b_NL.IMRO.1674.2150VERBINDINGSWEG-0401_rb1.pdf
Tekst van het document
13 Ecologische quickscan Verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22086-02
Verder kunnen binnen het plangebied zangvogels aanwezig zijn die in landelijk gebied en bosschages gebied broeden, zoals kievit, houtduif en merel.
Effectbeoordeling vogels De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten met vaste rust - en verblijfplaatsen uit categorie 1 t/m 4 is binnen het plangebied uitgesloten. De voorgenomen ingreep heeft daarnaast geen negatief effect op functioneel leefgebied van dergelijke broedvogelsoorten. Enige uitzondering daarop zijn de steenuil en kerkuil. Als deze vaste rusten verblijfplaatsen hebben in of nabij de boerderijen nabij het plangebied kan het plangebied onderdeel uitmaken van hun functioneel leefgebied. Dat is het lee fgebied dat noodzakelijk is voor het goed functioneren van de nestplaatsen. Steenuilen moeten al hun voedsel kunnen verzamelen in een straal van 500 m rondom hun nestplaats. De nieuwe ontsluitingsweg kan leiden tot ruimtebeslag op het foerageergebied en versnippering daarvan. Daarnaast kan het risico op aanrijdingen sterk toenemen ten gevolge van de toename in verkeersdrukte. Kerkuilen kunnen tot meer dan 5 km van hun nestplaats verwijderd foerageren. Daarmee zijn significante effecten van de weg op foerage ergebied van deze soort redelijkerwijs uitgesloten. Wel kan de weg leiden tot verstoring van vaste rust- en verblijfplaatsen van de kerkuil als deze aanwezig zijn binnen 75 m van de grenzen van het plangebied.
Voor te verwachten soorten uit categorie 5 zijn in de directe nabijheid van het plangebied voldoende alternatieve nestmogelijkheden aanwezig die niet verloren gaan ten gevolge van de voorgenomen ingreep. Werkzaamheden die uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kunnen ertoe leiden dat algemene broedvogelsoorten hun nesten met eieren of jongen verlaten en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar. Dat leidt tot een overtreding van artikel 3.1 li d 1 en 2 van de Wet Natuurbescherming. Het is voor de voorgenomen ingreep niet mogelijk ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van broedgevallen van vogelsoorten welke van nature broeden in Europa en op natuurlijke wijze in Nederland gekomen zijn.
5.3 Zoogdieren 5.3.1 Vleermuizen Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Uit de directe omgeving van het plangebied zijn in de NDFF recente waarnemingen bekend van gewone dwergvleermuis, grootoorvleermuis spec., kleine dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. Op grond van de beperkte oppervlakte van het 14 Ecologische quickscan Verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22086-02
plangebied en de aanwezigheid van veel alternatief foerageergebied in de directe omgeving van het plangebied is uitgesloten dat het plangebied een essentieel foerageergebied voor vleermuizen vormt. Vleermuizen maken gebruik van doorlopende lijnvormige elementen zoals bomenlanen en watergangen voor beschutting en geleiding op hun vaste vliegroutes. Binnen het plangebied zijn doorlopende lijnvormige elementen aanwezig in de vorm van bomenlanen en houtwallen welke door vleermuizen gebruikt kunnen worden als vaste vliegroute. Het betreft de eikenlanen bij het Roosendaalswegje en de Thorbeckelaan en de populieren aan de Willem Dreesweg. Daarnaast vormt de diep ingesneden Rissebeek mogelijk een vaste vliegroute. Essentiële vliegroutes van vleermuizen zijn dan ook niet uitgesloten in het plangebied. Binnen het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig. In de bomen binnen het plangebied en welke hier direct aan grenzen zijn geen grote stukken losse bast, holtes of gaten aangetroffen die ver genoeg doorlopen om te kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen. Vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn binnen het plangebied en de verstoringszone van de werkzaamheden dan ook redelijkerwijs uitgesloten.
In het plangebied kunnen de volgende soorten worden verwacht: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis.
15 Ecologische quickscan Verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22086-02
vliegroute
foerageergebied
massawinterverblijfplaats
winterverblijfplaats
paarverblijfplaats
kraamverblijfplaats
zomerverblijfplaats
Tabel 1: Potentieel in het plangebied aanwezige vleermuizen en functies.
gewone dwergvleermuis
X
X
gewone grootoorvleermuis
X
X
kleine dwergvleermuis
X
X
ruige dwergvleermuis
X
X
laatvlieger
X
X
meervleermuis
X
X
rosse vleermuis
X
X
watervleermuis
X
X
Effectbeoordeling vleermuizen Uit de resultaten blijkt dat binnen het plangebied mogelijk vleermuizen voorkomen. Op basis van de aard en ligging van het plangebied is het uitgesloten dat dit een essentieel foerageergebied betreft. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen is eveneens uitgesloten. Het kan op basis van dit onderzoek echter niet uitgesloten worden dat binnen het plangebied vaste vliegroutes van vleermuizen aanwezig zijn. Bij het kappen van de bomen in de bomenlanen en het doorkruisen van de Rissebeek kunnen deze vliegroutes worden aangetast en verloren gaan. De vliegroutes kunnen ook verstoord raken of in het ergste geval zelfs geheel ongeschikt raken wanneer deze meer aangelicht worden dan in de huidige situatie het geval is. Daarnaast neemt het risico op aanrijdingen toe voor vleermuizen als zij de nieuwe weg moeten oversteken. Wanneer deze negatieve effecten optreden wordt de Wet natuurbescherming overtreden. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van vaste vliegroutes van vleermuizen is in dat geval noodzakelijk om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.
16 Ecologische quickscan Verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22086-02
vliegroute
foerageergebied
massawinterverblijfplaats
winterverblijfplaats
paarverblijfplaats
kraamverblijfplaats
zomerverblijfplaats
Tabel 2: Potentieel in het plangebied aanwezige vleermuizen en functies en de mogelijke effecten van de ingreep hierop.
gewone dwergvleermuis
MNE
GNE
gewone grootoorvleermuis
MNE
GNE
kleine dwergvleermuis
MNE
GNE
ruige dwergvleermuis
MNE
GNE
laatvlieger
MNE
GNE
meervleermuis
MNE
GNE
rosse vleermuis
MNE
GNE
watervleermuis
MNE
GNE
GNE
Geen negatieve effecten
MNE
Mogelijk negatief effect
5.3.2 Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde grondgebonden zoogdieren aangetroffen of sporen die wijzen op hun aanwezigheid. Steen- en boommarter Binnen het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig waarin vaste rust- en verblijfplaats voor marterachtigen aanwezig kunnen zijn. Ook zijn er geen bomen met grote holtes aanwezig welke kunnen dienen als verblijfplaats voor de steenmarter of boommarter. Er zijn geen sporen van deze marterachtigen aangetroffen gedurende het veldbezoek. Daarnaast zijn er geen waarnemingen bekend van de steen- of boommarter uit de omgeving van het plangebied. Het kan niet uitgesloten worden dat deze soorten het gebied sporadisch bezoeken om te foerageren, maar de aanwezigheid van beschermde functies van het gebied voor deze soorten is redelijkerwijs uitgesloten.
17 Ecologische quickscan Verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22086-02
Das Binnen het plangebied zijn geen sporen van dassen waargenomen. Daarnaast zijn ook geen dassen bekend uit de directe omgeving van het plangebied. Omdat sporen van dassen relatief makkelijk te vinden zijn en goed te herkennen zijn door een deskundige kan op basis van het onderzoek de aanwezigheid van essentieel leefgebied van dassen in het plangebied redelijkerwijs uitgesloten worden. Kleine marterachtigen De kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel zijn door de provincie Noord -Brabant niet vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. De bunzing is ook recent waargenomen in het plangebied net ten oosten van het spoor (NDFF). Het is niet op voorhand uit te sluiten dat zich in het plangebied vaste rust- en verblijfplaatsen en leefgebieden van kleine marterachtigen bevinden. De delen met dichte begroeiing rondom de agrarische percelen, de Rissebeek en de houtwallen zijn mogelijk geschikt als verblijfplaats voor kleine marterachtigen. Dat geldt voornamelijk voor de bunzing. Wezel en hermelijn kunnen daarnaast verblijven in muizenholletjes in de graslanden en ruigtevegetaties. Er zijn geen waarnemingen van deze soorten bekend uit het gebied, maar deze ontbreken vaak omdat de soorten erg lastig waar te nemen zijn. De aanwezigheid van kleine marterachtigen kan op basis van dit onderzoek in plangebied dan ook niet uitgesloten worden.
Eekhoorn Delen van het plangebied met grote bomen vormen geschikt habitat voor de eekhoorn. Uit de omgeving van het plangebied is ook een waarneming van een eekhoorn bekend (NDFF). In de bomen in het plangebied zijn echter geen nesten van eekhoorns aangetroffen. Da arnaast zijn in de bomen geen holtes aanwezig welke groot genoeg zijn voor deze dieren om te kunnen dienen als verblijfplaats. Daarmee is de aanwezigheid van een vaste rust - of voortplantingsplaats van eekhoorns in het plangebied uitgesloten. Ook zijn er geen andere sporen zoals knaagsporen aangetroffen. Het plangebied beslaat slechts een klein deel van de gehele oppervlakte van bomenlanen en bosschages in het gebied. Het is dus uitgesloten dat het plangebied een essentieel leefgebied vormt voor de eekhoorn. Overige soorten Het plangebied is ongeschikt voor verblijfplaatsen van overige niet vrijgestelde soorten grondgebonden zoogdieren. Het plangebied is wel marginaal geschikt voor verschillende Nationaal beschermde soorten zoogdieren waarvoor in Noord-Brabant een provinciale vrijstelling geldt. Dit betreffen o.a. de egel en verschillende soorten (spits)muizen.
18 Ecologische quickscan Verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22086-02
Effectbeoordeling grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied komen in de houtwallen en delen met ruigtevegetaties mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van wezel, hermelijn en bunzing voor. Daarnaast maken delen van het plangebied mogelijk onderdeel uit van het essentieel leefgebied van deze soorten. Door de voorgenomen ingreep gaan deze functies verloren als deze aanwezig zijn. Hierdoor wordt de Wet natuurbescherming bij het uitvoeren van de ingreep mogelijk overtreden. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat verder geen beschermde gebiedsfuncties voor overige zoogdiersoorten te verwachten zijn waarvoor geen vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt. De ingreep leidt voor deze soorten dan ook niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming.
5.4 Reptielen Gedurende het veldbezoek zijn geen reptielen waargenomen binnen het plangebied. Het plangebied ligt ver buiten het bekende verspreidingsgebied van muurhagedis. Op grond van het ontbreken van voor overige reptielen geschikte ecotopen in het plangebied (zoal s schrale vegetatie met voldoende rustige, zonnige plekken) kan de aanwezigheid daarvan eveneens uitgesloten worden.
Effectbeoordeling reptielen Doordat de aanwezigheid van reptielen in het plangebied uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming.
5.5 Amfibieën Binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan ligt geen water dat geschikt is voor strikt beschermde amfibieën. De Rissebeek stroomt en is naar verwachting visrijk wat het door predatie onaantrekkelijk maakt voor de meeste amfibieën. Uit de directe omgeving van het plangebied (250 m) zijn ook geen waarnemingen van strikt beschermde amfibieën bekend. De aanwezigheid van beschermde amfibieën wordt in het plangebied dan ook niet verwacht. De kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker en meerkikker zijn door alle provincies voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming.
19 Ecologische quickscan Verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22086-02
Effectbeoordeling amfibieën Doordat de aanwezigheid van strikt beschermde amfibieën in het plangebied uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming.
5.6 Vissen Uit het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn geen waarnemingen van beschermde vissen bekend. Daarnaast zijn in het plangebied geen ondiepe begroeide oevers aanwezig welke gebruikt zouden kunnen worden door beschermde soorten als de grote modderkruip er als leefgebied en paaiplaats. De aanwezigheid van beschermde vissen is in het plangebied dan ook redelijkerwijs uitgesloten.
Effectbeoordeling vissen Doordat de aanwezigheid van beschermde vissen in het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten leidt de ingreep niet tot een negatief effect op beschermde vissen.
5.7 Vlinders en libellen In het plangebied komen geen voedselarme wateren of vegetaties met waardplanten voor die geschikt zijn als leefgebied voor beschermde libellen en dagvlinders. De aanwezigheid van beschermde libellen en vlinders kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten.
Effectbeoordeling vlinders en libellen Doordat de aanwezigheid van beschermde vlinders en libellen in het plangebied uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming.
5.8 Overige ongewervelden Uit het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn geen overige beschermde ongewervelden bekend (NDFF). Op basis van de gebiedskenmerken worden overige beschermde ongewervelden ook niet verwacht.
Effectbeoordeling overige ongewervelden Doordat de aanwezigheid van overige beschermde ongewervelden in het plangebied redelijkerwijs uitgesloten is leidt de ingreep voor deze soorten niet tot een negatief effect of overtreding van de Wet natuurbescherming.
20 Ecologische quickscan Verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22086-02
6. Conclusie en aanbevelingen 6.1 Gebiedsbescherming 6.1.1 6.1.1 Natura 2000 Het plangebied ligt ruim buiten de invloedsfeer van Natura 2000 -gebieden voor alle mogelijk effecten met uitzondering van verrijkende effecten ten gevolge van stikstofdepositie. Gezien de afstand en de aard en duur van de werkzaamheden, kunnen negatieve effecten van stikstofuitstoot en depositie op daarvoor gevoelige habitattypen en de leefgebieden van soorten met instandhoudingsdoelstellingen niet uitgesloten worden . Ook in de gebruiksfase kan de ingreep leiden tot een toename in stikstofdepositie ten gevolge van een toename in verkeersbewegingen. Om hier rechtszekerheid over te krijgen dient een stikstofberekening (AERIUS-berekening) uitgevoerd te worden.
6.1.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) De ingreep vindt gedeeltelijk plaats in het NNN. Daarnaast zijn negatieve effecten op wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN ten gevolge van externe werking tijdens de aanlegfase en door het aanbrengen van extra verlichting niet op voorhand uitgesloten. Hierdoor is het noodzakelijk een zogenaamde Nee-tenzij-toets uit te voeren. Afhankelijk van de resultaten van deze toetsing kan het aanvragen van een vergunning bij de provincie noodzakelijk zijn.
6.1.3 Bescherming van houtopstanden Er worden bomen gekapt ten behoeve van de voorgenomen ingreep die onderdeel uitmaken van een rijbeplanting van tenminste 20 bomen. Doordat deze bomen buiten de bebouwde kom staan en niet uitsluitend bestaan uit populieren of wilgen is er sprake van effecten op bomen welke vallen onder het gedeelte beschermde houtopstanden uit de Wet natuurbescherming. Artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming is hierdoor op deze bomen van toepassing. Dit betekend dat er een melding gedaan moet worden bij de provincie voor het kappen van deze bomen en er een herplantplicht geldt welke binnen 3 jaar na kap van de bomen voldaan moet zijn. De bomen aan de Willem Dreesweg zijn allen populieren, welke wel altijd vrijgesteld zijn van de bescherming als houtopstand onder de Wet natuurbescherming.
21 Ecologische quickscan Verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22086-02
6.1.4 Vogels Delen van het plangebied maken mogelijk onderdeel uit van het functioneel leefgebied van steenuilen welke mogelijk broeden bij de aangrenzende boerderijen. De nieuwe ontsluitingsweg kan leiden tot ruimtebeslag op het functioneel leefgebied van steenuilen en versnippering daarvan. Dat kan leiden tot het ongeschikt raken van de verblijfplaatsen van deze soort wat leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Daarom is het noodzakelijk een nader onderzoek naar steenuilen uit te voeren om aan te tonen dan wel uit te sluiten dat er territoria van steenuilen aanwezig zijn binnen het plangebied. Voor de kerkuil geldt dat als er nestplaatsen aanwezig zijn binnen 75 meter van het plangebied deze door de ingreep verstoord zouden kunnen raken. Op de meeste plaatsen liggen de boerderijen al bij een drukke weg, maar dat is niet overal het geval. Met nam e in de rustige gebieden is het daarmee wenselijk een nader onderzoek naar de kerkuil uit te voeren om de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten op minder dan 75 m van het plangebied aan te tonen dan wel uit te sluiten. Binnen het plangebied en de directe omgeving daarvan zijn geen beschermde functies van overige broedvogels met jaarrond beschermde nesten uit Categorie 1 t/m 4 te verwachten. Daarmee zijn negatieve effecten op deze soorten ook uitgesloten.
Voor vogelsoorte n met jaarrond beschermde nesten uit Categorie 5, zoals huiszwaluw, ekster, koolmees en pimpelmees zijn voldoende alternatieve broedlocaties aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Werkzaamheden die uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot het verlaten van nesten met eieren of jonge n en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar en zijn een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 1 en 2. Voor het broedseizoen stelt de wet geen vaste begin- of einddatum. Normaal gesproken loopt het broedseizoen voor de meest e vogelsoorten van maart tot en met juli. Wanneer niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden, moet het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van beschermde soorten onderzocht worden op de aanwezigheid van broedgevallen. Ook is het in dat geval aan te raden het afval dat vrijkomt in het plangebied (ruim) voor het broedseizoen te verwijderen, om de kans op broedgevallen binnen het plangebied te beperken. Het is voor de voorgenomen ingreep niet mogelijk ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van
22 Ecologische quickscan Verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22086-02
broedgevallen van vogelsoorten welke van nature broeden in Europa en op natuurlijke wijze in Nederland gekomen zijn.
6.1.5 Vleermuizen De aanwezigheid van essentieel foerageergebied is op basis van de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied redelijkerwijs uitgesloten. Doordat bomen met holtes en grote stukken losse bast ontbreken en er geen gebouwen aanwezig zijn binnen het plangebied zijn vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen op basis van dit onderzoek eveneens uitgesloten. Negatieve effecten op mogelijk aanwezige vaste vliegroutes van vleermuizen zijn echter niet op voorhand uitgesloten. Voorafgaand aan de ingreep dient daarom een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Het verdient aanbeveling dit aanvullende onderzoek uit te voeren volgens het Vleermuisprotocol 2021 van de Gegevensautoriteit Natuur. Bij gebruikmaking van het vleermuisprotocol wordt een eventuele ontheffingsaanvraag vrijwel zeker in behandeling genomen. Tevens geeft het vleermuisprotocol invulling aan de minimale onderzoeksinspanning voortkomend uit de Wet natuurbescherming. Aanvullend vleermuisonderzoek conform het vleermuisprotocol houdt voor de mogelijk aanwezige functies in het plangebied in dat er twee veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden in de periode 15 april t/m 15 augustus (direct na zonsondergang en/of direct voo r zonsopkomst) waarvan tenminste een bezoek in de kraamperiode van vleermuizen dient te vallen.
Deze bezoeken moeten door een vleermuisdeskundige met behulp van een heterodyne batdetector met time expansion uitgevoerd worden.
6.1.6 Overige soorten Overige beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn in het plangebied niet te verwachten. De ingrepen leiden dan ook niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soorten.
6.2 Samenvatting Op basis van de mogelijke effecten die op kunnen treden ten gevolge van de ingreep blijkt dat deze niet door de Wet natuurbescherming wordt verhinderd. Het is wel noodzakelijk tijdig aanvullend onderzoek uit te voeren naar steenuilen, kerkuilen, vleermuizen en kleine marterachtigen. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden dient daarnaast rekening gehouden te worden met het broedseizoenen en de algemene zorgplicht. Afhankelijk van de resultaten van het nader onderzoek naar kan het opstellen en uitvoeren van een
23 Ecologische quickscan Verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22086-02
mitigatieplan en een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn. De ingreep vindt plaats binnen het NNN heeft mogelijk effecten welke uitstralen naar delen van het NNN welke grenzen aan het plangebied. Daarom is het noodzakelijk een zogenaamde Nee-tenzij-toets uit te voeren om effecten nader te bepalen. Afhankelijk van de resultaten van deze toets kan het aanvragen van een vergunning bij de provincie noodzakelijk zijn. Voor Natura 2000-gebieden kunnen alle negatieve effecten op voorhand uitgesloten worden met uitzondering van mogelijk effecten van stikstofdepositie. Daarom is het noodzakelijk een nadere toetsing uit te voeren waarbij gebruik gemaakt wordt van de resultaten van een AERIUS-berekening welke inzichtelijk maakt welke mate van stikstofdepositie op kan treden op gevoelige habitattypen en soorten in omliggende Natura 2000-gebieden. Afhankelijk van de uitkomsten van deze toetsing kan een vergunning voor het onderdeel gebiedsbescherming noodzakelijk zijn voor de realisatie van de weg. Daarnaast w orden bij de ingreep bomen gekapt welke vallen onder beschermde houtopstanden uit de Wet natuurbescherming. Hiervoor geldt een meldings- en herplantplicht.
24 Ecologische quickscan Verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22086-02
7. Bronnen 7.1 Rapportages & boeken Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, C.M. & J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Dietz, C., & A. Kiefer. 2017. Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest- Afrika. Tirion Natuur. Floron, 2011. Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist. Wellis, C., 2020. Quickscan Flora en fauna De Bulkenaar. Gemeente Roosendaal. ARCADIS Nederland B.V., Rotterdam. Referentie: D10003093:11.
7.2 Websites •
www.brabant.nl
•
www.natura2000.nl
•
www.ndff.nl
•
www.netwerkgroenebureaus.nl
25 Ecologische quickscan Young Professional Campus Tilburg | RA22101-02
Bijlage 1: Foto’s plangebied
26 Ecologische quickscan Young Professional Campus Tilburg | RA22101-02
27 Ecologische quickscan Young Professional Campus Tilburg | RA22101-02
28 Ecologische quickscan Young Professional Campus Tilburg | RA22101-02
29 Ecologische quickscan Young Professional Campus Tilburg | RA22101-02
30 Ecologische quickscan Young Professional Campus Tilburg | RA22101-02
Bijlage 2: Wet- en regelgeving Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de bescherming van de natuur in Nederland geregeld middels de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet is de Nederlandse implementatie van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, aangevuld met nationale bepalingen. De Wet natuurbescherming vervangt de voormalige Natuurbeschermingswet 1998, de Flora - en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming heeft drie belangrijke onderdelen, namelijk: •
Bescherming van Natura 2000-gebieden,
•
Bescherming van soorten,
•
Bescherming van houtopstanden.
De hoofdlijnen van de bepalingen in deze drie onderdelen van de Wet natuurbescherming welke van belang zijn voor de nadere toetsing in dit onderzoek worden in de onderstaande paragrafen nader toegelicht.
Bescherming van Natura 2000-gebieden Binnen de Wnb is de bescherming van zogenaamde Natura 2000-gebieden geregeld. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. De grondslag hiervoor ligt in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Natura 2000 -gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Welke planten- en diersoorten of habitattypen dit zijn is voor ieder gebied afzonderlijk vastgelegd middels beheerplannen met zogenaamde instandhoudingsdoelstell ingen. Ingrepen of evenementen mogen deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen. Activiteiten mogen alleen doorgang vinden als deze de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden niet in gevaar brengen, of wanneer de provincie waarin de ingreep of het evenement plaatsvindt een vergunning verleend. Bij ingrepen in gebieden v an nationaal belang is het ministerie van Economische Zaken Bevoegd gezag.
31 Ecologische quickscan Young Professional Campus Tilburg | RA22101-02
Bescherming van soorten De soortbescherming onder de Wnb onderscheidt drie verschillende beschermingsregimes, namelijk: •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn,
•
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn,
•
Beschermingsregime andere soorten (nationaal beschermde soorten).
Op soorten uit de beschermingsregimes Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn de verbodsbepalingen uit de door de Europese Unie opgestelde Vogelrichtlijn (1979) en Habitatrichtlijn (1992) van toepassing. Binnen de categorie andere soorten vallen soorten welke op Europees niveau niet beschermd zijn maar door Nederland wel als beschermde soort aangewezen zijn. Iedere provincie heeft zelf de mogelijkheid om een of meerdere van deze planten- en diersoorten vrij te stellen onder bepaalde voorwaarden. Wel geldt v oor alle soorten de algemene zorgplicht (Artikel 1.11). Deze zorgplicht houdt in dat men bij werkzaamheden met mogelijk negatieve effecten op planten en dieren maatregelen dient te nemen om onnodige schade aan planten of dieren te voorkomen.
Ontheffingen en vrijstelling De provincies en de Minister van Economische zaken kunnen ontheffing of vrijstelling afgeven om onder voorwaarden de Wnb te overtreden. Ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen of het verkrijgen van een vrijstelling kan alleen wanneer er gee n andere bevredigende oplossing bestaat en er geen negatief effect is op de staat van instandhouding van de soort. Dit is wel alleen mogelijk wanneer de aanleiding van de ingreep of activiteit valt onder een in de wet genoemd belang.
32 Ecologische quickscan Young Professional Campus Tilburg | RA22101-02
Tabel 1: Verbodsbepalingen per beschermingsregime Wnb, voor zover van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen of evenementen. Beschermingsregime soorten
Beschermingsregime soorten
Beschermingsregime andere soorten
Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1
Habitatrichtlijn (paragraaf 3.2
(paragraaf 3.3 Wnb)
Wnb)
Wnb)
Art 3.1 lid 1: Het is verboden
Art 3.5 lid 1: Het is verboden
Art 3.10 lid 1a: Het is verboden in het wild
in het wild levende vogels
soorten in hun natuurlijke
levende soorten opzettelijk te doden of te
opzettelijk te doden of te
verspreidingsgebied
vangen.
vangen.
opzettelijk te doden of te vangen.
Art 3.1 lid 2: Het is verboden
Art 3.5 lid 2: Het is verboden
Art 3.10 lid 1b: Het is verboden de vaste
opzettelijk nesten,
dieren opzettelijk te
voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van
rustplaatsen en eieren van
verstoren.
dieren opzettelijk te beschadigen of te
vogels te vernielen of te
vernielen.
beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Art 3.1 lid 3: Het is verboden
Art 3.5 lid 3: Het is verboden
Art 3.10 lid 1c: Het is verboden
eieren te rapen en deze
eieren van dieren in de
plantensoorten in hun natuurlijke
onder zich te hebben.
natuur opzettelijk te
verspreidingsgebied opzettelijk te plukken
vernielen of te rapen.
en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Art 3.1 lid 4 en lid 5: Het is
Art 3.5 lid 4: Het is verboden
verboden vogels opzettelijk
de voortplantingsplaatsen of
te storen, tenzij de storing
rustplaatsen van dieren te
niet van wezenlijke invloed is
beschadigen of te vernielen.
op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Art 3.5 lid 5: Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
33 Ecologische quickscan Young Professional Campus Tilburg | RA22101-02
Bescherming van houtopstanden De bescherming van houtopstanden richt zich op de instandhouding van het oppervlakte bos in Nederland. Artikel 4.2 uit de Wet natuurbescherming verbiedt het zonder melding (gedeeltelijk) vellen van houtopstanden groter dan tien are of van meer dan twintig rijbomen welke gelegen zijn buiten de “bebouwde kom houtopstanden”. Artikel 4.3 lid 1 en 2 stellen dat het naast melding noodzakelijk is dat er herplant plaatsvindt binnen 3 jaar na het vellen van de bomen, en dat vervolgens binnen 3 jaar herplant plaats m oet vinden voor niet aangeslagen beplanting. Het bevoegd gezag kan tevens een kapverbod opleggen in het geval van bijzondere beplantingen. Zoals opgenomen in Artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming geldt voor bepaalde soorten en gevallen (houtproductie of andere bedrijfsmatige activiteiten) een vrijstelling voor de bescherming houtopstanden.
34 Ecologische quickscan Young Professional Campus Tilburg | RA22101-02
Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal In het kader van de Wet natuurbescherming
1 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
Colofon In opdracht van
Gemeente Roosendaal
Contactpersoon
P van de Watering
Datum
15 november 2023
Kenmerk
RA22164-01
Aantal pagina’s
25
Status rapport
Definitief
Contactpersoon
Benjamin Backx
Telefoonnummer
06 1511 4537
info@ecoassist.nl Backx, B.J.A., 2023. Nader onderzoek verbindingsweg
Wijze van citeren
Tolberg Roosendaal. In het kader van de Wet natuurbescherming. Rapport RA22164-01. Eco Assist, Helmond.
Eco Assist B.V.
Eco Assist is lid van het Netwerk Groene Bureaus:
Wildenborchlaan 62
brancheorganisatie voor kwaliteitsverbetering en
5709 RR Helmond
belangenbehartiging
06 15 114 537 info@ecoassist.nl www.ecoassist.nl Eco Assist B.V. is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Eco Assist; opdrachtgever vrijwaart Eco Assist voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. © copyright Eco Assist B.V./ Gemeente Roosendaal Dit rapport is vervaardigd op verzoek van Gemeente Roosendaal. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaand schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Eco Assist, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
2 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
Inhoudsopgave
COLOFON ..................................................................................................................................... 2 INHOUDSOPGAVE ......................................................................................................................... 3 1.
INLEIDING ............................................................................................................................. 5
1.1 AANLEIDING ............................................................................................................................ 5 1.2 DOEL ...................................................................................................................................... 5 2.
PLANGEBIED & INGREEP ........................................................................................................ 6
2.1 LOCATIE .................................................................................................................................. 6 2.2 BESCHRIJVING ......................................................................................................................... 6 2.3 PLANNING .............................................................................................................................. 7 3.
WERKWIJZE ........................................................................................................................... 8
3.1 VELDDATA .............................................................................................................................. 8 3.2 WERKWIJZE STEENUIL ............................................................................................................. 8 3.3 WERKWIJZE KERKUIL ............................................................................................................... 9 3.4 WERKWIJZE KLEINE MARTERACHTIGEN .................................................................................... 9 3.5 WERKWIJZE VLEERMUISONDERZOEK .......................................................................................10 3.6 VOLLEDIGHEID INVENTARISATIE .............................................................................................12 4.
ONDERZOEKSRESULTATEN ....................................................................................................13
4.1 STEENUIL EN KERKUIL .............................................................................................................13 4.2 KLEINE MARTERACHTIGEN ......................................................................................................13 4.3 VLEERMUIZEN ........................................................................................................................15
3 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
4.3.1 ROOSENDAALSWEGJE ..........................................................................................................15 4.3.2 THORBECKELAAN .................................................................................................................15 4.3.3 WILLEM DREESWEG .............................................................................................................16 4.3.4 RISSEBEEK ...........................................................................................................................16 4.3.5 CONCLUSIE VLEERMUISONDERZOEK .....................................................................................16 5.
TOETSING AAN DE WET NATUURBESCHERMING .....................................................................17
5.1 EFFECTEN ...............................................................................................................................17 5.2 TOETS WET NATUURBESCHERMING.........................................................................................17 6.
CONCLUSIE EN AANBEVELINGEN ...........................................................................................19
6.1 CONCLUSIE.............................................................................................................................19 6.2 AANBEVELINGEN ....................................................................................................................20 7.
BRONNEN ............................................................................................................................21
7.1 RAPPORTAGES & BOEKEN .......................................................................................................21 7.2 WEBSITES ..............................................................................................................................21 BIJLAGE 1: WET- EN REGELGEVING................................................................................................22
4 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
1. Inleiding 1.1 Aanleiding De wijk Tolberg in het zuidwesten van Roosendaal kent al jaren problemen met de bereikbaarheid. Om de bereikbaarheid van de wijk Tolberg te verbeteren wordt een nieuwe weg aangelegd. Deze nieuwe weg past niet in het vigerend bestemmingsplan, waardoor een bestemmingsplanprocedure wordt doorlopen om deze nieuwe weg juridisch -planologisch mogelijk te maken. Uit een ecologische potentie-inschatting (quickscan) uitgevoerd door Eco Assist (Backx, 2023) bleek dat in het plangebied nader onderzoek uitgevoerd moest worden naar de steenuil, kerkuil, vleermuizen en kleine marterachtigen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Deze rapportage geeft de resultaten van het nader onderzoek weer.
1.2 Doel Met behulp van dit onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: •
Zijn in het plangebied jaarrond beschermde nesten of andere beschermde functies van de steenuil of kerkuil aanwezig?
•
Zijn in het plangebied vaste rust- en verblijfplaatsen of functioneel leefgebied van kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) aanwezig?
•
Zijn er binnen het plangebied essentiële vliegroutes van vleermuizen aanwezig?
•
Leidt de ingreep tot negatieve effecten op beschermde soorten?
•
Leidt de ingreep tot een mogelijke overtreding van de Wet natuurbescherming?
•
Welke vervolgstappen zijn noodzakelijk om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen?
5 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
2. Plangebied & ingreep 2.1 Locatie Het plangebied bestaat uit het tracé voor Verbindingsweg Tolberg onder andere bestaande uit een gedeelte van de Thorbeckelaan in Roosendaal (Noord-Brabant). Het tracé wordt aan de westzijde begrenst door de A58 en aan de oostzijde door het Molenbeekpad. In figuur 1 is de begrenzing van het plangebied weergegeven.
Figuur 1. Ligging van het plangebied, met de begrenzing in rood aangegeven. Bron ondergrond: OpenStreetMap, 2023.
2.2 Beschrijving Het plangebied ligt aan de zuidwestkant van de stad Roosendaal. Dit gebied heeft een landelijk karakter en wordt momenteel voornamelijk gebruikt voor agrarische doeleinden. Daarnaast bestaat het uit reeds bestaande lokale wegen en de bijbehorende bermen. Binnen het plangebied zijn geen woningen of andere gebouwen gelegen. Het plangebied heeft de volgende landschapselementen en eigenschappen welke van belang zijn voor de potentie van het gebied voor beschermde soorten (zie ook bijlage 1): Agrarische percelen momenteel vrijwel geheel in gebruik voor het verbouwen van gewassen. Bomenlanen bestaande uit zomereik (Roosendaalswegje en Thorbeckelaan) en populieren (Willem Dreesweg), zonder holtes of grote stukken losse bast.
6 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
Intensief beheerde bermen met algemene grassen en algemene kruiden van voedselrijke omstandigheden met soorten als rode klaver, witte klaver, smalle weegbree, veldzuring, fluitenkruid en glad biggenkruid. In de berm van de Willem Dreesweg groeit daarnaast het zandblauwtje. Houtwal (haaks op het Roosendaalswegje) voornamelijk bestaande uit zomereik, ruwe berk, hazelaar, boswilg en lijsterbes. Recent aangeplante houtwal (parallel aan het Roosendaalswegje) voornamelijk bestaande uit zomereik, ruwe berk, lijsterbes, hazelaar, vogelkers en gewone braam. Rissebeek, ter plaatse van het plangebied als een diep ingeslepen sloot in het landschap met begroeiingen van algemene soorten van voedselrijke omstandigheden zoals riet, lisdodde, kattenstaart en grote brandnetel. Sloten en greppels, gedurende het veldbezoek allemaal droog staand met riet en algemene grassen en kruiden van voedselrijke omstandigheden zoals haagwinde, fluitenkruid, Sint Jacobskruiskruid, kleine brandnetel, grote wederik en gewone braam.
2.3 Planning Het project bevindt zich momenteel nog in de voorbereidingsfase. De eerste stap is de aanpassing van het bestemmingsplan. De exacte planning van de werkzaamheden is daarmee nog niet bekend. Het voornemen is om de weg voor eind 2025 te realiseren.
7 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
3. Werkwijze 3.1 Velddata Het onderzoek naar de steenuil en kerkuil heeft plaatsgevonden in het broedseizoen van 2023. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd in het voorjaar en de kraamperiode van 2023. Het nader onderzoek naar marterachtigen heeft meegelopen met de andere onderzoeken, daarnaast heeft monitoring met wildcamera’s plaatsgevonden in de voortplantingsperiode van 2023. Het onderzoek is uitgevoerd door broedvogel- en zoogdierdeskundige Benjamin Backx MSc. De tijdstippen waarop het onderzoek heeft plaatsgevonden en de weersomstandigheden tijdens deze bezoeken zijn weergegeven in tabel 1. Tijdens alle bezoeken waren de weersomstandigheden geschikt voor het inventariseren van de doelsoorten. Tabel 1. Datum, tijdstip en weersomstandigheden tijdens de inventarisaties.
Datum
Tijdstip
Soorten
Weersomstandigheden
28-02-2023
19:15 – 21:15
steenuil, kerkuil
-1 ᵒC, droog, 2 Bft NO
23-03-2023
19:30 – 23:30
steenuil, kerkuil &
12 ᵒC, droog met soms kort
kleine marters
even spatregen, 3 Bft ZZW
steenuil, kerkuil &
9 ᵒC, droog, 2 Bft NNW
16-04-2023
19:45 – 00:00
kleine marters 18-04-2023
19:30 – 23:30
Vleermuizen
13 ᵒC, droog, 3 Bft ONO
17-05-2023
20:00 – 23:30
vleermuizen &
11 ᵒC, droog, 2 Bft N
kleine marters
3.2 Werkwijze Steenuil Voor de steenuil heeft het onderzoek plaatsgevonden volgens de richtlijnen uit het kennisdocument van BIJ12. Het onderzoek is uitgevoerd middels drie gerichte veldbezoeken in de periode van 28 februari tot en met 16 april 2023. De veldbezoeken werden uitgevoerd gedurende minimaal twee uur per bezoek in de avondschemer in de periode vanaf een half uur na zonsondergang tot middernacht. Hierbij werd de trefkans vergroot door regelmatig de baltsroep van de steenuil af te spelen en vervolgens te luisteren of hierop gereageerd werd door steenuilen. Aanvullend werd tijdens het veldbezoek voor andere soorten gelet op de aanwezigheid van steenuilen of sporen daarvan.
8 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
3.3 Werkwijze kerkuil Voor de kerkuil is er bij het onderzoek gewerkt conform de richtlijnen uit het kennisdocument voor deze soort (BIJ12, 2017). Het onderzoek is uitgevoerd middels drie gerichte veldbezoeken in de periode van 23 februari tot en met 29 maart. De veldbezoeken werden uitgevoerd gedurende minimaal twee uur per bezoek in de avondschemer vanaf een half uur na zonsondergang tot middernacht. De kerkuil reageert niet op het afspelen van de baltsroep op een geluidsrecorder. Voor de kerkuil is gelet op aanwezigheid op ba sis van zicht en geluid tijdens zowel de bezoeken voor de steenuil als tijdens de vleermuisonderzoeken.
3.4 Werkwijze kleine marterachtigen Het onderzoek naar de aanwezigheid van de kleine marterachtigen wezel, hermelijn en bunzing is uitgevoerd volgens de richtlijnen uit de Handreiking kleine marters van de provincie Noord-Brabant (Bouwens, 2017). Het onderzoek heeft plaatsgevonden middels ee n bureauonderzoek aangevuld met een veldonderzoek door middel van het inzetten van wildcamera’s aangevuld met sporenonderzoek. Om de trefkans voor zeer moeilijk waar te nemen kleine marterachtigen te vergroten is daarbij gebruik gemaakt van drie zogenaamde Struikrovers. Hierbij worden extra snelle wildcamera’s met een voorzetglaasje in een buis gemonteerd met op een vaste afstand een lokstof (sardientjes). De optimale periode voor onderzoek naar kleine marterachtigen loopt van half maart tot en met augustus. In die periode moeten de cameravallen zes weken in het plangebied aanwezig zijn conform de “Handreiking kleine marterachtigen” van de Provincie Noord-Brabant. De cameravallen zijn in dit geval bijna 8 weken in het veld geweest, van 23 maart tot en met 17 mei 2023. De locatie voor de plaatsing van de wildcamera’s is zo gekozen dat deze een goede verspreiding hebben, in en rondom de potentieel geschikte delen van het plangebied.
Dat wil zeggen dat ze geconcentreerd zijn op de structuren (houtwallen, ruigtevegetaties) welke marters gebruiken om zich door hun leefgebied te verplaatsen (zie figuur 2).
9 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
Figuur 2. Kaart met daarop de ligging van het plangebied met rood weergegeven en de locaties waar de wildcamera’s geplaatst zijn met blauwe ruiten. Bron ondergrond: OpenStreetMap, 202 3.
3.5 Werkwijze vleermuisonderzoek Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd volgens het Vleermuisprotocol 2021. Het Vleermuisprotocol is vastgesteld door Gegevensautoriteit Natuur en is goedgekeurd door het Bevoegd Gezag. Het Vleermuisprotocol is te vinden op de website van Netwerk Groene Bureaus. Tijdens de veldbezoeken werd op basis van geluid en zicht geïnventariseerd. Met behulp van heterodyne batdetector met opname- en vertragingsfunctie (type: Elekon Batlogger M2) werd de echolocatie die vleermuizen uitzenden hoorbaar gemaakt voor mensen. Wanneer de soort op grond van frequentie, klank en ritme niet met zekerheid kon worden bepaald welke soort vleermuis in het plangebied rondvloog, werd een opname gemaakt. De gebruikte batlogger maakt automatisch opnamen van alle waarnemingen van vleermuizen welke op het apparaat zelf opgeslagen worden. Met behulp van het computerprogramma Batexplorer werden de opnamen nader geanalyseerd. Hierbij werden de criteria zoals beschreven door Arjan Boonman (www.batecho.eu) toegepast. Voor sociale geluiden van vleermuizen werd gebruik gemaakt van richtlijnen volgens Middleton (2014) en Pfalzer (2002). Door daarnaast zoveel mogelijk visueel waar te nemen werd de determinatie geverifieerd en werd het gedrag (en daarmee vaak de functie van het gebied) vastgesteld.
Naast de waarnemingen die gedaan zijn door vleermuisonderzoekers is tevens gebruik gemaakt van drie automatische batdetectors (type: Mini-Batcorder van EcoObs). Dat zijn
10 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
batdetectors welke automatisch vleermuizen detecteren en hun vervolgens hun geluiden opnemen. De opnames zijn vervolgens door een vleermuisdeskundige geanalyseerd met behulp van het computerprogramma bcAnalyze 3.0. Aanvullend op de batdetectoren is gebruik gemaakt van een warmtebeeldcamera (type: Pulsar Helion XP28) om het gedrag van de vleermuizen beter zichtbaar te maken en nauwkeuriger het gedrag van de vleermuizen te bepalen. Bij het onderzoek zijn vier potentiële vliegroutes onderzocht, namelijk: 1. De eikenlaan aan het Roosendaalswegje 2. De eikenlaan aan de Thorbeckelaan 3. De populieren aan de Willem Dreesweg 4. De Rissebeek De locatie van de onderzochte vliegroutes is weergegeven in figuur 3.
Figuur 3. Kaart met daarop de ligging van het plangebied met rood weergegeven en de locaties waar het nader onderzoek naar vliegroutes heeft plaatsgevonden. Bron ondergrond: OpenStreetMap, 2023.
11 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
3.6 Volledigheid inventarisatie De inventarisatie van vleermuizen is uitgevoerd volgens het meest recente vleermuisprotocol (Vleermuisprotocol 2021) zoals vastgesteld door Gegevensautoriteit Natuur. De inventarisatie van de steenuil heeft plaatsgevonden conform de richtlijnen uit het kennisdocument (BIJ12, 2017). De inventarisatie van kleine marterachtigen heeft plaatsgevonden conform de richtlijnen uit de ‘Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming’ van de Provincie Noord-Brabant (Bouwens, 2017). Daarmee kan er vanuit gegaan worden dat voldoende inspanning geleverd is om de aanwezigheid van beschermde functies van het gebied voor alle te onderzoeken soorten met voldoende zekerheid aan te tonen dan wel uit te sluiten. Een inventarisatie is altijd een steekproef gebaseerd op momentopnames. Daardoor is niet volledig uitgesloten dat soorten en functies die niet waargenomen werden gedurende het onderzoek op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat de We t natuurbescherming een initiatiefnemer vraagt te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden. Met de gekozen methode en inspanning is voldoende invulling gegeven aan de Zorgplicht (paragraaf 1.11) van de Wet natuurbescherming. Wat betreft het voor onderzoek heeft de initiatiefnemer gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.
12 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
4. Onderzoeksresultaten In dit hoofdstuk worden de onderzoeksresultaten per soort(groep) gepresenteerd.
4.1 Steenuil en kerkuil Gedurende de veldbezoeken zijn geen steenuilen of kerkuilen aangetroffen in het plangebied. Er werd binnen het plangebied niet gereageerd op het afspelen van baltsgeluiden van de steenuil door soortgenoten. Ook werden er geen sporen zoals braakballen gevonden in het plangebied. Het is niet uit te sluiten dat steenuilen delen van het plangebied sporadisch bezoeken. De aanwezigheid van nestplaatsen en het bijbehorende omliggende functioneel leefgebied (territoria) van steenuilen is binnen het plangebied of de directe omgeving daarvan (75 m) redelijkerwijs uitgesloten. Ook is de aanwezigheid van nestplaatsen van de kerkuil binnen een straal van 75 m van het plangebied niet te verwachten op basis van het onderzoek.
4.2 Kleine marterachtigen Tijdens de veldbezoeken zijn ondanks het gericht afzoeken van geschikte plaatsen voor kleine marterachtigen geen sporen zoals prenten, uitwerpselen, haren of prooiresten aangetroffen in het plangebied. Ook werden nergens in het gebied wissels van marters aangetroffen. Tijdens de veldbezoeken voor steenuilen en vleermuizen zijn ook geen marters waargenomen in het gebied. Met behulp van de drie wildcamera’s (Struikrovers) die geplaatst zijn in combinatie met lokstof zijn eveneens geen marters vastgelegd. In de periode van acht weken waarin de wildcamera’s aanwezig zijn geweest in het gebied hebben zij in totaal 4.268 foto’s vastgelegd waarop een of meerdere dieren te zien zijn. Op meer dan 95% van de foto’s waren dit een gewone bosmuis (zie figuur 4) of huiskat. Daarnaast werden rosse woelmuis (zie figuur 5), bruine rat, hond, haas, konijn, egel, op camera vastgelegd. Naast zoogdieren werden ook broedvogels vastgelegd op de wildcamera’s (merel, winterkoninkje, koolmees, fazant, zanglijster en boslijster). Op geen van de wildcamera’s werden kleine marterachtigen of andere marters vastgelegd. Op basis van deze vele foto’s verspreid over de onderzoeksperiode kon met zekerheid vastgesteld worden dat de wildcamera’s gedurende de gehele onderzoeksperiode goed gefunctioneerd hebben.
Door het ontbreken van opnames van bunzing, hermelijn en wezel is het redelijkerwijs uitgesloten dat h et plangebied onderdeel uitmaakt van het functioneel leefgebied van deze soorten. Vaste rust - en verblijfplaatsen worden daarmee ook niet verwacht.
13 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
Figuur 4. Gewone bosmuis vastgelegd met behulp van een van de wildcamera’s in het plangebied.
Figuur 5. Rosse woelmuis vastgelegd met behulp van een van de wildcamera’s in het plangebied.
14 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
4.3 Vleermuizen Gedurende het onderzoek werden binnen het plangebied vier soorten vleermuizen aangetroffen: Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus); Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii); Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) Laatvlieger (Eptesicus serotinus); In de onderstaande paragrafen worden de resultaten van het onderzoek per potentiële vliegroute omschreven.
4.3.1 Roosendaalswegje De bomen aan weerszijden van het Roosendaalswegje worden door gewone dwergvleermuizen gebruikt als vaste vliegroute. Tijdens de eerste avondronde werden 21 dieren passerend van noordoost naar zuidwest waargenomen. Tijdens de tweede avondronde werden 16 overvliegende gewone dwergvleermuizen geteld. Daarnaast passeerde op de tweede avondronde twee laatvliegers en een ruige dwergvleermuis op de vliegroute. Een deel van de gewone dwergvleermuizen gebruikte de bomenlaan ook langere tijd om te blijven foerageren. Hoog overvliegend werd daarnaast op de twe ede avond een foeragerende rosse vleermuis waargenomen. De houtwal welke haaks op het Roosendaalswegje staat is tevens meegenomen in het onderzoek. Hier foerageerde soms een gewone dwergvleermuis, maar de meeste dieren bleven toch voornamelijk tussen en rondom de eikenlanen tijdens het foerageren. Er werden geen vleermuizen waargenomen welke de houtwal gebruikten als vaste vliegroute.
4.3.2 Thorbeckelaan Bij de bomen aan de Thorbeckelaan werden tijdens de eerste avondronde in totaal 3 passerende gewone dwergvleermuizen waargenomen, en 2 foeragerende gewone dwergvleermuizen. Tijdens de tweede avondronden betroffen het slechts 4 passerende dieren, en een gewone dwergvleermuis welke gedurende lange tijd bleef jagen in het gebied. Naast gewone dwergvleermuizen werden geen andere soorten waargenomen.
15 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
4.3.3 Willem Dreesweg Bij de bomen aan de Willem Dreesweg werden tijdens de eerste avondronde in totaal 6 passerende gewone dwergvleermuizen waargenomen, en werd er door enkele dieren ook kortstondig gefoerageerd bij de bomenlaan. Tijdens de tweede avondronden betroffen het 9 passerende dieren. Daarnaast bleven twee gewone dwergvleermuizen langere tijd jagen in het gebied. Tijdens de laatste avondronde werd naast de gewone dwergvleermuizen ook tweemaal een ruige dwergvleermuis waargenomen.
4.3.4 Rissebeek Bij de Rissebeek werd tijdens de eerste onderzoeksronde viermaal kortstondig een foeragerende gewone dwergvleermuis waargenomen. Tijdens de tweede onderzoeksronde werd driemaal kortstondig een gewone dwergvleermuis waargenomen, tweemaal een ruige dwergvleermuis en ook tweemaal een rosse vleermuis. In alle gevallen betrof het foeragerende dieren en was er geen sprake van snel passerende dieren welke de beek als vliegroute gebruikten.
4.3.5 Conclusie vleermuisonderzoek Eikenlanen aan het Roosendaalswegje vormen een essentiële vliegroute voor gewone dwergvleermuizen, welke tevens gebruikt wordt door enkele laatvliegers en ruige dwergvleermuizen. De Thorbeckelaan en Willem Dreesweg worden ook gebruikt door gewone dwergvleermuizen als vliegroute, maar door een lager aantal dieren. Bij de Thorbeckelaan komen de meeste dieren via de achtertuinen van de woningen aan de Thorbeckelaan (waar nr 254 gelegen is) en volgen vervolgens de bomen aan het Roosendaalswegje. De Willem Dreesweg is als geheel belangrijk als vliegroute voor gewone dwergvleermuizen, maar doordat hier de houtwal met name aan de noordzijde erg breed is zijn vleermuizen minder afhankelijk van de populieren in de berm. Naar verwachting wordt het groen rondom deze weg in zijn geheel door een groter aantal dieren gebruikt dan nu waargenomen tijdens het onderzoek. Het groen op deze weg in zijn geheel is daarmee wel van essentieel belang als vliegroute voor gewone dwergvleermuizen en in mindere mate voor de ruige dwergvleermuis. De Rissebeek wordt niet gebruikt als vaste vliegroute door vleermuizen.
16 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
5. Toetsing aan de Wet natuurbescherming 5.1 Effecten Binnen het plangebied zijn beschermde functies voor de steenuil en kerkuil (nesten en functioneel leefgebied) redelijkerwijs uitgesloten. Ook is het redelijkerwijs uitgesloten dat het plangebied functioneel leefgebied vormt voor bunzing, hermelijn en wezel. Vaste rust en verblijfplaatsen van deze soorten worden dan ook niet verwacht in het plangebied. Daarmee leidt de ingreep ook niet tot een negatief effect op deze soorten. Door de nieuwe verbindingsweg wordt de essentiële vliegroute van gewone dwergvleermuizen welke het Roosendaalsbaantje volgt doorsneden. Daarnaast kan het toepassen van verlichting bij de nieuwe weg leiden tot verstoring of zelf het geheel ongeschikt raken van de vliegroute. Dit leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De bomen aan de Willem Dreesweg vormen eveneens een vaste vliegroute voor gewone dwergvleermuizen. In het geheel samen met het opgaand groen aan de noordzijde van de weg vormt dit een essentiële vliegroute voor gewone dwergvleermuizen. Wanneer bij de ingreep onvoldoende geleidend groen behouden kan blijven langs deze weg of dit te veel aangelicht wordt kan dit tot een aantasting van deze vliegroute leiden, wat leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming.
Door een goede inpassing van het geleidend groen aan de Willem Dreesweg en hier geen extra verlichting aan te brengen of deze aan te passen op de vleermuizen kan de vaste vliegroute van gewone dwergvleermuizen behouden blijven. Bij het Roosendaalslaantje dient een hop-over gerealiseerd te worden om vleermuizen de weg over te leiden en moet de verlichting aangepast worden op de vleermuizen. Dan kan ook deze vliegroute behouden blijven. Daarmee kan het plangebied in de toekomstige situatie een gelijke functie voor gewone dwergvleermuizen behouden als in de huidige situatie.
5.2 Toets Wet natuurbescherming De voorgenomen ingreep leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De voorgenomen ingreep kan een negatief effect hebben op de lokaal aanwezige populatie van de gewone dwergvleermuis. Wanneer bij de uitvoering van de voorgenomen ingreep een deskundige op het gebied van zoogdieren betrokken wordt en een passend mitigatieplan wordt opgesteld dan kunnen negatieve effecten grotendeels voorkomen worden. Omdat het om een gering aantal dieren gaat heeft de ingreep geen negatief effect op de gunstige staat
17 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
en instandhouding van de lokale populaties van de gewone dwergvleermuis als voldoende mitigerende maatregelen getroffen worden om ernstige aantasting van de vliegroutes te voorkomen. Tijdens de ingreep dient daarnaast rekening gehouden te worden met het broedseizoen van algemene broedvogels en de algemene zorgplicht (artikel 1.11) om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen.
18 Nader onderzoek verbindingsweg Tolberg Roosendaal | RA22164-01
6. Conclusie en aanbevelingen 6.1 Conclusie Binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten of territoria van de steenuil en kerkuil aangetroffen. De aanwezigheid daarvan in het plangebied is dan ook redelijkerwijs uitgesloten. De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen en functioneel leefgebied van bunzing, hermelijn en wezel is binnen het plangebied eveneens redelijkerwijs uitgesloten. Het plangebied fungeert als foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis , ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Op basis van het lage aantal dieren dat hier aanwezig was om te jagen en de aanwezigheid van alternatief foerageergebied in de directe omgeving is het redelijkerwijs uitgesloten dat het een essentieel foerageergebied betreft. Het Roosendaalsbaantje en de Willem Dreesweg vormen beschermde vaste vliegroutes voor gewone dwergvleermuizen, welke daarnaast door enkele ruige dwergvleermuizen en laatvliegers (enkel bij Roosendaalsbaantje) gebruikt worden. Met de uitvoering van de ingreep wordt de Wet natuurbescherming mogelijk overtreden met betrekking tot de aantasting van essentiële vliegroutes van de gewone dwergvleermuis.
Omdat het onderzoek heeft plaatsgevonden volgens de richtlijnen uit het meest recente vleermuisprotocol (2021) kan geconcludeerd worden dat het plangebied voldoende onderzocht is op de aanwezigheid van vleermuizen om de aan - dan wel afwezigheid van vaste vliegroutes voor vleermuizen aan te tonen. Het onderzoek naar de steenuil is uitgevoerd volgens de richtlijnen uit het kennisdocument van BIJ12 voor deze soort. Voor kleine marterachtigen is voldaan aan de richtlijnen uit de handreiking van de provincie. Hiermee is voldoende inspanning geleverd om de aanwezigheid van beschermde gebiedsfuncties uit te sluiten. De initiatiefn emer heeft daarmee gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden om te voldoen aan de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming. Binnen het plangebied zijn geen bijzondere natuurwaarden of functies voor beschermde soorten aangetroffen welke niet te behouden dan wel te effectief te mitigeren zijn. Daarmee vormt het onderdeel soortbescherming van de Wet natuurbescherming geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging.