CConstaterende datRoosendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

BIJLAGE 3 bij toelichting Passende beoordeling.pdf

Gemeenteraad 21 juli 2022, gemeente RoosendaalBij agendapunt: 5b: Voorstel 44 - Vaststelling Bestemmingsplan Buitengebied Wouw9.554 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal)

projectnummer 436205 definitief 1 november 2020

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal)

projectnummer 436205 definitief revisie 1 november 2020

Opdrachtgever

datum vrijgave 1-11-2020

beschrijving revisie definitief

goedkeuring drs. B. van Dijck

vrijgave drs. T.Artz

Inhoudsopgave

Blz.

1 Inleiding.........................................................................................................................1 1.1 Aanleiding.........................................................................................................................................................1 1.2 Doel Passende beoordeling..............................................................................................................................2 1.3 Leeswijzer.........................................................................................................................................................3

2 Ontwikkelingsmogelijkheden bestemmingsplan buitengebied.......................................3 2.1 Ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan...................................................................................3 2.2 Gebiedsbescherming........................................................................................................................................4 2.3 Voorgenomen activiteit, alternatieven en scenario’s......................................................................................4

3 Toetsingskader Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming......................6 3.1 Europese Vogel- en Habitatrichtlijn..................................................................................................................6 3.2 Wet natuurbescherming...................................................................................................................................6 3.3 Wettelijk kader stikstofdepositie......................................................................................................................7 3.4 Natura 2000-gebieden......................................................................................................................................9

4 Effectbeschrijving en – beoordeling..............................................................................16 4.1 Inventarisatie relatie ingreep-effect...............................................................................................................16 4.2 Oppervlakteverlies en versnippering..............................................................................................................16 4.3 Vermesting en verzuring door atmosferische depositie................................................................................17 4.3.1 Stikstofgevoeligheid.....................................................................................................................................17 4.3.2 Planbijdrage.................................................................................................................................................18 4.3.3 Ecologische analyse.....................................................................................................................................20 4.4 Verontreiniging...............................................................................................................................................21 4.5 Verdroging en vernatting................................................................................................................................21 4.6 Verstoring door

geluid, licht en optische verstoring......................................................................................23 4.7 Verstoring door mechanische effecten..........................................................................................................24 4.8 Bewuste verandering van soorten..................................................................................................................24

5 Conclusies uitvoerbaarheid..........................................................................................25 5.1 Resultaten effectbeoordeling ontwikkelingsmogelijkheden..........................................................................25 5.2 Cumulatie-onderzoek.....................................................................................................................................26 5.3 Conclusie en consequentie.............................................................................................................................26 5.4 Oplossingsrichtingen.......................................................................................................................................27 5.4.1 Stikstof.........................................................................................................................................................27 5.4.2 Verdroging (TOV).........................................................................................................................................27 5.4.3 Verstoring geluid, licht en optische verstoring (veehouderijen).................................................................28 5.5 Eindconclusie Passende beoordeling.............................................................................................................28

6 Bronnen.......................................................................................................................29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

1

Inleiding

1.1

Aanleiding De gemeente Roosendaal is voornemens om voor het buitengebied aan de westzijde van Roosendaal, de voormalige gemeente Wouw , een nieuw bestemmingsplan op te stellen: bestemmingsplan “Buitengebied Wouw 2020” (zie figuur 1.1).

Figuur 1.1: Plangebied bestemmingsplan Roosendaal-Wouw (Bron: PDOK in QGIS).

Het nieuwe bestemmingsplan is planologisch grotendeels consoliderend, het maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Wel maakt het bestemmingsplan reguliere uitbreiding van agrarische bedrijven planologisch opnieuw mogelijk, conform de mogelijkheden zoals deze al bestaan in de vigerende bestemmingsplannen. Belangrijk gegeven is dat de randvoorwaarden voor uitbreiding van agrarische bedrijven sinds 2012 anders geworden zijn door veranderingen in het provinciale beleid, vertaald in regels in de Interim Omgevingsverordening (zie onderstaand kader) Daarnaast wordt het bestemmingsplan Buitengebied Roosendaal-Wouw geactualiseerd aan de huidige wet- en regelgeving en het huidige gemeentelijke beleid. Belangrijk aandachtspunt is een bestemmingsplanregeling die én ruimte geeft voor agrarische ontwikkeling én past binnen het wettelijk kader van de Wet natuurbescherming (zie het kader ‘Veehouderij – stikstofdepositie – Natura 2000’).

Blad 1

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

Kader veehouderijbeleid provincie Noord-Brabant Sinds 2012 zet de provincie Noord-Brabant in haar ruimtelijk beleid ( Structuurvisie Ruimtelijke Ordening, Verordening ruimte, Omgevingsvisie en Interim Omgevingsvisie in “transitie naar zorgvuldige veehouderij”. Centraal in deze beleidslijn staat het motto “Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd”. Er wordt alleen nog ontwikkelruimte aan veehouderijen geboden als daarmee een ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij in gang wordt gezet. Hieraan is een aantal voorwaardelijke bepalingen gekoppeld: o.a. voeren van dialoog met omgeving, landschappelijke kwaliteitsverbetering op minimaal 10% van het bouwvlak, voldoen aan (boven)wettelijke eisen ten aanzien van fijnstof en geur. Om te mogen uitbreiden moet een score van 7,25 gehaald worden op de zogenaamde “Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij” (BZV). Ontwikkelruimte blijft in principe beperkt tot 1,5ha. Veehouders die een overlastsituatie opruimen en/of een BZV-score van minimaal 8,5 scoren, kunnen aanspraak maken op een groter bouwblok (2 tot 2,5ha) dan normaal (1,5ha). Sinds juli 2017 is daar in Oost- en Midden Brabant het zogenaamde stalderingsbeleid aan toegevoegd.

In Oost- en Midden-Brabant mogen veehouderijen met “hokdieren” (varkens, pluimvee e.d.) alleen uitbreiden als tegelijk binnen het zogenaamde “stalderingsgebied” verouderde leegstaande stallen worden gesloopt. Daarnaast wil de provincie mestbewerking zoveel mogelijk concentreren op industrieterreinen, de regels voor lokale mestbewerking zijn aangepast. Het provinciale natuurbeleid is aangescherpt om de ammoniakuitstoot door de veehouderij sneller en vergaand terug te dringen. De emissieeisen voor nieuwe stallen worden stapsgewijs strenger. Veehouders met verouderde stallen moeten er versneld ) voor zorgen dat deze worden gemoderniseerd. In november 2019is de Verordening ruimte opgevolgd door de Interim Omgevingsverordening naar aanleiding van de in december 2018 vastgestelde Omgevingsvisie Brabant 2030 en vooruitlopend op de Omgevingswet. Het beleid ten aanzien van landbouw is in de Interim Verordening niet wezenlijk veranderd. In het bestemmingsplan worden de bepalingen van de Interim Omgevingsverordening doorvertaald in de regels.

1.2

Kader Veehouderij – stikstofdepositie – Natura 2000 Doel Passende beoordeling

Conform de Wet natuurbescherming mogen activiteiten geen significante negatieve effecten hebben op Natura 2000-gebieden. Bestemmingsplannen die deze activiteiten vastleggen mogen niet zondermeer worden vastgesteld. In de omgeving van het plangebied liggen Natura 2000-gebieden. Een deel van deze gebieden is gevoelig voor stikstofdepositie, al in de huidige situatie liggen de achtergrondwaarden hoger dan de kritische depositiewaarden. Uitbreiding van veehouderijen leidt zonder beperkende maatregelen, tot toename van stikstofemissie en daarmee tot toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de omgeving. Dit is, ook bij geringe toename, een significant negatief effect, gezien de "overbelaste" situatie van de Natura 2000gebieden ten opzichte van stikstof. Met (stal)technische maatregelen kan de stikstofdepositie worden verminderd, dan wel worden voorkomen. Maatregelen kunnen echter niet in het bestemmingsplan worden vastgelegd. Deze problematiek speelt in een groot deel van Nederland. Het Rijk had een landelijk dekkende oplossing voorbereid in de vorm van PAS, Programma Aanpak Stikstof (per 1 juli 2015 in werking getreden). Het PAS moest ertoe leiden dat EN tegemoet wordt gekomen aan de eisen van Natura 2000 EN er ontwikkelingsruimte blijft bestaan. Dit o.a. door een stelsel van generieke maatregelen om de stikstofemissie terug te dringen (o.a.

door afspraken met de agrarische sector) en het treffen van maatregelen in de Natura 2000-gebieden zelf. Echter de Raad van State heeft op 29 mei 2019 geoordeeld dat het PAS in de huidige vorm onvoldoende borgt dat er geen negatieve effecten op Natura2000-gebieden optreden. Daarmee vallen gemeenten terug naar de situatie voor inwerkingtreding van het PAS (maar met de nieuwe Wet natuurbescherming en voortschrijdende inzichten vanuit jurisprudentie). Gemeenten zijn al sinds 2010 op zoek naar een juridisch houdbare oplossing. De momenteel meest plausibele methode is het opnemen van een voorwaardelijke bepaling aan bouwen en/of gebruik dat uitbreiding niet mag leiden tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied., tenzij de toename onherroepelijk is vergund conform de Wet natuurbescherming.

Het zuidwestelijke gedeelte van het plangebied ligt in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal. Daarnaast liggen in de (ruime) omgeving van het plangebied Natura 2000-gebieden, waaronder het Natura 2000-gebied Kalmthoutse Heide.

Blad 2 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

De Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming biedt de juridische basis voor de aanwijzing van Natura 2000-gebieden en de beoordeling van activiteiten die (mogelijk) negatieve effecten hebben op de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden. Het kan daarbij zowel activiteiten binnen als buiten het betreffende Natura 2000-gebied betreffen. Het regime voor Natura 2000 kent een zogenaamde externe werking, waardoor ook moet worden bezien of activiteiten buiten het Natura 2000-gebied, negatieve effecten kunnen hebben op de daarvoor vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen. In de besluitvorming over het bestemmingsplan is het nodig om te toetsen of het plan in overeenstemming is met de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming. Plantoets Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming Artikel 2.7, eerste lid, van de Wet natuurbescherming regelt de Natura 2000-plantoets.

Artikel 2.7 lid 1 van de Wnb luidt als volgt: "Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid." Op grond van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming maakt het bestuursorgaan voor een plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, voordat het plan wordt vastgesteld, een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

Een plan kan alleen worden vastgesteld als uit de passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast, dan wel indien wordt voldaan aan de zogenaamde 'ADC-toets' (ontstentenis van alternatieven, dwingende redenen van openbaar belang en compenserende maatregelen). Gezien de stikstofgevoeligheid van de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied kan niet op voorhand uitgesloten worden dat de ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt tot significante gevolgen kunnen leiden op een Natura 2000-gebied. Daarom wordt zoals gesteld in de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming een passende beoordeling uitgevoerd om mogelijke effecten nader te onderzoeken.

1.3

Leeswijzer Het rapport is als volgt opgebouwd:  Hoofdstuk 2 beschrijft het te toetsen voornemen;  Hoofdstuk 3 gaat in op het toetsingskader;  In hoofdstuk 4 worden mogelijke effecten onderzocht en beoordeeld;  De conclusies van de passende beoordeling zijn weergegeven in hoofdstuk 5, waarbij ook een doorkijk wordt gegeven naar oplossingsrichtingen.

2

Ontwikkelingsmogelijkheden bestemmingsplan buitengebied

2.1

Ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan Het bestemmingsplan buitengebied Wouw biedt onder voorwaarden beperkte uitbreidingsruimte en omschakelingsmogelijkheden voor veehouderijen (incl. paardenhouderijen),

Blad 3 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

akkerbouwbedrijven, glastuinbouwbedrijven, teeltondersteunende voorzieningen, werken in het vergunningenstelsel en kleinschalig recreatief medegebruik (zie hoofdstuk 4 van het MER). De uitbreidingsmogelijkheden zijn aan voorwaarden gebonden, o.a. die uit het provinciale beleid, zoals gesteld in de Interim Omgevingsverordening.

2.2

Gebiedsbescherming Bij uitbreiding moet voldaan worden aan de planologische voorwaarden die gelden aspecten met een gebiedsbescherming en zoals gesteld in de Verordening ruimte. Deze voorwaarden beschermen waarden op het gebied van:  Landschap (reliëf, openheid, aardkundige waarden e.d.);  Cultuurhistorie (rijks-/gemeentemonumenten, provinciaal aangeduide cultuurhistorisch waardevolle vlakken);  Archeologie;  Natuur (o.a. bescherming Natura2000, NNB, Groenblauwe Mantel en attentiegebied NNB);  Water (o.a. bescherming van waterwingebied, waterbergingsgebied, gebied reservering waterging, beschermde gebieden waterhuishouding). De voorwaarden borgen dat ontwikkelingen geen wezenlijk/ongewenste negatieve effecten hebben op bovengenoemde waarden. Deze planologische gebiedsbescherming wordt meegewogen in de effectenbepaling en –beoordeling in het plan-MER.

2.3

Voorgenomen activiteit, alternatieven en scenario’s Conform de Wet milieubeheer dient in het plan-MER een motivatie te worden gegeven hoe met alternatieven is omgegaan. In het MER worden twee situaties beschreven en onderzocht:  Feitelijke situatie = huidige situatie;  Maximale plansituatie = de (theoretisch) maximale ontwikkelingen die in het bestemmingsplan planologisch-juridisch mogelijk worden gemaakt. Formeel dienen in een MER de effecten van het plan ten opzichte van de autonome situatie onderzocht te worden: de huidige situatie + autonome ontwikkelingen. In het buitengebied zijn er echter geen wezenlijke (zekere) autonome ontwikkelingen. De autonome situatie is gelijk aan de huidige situatie. Voor effecten op Natura 2000-gebieden dient conform de Wet natuurbescherming en jurisprudentie sowieso de huidige situatie als referentie voor de effectbepaling te worden gebruikt.

Blad 4 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

Wet-, regelgeving, uitspraken van de Commissie m.e.r. en Raad van State vereisen de beschouwing van de effecten van de maximale plansituatie ten opzichte van de feitelijke situatie. Ook al is dit naar verwachting geen realistisch scenario: de gemeente verwacht gezien de ontwikkelingen in de agrarische sector en de bekende initiatieven niet dat de maximale uitbreidingsmogelijkheden benut zullen worden. Er is geen realistisch scenario onderzocht. De gemeente ziet hiervoor geen meerwaarde, omdat keuzes in het bestemmingsplan op basis van het maximale scenario moeten worden gemaakt. Keuzes op basis van een realistisch scenario worden niet geaccepteerd door de Raad van State. Er worden in het plan-MER geen locatie- en/of inrichtingsalternatieven onderzocht. Voor de uitbreiding van bestaande veehouderijen bestaat over het algemeen geen locatiealternatief: het betreft "reguliere" uitbreidingsmogelijkheden van bestaande bedrijven, conform de planologische ruimte uit vigerende bestemmingsplannen. Er wordt in de effectenbepaling uitgegaan van de planologisch maximale ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Dit is inclusief nog niet benutte planologische ruimte, afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden en mogelijkheden voor omschakeling.

Blad 5 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

3

Toetsingskader Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming

3.1

Europese Vogel- en Habitatrichtlijn De Europese Vogelrichtlijn (1979) regelt de bescherming van leefgebieden van Europees bedreigde en kwetsbare vogelsoorten. Met de Europese Habitatrichtlijn (1992) worden Europese (half-) natuurlijke habitats en bedreigde en kwetsbare dier- (andere dan vogels) en plantensoorten beschermd. De Natura 2000-gebieden zijn de gebieden die zijn aangewezen als speciale beschermingszones (SBZ’s) in de EU Vogel- en/of Habitatrichtlijn. Deze gebieden samen vormen het omvangrijke Europese netwerk Natura 2000. Het hoofddoel van Natura 2000 is het stoppen van de achteruitgang en de waarborging van de biodiversiteit in Europa.

3.2

Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn in de nationale Wet natuurbescherming (Wnb) overgenomen, in het onderdeel gebiedsbescherming. Vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zijn belangrijke bepalingen overgenomen. Eén van die bepalingen is het afwegingskader, incl. compenserende maatregelen, zoals dat in artikel 6 van de Habitatrichtlijn staat. Het afwegingskader geeft aan op welke wijze besluitvorming plaats moet vinden voor plannen en projecten met mogelijke gevolgen voor beschermde natuurgebieden. De essentie van het beschermingsregime voor de Natura 2000-gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of uitbreidings- respectievelijk verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingsdoelstellingen zijn vastgelegd in de (ontwerp-)aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden.

Het toetsingskader van de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming kent de volgende procedurevarianten: 1. Er is zeker geen kans op significante gevolgen: geen vergunningplicht, plan is uitvoerbaar; 2. Er is een kans op significante gevolgen: passende beoordeling dient aan te tonen dat significante gevolgen uit te sluiten zijn voor een uitvoerbaar plan; (eventueel met ADCtoets = alternatieventoets + dwingende redenen van groot openbaar belang + compensatie als in de PB na het nemen van mitigerende maatregelen significant negatieve effecten nog steeds niet uit te sluiten zijn). Omdat significante gevolgen als gevolg van het voornemen niet zonder meer uit te sluiten is door de stikstofdepositie-effecten, is de voorliggende toets opgesteld in de vorm van een passende beoordeling. Het referentiekader voor de toetsing wordt gevormd door de instandhoudingsdoelen voor de habitats en soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen.

Blad 6 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

3.3

Wettelijk kader stikstofdepositie Tot voor kort was voor stikstofdepositie het Programma Aanpak Stikstof van toepassing. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over de mogelijke strijdigheid van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) met de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De Raad van State concludeert in het kort: “De Afdeling komt tot de conclusie dat in de passende beoordeling van het PAS de verwachte voordelen van PAS-bronmaatregelen, herstelmaatregelen en van autonome ontwikkelingen zijn betrokken die volgens de maatstaf die het Hof geeft niet vaststonden ten tijde van die beoordeling. De redenen die tot deze conclusie leiden verschillen per maatregel. Bij de herstelmaatregelen is een b-langrijke reden dat deze nog niet uitgevoerd waren of dat de verwachte voordelen niet met zekerheid in kaart konden worden gebracht ten tijde van de passende beoordeling. Bij de PAS-bronmaatregelen en de autonome ontwikkelingen, beide relevant voor de depositiedaling en de daaraan ontleende depositieruimte, is een belangrijke reden dat ze deels nog niet van kracht waren ten tijde van de passende beoordeling, dat de verwachte voordelen niet met de vereiste zekerheid op hexagoonniveau in kaart kunnen worden gebracht, en dat het PAS het mogelijk maakt dat de depositieruimte op voorhand kan worden uitgegeven.

Met dat laatste wordt bedoeld dat de depositieruimte kan worden toegedeeld voordat de depositiedaling zich heeft gemanifesteerd. De constatering dat de verwachte voordelen van de PAS-bronmaatregelen en de autonome ontwikkelingen niet vaststonden leidt bovendien tot de conclusie dat aan de verwachte emissiedaling die hieraan is toegeschreven geen depositieruimte kan worden ontleend. De Afdeling komt tot de conclusie dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof daaraan stelt. Omdat deze passende beoordeling de onderbouwing is voor de verlening van alle toestemmingen die passen binnen de bestaande en beschikbaar gestelde depositieruim-te betekent dit - kort weergegeven - dat een vergunning voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op een Natura 2000-gebied niet mocht worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt.

Verder betekent dit dat de grens- en drempelwaarde en de afstand die de basis vormen voor de uitzondering op de vergunningplicht voor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken die die grens- en drempelwaarde niet overschrijden of die op een grotere afstand dan de vastgestelde afstand worden gerealiseerd, niet konden worden vastgesteld.” Met deze uitspraak zijn ook Bijlage 2 van het PAS, artikel 2 van het (vervallen) Besluit grenswaarden en artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming onverbindend verklaard.

Blad 7 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

Spoedwet Aanpak stikstof De Spoedwet Aanpak Stikstof is verschenen in het Staatsblad (Staatsblad 2019, 517) van 30-122019 en treedt in werking bij KB. In het Staatsblad (Staatsblad 2019, 518) is dit KB opgenomen. De Spoedwet aanpak stikstof, met uitzondering van artikel IX (heeft betrekking op Omgevingswet) is in werking getreden met ingang van 1 januari 2020. De Spoedwet aanpak stikstof voorziet in aanvullende instrumenten om de stik-stofproblematiek aan te pakken en moet nieuwe activiteiten met stikstofdepositie mogelijk maken. De Spoedwet voorziet in een permanente wijziging van onder andere de Wet natuurbescherming (Wnb), onder andere:  de vergunningplicht voor andere handelingen vervalt.  de Wnb bepaalt niet langer dat ook een vergunning nodig is indien een project de kwaliteit van de natuur kan verslechteren of daarop een significant verstorend effect kan hebben (gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied). Het nieuwe artikel bepaalt eenvoudigweg dat het verboden is zonder vergunning een project te realiseren dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.  De Wnb maakt het mogelijk om categorieën van projecten aan te wijzen die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied maar niet vergunningplichtig zijn op grond van de Wnb als aan nadere regels is voldaan.

De aanwijzing van die categorieën en het stellen van nadere regels gebeurt bij ministeriële regeling of bij provinciale verordening. Hiermee kunnen drempel-waardes worden ingevoerd. Bij het opstellen van dit rapport zijn nog geen drempelwaardes vastgesteld.  De Wnb heeft een nieuw artikel; artikel 5.5a. Dat artikel voorziet erin dat projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden toch toestemming krijgen als zij stikstof-depositieruimte hebben gekregen. In het stikstofregistratiesysteem wordt stikstofdepositieruimte opgenomen die ontstaat als gevolg van een daling van stikstofdepositie door aanvullende bronmaatregelen. De stikstofdepositieruimte kan vervolgens aan nieuwe activiteiten worden toegedeeld, zodat aan die nieuwe activiteiten toestemming kan worden verleend. Het instellen van een dergelijk stikstofregistratiesysteem kan alleen bij ministeriële regeling. Bij het opstellen van dit rapport is een dergelijk stik-stofregistratiesysteem ingesteld voorlopig alleen voor woningbouwprojecten en enkele MIRT-projecten.  Het Besluit Natuurbescherming is gewijzigd. Hierin staat dat voor projecten met AERIUS 2019A moet worden gerekend. Daarnaast zijn ook de Tracéwet, de Wet dieren1. En de de Crisis- en herstelwet gewijzigd.

Verkeersbesluit 19 december 2019 Met het verkeersbesluit van 19 december 2019 is invulling gegeven aan het kabinetsbesluit “het doorvoeren van een snelheidsverlaging overdag op autosnelwegen. De maximumsnelheid wordt overdag (van 6:00 - 19:00 uur) op alle autosnelwegen verlaagd naar 100 km per uur. Voor de wegen waar nu een maximumsnelheid van 120 of 130 km per uur geldt, blijft deze maximumsnelheid gelden in de avond en nacht (19:00 - 6:00 uur).” Per 16 maart is de snelheidsverlaging van kracht geworden.

1

De reden hiervoor is om de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit de bevoegdheid te geven om nadere regels te kunnen stellen aan veevoer om via dat spoor de stikstofdepositie te laten dalen.de Meststoffenwet. Hierin wordt vastgelegd dat in een algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat varkens- of pluimveerechten bij overdracht worden afgeroomd.

Blad 8 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

3.4

Natura 2000-gebieden Het zuidwestelijke deel van het plangebied ligt in het Natura 2000-gebied Brabantse Wal. Dit gebied is als Habitatrichtlijngebied en Vogelrichtlijngebied aangewezen. Op grotere afstand van het plangebied liggen de Nederlandse Natura 2000-gebieden Markiezaat (ca. 4,7 km), Zoommeer (ca. 6,8 km), De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld (ca. 6,8 km), Oosterschelde (ca. 9,8 km) en Westerschelde & Saeftinghe (ca. 11,7 km) (zie figuur 3.1).

Plangebied

Grens B-NL

Figuur 3.2: Natura 2000-gebieden in de buurt van het plangebied (rode lijn vormt de plangrens) (bron: PDOK in QGIS).

Aan het Natura 2000-gebied Brabantse Wal grenst het grenst het Vlaamse Natura 2000-gebied Kalmthoutse Heide (zie figuur 3.2).

Blad 9 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

Kalmthoutse Heide

De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld

Brabantse Wal

Figuur 3.3: Ligging van de Vlaamse Natura 2000-gebieden Kalmthoutse Heide en De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld ten opzichte van het Natura 2000-gebied Brabantse Wal (bron: https://natura2000.eea.europa.eu/).

Brabantse Wal Gebiedsbeschrijving De Brabantse Wal bestaat uit diverse gebieden die op het grensgebied van het Brabantse hogere zandlandschap en de Zeeuwse kleilandschap van de delta liggen. Het meest westelijke deel van het Kempense Plateau eindigt hier in een hoge steilwand. Loodrecht op deze steilwand bevinden zich enkele beekdalen. Op de Brabantse wal komen meerdere stuifzandgebieden voor, behalve relatief recente stuifduinen betreft het hier ook veel oudere rivierduinen, die zijn ontstaan aan het einde van de laatste ijstijd. De Mattemburgh is een oud landgoed op de overgang van de Brabantse Wal naar de jonge zeeklei van de Oosterschelde. Door de gradiëntrijke ligging is er een grote biologische rijkdom. Op de Woensdrechtse Heide wordt stuifzand, naaldbos en gemengd bos aangetroffen. De Wouwse Plantage is een oud landgoed met gemengde bossen, landbouwgronden, een relict van een zandverstuiving en lange beukenlanen in de vorm van een ster. Zoomland is ontstaan uit vier zeventiende-eeuwse landgoederen. Het landgoed is opgebouwd uit gevarieerde gemengde bossen, wei- en bouwland, heide met eikenstrubben dichtgegroeid stuifzand en moeras. Kortenhoef bestaat uit natuurlijk bos en heidelandschap op voormalig landgoed.

Het noordelijke deel van het landgoed Grote Meer bestaat uit licht geaccidenteerde zandgronden met daarop plantages van voornamelijk naaldhout met hier en daar stukjes landbouwgrond en enkele natuurlijke vennen: het Groote Meer, Kleine Meer en het Zwaluwmoer. De zuidelijke helft bestaat uit dennenbos, heide en zandverstuivingen (Bron: Ministerie van EZ).

Blad 10 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

Begrenzing In figuur 3.3 is de begrenzing van dit Vogel- en Habitatrichtlijngebied binnen het Natura 2000gebied Brabantse Wal weergeven.

Figuur 3.4: Specificatie van de aangewezen gebieden binnen het Natura 2000-gebied Brabantse Wal (bron via: https://geocontent.rvo.nl/Natura2000/Gebiedskaart/).

Instandhoudingsdoelen en kernopgaven Het Natura 2000-gebied Brabantse Wal is definitief aangewezen. Toetsing van effecten gebeurt aan de instandhoudingsdoelstellingen die in het definitieve aanwijzingsbesluit (toenmalige Ministerie van Economische Zaken) van 25 april 2013 staan. Deze zijn in tabel 1.1 opgenomen. In oktober 2014 is door het toenmalige Ministerie van Economische Zaken een wijzigingsbesluit genomen waarbij de grens van het Natura 2000-gebied is aangepast. Op 23 februari 2018 heeft minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een ontwerpwijzigingsbesluit voor diverse Habitatrichtlijngebieden getekend. Daarin zijn voor een groot aantal Natura 2000-gebieden (habitatrichtlijngebieden) instandhoudingsdoelen voor een aantal habitattypen en/of habitatsoorten toegevoegd, ook voor het Natura 2000-gebied Brabantse Wal (namelijk voor H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen en H9120 Beuken-eikenbossen met hulst). Het ministerie van LNV heeft aangegeven dit besluit niet te gaan vaststellen (kamerbrief Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, dd. 13-11-2019, kenmerk: DGNVLG / 19260351). Omdat dit ontwerp-besluit tot doel heeft een gebied tijdig de bescherming te bieden die aan het gebied toekomt op grond van de Habitatrichtlijn, zijn deze ontwerp-doelstellingen meegenomen in de voorliggende rapportage.

Deze doelen zijn ook in tabel 1.1 aangegeven. Tabel 3.1: Instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied Brabantse Wal (bron: aanwijzingsbesluit, min. EZ).

Blad 11 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

Instandhoudingsdoelstellingen Habitattypen H2310 H2330 H3130 H3160 H4010A H4030 H7150 H9120 Habitatsoorten H1166 H1831 Broedvogels A004 A008 A072 A224 A236 A246 Legenda = > = (<)

6.08 6.09

Doelst. Opp.vl.

Doelst. Kwal.

Stuifzandheiden met struikhei Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Vochtige heiden (hogere zandgronden) Droge Heiden Pioniervegetaties met snavelbiezen Beuken-eikenbossen met hulst

> > > = > > = =

> > > > > > = >

Kamsalamander Drijvende waterweegbree

> >

> >

Dodaars Geoorde fuut Wespendief Nachtzwaluw Zwarte Specht Boomleeuwerik

= = (<) = = = =

> > = = = =

Doelst. Pop.

Draagkracht aantal paren

Kernopgaven

6.08, 6.09 6.08, 6.09

6.09

> > 40 40 = (<) 13 80 40 100

6.08

Behoudsdoelstelling Verbeter- of uitbreidingsdoelstelling Enige achteruitgang in draagkracht van het leefgebied ten gunste van H3130 is toegestaan Structuurrijke droge heiden: Vergroting areaal stuifzandheiden met struikhei H2310, binnenlandse kraaiheibegroeiingen H2320, droge heiden H4030 en zandverstuivingen H2330 én verbeteren van de kwaliteit door vergroting van de variatie in structuur en ontwikkeling van geleidelijke overgangen met bos, mede t.b.v. vogelsoorten als duinpieper A255, korhoen A107, nachtzwaluw A224, draaihals A233 en tapuit A277. Intern verbinden: Verbinden heide- en stuifzandencomplexen met oog op fauna

Kalmthoutse heide Gebiedsbeschrijving Het Natura 2000-gebied Kalmthoutse Heide ligt tegen de grens met België aan. Het is één van de laatste uitgestrekte heidegebieden van Vlaanderen en ligt in de Antwerpse Noorderkempen. Er komt nauwelijks bebouwing voor in het gebied, doordat het bijna volledig is bestemd als ‘natuur en reservaat’. Binnen het gebied is een verscheidenheid aan biotopen aanwezig, zowel natte biotopen als vennen en natte heiden, maar ook droge biotopen zoals bossen, landduinen en droge heiden. Met bijkomend de overgangen tussen deze verschillende biotopen. Zeldzame soorten zoals de boomleeuwerik en gladde slang komen voor in de overgangszone tussen heide en loofbos (bron: website Natura2000 Vlaanderen). Grenspark 'De Zoom - Kalmthoutse Heide' is een grensoverschrijdend natuurgebied dat verschillende biotopen (heide, vennen, stuifduinen, weilanden, bossen, polders, parkbos) herbergt. De volledige oppervlakte van het gebied bedroeg tot eind mei 2011 3750 ha. Vooral de ecologische en cultuur-historische waarden maken het gebied uniek. Het Grenspark wordt doorkruist door de Belgisch – Nederlandse grens. Buiten de heide- en bosgebieden die beheerd worden door Natuurmonumenten, Natuurpunt en de Vlaamse en Nederlandse overheden, zijn er ook enkele (grote) privé-eigenaren, kleine landbouwpercelen, en verscheidene bospercelen van kleine eigenaren.

Deze diversiteit maakt het gebied waardevol (http://www.grensparkzk.be).

Blad 12 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

Het Natura 2000-gebied 'Brabantse Wal' vormt ecologisch gezien een geheel met het Belgische Vogel- en Habitatrichtlijngebied Kalmthoutse Heide. Begrenzing In figuur 3.4 is de begrenzing van dit Vogel- en Habitatrichtlijngebied weergeven.

Blad 13 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

Figuur 3.5: Weergave van het Habitatrichtlijngebied (boven) en Vogelrichtlijngebied (onder) binnen het Vlaamse Natura 2000-gebied Kalmthoutse Heide (bron: https://natura2000.eea.europa.eu/).

Instandhoudingsdoelen en kernopgaven Tabel 3.2: Habitattypen en Habitatsoorten waarvoor het Habitatrichtlijngebied Kalmthoutse Heide is aangewezen. Habitattype H2310 Stuifzandheiden met struikhei H2330 Zandverstuivingen H3110 Zeer zwakgebufferde vennen H3130 Zwakgebufferde vennen H4010A Vochtige heiden 4030 Droge heiden 7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen Habitatsoorten H1042 Gevlekte witsnuitlibel Rugstreeppad Heikikker Poelkikker of Kleine groene kikker Gladde slang Laatvlieger Watervleermuis Gewone dwergvleermuis Tabel 3.3: Vogelsoorten waarvoor het Vogelrichtlijngebied Kalmthoutse Heide is aangewezen.

Blad 14 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

A004 A038 A041 A043 A048 A050 A051 A052 A053 A054 A056 A059 A061 A072 A082 A107 A119 A125 A151 A156 A160 A197 A222 A224 A236 A246 A255

Dodaars Wilde Zwaan Kolgans Grauwe gans Bergeend Smient Krakeend Wintertaling Wilde eend Pijlstaart Slobeend Tafeleend Kuifeend Wespendief Blauwe Kiekendief Korhoen Porseleinhoen Meerkoet Kemphaan Grutto Wulp Zwarte stern Velduil Nachtzwaluw Zwarte Specht Boomleeuwerik Duinpieper Blauwe reiger Regenwulp Rietgans Rode Wouw Smelleken Witoogeend

Meer Natura 2000-gebieden meenemen, wordt niet noodzakelijk en zinvol geacht voor de effectbeoordeling. Namelijk, het effect van ontwikkelingen doet zich in de eerste plaats voor op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, gebieden die door hun gevoeligheid, het meest kritisch en maatgevend zijn. Effecten op omliggende gebieden op ruimere afstand zijn sowieso kleiner. Op voorhand wordt verwacht dat de ontwikkelingen (mogelijk) significante effecten hebben op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Maatregelen voor deze gebieden hebben ook een positief effect op verder weg gelegen gebieden. Als de stikstofproblematiek op deze gebieden opgelost wordt, zijn ook (eventuele) problemen op verder weg gelegen gebieden opgelost.

Blad 15 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

4

Effectbeschrijving en – beoordeling

4.1

Inventarisatie relatie ingreep-effect De ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan kunnen effecten hebben op Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. In deze passende beoordeling is beschreven of de ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan effect hebben en zo ja welke effecten. Hierbij is onderscheid gemaakt in de diverse ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan en in de diverse effecten waarvoor Natura 2000gebieden gevoelig zijn. Er is allereerst gekeken welke effecten (ook wel storingsfactoren genoemd) de ontwikkelings-mogelijkheden kunnen hebben en voor welke effecten de Natura 2000-gebieden rond het plangebied gevoelig zijn. Hiervoor is de effectenindicator gebruikt, een instrument van het ministerie (tabel 4.1). Tabel 4.4: Ingreep-effectanalyse Ontwikkelingsmogelijkheden • Ontwikkelingsmogelijkheden veehouderijen • Ontwikkelingsmogelijkheden akkerbouwbedrijven en (glas)tuinbouwbedrijven • Teeltondersteunende voorzieningen en werken binnen het vergunningenstelsel • Kleinschalige recreatieve ontwikkelingen

Mogelijke storingsfactor • Oppervlakteverlies en versnippering; • Vermesting en verzuring door atmosferische depositie;  Verdroging en vernatting • Verstoring door geluid en licht en optische verstoring; • Verstoring door mechanische effecten; • Bewuste verandering soortensamenstelling.

Storingsfactoren kunnen een direct effect op de instandhoudingsdoelen hebben (bijvoorbeeld het doden van dieren of het verdwijnen van oppervlak habitattype of leefgebied) of een indirect effect (bijvoorbeeld verandering van de milieucondities, waardoor de leefomstandigheden verslechteren of het blokkeren van een trekroute, waardoor de toegang tot voedsel- of overwinteringsgebieden buiten het Natura 2000-gebied wordt geblokkeerd). In de volgende paragrafen is per mogelijke storingsfactor beschreven of de ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan leiden tot negatieve effecten. Gezien de afstand zijn alleen Natura 2000-gebied Brabantse Wal en Kalmthoutse Heide relevant.

4.2

Oppervlakteverlies en versnippering Uitbreiding van bestaande veehouderijen, glastuinbouw, akkerbouw/kwekerijen, TOV, werken binnen het vergunningenstelsel en kleinschalige recreatieve ontwikkelingen De planologische bescherming van natuur in het bestemmingsplan borgt dat uitbreiding van bebouwing, stallen, glastuinbouw, akkerbouw/kwekerijen, TOV, werken in het vergunningenstelsel en kleinschalige recreatieve voorzieningen alleen maar kan voor zover deze niet zijn gelegen in de bestemming Natuur. Er is daarmee geen sprake van ruimtebeslag of versnippering in Natura 2000-gebieden. Conclusie oppervlakteverlies en versnippering (Significant) Negatieve effecten door oppervlakteverlies en versnippering bij de realisatie van de ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan zijn met zekerheid uit te sluiten.

Blad 16 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

4.3

Vermesting en verzuring door atmosferische depositie

4.3.1

Stikstofgevoeligheid De gevoeligheid van habitattypen voor stikstofdepositie wordt uitgedrukt in de kritische depositie waarde (KDW) in mol N/ha/jaar. Hoe lager de KDW, hoe gevoeliger voor atmosferische stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde wordt gedefinieerd als: ‘de grens waarboven het risico niet kan worden uitgesloten dat de kwaliteit van het habitattype significant kan worden aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van de atmosferische stikstofdepositie’ (Van Dobben, 2008). In tabel 4.2 is de stikstofgevoeligheid van de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000gebieden Brabantse Wal (als meest maatgevend voor het effect op Natura 2000-gebieden van de ontwikkelingsmogelijkheden binnen het bestemmingsplan) weergegeven. De habitattypen, waarvoor het gebied is aangewezen, zijn stikstofgevoelig. Gezien de hoge achtergrondwaarden aan stikstofdepositie staan de stikstofgevoelige instandhoudingsdoelen onder druk en is stikstofdepositie voor de instandhoudingsdoelen een knelpunt (Provincie Noord-Brabant, 2017). De natuurwaarden van de Kalmthoutse Heide zijn gelijkaardig en de stikstofproblematiek is ook vergelijkbaar. Tabel 4.5: Stikstofgevoelige instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebieden Brabantse Wal (bron: PAS gebiedsanalyse, Provincie Noord-Brabant, 2017) Habitattypen

H2310 H2330 H3130 H3160 H4010A H4030 H7150 H9120

Stuifzandheiden met struikhei Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Vochtige heiden (hogere zandgronden) Droge Heiden Pioniervegetaties met snavelbiezen Beuken-eikenbossen met hulst

Habitatsoorten

H1166 H1831

KDW (mol/ha/jr)

Kamsalamander Drijvende waterweegbree

Broedvogels

A004

Dodaars

A008 A072

Geoorde fuut Wespendief

A224

Nachtzwaluw

1071 714 517 714 1214 1071 1429 1071

Gevoeligheid voor stikstofdepositie Zeer gevoelig Zeer gevoelig Zeer gevoelig Zeer gevoelig Zeer gevoelig Zeer gevoelig Gevoelig Zeer gevoelig

Leef-gebied

KDW (mol/ha/jr)

H3130 H3130

517 517

Leef-gebied

KDW (mol/ha/jr)

H3130 H3160 Lg04 zuur ven H3130 H2310 H4030 H9190 H2310 H2330 H4010A H4030 Lg09 droog struisgrasland Lg13 bos van arme

517 714 1214 517 1071 1071 1071 1071 714 1214 1071 1000

Gevoeligheid voor stikstofdepositie Zeer gevoelig Zeer gevoelig Zeer gevoelig Zeer gevoelig Zeer gevoelig Zeer gevoelig Zeer gevoelig Zeer gevoelig Zeer gevoelig Zeer gevoelig Zeer gevoelig Zeer gevoelig

1071

Zeer gevoelig

Blad 17 van 29

Gevoeligheid voor stikstofdepositie Zeer gevoelig Zeer gevoelig

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

Broedvogels

A236

A246

4.3.2

Leef-gebied

Zwarte Specht

Boomleeuwerik

zandgronden H9190 Lg13 bos van arme zandgronden Lg14 eiken- en beukenbos van lemige zandgronen H2310 H4030 Lg09 droog struisgrasland

KDW (mol/ha/jr)

Gevoeligheid voor stikstofdepositie

1071 1071

Zeer gevoelig Zeer gevoelig

1429

Gevoelig

1071 1071 1000

Zeer gevoelig Zeer gevoelig Zeer gevoelig

Planbijdrage Planbijdrage uitbreiding van bestaande veehouderijen en glastuinbouw Uitbreiding van bestaande veehouderijen (inclusief paardenhouderijen en inclusief kleinschalige mestbewerking), omschakeling nar veehouderijen en glastuinbouw leidt zonder beperkende maatregelen tot een toename van stikstofemissie (uitstoot) en daarmee tot een toename van stikstofdepositie (neerslag) op Natura 2000-gebieden. In figuur 4.1 is de ligging van agrarische bedrijven ten opzichte van het Natura 2000-gebied Brabantse Wal weergegeven. Verzuring en vermesting vormen een actueel thema in de toetsing van ontwikkelingen in het buitengebied. Aan de bronzijde leidt stikstofemissie afkomstig van agrarische bedrijven en activiteiten met een verkeersaantrekkende werking tot een potentieel verzurend en vermestend effect in natuurgebieden. Aan de zijde van de natuurgebieden is het vooral de aanwezigheid van voor stikstofgevoelige habitattypen en eventueel soorten die bepalen of een natuurgebied gevoelig is voor stikstofdepositie. Het Nederlandse Natura 2000-gebieden omvatten stikstofgevoelige habitattypen (Bron: PAS-gebiedsanalyse, en van Dobben, 2012). Een ook in de nog ruimere omgeving van het plangebied liggen nog een groot aantal stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden op grotere afstand dan de bovengenoemde gebieden.

De toename van uitstoot van stikstof door uitbreiding van de agrarische bedrijven in het Buitengebied Roosendaal-Wouw is niet doorgerekend. Dit omdat de uitkomst en conclusie op voorhand vaststaat: uitbreiding van agrarische bedrijven leidt tot toename van stikstof en in de huidige overspannen situatie is elke toename significant. Hoe groot de toename is, is niet relevant voor de plan- en besluitvorming in het kader van het bestemmingsplan, berekening van de toename heeft hiermee geen meerwaarde. Een mogelijk effect is niet uit te sluiten als gevolg van de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt en wordt in hoofdstuk 5 nader geanalyseerd.

Blad 18 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

Figuur 4.6: Ligging landbouwbedrijven ten opzichte van Natura 2000-gebied Brabantse Wal (PDOK in QGIS).

Planbijdrage uitbreiding bestaande kwekerijen, TOV en werken binnen het vergunningenstelsel Uitbreiding van bestaande kwekerijen, TOV en werken binnen het vergunningenstelsel leiden niet tot een toename van stikstofuitstoot. Planbijdrage kleinschalige recreatieve ontwikkelingen Uitbreiding van kleinschalige recreatieve mogelijkheden kan leiden tot een toename van stikstof. De uitbreidingsmogelijkheden van bestaande recreatieve voorzieningen zijn beperkt. Het bestemmingsplan biedt met name mogelijkheden voor recreatief medegebruik bij agrarische bedrijven: kleinschalig kamperen bij de boer, bed en breakfast. Het effect van een enkele lokale recreatieve functie is beperkt en komt vaak in de plaats van (een deel van) de agrarische activiteit en bijbehorende stikstof. Echter nabij de Wouwse Plantage en voor het buitengebied al geheel is een effect op voorhand niet uit te sluiten.

Blad 19 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

4.3.3

Ecologische analyse Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van vervuilende gassen. De uitstoot bevat onder andere ammoniak (NH3). Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden zo tot het zuurder worden van het biotische milieu. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn landbouw, verkeer en industrie. Aan de bronzijde leidt stikstofemissie afkomstig van agrarische bedrijven en door de toename van verkeersbewegingen (o.a. bij toename van recreatievoorzieningen) tot een potentieel verzurend en vermestend effect in natuurgebieden. Verzuring hangt samen met vermesting van ecosystemen. Vermesting is de 'verrijking' van ecosystemen door depositie van met name stikstof en fosfaat. Het kan gaan om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden) of nitraat- en fosfaataanvoer door het oppervlaktewater. De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden worden gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstof depositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van meerdere andere soorten.

Hierdoor neemt de biodiversiteit af. Stikstofdepositie draagt bij aan de vergrassing en verstruweling van vegetaties in bijvoorbeeld duinen, heiden en bossen en de ongunstige staat van instandhouding van de aanwezige habitattypen. Huidige stikstofdepositie De huidige stikstofbelasting op de Brabantse Wal bedraagt tussen de 1340 en 2234 mol N/ha/jr. en is daarmee (veel) hoger dan de kritische depositiewaarde (517 tot 1.429 mol N/ha/jr). De bijdrage van de agrarische bedrijven in Buitengebied Roosendaal-Wouw is niet doorgerekend. Stikstofdepositie in plansituatie (zonder beperkende maatregelen) Uitbreiding van bestaande veehouderijen, omschakeling naar veehouderijen, uitbreiding van glastuinbouwbedrijven en kleinschalige recreatieve voorzieningen, conform de mogelijkheden die het Bestemmingsplan Buitengebied Wouw biedt, leidt, zonder beperkende maatregelen, tot een toename van uitstoot van stikstof en daarmee tot een toename van de stikdepositie op omliggende Natura-2000-gebieden als de Brabantse Wal. In een dergelijke situatie kan het behoud of de verbetering van de kwaliteit van het habitattype en/of leefgebied van soorten in gevaar komen en kan een belemmering van de instandhoudingsdoelstellingen niet met zekerheid worden uitgesloten. Er kan niet uitgesloten worden dat de toename van stikstof de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied aantast.

Het bereiken van een goede staat van instandhouding van de habitattypen en leefgebieden van habitat- en vogelsoorten wordt belemmerd. In feite geeft de passende beoordeling aan dat elke uitbreiding van veehouderijbedrijven significante negatieve effecten heeft op omliggende Natura 2000-gebieden als de Brabantse Wal. In Vlaanderen geldt voor de Vlaamse Natura2000-gebieden een ander beoordelingsregime. Toename kleiner dan 3% van de Kritische Depositiewaarde worden acceptabel geacht. De kritische depositiewaarden bedragen 714 tot 1571 mol N/ha/jr. 3% hiervan is 21 tot 47 mol/ha/jr. Omdat de toename niet berekend is, is niet bekend of de toename binnen 3% blijft. Echter, voor de besluitvorming rond dit Bestemmingsplan is dit niet relevant. Er is sprake van een significante toename op de Brabantse Wal. Dit vraagt om maatregelen in het bestemmingsplan, ook al zijn deze strikt genomen niet noodzakelijk zouden zijn voor de Vlaamse Natura2000gebieden.

Blad 20 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

Conclusie stikstofdepositie Door de toename van stikstofdepositie kan het behoud of de verbetering van de kwaliteit van het stikstofgevoelige habitattype en/of leefgebied van soorten in gevaar komen en worden de instandhoudings-doelstellingen belemmerd. Er treedt mogelijk aantasting van de natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden op.

4.4

Verontreiniging In het beheerplan van de Brabantse Wal (2018) wordt gesteld dat verontreiniging een mogelijk knelpunt vormt voor de aangewezen habitats en soorten binnen het Natura 2000-gebied Brabantse Wal. Hierbij wordt verontreiniging gespecificeerd als: “alle stoffen die niet van nature in het beschermde natuurgebied thuishoren” en wordt het risico van lek van chemische stoffen die door buisleidingen in de leidingenstraat worden vervoerd of calamiteiten bij chemisch transport of het neerstorten van een vliegtuig als mogelijke oorzaken benoemd. Hierbij wordt gewezen op de aan de aanwezigheid van een oude stortplaats. In het beheerplan wordt de aanwezigheid van landbouwbedrijven hier niet aangehaald. Verontreiniging is mogelijk door het 'inwaaien' van bestrijdingsmiddelen / gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen. Verontreiniging kan met name optreden binnen een straal van enkele tientallen tot enkele honderden meters rondom agrarische bedrijven. Binnen deze afstand tot het Natura 2000-gebied Brabantse Wal zijn meerdere agrarische bedrijven aanwezig. Het bosgebied fungeert als een barrière tegen het verder inwaaien van bestrijdingsmiddelen / gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen. Dit gedeelte van de Brabantse Wal waar deze bedrijven bij in de buurt liggen, is aangewezen als Vogelrichtlijngebied.

Alhoewel de aangewezen vogelsoorten in zijn algemeenheid in de effectenindicator aangemerkt zijn als gevoelig voor verontreiniging, wordt de aanwezigheid van landbouwbedrijven niet als knelpunt met betrekking tot verontreiniging beschouwd in het beheerplan. Daarnaast mogen de aanwezige bedrijven niet van functie veranderen en voorkomen bossen het inwaaien. Dit overwegende zijn significante gevolgen als gevolg van verontreiniging uit te sluiten op het Natura 2000-gebied Brabantse Wal.

4.5

Verdroging en vernatting Verdroging of vernatting van Natura 2000-waarden kan bijvoorbeeld plaatsvinden door veranderingen in de grondwaterstand of veranderingen van grondwaterstromen. Uitbreiding bestaande veehouderijen, glastuinbouw, kleinschalige recreatie Uitbreiding van bestaande agrarische bedrijven en kleinschalige recreatie resulteert in een toename van verhard oppervlak en daarmee tot een negatief effect op het grondwater (verminderde aanvulling). Dit effect moet, conform wettelijke eisen worden gecompenseerd door de aanleg van retentie. Daarmee en gezien de afstand tussen de veehouderijen, akkerbouwbedrijven en glastuinbouw en mogelijkheden voor kleinschalige recreatie tot Natura2000 gebied, kan een verdrogend effect op voorhand worden uitgesloten. Uitbreiding bestaande kwekerijen, TOV, werken in het vergunningenstelsel Verdrogend effect kan ook optreden door permanente TOV. Onder permanente TOV vallen containervelden, bakken op stellingen en regenkappen en kassen. Bij deze voorzieningen wordt de neerslag opgevangen en vaak ook gebruikt voor de teelt. Met uitzondering van een tijdelijk teveel aan neerslag (extreme buien), zal het grootste deel van de neerslag het grondwater niet bereiken. De verdamping neemt door de voorzieningen ook af. Doordat er echter nauwelijks neerslag het grondwater bereikt, is er sprake van een relatief grote netto reductie van de

Blad 21 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

grondwateraanvulling. De reductie van de grondwateraanvulling ligt ter plaatse van percelen met permanente TOV naar verwachting in de orde van 75% tot 90%. De effecten van permanente TOV op de hydrologie zijn kleiner dan de effecten van uitbreiding van veehouderijen. Teeltondersteunende voorzieningen zijn qua constructie lichter dan de agrarische bedrijfsgebouwen en de ruimtelijke uitstraling van deze voorzieningen is in het algemeen kleiner dan die van agrarische bedrijfsgebouwen. Voor uitbreiding van stallen en TOV is voor diverse bestemmingsplannen buitengebied op basis van een hydrologisch modelonderzoek een invloedsgebied berekend van ongeveer 400 - 500m. Dat betekent dat ingrepen met een reductie van de grondwateraanvulling buiten dit invloedsgebied geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Bij de berekening van het hydrologisch invloedsgebied van bebouwing en TOV (in de vorm van het permanent afdekken van de bodem) is uitgegaan van een worst-case-situatie (grote oppervlakte wordt permanent afgedekt zodat het regenwater niet meer in de bodem kan infiltreren). Op basis van berekeningen met een grondwatermodel blijkt dat de lijn met 5 cm verlaging op maximaal 500m afstand ligt, en dat de effecten de verlagingen echter vrij snel uitdempen (zie figuur 4.2). Mogelijk kan het invloedsgebied in de werkelijkheid minder zijn door de dempende werking van sloten ter plaatse.

0

100

200

300

400

500

600

0.00

afstand tot waterloop (m)

0.05 0.15 0.20 0.25 0.30 0.35 0.40 0.45

verlaging (m)

0.10

-10% -50% 40%

-20% 10% 50%

-30% 20% 0

-40% 30%

Figuur 4.2: Peilverlaging bij het aanleggen van een drainerende waterloop met een drainagebasis van 0,5m onder de huidige grondwaterstand (Antea Group, april 2017)

Verdroging en vernatting kan optreden als ‘verdrogende of vernattende activiteiten’ plaatsvinden binnen een straal van enkele tientallen tot enkele honderden meters rond de Natura 2000gebieden. Dat is hier het geval. De kans op significante gevolgen als gevolg van het aspect verdroging (vernatting wordt niet verwacht) op Natura 2000-gebieden is niet uit te sluiten.

Blad 22 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

4.6

Verstoring door geluid, licht en optische verstoring Verstoring door geluid en licht en optische verstoring (verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem) kan met name optreden binnen een straal van enkele tientallen tot enkele honderden meters rondom agrarische bedrijven of door recreatieve activiteiten. Binnen een dergelijke afstand van het Natura 2000-gebied Brabantse Wal agrarische bedrijven en recreatieve voorzieningen (zie figuur 4.3) aanwezig.

Figuur 4.7: Ligging recreatieve voorzieningen ten opzichte van Natura 2000-gebied Brabantse Wal (bron ondergrond: PDOK in QGIS).

Ook in het kader van het beheerplan Natura 2000 is aandacht voor het tegengaan van invloed van de recreatiedruk op de instandhoudingsmaatregelen (Provincie Noord-Brabant, 2018): in en rond het Natura 2000-gebied Brabantse Wal worden maatregelen genomen om de recreatiedruk te herverdelen, zodat er minder verstoring optreedt in bepaalde delen van de Brabantse Wal. Dit wordt gedaan door op verschillende locaties zogenoemde recreatieve poorten te creëren. De aan het gebiedsproces voor deze poorten deelnemende organisaties verwachten geen grote toename van de recreatiedruk. Tegelijkertijd zien zij het verminderen van de recreatie-intensiteit ook niet als noodzakelijk om de doelstellingen van dit beheerplan te kunnen verwezenlijken. Eventuele lokale negatieve effecten van recreatie zullen in de toekomst worden verminderd door het opstellen van aanvullende regels, goede informatievoorziening en het verleggen van wandelen fietspaden. De eventuele toename aan recreanten als gevolg van de kleinschalige recreatieve ontwikkelingen – die naar verwachting ook de Brabantse Wal zullen bezoeken – zullen gebruik maken van de bestaande padenstructuur en recreatieve voorzieningen. Daarom leidt verstoring door recreatie niet tot significante gevolgen.

De toename aan verstoring door de agrarische activiteiten is niet op voorhand uit te sluiten, aangezien een aantal vogelsoorten verstoringsgevoelig zijn en het Vogelrichtlijndeel van het Natura 2000-gebied deels binnen de plangrenzen ligt. De effecten zijn echter naar verwachting

Blad 23 van 29

Passende beoordeling Buitengebied Wouw (gemeente Roosendaal) projectnummer 436205 1 november 2020, definitief

beperkt: het aantal bedrijven nabij de Wouwse Plantage is gering en de verstoringsgevoelige soorten komen niet voor aan de randen van de Wouwse Plantage nabij de bedrijven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.roosendaal.nl/api/v1/meetings/1301/documents/34658