwe inzichten en informatie. In het VGRP zijn de zorgplichten van de gemeente Roosendaal vastgesteld inzake afval-, hemel- en grondwater. Het VGRP vervult vier hoofdfuncties: • • • •

Overzicht beleidskeuzes en ambities ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater; Interne afstemming met andere vakdisciplines binnen de gemeentelijke organisatie en met de waterpartners; Externe afstemming met burgers en bedrijven; Continuïteit en voortgangsbewaking.

In het VGRP 2020 - 2023 zijn de doelstellingen voor de komende jaren vastgesteld. Daarbij is op basis van de gekozen strategie op hoofdlijnen aangegeven welke maatregelen uitgevoerd moeten worden om de gestelde doelen te bereiken en welke

Gemeente Roosendaal

35

(financiële) middelen daarvoor nodig zijn. Hierbij worden ook de gevolgen voor de rioolheffing voor burgers en bedrijven aangegeven. Op welke wijze de noodzakelijke maatregelen, zoals rioleringsvervanging of hydraulische maatregelen, zullen worden uitgevoerd, worden in latere operationele plannen opgenomen. Met het VGRP wordt invulling gegeven aan de wettelijke zorgplichten afval-, hemel- en grondwater (de basisopgave). In het verlengde hiervan heeft de gemeente Roosendaal de ambitie om, binnen de reikwijdte van de zorgplichten, bij te dragen aan gemeenschappelijke doelen zoals klimaatadaptatie (kadernota Roosendaal Natuurstad), duurzaamheid en een gezonde leefomgeving. In het kader van het werken aan klimaatbestendigheid wordt de kans bij nieuwe ontwikkelingen aangegrepen om ook op particulier terrein waterberging aan te leggen (60 mm op eigen terrein, afvoer in minimaal 24 uur). Beoordeling De Keur kent diverse verbodsbepalingen voor handelingen in het watersysteem. Deze handelingen mogen enkel worden verricht indien een waterwetvergunning is verleend, of indien wordt voldaan aan de algemene regels. Uit de kaarten behorende bij de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 volgt dat de locatie enkel is gelegen binnen het invloedsgebied Natura 2000. Het desbetreffende invloedsgebied betreft een zeer ruim gebied en omvat grote delen van West-Brabant.

Het zijn de gebieden rond Natura 2000gebieden waar significante effecten van de verruiming van agrarische grondwateronttrekking niet kan worden uitgesloten. Voorliggend initiatief heeft geen betrekking op grondwateronttrekking of op een agrarische ontwikkeling. Derhalve is de ligging binnen het invloedsgebied niet relevant voor het initiatief. Voor het overige is het besluitgebied niet gelegen binnen beschermde keurgebieden. Er gelden derhalve geen bijzondere regels hieromtrent.

Uitsnede kaart behorend bij de Keur waterschap Brabantse Delta 2015. Het besluitgebied is aangeduid met een gele ster. Bron: brabantsedelta.webgispublisher.nl, 2020. 36

Ruimtelijke onderbouwing “Roosendaalsestraat 56 - 62” te Wouw

Onderhavig initiatief voorziet in de sloop van bestaande gebouwen aan de Roosendaalsestraat 56, 58, 60 en 62. Voorzien wordt in een herontwikkeling bestaande uit de bouw van een wooncomplex met 15 appartementen. In de huidige situatie is het zuidelijk deel van het besluitgebied onverhard, andere delen van het besluitgebied zijn verhard in de vorm van bebouwing en verharding. In de toekomstige situatie wordt een deel van het zuidelijk deel van het besluitgebied in gebruik genomen als parkeerterrein. De verhardingssituatie zal aldus als gevolg van het planvoornemen wijzigen. De oppervlakte aan verharding neemt ter plaatse toe. Het betreft hier een toename aan verharding van circa 700 m2. Volgens de eisen van het waterschap Brabantse Delta behoeft in dit geval niet te worden voorzien in de aanleg en instandhouding van een retentievoorziening. De rekenregel behorend bij het gemeentelijk beleid is gelijk aan de rekenregel van het waterschap, echter dient conform dit beleid waterberging aangelegd te worden voor elke toename aan verharding. In onderhavig geval betreft de toename aan verharding circa 700 m2. Met als uitgangspunt een berging van 60 mm op eigen terrein, komt dit neer op een bergingseis van 700 x 0,06 = 42 m3 waterberging. Op het eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig om aan deze bergingseis te kunnen voldoen.

Het regenwater van het dak- en terreinoppervlak dient apart te worden ingezameld en afgevoerd naar het verbeterd gemengd rioolstelsel. Wanneer in de toekomst ter plaatse een gescheiden rioolstelsel wordt aangelegd, kan het regenwater eenvoudig worden afgekoppeld. Bij de herontwikkeling zijn klimaatbestendige maatregelen zoals groene daken en doorlatende verhardingen gewenst. Hierdoor wordt het rioolstelsel van Wouw ontlast. Het huishoudelijk afvalwater wordt afzonderlijk ingezameld en afgevoerd naar verbeterd gemengd stelsel in de Roosendaalsestraat. Ten aanzien van het materiaalgebruik dienen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC te worden toegepast. Dit om verontreiniging van het hemelwater voorkomen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de waterhuishouding binnen het besluitgebied wordt gerespecteerd.

4.4

Cultuurhistorie Toetsingskader In de ruimtelijke onderbouwing dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller van de ruimtelijke onderbouwing is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale

Gemeente Roosendaal

37

cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.

Uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant, waarop het besluitgebied is weergegeven met een gele ster. Bron: kaarten.brabant.nl, 2020.

Beleid gemeente Roosendaal In 2007 heeft de gemeente Roosendaal de beleidsnota ‘Toekomst voor het verleden’ vastgesteld. Deze integrale nota ziet op alle fysiek-ruimtelijke aspecten van de cultuurhistorie binnen de gemeente. De nota omvat alleen tastbare cultuurhistorisch waardevolle aspecten in of bovenop de bodem. Deze aspecten bestaan uit (delen van) gebouwen, archeologische vondsten, waardevolle archeologische gebieden en vanuit cultuurhistorische overweging waardevol groen, zoals monumentale bomen of historische parken. Beoordeling Het besluitgebied is gelegen aan het historisch bebouwingslint de Roosendaalsestraat. Het centrum van Wouw kenmerkt zich door cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. De ruimtelijke karakteristiek van de Roosendaalsestraat wordt bepaald door: 1. Het beloop van de straat en de rooilijnen, die zorgen voor een fuikwerking aan het begin van de Bergsestraat en de Roosendaalsestraat, een plotseling visuele versmalling van het straatprofiel, waardoor de entree van het dorp wordt benadrukt; 2. De aanwezigheid van een groot aantal karakteristieke panden met historische betekenis; 3. De afwisseling in goothoogte en bebouwingsrichting; 4. De beplanting op en rondom de begraafplaats (Bergsestraat).

Ter plaatse van het besluitgebied wordt de bestaande bebouwing gesloopt en wordt daarop volgend voorzien in een herontwikkeling bestaande uit de realisatie van een wooncomplex met 15 appartementen. De huidige bebouwing binnen het besluitgebied is niet aangeduid als cultuurhistorisch waardevol karakteristiek pand. Dit geldt wel voor de

38

Ruimtelijke onderbouwing “Roosendaalsestraat 56 - 62” te Wouw

bebouwing direct ten noorden van het besluitgebied, dat op de provincie CHW-kaart zowel als rijksmonument als overige bouwkunst is aangeduid. Met de voorgenomen nieuwbouw wordt geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waarde van dit object. Het beloop van de straat en de rooilijnen wordt gerespecteerd met onderhavig bouwplan. Als gevolg van de functie van de huidige bebouwing, als verkooppunt voor motorbrandstoffen, is de bebouwing in de huidige situatie op ruime afstand van de Roosendaalsestraat af gelegen. De ruimte is in de huidige situatie in gebruik voor het tanken van de auto’s. Van een versmalling van het straatprofiel is aldus ter plaatse geen sprake. Het voorgenomen bouwplan voorziet in bebouwing die dichter op de Roosendaalsestraat is gelegen, om zo te voorzien in een betere begeleiding en aansluiting op de Roosendaalsestraat.

Verschil huidige bebouwing (bruin ingetekend) en contour van de voorgenomen nieuwbouw aan de Roosendaalsestraat. Bron: C5 Architecten, 2020.

Schaal en massa sluiten aan bij het stedelijk weefsel in de omgeving. Langs het deel van de Roosendaalsestraat ten westen van het besluitgebied is een vergelijkbare schaal en massa herkenbaar. Ten oosten en ten zuiden van het besluitgebied is echter sprake van een minder grote dichtheid aan bebouwing, waar voornamelijk twee-aaneengebouwde gebouwen en vrijstaande bebouwing aanwezig is. Het besluitgebied ligt dan ook op de grens van de overgang tussen het stedelijk gebied met een centrumfunctie en het woongebied daarbuiten. De voorgenomen nieuwbouw bestaat uit een massa van twee bouwlagen met een kap. De maximum goothoogte bedraagt conform het bouwplan 7 meter, de maximum bouwhoogte 11,4 meter. De goot- en bouwhoogte zijn vergelijkbaar met de goot- en bouwhoogte die ter plaatse reeds is toegestaan en zal dan ook geen afbreuk doen aan de cultuurhistorische waarde aanwezig langs het bebouwingslint van de Roosendaalsestraat.

Gemeente Roosendaal

39

Conclusie Onderhavig plan doet geen afbreuk aan de bestaande cultuurhistorische waarde van het centrum van de kern Wouw.

4.5

Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, die in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.

Beoordeling Het gemeentelijk archeologisch beleid is opgenomen in de beleidsnota ‘Toekomst voor het verleden’ in combinatie met de gemeentelijke erfgoedkaart. Deze beleidsdocumenten

40

Ruimtelijke onderbouwing “Roosendaalsestraat 56 - 62” te Wouw

zijn doorvertaald in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Wouw” van de gemeente Roosendaal, dat als voorontwerp ter inzage heeft gelegen. In dit voorontwerp bestemmingsplan is aan de gronden behorend tot het besluitgebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’ toegekend. Uit het beleidskader van de gemeente Roosendaal blijkt dat archeologisch onderzoek binnen dit gebied noodzakelijk is indien bouwwerken worden gerealiseerd met een oppervlakte groter dan 50 m 2 en een grotere diepte dan 0,5 meter. Met onderhavige ontwikkeling worden deze maten overschreden. ADC ArcheoProjecten heeft in februari 2020 een bureauonderzoek uitgevoerd naar de (mogelijke) aanwezigheid van archeologische waarden binnen het besluitgebied. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2 van deze ruimtelijke onderbouwing. Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Hieruit volgt dat het besluitgebied op een met dekzand afgedekte ‘terrasafzettingswelving’ is gelegen. In de top van het aanwezige dekzand moet in niet alleen rekening worden gehouden met resten uit het Laat-Paleolithicum, maar ook met resten uit latere perioden.

Resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum kunnen bestaan uit restanten van kampementen van jager-verzamelaars en zullen zich manifesteren in de vorm van vuursteen- en houtskoolconcentraties en grondsporen in de vorm van haardkuilen. Vanwege de afstand tot het beekdal van de Smalle Beek, waarlangs verschillende vindplaatsen bekend zijn, geldt echter een lage verwachting voor resten uit deze perioden. Resten uit het Neolithicum, de Bronstijd, de IJzertijd en de Vroege Middeleeuwen kunnen gerelateerd zijn aan nederzettingsterreinen van landbouwers en kunnen zich manifesteren in de vorm van een cultuurlaag, een omgewerkte laag onder het plaggendek met daarin aardewerkscherven en houtskool, en grondsporen. Op basis van de ligging op een dekzandrug geldt voor resten uit de periode van het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen een middelhoge tot hoge verwachting. Omstreeks 1200 ontstond in het onderzoeksgebied een nederzetting die tot het huidige dorp Wouw uitgroeide. Het plangebied bevindt zich buiten de kern van deze nederzetting, aan de doorgaande weg naar Roosendaal. Oude kaarten tonen aan dat in het plangebied in ieder geval vanaf het eerst kwart van de 19e eeuw sprake is van bebouwing.

In het noordwestelijk deel, dat direct aan de doorgaande weg grenst, moet daarom rekening worden gehouden met worden met antropogeen bewerkte of opgebrachte lagen waarin allerlei vondstmateriaal (zoals aardewerk, baksteen, glas, aardewerk, dierlijk bot enz.), funderingsresten en afvalkuilen. Als gevolg van de aanleg van de huidige bebouwing en het ingraven van brandstoftanks moet met name in het noordwestelijk deel van het plangebied rekening worden met bodemverstoring. ADC ArcheoProjecten adviseert om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een verkennend booronderzoek. Dit booronderzoek kan echter past uitgevoerd worden nadat duidelijk bestaat over de ligging van de brandstoftanks, volgend uit het verkennend bodemonderzoek. Conclusie PM Inventariserend veldonderzoek

Gemeente Roosendaal

41

4.6

Natuur: gebiedsbescherming Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000 gebied betreft ‘Brabantse Wal’ op een afstand van 4,1 kilometer. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavig project wordt de bouw van een wooncomplex met 15 appartementen mogelijk gemaakt in de kern van Wouw.

Om inzichtelijk te maken of er negatieve effecten optreden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is een voortoets stikstof uitgevoerd. De rapportage van deze berekening, opgesteld met behulp van AERIUS, is opgenomen in bijlage 3 van deze ruimtelijke onderbouwing. Zowel de stikstofdepositie volgend uit de sloop- en aanlegfase en de gebruiksfase zijn inzichtelijk gemaakt in de berekening. Uit de berekening kan worden geconcludeerd dat er als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen rekenresultaten op Natura2000-gebieden naar voren komen die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Onderhavige ontwikkeling heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000-gebieden. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming inzake gebiedsbescherming.

4.7

Natuur: soortenbescherming Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten.

42

Ruimtelijke onderbouwing “Roosendaalsestraat 56 - 62” te Wouw

Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het besluitgebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Door Veldbiologische Werken is in januari 2020 een quickscan soortenbescherming uitgevoerd voor het besluitgebied. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 4 bij deze ruimtelijke onderbouwing. In de rapportage wordt geconcludeerd dat uit het veldonderzoek, het literatuur- en bronnenonderzoek blijkt dat bij de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling een negatief effect te verwachten is op beschermde soorten. Het betreft hier mogelijk aanwezige vleermuissoorten. Aanvullend onderzoek naar aanwezigheid van de vleermuis is dan ook noodzakelijk. Van andere beschermde soorten is aanwezigheid in het besluitgebied uitgesloten en zijn negatieve effecten op deze soorten uitgesloten. Conclusie Nader onderzoek naar vleermuizen wordt in de periode april tot en met september 2020 uitgevoerd.

De resultaten van dit onderzoek worden te zijner tijd in de ruimtelijke onderbouwing verwerkt. 4.8

Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76a van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3° Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken de waarden als bedoeld in de artikelen 82, 83, 85, 100 en 100a van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: ▪ de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); ▪ de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; ▪ functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).

Gemeente Roosendaal

43

De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Alle wegen in Nederland met een snelheidsregime van 50 km/u of hoger zijn gezoneerd. Het besluitgebied valt binnen de onderzoekszone van de Molensingel. Omdat middels onderhavig initiatief nieuwe geluidgevoelige objecten worden gerealiseerd, is door De Roever Omgevingsadvies in januari 2020 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Rapportage hiervan is als bijlage 5 gevoegd bij deze ruimtelijke onderbouwing.

Uit de rapportage volgt dat ter plaatse van de nieuwe woningen als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Moleneind de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. De hoogst berekende geluidsbelasting vanwege de Molensingel bedraagt 34 dB. Daarnaast is in de rapportage de gecumuleerde geluidbelasting door alle wegen in de omgeving berekend. Dit betreft de Molensingel, Bieakker, Haverblok, Hofstraat, Martel, Roosendaalsebaan en de Roosendaalsestraat. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 54 dB aan de noordwestelijke gevel van de woningen. De vereiste karakteristieke geluidwering bedraagt 54 - 33 = 21 dB. De milieukwaliteit wordt als gevolg hiervan gekwalificeerd als ‘redelijk’ tot ‘zeer goed’. Gesteld kan worden dat de gecumuleerde geluidbelasting geen probleem oplevert voor de toekomstige bewoners van de appartementen. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

44

Ruimtelijke onderbouwing “Roosendaalsestraat 56 - 62” te Wouw

4.9

Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de VNG uit 2009. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk of bij afwijkende bedrijven. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. Beoordeling De VNG-handreiking onderscheidt twee omgevingstypen, zijnde een rustig woonwijk of rustig buitengebied én een gemengd gebied. Conform het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan “Wouw” is de Roosendaalsestraat gekenmerkt als een gemengd gebied.

De straat is gelegen binnen de invloedssfeer van bedrijven, voorzieningen en functies waardoor sprake is van een zekere verstoring ter opzichte van een rustige woonwijk. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Ter plaatse van het besluitgebied wordt de bestaande detailhandelsbestemming gewijzigd in een woonbestemming. Vrijwel alle gronden in de directe omgeving van het besluitgebied zijn reeds in gebruik voor de woonfunctie. Het opnemen van een woonbestemming ter plaatse past aldus in de omgeving. Het wijzigen van de bestemming komt ten goede aan het woon- en leefklimaat van andere woningen in de directe omgeving van het plangebied. Aan de overzijde van het besluitgebied is op een afstand van circa 16,5 meter een horecabestemming gelegen. Het betreft hier de horecagelegenheid aan de Roosendaalsestraat 61. Op basis van het vigerend bestemmingsplan is ter plaatse een horeca-activiteit toegestaan in categorie 1a, 1b, 1c en 2. Dit betekent dat als maximale planologische invulling ter plaatse een middelzwaar horecabedrijf zich mag vestigen, zoals een bar of een café. Ter plaatse is in de huidige situatie sprake van een zalencomplex. Conform de VNG-handreiking geldt een muziekcafé milieucategorie 2.

In een gemengd gebied dient geldt voor een milieucategorie 2 bedrijf een richtafstand van 10 meter inzake het aspect geluid. Onderhavig voornemen is gelegen op een afstand van circa 16 meter van de bestemmingsgrens behorend bij de horecagelegenheid. Gelet op de ligging van het besluitgebied in een gemengd gebied kan worden geconcludeerd dat aldus voldaan wordt aan de VNG-handreiking. De horecagelegenheid wordt niet in zijn ontwikkelingsmogelijkheden beperkt als gevolg van de herontwikkeling in het besluitgebied. Ter plaatse van de nieuwe woningen is bovendien een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.

Gemeente Roosendaal

45

Conclusie Binnen het besluitgebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. Voorts belemmerd onderhavig initiatief omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering.

4.10 Externe veiligheid 4.10.1 Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.

Uitsnede van de risicokaart betreffende het aspect inrichtingen. Het besluitgebied is aangeduid met de paarse ster. Bron: nederland.risicokaart.nl, 2020.

Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De dichtstbijzijnde inrichting met een

46

Ruimtelijke onderbouwing “Roosendaalsestraat 56 - 62” te Wouw

potentieel veiligheidsrisico betreft een inrichting in gebruik al gasdrukregel- en meetstation aan de Plantagebaan 56a in Wouw. De grens van de inrichting ligt op een afstand van 1,18 kilometer tot het besluitgebied. Er is geen sprake van een PR 10 -6 risicocontour. Op basis van het activiteitenbesluit geldt een veiligheidsafstand van 15 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Gelet op de ruime afstand van het besluitgebied tot de inrichting zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor het overige zijn er geen relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de buurt van het besluitgebied gelegen. Conclusie Het aspect Bevi-inrichtingen vormt geen belemmering voor onderhavig project. 4.10.2 Transport en externe veiligheid Toetsingskader Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden en daarmee het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, water en de weg vindt vanaf deze datum plaats aan de hand van de Wet Basisnet. Hierin zijn grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Wat de berekening van het groepsrisico betreft dient voor ruimtelijke besluiten e.d.

die ter inzage worden gelegd en die betrekking hebben op de omgeving van de in de bijlagen van de in de regeling Basisnet genoemde transportassen, uit te worden gegaan van de in de bijlage vermelde vervoerscijfers. Bij de vaststelling van het ruimtelijke besluit dient het groepsrisico te worden verantwoord. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling Basisnet zijn opgenomen. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het besluitgebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. De A58 is aangeduid als weg waarover transport plaatsvindt met gevaarlijke stoffen. De weg heeft een PR 10-6 contour van 29 meter. Het besluitgebied is gelegen op een afstand van 1,85 kilometer van de A58. Het uitvoeren van risicoberekeningen is dan ook niet noodzakelijk. Het besluitgebied is daarnaast gelegen binnen de invloedsgebieden van toxische scenario’s op de A58 en het spoortraject Roosendaal - Bergen op Zoom. In bijlage 6 van deze ruimtelijke onderbouwing is de standaard verantwoording groepsrisico van de gemeente Roosendaal openomen. Hieruit blijkt dat in het geval van een lekkage bronbestrijding kan worden verricht.

Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Bij een toxisch incident is het belangrijk dat de bestrijding plaatsvindt vanaf bovenwinds gebied. Het is daarom belangrijk dat de bron tweezijdig bereikbaar is. Naast de bereikbaarheid zijn ook de aanwezige bluswatervoorzieningen van belang voor de bestrijdbaarheid van toxische gassen. Zelfredzaamheid van aanwezigen in het besluitgebied hangt van diverse factoren af. Over het algemeen wordt geconcludeerd dat de zelfredzaamheid redelijk tot goed is. Voor bijzonder kwetsbare objecten waar verminderend zelfredzame personen aanwezig zijn

Gemeente Roosendaal

47

(zoals kinderdagverblijf en zorginstelling) is de zelfredzaamheid beperkt. In onderhavig plan is hier geen sprake van waardoor de zelfredzaamheid als goed kan worden beoordeeld. Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 4.10.3 Buisleidingen en externe veiligheid Toetsingskader Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden.

Uitsnede van de risicokaart betreffende het aspect buisleidingen. Het besluitgebied is aangeduid met de paarse ster. Bron: nederland.risicokaart.nl, 2020.

Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het besluitgebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit volgt dat de dichtstbijzijnde buisleiding is gelegen op een afstand van 1,15 kilometer van het besluitgebied. Het betreft hier een leiding van de Gasunie. Het besluitgebied is op ruim

48

Ruimtelijke onderbouwing “Roosendaalsestraat 56 - 62” te Wouw

voldoende afstand gelegen van de buisleiding. De ligging van de buisleiding vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het planvoornemen wordt niet belemmerd door het aspect buisleidingen en externe veiligheid.

4.11 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. Op 15 november 2007 is de ‘Wet luchtkwaliteit’ (Wlk) in werking getreden. Met de Wlk wordt de wijziging van de Wet milieubeheer op het gebied van luchtkwaliteitseisen (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Stb. 2007, 414) bedoeld. In de Wlk zijn luchtkwaliteiteisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) worden beleidsmatig relevant geacht. Het luchtkwaliteitonderzoek beperkt zich dan ook tot deze twee stoffen.

Een ruimtelijke plan kan worden vastgesteld indien aannemelijk kan worden gemaakt dat: ▪ door de vaststelling (van het besluit), al dan niet in combinatie met maatregelen, de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechtert (maximaal 1,2 μg/m³) (Wm artikel 5.16.1.c), ofwel dat; ▪ de luchtkwaliteit door de vaststelling (van het besluit), al dan niet in combinatie met de maatregelen, per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft (Wm artikel 5.16.1.b.1°), ofwel dat; ▪ bij een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit vanwege de vaststelling (van het besluit), de luchtkwaliteit in een gebied rondom de inrichting per saldo verbetert (Wm artikel 5.16.1.b.2°). De verbetering en verslechtering zullen beide moeten gelden voor overschrijdingssituaties en dienen te worden betrokken op de concentraties van NO2 en/of PM10, ofwel dat; ▪ er geen grenswaarden worden overschreden. In het Besluit ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Hierin is bepaald dat de concentratiebijdragen NO2 en PM10 als NIBM mogen worden beschouwd wanneer deze het jaargemiddeld maximaal 1,2 μg/m³ bedragen.

Wanneer hiervan sprake is, wordt voldaan aan artikel 5.16 eerste lid, onder c van de Wm en kan een uitgebreid luchtonderzoek achterwege blijven. Beoordeling Om de luchtkwaliteit ter plaatse te bepalen is de NSL Monitoringstool 2018 geraadpleegd. Uit de NSL Monitoringstool 2018 blijkt dat de grenswaarden voor NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Met onderhavige ontwikkeling wordt de bouw van een wooncomplex met 15 appartementen mogelijk gemaakt. De ondergrens

Gemeente Roosendaal

49

van NIBM, vergelijkbaar met de realisatie van 1.500 woningen, wordt niet gehaald. De ontwikkeling is als NIBM aan te merken. Derhalve is sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer1 1. a. hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; b. buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; c. buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; d. buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; e. buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken2. Beoordeling In de bestaande situatie is er ter plaatse sprake van een verkooppunt voor motorbrandstoffen, waardoor op de locatie leidingen en ondergrondse tanks aanwezig zijn. Deze worden ten behoeve van de herontwikkeling gesaneerd en verwijderd. Verder zijn er in het besluitgebied geen planologisch relevante kabels of leidingen gelegen. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.

4.13 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven

1

Leidingen die deel uitmaken van een inrichting zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2 Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

50

Ruimtelijke onderbouwing “Roosendaalsestraat 56 - 62” te Wouw

waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor projecten de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Er is sprake van een besluit dat voorziet in één of meerdere activiteiten boven de grenswaarden uit de C-lijst van het Besluit m.e.r. Een dergelijk besluit is aangewezen als MER-plichtig. 2. Er is sprake van een besluit dat voorziet in één of meerdere activiteiten boven de (indicatieve) grenswaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van een m.e.r.-plicht; het besluit is dan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Naar aanleiding van de m.e.r.-beoordeling kan volgen dat er alsnog een MER moet worden opgesteld, of dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen zijn. 3. Activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MERplichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europees Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor de eerste twee criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is.

Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar (natuur)gebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij ‘kleine projecten’ (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Op 7 juli 2017 is opnieuw een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat een aanmeldnotitie dient te worden opgesteld, op basis waarvan het bevoegd gezag dient te beoordelen of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen.

In de aanmeldnotitie dienen de effecten van de onderhavige bestemmingswijziging door middel van een vormvrije m.e.r.beoordeling in beeld te worden gebracht. Beoordeling Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de ontwikkeling van een wooncomplex met 15 appartementen. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen van woningen komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat;

Gemeente Roosendaal

51

3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. In onderhavige situatie is er sprake van de nieuwbouw van een wooncomplex met 15 wooneenheden. Daarmee blijft het plan ruimschoots onder de gestelde grenswaarde van 2000 woningen. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Door middel van toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER. Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk negatief effect op de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MER-plichtig op grond van de Interim omgevingsverordening. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure.

Wel heeft er een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen. Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Interim omgevingsverordening. Uit de vormvrije m.e.r.beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.

52

Ruimtelijke onderbouwing “Roosendaalsestraat 56 - 62” te Wouw

Gemeente Roosendaal

53

5

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

5.1

Algemeen In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien een project voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.

5.2

Kostenverhaal Conform artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is wat mogelijk wordt gemaakt met dit ruimtelijke plan aan te merken als een bouwplan. Hiervoor dient een exploitatieplan vastgesteld te worden, tenzij het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden op een andere manier verzekerd is. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is, staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): ▪ de bouw van een of meer woningen; ▪ de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; ▪ de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen; ▪ de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; ▪ de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt; ▪ de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Het onderhavige bouwplan voorziet in de bouw van 15 nieuwe wooneenheden met bijbehorende (parkeer)voorzieningen, zodat het plan in principe exploitatieplanplichtig is.

Het kostenverhaal wordt in het kader van het onderhavige plan echter anderszins verzekerd. De gemeente Roosendaal zal hiertoe met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten, waarin de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten (waaronder tevens planschade) is vastgelegd. De ontwikkelingskosten worden geheel door de initiatiefnemer gedragen.

54

Ruimtelijke onderbouwing “Roosendaalsestraat 56 - 62” te Wouw

Gemeente Roosendaal

55

6

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

6.1

Inleiding Wettelijk kader In artikel 3.10 Wabo is bepaald dat op de voorbereiding van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In afdeling 3.4 Awb is bepaald dat het ontwerp van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken ter visie zal liggen. Tijdens deze periode kan een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen kenbaar maken aan burgemeester en wethouders omtrent hun voornemen om medewerking te verlenen aan de onderhavige omgevingsvergunning. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 6.18 Bor (Besluit omgevingsrecht) dient bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning, waar nodig, overleg gepleegd te worden conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

6.2

Procedure Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Bro geeft aan dat, voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning, burgemeester en wethouders overleg plegen met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Vóór het opstarten van de procedure wordt deze ruimtelijke onderbouwing ter vooroverleg opgestuurd naar de diverse instanties Tervisielegging PM

56

Ruimtelijke onderbouwing “Roosendaalsestraat 56 - 62” te Wouw

Gemeente Roosendaal

57

7

CONCLUSIE Onderhavig project ziet toe op het ontwikkelen van een wooncomplex met 15 wooneenheden aan de Roosendaalsestraat in Wouw. De bestaande bebouwing ter plaatse wordt gesloopt. Om de bouw van de 15 wooneenheden mogelijk te maken dient te worden afgeweken van het vigerende bestemmingsplan. Door middel van de onderhavige ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat de betreffende afwijking niet stuit op overwegende bezwaren van ruimtelijke, functionele, beleidsmatige of milieukundige aard. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat onderhavig project planologisch te verantwoorden is.

58

Ruimtelijke onderbouwing “Roosendaalsestraat 56 - 62” te Wouw

Gemeente Roosendaal

59

Bijlagen

60

Ruimtelijke onderbouwing “Roosendaalsestraat 56 - 62” te Wouw

Gemeente Roosendaal

61

Bijlage 1. Historisch bodemonderzoek

62

Ruimtelijke onderbouwing “Roosendaalsestraat 56 - 62” te Wouw

Gemeente Roosendaal

63

Historisch vooronderzoek Roosendaalsestraat 56-62 te Wouw Kadastrale gegevens: Gemeente Wouw, sectie E, nummers 1816, 2452, 2527, 2528, 4068, 4069

Projectnummer: Datum:

20201048 17 februari 2020

Historisch vooronderzoek Roosendaalsestraat 56-62 te Wouw Kadastrale gegevens: Gemeente Wouw, sectie E, nummers 1816, 2452, 2527, 2528, 4068, 4069

Opdrachtgever De Roever Omgevingsadvies de heer R. Keetels Postbus 64 5480 AB Schijndel Adviesbureau

Projectleider

MILON bv

ing. Mark Bergmans

Rembrandtlaan 4 5462 CH Veghel info@milon.nl / www.milon.nl 073 - 5477253 Status definitief Datum 17 februari 2020 Projectnummer 20201048

Versie 1

Kwaliteitscontrole Bregje van Lieshout

Inhoudsopgave 1 Inleiding .................................................................................. 3 1.1 Algemeen .......................................................................... 3 1.2 Aanleiding en doel .............................................................. 3 1.3 Opbouw van het rapport ...................................................... 3 1.4 Betrouwbaarheid en onafhankelijkheid .................................. 3 2 Informatie onderzoekslocatie .................................................. 4 2.1 Algemeen .......................................................................... 4 2.2 Afbakening en locatiegegevens ............................................. 4 2.3 Gebruik en potentiële bronnen ............................................. 8 2.4 Uitgevoerde bodemonderzoeken ........................................... 8 2.5 Bodemopbouw, geohydrologie en bodemkwaliteitskaart .......... 9 2.6 Locatiebezoek .................................................................... 9 3 Conclusie en hypothese ......................................................... 10

Bijlage 1. Topografische overzichtskaart 2. Tekening 3. Omgevingsrapportage provincie Noord-Brabant

1

Inleiding

1.1

Algemeen

MILON bv te Veghel heeft in opdracht van de heer R. Keetels namens De Roever Omgevingsadvies te Schijndel een historisch vooronderzoek uitgevoerd ter plaatse van Roosendaalsestraat 56-62 te Wouw. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de Nederlandse Norm NEN 5725.

1.2

Aanleiding en doel

Het historisch vooronderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen herinrichtingsplannen van de locatie en de diversiteit aan reeds uitgevoerde (bodem)onderzoeken op de locaties. Het doel van het historisch vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie.

1.3

Opbouw van het rapport

In onderhavige rapportage komen de volgende aspecten aan de orde: • •

de informatie over de onderzoekslocatie (hoofdstuk 2); de conclusie en hypothese (hoofdstuk 3).

Een bijbehorende topografische overzichtskaart, tekening en locatie foto’s zijn als bijlagen in deze rapportage opgenomen.

1.4

Betrouwbaarheid en onafhankelijkheid

Het onderzoek is geheel onafhankelijk uitgevoerd. MILON bv is geen eigenaar van de onderzoekslocatie en is financieel niet gelieerd aan de opdrachtgever. Het onderzoek is met de grootst mogelijke nauwkeurigheid en conform de daarvoor opgestelde normen en richtlijnen uitgevoerd. Hierbij wordt opgemerkt dat een bodemonderzoek slechts bestaat uit een steekproef waarbij een relatief gering aantal boringen en analyses worden uitgevoerd. Daarom kan niet geheel uitgesloten worden dat op de locatie een verontreiniging aanwezig is die bij dit onderzoek niet is aangetroffen. MILON bv acht zich niet aansprakelijk voor eventueel hieruit voortvloeiende (financiële) schade.

Projectnummer: 20201048 Datum: 17 februari 2020

Pagina 3 van 10

2

Informatie onderzoekslocatie

2.1

Algemeen

Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 nl Bodem - Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek. Het doel van het vooronderzoek is inzicht krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen ter plaatse van de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. Uiteindelijk dienen in het vooronderzoek de onderzoeksvragen uit de NEN 5725 “Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek” beantwoord te worden. Ten behoeve van het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Informatie opdrachtgever en eigenaar; • Informatie overheid inzake bodemonderzoeken, ophooglagen, vergunningen, (voormalige) brandstoftanks en andere mogelijke relevante informatie; • Website Bodemloket; • Historisch topografisch kaartmateriaal, website topotijdreis; • Actuele luchtfoto’s (Google Earth en Bing Kaarten); • Grondwaterkaart van Nederland/DINOloket; • Kadaster. In de volgende paragraven worden de resultaten van het vooronderzoek besproken.

2.2

Afbakening en locatiegegevens

Het onderzoeksgebied voor het vooronderzoek is geografisch afgebakend tot de onderzoekslocatie en de aangrenzende percelen tot 25 meter vanaf de grens van de onderzoekslocatie. In verticale richting is de locatie afgebakend tot 10 meter beneden maaiveld. Gezien de ligging en het gebruik van de locatie in relatie tot het doel van het onderzoek wordt deze afbakening voldoende geacht. De onderzoekslocatie betreft de kadastrale percelen Wouw E 1816, 2452, 2527, 2528, 4068 en 4069. De locatie is gelegen aan de Roosendaalsestraat 56-62 te Wouw en betreft d bedrijfspanden en het achterterrein van deze panden. Het achterterrein is in gebruik voor opslag van diverse materialen en wei met stal voor een paard. Tabel 1: Overzicht locatiegegevens Adres locatie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1179/documents/29546